Lezen

In een schemering

In de schemering zochten we nog een laatste keer. Onze zaklampen leken de strijd op te geven. Ze flikkerden op hun laatste krachten, terwijl onze ogen leken te vechten met de opkomende duisternis. Een plots geritsel brak onze stilte. Achter ons hopte een vrolijk konijntje op en neer. Jammergenoeg had het konijn zijn minder aangename vriend mee genomen.   Een everzwijn kronkelde uit de bossen.  Het duurde even voor ik doorhad wat er aan het gebeuren was. Phoebe en Margot stonden op twee meter afstand van mij, de paniek was in hun ogen te lezen. Jan gaapte het schouwspel aan van achter een boom en Gweny was zo snel als een poes de dichtstbijzijnde boom ingeklommen. “Rennen!” mijn stem droeg ver door de bossen, een vage echo zorgde ervoor dat ik het niet eens meer moest herhalen. Door mijn schreeuw had het beest zijn aandacht op mij gevestigd. Dat gaf Phoebe en Margot de tijd om te vluchten. Ik voelde de ogen van het logge monster op mij gericht. Zijn donkere kijkers reflecteerden het licht van de heldere maan. Phoebe en Margot hadden zich weten te bewegen en renden de dichtere bossen in. Het beest draaide zijn kop naar de bewegende gestaltes. Zo snel als mijn lichaam het nog toeliet nam ik een stok van de grond en gooide dat naar het mormel toe. De twee jonge meisjes zag ik ondertussen in mijn ooghoeken de boom in klimmen. Nog een beetje meer tijd. Ik gooide nog een steen naar het everzwijn om er zeker van te zijn dat ik zijn doelwit was en ging er zo snel mogelijk vandoor.   De duizende boeken over helden spookten door mijn hoofd. Ergens had ik gehoopt dat mijn eigen heldendaad niet gepaard zou gaan met een everzwijn. Ik had me vastgehouden aan een valse hoop dat ik het monster voor zou kunnen blijven. Al snel bleek mijn marathontraining niet voldoende te zijn, als de afstand tussen ons kleiner en kleiner werd. Paniek en adrenaline zetten mijn lichaam op automatische piloot terwijl mijn gedachten afdwaalden naar de anderen die nu veilig in de bomen zaten. Iedereen zegt altijd dat je op het einde van je leven alles terugziet, wel ik zag het niet en ik was er zeker van dat ik op het einde van mijn leven zat.   Het everzijn haalde me in en greep me met zijn hoorn in mijn kuit. Ik rolde over zijn nek, voelde hoe diezelfde hoorn mijn been openreet. Over zijn rug rolde ik er vanachteren terug af. Het monster remde af en keerde, klaar voor een nieuwe aanval. Uit de boom boven mij vlogen enkele zelfgemaakte pijlen naar het everzwijn, maar ze kaatsten allemaal af op zijn dikke pantser. Hoe hadden we het in ons hoofd gehaald om zelf pijlen te maken, denkende dat ze weldegelijk zouden werken. Veel tijd had ik niet om daarover na te denken als Florian voor me op de grond sprong om beter te kunnen mikken. Nog meer mensen op heldentocht. De donkere ogen van het beest fonkelden alsof hij blij was met de nieuwe uitdaging.   Zijn gehavende broek hing aan flarden om zijn middel. Waar hadden ze gezeten. Het duurde even voor het tot me doordrong, maar ze waren terug. Florian was hier. Ik scande de bossen naast en achter mij, maar Michaël was nergens te zien. Florian vuurde nog enkele pijlen in de richting van het everzwijn die opnieuw in volle vaart op ons afkwam. Zijn handen trilden rond zijn boog. Ik zag zijn gezicht vertrekken in een poging zich te focussen en de angst uit zijn lichaam te verbannen. Een laatste schot verliet zijn gespannen boog. Daarna ging alles snel, veel te snel.   Florian werd tegen een boom gesmasht, de twee hoorns van het grote beest zaten door zijn buik. In de schermering reflecteerde het donkerrode bloed in het maanlicht. Mijn maag keerde.   Het laatste pijl was recht door het oog van het everzwijn gegaan. Het monster leek buiten strijd, alleen juist iets te laat. Ik had even tijd nodig om alles te vatten. Florian hing nog steeds tegen de boom aan. Zijn ogen opengesperd, en op zijn lippen stond een schreeuw te lezen. Ik voelde zijn schreeuw, maar hoorde hem niet, ik hoorde niets meer. Mijn lichaam leek functie per functie uit te schakelen. Van achter mij kwamen de anderen ons te hulp nu het gevaar geweken was.   Ik probeerde op te staan, naar Florian toe te gaan, maar ik kreeg mijn benen niet onder me. Mijn handen waren nat. De natte ijzegeur kwelde mijn neus terwijl inktzwarte druppels van mijn hand gleden. De adrenaline sloop langzaam mijn lichaam uit en maakte plaats voor een stekende pijn in mijn kuit. Ik zakte verder tegen de grond. Zwarte vlekken maakten het mij moeilijker om te zien. Vlak voor alles zwart werd zag ik een schim. Michaël...

Idazlea
3 0

Alles komt goed

Het slot opende niet meer zoals vroeger. Maar dat deden ook zijn ogen niet, 's morgens bij het ontwaken. Het waren de leeftijd en vast ook wel de zenuwen. Geen doel of afspraak was in gedachten zo bepalend geweest voor zijn verdere leven als dit. Met Jef heeft hij het er vaak over gehad, die vond het maar niets. Geen goed idee, dacht hij. Een doel mag nooit te veraf liggen, dan vergeet je in het nu te leven. "Kijk naar mij" zei hij, zittend in zijn namaak-Chesterfield die de volledige breedte van het raam overspande van zijn riante herenwoning aan de Amerikalei. "Het is dan wel mijn derde vrouw, maar ik geniet van elk moment. Verdriet en verlies, mijn beste gabber, zijn zure vruchten die je moet slikken en zo vlug mogelijk doorspoelen met een flinke borrel. Je mag zoiets vooral niet telkens herkauwen." Terwijl hij ineengedoken zat weg te glijden in zijn eigen onkunde stond Jef zelfgenoegzaam voor het raam in tegenlicht het leven te vieren. Ook zijn moeder vond het waanzin en egoïstisch. Dit kan je niet maken tegenover de mensen waarmee je verder moet, schreef ze hem ooit. Met haar moest hij al lang niet meer verder. Op haar begrafenis had hij het er nog over met zijn tante, van wie hij vermoedde dat het geluid van haar loszittend vals gebit, dat allang te ruim zat rond het verschrompelde tandvlees slurpender klonk dan dat van haar in koffie gedrenkte boterkoek. Zegevierend medelijden en spot was alles wat een zielige figuur als hij van zijn familie te verwachten had. Er lag een hoop papier voor de deur toen hij die eindelijk openen kon. Post die hij nooit had ingekeken. Net zoals hij dit huis niet meer had ingekeken de voorbije twintig jaar. Zijn notaris vond hem ronduit gek, spilziek en decadent. Voor één onnozele afspraak een huis twintig jaar leeg laten staan, verkommeren en verkrotten. Geen frank zou het nog waard zijn. De deur liep vast op een krant van daags na zijn vertrek. "Sid verdacht van moord op Nancy" titelde die. In het Chelsea Hotel, hij was er nog geweest, op zijn zoektocht naar een nieuw bestaan, of wat er de schijn moest van hebben. Verankerd in zo een loodzware belofte kon er van een nieuw bestaan natuurlijk nooit sprake zijn. Of het nu Amerika, China, de Noordpool of Antarctica was, na exact twintig jaar moest hij terug zijn. Hij maakte zichzelf wel telkens wijs die afspraak voor zich uit te kunnen schuiven en ondertussen gewoon van het leven te kunnen genieten. Maar schuldgevoel was het belangrijkste bestanddeel van dat leven geworden en met het vorderen van de tijd leken die twintig jaar meer een boetedoening voorafgaand aan de verlossing.     Moeder,   Voor het eerst sinds vele jaren zit ik deze morgen, een gewone morgen van een gewone weekdag, niet op de trein richting arbeid. Neen, ik kijk vanuit mijn hotelkamer op de Dam. In de verte zie ik Atlas staan, met die bol op zijn rug. Hij kijkt me aan met een troostende blik, die zeggen wil dat ook hij een heel gewicht te dragen heeft. Het lijkt mij eerder onwaarschijnlijk dat hij het ooit in zijn hoofd zou halen om ook maar voor één keer naar beneden te komen, de bol voor wat hij waard is op het plein achter te laten en bijvoorbeeld bij Marks & Spencer om de hoek een broodje gezond zou halen. Ook al zou het misschien geen van de winkelbedienden opvallen dat net hij komt binnen lopen om even te pauzeren. Ook al kijkt niemand zich een pijn in de nek om te controleren of hij er nog wel staat, met die bol op zijn rug, of hij zijn taak naar behoren blijft vervullen. Net zoals hij moet ik nu ook maar eens mijn eigen leed torsen en er niemand anders mee belasten. Dit meld ik je zonder enige trots. Morgen neem ik vermoedelijk het vliegtuig richting New-York. Westwaarts zoals dat een eeuw geleden al het geval was. Economische redenen liggen nu wel niet ten grondslag. Hooguit een baisse in mijn persoonlijke emotionele economie dan. Een ware depressie is het. Onvoorziene wendingen van de voorbije weken hebben mij tot deze vlucht gedwongen. Wat is er dan zoal fout gelopen? zul je je nu wel afvragen. Ook al ben ik je uitleg verschuldigd, ook al weet ik dat je elk detail, elk punt en elke komma zult willen weten, analyseren en nadien willen gebruiken om de noodzakelijkheid van mijn huidig gedrag te weerleggen, om me te overtuigen van de relatieve onbelangrijkheid van bepaalde gebeurtenissen. Toch kan niet alles worden uitgesproken, ook al niet omdat ik een beslissing heb genomen waarin ik niet wil worden tegengewerkt, ook door jou niet. Probeer gewoon te aanvaarden dat dit, hoe slecht ook, het beste is. Ik wil een tijdlang niemand tot last zijn. Wat vrij onmogelijk is, want natuurlijk zal ik sommigen tot last zijn door ze met vele vragen achter te laten, schuldgevoelens misschien ook. Maar als ik blijf zullen jij en Jef enzo me willen helpen mijn problemen op te lossen, en dan zal ik jullie nog veel meer tot last zijn. Ik beloof je op de hoogte te houden van mijn vlucht naar en door het wilde Westen en voor mezelf te zullen zorgen. Doe die ouwe knar van mijn vader de groeten en zeg hem dat alles betrekkelijk goed gaat. Langer dan twintig jaar blijf ik zeker niet weg.   Je Rudolf.   Nu twintig jaar later, stond hij er terug. Zijn moeder had hij nooit meer gezien. Behalve dan op haar begrafenis, maar dat zal haar wel zijn ontgaan. De aanblik van het huis was zeker niet bemoedigend. Hopelijk heeft het leven minder vat gehad op zijn vrouw. Als ze nu maar komt. Moedeloos door de gedachte aan wat hij boven zou aantreffen liep hij voorzichtig de trap op, die zich kreunend afvroeg wie er na al die jaren nog eens op bezoek kwam. Op de overloop leek het binnenvallend zonlicht door de dikte van het stof het aantal verstreken jaren te willen aangeven. Als jaarringen van een boom maar dan in millimeters hoogte uitgedrukt. De slaapkamer lag er nog net zo bij als toen ze waren vertrokken. Iets meer aangetast door de tijd, maar verder onaangeroerd. In de hoek lag nog een schoen als uitgeschopt in een bui van razernij. De beddenlakens waar ze het laatst in hadden geslapen lagen opgebold aan het voeteinde. Hij zou haar veel te vertellen hebben. Als hij maar de moed kon samenrapen. Twintig jaar niets, en dan plots een stortvloed aan woorden die de leegte die tussen hen zou gapen moest verbergen. Misschien zouden ze geen woord kunnen uitbrengen. Misschien zou hij haar niet meer kennen, herkennen wel, maar ze kon nu net zo goed een vreemde zijn, niets meer gemeen met wie zij toen was. Waarschijnlijk had het geen zin, alles reconstrueren vanaf zijn vlucht naar New-York. Een groot succes is die vlucht nooit geworden. Het eerste jaar in New-York was zijn meest luxueuze verblijfplaats kamer 245 van de YMCA, 5 West 63th Street. Een kamer van anderhalve meter breed met een bed, een TV en een bijbel. De badkamer was gemeenschappelijk en bevond zich twintig meter verder op de gang. Het meest was er te beleven beneden bij de cola-automaat en op het dak bij de schommel. Hij was zeker niet de enige die in de YMCA zijn vaste stek gevonden had. De kamer naast hem werd bewoond door Arnold, die er zijn volledige huisraad had binnengebracht, tot een fiets toe. Als Arnold de stad introk droeg die altijd een lederen draagtas met zich, met daarop de tekst: "I was a soldier in Vietnam, and I am Goddamn proud of it". Zijn verblijf in New-York zou hem minder goed doen dan gehoopt. Dat het nog erger kon ondervond hij later, in een hotel in de buurt van Times Square. Een majestueus gebouw, met een hal en trapzaal ter grootte van een voetbalveld, dat ooit de spiegeling moet zijn geweest van de uitstraling die een wereldstad als New-York heeft. Een eindeloze variëteit aan mensen, zeker niet de meest gefortuneerde, krioelden als mieren door elkaar. De lift had het reeds lang geleden laten afweten. De gespierde trap had zich al die jaren kranig weten houden en lachte alle bezoekers met een niet aflatende trots en sterkte toe. Zonder verpinken bleef die de te vele mensen dragen, nog steeds overtuigd van de grandeur van het gebouw waar hij deel vanuit maakte. Daartussen wrong hij zich een weg naar boven. Een grote kamer hadden ze hem gegeven. Voor minstens zes personen, met niemand te delen. De lakens dateerden vermoedelijk van de tijd dat de lift nog niet gedeprimeerd door de hoogbouw van het World Trade Center een vlucht naar de wolken ambieerde. En de Hudson rivier, die leek zich via zijn bad met dat World Trade Center te willen meten. Het stinkende sopje dat daarin stond zou hem de volgende dagen verbieden zich degelijk te wassen. Aan de kost komen in 'The Big Apple' bleek ook al veraf te staan van de op een zilveren blad aangedragen 'American Dream'. Weken waren gevuld met Up- en Downtown wandelen op zoek naar werk. Als latino rij je met een taxi en als Chinees run je een Delishop, maar een godvergeten Belg blijft een godvergeten Belg. Naar Jef schreef hij daarover regelmatig gezuiverde berichten, over de bedrijvigheid van de stad die in niets te vergelijken viel met Antwerpen. Over de uitdagingen die hem te beurt vielen, de moeilijkheden en de mogelijkheden. Ontdaan van elke negatieve noot gaven zijn brieven de indruk dat het elk moment zou gaan gebeuren, dat zijn leven nu wel eindelijk een nieuwe wending zou krijgen en hij het verleden achter zich zou laten. Hij voelde zich niet alleen van haar, maar van het leven zelf verwijderd. Overgeleverd aan de goede wil van anderen was hij daar in New York. Nog meer dan een bedelaar, want die wist zich een weg te banen door de chaos. Die had zijn situatie in eigen handen en van zijn armoede een bedrijvigheid gemaakt. Iets waar iedere dag moest worden aan gewerkt. Hard gewerkt. Op diverse manieren, van het ledigen van vuilnisbakken tot het verzamelen van lege blikjes. Het was Big Business. Sommigen konden er zelfs hun creativiteit in kwijt. Zoals de 'Canman'. Op Colombus Avenue zat hij iedere dag, niet toevallig. Trouw wachtte de Canman de zakenlui op die de metro verlieten op de terugweg uit het Financial District. Met een glimlach die even wijd gaapte als de sneden die hij in de blikjes maakte, om ze te bewerken. De gekste dingen wist hij ervan te maken, zelfs een madonna met kind, die dan het geloof in Coca-Cola predikte. Vaak had de canman hem recht in de ogen gekeken met een dwingende blik. "Doe iets met je leven", moet hij hebben gedacht. "If you can make it here, you can make it anywhere".   Vanuit de slaapkamer keek hij nu door het raam, de achterbouwen die deze buurt zo lelijk maken overschouwend. Als een vlechtwerk lagen de daken van al die koterijen met elkaar verstrengeld. Het was niet anders dan toen. Met enige kwade wil kon je zo achteraan bij de buren binnenkijken. Al zou hij nu niet meer weten bij wie dat was. Velen waren wellicht verhuisd, naar een nieuw adres of naar hierboven. Uren kon hij vroeger zo naar buiten kijken, gadeslaan wat er zo allemaal gaande was in de buurt. Na enige tijd voelde hij dan haar ogen in zijn rug branden, ze vond het onbetamelijk, zijn gegluur. Veel was er vandaag niet te bekijken. Hij zette zich zachtjes neer op het bed, nam haar schoen en bleef er een tijd verstrooid naar kijken, als naar een medium dat beloofde een vorig leven opnieuw voor de geest te halen. Met die halfhoge hakken kon ze gracieus de kamer doorschrijden, alsof ze een patent had op elegantie. Bewust was het allemaal, en dat moest ook zo. Iedereen en alles bijtijds duidelijk maken dat zij de definitie was van schoonheid. En dat anderen maar beter begerig konden toekijken. Haar lichaam door haar midden van s naar z slaand. Er moest afstand worden gehouden. Alles behoorde haar toe, nooit andersom, nooit eerder dan de dag dat ze te horen kreeg in verwachting te zijn. De gewilde dictator die haar leven zou gaan beheersen was eindelijk op komst. Het gevoel niet telkens te worden gediend maar nu ook te moeten dienen was haar dierbaar. Het gevoel voor iemand noodzakelijk te zijn zou haar gewillig maken. En hij die haar dat op komst zijnde kreng had geschonken, had het haar ook weer afgenomen. Het was een nul-operatie geworden, zoals zijn hele leven trouwens. Vergelijkbaar met het monopoliespel dat hij vroeger op winteravonden met zijn broer lag te spelen voor de haard. Nu eens was hij bezitter van de Nieuwstraat in Brussel en dan weer zat hij in de gevangenis, maar op geregelde tijdstippen moest er terug naar start worden gegaan. De badkamer die net als de slaapkamer aan de achterzijde lag, was een ruïne. Vuile korsten afgebladderde verf lagen op de grond waar zij ooit met haar ranke benen tegen het wasbekken gedrukt had gestaan. Haar tanden poetsend met een haast van iemand die ook die dag weer de wereld zou veroveren, terwijl de zon goedkeurend neerviel op haar vaalwitte rug. Kijkend in de spiegel, om toe te zien of het verval nog niet was ingetreden. Of om zich verstomd af te vragen wat zij daar deed. Of het leven dan echt niet van plan was haar de voorkeursbehandeling te geven waar zij recht op had? Daar waar ze had staan pronken met haar buik. Draaiend op haar tenen, haar handen als steun. Frontaal en in profiel, kijkend hoeveel millimeter er die nacht was bijgekomen. Ze duwde hem dan vol trots en ongeduld vanuit haar heupen wat vooruit. Met zijn hand gleed hij langs het bekken dat nu ruw en gekerfd aanvoelde, op de spiegel lag een laag stof, die hem deed afzien van de gedachte te wachten tot zij plots uit het niets terug achter hem zou staan. Hij ging zelf even op zijn tenen staan, zijn buik zou nooit diezelfde gespannen verwachting uitstralen. Zijn buik zou nooit nog van iets verlost worden, hij was de drager van een leven en zou dat zijn tot het einde. Geen bol gespannen blinkend ding dat halsreikend uitkijkt naar een volgende fase, maar een opeenstapeling van lagen die de achterliggende periodes hadden geregistreerd.   Niets, niets had het hem gegeven en voor niets had hij geleefd. Al had hij dat veel eerder kunnen vermoeden, toch had hij zichzelf van het tegendeel proberen te overtuigen. Er moest wel een doel geweest zijn, maar telkens het dichterbij kwam ging het van hem lopen. Het was toen zo en het leek ook nu zo te zijn. Een traan gleed via de plooien in zijn wangen naar zijn bovenlip en gaf een zure smaak. Het huis kraakte evenveel als hij, en ze hadden beiden jarenlang leeggestaan. Wachtend op een nieuwe bewoner. Met het verbod om die binnen te laten, als die zich al zou aandienen.   Beste Rudolf,   Hier in Antwerpen schijnt de zon en dat doet ze voor iedereen. Het is me dan ook een raadsel wat jij daar miezerig loopt te wezen. Waarom jij je per se weer schuldig wilt voelen voor al het onheil dat zich in een mensenleven voordoet. Alsof je er plezier aan beleeft een leven van mislukkingen te leiden. Je vrouw was zwanger, en plots was ze dat niet meer. Big deal. Wat er precies is gebeurd weet ik niet en het gaat me ook niet aan, het interesseert me zelfs niet. Het mag nog vreselijk zijn wat er zich heeft voorgedaan, maar wat in godsnaam denk je te bereiken met aan de andere kant van de oceaan de zielepoot uit te hangen. Alsof je daarmee de situatie kunt redden, omdraaien of veranderen. Je ex heeft een nieuwe vriend, nieuw werk, een nieuw huis en dus een nieuw leven. Vermoedelijk denkt ze nog vaak aan jou en waarschijnlijk zal ze nooit vergeten wat er is gebeurd, maar dat ze nog enige wrok zou voelen tegenover jou, geloof ik niet. En wat ik zeker niet geloof is dat ze zich als een gehypnotiseerde idioot zou fixeren op die gemaakte afspraak om elkaar over twintig jaar terug te zien. Stom sentiment is dat, mijn beste vriend. Romantiek, maar geheel niet van deze wereld. Het enige wat je daarmee bereikt is aandacht, maar die gaat snel verslappen, het gaat zelfs vervelen. Het zou je veel meer sieren de gedane zaken achter je te laten en ondanks het leed dat het jouwe is geweest toch de moed te hebben om opnieuw iets van je leven te maken. Je hebt reeds een doodgeboren kind en een moeder bij de pieren, als je wilt thuiskomen op een kerkhof blijf dan nog een tijdje ginder, maar indien je de mensen die je nauw aan het hart liggen nog wil terugzien kan je dat maar beter niet doen. Behalve je zelfmedelijden neemt niemand je iets kwalijk. Vleiend zal dit briefje wel niet zijn, maar het is een welgemeende hart onder de riem en ik hoop je dan ook snel te mogen terugzien, en met een iets optimistischere blik dan waar je nu met je woorden en daden blijk van geeft.   Je beste vriend Jef.   Het was het laatste wat hij ooit van Jef had gehoord, nu ongeveer vijf jaar geleden. Zelf had hij ook nooit teruggeschreven, want er viel niet op af te dingen. Hij had volledig gelijk, zelf als hij schreef dat hij zich per se schuldig wilde voelen en daarom een leven van mislukkingen wilde leiden. Sterker dan zijn verlangen naar een onbekommerd leven was het.   Ontladen van verdere verwachtingen liep hij zo geruisloos mogelijk de trap terug af. Misschien was het nog goed zo, het huis voor een allerlaatste keer achterlaten en een punt zetten achter wat was geweest. Misschien moest hij maar voortmaken voor zijn vrouw toch nog zou komen binnenvallen. Hij schopte nog wat post van voor de deur en opende een enveloppe die nog in de bus zat. “Met droefenis melden wij u…” Ze was hem weer eens voor geweest.    

Jan
0 0
Tip

Florentina proloog

De maagdelijk witte lakens moesten strak gestreken worden. Geen enkele vouw of kreuk mocht het gladde oppervlak verstoren. Het was een opgave waar ze uren zoet mee was. In de zomermaanden als de lakens buiten droogden was het belangrijk om ze op het juiste moment binnen te halen. In de wintermaanden moest ze de zware wasmand twee trappen hoog dragen helemaal tot op zolder. Daarboven was een grote ruimte waar hij een lange waslijn gespannen had, enkel voor de lakens. Op zolder stond ook de rode zetel bekleed met stof van zacht fluweel en geborduurde bloemen. Als de kinderen kwamen logeren verhuisde de zetel naar beneden naar de kleinste kamer waar ook de twijfelaar tegen de muur stond. Voor verder meubilair was er daar geen plaats. De kamer werd enkel gebruikt om te slapen. Dat hoorde zo. De kinderen brachten leven in huis. Hun felle stemmetjes, hun gegiechel en het geluid van hun snelle voetstappen wanneer ze achter elkaar door de kamers renden verdreef de eenzaamheid en de stilte. Op die dagen kon ze genieten van de drukte in het anders zo lege huis. Hij bleef ook vaker thuis als de kinderen er waren. Het late werken in de avonduren verloor blijkbaar zijn glans in vergelijking met de huiselijke gezelligheid. Misschien had alles anders kunnen zijn als ze zelf kinderen gehad zouden hebben. Spijtig genoeg waren die er nooit gekomen. De enige kinderen die zij ooit zou kunnen verwennen waren die van haar broer en zus. Zij was de suikertante en daar zou het bij blijven. Ze verwende hen zo vaak ze er de kans toe kreeg. Ze troostte hen als ze bang werden van de creperende slakken op het tuinpad. De onhebbelijke gewoonte van haar schoonvader om de bruine naaktslakken met een lucifer te doorboren zogezegd om andere slakken af te schrikken, had enkel effect op de kinderen. De slakken bleven komen elk jaar opnieuw, de kinderen niet. De kinderen werden groter en gingen hun eigen weg. Dat is wat ze zichzelf voorhield in de koude uren wanneer ze nadacht over wat er was gebeurd. Ze had ze zelf verboden om te komen. De meisjes toch, toen ze te groot werden.

Annick G
114 0

Schrijfopleiding: geen

Op een dag ben ik gewoon beginnen schrijven. Ik kon niet anders. Het was de enige manier om los te komen van de steeds weer over elkaar heen tuimelende woorden in mijn hoofd. Woorden werden zinnen die beelden vormden en eens ik ontdekt had dat ik me van hen kon bevrijden door ze gewoon op papier te zetten, was er geen weg terug. Ik schreef woorden in notitieboekjes en op kleine blaadjes. Later werden het dagboeken die geen kat ooit te lezen kreeg. Het zou me trouwens verbaasd hebben als dit gelukt zou zijn. Ik zag nog nooit een kat met een bril. Op school moest ik op het matje komen. De juf van het zesde leerjaar wilde niet geloven dat ik mijn opstelletjes zelf schreef. Ik kreeg een 5 op 10 en besloot om wat beter mijn best te doen. Ik schreef voortaan zoals een kind van 12 hoort te schrijven. Ik wilde niet opvallen in de klas. In het hoger onderwijs kon ik mijn hartje uitleven. Hier werden mijn teksten vermomd als stageverslagen wel gewaardeerd. De leerkracht vroeg of ze enkele ervan mocht gebruiken als voorbeeld voor de nieuwe lichting leerlingen. Fier stemde ik toe. Van auteursrechten had ik nog nooit gehoord. Het leven haalde me in met het harde werken, de zorg voor kinderen en gezin en de nodige levenslessen. In verloren momenten trachtte ik te ontsnappen om de woordenstroom uit mijn hoofd te bannen. Bladzijden vol letters gevormd tot zinnen verdwenen in een kist op zolder. Ooit zal ik al die teksten moeten verbranden. Ze geven te veel geheimen prijs van mijn innerlijke zielenroerselen. Vorig jaar schonk mijn baas mij een laptop om thuis meer te kunnen werken. Ik kreeg er zo eentje die niet al te zwaar is en die je op je knieën kan leggen. Sindsdien zit ik in de zetel en ben ik hard aan het werk. Niemand die kan zien of wat ik doe ook echt werken is. Behalve dan de kat die luid spinnend op mijn schoot gebiologeerd naar het scherm kijkt. Heeft er ooit al iemand onderzocht of katten echt niet kunnen lezen?

Annick G
0 0

Fruit

Dit is de wereld. Zij is saai. Tommy staart voor zich uit. Hij zit op het kleine balkon van zijn kleine appartement op de derde verdieping van een klein gebouw in een kleine stad. Zijn voeten voeten kruislings over elkaar, rustend op de balustrade, zijn stoel gevaarlijk balancerend op de achterste poten. Naast hem staat een bakje kersen op een stoeltje met drie poten. Één van de  poten is korter dan de andere, waardoor ook het bakje onder een suboptimale hoek de zwaartekracht bevecht. Één voor één steekt Tommy de kersen in zijn mond. Hij werkt ze traag naar binnen. Een berekend en gekoesterd procédé. Het gevoel van de gladde, stevige buitenkant wanneer hij één van de vruchtjes tussen zijn lippen door naar binnen zuigt. Een voorbode van de explosie van smaak die komen zal. Hij huivert van pure anticipatie, tot hij eindelijk, tentatief het oppervlak doorboort. Wanneer de eerste druppels van het hemelse sap zijn tong en gehemelte strelen kan hij zijn gulzigheid niet langer bedwingen. Gretig ontdoet hij het kleine harde pitje van het omvattende vruchtvlees. Hierbij gebruikt hij voornamelijk zijn geoefende tong, doch hij schrikt er niet voor terug om van tijd tot tijd, hetzij heel voorzichtig, ook zijn bijters in de strijd te gooien. Wanneer hij nog slechts de naakte steen in zijn mond houdt, kan het echte werk beginnen. Met een zekere, beheerste precisie mikt hij de pitten de afgrond in. Meesterlijke spuwtechniek. Terwijl hij dit doet, verroert hij verder niet. Hij luistert aandachtig en vooral geduldig tot hij één van de vele voorbijgangers hoort schrikken of vloeken. Meestal hoort hij niets. Dit is de wereld. Zij is saai.

Dimitri
0 0

Rocket Pilou

Gisterochtend, 9.30. Ik bel aan bij een klant voor een hoop kleine prutsen - herstel van een waterlek in een afvoerpijp, vervanging van een sifon, een kookplaat en 't slot van de voordeur - business as usual wanneer een appartement weer eens van huurder verandert. Ik installeer me in de keuken, help de dame bij 't leegmaken van haar keukengemeubelte en plots komt er, uit 't niets als 't ware, een groen rammelend balletje voor m'n voeten gerold. Denkende dat er wellicht ergens een speelpoes zit verstopt - er stond immers een kattenbak in een hoek - en zonder ook maar één seconde na te denken geef ik een welgemikte trap tegen de rammelbal en schiet hem als een raket recht door de keukendeur naar de leefruimte ernaast 'ràààààààààmramramramramraram'. 'MON PILOU OH MON DIEU MON P'TI PILOU OH NON!!!' De dame krijst het uit, terwijl 't groene rolding stuiterend z'n weg voortzet. Ik word ijskoud. Net alsof al je bloed plots uit je bovenlichaam wegtrekt en samentrekt in je geslachtsdelen, je kent dat wel. Verlammend, en hoogst onaangenaam. 'Pilou?! Wat is pilou?!' vraag ik half stotterend en totaal niet begrijpend wat er zonet is gebeurd. 'MIJN HAMSTER! Mijn klein lief hamstertje!!!' antwoordt vrouwlief terwijl ze 't balletje opraapt, openvijst en er voor m'n verbaasde ogen een hamster uittovert. Een hamster verdorie! Een hàmster! In een loopballetje - zo'n ding waarmee 't diertje 't hele huis kan bezoeken zonder dat je 't risico loopt om 't kwijt te spelen of erop te trappen. En daar had ik verdorie een penalty mee genomen. Ik zonk door de grond. Hoe moest ik daar in godsnaam op reageren? 'Sorry, m'n excuses, niet met opzet, wistikveel', àlle clichés heb ik bovengehaald en in een enorme braakbal samengekauwd om de hopeloze situatie een minimum te verzachten terwijl de dame elke vierkante millimeter haar kleine 'Pilou' inspecteerde. ' 't Geeft niet hoor, 't is niet de eerste keer dat hem dit overkomt' zei ze 'maak je maar geen zorgen, 'k was enkel een beetje geschrokken...'. En ik dan... 'Pilou' stelde het inderdaad bewonderenswaardig wel, ook al was hij net tegen 220 km/u door de keuken en leefruimte geschoten. Opgelucht zette ik m'n werk voort en 't voorval uit m'n hoofd. Toen ik echter later op de dag Pilou's story aan m'n collega vertelde kon ik eindelijk losbarsten. Gegierd van 't lachen hebben we. 'Wat bezielde je eigenlijk om in dat balletje te trappen?' vroeg m'n collega. Geen idee. De inspiratie van 't moment, wellicht. Dju toch. Nog een geluk dat ik 't niet heb opgeraapt en door 't raam gegooid...

v. lammerenwerper
0 0

Egel

Het was pikdonker en muisstil. De heldere hemel stond vol schitterende sterren. Het was zo diep in de nacht dat alles sliep. Alleen de wind brak de stilte met het zacht geritsel van de bladeren. Verder bewoog er niets. Of toch…als de maan zijn stralen op de weide naast het bos wist te gooien, ritselde het struikgewas niet alleen van de wind.   Takjes werden opzijgeduwd en daar kwam ze tevoorschijn. Egel keek met haar fonkelende ogen richting maan. ‘Perfect!’ zei ze en haastte zich over de weide, tot aan de rand van het meer. Daar aangekomen streek Egel haar stekels glad, haalde een prachtige bloem tevoorschijn en schikte ze net boven haar rechteroog. Nog eens richtte ze haar blik omhoog, richting maan. ‘Ow maantje, dank je voor de schittering!’ Dan helde ze over de rand van het meer en keek hoopvol naar haar weerspiegeling. Algauw veranderde haar hoopvolle blik in wanhoop. ‘Ow Egel’, begon ze jammerend. ‘wat had je gedacht…die stekels zitten nu eenmaal vast op je rug! Lelijk ding!’ Egel nam woest een steen en gooide haar spiegelbeeld in het water stuk. Op dat moment sprong Karper uit het water hoog in de lucht. ‘Hey, ben je helemaal gek geworden, juffrouwtje!’ ‘Ai, sorry, ‘ zei Egel verward. ‘het was niet de bedoeling om…ik wilde je niet… ik had alleen…zucht…Ik wilde gewoon mijn spiegelbeeld kwijt.’ Tranen rolden over Egels wangen. ‘Hey, maatje, wat is er dan mis met je?’ ‘Ik haat mijn stekels! En elke avond als de maan zo fel schijnt, kom ik hier kijken, in de hoop dat mijn stekels misschien weg zijn…Ik ben mooi, maar wil ook zacht zijn,’ snifte Egel. Karper zwom tot bijna op het droge. ‘Luister, ik glip overal tussendoor. Dat is handig, maar ik bied niemand houvast!’ Egel zuchtte diep. ‘Bekijk jezelf!,’ riep Karper,’Om jaloers op te zijn!’ Egel bekeek haar achterste en draaide zich terug naar Karper. ‘Aan jou kan je tenminste blijven haken. Jij laat voelen dat je er bent! Dat is toch geweldig!’ Egel fleurde op en sprak zacht:‘Tja zo had ik het eigenlijk nog niet bekeken.’ Ze kroop nog eens tot aan de rand en bekeek zich in het water. ‘Tja, misschien heb je wel gelijk,’zei ze aarzelend. ‘Kijk en als je nou nog die mooie lach tevoorschijn tovert, ben je echt perfect!’, sprak Karper. Een glimlach verscheen op haar lippen, de tranen droogden op, haar ogen fonkelden weer. ‘Dank je’ zei Egel met blozende wangen,’Ik ben trouwens Egel.’ ‘Wel Egel, jouw stekels hebben mij in ieder geval al geprikkeld! Haha! Karper is de naam!’ En terwijl de rest van het bos en omstreken nog felle dromen beleefde, sloten Karper en Egel vriendschap voor het leven en kletsten ze niet over koetjes en kalfjes , maar over mieren en algjes.  

Karlijne
0 0

de piramides

Ik moet ze gezien hebben, denk ik, en ik neem de fiets, de metro en de taxi naar Giza, Al Ahram, de piramides. Ik leid af van de hotelnamen en het toenemend aantal Papyrus- en Lotus Flower-shops dat we er bijna zijn. Een man opent de deur vooraan, stapt in de taxi en zet zich op de passagierszetel. Hij en de taxi-chauffeur maken ontzettende ruzie in het Arabisch. De man richt zich tot mij in het Engels: “The pyramids are closed, you can’t go there by walk anymore, because that office is closed. You need to go to another entrance. You need a horse and a camel.” “I don’t want a horse and a camel, I just want to see the pyramids.” Er volgt een non-conversatie waarin de man zijn standaardzinnetje blijft herhalen en ik probeer te begrijpen wat er gebeurt. “I am your friend. I want to help you. I don’t want no money.” Ondertussen legt hij de taxi-chauffeur uit hoe hij moet rijden. De taxi maakt rechtsomkeer. Ik zie de piramides. We rijden er weg van. Intussen probeer ik nog steeds te begrijpen wat er aan de hand is. Het is vier uur, half vijf, bijna zonsondergang. Ik heb nog niet eerder van openings- en sluitingsuren gehoord in Caïro, maar het lijkt me goed mogelijk dat de priamides inderdaad sluiten bij zonsondergang, en waarom niet een uur eerder? Het systeem zoals in Belgische zwembaden: een half uur voor sluitingstijd mag je niet meer binnen. Het is me duidelijk dat deze man me niet naar de gebruikelijke ingang zal brengen, maar hij belooft me dat ik de piramides zal zien. Hij zegt me dat de enige manier om ze nog van dichtbij te zien, per paard of per kameel is. Ik stel me voor dat de piramide-uitbaters zo geredeneerd hebben: het duurt een uur om een wandeling te maken, en een half uur om een paard- of kamelenrit te maken. Of: het is te gevaarlijk in het donker om toeristen op eigen houtje de boel te laten verkennen, dus dan mag het enkel per paard of kameel en met een gids. Zolang ik zelf logische verklaringen voor fenomenen kan bedenken, ben ik geneigd mensen te vertrouwen. Ik denk aan iedereen die me gezegd heeft om rond vier uur naar de piramides te gaan, ze hadden er wel bij kunnen zeggen dat er sluitingsuren zijn. Ik onderhandel een prijs met de man. Ook dat had ik beter opgezocht op voorhand, bedenk ik nu. We komen aan op een armoedige plek waar veel mensen in een koets zitten, of op de rug van een paard. Ik ben alleszins niet de enige die om de tuin, of beter, om de piramides, is geleid. Ik heb een kameel onderhandeld. De taxikaper stelt zichzelf voor als Mohammed Ali, ik mijzelf als Cleopatra. Ik ben tevreden over de prijs die ik betaal, als ik alles in ogenschouw neem: een rit op een kameel van zeker een half uur, zicht op de piramides bij zonsondergang, bezichtiging van een klein dorpje en islamitische begraafplaats in Giza. En vooral: alle filmrechten en lonen voor figuranten. Het bedrag dat ik neergelegd heb, maakt dat ik mensen en dieren kan filmen die betaald zijn geweest om de betogers op het Tahrirplein neer te knuppelen. Een driejarig jongetje rijdt naast me op zijn paard. Hij slaat het dier met zijn zweep, even onbezorgd zoals een kleuter een andere kleuter kan slaan. Er is niemand die een opmerking maakt. Ik stel me diezelfde zweep voor in de handen van een volwassen man en weet niet of ik de beelden van de battle of the camel wil zien. Ik blijf met mijn kameel buiten de hekken van de piramides. Vanop een berg in de woestijn zie ik de zon ondergaan. De hemel kleurt zo rood als het bloed van het paard dat ik gisteren zag in de straten van Caïro. Vier keer had het klappen van de zweep de claxons overstemd. Ik weet mijzelf zittende te houden op de kameel. Het ritme is heel anders dan dat van een paard. Het kost me een tijdje voor ik uitvis hoe ik mijn lichaam moet bewegen om niet helemaal door elkaar geschud te worden. Mohammed Ali had me gewaarschuwd: een paard was beter geweest voor mij. Maar ik wou het ritme van de kameel voelen. Mijn broer had me verteld dat het voor en naast de piramides helemaal volgebouwd is en dat het moeilijk is een goed, ‘zuiver’ zicht te vinden. Daar heb ik geen last van. Vanuit de woestijn heb je een huizenloos zicht op het enige overgebleven wereldwonder uit het rijk van Alexander de Grote. Al zal dat niet lang duren, denk ik. Ik hobbel langs een ruwbouw. De stad slokt langzaam maar zeker de piramides op. Het is donker als ik weer op het beginpunt arriveer. Mohammed Ali staat me op te wachten, zoals beloofd. Hij zou met nog “gratis” papyrus laten zien en de secret of the lotus flower. “Follow me, my Queen.” “Sure, boxer.” Ik word een parfumwinkel binnengeleid. Ik moet eruit zien als een angstig diertje, want de mannen proberen me de hele tijd gerust te stellen. Als ik de verkoopster vertel dat ik ook lotusparfum in België kan kopen, doet ze verder geen moeite. Of ze me nog mag uitleggen hoe papyrus gemaakt wordt? Ze toont me, in de winkel ernaast, hoe de stengels van hun groene buitenkant ontdaan worden en hoe van het witte pulp papier gemaakt wordt. Ik stel voor hoe Silicon Valley over 5000 jaar wemelt van de arme, blanke Amerikanen die aan rijke Afrikanen the secret of the microchip uitleggen. Ik ben benieuwd of zij ook het productieproces voor de revolutionaire informatiedrager zullen kunnen uitleggen in drie stappen. En of ze daarna ook zullen proberen om je voor 60 USD een chip aan te smeren met jouw persoonsgegevens op, in oud digitaal schrift. Het is pikdonker buiten, ik weet niet waar ik ben, alle mensen op de zandweg zijn kamelendrijvers of familie van. Mohammed Ali vraagt om fooi voor de gids. Ik geef hem wat geld. “No, you can’t do this! So few money for your guide!” Ik zeg dat ze het maar onderling moeten regelen, de prijs is van het begin duidelijk gesteld en ik heb een stuk of tien keer gezegd dat ik niets extra zou betalen. De boxer brengt me naar de taxi. Het is dezelfde die me gebracht heeft. De chauffeur zit een beetje verder bij een kampvuur met thee. Mogelijk heeft hij wat handelsdeals gesloten. Hij heeft zijn meter niet laten opstaan. Ik stap in de taxi, laat het ritme van de kameel los. Een man komt nog roepen door het open raampje: “How much did you pay for the camel?” “I don’t wanna talk about money anymore.” De man excuseert zich en is meteen weg. Ik laat het ritme van de kameel los en leun lui achterover.

Leen De Graeve
0 0

66 kilo later en wat nu ???

  Als de dag van toen herinner ik me nog de dag 8 december 2011. Tijdens een bezoekje aan de arbeidsgeneesheer werd ik genadeloos hard op de feiten gedrukt. Toen men tijdens een beeldschermonderzoek begon over mijn overgewicht, voelde ik de grond onder mijn voeten wegzakken. Emotioneel werd ik overmand door een dreiging tot eindeloos huilen. Ging het werkelijk zo slecht met mij? Was ik dan zo ongezond bezig? Loerde het kerkhof of de operatiezaal om de hoek. Voor de eerste keer in mijn leven werd ik voor voldongen feiten gesteld. Er moest iets aan gebeuren of mijn leven zou een rampzalige wending aannemen. The day after ging ik voor het eerst sinds een eeuwigheid de confrontatie met de weegschaal aan. Om het beeld even te schetsen: Ik had me afgezonderd achter gesloten deuren in mijn slaapkamer. Wat ik toen zag … vergeet ik ik nooit van mijn leven meer. Het leek wel een KO van formaat in de eerste vijf seconden van een allesbeslissende kampioenenwedstrijd. Ik ging op de rand van mijn bed zitten en voelde de eerste tranen vloeien. De uitdaging, die me te wachten stond, had quasi onmogelijk proporties aangenomen. Je moet weten: aan een afvalrace beginnen in de december- of januarimaand is geen lachertje. Mijn vader ging in deze periode op pensioen. De kerst- en nieuwjaarsperiode brak aan. Om nog maar te zwijgen van mijn jaarlijks terugkerend verjaardagsweekend. Kortom: een bezoekje aan de diëtiste brengen in deze periode leek me geen opportuniteit. Het doembeeld van droog brood en water loerde immers om de hoek. Op dat moment heb ik het besluit genomen om ‘tijdelijk’ het heft in eigen handen genomen. Wanneer ik iets aan mijn leven wou veranderen, werd het mijn verantwoordelijkheid en niemand anders. Maar ik had een grote angst voor mogelijke valkuilen. Daarom besloot ik om niemand mijn begingewicht te vertellen en wat mijn streefdoel zou Ik wou de touwtjes in eigen handen nemen en geen onnodige stress van buitenaf te kennen door al dan niet slecht bedoelde motivatietechnieken van ‘Komaan Bart, nog 5 kilo’. En toen … startte het belangrijkste project van mijn leven.  Leren bewegen vanaf 0, op mijn eten letten …. En de eerste dagen leverde het al onmiddellijk succes op. Een wandeling in Antwerpen Stad zorgde er voor dat de teller op -3 kilo stond. Woehoe, het leek wel van een leien dakje te gaan. Niets was echter minder waar. Ook bewegen op oma’s hometrainer kwam op het programma te staan. En geloof me vrij … Het was geen zicht. Voor diegenen, die me niet kennen … Ik ben een kerel van 1m87. Mijn oma haalde met moeite een lengte van 1m65. De fiets was één van de eerste modellen ooit op de markt. En dat zag je eraan. Het leek wel een stalen ros waar naar mijn gevoel zelfs de dinosauriërs nog hun dagelijkse portie ochtendgymnastiek op deden. Helemaal niet meer anno 2013.  Een nieuw stalen ros werd aangeschaft. En toen begon een periode van keihard werken. De eerste twee maanden werden een succes van formaat. De weegschaal toonde al heel snel -13 kilo aan. Ik was fier dat mijn alom gekende koppigheid en eigenzinnigheid resultaten opleverde. En what doesn’t kill you, makes you stronger. Ik heb toen de beslissing genomen om die eigenzinnigheid en koppigheid nog verder toe te passen in de race naar een nieuw leven. En daar heb ik tot op de dag van vandaag geen seconde spijt van. Begrijp me niet verkeerd.  Ik heb heel aandachtig geluisterd naar het advies van mensen, die het ontzettend goed met mij bedoeld hebben. Hun goede raad en adviezen heb ik omgezet naar mijn persoonlijkheid.  En toch … Een afvalrace zoals de mijne – cfr Ik weeg nu 66,2 kilo lichter – is een emotionele rollercoaster van formaat. Niet alleen je lichaam wordt scherper maar ook je geest wint aan scherpte. Gek toch wat bepaalde voedingsmiddelen met een mens doen kunnen. Afkicken van een suikerverslaving, een nachtmerrie van formaat. En toch … Het zwaarste van een afvalrace is hoe de perceptie van jezelf in de maatschappij een gigantische verandering kent. Bij de VOX POPULI staat afvallen en diëten vaak synoniem met meer bewegen en minder eten. Maar helaas zelden met op een verstandige manier anders gaan leven. Om het even te kaderen schets ik maar al te graag mijn situatie hoe het nog geen 2 jaar geleden was. Weet je … Ik was een Morbide Obesitas-patiënt met een duizelingwekkend BMI.  Nu anno 2013 is dat BMI 18 punten gezakt, mijn broeksmaat bijna 14 maten en mijn hemdsmaat gedeeld door 6.  Deze cijfers bereik je niet wanneer je niet op een verstandige manier aan de basis werkt. Ik heb het roer op een dusdanige manier omgedraaid dat mijn leven er helemaal anders is gaan uitzien. Het EMO-eten zwaar onder controle leren houden en rationaliteit in mijn dagdagelijks levenspatroon beginnen te verwerken. Geloof me vrij … een dergelijk resultaat is niet mogelijk wanneer je niet uit je comfortzone durft te stappen. En dat heb ik gedaan. Nu bijna twee jaar later geef ik toe dat alle puzzelstukken uit mijn leven als een boomerang naar mij zijn terug gekeerd. Wat liep er fout? Hoe was het beeld van de maatschappij naar mij? Want een leven als een Morbide Obesitas-patiënt zorgt voor een impact in je dagdagelijks leven. Ik herinner me nog altijd het moment dat er mensen uit de lift zijn gestapt omdat ze met ‘deze gezellige dikkerd’ geen twee verdiepingen hoger wilden gaan. Alleen door te vechten als een leeuw ben ik uit een put geklauterd.  Stuk voor stuk heb ik mijn ‘oud en nieuw’ leven als een puzzel in elkaar zien vloeien. Het werd een cursus zelfreflectie zoals geen enkele professor emeritus aan de universiteit mij zou kunnen geven. Ja, ik heb aan mijn werkpunten sterker dan wie ook gewerkt. En ook al heb ik waanzinnig hard gewerkt en heb ik fysisch de allures van een knotwilg aangenomen. Hoge bomen vangen veel wind. Niet alle reacties zijn even positief. Niet iedereen kan zich inbeelden welk traject ik de voorbije maanden op eigen houtje heb afgelegd. Jaloezie, haantjes- of kippetjesgedrag. Ik heb het allemaal mee gemaakt en maak het nog dagdagelijks mee. Een verandering in iemands leven beroert de gemoederen zichtbaar. Over de eerste indruk zijn er letters geschreven in de wetenschap. Alleen staat er geen letter genoteerd over de achtste en de negende indruk. En die beleef ik momenteel. En hoe mensen reageren hangt van 1000 en 1 factoren af. Het verschil tussen mannen en vrouwen is heel snel duidelijk.  Een vrouw hanteert veel sneller het ‘vinde-gij-mijn-gat-niet te dik-in deze rok’-effect als het over haar gewicht gaat dan een man. En dit terwijl een man fier is op zijn buikje als puur statussymbool. In een landelijker gebied ben ik een grotere circusattractie dan in een stedelijk gebied. En zo kan ik wellicht nog uren doorgaan hoe de mensheid in elkaar steekt. Maar nu ik 66,2 kilo lichter door het leven stap, duikt het beeld vaker en vaker op welke wending mijn leven nu zal kennen. Ik heb me voorgenomen om deze afvalrace geen fetish te laten worden en me niet te laten verleiden tot ziekelijke neigingen. Nog eens 66 kilo lichter worden, …. Nou het zou geen zicht zijn. Voor u niet en voor mij zeker niet. Ik zou een dorpsgenoot worden van Plop, Lui en Klus. En daarvoor  leef ik nog veel te graag bij u allen.  66 kilo’s lichter en wat nu … Ik ga stil blijven staan bij de zaken die ik heb geleerd. En die wil ik maar al te graag nog meer in praktijk omzetten. Het belangrijkste doel is dat de huidige Bart ook de nieuwe Bart is en blijft.  Ik heb de voorbije maanden regelmatig mijn comfortzone verlaten. Kortom: Enkele zotte keuzes gemaakt door een keertje naar het EK Hockey of naar het WK Turnen te gaan. Een hele nieuwe wereld ging voor mij open. And I enjoyed it. Ik geniet er van om op mijn racefiets als een flandrien met mijn snufferd tegen de wind in te beuken. Weet je … Koersen is des levens, ook al heb je de voorbije maanden alle klassiekers ‘in je echte leven’ na elkaar gereden. Een confrontatie met jezelf aangaan is zeer leerrijk. Een wijze vrouw omschreef mijn traject ooit als de geboorte van een nieuwe man/mens. En momenteel knik ik achter mijn klavier maar al te graag instemmend. Hello World, this is me  

bartliekens
0 0

Brood

Back to Basics: brood. Europa is de beschaving van het brood. Andere culturen aten een platte koek van een ongedesemde brij en eten vandaag nog steeds nakomelingen van dit neolithische gebak: bv. tortilla (Mexico), naan (India), pitta (Midden-Oosten), injera (Ethiopië). Gedesemd brood daarentegen is iets van het Westen, net zoals Europa en Amerika vandaag nog steeds de graanschuren van de wereld zijn.  De Egyptenaren ontdekten de zuurdesem vijfduizend jaar geleden, Grieken namen het over in de vijfde eeuw voor christus, de Romeinen in de tweede eeuw, en de Germanen in de vierde eeuw. De Egyptenaren kenden reeds twintig soorten broden, maar het echte avontuur begon met de Grieken: naast alle denkbare vormen gaven zij het smaak door toevoeging van honing, vijgen, steenklaver, mirre, wijn, lijnzaad, wilde peren, braambessen, kweeperen, room, anijs, enzovoort. De verfijnde geest van de Grieken was de gist van hun brood.  De kloosters verspreidden en verbeterden de kennis van het bakken in Europa. De bakkerij van het klooster Sankt-Gallen bijvoorbeeld had een bakoven met een capaciteit van duizend broden. De abdij van Saint-Germain-des-Prés bij Parijs had 59 graanmolens. De fijnste broodwaren in de meest gerafinneerde vormen vond je o.a. aan het pauselijk hof. Bij een feestmaal ter ere van Clemens V (1305-1314) werden als hoogtepunt twee bomen uit brood op tafel gezet: behangen met vijgen, appels, peren, en perziken.  Brood was en is nog steeds het dagdagelijkse hoofdbestanddeel van onze voeding. Vandaar dat brood steeds verbonden was met allerlei gebruiken en (bij)geloof. In katholieke streken werd vroeger geen brood aangesneden zonder een kruisteken te maken. Dikwijls werden kruisen in het brood ingebakken. Heel Europa raapte gevallen brood op en kuste het. (Erasmus van Rotterdam vermelde dit in zijn opstel over tafelmanieren) Evenzeer wijdverspreid was het koningsbrood (Driekoningen) en versierde feestbroden voor zowel religieuze als andere gelegenheden.  Zijn hoogste wijding kreeg brood door het Laatste Avondmaal en zijn hoogste verbeelding door de broodvermenigvuldiging. De meeste menselijkheid zit in Jezus’ gebed “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Een zin die enkel aan belang kan winnen in sommige regio’s waar zowel aarde als samenleving de groeiende overbevolking niet aan kan. Een zin die doorheen heel de geschiedenis geldt, want de geschiedenis van de gewone mens is ook die van de honger.  Het moderne Westen kent geen honger meer maar ook geen brood. Bakkers zijn nog steeds hardwerkende mensen maar geen bakkers. Quasi allen kopen industriële deeg en bakken die gewoon af. Vandaar dat brood veelal hetzelfde uitziet en smaakt. De eerste en laatste keer dat bakkers bloem, gist, water en zout hebben gemengd was tijdens hun opleiding. Brood is niet banaal. Brood is een bron. Versier het met kleurige kruisen van suiker en verdeel het onder armen en ongelovigen. Brood is een gebed. Verberg het brood en de mens gaat op zoek naar zijn ziel. "Wat de mens nodig heeft voor het leven hier op aarde, is samengevat in het woord brood" (catechismus van Weissenburg, 8e eeuw) 

Miauwman
0 0

De Wolf

De wolf is een symbool voor de christelijke man. Het beeld van de wolf verschilt al naar gelang de levensbehoefte van de mens. Voor jagers- en natuurvolkeren, bleef hij een toonbeeld van het goede, een deel van de natuur, een leraar en een oervader. Voor Bijbelse herdersvolkeren en middeleeuwse boeren werd hij een bedreiging (voor het vee), de booswicht van sagen en mythen (Roodkapje, Isegrim, weerwolf). Voor de ene belichaming van God, voor andere van de duivel (Ez 22:27, Mt 7:15, Lk 10:3).  In Oud-Germaanse mythologie, de Edda, is de wolf een veredeld wezen. Oppergod Odin (of Wodan) werd soms met wolfskop afgebeeld, en trad steeds op in gezelschap van twee wolven, zijn boodschappers Gere en Freke. Zowel bij Germanen als andere antieke volkeren betekende de (doods)strijd met een wolf een eervolle onderscheiding. Oude Germanen kenden geheime mannengenootschappen die zich verborgen in wolvenvachten lieten vereren als wolvengoden. Lidmaatschap belichaamde dapperheid en kracht. Om in het genootschap van wolvengoden te worden opgenomen moest men ingewanden eten en een jaar verborgen leven in de bergen. Oude Grieken zagen de wolf als beschermer van mensen en heiligdommen, Afrodite was steeds in het gezelschap van een wolf. Rome is volgens de legende gesticht door de vondelingen Romelus en Remus, beiden gezoogd door een wolvin. Wereldwijd bestaan er verhalen over wolven die verweesde of verloren kinderen opvoeden.    Mens en wolf lijken op elkaar, en man en wolf nog meer. Beiden hebben een gelijkaardig sociaal verband want ze zwierven reeds sinds het begin der tijden in families door het land. De wolf is noch solitair, noch kuddedier, maar haalt zijn kracht uit de familie (roedel). De band met de ouders blijft vele jaren, soms wel een leven lang. Het wolvenkoppel is monogaam, misschien meer dan de mens, sommige wolven blijven zelfs alleen na de dood van hun partner. De vader is sterk betrokken bij zijn kroost. Er is zelfs een reu waargenomen die na de dood van de moeder probeerde de welpen te zogen. Oudere dieren fungeren als grootouders die welpen mee opvoeden en wassen.  Het nachtelijk gehuil van de wolf is niet akelig maar de zuivere emotie van een dier dat naar zijn partner en soortgenoten zoekt. Ze zijn op zoek naar een reisgezel, een gelijkgezinde, of een wijfje om een band voor het leven aan te gaan. Het gehuil is een beeld voor de mens die vanuit zijn diepste wezen verlangt naar contact met anderen, en met zijn God.  Ik ken twee mensen met een tattoo van een wolf. Een jezuïet die op zijn schouder een tekening met een wolf en een ketel had laten plaatsen omdat Ignatius’ achternaam Loyola is samengesteld uit twee Baskische woorden met die betekenis. De tweede persoon is mijn vrouw. Uiteraard schaamt ze zich over die jeugdzonde maar ik heb haar verboden om het te laten wegwerken. Het is een teken dat ze met een christelijke man getrouwd is.     'Kom naar me toe, Broeder wolf, ik zal je geen kwaad doen' (Heilige Franciscus).  

Miauwman
171 0

Het Varken

Het varken is voedsel voor Europeanen, voor krijgers en denkers.   Wilde zwijnen zijn een Europese diersoort en verschijnen reeds in de symboliek van de eerste Europese culturen. De oude Grieken kenden het zwijn van Kalidon, een wit zwijn van goddelijke oorsprong verslagen door Meleager, en het zwijn van Erymanthos dat Herakles ving tijdens zijn twaalf werken. Varkens werden geofferd aan Demeter de Griekse godin van de oogst.   Voor Kelten en de Galliërs was het zwijn een militair embleem voor de ontembare vrijheid van hun stammen. Vandaar hun aanwezigheid op allerlei standaarden, geld, voorwerpen, een insigne overgenomen door Romeinen zoals op de arc de triomphe in het Franse Orange. Het was een beeld voor woede, onafhankelijkheid, en brutale onverschrokkenheid. De druiden zagen het als zinnebeeld voor de kracht en superioriteit van de geest of het spirituele. Zover ging deze identificatie dat de chefs van de druiden zich de “grote witte zwijnen” noemden. In de Franse Ardennen vond men een beeld van een vrouwelijke God die reed op een ever, net als de Noorse Godin Freya.   Dit beeld bleef voortleven in Europese heraldiek als symbool van vechtlust, het hoofd als teken van gastvrijheid (versiering op tafel tijdens middeleeuwse feesten, soms helemaal groen gekleurd). Een zilveren ever was het symbool van Richard III, een stekelvarken van Lodewijk I van Orléans. Tot op vandaag: de ever op de groene baret van het Belgische infanterie-regiment “Chasseurs Ardennais”.   Het christendom schafte het (in oorsprong faraonische) verbod op varkens van het OT af. Maar het taboe maakte sowieso geen kans tegen de kracht van het beest. Van alle dieren is een varken het meeste eetbaar en te gebruiken in allerlei bereidingen: o.a. ham, worst, spek, bloedworst, kop (hoofdkaas), stoverij, zoete lies. Alleen al van worsten moeten er meer dan duizend soorten zijn, van Bratwurst tot mortadella, van chorizo tot kulen. Varkens betekenden voedsel en welvaart, maar ook hygiëne (aten afval op) en bemesting (wroeten grond om).   Kijk naar de heilige Antonius (251-356) met zijn varken. Niet omdat Antonius zelf een beetje leefde als een varken, namelijk in een hol in de grond op een dieet van wortels. Wel omdat het vlees van de varkens die zijn volgelingen kweekten, werd uitgedeeld aan de armen. Kijk ook bij Albrecht Dürer (1471 -1528) naar de leeuw en het varken die os en ezel vervangen bij de kribbe.   Een knapperd is de Oxford Sandy: een rosse flapoor met felle zwarte vlekken. Tot de lekkerste behoren zeker de Vlaamse varkenrassen. Er leven er even veel als er vlamingen zijn (zes miljoen), meer dan de helft in West-Vlaanderen zodat sommigen grappen dat daar meer varkens wonen dan mensen. Godzijdank.   Het christendom bevrijdde het varken, het varken voedde het christendom. Indien Jezus had gepredikt aan de Rijn of de Schelde vermenigvuldigde hij broden en worsten i.p.v. vissen. Een dier dat zoveel geeft zou opnieuw meer zichtbaar moeten zijn, zowel in de velden als in iconografie. Op zijn minst moet er een nieuwe piratenvlag komen, één met een groot gemeen zwart exemplaar op.

Miauwman
48 0