Lezen

Victoriaanse verleiding

Zij was nooit het meisje geweest dat zich zondermeer bij de geldende conventies kon neerleggen, wilde neerleggen. In haar eigen beleving was Sanderijn eigenzinnig, anderen zouden haar eerder karakteriseren als lichtzinnig, en zoals vaker in het leven ligt in dit geval de waarheid voorspelbaar in het midden. Aan juist deze karaktereigenschap is haar kledingkeuze voor deze avond toe te schrijven. Het fluweel, in meerdere lagen, accentueert door de meesterlijke schnitt, haar wulpse lichaam. De jurk was verre van goedkoop, overigens let wel, zij is niet gezet, wel vol, met weelderige, vrouwelijke vormen. Alsof een royale beeldhouwer zijn muze meer dan bescheiden heeft willen neerzetten. Toch heeft zij geen sokkel nodig om de aandacht te trekken. Niet alleen haar lijf, meer nog haar licht sprankelende persoonlijkheid vertoont een mesmeriserende werking. Een van haar heimelijke genoegens is het om het manvolk het hoofd op hol te brengen, vaak subtiel, soms gewoonweg op een meer vulgaire wijze. Op zulke momenten bevochtigt ze ongemerkt haar lippen met de volle rode wijn, met haar vingers tekent ze dan de contouren van haar mond na. Het gegist druivensap kleurt haar lippen diep rood, een metafoor, een belofte aan het mannelijk lid dat zich die avond gelukkig mag prijzen. Door de balzaal waaieren de klanken van de nieuwste schepping van maestro Debussy. Harmonieën die volledig langs haar heen gaan omdat zij angst heeft. Schrik dat zij op deze avond eens niet opgemerkt zal worden, er geen mannenhanden langs haar billen zullen glijden. En ook deze avond zal die angst weer ongegrond blijken, de vraag blijft echter wie de uitverkorene zal zijn.

Sonja Blondé
0 0

BOY GEORGE

Ik ving een bliek. Later leerde ik dat dit een bijnaam was voor de kolblei. Hij was ongeveer dertig centimeter lang en daarmee met voorsprong de grootste vis die ik ooit gevangen had. Ik haalde het haakje uit z'n lip en keek vol verwondering naar de vele variaties aan rode en blauwachtige kleuren in die op het eerste zicht kleurloze schubben. Het werd daardoor ineens ook de mooiste vis die ik van mijn leven al had gezien. In plaats van hem terug te werpen zoals ik gewoonlijk met de vangst deed, nam ik de bliek mee naar huis. Mijn moeder had geen bezwaar. Later bekende ze dat ze niet geloofde dat een dergelijke vis in een aquarium kon overleven. Ze haalde een doorschijnend plastieken bakje van de zolder. Het was veertig centimeter lang. De bliek leek heel blij met zijn nieuwe thuis. Hij bleek niet te lijden onder het feit dat hij slechts een heel klein beetje voor- en achteruit kon zwemmen. Achteraf leerde ik dat je het met een vis eigenlijk nooit écht weet. Hij belandde zonder mopperen bovenop de keukenkast, net onder het plafond. Omdat de bliek er in een enthousiast ogenblik niet per ongeluk uit zou kunnen springen legde ik er een stukje volièregaas op. Telkens ik de visbak naar beneden haalde om te reinigen, viel me op hoe warm het op die hoogte was. Het was een wonder dat hij het uithield in die hitte. Om de een of andere reden moest ik altijd aan Boy George denken. Dat had waarschijnlijk met die kleurschakeringen te maken die zich openbaarden als je vanuit een bepaalde hoek naar hem opkeek. In het geschminkte gelaat van de zanger van Culture Club kon je, als je goed keek, ook wat blauw en rood onderscheiden. En dus noemde ik hem zo: Boy George. Ik weet niet of hij echt tevreden was met die naam. In dat bakje bovenop de kast overleefde hij nog vier jaar lang.Op een dag, toen ik zijn verblijf weer eens schoonmaakte, sprong hij zonder enige waarschuwing vanuit de emmer die op het aanrecht was geplaatst, in het afwaswater. Het succes van deze actie verraadde dat hij deze sprong al lang tevoren had gepland. Ik had er geen idee van dat hij zo ongelukkig was. De hele avond scheidde hij bellen af. ‘s Morgens stond er een laagje schuim bovenaan de bak. Mijn huisgenoten vonden het allemaal heel vermakelijk, maar voor mij was de grap er snel van af. Boy George ging voor- noch achteruit. Hij verroerde zelfs geen vin meer.

Rino Feys
0 0

OPA VOGEL

De vrouw keek me rustig aan. Ik wist zeker dat ik haar nog nooit gezien had, maar tegelijk kwam die blik me zo bekend voor dat het me uit evenwicht bracht. Het duurde even voor ik wist wat het was. Ze had de ogen van John Hurt.Dat onverzettelijke, maar ook het weemoedige. De wijsheid, maar ook het onredelijke. Die subtiel aanwezige maar loodzware zweem van ontgoocheling.'Mijn man is overleden. Hij was een groot liefhebber van vinken en duiven, en de kleinkinderen noemden hem opa vogel. En nu ben ik op zoek naar een kinderboek over een vogel die op een dag weg vliegt, en nooit terugkeert.'Ik vroeg me af of we hier zo'n boek hadden, maar kon me niets voor de geest halen.'Denkt u dat u zoiets heeft?' In haar stem klonk nieuwsgierigheid, maar in die ogen las ik dat haar wereld niet zou instorten als de uitkomst negatief was.We liepen naar de rouwboeken voor kinderen. Ik stak haar 'Een opa om nooit te vergeten' in handen.'Dat is te somber', zei ze. 'Daarbij, het moet over een vogel gaan. Een vogel die van hierboven toekijkt, en zorgt voor diegenen die beneden achtergebleven zijn.'Ik was onder de indruk. Dat iemand geloofde dat zo'n specifiek, zelf bedacht verhaal misschien bestond. We begaven ons naar de kinderboekenafdeling, maar in al de boeken die we vastpakten verdween nergens een vogel, als er al een in voor kwam.'Hebt u vooraan het tafeltje met de nieuwe aanbiedingen bekeken?' Het was eigenlijk meer een wanhoopsvraag, en nee, dat had ze niet.We liepen er naartoe en taxeerden het aanbod. Mooie boeken, daar niet van, maar iets met vogels zat er niet tussen. Ik deed nog een allerlaatste poging, hoewel ik wist dat die gedoemd was te mislukken.'Dit boekje gaat ook over iemand die verdwenen is', zei ik, en wees Martha aan, een recent verschenen boek van Mannetje Koek, door Pieter Gaudesaboos & Lorraine Francis.Ze las de eerste zin, 'Toen Martha stierf, waren haar vrienden heel verdrietig', en schudde traag het hoofd, haar blik op oneindig.Alsof doordrong dat dit niet het boek was dat ze zocht, en het duidelijk begon te worden dat dit ook niet de plaats was waar ze het boek zou vinden.Maar hoewel ik wist dat Martha Opa Vogel niet was, gaf ik nog niet op.'In het boek ruimen sheriff Suikerklont, Mannetje Koek, blokje IJs en nog andere vrienden van Martha haar huis op na haar dood. Terwijl ze daarmee bezig zijn vertellen ze elkaar om beurten iets dat ze met Martha hebben meegemaakt. Dan nemen ze iets uit haar huis mee als herinnering.''Nee!' zei ze, met vermoeid wegdraaiende ogen en ergernis in haar stem, 'er moet een vogel in voorkomen!'Strijdlustig keek ze me aan, al was er ook teleurstelling en mededogen in die blik. Ze schoof haar handen in wollen handschoenen en liep naar de deur. Daar draaide ze zich nog even om en knikte naar de tafel waar we zojuist gekeken hadden.'Ik kom nog wel eens langs, en misschien heb je tegen dan iets gevonden.' Maar ze keek alsof het haar eigenlijk niets meer kon schelen. Zij was die dag de klant waar ik nadien het langst aan dacht.

Rino Feys
10 0

HOUVAST

Ik parkeerde mijn wagen en liep in gedachten verzonken naar de hoofdweg. Sinds de kapster een briefje tussen mijn ruitenwissers stak met het verzoek de ruimte voor het kapsalon aan haar klanten over te laten, zette ik mijn wagen iets verder. Maar eerlijk gezegd begreep ik het niet goed. Er stonden acht of negen huizen, fermettes en kleine villa’s, meestal half-open bebouwingen. De parkeerstrook liep door zover de huizenrij strekte, was openbaar en hierdoor beschikbaar voor iedereen. Voor of naast het kapsalon; eigenlijk maakte het niet zoveel verschil uit waar ik stond.Maar ik vermoedde dat de kapster onder het knippen graag naar buiten keek.Het was nog halfduister. De korte wandeling was het enige wat me nog scheidde van een reeks handelingen waarmee mijn dagtaak begon. De poort ontgrendelen. De verschillende toegangsdeuren ontsluiten. Het alarm uitschakelen. De verwarming hoger draaien. De lichten aansteken. Maar eerst nog in het donker kiezen op welk kanaal de radio vandaag de stilte van het ontwakende gebouw mocht verbreken.De wandeling duurde ongeveer drie minuten. Wanneer ik de hoofdweg bereikte restte nog een kleine tweehonderd meter. Het was een drukke straat, het verkeer denderde voorbij en enkel de lichten even verderop zorgden voor een korte onderbreking. Auto’s, bestelwagens en bussen, maar vooral veel vrachtverkeer.Ik had het uitgerekend. Ongeveer een op de drie keren dat ik het traject aflegde was er een vrachtwagen die vertraagde en de parking van het slachthuis opdraaide, aan de overzijde van de straat, ongeveer halverwege mijn wandeling langs de hoofdweg.In de uitsparingen in de zijkanten zag je op verschillende niveaus wit-roze ruggen, onbeschermd en bloot. Stevige, ongehavende ruggen die niet begrepen wat er gebeurde, verstomd afwachtend. Ze voerden een scherpe, doordringende geur met zich mee.Ik had deze week al twee dergelijke vrachtwagens gezien en ik bedacht dat, statistisch gezien, de kans klein was dat ik er vandaag nog een zag. Ik keek naar de lucht in de verte, naar het trage, onmerkbare wijken van de duisternis. Ik was nog enkele tientallen meters verwijderd van de hoofdstraat.Het duurde even voor ik begreep wat er gebeurde. Het leek op het jankende knarsen van remmen, maar luider. Een gigantische vrachtwagen die aan het eind van de straat in de opening tussen de huizen tevoorschijn kwam. De gekromde ruggen in de uitsparingen. Het alles overstemmende gekrijs en gehuil, waarna de gebouwen het gevaarte met bijhorende geluid bijna ogenblikkelijk weer opslorpten.Ik bereikte de hoofdstraat en zag hoe de gillende vrachtwagen de parking van het slachthuis opreed. In mijn hand hield ik m'n sleutelbos, de sleutel van de poort tussen duim en wijsvinger geklemd.

Rino Feys
4 0

Dagboek van hellen brown

Uit het dagboek van ’vandaag’ van Hellen Brown.  25 oktober 2007 Alléén, met hoog opgestapelde bagagekar loop ik te Brussel, Zaventem door de aankomsthall, voorbij familieleden en vrienden van… anderen. Geen mens die mij afhaalt. Langs de zijspiegel van de taxi weerkaatst een zonneflikkering.  26 oktober 2007 Koken in een pand dat onbewoonbaar is verklaard. Geen verluchting. Kans op elektrocutie. Staande op de rand heb ik de luivel boven het bad weer al eens open gedraaid, de voordeur open, twee truien aan en een muts op mijn krullen. Zo kan ik koken en….. het is nog lekker. Door het vette mat glas van de luifel een zonnestraal. Het licht diffuus, zo ook ik.  27 oktober 2007 Weinig licht en geen lucht in dit gelijkvloers. Ik heb veel licht en lucht nodig.  28 oktober 2007 Het houten handvat van het gekregen vleesmes is gespleten. Ik snij in mijn vingers.  29 oktober 2007 Alle winterkleding dat men me geeft is bruin. Ik haat deze kleur.  30 oktober 2007 Het is alsof ik ‘onthecht’ ben van alle vroegere vrienden in Antwerpen. Over familie maar te zwijgen  2 november 2007 De bel van de eigenares moet ik tegen de voorgevel plakken. Ofwel blijft ze de hele dag rinkelen ofwel helemaal niet. De huisbazin is een ‘iron lady’, enkel op de huur en daarna op de waarborg uit. Ze is wel smaakvol en modern gekleed.  3 november 2007 Ik struikel over verlengdraden in dit benedenappartement. Doch spreidt de schemerlamp een gezellig licht. 6 november 2007 Ik neem de meest foute beslissingen. Ik pieker over alles en nog wat. Ik heb de indruk dat ik buitengesloten ben.  7 november 2007 Ik ben in de steekgelaten en heb velen die me getracht hebben te helpen, tegen de haren in gestreken.  8 november 2007 Men wil de toestand waarin ik in terecht ben gekomen niet inschatten. Onbegrip, wrevel, onmacht. Geen interesse. Het eigen leven is belangrijk. In de ochtend doet een waterzonnetje zijn best.  9 november 2007 Verscheurd schreeuwend heb ik zeker een half uur klagend en wenend door de kamers geijsbeerd. De eerste keer dat ik zo wanhopig huil.  13 november 2007 Wanneer de straatlantarens door de doffe ruit van de voordeur schijnen trekt het licht in grote vierkanten waar zich, in een donkere tint een parallellogram aftekent.  15 november 2007 Weer sleur ik me huilende en op mijn moeder roepend door het hele benedenappartement. Niemand hoort mij.  16 november 2007 Begrip is enorm waardevol. Een ‘hug’ een godsgeschenk.  17 november 2007 Het belangrijkste waar ik naar hunker is tederheid, liefde…….  20 november 2007 In de tussenkamer staat een ouderwetse TV, een afdankertje van Karine. Hij is niet aangesloten. Telkens wanneer ik voorbij loop zie ik in grijze tinten, iemand enorm triestig weerspiegeld.  24 november 2007 Na het opstaan kauw ik op een stuk brood om haastig de homeopathische antidepressievepil in te nemen. Ik zet een CD op van Bach en laat me gaan.  26 november 2007 Altijd maar wachten tot dit of dat gebeurd of gaat komen. Men beweert dat we in het NU moeten leven en… er van genieten? IK? Ik trek me intussen op aan een kop koffie, de zon, herfsttinten van bladeren, een glimlach van een kind.  27 november 2007 Ik begrijp dat sommige geestelijken zichzelf kastijden. Wanneer ik wakker word en het weer niet zie zitten, bijt ik in het malse vlees van mijn bovenarm. Wanneer ik te hard heb gebeten, lik ik de plaats en denk:’ze likt haar wonden’.  28 november 2007 Waar wacht ik op? Tot ‘my lost love’ komt praten? Over ons? Ik zeg het tegen niemand, ik die loslippig ben.  29 november 2007 Wacht ik tot er een wonder geschiedt? Is de stralenbundel die door de witte cumuluswolken stort, een voorbode?  30 november 2007 De strijd is deze morgen voor de zoveelste keer weer emotievol gestreden en we zijn nog in leven.  1 december 2007 Mijn leven zal eindigen bij 75. Alles ligt klaar, de zak van plastic, de pillen. Ik vind eindelijk de moed om het te doen, dan bemerk ik gaatjes in het zwarte cellofaan.  3 december 2007 Men heeft mij altijd een tiental jaar jonger geschat omdat ik jeugdig van geest ben en er schijn bij te horen.  4 december 2007 Men zegt dat ze willen tekenen om er uit te zien zoals ik wanneer ik zij mijn leeftijd hebben bereikt. Ik moet dan grimlachen of de schouders ophalen.  7 december 2007 Men zegt ook dat ouder worden, wijzer worden is! OK wat wijsheid betreft. Maar ze doorgeven, forget it.  12 december 2007 Toevallig ontmoet ik een man. Oef, een met humor. Een Nederlander, hij zal me leren zingen. Zingen? Hij komt me de volgende dag ophalen. Niet in een Mercedes maar op de bagagedrager van zijn fiets rijdt hij me naar zijn studio. Ik dwing me tramsporen en voorbij suizend verkeer te negeren. Ik zing dapper maar hij wil meer. Seks natuurlijk.  13 december 2007 Ik ben teleurgesteld, boos, kwaad woest, choleriek, ontdaan en nog van die emoties.  16 december 2007 Heel de geschiedenis door heeft men elkaar naar het leven gestaan. Elkaar leed bezorgt. Spreek me niet van liefde. Dat is vervangen door seks in al haar proporties en decadenties (heb ik de indruk).  18 december 2007 Ik leef in een verschrikkelijke egocentrische wereld of moet ik gemeen-schap zeggen  23 december 2007 Ik behoor tot ‘het leger’ der bedrogene.  25 december 2007 Ik heb een put gedolven, er dennentakken over gelegd. Met een kaars ben ik erin gekropen en gewacht tot Kerstmis voorbij is.  27 december 2007 Verjaardag van mijn jongste dochter Ditte. Voor mij, elke morgen een gevecht: Leven of zelfmoord.  30 december 2007 Ik woon nu bij mijn oudste zoon te Melsele. Het is een enorm groot huis. Het lijkt wel een klooster. Door de glas in lood gevatte ramen weerkaatsen kleuren rood, blauw, geel, groen en goud, zwart omrand. De kleuren raken de antieke meubels al glanzend. De hall, zowel beneden en boven zijn showrooms voor antiek. In een ouderwets bed slaap ik tussen deze meubels. Ik ruik de geur van boenwas en vernis. Er liggen zijden bloemen op de sprei. Ze zijn van zilver wanneer de maan schijnt.  31 december 2007. Nieuwjaar Ik ben met de fiets naar Antwerpen gereden. Ik kan bij een vriendin crachen. Ik hoor feestvierende. Toeters en serpentines. Wil er niet bijhoren. Mijn moed is zo moe geworden. Ik wil mijn hoofd laten rusten. De vriendin houdt haar belofte niet. Ze is niet thuis. Het is feest in ‘Strawberry Fields, live Music café. Mijn gewezen partner speelt er gitaar. Daar zal ze zijn. Ik moet hoognodig. Mijn broek wordt vochtig. Met dichtgeknepen dijen rij ik naar Strawberry Fields. HIJ zingt een lied, destijds voor mij gecomponeerd: ‘I want a simpel live for you and me’. Even hapert hij wanneer hij me ziet. Vriendin lacht honend. Ik geef haar een klap. Dan sta ik moederziel alleen in de nacht.  1 januari 2008 Ik wrijf over mijn ogen, mijn gezicht . Strijk ruw door de haren en schrei. Wat een wee gevoel. Buiten ligt schitterend wit de sneeuw met een ijsrandje.  3 januari 2008 Jo, een vriend dacht ik, belt af omdat Herman, een andere vriend, zogezegd ziek is. Hij zou met Herman een kast van Ikea in elkaar zetten. 6 januari 2008 Ik kan ECHT niet meer.  7 januari 2008 Ik koop een zware slaappil en een zak van plastic die ik op gaatjes heb nagekeken. Met deze attributen zal ik het leven verlaten. NIEMAND meer tot last zijn, ook mezelf niet. Misschien de laatste foutieve beslissing. Vanwaar komt dat gefonkel? Via scandiaflex schijnen maanstralen en verdelen de kamer in startbanen van licht.  8 januari 2008 Eindelijk een vriendin. Ze overtuigt me dat het leven wél zin heeft. Ik moet enkel doorheen een levensfase die depressie heet. Ik mag me niet afzonderen.  15 januari 2008 Ik zoek mensen op in cafés. Ik ontmoet een advocaat. Hij drinkt te veel en redeneert onsamenhangend. Hij is wat men noemt een verlopen individu.  17 januari 2008 Zes uur, het is zwart, donker en koud. Zowel ’s avonds als ’s morgens. Welke gelegenheden heb ik aan me laten voorbij gaan en weer.  19 januari 2008 Ik sluit me op omdat ik niet meer naar buiten DURF. Het alleen door de natte, koude donkere straten baggeren? In een café een koffie of thee gaan drinken? Alleen aan een tafeltje? Kijken naar de mensen die wel samen zijn. Verliefd of niet verliefd? 22 januari 2008 Dood? Weg zijn, bijgevoegd in de geesteswereld? Dan moeten ze eerst wel je geest cleanen!  23 januari 2008 Hoe komt het dat ik vergeet. Mijn hoofd zit vol met spinsels, watten, stofnetten. Ik weet niet WAT ik aan WIE schrijf. Waar ik ben geëindigd met mijn recent dagboek. Welke mails verzond ik? Psycholoog en de weinig vrienden beweren dat ik niet dementeer, geen Altzheimer heb want daarvoor had ik angst.  24 januari 2008 Kouwelijk zit ik in de metro. Heb een wintervest gekregen. Ik kan het vanonder dichttrekken met een touwtje waar aan het eind een ijzertje hangt. Lijn zes komt eraan. Ik wil opstaan maar blijf haken in de gaatjes van de gele metalen stoel. Een Koerdistanees verlost me. Hij vraagt me te helpen met zijn huiswerk Nederlands. We worden vrienden…. tot hij geld wil.  25 januari 2008 Heel de dag tot middernacht computerspelletjes gespeeld. Ik heb zelfs niet gemerkt dat de verwarming op nul is gesprongen. Bibberend voor het computerscherm speel ik hardnekkig verder. Word ik gek? Of is het een vlucht. Klappertandend heb ik om 12 uur ‘s nachts een heet bad genomen. Vergeten te eten. Een slaappil! Volle maan.  26 januari 2008 Er moet iets geklikt zijn in mijn kop. Ik kan de problemen die zich blijven opstapelen niet zonder hulp oplossen. Zelfs al is de hemel strakblauw.  27 januari 2008 Wat is plezier? Voor mij een glimlach en blij zijn met het grijze donzige pluimpje van een vogel dat voor mijn voeten dwarrelt.  28 januari 2008 Ik ben al blij met geruis op de radio. Smartlappen en reclame kan ik niet meer hebben. Zelfs niet het nieuws. Ook mijn klassieke muziek heeft niet meer het kalmerend effect. Buiten op het pleintje staat een sneeuwman. Een oranje wortel voor zijn neus.  29 januari 2008 De nieuwe vriendin stelt me een vriend van haar voor. Hij is een countryman. Hij danst rijdansen. Hakke-teen, hakke-teen. We hebben een goede conversatie. Hij nodigt me uit. Te Aalst is er een groot feest. Cultuur denk ik. Ik dof me op. Kleurrijk, zelfs rode schoentjes met hoge hakken. Op het feest zijn allen gekleed in jeans, leren vesten met franjes, laarzen aan de voeten en cowboyhoeden op het hoofd. Ik ben de gekleurde eend in de bijt.  30 januari 2008 Ik geef het zoeken naar een volwaardige partner op.  3 februari 2008 Ik zie hoe mijn lichaam zich rimpelt. Ik zie ouderdomsvlekken, wratjes, rode plekken. Ik zie kringen onder de ogen. Binnenkort, gebogen lopen, een lach vol valse tanden. Met een andere vergrijsde dame walsen op de tonen van de blauwe Donau. Een kaartspelletje, scrabble en vertellen over de fratsen van kleinkinderen. Ik zou niets te verhalen hebben omdat kinderen en kleinkinderen zich niets van mij aantrekken. Ik ben een taboe-bomma.. 4 februari 2008   Verjaardag van mijn zoon Jappe. Dat wordt gevierd. 6 februari 2008 Wanneer ik grijze oude verschrompelde mensjes zie, met of zonder stok of rollator, krom getrokken door de tijd, dan vraag ik me af waarom ze blijven leven, waarom ze kunnen lachen. Is het omdat ze triomferen omdat ze ‘nog in leven’ zijn. 8 februari 2008 Ditte, het mensenkind, boek van Alexander Nexö. Wat mij in dit boek zo verwonderd is het feit dat haar mooie vrouwelijkheid zo vlug vervlogen is. Mijn God, zo kortstondig. Te snel wordt ze lelijk, oud, geschrompeld…en depressief. Ik heb het langer uitgehouden. Naar de derde leeftijd worden verwezen is enorm pijnlijk. 10 februari 2008 Ik zit in een wachtzaal in de kliniek. MRI-scan. Door de gang freewheelt traag een rolstoel. Verstomd sla ik de heldere blik van de gelukzalige neger gade. Zijn onderste ledematen ontbreken. Door het raam een zonnestraal. Doet het chroom van het vehikel blinken. 12 februari 2008 Ieder huis heeft zijn kruisje. Ik denk: Laat mijn huisje uw kruisje niet zijn! 13 februari 2008 Ik heb het weer moeilijk. Niemand telefoneert, laat iets van zich horen. Ik tracht me kloek te houden en weer verdwijnt wat hoog opgestapeld papierwerk. 15 februari 2008 Ik neem het leven terug op, denk ik. Buiten is het koud ondanks het armzalig zonnetje. Probeer door diep te ademen het vreselijke lege eenzame gevoel, dat als tentakels van een octopus op me te loert, op afstand te houden. 16 februari 2008 Ik schil aardappels, kook een bloemkool. Die krijg ik nooit alleen op. Daar slagen ze me weer in hun wurggreep, die tentakels. Radeloos bel ik mijn oudste. Ze troost, geeft raad. Mijn aardappelen branden aan. Vroeger waren het die van mijn dochter. 18 februari 2008 Ik wil, heb het broodnodig: liefde, tederheid, waardering, cultuur, lachen, vooral lachen. Ook trouw en bezorgdheid. Ik wens het met heel mijn hart, ziel mijn wezen. Toch groeit er een brokje geluk diep in mij verborgen, van goud. 20 februari 2008 Hier lig ik nu in dat smalle eenpersoonsbed. Ik noem het mijn Buchenwaldbedje. De koplampen van voorbijrijdende auto’s strijken schaduwen en licht op mijn onder de lakens afgetekend lichaam. 21 februari 2008 Wakker worden Soms mis ik warme armen om me heen Soms reikt mijn hand de muur, alsof ik dààr tederheid kon halen Soms smeek, bid, roep, gil en schrei ik Soms glimlach ik om het tjilpen, fluiten en krassen van vroege vogels Soms grimlach ik wanneer ik eindelijk terug ingedut, wakker word door het gerinkel van de wekker van de bovenbuur Soms wéét ik dat alles goed zal komen Soms denk ik dat alles alledaags en negatief blijft Soms denk ik dat er nog ettelijke zwaarden van Damocles boven mijn hoofd hangen Soms ben ik dapper Soms te mistroostig om op te staan Soms neem ik mijn hoofd in de armen. Het lijkt groot, niet evenredig met mijn lichaam Soms is alles anders dan voorheen Toch is er het warme bed 22 februari 2008 Ik ben naïef en goedgelovig, te goed van vertrouwen. Ik beloof snel en wil zeker uit principe beloften houden. Alles doe ik hals over kop. Denk niet na, ben niet ad-rem. Bedoelingen doorzie ik, weliswaar te laat. Hopeloos om me in het sociale leven te gooien. Te eenzelvig. Als ik het dan toch doe, vertel en praat ik teveel. Net alsof ik een tekort moet inhalen. 24 februari 2008 Ik moet dringend een andere woning zoeken. Deze is ook door een commissie onbewoonbaar verklaard. 25 februari 2008 Ik ben verplicht te verhuizen. Alleen, zonder hulp. Naar de stad? Ik die zo van de natuur houd. 26 februari 2008 Antwerpen? Ik erger me aan viesheid en vettigheid. Elk blik, elk papiertje dat nonchalant is weggeworpen. De kettingen en sloten aan fietsen. De met spuitbussen bekladde muren. En al het Amerikaans gedoe.  27 februari 2008 Capoeaira? Dat is de dans van Braziliaanse straatkinderen om te ontkomen aan doodseskaders. Nu heet dat ‘indoor’. 28 februari 2008 Het schijnt dat ik niets meer kan. Eten smaakt niet. Het leven is geen uitdaging. 29 februari 2008 Had ik toch die reikende hand moeten grijpen en de zwarte zak uit plastic over mijn hoofd moeten trekken? Dan had ik niet zo afgezien en had de tijd me niet ouder gekregen. Had ik de marteling van alleen en eenzaam zijn niet moeten meemaken. Hadden hardheid en onverschilligheid van mijn kinderen me niet kunnen kwetsen. Was ik waarschijnlijk naar mijn ster terug gekeerd.  1 maart 2008 Wil ik wel verdwijnen? Heb ik de moed? Sterven of opnieuw de wereld intrekken. Kan ik dat alleen? Weet dat men steeds zichzelf meeneemt.  31 december 2008 Nieuwjaar. Tot mijn verbazing ben ik uitgenodigd bij Fernand Auwera en zijn vrouw Jeanine. Er zijn meer gasten. De gerechten zijn wonderbaarlijk lekker en de wijn van goede kwaliteit. Ik ben dankbaar. Na middernacht val ik met mijn hoofd in het bord eten Rhea van der Vloet 17-11-2011

Rhea van der Vloet
0 0

Balanceren

Het is opnieuw balanceren op het randje. Ik sta voor het keukenraam en kijk hoe de zon achter de brug langzaam de velden in glijdt. Een merel imponeert zijn vrouwtje en mij met zijn gezang. Een trio duiven, dicht bij elkaar genesteld op het bladerdak van de berk, sluit de ogen. De lichten van voorbijrijdende auto’s schudden me wakker. Ja, ik hou echt van deze plek. Een beetje verstopt richting rand van de wereld. De boerenbuiten en de nodige activiteiten zorgen voor de welkome verpozing na een dagje kantoor. Met mijn botten aan, wandel ik met een jongenspasje over ons kleine erf. Langs de bessenstruiken onder de fruitbomen, naar het water. Op de tippen van mijn tenen bewonder ik de overvolle serrebak. Als alle plantjes slagen in hun groei, weet ik binnenkort niet wat ik eerst moet doen. ‘Wat ben je van plan?’, vraagt mijn lief vanuit een stoeltje bij de kippenren. Met een zak potgrond geklemd tussen mijn armen en lijf sta ik met rode wangetjes naast een enorme bloempot. ‘Venkel zaaien.’ Hij schudt een beetje met zijn hoofd en denkt aan het vele hooi dat ik op mijn vork neem. Maar ik moet kunnen ontsnappen omdat het moeilijk blijft. Dat inpassen in een wereld waarin je je niet begrepen voelt omdat je niet krijgt uitgelegd hoe dat nu precies met je zit. Onwennig en bang, kom je afstandelijk en koel over. Een verlegen luisteraar die struikelt over de woorden die haar gedachten niet kunnen volgen. Nieuwe mensen, die tast je liever even af. Uit een ooghoek sla je ze gade, achter je rug volg je het gefluister. Daarnaast ben ik ook ongelooflijk traag. Pieken voor mijn dertigste, dat zal er niet meer in zitten. Ook al zegevierde mijn liefde voor het schrijven in mijn kindertijd en kon ik er mijn tienerverdriet in kwijt, de eeuwige twijfelaar in mezelf rende uiteindelijk heel hard weg voor de leeuwen.Reeds vijf jaar trek ik tijdens de gebruikelijke uren dezelfde schoenen aan en probeer ik onopvallend te passen binnen een of andere maatschappelijke verwachting. Maar als ik heel eerlijk ben, hoor ik thuis aan de schrijverstafel. Met een wand vol boeken als ruggensteun en Max Richter als toeverlaat. Er valt nog veel te leren, de groei is nog maar net begonnen. Zonder te wedijveren met anderen, maar met een beetje druk van het lief ben ik op zoek naar die zelfdiscipline van het schrijven en schrappen. Van het stoppen met angstvallig weg te lopen van ik wat ik toch zo heel graag doe. Ons huis is mijn glazen stolp, ons kleine erf een paradijs en in mijn hart is het soms een kleine hel. Angst zet, vaker dan ik zelf wil, een klem op mijn zijn en durven. Dan is het makkelijk vluchten in uitstelgedrag en opgerold als een bolletje liggen knabbelen op rampscenario’s. Zo nu en dan, staat het water van de ingebeelde ramp tot aan mijn lippen. Dan sluit ik de ogen en tel ik af naar de verdrinking. Tot hij mijn vermoeide lijf uit het water hijst en we mijn verdriet in slaap wiegen. (Foto: onbekend)

Katrien Meermans
0 0

Als ik slaap

Ik wil u. Nu. Ik wil u strelen Uw huid voelen onder mijn handen onder mijn huid. Ik wil u helemaal verstaan Ik wil u In mijn bestaan Ik wil naar u kijken Als ge slaapt  Ik wil u liefkozen Ik wil u zien Als ge klaarkomt Ik wil u water geven Als ge dorst hebt Of wijn Als ge verdrietig zijt Ik wil uw verdriet begrijpen U troosten Ik wil u koffie schenken 's morgens Als ge nog niet goed wakker zijt Ik geef u mijn lach Zelfs als alles in me huilt, krijgt ge mijn geluk Zodat ge teruglacht Ik wil uw stem horen Uw klagen Uw getater als ge gelukkig zijt Uw gekreun als ik met u vrij En uw gehuil als ge klaarkomt Als ik maar bij u kan zijn Bij u kan wonen bij u kan slapen tegen u aankruipen Uw huid kan strelen Uw tranen kan wegvegen Ik wil bij u zijn Dag en nacht U alles geven Zelfs als ge het niet verwacht Ik geef u duizend orgasmes Vooral als ge ze niet verwacht Zelfs als ik niet meer kan En totaal uitgeput naast u lig Wil ik u verder dienen U zien genieten Ik mis u als ik slaap Ik mis u als gij slaapt Als ik werk Als ik loop op straat. Ik mis u Bij de bakker In het park Of als ik rook Op het balkon Ik mis u als ik slaap Ik mis u als ik slaap Ik mis u als ik slaap Ik wil niet meer slapen Niet meer naar de bakker Ik rook niet meer op het balkon Ik rook niet meer Niet meer Ik geef u alles wat ik heb En zoveel meer Ik geef u mijn huis Mijn huid Mijn geslacht Mijn ziel Mijn leven Ik wil in u verdwijnen Langzaam wil ik in u verdwijnen Met u vrijen Tot ik helemaal in u woon Ik wil in u blijven Een deel van u worden Een deel van u zijn Ik word deel van uw lichaam Ik verdwijn In uw zijn In u

Nathalie
0 0