Lezen

Waar leggen we het nu

Afronden. We moeten het afronden. “Als het moet, dan moet het”. Wacht even. Ik vraag me af waarom het moet? Want ze zeggen toch evengoed “Alles mag, niets moet?” Wat klinkt het luidst? Wat echoot, wie fluistert, wie voegt werkelijk iets toe aan de stilte, wie zwijgt? Bon, mijn vragen spartelen tegen en tegenspartelen gaat steeds slechts voor even. Uiteindelijk is het altijd voor ieder een kwestie van accepteren. We moeten dus stillekes afronden.   Nog een vraag. Het komt niet voort uit uitstelgedrag, ik wil het echt graag weten: wat is dat dan, afronden? En hoe doe je dat met iets piekerig, iets dat zich niet laat vangen, dat gloeit, dat waait in de wind en danst op muziek. Kneed ik het het best samen? Het prikt een beetje. En prop ik het zo binnen de lijnen van een cirkel? Ik probeer het eens.   Ik geraak stilaan buiten het afgeronde geheel. Als voorbij een hek waaraan ik mijn kleren scheurde. En ik hoor het nog woelen achter mij. Ik wil dat het stilt. Ik wil dat alles zou kunnen stillen. En dan weer na een tijdje zijn eigen geluid aanneemt. Maar vanaf dan ook steeds weer kan stillen. Als iemand wil dat het stilt.   Zo, het zit er in, in de cirkel. Het is er in gepropt en opgeborgen. Zou het daar nu veilig zitten? Daarbinnen blijft het nog bestaan. En woekeren. Dat kan niet de bedoeling zijn. Tenzij het na een tijdje stilt, want iemand wil dat het stilt. Bovendien, waar leggen we het nu. Deze cirkel is slechts schijnbaar rond, er zullen nog vragen komen.   Het zou moeten kunnen doven als een smeulend vuurtje – want het is waar dat het warmte gaf. Neen, want dat het als as uiteen valt, dat wil ik niet. Dat het vervliegt en verdampt, evenmin. Weg is zo... weg. Het zijn geen stappen waarop je kan terugkomen. De theepot 'Himalaya' die we leegdronken, kunnen we er toch ook niet terug uitgieten.   Weet je wat het mag van mij? Het mag zoals een zonsondergang gaan. Mee met de zon onder gaan. En wanneer de zon terug opkomt, zal het er deel van geworden zijn. Want het is waar dat het straalde. En het werpt vanaf nu mee een nieuw licht op de te komen nieuwe dagen.

Jill Marchant
0 0

Een minuut stilte voor zij die zoekend sterven

Hij krijgt geen kieuwen, zal allerlei bewegingen maken die hem dieper naar dat eindeloze gat trekken tot de pracht van een straaltje zon door het wateroppervlak meer heeft van een slepende terminale ziekte. Hij zou tinnitus verkiezen boven de rust en stilte die hem overgiet hij zou zijn longen willen volzuigen, eventueel met teer. Een keer goed inademen, zijn jawoord geven aan zuurstof. Een doosje “Echte zeelucht’ zou hij koesteren zoals dat hoort (in een glazen buffetkast). Hij zou willen branden in de zon en de vuurrode brandvlekken er graag bijnemen. Maar de oppervlakte en de gezegende die hem geduwd heeft lijken verder weg dan ooit wanneer hij beseft dat nadenken over wat hij wilt het zinken niet stopt. Hij is geen held en wil er geen zijn. Hij voelde zich veilig op de saaie vaste grond en weet dat ‘ergens willen komen’ de vervelendste, slopende wil is die er bestaat. Hij is een antiheld die in zijn droog vuistje lacht wanneer hij mensen ziet zoeken naar iets en wanneer ze het gevonden hebben op zoek gaan naar iets nieuws tot ze zoekend sterven. Zo heeft hij beslist dat hij al ergens is. “Anders kom je nergens” weergalmde vanaf het droge zuurstof-bevattende oppervlak waar de duwer stond. Wat was die bodem lelijk. Terwijl hij voelt hoe onbevredigend het is om je longen dorstig met water op te blazen kerft hij met zijn plots-heel-erg-oude rimpelige vingers het zand vol met waarheid voor alle leeghoofdige drenkelingen die ook geloofden dat je geboorte er nog niet voor zorgt dat je ergens bent." De enige manier om te leren zwemmen is in het water springen "… maar niet iedereen wil ook een vis zijn. 

Lot
0 0

Maanziek, fragment 1 uit het boek 'Maanziek'

'Kom op Mathis, dit kan je niet menen! Ben je echt zo'n watje?' Ja, ik ben echt zo'n watje. 'Wil je alsjeblíéft nog één laatste keertje van de wildwaterbaan gaan?' Axel kijkt me smekend aan met zijn zielige puppy-oogjes. Hoewel hij al jarenlang mijn beste vriend is, probeert hij me toch te overhalen om een tweede keer mijn leven te wagen in die gestoorde glijbaan. Niet toegeven nu, Mathis, prent ik mezelf in. Je wilt niet nóg eens doodsangsten uitstaan en jezelf belachelijk maken voor de ogen van al die mensen. Ik kijk omhoog en zie hoe Axel aan de rand van het bubbelbad staat te springen, van het ene been op het andere. Sinds wanneer kan het me iets schelen wat andere mensen denken? 'Binnen een uurtje sluit het zwembad en dan moeten we naar huis', gaat hij verder. 'En vanaf morgen zitten we weer opgesloten in die stomme school. Trouwens, een warm bad kan je thuis ook nemen maar een supersnelle glijbaan zoals de Moonstruck vind je nergens anders!' besluit hij zijn pleidooi. Hij trekt aan de onderkant van zijn lichtblauwe zwemshort en gluurt naar enkele meisjes in bikini die voorbijlopen. 'Dit is geen bad, maar een jacuzzi', wijs ik hem terecht. Axel rolt met zijn ogen en haalt zijn schouders op. Een andere belangrijke reden waarom ik er weinig voor voel om mijn plekje te verlaten, zijn drie knappe meisjes. Ze zitten in de aangrenzende jacuzzi en genieten ongetwijfeld van hun laatste vakantiedag. Vanaf dit punt heb ik een perfect uitzicht op twee van hen, meisjes met lange lichtblonde haren en een lichaam waarmee ze modellenwerk zouden kunnen doen. Echt het type waar Axel op valt, denk ik bij mezelf. Het derde meisje zit een beetje afgezonderd van de rest. Omdat ze met haar rug naar me toe zit kan ik haar gezicht niet zien, maar ik kan me zó voorstellen dat ze de knapste van de drie is. Jij bent veel te verlegen om met een meisje dat je niet kent te praten, brengt mijn brein zichzelf in herinnering. 'Mathis, please?' Ik word uit mijn mijmeringen gerukt en slaak een diepe zucht. Wat mij betreft heeft het warme water van de jacuzzi veel meer overtuigingskracht dan de woorden van Axel. Ik voel hoe duizenden belletjes langs mijn benen omhoogdrijven en ruik de heerlijke lavendelgeur die ze verspreiden. Dan speelt Axel zijn laatste troef uit. 'Ik keek er zó erg naar uit om de Moonstruck te proberen...' Dat is de druppel. De wedstrijd is beslist in het voordeel van de gigantische waterattractie. Je bent veel te aardig. Ik hijs mezelf met tegenzin uit het heerlijk geurende water en ril van de plotselinge kou. Terwijl ik het prikkende chloorwater uit mijn ogen veeg en mijn natte haren fatsoeneer, probeer ik een glimp op te vangen van het meisje met de lichtbruine krullen. Op dat moment krijg ik een krachtige duw die me doet wankelen op mijn benen. Bijna val ik recht op mijn gezicht, maar Axel kan me nog net bij een arm grijpen. 'Hé, niet omvallen', lacht Axel. Ik schud mijn hoofd en probeer te ontdekken wie me zo bruut omver probeerde te stoten. Er is niemand te zien. Vreemd. 'Iemand duwde me', verbeter ik Axel. 'Wie doet nu zoiets?' Het is voor mij soms moeilijk om te begrijpen waarom mensen iets doen. Vaak voel ik me alsof ik helemaal alleen op mijn eigen geïsoleerde eilandje zit. Een halve minuut later staan we aan de ingang van de wildwaterbaan. 'Pff, zo veel volk', zucht Axel. Een rilling loopt over mijn rug. En het is niet van de kou deze keer. Axel heeft gelijk, de wachtrij staat inderdaad bijna helemaal vol. Waarom vinden al die mensen dit zo leuk? vraag ik me af. Wat is er fijn aan een smalle, donkere buis waar je tegen een duizelingwekkende snelheid doorheen vliegt? Een laatste keer kijk ik omhoog, naar de tweehonderddrieënvijftig trappen die we moeten beklimmen vooraleer we de top van de Moonstruck bereiken. Een onheilspellend gevoel maakt zich van mij meester. Doe het niet, probeert het stemmetje in mijn hoofd nog. Ik verman mijzelf, grijp de trapleuning beet en begin aan de beklimming. Wil je meer lezen? Maanziek, fragment 2: http://azertyfactor.be/tekst-lezen/5760/maanziek-fragment-2-uit-het-boek-maanziek Maanziek, fragment 3: http://azertyfactor.be/tekst-lezen/5828/maanziek-fragment-3-uit-het-boek-maanziek Blijf je graag op de hoogte van de avonturen van Mathis? Volg 'Maanziek' dan op Facebook (Maanziekhetboek) en Twitter (Maanziek_boek)

Eva Linden
27 0
Tip

Wie zijt gij?

Hé!Gij daar.Ja gij. Denkt gij daar soms over na, over wie ge nu echt zijt?Over wat ge echt wilt?Of ge op mannen valt, of op vrouwen, of op dieren? Of misschien op niks? Wéét gij dat? Weet gij dat écht?   Ik denk daar dikwijls over na.Over wie ik nu echt ben, over waarom en en hoe.Over wat mijn persoonlijkheid definieert.En wat dat eigenlijk is, mijn ‘persoonlijkheid’.Een schoon woord is’t alleszins niet.   Dat klinkt misschien wel heel evident allemaal.Misschien hoort ge dat allemaal al wel te weten als ge vijf zijt.Maar ik vind dat serieus moeilijke vragen.   Soms knijp ik heel erg hard mijn ogen dicht en maak ik een opsomming van wat ik wel en niet leuk vind.Misschien dat ‘t u dan wel ineens te binnen schiet, wie ge eigenlijk zijt.Snapt ge?   Ik doe het effe voor.Ogen dicht. Héél erg dicht. Knijpen tot ge niet meer kunt.En denken dat ge helemaal in het topje van een vuurtoren zit.   Klaar?   Ik hou van slapen in frisse lakens, helemaal in’t wit. Ik hou waanzinnig van van kaas, echt van elke kaas die er maar is gemaakt. Ik hou van boeken. Zowel van de geur als van ze kunnen lezen. Ze verzamelen. Ik hou ervan mijn kat te kunnen roepen met alleen mijn ogen. Van Sanseveria’s. Van vossen. Van slimmer worden, alhoewel ik niet het gevoel heb dat dat nog gebeurd. Van ouderwetse gloeilampen – van lang in bad gaan – van de soundtrack van ‘Into the Wild’, nee van de hele film eigenlijk – van die kleine cinema waar ge met uw glaasje rood binnen moogt en waar ze altijd goeie films spelen. Ik hou van lang en ver op reis gaan, maar tegelijkertijd ook weer niet want dan ga ik mij schuldig voelen omdat ergens aan de andere kant van de wereld iemand leeft die veel meer capaciteiten heeft en een veel beter mens is, en toch veel minder kansen heeft gekregen dan ik.   Ik hou niet van snotterige eieren – mensen die vragen hoe het met u is om zo toch maar over zichzelf te kunnen beginnen – van mijn eigen sociale ongemakkelijkheid – sabayon (iedereen vindt dat hét van hét, maar ik begrijp er niks van) – onrechtvaardigheid. Ik hou niet van bang zijn van inbrekers – van ‘s nachts niet kunnen slapen – van nadenken over de toekomst van deze wereld – van de eisen die ik mezelf soms opleg – van het getal elf – van niet weten waar ik nu eigenlijk goed in ben en waar niet – van films in zwart-wit – van de geur van narcissen. Ik wordt daar misselijk van.   Voila.En als ge al die puntjes aan elkaar verbindt, dan weet ge weer een klein beetje meer van wie ge zijt.   Nu is’t aan u. Doet u ogen maar toe.  

Annelies Leysen
64 1

1954

1954   Over heel de wereld werd het H.MARIA-jaar aangekondigd, zo ook in onze parochie. Er zou een nieuw Mariabeeld: “O.L.VROUW van BANNEUX “ aangekocht worden om in het jaar dat beeld vanaf de gemeentegrens met pracht en praal binnen te dragen tot in de kerk. De families wonende langs en rondom de straten van de doortocht werden vriendelijk verzocht en gevraagd om de gevels en vensters te versieren met christelijke intenties. In voorbereiding van deze plechtigheid werd een Maria-kapelleke ontworpen en vervaardigd om aan de gevels op te hangen .Deze kapellekes werden dan opgesteld in het koorgedeelte van de kerk tijdens de inhuldiging en zegening. Uit elke woonwijk werd een persoon aangeduid om de families te vertegenwoordigen tijdens de plechtige viering en zegening van de kapellekes. Voor de wijk achter de broederschool werd onze pa uitgekozen om de jonge gezinnen van de Sint-Anthoniswijk te vertegenwoordigen. We woonden niet langs de steenweg maar in een zijstraat. Ons huis had een mansarde met een groot raam waardoor je uitkeek op de steenweg, waarlangs de kaarsjes  processie met het Mariabeeld trok. Op het kapje rond de kaars stonden teksten van devote Marialiedjes. Op de grote dag van de processie werd er vanaf de start aan de vrachtkar gebeden en gezongen tot in de kerk door de gelovigen. Als kind van 10 jaar waren het spannende momenten vanaf het versieren van het raam en het uitkijken naar heel het gebeuren. Het was een magisch moment toen bij valavond een lange sliert van mensen met flikkerende kaarsjes de straten vulden tot in de grote kerk, waar een nederige, biddende en toch trotse vader knielend bij de kapellekes plaats nam.

g.a.she
0 0

TONSO

Tonso had nood aan een lange pauze. Liefst een hele dag, als het even kon. De slungelige twintiger zat tegen de muur van de lege, witte hal. Hij dronk een blikje Peppergate en keek naar de onafgebroken keten auto's die voorbijgleed achter het grote raam. Aan het kruispunt schakelden vier verkeersstromen in elkaar over. Een foutloze, vloeiende mozaïek van machines. Zijn grootouders hadden ze ooit zelf nog bestuurd. Absurd.   Terwijl zijn ogen wezenloos naar de voorbijgaande stroom staarden, luisterde hij naar Bob Marley.   Na Could you be Loved stond hij op, smeet zijn lege blikje in de vuilnisbak en ging terug aan het werk. Deze voormiddag waren vijftien cliënten één voor één uitgecheckt. De laatste zou nu normaal gezien ook opgeruimd zijn. Weggezogen, foetsie.   Tonso was de enige die op gewone werkdagen ter plaatse was in het gebouw van de Dienst Zelfbeschikking van de Europese overheid. Hij moest alles netjes houden en zorgen dat de machines bleven lopen. Daarnaast verzamelde en verwijderde hij ook nog de achtergelaten kleren en spullen van de cliënten. Rechtstreeks contact met de cliënten had hij nooit. Dat was strikt verboden. Hij mocht geen enkele procedurefout veroorzaken.   Die procedure startte lang voor de cliënt aankwam bij de Dienst zelf. Eerst moest je online een dossier aanmaken en een reden invullen. Zware ziekte, depressie, eenzaamheid... Dat soort zaken. Als je dossier goedgekeurd werd door de Oversten kreeg je een seriekaart doorgestuurd met een persoonlijk nummer. Dat kon soms maanden duren.   Met die seriekaart kwam de cliënt uiteindelijk op de Dienst terecht om uit te checken. Zijn vader geloofde dat de overheid de Dienst had ingevoerd om overbevolking tegen te gaan. Hij vond het een schande, maar dat zei hij nooit in het openbaar.   Uiteindelijk betaalde de job wel goed.   Tonso liep door de hal naar een grote, metalen schuifdeur. Hij keek omhoog. Het licht stond op groen. Daarop stak hij zijn kaart in het slot, de deur schoof geluidloos open. Hij ging de laatste kamer binnen. De kamer was zacht en bol, vrouwelijk en geruststellend. Hij werd verlicht door dim, oranje licht. Hier kleedden de cliënten zich uit. Daarna gingen ze nog een deur verder, maar daar kwam Tonso nooit.   Tonso verzamelde de kleren van de laatste cliënt. Het was een oudere man geweest, zo te zien. Een groen, geruit hemd. Zwarte broek en beige schoenen. Wit ondergoed en witte sokken. Verder niks.   Als laatste pakte hij de schoenen van de grond. Langs de binnenkant waren ze nog warm. Het zweet rook naar een oud haardvuur. Hij besliste om er één bij te houden. Hij hield altijd één ding bij. Zijn appartement stond vol met spullen, maar hij kon niet stoppen. Het voelde gewoon fout om alles weg te gooien, om elk spoor van een bestaan te verwijderen alsof het er niet toe deed. Alsof het er allemaal nooit toe gedaan had.   Na het opruimen van de kleren ging Tonso de grote zaal kuisen. Alles moest dagelijks terug blinken. Daar was hij uiteindelijk twee uur mee bezig. Hij had geen haast. Er zou nog één cliënt komen deze namiddag, zag hij in de database.   Na het kuisen nam Tonso een pauze, deze keer langer. Hij sloot zich op in de bergruimte. Dat was de enige ruimte in het complex waar geen camera's hingen. Hij nam zijn mini 3D projector uit zijn rugzak en koppelde deze aan zijn laptop. Hij deed het licht uit.   Tonso zocht op het internet. Hij had haar snel gevonden, zoals altijd. Ze werd voor hem geprojecteerd, levensecht. Naakt. Wondermooi. Zonder weg te kijken, instinctief, liet hij zijn broek zakken.   Eigenlijk deed ze niet veel. Ze liep gewoon rond en keek je aan. Ze fluisterde dingen naar je, noemde je haar held. Ze zei hoe graag ze omarmd wou worden door je, hoe hard ze naar je verlangde. Tonso geloofde graag in haar. Toen hij klaar was zonk hij op de vloer, zijn hoofd tussen zijn knieën. Ze verdween, even plots als ze verschenen was.    Alles was donker.   Een leven vol lege dromen. Hij wist dat hij het zo niet zou volhouden. Hij wist dat die hunkering, zonder echte liefde, hem binnenkort zou verteren. Maar daar probeerde hij zo weinig mogelijk aan te denken.   Hij kreeg een fantasie. Wat als de cliënt die nu in de machine zat zijn meisje was? Ze zou op het laatste moment doorhebben dat ze niet dood wilde gaan en net voor de machine haar zou verteren, zou Tonso haar horen schreeuwen en haar redden.   Dan zou Tonso haar meenemen naar huis. Hij zou haar nieuwe hoop geven en zij hem. Ze zouden verliefd worden en eeuwig samen zijn, tot op het einde.   Hij bleef nog even hangen in die gedachten. Toen stond hij op, trok zijn broek omhoog, deed het licht aan en liep de grote hal in. Hij wandelde naar de schuifdeur. Het licht was groen. Hij stak de kaart in de deur en ging de warme, laatste kamer binnen.

Marijn P
0 0