Lezen

In het ziekenhuis

1   Ik lag enkele dagen in het ziekenhuis. Afgelopen vrijdagavond, bij uitstek de gezelligste samen-voor-en-thuis-op-de-buis avond, ging ik drie keer van mijn stokje. Tegen de muur en de grond op. Mijn vrouw, de zonen en mijn vriend/buurman houden me recht. Het gebeurde allemaal in flitsen.   De binnenzijde van een ziekenwagen ken ik alleen van tv. Daar had het bij mogen blijven. Als een volleerd acteur beantwoord ik de vragen van de ambulanciers. Wat ik weet en wat ik niet weet. Al kan je dat laatste natuurlijk niet vertellen, of je zou het wel weten.   Door de grote poort de spoed binnen. De hectiek van E.R. of Grey's Anatomy is er niet. Ook dokter House heeft verlof. In tegenstelling tot verpleger Eddy. Hij doet niet alsof.   Net zomin als mijn persoonlijke verpleegster. Liefde is... de ambulance inhalen. Misschien is ze geflitst. Een foto om op te vragen. Ik zie ook flitsen. Van gemis, naar huis, naar flarden van geluk.   De man die naast me ligt is helaas dementerend. Ooit was hij een begenadigd voetballer. Net vanavond is er geen Stadion op tv. Maar hier ligt hij nu, zegt zijn dochter vol liefde. Getackeld door het leven. Wie geven we de rode kaart?   2   Het is mijn eerste verblijfservaring in een ziekenhuis. Het hamert er wel in.   Mijn buurman is verhuisd naar een vrijgekomen éénpersoonskamer. Iedereen weet dat ziekenhuiskamers maar om twee redenen vrijkomen. Zijn onrustige bewegingen zouden me uit mijn slaap kunnen houden, vertelt men. Ik antwoord dat hij ook wel last zou kunnen hebben van mijn gesnurk, dat we in hetzelfde bedje ziek zijn, maar het baat niet.   De Zevende Dag staat op. Ook geen wondermiddel tegen latente hoofdpijn. Terwijl de nieuwbakken ministers hun pensioenplannen verduidelijken, komt de verpleegster opnieuw bloed prikken. “Ze zeggen dat we tot 67 moeten werken”, zeg ik. “Oh ja”, antwoordt ze, waarna ze een pleister van mijn arm ritst. Ik wil het uitschreeuwen, maar deel haar stil protest. Waarna, opnieuw, goede zorgen.   Ik leg de tv het zwijgen op en neem de krant. Op een West-Vlaams veld hebben onbekenden 400 witte stenen geplaatst. Als grafzerken. Hetzelfde aantal jongeren pleegde sinds 2000 zelfmoord in die provincie waar keihard werken geen tegenspraak duldt. Eén om de tien dagen. Een stille herdenking voor een stille oorlog. De kamer wordt er nog stiller van.   Ik wil maar zeggen. Het leven is ons hoogste goed. We moeten er goed zorg voor dragen. 3   In tegenstelling tot wat ik eerder zei, was Dr. House wel aanwezig in het ziekenhuis. Ik citeer een verpleegster. “Hij is zo slim. Als andere dokters het niet meer weten, gaan ze bij hem te rade.” De verpleegster komt zeggen dat ik tot bij hem mag komen. Onze oudste zoon duwt de rolstoel voort in de gang van het ziekenhuis. De gang van het leven zeker? Bovenal een geruststellend gevoel. Ze staan klaar voor een duwtje in de rug als het nodig is.   De dokter heeft een imposante boekenkast. Maar bovenal een begrijpbare conclusie voor mijn herhaaldelijk flauwvallen. Hij doet er niet flauw over. Ik mag naar huis, op voorwaarde dat ik even rust neem. Mijn vrouw is net als ik verrast dat ik al naar huis mag. Maar we zeggen er niet nee tegen.   In de auto moet ik nu geen vragen beantwoorden. We weten allebei dat het antwoord thuis op me wacht.   Met onze jongste kijk ik op YouTube naar enkele ziekenhuisscènes uit Fawlty Towers. “Raak me niet aan”, zeg Basil Fawlty tegen een verpleegster. “Ik weet niet waar je aangezeten hebt.” En meer van die gein. Lachen doet gelukkig geen pijn.   Daar is het antwoord al. Gelukkig.

Rudi Lavreysen
42 1

Kreupelvaart

daar in Zoutleeuwkocht ik een echte suikerspin,twee wonderschoenen en een hoed ik kuste het vaarwelmijn kalf dat niet verdrinken zouging op weg doorheen hetgeen waarvan ik heb gehoorddat het met veel gemak geschapen werd ik trok allangs de Dender en de Kreupelvaartover de kleine ring, zo naar de stadwaar ik het zag het groot geluklangdurig opgebaard in bleke kistenkoten, magazijnen vol een hagelbui, een kruis voorbijwat verder stond ik voor een deurmaar tijdelijk gesloten was het parlement der eeuwigheid   wat viel hier nog te zienhet neusgepeuter van een kleutereen pijnballet, de dronken dansvan een pineut misschien   die pitten van een papegaaiheb ik geweigerdeerst die spin die soms een beetjeaan mijn kin bleef kleven ik wou en vond er nietsgeen lentelanen, enkel zieke oordenstervende platanen, ook een ballondie niet meer vliegen kon   gezochtde bergen op, de stappen afgeteldmaar vond hem nietde route voor de smokkelaars van schaarse tederheid   wel een strandvol blote woordenkorrelzand en kleffe kraampjesmet gebak, wat leeg beton   wat nu? dan maar doorheen het niemandslandpeisvol vredig uitgestrektheel even rustzolang het magde grens is snel bereiktal gauw ook Betlehem een leegstaande barak kadaver van een vredesduif   ik wil niet naar de dode zeevoor zout met frietgeloof, mijn kindde afgeblazen stoomboot vaart niet meer   geef mij ook geen woestijnof dit doorboorde landmen ziet er nergens nogeen groene specht of bende spreeuwenenkel nog een olievogel kogeltjes van nu en van weleer wat rest is nog een spoor van donker bloedik ga voorbij het schuiloord van een bange godmaar langs de rovers van de laatste lachmoet ik niet meer de Eufraat roepteen zijarm lonktis daar het kleine pontwaar ik hem trefde gids voor mijen deze liedvergeten straatzangerwiens blik het al verraadtmaar dan in spiegelbeeld ik wil en ik besef het evenzeerdat dit het einde is       uit de reeks  'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 0

Over de zin en de zinnen van mijn leven

Woorden zijn krachtig. Ze maken kleine dingen heel groot of grote dingen juist heel klein. Ze kunnen onuitgesproken blijven en nooit worden vergeten. Of willen net worden vergeten zodra ze zijn uitgesproken. Ze raken hun doel vaak anders. Schieten te kort. Precies afgewogen of met een smakelijk schepje erbovenop… woorden kunnen de zin van je leven veranderen. Deze zinnen deden dat met het mijne.   > Sint-Maarten bestaat niet! -> Luidop zeggen dat je dat wel weet maar ondertussen roepen in je hoofd dat je nog in hem gelooft uit angst dat je anders geen cadeautjes meer krijgt. Een heilig man als de Sint weet toch wat je doet en denkt… FYI: wij hadden de coolste Sint E-VER als we klein waren, maar daarover meer in een andere post. > Is dat jouw hondje dat dood ligt op straat? -> “Nee, die ligt hier onder tafel aan mijn voeten. Fredo, Fredo!” Hm, toch niet… Het was wel degelijk mijn hondje dat dood lag op straat. Het rare was dat ik net die nacht had gedroomd dat ik hem nergens kon vinden. Over een vijfde zintuig had ik nog niet gehoord, maar ik dacht toen wel dat ik hem gedeeltelijk had vermoord. > P heeft kanker -> Je bent net tiener en je wilt wat. En dan denk je niet aan kanker. Wel aan een liefje, zoals P, een vriend van mijn broer waar ik lang verliefd op was. Ik durfde het niet te zeggen, zelfs niet toen ik hoorde van zijn kanker. Hij heeft het nooit geweten. Ik wel, omdat mijn broer het mij vertelde. Die moest in P’s kamer zoeken naar herinneringen voor een persoonlijke afscheidsmis. Hij vond er. Van hem, voor mij. In de vorm van liefdesbrieven. > Moeke en vake gaan scheiden… -> Euh, pardon. Echt? Zelfs al kwam deze zin na een voelbare periode van koude oorlog, hij sloeg in als een bom. Alle strategieën die we in onze thuisbasis ontwikkelden om te overleven werden met de grond gelijk gemaakt (toegegeven: de woorden klinken bombastischer dan de waarheid, maar ik geef me hier volledig over aan de beeldspraak). Ons hoofd werd opgesplitst in twee kampen: kamp Moe en kamp Va. Ik kan je zeggen: vroeger vonden we Stratego leuker. > We moeten je laten gaan -> Of een eufemisme voor ‘Ik ontsla je’. Net voor kerst. Economische crisis of niet, het was een diep dal voor mijn ego en zelfvertrouwen. Gelukkig werd ik nog geen maand later spontaan opgebeld door een ander communicatiebureau om te starten als copywriter. En dat zelfs zonder de bergen positieve feedback die mijn ex-baas beloofde te schrijven. Raar hoe mensen automatisch eerst aan traumatische zingevingen denken… Ik maak het goed met een aantal positieve punten en komma’s! > Surpriiiise! -> Toen mijn vrienden besloten een verjaardagsfeestje te geven voor mijn 21ste verjaardag. Ik was al verrast door al dat schoon volk, dan krijg ik nog een mysterieuze sleutel cadeau. Die leidde naar een kamer in mijn vader zijn bedrijf slash appartement die ze huisdoktersgewijs hadden omgetoverd tot een slaapkamer slash bureau. Mijn sleutel tot rust, tot een nieuw thuisgevoel en tot mijn diploma (die onderscheiding had ik nooit gehaald met die scheiding van mijn ouders). > Je hebt de job -> ‘Fris rostje’, schreef ze op mijn cv na ons gesprek. ‘Je ligt bovenaan mijn schuif’, zei ze na ons gesprek. Ik durfde het niet meer te geloven na alle valse beloftes van bedrijven waar ik solliciteerde als starter. Al wou ik deze job écht (écht!) heel graag. Mijn aura bekende blijkbaar kleur, want – pioe wioe – ik kreeg groen licht! Mijn eerste vaste contract. In een beestig communicatiebureau in Brugge. Bedankt L van Cayman :) > Wil je meter worden? -> Al werd de vraag niet zo letterlijk gesteld. Ik ontdekte het letter voor letter toen ik het geboortekaartje in mijn handen kreeg (voor de baby van een paar uren oud bedankte ik nog even). Het leukste van de wereld! Mijn petekind bedoel ik. Maar ook zijn kaartje: voor iedereen een 3D-puzzel van een vogeltje, en voor het gezin een gepersonaliseerd Flock-vogeltje om neer te strijken op een kledingstuk. Dat van mij bekte ‘meter’, mijn broer droeg een met ‘vake’ en de andere twee kregen een ‘nonkel’ tweet. #trots! Borst in de lucht. Heel hoog. Jaja, de lat is gelegd… bedankt broere! > Amaai, zo knap dat jij bent geworden -> De woorden van een nonkel die na een paar jaar opnieuw opdook op een familiefeest. Een mooi compliment waar ik wat van blonk en bloosde. Toch kan ik het niet laten om tussen de lijnen te lezen dat dit ook iets (oké, zelfs veel) zegt over vroeger. Maar hey, hoe cool is het om met je foto’s van toen te kunnen lachen? Heel cool, maak ik mezelf graag wijs!> Ik ben een klein beetje (veel) verliefd op jou -> Het moment. De uitdrukking op mijn gezicht. Mijn mond die bleef openstaan zonder vork in mijn handen. Ik herinner mij nog perfect wanneer ik dit las (mijn vader die aan dezelfde tafel zat te eten waarschijnlijk ook). Een sms van een goede vriend… toen toch. Nu… mijn beste vriend! En mijn liefste. Dus een klein beetje (veel) bedankt voor de mooie jaren liefie.

Rien Mertens
0 0

Roest

Roest   Het cadeau lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een rood lint. Haar rusteloze dag kwam tot stilstand als een hardloper die na zijn laatste sprint abrupt stopt om zijn hartslag te controleren. Tik tik tik Het idee dat het cadeau een tikkende tijdbom symboliseerde, verwierp ze al snel als te voorspelbaar en dramatisch.  Nee, haar leven was al cliché genoeg: na zeven jaar huwelijk was de liefde met Jacob versleten als het roest op een trouwe fiets die aan vervanging toe is. Het idee dat hij ‘de ware’ was, gleed na een passionele start van hun relatie over in de gedachte ‘dat liefde een werkwoord is’ tot een berustende ‘het belangrijkste is dat we allebei gezond zijn’.  Ze stonden al te lang roerloos met hun liefde tussen hun vermoeide lijven gedrukt; in slaap gewiegd door de kabbelende gewoontes van alledag. Ze wou hem niet verliezen. Of wou ze vooral haar geloof in de eeuwige liefde niet opgeven? Haar besluiteloosheid smeekte om een duw in de rug. Maar in welke richting?   De komst van minnaar Maurice was een tijdelijke zijsprong die zich langzaamaan tot hoofdweg profileerde. Wat begon als een kortstondige zoektocht naar vuur, werd al snel een alles verschroeiende brand. Als ze ’s nachts rug tegen rug  aan Jacob kleefde, zag ze zichzelf dikwijls op een strand liggen. Alle strandgangers waren na zonsondergang naar huis gegaan en zij ligt alleen naar het rusteloze water te staren. De eerste golf die aanspoelt, is zo hoog dat ze de rest van de zee niet kan zien. De eerste golf is haar passie voor Maurice, de zee haar liefde voor Jacob.   Overdag voelde ze de achterdocht van Jacob groeien. Dat ze weeral moest overwerken werd steeds met een ironische blik onthaald. Dat ze twee dorpen verder een nieuwe, overheerlijke bakker had ontdekt, leek slechts zijn paranoia te versterken. Hoe lang was dit houdbaar? Hoe lang kon ze deze granaat voor zich uit blijven trappen? Haar liefde voor Jacob was als het rode strikje rond het cadeau: het hield alles hardnekkig samen, maar bij voldoende twijfel zou het knappen en zou de lege doos van hun relatie kaal achterblijven.   Ze flirtte een ogenblik met de gedachte om het geschenk uit het raam te gooien, maar haar nieuwsgierigheid overwon. Het cadeau moest wel van hem zijn, want hij had de enige andere huissleutel. Misschien wou hij hun liefde nieuw leven inblazen door haar met dit geschenk te heroveren? Hopelijk eist hij eindelijk kordaat zijn plaats op. Of was dit cadeau gewoon een sarcastische grap? Een middelvinger naar haar bedrog? Ze trok het papier weg en vond een tweede doos met een zwart lintje. Rillend rukte ze ook dit papier open en voor de tweede keer vandaag kwam de tijd tot stilstand. Ze begreep het niet. Een brood naast een chocoladetaartje? Het brood leek al een paar dagen oud, het taartje was duidelijk vers. Rond het taartje zat een tweede rode lint, rond het brood een zwart. Toen ze onder het brood keek, vond ze wat ze zocht: een briefje in Jacob’s geschrift met -hopelijk- een verklaring.   Liefste,   Het is heel simpel: ik ben het brood. Ik ben het die de kruimels van je leven tot een geheel maakt. Ik heb je de laatste tijd te gemakkelijk het cement aangereikt waarmee je de muur rond jezelf hebt gebouwd. Ik wil die samen met jouw hulp afbreken. Mijn liefde voor jou is standvastig, hardnekkig, doorwinterd. Reken op me, bouw op me. Elke ochtend ben ik er weer. Schat, ik wil je niet kwijt. Je bent mijn beleg ;-) Hij is het taartje: kortstondig plezier, met kans op kiespijn. Waarschijnlijk heel lekker, maar het houdt je niet in leven… Ik begrijp dat het tussen ons van passie naar passief is gegaan, maar nu moet je kiezen. Wordt het brood of taart?   De chocolade op haar lippen was het laatste wat ze van Maurice zou proeven.        

Joachim Stoop
28 0

Duin

Duin   ‘T’is toch altijd spannend om eerst het water te horen vooraleer je er een glimp van opvangt, vind je niet. Nog even klimmen en we zien haar.’ Met overdreven dichtstem voeg ik eraan toe: ‘de zee: een vertrouwde kracht die nooit exact dezelfde vorm aanneemt.’ Haar reactie had ik wel verwacht: ‘Eumm, ik denk dat je dit al eens eerder hebt gezegd. Of nee: geschreven.’ Ironisch genoeg reageer ik voor de honderdste keer met hetzelfde: ‘Moet dan alles wat er gezegd wordt uniek zijn? Alsof alleen eenmalige dingen waardevol zijn.’  Het fronsen van haar wenkbrauwen is even prominent als haar ingehouden lach. Ik vervolg dan maar: ‘Jij vraagt me toch zelf zo vaak om te herhalen waarom en hoeveel ik van je hou.’ Terwijl de zon in haar blonde haren met schakeringen van geel en goud speelt, antwoordt ze: ‘Maar dat is net iets wat telkens anders kan. Je liefde blijft hetzelfde, maar hoe jij je er op elk moment bij voelt en hoe je het onverwoordbare in woorden giet, is toch telkens nieuw.’  Mijn hart mist een slag. We komen dichterbij. Ik heb dit zo goed voorbereid; heb hier al honderden keren gewandeld in mijn gedachten en toch ben ik nerveus. Alsof haar antwoord me nog zou kunnen verrassen. Alsof één plus één opeens toch nog iets totaal anders dan twee zou blijken. We wandelen verder over het strand, laten voetstappen achter die door getijden stapsgewijs zullen wegebben. Ik draag de picknickmand, zij het lakentje en de camera. We hervallen in een zalige stilte opgeluisterd met een harmonica van golven, een zoute bries en het genot van niks te hoeven zeggen. Vogels beheren de lucht en ongetwijfeld zwemmen vissen als keizers onder de blauwgrijze spiegel van de zee. Maar wij zijn landdieren. Wij voelen ons opperbest als we met onze voeten paden kunnen creëren die nooit eerder zijn gevormd. Zo bewandelen we deze aardbol begeesterd en bezield. Wat ons gisteren en morgen aan volledige vrijheid doet ontberen, zijn krachten groter dan wijzelf: maatschappij, tegenslag, onomkeerbaarheid. Maar wij tweeën, op dit moment, zijn vrij. Het liefst wil ik dat we terugkeren en dezelfde wandeling meteen opnieuw doen, maar dan in elkaars voetstappen. Gewoon omdat het kan. Dit idee spoelt me terug naar de eigenlijke reden van deze wandeling. Wat ik het liefst wil, is heel mijn liefde, hartstocht en overtuiging bundelen tot één klein geheel. Ik wens mijn gevoelens voor haar, voor ons, te smelten tot één uniek symbool: een schelp of smaragd of een metafoor als deze:   Liefde is een tweezit die in tijd en ruimte opschuift om de juiste mensen op te vangen en hen dan toefluistert: ‘maak het je gemakkelijk en geniet van de rit. Eerst zetelen, dan pas nestelen. Als je het goed doet, leven jullie samen dubbel zo lang.’   We zitten naast elkaar op ons lakentje op de hoogste duin, met ogen en doelen in dezelfde richting en beider hart als kompas. Vol emotie kijk ik nog een laatste keer naar de zee en spreek tot mijn geliefde in een stem die probeert zware woorden licht te doen klinken: ‘De tijd is rijp om lentes als bruggen over komende winters te slaan.’ Pas dan wend ik mijn blik naar haar verwonderd gezicht, waar het altijd warm is, waar zij vol van leven, alle zonnestralen en deze vraag opvangt:

Joachim Stoop
8 0

De buitenlander

Tijdens de treinrit besefte Mont dat dit wel eens de laatste keer kon zijn. Met vrouw en tienerdochters naar de zoo. Dergelijke voorstellen zouden voortaan stoten op puberale pruilsessies achter gebarricadeerde deuren. Van hun dochters, uiteraard. In de treinzetels achter hem en zijn vrouw blaften twee mannenpubers hun vroegtijdig seksuele ervaringen heen en weer. Vermoedelijk waren ze opgevoed door ouders die elk product van hun nageslacht inkaderen, en hadden ze als kind nooit eens een goede tik gehad. Hij kon hun ongestrafte puisten haast proeven in de weeë lucht van deze zaterdagochtendtrein. Terwijl zijn dochters gedachteloos de tekst van een vrouwonterend lied meelipten, las zijn vrouw een boek dat hijzelf als seksistisch zou bestempelen. Eventjes raakte ze zachtjes zijn been aan. Dat kalmeerde hem. Plots voelde de dromerige zon erg aangenaam op zijn koude huid. Hopelijk, als hij maar een goede vader speelde, kwam alles gewoon goed. ______________ Zelfs de wc van de zoo rook naar dierenmest. Met de tickets in zijn vers opgetrokken achterzak stapte hij naar buiten, maar zijn gezin was nergens te bespeuren. Een grijzige angst begon onder zijn sternum te knellen. Zijn familie kwijt, net als twintig jaar geleden, toen hij werd getroffen door kleurenblindheid. Toen hij Polly leerde kennen. Ongerust liep de kale man, begin veertig, ooit blond-rossig, tussen de andere bezoekers waarvan iedereen een gezond grijze haardos had. Primaten… geef haar een park vol dieren en ze kiest diegenen uit die het meest op onze soort lijken. ‘Daar ben je,’ lachte Polly. ‘Ona en Shau zijn bij de reptielen, in de Dahakatuin.’ Mont lachte flauw terug. ‘Had je nu echt niet op me kunnen wachten, ik heb-’ Polly praatte over zijn zin heen. Zoals vele mensen in dit land. Alsof hij niet bestond. ‘De meisjes konden niet wachten om de zwammen te bezichtigen, seizoen van de Marasmius Oreades, weet je nog? En bovendien- denk je dat die aapjes in hun kooi daar wachten op elke aapje dat achterblijft?’ zei ze minachtend. Mont had geleerd zijn repliek te laten wegsijpelen. Enkele chimpansees kwamen naar het venster toe en keken nieuwsgierig naar het veertigjarige koppel. Mont wees: ‘Je bedoelt die copulerende primaten daar?’ Ze tuitte haar lippen en raakte zacht Monts arm aan. Hij voelde zich plots uitgelaten. Polly legde even het bandje in haar haren terug goed. ‘Je blijft ze primaten noemen. Alsof je dat erg belangrijk vindt.’ ‘Als er één soort is naar wie ik juist wil verwijzen, is het wel die waar wij het dichtst bij staan als mens.’ ‘Wij?’ vroeg Polly ironisch en ze stapte dicht tegen Mont aan en ademende warm in zijn oor. ‘Zeg dan eens, hoe lijken “wij” dan op die aapjes?’ Ze was zo dichtbij dat hij maar één soort voorbeeld kon geven. ‘Wel, om ruzies op te lossen gebruiken ze seks…’ ‘Net zoals wij, schat.’ Ze duwde haar heupen hard tegen hem aan. Plots galmden de stemmen van hun dochters. ‘Kijk, ze vechten!’ Het copulerende koppel was opgebroken door een andere belanghebbende die nu zijn rechten liet gelden met ontblote tanden en bruut geweld. Dit zou volk trekken. Mensen houden van brood en spelen. Maar de andere bezoekers liepen nauwelijks geïnteresseerd door. Wel kwam er een opzichter met een geweer, die zonder aarzelen met loden munitie de primaat doodschoot die zonet nog aan het copuleren was geweest. Het vrouwtje krijste en was duidelijk overstuur. Polly knikte en zei belerend tegen haar kinderen. ‘Dit is wat er gebeurt als een aapje niet meer in de groep past. De andere aapjes bijten hem dood. Maar soms kunnen de aapjes het zelf niet oplossen, en voert iemand anders de straf uit.’ Shau zag er bleekjes uit en was aan het wenen. ‘Maar het zijn primaten, net als wij! Wat die opzichter deed was toch niet menselijk, papa?’ Meteen beet Ona: ‘Het zijn maar beesten, toch?’ Mont troostte Shau in zijn armen en kreeg daarop een nijpende blik van zijn vrouw. Het deed haar, heel eventjes, ouder lijken dan twintig jaar geleden. _________________________ De week erop broeiden de spanningen thuis in een nest van hete angels. De tirades van zijn tienerfeeksen waren onaangenaam, maar verbleekten bij de doodgezwegen wonde die etterde in het hart van het gezin. Ze waren gestopt met praten en negeerden elkaars gezicht. Polly mijdde elke aanraking, en elke avond ging ze het huis uit, stilzwijgend, naar mannen of vrouwen die hij misschien kende, zoals wel vaker gebeurde. Maar deze week merkte hij een geur op als ze thuiskwam. De geur van andere mannen. Het was intussen een week na het bezoek aan de zoo. Shau en Ona waren gaan paardrijden. Polly nam haar jas al om het huis te ontvluchten, maar deze keer hield Mont haar tegen. ‘Polly, we moeten praten. Heb- heb jij seks met iemand anders?’ ‘Ja,’ zei ze droog. ‘Natuurlijk.’ Mont voelde een drukgolf, plat in zijn gezicht. Hij moest gaan zitten. ‘Zeg dat dit niet waar is.’ ‘Natuurlijk is dit waar.’ ‘Maar je bent mijn vrouw… een fysieke affaire?!’ ‘Mont, mijn aapje, je ontbloot je tanden weer.’ Zijn handen tot witte vuisten gebald. ‘Hoe lang?’ ‘Al altijd. Maar de laatste week, meer,’ zei ze dit keer fronsend. ‘Mont, ik weet niet wat ik moet zeggen, je had nooit zo lang mogen blijven. Ik dacht dat je je zou kunnen aanpassen aan onze cultuur. Heb jij me dan nooit fysiek bedrogen, Mont? Zelfs niet één keer?’ Ze zei het haast smekend. Mont zat er geslagen bij. Polly schudde haar hoofd. ‘Je zal je moeten aanpassen, Mont. Ik wil niet langer met een aapje getrouwd zijn.’ ___________________________________________ Met dichtgenepen billen en in zijn hand de losse leiband van zijn trouwe hond die verderop in het veld zijn gevoeg deed, keek Mont omhoog naar de sterren op deze donkere avond. Toen hij ze vroeger met zijn grootvader had bestudeerd, stonden die sterren nog anders. Het was erg lang geleden dat hij zijn familie nog had gezien en de herinneringen aan hen waren meestal vaag. Langs het wegje in dit veld was het zwart door het gebrek aan licht, waardoor de warme schijnsels van de vreemd gebouwde huizen rondom het veld nog aantrekkelijker leken. Volgens Polly speelde ook in die huizen iedereen het spel mee. Wees elkaar trouw met anderen. Ze had het hem nu voor het eerst duidelijk uitgelegd. En Polly had gelijk. Toen ze hem het huwelijkscontract had laten nalezen eerder die avond, had ze gewezen op de kleine lettertjes ergens onderaan.                   *Echtgenoten zijn uitsluitend trouw aan elkaar door fysiek verbonden te zijn met anderen. Al die warme lichten brandden blijkbaar niet alleen voor de bewoners, maar ook voor mogelijke bezoekers. En of er nog zo’n mensen als hij waren, was hij zo stom geweest te vragen. Er waren er zeker, had ze gezegd, maar de meesten bleven niet in onze cultuur. Het leek haast waarschuwend, hoe ze had gefluisterd: “Sommigen gedroegen zich als aapjes en gingen snel weg. Anderen… wilden niet weg, maar moesten toch weg”. Het was één van die cryptische omschrijvingen waar hij stilaan aan gewend geraakt was sinds hij naar Polly’s streek was verhuisd. Maar gemakkelijk was het nog steeds niet. Hij wandelde naar de straat toe en riep zijn hond, wiens natte vacht vettig aanvoelde als hij erover wreef. Enkele voorbijgangers keken nieuwsgierig naar het beestje. Hier had niemand een hond, en het was de trouw van het beestje wat hij erg gemist had in het begin, na de verhuis naar dit land. Hij glimlachte bij de herinnering, toen Polly hem had meegenomen toen ze was gaan paardrijden in het bos. Mont had hem een naam willen geven, maar volgens Polly had het al één: Hont. Niemand op straat, in deze natte streek die rook naar bos en paarden, waar de huizen hun licht uitnodigend naar buiten toe brandden. Hont stopte bij de volgende voortuin om de zoveelste druppel uit zijn lijf te persen. En beetje bij beetje, ontspande Mont zijn nijpende billen. _____________________________________________________ Terwijl de taxushagen hem giftig leken toe te wuiven op de oprit, snokte Mont aan de leiband om duidelijk te maken dat het wandelen gedaan was. De trouw van Hont gaf hem een machtig gevoel. Het was de soort relatie die hij gemakkelijk kon vatten. Zijn huis baadde in het warme licht. Uitnodigend, maar blijkbaar niet alleen voor hem. Hij deed de deur open en stootte tegen Polly. ‘Je bent niet weg?’ mompelde hij verrast. Hij duwde zich langs zijn vrouw, maakte de hond los, en vulde een bakje met water. Hij schonk zichzelf ook iets in. ‘Waar zijn Shau en Ona?’ ‘Nog aan de stallen.’ Ze kwam naar hem toe en raakte hem aan. De eerste keer in een week. Hij voelde zich plots opgelucht. ‘Mont… ik kan er toch ook niet aan doen dat je niet op de hoogte was… ik dacht dat je in jouw land geleerd had over de Mab en haar wetten.’ ‘Hoe kunnen mensen een andere cultuur leren als er zoveel zaken van die cultuur verzwegen worden? Geografie hebben we geleerd, en taal. Maar dit? Dit… overspel? Nee.’ ‘Al twintig jaar ben je hier, en niemand heeft je ooit signalen gegeven om te…?’ vroeg Polly. Mont zei beschaamd: ‘Ja, dat wel, maar ik heb nooit… seks gehad met hen. Jij bent de enige… Ik weet het niet meer. Zeg het me dan, Polly, wat kan ik doen?’ ‘Wil je bij je gezin blijven?’ vroeg ze en ze aaide zijn nek. Hij knikte. Plots greep ze zijn kruis hard vast en zei verbeten: ‘Doe dan wat er in je huwelijkscontract staat.’ __________________________________________________________________________ Elf maanden later hadden Monts pogingen om zijn huwelijk na te leven hem in de rechtzaal doen belanden. Die was niet zo pompeus en met goud belegd als hij zich had voorgesteld. De plantentekeningen in het behang op de muren, grijze tongen met grijze vogels, grijze paarden met grijsgehaarde ruiters, toverden de macht van de zaal eerder in een mistig bos. Hij keek naar achteren en zag hoe de zaal uit haar voegen barstte van de toeschouwers. Als een aapje in de zoo, onder hun vizier. Polly zat er ook. Hij wuifde flauwtjes naar haar, maar kreeg enkel een opgetrokken mondhoek terug. De middenste van de elf rechters droeg een grijze pruik met oude oren door. Zijn neus was paarsgeaderd. ‘Beklaagde, u mag rechtstaan.’ Hij keek met gespitste ogen over zijn bril heen. ‘Schuldig aan actieve weigering van deelname in taken van een getrouwd gemeenschapslid. Pleit?’ Monts advocaat sprak geconditioneerd: ‘Schuldig met inbegrip van jarenlange onwetendheid inzake impliciete wetgeving van deelname aan overspel. De verdediging vraagt behoud huwelijk.’ De rechter keek naar zijn vrouwelijke collega links van hem. Zij sprak met kenmerkend schrille stem: ‘Er is een tweede klacht. Openbare aanklager pleit schuldig aan fraude. Voor illegale poging tot schijnoverspel, vragen wij, als voorbeeld voor de maatschappij, levenslang!’ Mont fluisterde gespannen: ‘Meester, wat is dit? Zie je wel dat ik niet had mogen bekennen! Ik wil niet naar de gevangenis!’ De meester bedaarde Mont, rechtte zijn rug en sprak: ‘Omdat de beklaagde geen eerdere feiten heeft gepleegd, vragen wij een alternatieve straf, meneer de rechter.’ De ijzige vrouw brak in schelden uit en richtte zich naar de rechters. ‘U ziet het toch? De schande aan de Mab is te groot. Als levenslang niet kan, is verbanning het enige mogelijke alternatief.’ Maar enkele rechters mompelden dat dit inderdaad de beklaagde zijn eerste feit was. De rechter met de paarsgeaderde neus wendde zich tot Mont: ‘Illegale activiteiten, meneer… dat is niet niks. Wat deed u dan in die zaak van slechte reputatie?’ Mont zuchtte. ‘Ik wilde mijn huwelijk redden.’ De schrille stem daverde door de zaal: ‘Uw huwelijk redden, meneer, doet u door te doen wat in de Mab staat geschreven op zo’n impliciete manier dat wij dit niet letterlijk kunnen citeren, en wat niemand in deze zaal met ook maar de minste citering mag uitdragen, op straffe van verbanning! Maar neen, meneer deed dat niet! Neen, meneer ging naar een zaak van slechte reputatie!’ Mont porde zijn meester in de zij en die verdedigde: ‘M-mijn client, waarde rechter, heeft wel pogingen ondernomen om zich aan te passen aan de in zijn ogen vreemde impliciete regels van onze cultuur. Ik citeer mijn client als ik zeg dat er voor hem plots een nieuwe deur openging.’ Goedkeurend knikje van Mont. ‘Mevrouw de aanklager, mijn client heeft voor hem tegennatuurlijke pogingen ondernomen, in overleg met zijn vrouw, om het huwelijkscontract na te leven.’ De mannelijke rechter las goedkeurend voor: ‘Pogingen met buurvrouwen, klanten, vriendinnen en familie van vrouw, collega’s,… Dat lijkt er al meer op. Meneer, over hoeveel vrouwen gaat het hier?’ Schoorvoetend zei Mont: ‘Net geen elf, maar ik kon nooit fysiek… begrijpt u dan echt niet…? Mijn vrouw is… is mijn ware liefde! En zij zal ook altijd mijn enige fysieke liefde zijn.’ De meester trok zijn schouders op en siste. ‘Mont, wat had ik gezegd, geen liefdesverklaringen!’ Geroep en geschreeuw in de zaal. Rumoer. De banken kletsten hun hout op de stenen vloeren. De deuren zwaaiden dicht. De rechter sloeg meermaals met zijn hamer tot orde. De schande was te veel geworden voor sommigen in de zaal en zij hadden de zoo verlaten. De rechter wuifde flauwtjes met zijn hamer. ‘Mag ik u vragen, meneer, dergelijke ziekmakende verklaringen niet meer te herhalen of ik kan uw veiligheid niet garanderen.’ De openbare aanklager kwam tussen. ‘Wat de beklaagde durft te zeggen, gaat in tegen het hart van onze maatschappij. Als mensen hun liefde niet meer delen, als bijen slechts één bloem bestuiven, dan wordt fauna én flora ziek.’ Mont keek smachtend naar de zaal. Waar zijn vrouw eerder zat, was nu een leegte. Ook voor haar moet de publieke verklaring te veel geweest zijn. Mont besefte nu dat hij zijn laatste kans had verspeeld. Weer die schrille stem. ‘Meneer! Kijk me aan als ik tegen u spreek. Waarom ging u naar die illegale zaak? Antwoord!’ Mont zuchtte. ‘Omdat ik nooit overspel zal kunnen plegen, mevrouw. En het enige dat me kon helpen waren de diensten van die onderneming. Ik kocht…’ Voorzichtig keek hij in de zaal achter zich. Dit zou stof doen oplaaien. ‘Ik kocht geruchten van overspel zonder het echt te plegen.’ Hout op steen. Hamer in het rond. Dichtgegooide deuren. Een advocaat die driest nee schudde. En uiteindelijk, een vonnis door grijze pruiken. ‘Verbannen! Met ingang van morgen, bent u verplicht onze wereld te verlaten binnen de termijn van zeven zonsondergangen. U gaat in culturele quarantaine totdat het eerste schip vertrekt.’ Een zachte knik van een geslagen man. ‘Ik hoop u hier nooit meer terug te zien. Tot nooit, meneer.’ De hamer dreunde neer als de slag van een geweer. __________________________________________________________________________________ Nadat hij de praktische zaken met de balie had geregeld, was hij onder toezicht van een wethouder van de Mab naar huis gekeerd om kort afscheid te nemen van zijn gezin en om Hont op te halen. Zijn vrouw had hem kil begroet met zijn twee dochters in haar armen. Ona had hem niet sneller dag kunnen zeggen, alsof hij een zieke primaat was die geliquideerd moest worden. Maar Shau wou met hem meegaan. Een lichtpunt. Zijn hele leven en gezin achterlaten, het leek te moeilijk. En toen Polly meteen had toegestemd met Shaus vertrek, besefte Mont dat zij haar spullen al had gepakt. Nog nooit had hij zo snel afscheid genomen in zijn eigen huis. Daarop had de wethouder Mont en Shau naar de haven begeleid, waar ze in culturele quarantaine zouden verblijven tot het eerste schip. Twee maanden zou de zeereis duren, doorheen golven en verpletterende afstand. De eerste dagen waren moeilijk geweest. Hij had zijn vrouw en Ona enorm gemist, maar was dankbaar dat Shau mee was gekomen, ook al weende ze veel in het begin. Hij voelde zich dan ook schuldig, omdat hij haar had geamputeerd van het netwerk waarin zij zich met haar ziel geweven voelde als een paddestoel in het bos. Maar hoe langer hij wegvaarde van het eiland, hoe moeilijker hij het had, niet met het gemis, maar met het herinneren waarom, en zelfs wat, hij miste. Het leek alsof hij jaren onder een donkere wolk had geleefd en dat hij nu pas kon nadenken dankzij de vloed aan frisse zeelucht. Over zijn scheepsgenoten had hij zich aanvankelijk zorgen gemaakt: gevangenen, gehandicapten, zwervers, rasechte criminelen, waaghalzen, extremisten van allerlei, … Maar vreemd genoeg, en dit kwam misschien doordat hij een nieuwe uitweg zocht voor zijn hart vol doelloze liefde, leek het wel alsof hij deze mensen beter begreep. Ze waren allemaal gevangenen hier. Lotgenoten. Verbannen. Het was een groot schip, en toen hij op een keer met Hont over het dek liep, werd hij aangesproken door enkele mensen uit zijn vaderland die al jaren geen hond meer hadden gezien. Eindelijk kon hij zijn taal terug spreken, met de vertrouwde gebaren uit zijn moedercultuur. Met een week vertraging kwamen ze uiteindelijk aan op de bestemming waarover in Polly’s cultuur werd gesproken met rillingen in stem en rug. Een plaats waar een samenleving was ontstaan zonder het wakend oog van rechters met pruiken en wetboeken van de Mab. Maar lang zouden ze er niet blijven. Na enkele weken reisde hij door naar zijn geboorteland, samen met de mensen van zijn moedercultuur die hij had leren kennen op het schip. _________________________________________________________________________________________________________________ Een jaar later bevond Mont zich terug in zijn geboorteland en had hij er zo’n succesvolle winkel gestart dat verschillende families in het dorp hem nu huwelijksvoorstellen deden. Zo zat Mont enkele maanden later in het raadshuis. Vandaag zou hij trouwen volgens de regels van zijn cultuur. Zoals het hoort. Normaal. Maar voor hij het huwelijkscontract tekende, las hij deze keer aandachtig de kleine letters.                   *De man zal trouw zijn aan zijn partner, door trouw te zijn aan zeven vrouwen, waarvan hij slechts met één fysiek verbonden is. Tevreden gaf Mont de pen door, aan zijn zeven nieuwe vrouwen.              

Han Hartmoed
0 0