Lezen

Twijfel

Het aantal keren dat hij op deze wijze in het kamertje staat, varieert van dag tot dag. De benen lichtjes gespreid, mikkend, zonder er een spel van te maken, soms naar buiten kijkend. Zijn vrouw had de gordijnen tijdelijk weggehaald. Nu ziet hij in de verte en naar de wolken. Voorbij de tuinmuren kijkt hij andere tuintjes in, maar niemand ziet hem. Daar heeft hij zichzelf van overtuigd. Een vrouw met een wasmand in de armen loopt naar de droogtoren. Ze zet de knijpers per kleur in de natte keukenhanddoeken, hemden, onderlijfjes. Zes maal groen, zes keer geel, twee maal rood. Het aantal keren dat hij de sporen van een vliegtuig ziet, verschilt dagelijks. Nu nadert het gevleugeld vervoermiddel langzaam zijn gezichtsveld, en vertraagt. Hij twijfelt niet, het vermindert zijn snelheid tot het zo goed als stil hangt en hij oog in oog komt te staan met de piloot. Hij schrikt en schikt haastig zijn vrijetijdshemd in zijn jeans. Tot zijn grote verbazing maakt de kapitein van het vliegschip gebaren, alsof hij de man wenkt. Hij wrijft de ogen uit, kijkt nog een keer met argusblik en ziet dat de man hem overtuigder wenkt. Daar kan hij niets op tegen hebben. In snel tempo moet hij een koord spannen om een afstand van ongeveer 500 meter te overbruggen. Het zal er koud zijn. De piloot knikt tevreden wanneer hij opmerkt dat een wollen trui over het hoofd wordt getrokken. De vrouw laat de lege mand in het gras staan, en rekt zich uit. Traag en met bewuste aandacht. Dan gaat ze liggen op een grote handdoek. Met gesloten ogen verzeilt ze in een klare slaap. In een lucide droom ontmoet ze een man die zichzelf voorstelt als Jan. Hij praat onafgebroken over zijn vluchten die lang en vermoeiend zijn. Hij zou ze voor geen goud willen ruilen voor het werk van een treinbestuurder. Terwijl ze zich klaar maakt voor een vlucht van een slordige 5000 kilometer, praat ze over eerdere reiservaringen. Ze kiest een trui die ze over het hoofd trekt. Dan kijkt ze vreemd op van een koord in de lucht, als een hangbrug tussen twee punten. Het ene punt van bevestiging bevindt zich tegen de buitenmuur onder een raam. Ze denkt haar buurman daar te zien, hij staat klaar bij dat raam om een overtocht te maken. Het andere punt van bevestiging zit onder de buik van een stationair vliegtuig. Het wacht daar nabij de wolken, in de blauwe lucht. De piloot wenkt haar. Met vriendelijke gebaren nodigt Jan haar uit op de voltrekking van zijn vlucht. Maar de man moet eerst iets doorspoelen. Het zijn natte dromen. Geen gele of groene. Geen rode.

Ingrid Strobbe
27 0

Marjolijntje

Toen de rechter het vonnis velde – levenslange opsluiting – kon ik maar aan een iemand denken: mijn dertienjarige buurmeisje. Marjolijntje heette ze. Snoezig ding. Wanneer de zon nog maar kwam piepen ravotte ze op straat; touwtjespringen met haar vriendinnetjes, waterballonnengevecht houden met haar vriendjes. Wanneer ze alleen was, tekende ze op het asfalt vakjes en figuurtjes om hinkstapsprong te spelen. En wanneer ze écht alleen was, stelde ze zich voor dat die vakjes en figuurtjes een landingsplaats voor ufo's waren. Dan legde ze er bloemen naast ter verwelkoming van de marsmannetjes. Ze blies belletjes en smeekte om snoep. Ze speelde soms te enthousiast en wanneer ze viel, kleefde mama een pleister op haar gehavende knie, samen met een kusje. In haar ogen zag je een dartel universum van geurig geluk dat steeds in bloei stond.   Haar familie hield van haar, ik hield van haar, de buurt hield van haar. Ruben hield niet van haar en maakte haar zwanger op haar dertiende.   Haar mama stond wenend aan mijn deur; gebroken, verscheurd, wondermooi als altijd. Ze begreep niet hoe het zover had kunnen komen. Ze had haar dochter toch goed opgevoed? 'Die Ruben kan het goed uitleggen en Marjolijntje weet niet goed wat ze gedaan heeft.' Ik kon haar niet vertellen dat Marjolijntje waarschijnlijk heel goed wist wat ze gedaan had, dus ik antwoordde, 'Jongens zijn testosteron op die leeftijd. Geile klootzakjes.' Ik verzocht haar binnen te komen om verder te praten, maar dat wou ze niet. 'Geen tweede keer', zei ze.   De hele buurt sprak er schande over. Tienerzwangerschappen zijn voor marginale sletjes zonder vaderfiguur. Gepolijste karaktertjes zoals ons Marjolijntje doen niet mee aan die viezigheid, dachten ze. Marjolijntje kreeg geen snoep meer. Marginale sletjes halen hun lekkers wel ergens anders. De eerste drie maanden van haar zwangerschap was ze nergens te zien. Werd ze binnengehouden omdat mama de buurt niet wou opzadelen met plaatsvervangende schaamte? Of waren er complicaties? Ik moest het weten. Ik belde aan. Ze was alleen thuis. 'Dag meneer, kom je naar mijn dikke ballon kijken?' Ze droeg een kort T-shirtje dat net haar borstjes bedekte. Onder die borstjes een platte buik met in het midden een navel waaruit een navelstreng tevoorschijn kwam. Aan het uiteinde van die navelstreng zat een ballon bevestigd; een dikke zwevende ballon waarin een foetus groeide. Het was bizar en afzichtelijk en kinderlijk mooi. Ze liet me binnen. Wanneer we door de lage deuropening naar de woonkamer liepen, moest ze haar navelstreng vasthouden en het ballonnetje wat naar beneden trekken. Een moederkloek beschermt altijd.   We gingen zitten. Een ongemakkelijke stilte volgde, een stilte die ze vulde met koffie voor haar gast. Ik wou haar vragen waarom ze die Ruben met zijn vuile poten had toegelaten, maar dat antwoord was niet moeilijk te raden en ik wou niet dat ze me een dommerik vond die met een belerend vingertje in het ijle zwaaide. Ik vroeg dan maar, 'Wordt het een jongen of een meisje?' 'Dat zullen we binnen een maand zelf kunnen zien. Mijn ballonnetje is doorschijnend, of had u dat nog niet gezien, meneer?' Intelligent ding. Net als haar moeder. Natuurlijk had ik gezien dat haar ballonnetje doorzichtig was. Die smalltalk was niets voor haar. Voor mij ook niet trouwens, anders zou ze mijn poging tot niet gemerkt hebben. 'Ben je gelukkig?' 'Ja! Ruben wil er ook voor zorgen. Met twee lukt het ons wel. Met drie eigenlijk. Mama gaat ook haar best doen. Denk ik.' Ik dronk mijn koffie op, wenste haar het beste met de zwangerschap, aaide over haar ballonnetje hoewel het ding dat erin groeide me lelijk aankeek en vertrok. Kon ik haar zeggen dat Ruben er niet voor zou zorgen, dat ze er uiteindelijk alleen voor zou staan, net als haar moeder?   Twee maanden daarna zag ik haar opnieuw buitenspelen, opnieuw figuurtjes op het asfalt tekenen, opnieuw de marsmannetjes begroeten. Alleen ging het hinkstapspringen wat trager, lomer. De foetus was flink gegroeid; het ballonnetje leek op ontploffen te staan. Wanneer de andere kinderen in de straat erover wouden wrijven, trok ze haar navelstreng naar beneden en hield het ballonnetje tegen haar linkerwang. De ouders van de buurt riepen hun kroost naar binnen: 'Laat ze maar met rust of jullie groeien ook een ballon!' Marjolijntje stond alleen op straat. Ze hield haar navelstreng goed vast, want er was een sterke wind opgestoken die met haar ballonnetje dartel danste.   Toen ze acht maanden zwanger was, zat Marjolijntje in mijn keuken te wenen en haar zondvloed aan tranen erodeerden de keukentafel. Rubens moeder had ontkend dat haar zoon Marjolijntje zwanger had gemaakt. Een vaderschapstest was uit den boze; geen verantwoordelijkheid die halfslachtig kon opgenomen worden. Ze kon geen woord uitbrengen en ik stak een sigaret op. 'Marjolijntje toch. Het komt allemaal goed. Je zal er niet alleen voor staan. Je moeder zal er ook voor zorgen en ik wil helpen. Wat denk je?' Maar het zou niet goed komen en ze zou er wel alleen voor staan. Opnieuw moest ik liegen tegen een zwanger meisje, maar deze keer viel het me zwaarder. Het ongeboren kind in haar ballonnetje mocht niet hetzelfde meemaken als de moeder. Ik trok van mijn sigaret, keek ernaar terwijl de rook zich rond mijn vinger krulde. Ik trok opnieuw. Ik keek naar het ballonnetje. Mijn handen jeukten, Marjolijntje huilde. Ik trok voor de laatste keer. Marjolijntje was te druk bezig met haar verdriet om te zien wat ik deed.   Paf.   Een ballonnetje is niet sterker dan het uiteinde van een brandende sigaret.   De tijd maakt zigzaggende hinkstapsprongen op de gevangenisvloer. Als babymoordenaar kun je niet op het begrip van verkrachters en overvallers rekenen en de isoleercel in mijn hoofd begint langzaamaan vorm te krijgen: een ballon waarin mijn hersenen drijven en waarvan ik hoop dat hij ooit door Marjolijntje wordt vastgehouden.   Ik zie een baby op een bedje van ballonschilfers liggen, sigaret in het kleine handje. Het staart me aan en ik staar terug. Het krijtje in mijn hand weegt loodzwaar. 'Doe maar, laat de ufo's landen', lijkt de baby te denken. Ik buk me en teken een figuur op de vloer terwijl het geluid van spelende kinderen door de kamer dartelt. Het is Marjolijntje die ik teken. De baby staat op, komt naast mij staan, trekt van de sigaret, ik kleur Marjolijntje in, het trekt voor de laatste keer van de sigaret, Marjolijntje komt tot leven...   Paf.

Michaël Verest
49 0

Lucky number twelve

Is het bijgeloof of autisme? Ik reken dit het liefst onder de eerste noemer, als een soort van gemakkelijke gewoonte. Andere mensen bestempelen het misschien eerder als een autistisch trekje… Elk cijfer dat ik min of meer zelf kan bepalen, krijgt ergens een twaalf in verwerkt. Twee eenzaten. Een één en een twee. Samen een duo van priemussen.   Waarom? Misschien gaat de geschiedenis wel terug tot op de schoolbanken. De som van mijn letters vertaalde zich namelijk vaak in klasnummer 12. Op de volleybal draag ik truitje nummer 12. Mijn beste vriendin heeft huisnummer 12 (jaloers, hoezo?). Ja, ik zet ook steevast het volume van de autoradio op 12, of op 24 als het wat luider mag, en ik begin of eindig alle gokgetallen bij schiftingsvragen met 12 (tot zo ver mijn bijgeloof want het heeft mij nog nooit geluk gebracht).   Ik hang eraan vast. Als een slecht cijferslot, gezien de extreem makkelijke combinatie. Ik wilde zelfs een kind in het jaar 2012. Mislukt! Nu kan ik alleen nog hopen en kopen op de 12e dag of de 12e maand. Want voor 12 kinderen ga ik toch passen.   Misschien ligt het aan de positie in het cijferbet (is dat wel een woord?): tussen de lieve elf en de ongelukkige dertien. Ingesloten door een dilemma, precies als in de tekenfilms: een engeltje links en een duiveltje rechts die elk hun mening delen. Ik kan op beide rekenen voor een oplossing.   Misschien is het omdat een team in de volleybal met twaalf moet zijn om een match te spelen. Misschien is het omdat de twaalf de 1 en de 2 zo mooi verenigt, zonder dat ze in competitie hoeven te zijn met elkaar. Misschien is het door de harde lijnen en hoeken van de 1 in combinatie met de zachte rondingen van de 2.   Zachtheid. Dat is wat dit cijfer typeert in het Frans: douze. Misschien is dat ook hoe ik mezelf graag typeer. Ik ben een twaalfje: wat hard at 1st sight, maar na een 2nd opinion gewoon een ontelbaar zacht karakter.     12 Jij bent mijn nr 1 én mijn nr 2 in één Het kerngetal van mijn bestaan

Rien Mertens
83 0

De Vloek van de Blauwe Vogel

In een dorp heel ver hiervandaan zaten een oude man en zijn kleinzoon dicht bij elkaar aan het  haardvuur. Buiten was het stikdonker, al vele uren lang. De kleine jongen keek met grote ogen op  naar zijn grootvader en vroeg: “Opa, waarom maken elk jaar alles donker?” De opa slaakt een diepe  zucht, nam zijn kleinzoon op schoot en begon te vertellen:  “Lang, lang geleden hebben de mensen uit ons Rijk iets heel stom gedaan. Voor die daad moeten wij  voor eeuwig boeten. Het begon allemaal toen de Koning en zijn knecht gingen jagen. De jacht ging  goed totdat er een majestueus hert op hun pad verscheen. Onmiddellijk werd de achtervolging  ingezet. Na een tijdje echter, draaide het hert zich abrupt om en viel de Koning aan. De trouwe  knecht zag dit gebeuren en kon zich op het laatste nippertje tussen zijn Meester en het woeste dier  gooien. De dappere man overleefde deze heldendaad niet.   Plots verscheen er een klein, blauw vogeltje dat hem leek te wenken. De Koning gaf zijn paard de  sporen en volgde het vogeltje zo snel als hij kon. Het dappere beestje leidde hem via een kortere weg  terug naar de stad, wetend dat het hert hem daar nooit zou volgen. Tot zijn grote verbazing, bleef de  vogel hem volgen en hij besloot in zijn paleistuin te laten wonen. Ook ontfermde hij zich over het  arme zoontje van zijn knecht, die wees was nu ook zijn vader overleden was. Zijn moeder was reeds  in het kraambed gestorven. De jongen had veel verstand van vogels en daarom werd hij de  persoonlijke verzorger van het kleine blauwe vogeltje.   De kleine jongen was bij iedereen geliefd omwille van zijn altijd vrolijke verschijning. De Koning had  ook een zoon. De jonge kroonprins was een paar jaar ouder dan de arme jongen en was onvriendelijk  van aard en hooghartig. Vandaar dat het volk op handen droeg, terwijl men de Kroonprins liever  vermeed. Dit zinde de Kroonprins helemaal niet en hij verzon een plan om zich van dat klein  scharminkel te ontdoen.     Op een nacht sloop hij de tuin in, ving het vogeltje en draaide het beestje de nek om. De volgende  ochtend bracht hij huilend het lijkje naar zijn ouders en vertelde snikkend hoe hij de arme jongen het  beestje de nek had zien omwringen. De Koning en Koningin waren verbijsterd en diep geschokt door  deze onthulling. Ze wilden hun zoon niet geloven, maar die bleef volhouden.   Uiteindelijk besloten ze het volk te raadplegen. Beide jongens deden hun verhaal en men geloofde de  Kroonprins, geïmponeerd door zijn tranen en zijn schitterende verschijning. Hun woede was groot en  ze eisten het leven van de jongen op.   Enkele dagen werd het vonnis voltrokken. Toen het kind zijn laatste adem uitblies, kwamen er  honderden, misschien wel duizenden, vogels aangevlogen tot het Rijk in een volledige duisternis  gehuld was. De geest van het kleine vogeltje verscheen en zijn stem weergalmde door het Rijk: “Elk  jaar op deze dag, zal de stad in duisternis gehuld worden en het onschuldige leven dat jullie   genomen hebben, zal gewroken worden.”   Vanaf dan verduisterden vogels op die dag de stad en namen ze 8 kinderen mee. 8 omdat de arme  jongen 8 jaar oud is geworden.”    Vermoeid door het vertellen viel de oude man in slaap. De jongen kroop voorzichtig van zijn schoot  en liep naar het raam. Het was alsof een stem hem naar buiten riep. Langzaam opende hij de deur en  stapte de donkere buitenlucht in. Duizenden vogels keken op hem neer en opnieuw voelde hij het  onweerstaanbare verlangen bij de groep te horen. Hij voelde hoe hij werd opgetild. Het volgende  moment bevond hij zich hoog boven het Rijk en keek neer op het verstilde Rijk. Rondom hem hoorde  hij het flapperen van vleugels. Nog 1 keer keek hij naar beneden en vloog toen, samen met de andere  vogels, de horizon tegemoet. 

Kaat W
0 0

In het ziekenhuis

1   Ik lag enkele dagen in het ziekenhuis. Afgelopen vrijdagavond, bij uitstek de gezelligste samen-voor-en-thuis-op-de-buis avond, ging ik drie keer van mijn stokje. Tegen de muur en de grond op. Mijn vrouw, de zonen en mijn vriend/buurman houden me recht. Het gebeurde allemaal in flitsen.   De binnenzijde van een ziekenwagen ken ik alleen van tv. Daar had het bij mogen blijven. Als een volleerd acteur beantwoord ik de vragen van de ambulanciers. Wat ik weet en wat ik niet weet. Al kan je dat laatste natuurlijk niet vertellen, of je zou het wel weten.   Door de grote poort de spoed binnen. De hectiek van E.R. of Grey's Anatomy is er niet. Ook dokter House heeft verlof. In tegenstelling tot verpleger Eddy. Hij doet niet alsof.   Net zomin als mijn persoonlijke verpleegster. Liefde is... de ambulance inhalen. Misschien is ze geflitst. Een foto om op te vragen. Ik zie ook flitsen. Van gemis, naar huis, naar flarden van geluk.   De man die naast me ligt is helaas dementerend. Ooit was hij een begenadigd voetballer. Net vanavond is er geen Stadion op tv. Maar hier ligt hij nu, zegt zijn dochter vol liefde. Getackeld door het leven. Wie geven we de rode kaart?   2   Het is mijn eerste verblijfservaring in een ziekenhuis. Het hamert er wel in.   Mijn buurman is verhuisd naar een vrijgekomen éénpersoonskamer. Iedereen weet dat ziekenhuiskamers maar om twee redenen vrijkomen. Zijn onrustige bewegingen zouden me uit mijn slaap kunnen houden, vertelt men. Ik antwoord dat hij ook wel last zou kunnen hebben van mijn gesnurk, dat we in hetzelfde bedje ziek zijn, maar het baat niet.   De Zevende Dag staat op. Ook geen wondermiddel tegen latente hoofdpijn. Terwijl de nieuwbakken ministers hun pensioenplannen verduidelijken, komt de verpleegster opnieuw bloed prikken. “Ze zeggen dat we tot 67 moeten werken”, zeg ik. “Oh ja”, antwoordt ze, waarna ze een pleister van mijn arm ritst. Ik wil het uitschreeuwen, maar deel haar stil protest. Waarna, opnieuw, goede zorgen.   Ik leg de tv het zwijgen op en neem de krant. Op een West-Vlaams veld hebben onbekenden 400 witte stenen geplaatst. Als grafzerken. Hetzelfde aantal jongeren pleegde sinds 2000 zelfmoord in die provincie waar keihard werken geen tegenspraak duldt. Eén om de tien dagen. Een stille herdenking voor een stille oorlog. De kamer wordt er nog stiller van.   Ik wil maar zeggen. Het leven is ons hoogste goed. We moeten er goed zorg voor dragen. 3   In tegenstelling tot wat ik eerder zei, was Dr. House wel aanwezig in het ziekenhuis. Ik citeer een verpleegster. “Hij is zo slim. Als andere dokters het niet meer weten, gaan ze bij hem te rade.” De verpleegster komt zeggen dat ik tot bij hem mag komen. Onze oudste zoon duwt de rolstoel voort in de gang van het ziekenhuis. De gang van het leven zeker? Bovenal een geruststellend gevoel. Ze staan klaar voor een duwtje in de rug als het nodig is.   De dokter heeft een imposante boekenkast. Maar bovenal een begrijpbare conclusie voor mijn herhaaldelijk flauwvallen. Hij doet er niet flauw over. Ik mag naar huis, op voorwaarde dat ik even rust neem. Mijn vrouw is net als ik verrast dat ik al naar huis mag. Maar we zeggen er niet nee tegen.   In de auto moet ik nu geen vragen beantwoorden. We weten allebei dat het antwoord thuis op me wacht.   Met onze jongste kijk ik op YouTube naar enkele ziekenhuisscènes uit Fawlty Towers. “Raak me niet aan”, zeg Basil Fawlty tegen een verpleegster. “Ik weet niet waar je aangezeten hebt.” En meer van die gein. Lachen doet gelukkig geen pijn.   Daar is het antwoord al. Gelukkig.

Rudi Lavreysen
42 1

Kreupelvaart

daar in Zoutleeuwkocht ik een echte suikerspin,twee wonderschoenen en een hoed ik kuste het vaarwelmijn kalf dat niet verdrinken zouging op weg doorheen hetgeen waarvan ik heb gehoorddat het met veel gemak geschapen werd ik trok allangs de Dender en de Kreupelvaartover de kleine ring, zo naar de stadwaar ik het zag het groot geluklangdurig opgebaard in bleke kistenkoten, magazijnen vol een hagelbui, een kruis voorbijwat verder stond ik voor een deurmaar tijdelijk gesloten was het parlement der eeuwigheid   wat viel hier nog te zienhet neusgepeuter van een kleutereen pijnballet, de dronken dansvan een pineut misschien   die pitten van een papegaaiheb ik geweigerdeerst die spin die soms een beetjeaan mijn kin bleef kleven ik wou en vond er nietsgeen lentelanen, enkel zieke oordenstervende platanen, ook een ballondie niet meer vliegen kon   gezochtde bergen op, de stappen afgeteldmaar vond hem nietde route voor de smokkelaars van schaarse tederheid   wel een strandvol blote woordenkorrelzand en kleffe kraampjesmet gebak, wat leeg beton   wat nu? dan maar doorheen het niemandslandpeisvol vredig uitgestrektheel even rustzolang het magde grens is snel bereiktal gauw ook Betlehem een leegstaande barak kadaver van een vredesduif   ik wil niet naar de dode zeevoor zout met frietgeloof, mijn kindde afgeblazen stoomboot vaart niet meer   geef mij ook geen woestijnof dit doorboorde landmen ziet er nergens nogeen groene specht of bende spreeuwenenkel nog een olievogel kogeltjes van nu en van weleer wat rest is nog een spoor van donker bloedik ga voorbij het schuiloord van een bange godmaar langs de rovers van de laatste lachmoet ik niet meer de Eufraat roepteen zijarm lonktis daar het kleine pontwaar ik hem trefde gids voor mijen deze liedvergeten straatzangerwiens blik het al verraadtmaar dan in spiegelbeeld ik wil en ik besef het evenzeerdat dit het einde is       uit de reeks  'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 0

Over de zin en de zinnen van mijn leven

Woorden zijn krachtig. Ze maken kleine dingen heel groot of grote dingen juist heel klein. Ze kunnen onuitgesproken blijven en nooit worden vergeten. Of willen net worden vergeten zodra ze zijn uitgesproken. Ze raken hun doel vaak anders. Schieten te kort. Precies afgewogen of met een smakelijk schepje erbovenop… woorden kunnen de zin van je leven veranderen. Deze zinnen deden dat met het mijne.   > Sint-Maarten bestaat niet! -> Luidop zeggen dat je dat wel weet maar ondertussen roepen in je hoofd dat je nog in hem gelooft uit angst dat je anders geen cadeautjes meer krijgt. Een heilig man als de Sint weet toch wat je doet en denkt… FYI: wij hadden de coolste Sint E-VER als we klein waren, maar daarover meer in een andere post. > Is dat jouw hondje dat dood ligt op straat? -> “Nee, die ligt hier onder tafel aan mijn voeten. Fredo, Fredo!” Hm, toch niet… Het was wel degelijk mijn hondje dat dood lag op straat. Het rare was dat ik net die nacht had gedroomd dat ik hem nergens kon vinden. Over een vijfde zintuig had ik nog niet gehoord, maar ik dacht toen wel dat ik hem gedeeltelijk had vermoord. > P heeft kanker -> Je bent net tiener en je wilt wat. En dan denk je niet aan kanker. Wel aan een liefje, zoals P, een vriend van mijn broer waar ik lang verliefd op was. Ik durfde het niet te zeggen, zelfs niet toen ik hoorde van zijn kanker. Hij heeft het nooit geweten. Ik wel, omdat mijn broer het mij vertelde. Die moest in P’s kamer zoeken naar herinneringen voor een persoonlijke afscheidsmis. Hij vond er. Van hem, voor mij. In de vorm van liefdesbrieven. > Moeke en vake gaan scheiden… -> Euh, pardon. Echt? Zelfs al kwam deze zin na een voelbare periode van koude oorlog, hij sloeg in als een bom. Alle strategieën die we in onze thuisbasis ontwikkelden om te overleven werden met de grond gelijk gemaakt (toegegeven: de woorden klinken bombastischer dan de waarheid, maar ik geef me hier volledig over aan de beeldspraak). Ons hoofd werd opgesplitst in twee kampen: kamp Moe en kamp Va. Ik kan je zeggen: vroeger vonden we Stratego leuker. > We moeten je laten gaan -> Of een eufemisme voor ‘Ik ontsla je’. Net voor kerst. Economische crisis of niet, het was een diep dal voor mijn ego en zelfvertrouwen. Gelukkig werd ik nog geen maand later spontaan opgebeld door een ander communicatiebureau om te starten als copywriter. En dat zelfs zonder de bergen positieve feedback die mijn ex-baas beloofde te schrijven. Raar hoe mensen automatisch eerst aan traumatische zingevingen denken… Ik maak het goed met een aantal positieve punten en komma’s! > Surpriiiise! -> Toen mijn vrienden besloten een verjaardagsfeestje te geven voor mijn 21ste verjaardag. Ik was al verrast door al dat schoon volk, dan krijg ik nog een mysterieuze sleutel cadeau. Die leidde naar een kamer in mijn vader zijn bedrijf slash appartement die ze huisdoktersgewijs hadden omgetoverd tot een slaapkamer slash bureau. Mijn sleutel tot rust, tot een nieuw thuisgevoel en tot mijn diploma (die onderscheiding had ik nooit gehaald met die scheiding van mijn ouders). > Je hebt de job -> ‘Fris rostje’, schreef ze op mijn cv na ons gesprek. ‘Je ligt bovenaan mijn schuif’, zei ze na ons gesprek. Ik durfde het niet meer te geloven na alle valse beloftes van bedrijven waar ik solliciteerde als starter. Al wou ik deze job écht (écht!) heel graag. Mijn aura bekende blijkbaar kleur, want – pioe wioe – ik kreeg groen licht! Mijn eerste vaste contract. In een beestig communicatiebureau in Brugge. Bedankt L van Cayman :) > Wil je meter worden? -> Al werd de vraag niet zo letterlijk gesteld. Ik ontdekte het letter voor letter toen ik het geboortekaartje in mijn handen kreeg (voor de baby van een paar uren oud bedankte ik nog even). Het leukste van de wereld! Mijn petekind bedoel ik. Maar ook zijn kaartje: voor iedereen een 3D-puzzel van een vogeltje, en voor het gezin een gepersonaliseerd Flock-vogeltje om neer te strijken op een kledingstuk. Dat van mij bekte ‘meter’, mijn broer droeg een met ‘vake’ en de andere twee kregen een ‘nonkel’ tweet. #trots! Borst in de lucht. Heel hoog. Jaja, de lat is gelegd… bedankt broere! > Amaai, zo knap dat jij bent geworden -> De woorden van een nonkel die na een paar jaar opnieuw opdook op een familiefeest. Een mooi compliment waar ik wat van blonk en bloosde. Toch kan ik het niet laten om tussen de lijnen te lezen dat dit ook iets (oké, zelfs veel) zegt over vroeger. Maar hey, hoe cool is het om met je foto’s van toen te kunnen lachen? Heel cool, maak ik mezelf graag wijs!> Ik ben een klein beetje (veel) verliefd op jou -> Het moment. De uitdrukking op mijn gezicht. Mijn mond die bleef openstaan zonder vork in mijn handen. Ik herinner mij nog perfect wanneer ik dit las (mijn vader die aan dezelfde tafel zat te eten waarschijnlijk ook). Een sms van een goede vriend… toen toch. Nu… mijn beste vriend! En mijn liefste. Dus een klein beetje (veel) bedankt voor de mooie jaren liefie.

Rien Mertens
0 0

Roest

Roest   Het cadeau lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een rood lint. Haar rusteloze dag kwam tot stilstand als een hardloper die na zijn laatste sprint abrupt stopt om zijn hartslag te controleren. Tik tik tik Het idee dat het cadeau een tikkende tijdbom symboliseerde, verwierp ze al snel als te voorspelbaar en dramatisch.  Nee, haar leven was al cliché genoeg: na zeven jaar huwelijk was de liefde met Jacob versleten als het roest op een trouwe fiets die aan vervanging toe is. Het idee dat hij ‘de ware’ was, gleed na een passionele start van hun relatie over in de gedachte ‘dat liefde een werkwoord is’ tot een berustende ‘het belangrijkste is dat we allebei gezond zijn’.  Ze stonden al te lang roerloos met hun liefde tussen hun vermoeide lijven gedrukt; in slaap gewiegd door de kabbelende gewoontes van alledag. Ze wou hem niet verliezen. Of wou ze vooral haar geloof in de eeuwige liefde niet opgeven? Haar besluiteloosheid smeekte om een duw in de rug. Maar in welke richting?   De komst van minnaar Maurice was een tijdelijke zijsprong die zich langzaamaan tot hoofdweg profileerde. Wat begon als een kortstondige zoektocht naar vuur, werd al snel een alles verschroeiende brand. Als ze ’s nachts rug tegen rug  aan Jacob kleefde, zag ze zichzelf dikwijls op een strand liggen. Alle strandgangers waren na zonsondergang naar huis gegaan en zij ligt alleen naar het rusteloze water te staren. De eerste golf die aanspoelt, is zo hoog dat ze de rest van de zee niet kan zien. De eerste golf is haar passie voor Maurice, de zee haar liefde voor Jacob.   Overdag voelde ze de achterdocht van Jacob groeien. Dat ze weeral moest overwerken werd steeds met een ironische blik onthaald. Dat ze twee dorpen verder een nieuwe, overheerlijke bakker had ontdekt, leek slechts zijn paranoia te versterken. Hoe lang was dit houdbaar? Hoe lang kon ze deze granaat voor zich uit blijven trappen? Haar liefde voor Jacob was als het rode strikje rond het cadeau: het hield alles hardnekkig samen, maar bij voldoende twijfel zou het knappen en zou de lege doos van hun relatie kaal achterblijven.   Ze flirtte een ogenblik met de gedachte om het geschenk uit het raam te gooien, maar haar nieuwsgierigheid overwon. Het cadeau moest wel van hem zijn, want hij had de enige andere huissleutel. Misschien wou hij hun liefde nieuw leven inblazen door haar met dit geschenk te heroveren? Hopelijk eist hij eindelijk kordaat zijn plaats op. Of was dit cadeau gewoon een sarcastische grap? Een middelvinger naar haar bedrog? Ze trok het papier weg en vond een tweede doos met een zwart lintje. Rillend rukte ze ook dit papier open en voor de tweede keer vandaag kwam de tijd tot stilstand. Ze begreep het niet. Een brood naast een chocoladetaartje? Het brood leek al een paar dagen oud, het taartje was duidelijk vers. Rond het taartje zat een tweede rode lint, rond het brood een zwart. Toen ze onder het brood keek, vond ze wat ze zocht: een briefje in Jacob’s geschrift met -hopelijk- een verklaring.   Liefste,   Het is heel simpel: ik ben het brood. Ik ben het die de kruimels van je leven tot een geheel maakt. Ik heb je de laatste tijd te gemakkelijk het cement aangereikt waarmee je de muur rond jezelf hebt gebouwd. Ik wil die samen met jouw hulp afbreken. Mijn liefde voor jou is standvastig, hardnekkig, doorwinterd. Reken op me, bouw op me. Elke ochtend ben ik er weer. Schat, ik wil je niet kwijt. Je bent mijn beleg ;-) Hij is het taartje: kortstondig plezier, met kans op kiespijn. Waarschijnlijk heel lekker, maar het houdt je niet in leven… Ik begrijp dat het tussen ons van passie naar passief is gegaan, maar nu moet je kiezen. Wordt het brood of taart?   De chocolade op haar lippen was het laatste wat ze van Maurice zou proeven.        

Joachim Stoop
28 0