Lezen

Moezomoe

Moe, denkt Han, zo moe. De avond ervoor kroop hij op tijd in bed. Hij had nog wat in te halen. Maar de slaap waar hij zo naar verlangde, liet hem in de steek. Hij staarde naar het plafond. Na twee uur staren, wist hij dat de volgende dag een kwelling zou worden. Door hier aan te denken, staarde hij nog een uur langer.Zijn ogen doen pijn, zijn verstand is bevroren. Hij weet het, vandaag zal hij aan veel werkjes beginnen maar niets afwerken. En vandaag, weet hij ook, wordt een lange dag. Han heeft medelijden met zichzelf. Moe, zo moe, o zo moe. Denk eens aan iets anders, denkt hij. Hij staart naar zijn handen, die lamlendig naast zijn klavier liggen. Hij moet iets doen, want niets doen, maakt de dag alleen maar langer. Han kijkt naar zijn scherm. Er staan ongelezen e-mails in zijn mailbox. Lezen doet pijn. Zelfs zijn haar doet pijn. Hij opent een ongelezen e-mail. Hij zucht. Zijn hoofd wankelt en kantelt. Een andere e-mail dan maar, een eenvoudig probleem: in een fiche in de databank twee cijfertjes vervangen door twee andere cijfertjes. Dat moet lukken.Han opent de databank en dan de bewuste fiche. De twee cijfers die aan vervanging toe zijn, vindt hij meteen, maar de twee nieuwe cijfers kan hij zich niet meer herinneren. Hij opent opnieuw de e-mail, zoekt en vindt de nieuwe cijfers, sluit de e-mail, opent de fiche in de databank, vindt de oude cijfers en is klaar om de nieuwe cijfers in te vullen.Hij vloekt binnensmonds, sluit het scherm van de databank, opent de e-mail, zoekt en vindt de nieuwe cijfers. Hij noteert ze op een papiertje, sluit de e-mail, opent de databank, kijkt naar het papiertje, memoriseert de twee cijfers, kijkt naar zijn scherm en… Telefoon. ‘Neen’, denkt Han, ‘Eerst dit even afwerken’. Met de nieuwe cijfers als een mantra in zijn hoofd, legt hij zijn rechterhand op het cijfergedeelte van zijn klavier, maar als hij de cijfers in wil tikken, stopt de mantra.Op normale dagen, meermaals per dag en dit al meer dan acht jaar lang, neemt Han de telefoon op en zegt hij: ‘Uitgeverij Novum, met Han?’Deze keer stoot hij een sputterende bromtoon uit, iets wat vaagweg klinkt als ‘Han, Novum, uitgeverij, hallo?’ Aan de andere kant van de lijn hoort hij een ernstige mannenstem. Er is een probleem, het is dringend en Han moet het probleem oplossen. De man heeft zich niet voorgesteld, beseft Han. Het zal wel weer een professor, advocaat of rechter zijn, dus probeert hij zijn kalmte te bewaren en beleefd te blijven. Dat lukt wonderwel en op automatische piloot. Han stelt de man gerust, hij zal er alles aan doen om het probleem meteen aan te pakken en indien mogelijk ook op te lossen. De man klinkt tevreden, dankt hem en na het wensen van een prettige dag, legt Han neer. Hij is opgelucht, want het is voorbij. Hij leunt even achterover en denkt na. Wat was nu precies het probleem? Han weet het niet meer. En wie de man aan de lijn was, weet hij dus ook niet. Het is hopeloos, dat weet hij. Han opent het scherm van de databank en zoekt het papiertje met de nieuwe cijfers. Hij kan het nergens vinden. Het is op onverklaarbare wijze verdwenen. Deze dag zal duren tot in de eeuwigheid. Moe, zo moe.

J. De Vries
0 0

DE WEG NAAR DE EEUWIGHEID

Ik hol de ziel uit mijn lijf om de laatste bus te halen, maar dreig alsnog te laat te komen. Ik hap naar adem als een vis op het droge en voel een stekende pijn in mijn borst. Om de laatste kilometer naar de bushalte in te korten, besluit ik de weg door het nachtelijke park te nemen, hoewel er een storm woedt.   In het park hangt een onaardse sfeer. Dorre bladeren ritselen als opgejaagde ratten door mijn voeten, terwijl de kale twijgen van de bomen rusteloos heen en weer zwiepen als nijdige geselroedes. Het heeft iets sinisters. Tijdens de zomermaanden klinkt hier het gefluit van vogels en ligt het grasveld bezaaid met mensen die zich koesteren in de zon. Nu huilt er een ijzige wind door de bomen en raakt het gazon stilaan verborgen onder een dun laagje poedersneeuw. Ik trek mijn schouders hoog op en maak haast.   In het schijnsel van een lantaarn zie ik plots een man opdoemen. Ik voel mijn adem stokken. De man, mager als een Biafraan, heeft een grote zeis in zijn handen. Een zeis? In de winter! Ik hou mijn stappen in, maar hij roept me vriendelijk toe: “Je hoeft niet bang te zijn. Ik ben geen terrorist!” Ik ga langzaam nader.   “Wel een vreemd seizoen en een ontiegelijk laat uur om het gras te maaien,” tracht ik mijn onrust weg te lachen.   “In mijn stiel zijn seizoenen en uren van geen tel,” antwoordt hij met diepe stem, “hoewel ik moet toegeven dat ik in de winter doorgaans meer werk heb dan ’s zomers.” Ik weet niet precies wat hij bedoelt en lach een beetje ongemakkelijk.   “Sorry, maar ik moet me haasten voor mijn bus,” zeg ik. Hij kijkt me doordringend aan en doet een stap opzij. Nadat ik hem gepasseerd ben, hoor ik een suizend geluid en even meen ik een snijdende pijn in mijn nek waar te nemen. Maar het is mijn verbeelding die me parten speelt, want ik kan ongehinderd doorlopen.   Wanneer ik het park verlaat, zie ik de laatste bus net wegrijden. Ik slaak een luide vloek. Thuis geraak ik niet meer en geld voor een hotelkamer heb ik niet. Ik denk even na en besluit te overnachten in het portaal van een winkel. Ik leg me neer op de grond en rol me op als een egel. De vloer is koud en hard als graniet, maar ik lig droog en beschut tegen de wind. Ik wurm mijn mond in mijn kraag en adem in mijn kleding om mijn pijnlijke borst te verwarmen. Uitgeput val ik in slaap. Ik word gewekt door een zacht getsjilp. Ik open mijn ogen en zie een vogeltje naast me zitten. Het beweegt zijn hoofdje bliksemsnel over en weer. De borst van het diertje is rood als bloed. Ik krabbel overeind. Het vogeltje wipt de straat op en blijft op de stoep naar me staan tsjilpen. Ik verlaat het portaal en voel een deugddoende zonnestraal op mijn gezicht vallen. De wereld is bedekt met een maagdelijk wit tapijt, waartegen de rode borst van het vogeltje fel afsteekt. Er heerst een vredige rust. De dikke laag sneeuw dempt elk geluid. Het is haast sprookjesachtig.   “Tsjilp tsjilp tsjilp.” Het kleine vogeltje heeft zich enkele meters van me verwijderd en huppelt nerveus heen en weer. Het lijkt me achter zich aan te willen lokken. Zijn fijne pootjes laten een onleesbaar geschrift achter in de sneeuw. Ik volg het diertje en loop het park in. De stormwind, die gisteren de takken deed zwiepen en slaan, is bedaard. Er heerst nu een hemelse rust. Ik loop verder. Hoewel er ijspegels aan de takken hangen, heb ik het niet koud. De sneeuw, waar ik tot aan mijn enkels inzak, kraakt onder mijn voeten en dringt in mijn schoenen. Toch worden mijn voeten niet nat.   “Tsjilp tsjilp.” Het vogeltje zit nu boven me op een tak. Wanneer het opvliegt, laat het een pak poedersneeuw op me neerdwarrelen. Ik wrijf mijn ogen uit en kijk om me heen. Ik merk dat ik me op een plek bevind die omzoomd is door een ondoordringbare muur van heesters. Het lijkt alsof ze zich rondom mij hebben gesloten. Ik zie geen uitweg meer. En dan klinkt plots een zachte stem die mijn naam roept. Ik kijk op en ontwaar een witte gedaante. Ze wenkt me met een teder gebaar. Ik loop op haar toe, maar wanneer ik haar nader, trekt ze zich terug tussen de struiken. Geen blad beweegt wanneer ze langs de takken strijkt. Ze is als een nevel die er doorheen waait. Ik worstel me door de heesters. Dikke pakken sneeuw vallen me in de nek, maar het voelt niet koud aan. Wanneer ik aan de andere kant het dichte struikgewas verlaat, word ik begroet door een hoop mensen in wit gewaad die op me afkomen. Ze leken me op te wachten en ontvangen me als een koning. Wanneer ik hen beter bekijk, herken ik mijn moeder en mijn vader, mijn grootouders, enkele ooms en tantes… allemaal mensen die me in de loop van mijn leven zijn ontvallen. Een eind achter hen ontwaar ik de man met zijn zeis. Hij knipoogt geruststellend. Ik slaak een diepe zucht en berust in mijn lot.   (Dit is een fragment uit mijn roman "Tot ziens, Marianne" die in wekelijkse delen op azertyfactor verschijnt)

Lou Van Lier
0 0

Isabelle [Hoofdstuk 4]

4                                                          Klokslag zeven uur stond hij voor de glazen pui van het gebouw. Even later stapte John uit de lift en kwam naar de uitgang. “Goed je weer te zien, Lars. Hoe gaat het?” “Zoals ik je schreef, het kan beter.” “Laten we direct gaan eten, ik weet een goed Japans restaurant in de buurt. Over anderhalf uur moet ik terug zijn op kantoor.” “Ga je hierna weer aan het werk?” vroeg Lars verbaasd. “Ik moet wel, het is vreselijk druk. Tegenwoordig ben ik elke avond aan het werk, zelfs op zaterdag.” Het restaurant was gevestigd aan 51st street, ruim opgezet met louter Japanse gasten. De toegewezen tafel naast de deur was niet wat John voor ogen had. In vloeiend Japans sprak hij de gastvrouw aan, met als gevolg dat er snel een betere plek werd aangeboden. Lars glimlachte, dat gedoe had hij vaker meegemaakt. Altijd was er wel een issue en altijd wist John de aandacht op zich te vestigen. Wellicht omdat hij iets luider sprak dan de gemiddelde Amerikaan, licht raspend met dat typisch New Yorkse accent. Hij wenkte de serveerster en schakelde over op het Japans. Even later werden er een schaaltje edemame, sake en twee glazen water geserveerd. Lars keek naar zijn kameraad die zich direct op de sojaboontjes stortte en ondertussen de Nederlandse politiek ter sprake bracht. Zelfs in Amerika hield John zich op de hoogte door regelmatig de website van NRC Handelsblad te lezen. Het laatste restje haar dat hij nog had, was gemillimeterd. Ze waren even oud, achter in de veertig. Buiten zijn nagenoeg kale hoofd en grijs haar vertoonde John nog geen trekken van ouderdom. Slank van postuur en een glad bijna jongensachtig gezicht. Anders dan ik, dacht Lars, met wallen onder mijn ogen en een beginnend buikje. Alsof John zijn gedachten kon lezen, vroeg hij plots: “Hoe kan het dat jij al je haar nog hebt?” “De genen van mijn opa. Die was op zijn zeventigste nog niet kaal.” “Lucky man,” zei John terwijl hij een slok water nam. “Valt wel mee, ik heb geen cent te makken. Dit jaar...”  “Gelul,” riep John, “je hebt al jaren een eigen bedrijf, je kan je een trip naar New York veroorloven.” “Dat is het ’m nou juist. De zaak loopt voor geen meter. Het is al september en ik heb nog geen zesduizend euro omzet. Twee keer per week moet ik bijklussen als koerier voor DHL.” “Maar wel even naar New York.” “Betaald met mijn credit card, de klap komt later,” zuchtte Lars. John zweeg en gooide een boontje terug in het schaaltje. “Weet je, ik ben blij dat ik drie jaar geleden ben teruggegaan naar de States.” “Alsof het hier zo goed gaat.” Hij fronste zijn wenkbrauwen: “You know Lars...” Als hij zo van wal stak  dan volgde er een betoog. Minutenlang zou John aan het woord zijn en uitleggen dat, in dit geval, Amerika zich veel beter door de crisis sloeg dan Europa. De kans werd hem ontnomen door de serveerster die de bestelling kwam opnemen. Zonder de menukaart te bekijken, somde John een aantal gerechten op. De jonge dame noteerde het vluchtig en verdween geruisloos. “Nice face but a little too skinny.” Geen enkele vrouw ontsnapte aan zijn oordeel. “Hoe gaat het met Majimi?” “We zien elkaar nauwelijks, maar ze is goed voor me. Beter dan mijn ex in elk geval. Hoe gaat het met jouw gezin eigenlijk?” Lars pakte zijn telefoon en toonde foto's van zijn dochtertje. John glimlachte: “Hoe oud is ze is nu?” “Zeven. De tijd vliegt.” “Waar blijft nummer twee?” “We zouden wel willen, maar je hebt geen idee wat een kind kost.” “Elena studeert nog steeds?” “Yep, ze is zelfs aan een nieuwe studie begonnen. Rechten, dat brengt dus ook niks in het laatje.” John tikte met zijn vinger op de tafel. “She will, in time.” “Weet ik, alleen heb ik daar nu geen zak aan. Het water staat me tot aan de lippen.” “...tot aan mijn lippen,” herhaalde John. “Waarom zit het Nederlands vol met vreemde uitdrukkingen en gezegden.” “The ship is going down, John, om het in het Engels te houden.” “Cut the crap, Lars. You are here on a mission.” “Ik weet het, maar als het met die app niet lukt dan ben ik echt de lul.” Lars pakte een kannetje sake en schonk voor beiden in. De serveerster kwam na enkele minuten met de eerste gerechten. Met stokjes eten was geen probleem voor hem, een gegrilde vis fileren met dat gereedschap was van een andere orde. Zijn vriend had het vel teruggeslagen en gebruikte zijn gerei om stukjes vis van het kraakbeen te scheiden. “Dus morgen ga je naar MobileWeek?” vroeg John. “Daar moet het gebeuren.” Hij pakte zijn iPhone en liet een paar afbeeldingen zien van de app. “WordSnake heet het, toch?” “Ja, een wordgame. Het idee is om een nieuw woord te maken beginnend met de laatste letter van je tegenspeler. Je hebt de keuze uit tien willekeurig gekozen letters. Het heeft iets weg van Scrabble. De puntentelling is hetzelfde. Dus hoe langer het woord, hoe meer punten. Vorm je een woord van zes letters dan verdubbelt de woordwaarde, bij zeven letters drie maal, acht vier maal, en zo verder.” “Looks nice, dude.” Lars glimlachte. Voordat hij naar New York was vertrokken had hij een flow chart gemaakt van het spel en ter illustratie een aantal photoshop bestanden. Het enige wat nog ontbrak was een non-disclosure agreement. “Ik heb een nda voor je opgesteld,” zei John. Uit zijn binnenzak pakte hij een envelop en haalde er een gevouwen vel papier uit. “Alles staat op één blad, makkelijk als je het moet printen of kopiëren.” Hij wees op verschillende open regels. “Jij tekent onder Discloser, degene met je wie onderhandelt onder Participant. Laat die persoon zo veel mogelijk gegevens van zichzelf invullen. En vergeet de datum niet.” “Dus dit moet genoeg zijn?” John nam een slok water. “Een nda waarborgt geheimhouding, maar in de praktijk valt dat tegen.” “Dan heb ik er weinig aan.” “Juridisch ben je gedekt natuurlijk. Het is meer om aan te geven dat men niet met een sukkel te maken heeft.” Lars schoot in de lach. “Tuurlijk.” “Het staat ook als pdf-bestand in je mailbox.” “Cool.” De serveerster zette twee houten plateau’s rauwe vis op tafel. Met een lichte buiging zei ze iets wat John wederom leek te negeren. Hij deed zijn handen uiteen: “Sashimi Maguro. Zowel Chu-toro als O-toro en Akami natuurlijk.” “Mijn Japans is niet meer wat het geweest is, John.” “Come on, man. You know this. Tuna, the best parts of it.” “Wat zei die serveerster nou eigenlijk?” “Het spijt me dat u zo lang heeft moeten wachten.” “Wachten? We hebben net de yellow tail achter de kiezen.” “Dat zeggen ze altijd bij het hoofdgerecht.” De serveerster bracht even later twee kommetjes rijst ter completering van de maaltijd. “Heb je plannen voor vanavond?” vroeg John. “Geen idee, misschien kunnen we nog ergens een biertje drinken.” “Helaas, ik was al blij er even tussenuit te kunnen.” Hij tilde het deksel van zijn kommetje op. Bovenop de dampende rijst lag een rauwe eierdooier. “Nice. Tegenwoordig hoef ik er niet meer om te vragen.” Lars wilde nog wat sake inschenken. “Dat spul verdampt veel te snel,” zei hij en keek om zich heen of een serveerster hem in de gaten had. John knikte kort met zijn hoofd in de richting van de keuken. Direct kwam een dame aangesneld en posteerde zich voor de tafel. Na een kort ‘Hai’ verdween ze weer. Met jaloersmakend gemak schakelde John van het Engels naar het Japans en terug naar het Nederlands. “Japanse serveersters staan ietsje verder van de tafel af dan hun westerse collega’s. Ze zijn beleefder en lopen niet te eh.. how did you call that, pezen voor hun fooi.” “Haagse straattaal, John. Dat je dat nog weet.” “De jongens op kantoor vonden het leuk om zo nu en dan plat Haags te praten.” Hij volgde het voorbeeld van zijn vriend en roerde de eierdooier door de rijst. De sake werd geserveerd, waarop John het kannetje pakte en alleen Lars’ cupje inschonk. Deze sloeg het direct achterover. “Bijna drie jaar heb je toch in Japan gewoond?” “Klopt. ”  “En dan ontmoet je het meisje van je dromen. Waarom ben je daar niet gebleven?” “Na mijn studie kon ik geen werk vinden, dus zijn we uiteindelijk naar the States gegaan.” Toen hij voor beiden sake wilde inschenken, hield John zijn hand boven het cupje. “Wil je echt niet meer?” “Ik moet zo meteen weer aan het werk.” Hij leunde achterover en legde zijn handen in zijn nek. “Waarom ga je vanavond niet naar Provoc in het meatpacking district? Kan interessant zijn voor je. Er lopen genoeg dudes rond die in de mobile industry zitten.” “Wat is dat voor tent? “Cool en hip.” “Waar zit het precies?” “Ik schrijf het op.” Hij pakte een visitekaartje uit zijn zak en schreef het adres op de achterkant. “Een van de security guys ken ik goed. Koreaan van origine, klein van stuk, but very tough. Geef hem dit kaartje en hij laat je binnen. Ik ga ervan uit dat hij werkt vanavond, maar de zaak gaat pas om elf uur open.” Lars bekeek het kaartje. Onder het adres stond: ‘Thx, John’

Ted H.P. de Wolf
0 0

Blogposts: Het Primarkritueel www.groenig.net

Een paar keer per jaar springen we voor dag en dauw in de auto om naar Luik of Eindhoven te rijden, naar de budgetketen Primark. Ik nam enthousiast deel aan die tripjes, tot voor kort. Tot het me begon te dagen dat niets van wat ik daar kocht lang op mijn 'te dragen'lijstje bleef. En ik genoeg had van de hysterisch om zich heen grijpende vrouwen op zoek naar een vijfde hilarische onesie 'maar dan in een àndere kleur'. Maar waarom altijd Primark? Is het de bedoeling Primark te bashen? Niet helemaal, het is immers niet de enige kledingketen die het niet zo nauw neemt met hun productieketen, waarschijnlijk wordt alles van andere ketens in dezelfde fabrieken geproduceerd. Maar, nergens anders is het zo de gewoonte je mandje vol te gooien (letterlijk!) en met drie of vier gigantische zakken buiten te wandelen. En dat is gewoon écht de cultuur waar we van af moeten. Niemand heeft zoveel kleding nodig, niemand kan zoveel kleding tegelijkertijd dragen. Just the facts Terwijl onze kleding steeds goedkoper wordt, worden de mensen die je kleding maken steeds verder uitgebuit. Elk kledingstuk wordt immers nog steeds grotendeels door mensenhanden gemaakt. En die mensen worden nog altijd te weinig betaald. Het wettelijke minimumloon in productielanden is zelden genoeg om van rond te komen. In Bangladesh dekt het arbeidersloon slechts 60% van de kosten van het leven in een sloppenwijk. Die lage lonen zorgen ervoor dat de makers in de armoede blijven en dat ze onder druk staan om overuren te kloppen. Volgens een recent onderzoek (van Behind the barcode) weet de helft van de merken niet precies te zeggen waar hun kleding geproduceerd wordt. Gelukkig worden de wetgevingen steeds beter, maar dat betekent niet dat de mensen ook automatisch beter beschermd worden. Productiekosten blijven stijgen en onze kleding blijft goedkoper worden, gevolg? Er wordt bespaard op de mensen die de kleding maken. Maar er is geen alternatief... Moet je het shoppen daarom helemaal laten? Nee, maar check de volgende keer ook eens de andere mogelijkheden. Heel veel tweedehands kleding is nog ongedragen, heel veel duurzame merken maken prachtige, eerlijke, betaalbare kleding. It’s worth a try! Bekijk de White paper op Fashionrevolution.org, uitgekomen in December 2015 voor meer info over de omstandigheden waarin kleding gemaakt wordt.  

Kaat
0 0