Lezen

Koffie voor ingewijden

Op vakantie in Zuid-Californië stap ik een plaatselijke koffieshop binnen voor een hartversterkertje. Terwijl ik de wegenkaart probeer te doorgronden, vang ik met een half oor de bestellingen op die andere gasten doorgeven: “Voor mij een dubbelgrote hazelnootdecaf met een scheut vetvrije mokkamelk”, zegt een dertigjarige vrouw met hoogblond haar en een designer brilletje op het puntje van de neus. De ober noteert zonder verpinken en geeft de bestelling even onverstoord aan de bar door. Naast mij zit een veertiger met perfect getrimde baard en keurig gekleed in gestreken shorts en een gesteven sporthemd (wie dacht dat Amerikanen alleen maar nonchalant zijn?). Hij wil een ‘venti’ caramelkoffie met ‘macchiato’ melk en een toefje slagroom. Twee piepjonge tieners met stekeltjeshaar bestellen aan de bar elk een ‘Frappuccino’.   Met tuitende oortjes grijp ik naar de menukaart. Ben ik nog wel op aarde en goed en wel in de States, waar ze doorgaans alleen maar een grote pruttelende kan op een kookplaat hebben staan en dat gekookt afwaswater voor koffie laten doorgaan? Waar hebben die mensen het over?   Een oudere dame, die net voor mij binnenkwam en nu puffend haar talloze winkeltasjes naast zich schikt, brengt me terug naar de werkelijkheid. Op het obligate ‘Can I help you?’ van de ober antwoord ze verzuchtend “Ik hoef alleen een kop koffie. Geef maar de huismengeling.” “Mélange van de dag of de gewone?” wil de ober weten. “En wat zijn die?” “Dagmélange is Colombia met Mexico, de gewone is Sumatra.” “De gewone dan maar.”  “Groot en gefilterd of espresso?” gaat de ober stoïcijns door. Ik ben blij dat nu ook de dame verwonderd opkijkt. Is die koffiepuzzel nog niet opgelost…? “Wilt u een grote?” vraagt de ober kalmpjes opnieuw en wijst naar een stapel papieren bekers, en vervolgt dan even rustig “gefilterd? (terwijl hij naar een grote koffiezetmachine wijst) of espresso?” (zijn vinger gaat nu verder de toonbank op, richting blits espresso-apparaat). “Espresso graag”. “Venti, gewoon of ristretto?” De ogen van de dame worden grote vraagtekens met hulproepende uitroeptekens boven en onder. En haar geduld raakt op. “Doe maar wat!!” roept ze net iets te luid, terwijl haar beide handpalmen luid op het aluminium tafeltje neerkomen.   Mij breekt het zweet intussen ook uit. Ik worstel nog met de hazelnoten, frambozen of amarettosmaak die mijn kopje straks dreigen te teisteren. En dan wil die ober zo meteen vast weten of dat soms een triple half-decaf moet zijn en of er al dan niet suikervrije, niet opgeschuimde afgeroomde melk bij moet. De jongeman met blocnootje in de hand en de nooit aflatende glimlach nadert mijn zitje. Laat ik me kennen of waag ik een gok?   … Ik laat me kennen.

Quickfox
0 0

De eerste keer

Zijn blad glanzend en scherp, de steel gaaf en glad. Mijn nog onervaren handen strelen dit schitterend instrument, als om het moed in te spreken: zet je schrap, hier komt het, de eerste steek in rasechte polderklei. Zoals ik het mijn grootoom altijd heb zien doen, zet ik beide voeten stevig en een beetje uit elkaar op de zompige grond. Met al mijn kracht hei ik mijn gloednieuwe spade in de zware klei. Twee vingers diep zakt het blad, en niet verder. Ik wrik hem er weer uit en steek de spade opnieuw stevig in de kier die ik net heb gemaakt. Met mijn voet op het blad en mijn hele gewicht ga ik nu zowat op de spade staan. Dieper zakt het blinkende blad in de donkere aarde. Wanneer ik de spade nu omhoog krik, bid ik stilletjes dat de steel niet zal afbreken. Maar hij is van goeden huizen, mijn spa. Een hele kluit komt los. Die keer ik om en herbegin. ‘In het zweet uws aanschijns zult gij werken’. Zoveel is duidelijk, een moestuin zet je niet klaar in een handomdraai en een groentenbed moet nu eenmaal bewerkt worden voor je er het kostbare zaad in kwijt kunt.  Na ettelijke omgekeerde aardkluiten, spa in de grond, met beide armen geleund op het handvat én met het zweet op de rug, overschouw ik mijn eerste kleine moestuin. Ik wil de blaren die op mijn handen beginnen te kniezen niet voelen. Eén met de aarde en haar groeikracht, dat is waar het om gaat. Maar niet getalmd. Er moet nog gevoed worden met compost. En dan die dikke kluiten klein krijgen. Want zaaien op een veldje vol blokken gaat ook niet. Met mijn intussen al geroutineerde spade hak ik de kleibrokken nog eens door en dan eggen en harken. Tot de zwarte aarde murw en ontvankelijk is, klaar voor de sla en de erwtjes, de peterselie en ajuintjes, een beetje kool en tomaten… Terwijl de avondzon achter wat wolken verdwijnt,  hurk ik uiteindelijk neer en kijk voldaan naar dat veelbelovend stukje grond.  Mijn spade staat trouw naast me. Het blad vol knoesten klei, de steel al even zwart als mijn handen. Weer aai ik hem even en voel onze verbondenheid. Samen kunnen we die koppige grond wel aan. Samen zorgen we voor een mooie oogst.

Quickfox
0 0

Een doordeweekse donderdag

(alsof een donderdag ooit in het weekend zou kunnen vallen, ha) Donderdagavond, 21u37, Brussel. Licht gehaast wandel ik door de betonnen bouwwerf die ooit weer station Schuman moet worden. Een vieze gang door, een vuile trap af. Er hangt een groezelig sfeertje, ik kan niet ontdekken waarom. Nog niet. Ik moet superdringend naar de wc. Is hier een wc? Ik mag het hopen, verdomme. Er zit een liter bier in mijn lijf en die moet er nu uit. Die kan niet wachten tot ik eindelijk het juiste metrospoor heb gevonden, de juiste metro komt aanrijden, ik aan de juiste halte weer afstap en dan het volledige driestappenplan herhaal om met de trein naar mijn eigen stad te sporen. Ik moet nú. "Il y à une toilette ici?" Gelukkig luistert de man achter het loket wel in het Frans - een eerdere poging in onze andere landstaal leverde niets op. "Oui, je viens de la nettoyer." Hij gaat me voor in een nog smoezeliger stukje gang en duwt de afgebladderde toiletdeur open. Het is er inderdaad net gepoetst. Ahum. De vloer is drijfnat, de wc-bril ook, het papier ernaast eveneens. Ondanks de ontegensprekelijke opdringerigheid van de liter bier kan ik het niet nalaten de vieze bruine spatten op te merken. Maar ik heb geen keuze. Ongelofelijk opgelucht sla ik enkele ogenblikken later weer een hoekje om. Althans, dat is de bedoeling. Voor ik over de knielende figuur in overall, machinegeweer in afvuurpositie, kan struikelen, deins ik achteruit. En nog eens. What the f...! Ik ben vanavond al eens gevlucht. Wellicht van een minder levensbedreigende situatie, maar toch. Een tent tot aan de nok gevuld met lallende lederhosen plus deinende dirndlborsten, honderden armen die honderden liters bier de lucht in heffen en hijsen onder een luid schallend prosit, Duitse schlagers die uit de boxen knallen, en een buik die barst van de zuurkool, een half zwijntje en een soort van knödelbol/cement, zo ongevaarlijk is dat nu ook weer niet. Juist ja, ik was aanwezig, tegen wil en dank, op een Oktoberfest waar alle mogelijke clichés over onze liebes buren bevestigd werden. Na mijn eerste pintje - en ik kan het niet genoeg herhalen: de norm was 1 liter en daar werd naar Duitse grundlichkeit niet van afgeweken - nam ik de benen, alvorens een of andere lederhoos mij een tweede kroes kon verkopen. Zonder het preventieve wc-bezoek, o wee. En daardoor dus nu hier. De sluipschutter grinnikt eens. Ik lach niet. Ik sta aan de grond genageld. Hij zit nog steeds gehurkt, in een vuil en stinkend pak. Dan zie ik ook zijn glimmende haren, vol brillantine. Of wacht eens, dat is geen brillantine, dat is bier. Waarschijnlijk komt het door de zuurkooloprispingen dat ik de stank nu pas gewaarword. Look en al. Eindelijk klopt mijn hart weer aan een normaal ritme. Het dringt door. Het machinegeweer is nep. De man is een student. Een eerstejaars. Een groentje dat zich laat dopen. Ik begin bijna hardop te lachen. Niet omdat ik dat gedoop zo grappig vind, wel omdat ik hartstikke geschrokken was. En me geen houding weet geven. Moehaha, lachen zeg. In de metro word ik omringd door dopelingen. Alsof het allemaal normaal is, staan ze daar met zijn vijven, allen een stuk rauw vlees in de bek. Ja, met een stuk rauw vlees in hun mond. Ik ben gedegouteerd en geïntrigeerd tegelijk. Wat is dat toch in hemelsnaam? De andere reizigers zijn vooral versteend van onbegrip. Ik wil, ik moet weten wat het is. "C'est quoi dans ta bouche?" Vanavond gebeurt het in het Duits en in het Frans. Het blijkt ossentong te zijn. Hele grote ossentong. Voor elk een. Ik vraag mij af wat het nut is van de opdracht. Niet dat ik het nut van gel van bier en een parfum van look al heb ingezien, maar wie weet, misschien zijn er voordelen aan rauwe-ossentong-tussen-je-tanden-klemmen die mij al een dikke dertig jaar zijn verzwegen. Even twijfel ik om er verder op in te gaan, de conversatie aan te knopen. Maar nog voor ik aan mijn nieuwsgierigheid kan toegeven, moet ik het alweer op een lopen zetten. Een van de overmoedige jonkies heeft het in zijn hoofd gehaald dat hij mij moet kussen om zich te verontschuldigen voor de overlast. "Noooooooon!" Ik ren door de gangen van het station, spring de openstaande wagon van de eerste de beste trein in. Slechts een klein beetje nahijgend - lady Bulinski beschikt namelijk over een tamelijk uitstekende conditie, of wat had u gedacht - plof ik neer op het bruine leer van het coupébankje. Wat een avond, wat een avonturen! Overenthousiast kom ik thuis. "Moet je nu eens iets weten!""Vertel", murmelt mijn mister Rolexico vanuit de zetel. Ik wrijf in mijn handjes, bedenk snel hoe ik het nog spannender kan maken. De aandachtsspanne is helaas voorbij, een Twitterschermpje licht op. Een doordeweekse donderdag.

Lady Bulinski
0 0

Proloog van mijn roman 'Het witte boek'

Proloog Je moet een verhaal hebben. Tragisch, komisch, satirisch, bombastisch, potsierlijk. Allemaal goed, als je maar een verhaal hebt. Een stok waarlangs de rank van je leven opwaarts kan schieten, regelrecht naar het licht toe. Zonder verhaal ben je verloren, groeit het leven met jou alle kanten uit en voelen anderen zich geroepen om te doen wat jij naliet. Met hun vlijmscherpe logica's en verhalen zetten ze het mes in je en snoeien je helemaal kaal, totdat je op het eind niet eens meer beschutting vindt in jezelf. Achterblijven zul je als een open boek waarin vreemde plakkerige handen ongegeneerd hun meningen en overtuigingen lozen. Je pagina's zullen gevuld raken met de kitscherige krullen en tierelantijntjes van anderen, stuk voor stuk grote kunstenaars die je zullen peilen en keuren, terwijl ze in stilte denken: niet slecht, maar misschien moest ik het elders nog eens proberen. Je leven niet meer dan een kladje voor andermans briljante work in progress. Ik was een man zonder verhaal. Sinds mijn aankomst in Chicago echter, nu ongeveer een maand geleden, zijn de dingen aan het veranderen. En mogelijk bespeuren deze mensen hier, met wie ik samen op deze faculteitsreceptie sta te klinken op het begin van het nieuwe academiejaar, in mij wel de eerste contouren van een eigen verhaal. Een dertigtal jonge onderzoekers en professoren zijn het die zich hebben verzameld in de woonkamer van het stijlvol ingerichte appartement van de decaan en zijn vrouw. Hoge, met liefde gevulde boekenkasten tooien de muren, terwijl de immense ramen op het zestiende ons het gevoel geven dat de golfjes van het helderblauwe Lake Michigan onder onze voeten door rollen en dat we zo in een van de yachten kunnen springen die wat verder staan te dobberen in het afgeschermde Belmont haventje, geflankeerd door de bomen van Lincoln Park. Terwijl we wegzakken in het hoogpolige tapijt als in halfhard zand, doppen we een wortel- of komkommerstaafje in wat cocktailsaus en nippen van onze champagne. We wijzen elkaar boeken aan die we zeker eens moeten lezen en kijken bedachtzaam naar het vliegtuig dat in de verte de afdaling naar de stad begint in te zetten, dankbaar om het feit dat de rit van de vlieghaven naar het leefbaardere gedeelte van Chicago ons op een hete augustusdag als deze bespaard blijft. Niet alleen is het geen pretje om in dit weer door de achterbuurten van Chicago te denderen in de aftandse treinstellen van de 'L', ik ben lang niet de enige die weet hoe het aanvoelt om moederziel alleen te arriveren in een vreemd continent en verwelkomd te worden door al die lastige vragen waar de wriemelende maar uiterst gerichte mensenmassa van een intercontinentale luchthaven je onvermijdelijk mee confronteert: wie ben je? Wat kom je hier doen? En bij wie hoor je? Kortom, wat is je verhaal? Toen, nog geen maand geleden, had ik nauwelijks een idee. Wie was ik? Ik kon hoogstens wat feiten opsommen die anderen je net zo goed van de hand hadden kunnen doen. Anthony. Geduldige, rustige jongeman. Onopvallend. Geen kuren. Leergierig. Vlotte student destijds. Intelligent en tegelijk bedeesd genoeg om zijn leerkrachten niet voor het hoofd te stoten. Zelfstandig en onafhankelijk, doch niet asociaal of psychopathisch. IJverig, zonder een slijmbal te zijn. Brede interesse met een lichte, maar ongevaarlijke tempering van de muzikale en artistieke vermogens. Studies filosofie met brio voltooid. Doctoraat in de filosofie. Postdoctoraat. Zopas aangeworven als Visiting Professor aan een universiteit in Chicago om gedurende één jaar naar eigen inzicht te doceren en te schrijven rond The Beatles and Philosophy. Had één broer, Gilles, een tweelingbroer, eeneiig — gestorven. Burgerlijke status: ongehuwd.  Ik ben een maand voor de start van het academiejaar gearriveerd, zodat ik de tijd zou hebben om een geschikt appartement te vinden. Dat werd uiteindelijk een gedeelde flat in het noorden van de stad, tussen Lakeville en Andersonville, niet ver van het beroemde baseballstadium Wrigley Field en de immense dodenstad Graceland Cemetery. Dat laatste begint stilaan een thema te worden in mijn leven, kerkhoven. Bij al mijn studieverblijven in het buitenland de laatste jaren blijk ik telkens te zijn gehuisvest in de buurt van gigantische begraafplaatsen. In Boedapest was dat Kerepesi, in Buenos Aires La Chacarita, in Chicago Graceland Cemetery. Heuse necropolissen zijn het, gescheiden van de steden der levenden middels hoge muren waarvan je je afvraagt of die er zijn om de geesten binnen, of ons buiten te houden. Ingangen zijn in de drie gevallen opvallend moeilijk te vinden. Ook op kaarten staan ze niet aangegeven. Er zit niets anders op dan met je fiets de doofstomme muur te blijven volgen totdat je bij de goed verstopte ingang komt, langs drukke verkeersaders en onmogelijke kruispunten (Buenos Aires), langs verlaten fabrieken en verroeste tramsporen (Boedapest), langs ronkende bussen die wachten op de terugkeer van een horde bier drinkende en hot dog verslindende baseballfans (Chicago).  Maar dat alles vergeet je van zodra je de verscholen poort passeert. Je stapt een universum binnen waar andere wetten heersen. In Graceland Cemetery zoeken rechte, grijze lanen zich een weg tussen sombere cipressen en coniferen, en de enkele auto's die er tussen de marmeren mausolea rijden lijken van speelgoed. Voor een keer zwijgen de kinderen op de achterbank, blijven de fastfoodfrieten onaangeroerd liggen in het kartonnetje waarvan het clownengezicht een steeds grotere vetmond aanzuigt. Luguber of griezelig zijn niet de juiste woorden. Die zijn allang gepatenteerd en uitgeknepen door het jaarlijkse marketingfeest dat Halloween heet. Zombies, heksenhoeden en gekromde geraamtes met een zwarte cape om en een zeis in de knokige hand zijn in deze context alleen maar aandoenlijk. Geen pompoen die hier niet binnen de minuut verschrompelt en wegrot tot een slijmerig paradijs voor maden en wormen.  Wat je hier ziet is de dood in haar ware gedaante. La comédie humaine als zwarte komedie. Deze necropolissen stammen uit een tijd waarin het Individu nog betekenis had. Een tijd van Helden. Genieën. Martelaren. Van Naties. Het ene Grieks ogende tempeltje verrijst naast het andere. Kariatiden bezingen de daden van het skelet dat ze bewaken. En geboorte- en sterfdata bakenen met vergulde Romeinse letters niets minder dan een tijdperk af. Zo is er vóór en ná ene Potter Palmer, laat een heiligdom naar Grieks-Siciliaans model me verstaan, en ná zal nooit meer hetzelfde zijn als vóór. Dit in duizendvoud, en met al die skeletten die elkaar vanuit de dood de loef blijven afsteken met architectonische vondstjes en snoeverige gedichtjes veroorzaakt een ware culturele implosie. Hoeveel ton marmer is hier bij elkaar gebracht? Hoeveel ook, voor de hedendaagse bezoeker komt voor dat getal automatisch een kwalijk minnetje te staan. Held, genie, staatsman, gouverneur, natie, ziel: al die retoriek zakt hier als pudding in elkaar.  Nee, dit zijn geen begraafplaatsen voor de personen die er begraven liggen, maar voor ons, de mensen die erin verloren lopen. Op deze plaats ligt het Individu begraven. En wij die Hem of Haar overleefd hebben, vragen ons verweesd af wat wij dan wel niet zijn. Rondlopende vraagtekens, anachronismes, aliens, buitenstaanders van een Zelf dat voorgoed ligt opgebaard. In een hier dat nergens is. Zuiltje Griekenland, standbeeldje Rome, kruisje Jeruzalem, triomfboogje Parijs, vijvertje en treurwilgje Londen. New England. Washington D.C.  New York City. Ik zit op een bus van Boston naar NYC en zie in de verte de skyline van Manhattan opdoemen, een luchtspiegeling zwevend boven zichzelf, een werkelijkheid die niemand nog voor werkelijk kan nemen. Wat spiegelt wat: de films Manhattan, of Manhattan de films? Of zijn beeld en realiteit intussen vergroeid tot tweelingbroertjes, met tussen hen in een eigen retoriek die als een onstuitbare loop de planeet ronddanst? These en antithese die elkaar iedere dag opnieuw om de hals vallen via de synthese van de alles vergoelijkende beurskoersen. Twin Towerpolen die samen een supermagneet vormen, spil van een planetair krachtenveld met op ieder punt een homogene vectoriële marktlading. Vraag: wat is elf september in dit verhaal? Een poging om het heersende imperialistische verhaal open te breken en ruimte te creëren voor een nieuw verhaal? Of is dit zogenaamd nieuwe verhaal uiteindelijk niet meer dan een heropgeblonken versie van de oude retoriek van Zelf en Individu? Dat wil zeggen: waren de slachtoffers van elf september doel — werden ze door hun moordenaars gered? — of slechts een goedkoop middel voor de terrorist om zelf te kunnen promoveren tot Martelaar? In welke richting van de geschiedenis houden deze fanatieke Zieners hun blik gericht: zijn het profeten van de toekomst of slechts voorspellers van een reeds lang begraven verleden?  Pas als onze bus stopt voor een rood licht zie ik ze staan, de duizenden mini-skyscrapers langs de kant van de weg. Hun spitse toppen raken de toppen van hun grote broers in de verte en het duurt enige tijd voor ik begrijp dat dit geen Amerikaans Brupark of Madurodam is, noch een artistieke parodie van de stad op zichzelf, maar een begraafplaats. Calvary Cemetery, Queens (New York), zoals Wikipedia me nadien leert, met de mini-skyscrapers kleine obelisken uit een tijd dat individuen nog zelf de hoogte in konden schieten. Op de achtergrond hebben de investeringsbanken en multinationals die taak intussen stilzwijgend van hen overgenomen. Hemelhoge columbaria zijn het met een bescheiden hokje voor ieder individutje.  De afgelopen maand heeft me alvast geleerd dat ik een goede woonplaats heb uitgekozen, een groot herenhuis waarvan iedere etage is ingericht als comfortabel appartement en waarvan ik de bovenste verdieping deel met een Hongaars meisje, Noemi. Schuin tegenover het huis bevindt zich een coffeehouse. In deze zwoele augustusmaand ga ik er iedere ochtend ijskoffie drinken en wat lezen. Ik houd ervan om een heel stadsscala aan mensen op nog geen halfuur tijd te zien passeren: een joggende gepensioneerde, een zakenman op weg naar zijn downtown kantoor, twee universiteitsstudenten die een of andere zomerconferentie op poten zetten, een postbode die even binnenwipt en een huisvrouw die met haar kindje boodschappen aan het doen is. Allemaal dragen ze sportschoenen. Als ik 's avonds niets te doen heb, ga ik er opnieuw heen, bestel huisbereide limonade en laat me met een boek wegzinken in een van de leeszetels achterin het donker bemeubelde sousterrain, weggedoken onder het licht van een ouderwetse staanlamp.   Om bij het meer te komen hoef ik gewoon de straat uit en een tunneltje door. Iedere ochtend vind ik zo aansluiting bij de ongeregelde stroom fietsers en lopers die op ieder moment van de dag onvermoeibaar het Lakefront Path afdweilen. Het brede autovrije pad loopt vlak langs het meer met al zijn prachtige stranden en jachthaventjes, van het noorden van de stad tot helemaal in het zuiden, waar het je naar de plek leidt waar in 1942 de eerste atoomsplitsing plaatsvond, in een sjofele hut boven een squashterrein op de University of Chicago-campus. Op de plaats van de hut staat nu een sculptuur van Henry Moore, Nuclear Energy, een drieënenhalf meter hoog brons met wanden die als kathedraalmuren opkringelen naar het overkoepelende paddestoeldak — een massieve, glanzende, dreigende globe waaronder enkel plaats is voor de god van onze menselijke onvolmaaktheid.  Als ik 's ochtends door het tunneltje fiets, voelen mijn ledematen stram aan. Maar weldra maak ik deel uit van de sportieve mensenketting of ik voel hoe mijn brein het ritme van de hijgende stroom gul doorgeeft aan mijn ledematen, alsof mijn lichaam de ijskoffie nu pas in zich opneemt. Een medidatieve rust daalt over me neer en het ritme brengt me in dialoog met mijn beste zelf, dat wil zeggen met een geestelijk bezinksel van alle mensen die ik graag zie en die nu gelegenheid krijgen in mij hun ongezegde zegje te doen.  In de verte zie ik de zon blikkeren in het spiegelpaleis van de downtown skyscraperstructuren — een glazen orgel dat me hemelse muziek toe blaast. Ik heb me een koersfiets gekocht en het fietsen lijkt vanzelf te gaan. Toch parelt mijn voorhoofd na goed een kwartier van het zweet. Ik hang mijn computertas en mijn fiets vast aan een paal, schiet mijn kleren uit en duik het water in. Wat verder staat een redder. Ik wuif naar hem en de redder doet teken dat hij mijn computer in de gaten zal houden. Ik steek mijn duim omhoog en laat me languit wiegen op de zachte golfslag, de diepe ademhaling van een dier dat me gedoogt op haar enorme buik. Vanuit het water kijk ik naar de aerodynamische fietsers die voorbij koersen op het hellende vlak van de betonnen kade.  Als ik even later hun wiel opzoek, kijk ik nog even naar de sportzwemmers die als otters uit het water steken. Dan duik ik een ondergrondse wereld van parkings en autostrades in, waar ook de beroemde achtervolgingsscenes van de Batmanfilm The Dark Knight werden opgenomen. Wanneer het pad bij een volgend jachthaventje opnieuw tegen het meer begint aan te schurken, steek ik via Millennium Park door naar het stadscentrum, waar ik een flink stuk westwaartser een toren binnenstap die er langs buiten allesbehalve aantrekkelijk uitziet maar die me binnenin alle comfort biedt die ik nodig heb: een stil en koel bureau en een plaats waar ik koffie en broodjes kan krijgen.   Op het administratieve personeel na is er in augustus bijna niemand in de toren — geen geschikt doelwit voor terroristen. In plaats van gonzende stemmen hangt er in de gangen een bevreemdende stilte, aangedikt door het gezoem van het aircosysteem. In september zal ik verhuizen en een plaats krijgen tussen de andere filosofieprofessoren, maar tot dan moet ik het doen met een tijdelijk bureau op een vaag humaan wetenschappelijk departement enkele verdiepingen lager, iets tussen geschiedenis, sociologie, antropologie en economie in. Ik stel geen vragen. Het is ook onduidelijk aan wie ik dat zou moeten doen: ik ben de enige levende ziel op de verdieping. De secretaris van Indiaanse afkomst reken ik principieel niet mee. Hij rekent mij ook niet mee: iedere ochtend als ik met een ijskoffie uit de lift kom gestapt en voorbij zijn glazen workunit loop, knik ik hem vriendelijk toe. Het is ondenkbaar dat hij me niet opmerkt. Toch blijft hij zich onverstoorbaar wijden aan waar hij dan ook mee bezig is. Ik gun het hem. Maar tegelijk blijf ik mezelf mijn dagelijkse groet gunnen. Mijn eigen vredespijp. Veel kans dat de man het slachtoffer is van positieve discriminatie.  Mijn kantoor is zo goed als leeg, op een defecte fiets na en een kast vol filosofische boeken: voornamelijk wat Kritische Theorie en een hoop vergeelde analytische werkjes over epistemologie en philosophy of mind. Stof tot discussie allicht, maar in mijn ogen toch voornamelijk stof: ik kom zelfs niet in de verleiding te gaan grasduinen. Stiekem beschouw ik het als mijn didactische plicht mijn studenten dit jaar zover te krijgen dat ze geen filosofen meer zullen lezen — een haast onmogelijke opdracht. We zijn allemaal kinderen en willen graag de hoogte in: we joelen als we de bibliotheekdeuren opengooien en het zigguratvormige klimrek der boekenkasten ontwaren, met de miljoenen zwarte regels als strakke touwen waarop we ons spoedig acrobaten wanen, gewichtloze koorddansers boven conceptuele ravijnen en diep logische kloven. Slechts weinig filosofen echter zijn in dit spinnenwebachtige labyrint in staat hun gevoel voor oriëntatie te behouden: de meesten grijpen kirrend naar steeds maar weer een volgende sport en pas als ze beseffen dat ze niet meer weten waar boven en onder is, bouwen ze zich een leven uit rondom die ene sport die ze toevallig stevig beet hebben. Een leven als een vlieg in een fles, zoals Wittgenstein het keurig typeert, waaraan hij toevoegt dat het er dus op aan komt de vlieg de opening uit de fles te wijzen. Maar daar heeft hij zich dan toch mispakt aan de hardnekkigheid waarmee de doorsnee academische vlieg in de eigen glazen flesversie van de werkelijkheid wil blijven geloven, zijn of haar hoogstonpersoonlijke donkergroene of bruinachtige aanfluiting van alles wat ik gezond verstand zou willen noemen. De menselijke geest, in geïsoleerde toestand, vernauwt zichzelf tot een steeds smallere tunnel, een spleet die het licht fijnknijpt in plaats van erop uit te geven. Ouro-boroi: slangen die zich vastbijten in hun eigen staart. Mannen en vrouwen die snakken naar geslachtsgemeenschap met zichzelf. Het staat in ieder geval vast dat er maar weinig academici rondlopen met een boeiend seksleven. Dat is althans wat ik las in een gerespecteerd tijdschrift — dat zelf weliswaar geen academische ranking geniet. Ik heb geen toegang tot internet in mijn bureau. Iemand in het gebouw zal mij spoedig een persoonlijke toegangscode bezorgen, heeft men mij verzekerd, maar daar liet men het bij: de identiteit van iemand werd mij niet geopenbaard. Veel kans dat het de Indiaan is, besef ik nu, maar als dat zo is, kan ik hem alleen maar dankbaar zijn om de verzegelde toestand van zijn lippen. Internet verbindt je zowat met alles en iedereen, alleen nu net niet met jezelf. Het is een gouden uitvinding. Maar soms is het ook een zegen om terug te kunnen glippen naar de primitieve jaren van daarvoor, toen enkel nog militairen in een virtuele wereld leefden — een tijdperk dat even ver achter ons lijkt te liggen als het tijdperk van rooksignalen en tromgeroffel. Al vier weken lang doe ik in mijn kantoor niets anders dan aandachtig te luisteren. Ik denk na over het boek dat ik moet schrijven en herlees de voorbereidende stukken die ik enkele maanden geleden thuis schreef. Ik zet het ene Beatlesnummer na het andere op, sluit mijn ogen en concentreer me. Ik word een stethoscoop waarvan het koude metaal traag langs mijn ledematen glijdt, terwijl naast mijn computer de tand ligt die via Gilles bij mij is terechtgekomen. De tand, of moet ik zeggen: het relikwie?  Aanvankelijk hoorde ik geen hart, maar enkel het geraas van duizenden stemmen. Mijn lichaam was een kakofonisch universum dat ieder ogenblik uit elkaar kon spatten. Nergens was plaats. Alles trok, wrong, zocht, blies. Pas na enkele dagen leek er een opening te ontstaan. Een holte die plaats bood aan een zekere akoestische regelmaat. Een hart dat in de verte zwakjes leek te bonzen.   Iedere dag wordt de holte groter, klinkt het gebons vertrouwder. Eerst was het nog iets dat zich voortbewoog in een vreemd medium, alsof ik van onder water naar geluiden boven het wateroppervlak luisterde. Nu drijft alles in één medium. In het doffe ritme begin ik mijn eigen hart te herkennen.   Eenmaal terug thuis 's avonds schiet ik in mijn sportkleren en verover me opnieuw een plaatsje in de eindeloze mensenketting langs het meer. Ik loop tot aan Belmont Harbor en beschrijf een lus omheen de Sydney R. Marovitz golfclub, zodat ik via een smal grindpaadje het meer nu in noordelijke richting kan volgen. Ter hoogte van Montrose Harbor, waar een scherpe landtong het water in krult, steek ik een grasveld over tot ik bij het brede Montrose-Wilson strand kom. Vanaf daar, luister goed, is het bijna enkel nog Spaans dat je hoort. Mexicanen, Puerto Ricanen en Ecuadorianen maken muziek en overal wordt gebarbecued. Naast een barak met surfmateriaal loop ik via een houten plint op de golfjes toe. Mijn schoenen en kleren laat ik achter en terwijl het zweet van mijn lichaam drupt, stap ik bedachtzaam het meer in. Als het water tegen mijn navel klotst, laat ik me drijven op mijn rug. In de verte waakt een redder over een menigte plonzende kinderen, maar met mijn oren onder water dringt hun gejoel nauwelijks tot me door. Ik hoor alleen mijn eigen ademhaling en het diepe ritme van het meer dat zich daarnaar lijkt te voegen — of andersom natuurlijk. Langzaam vouw ik mijn armen open, sluit mijn ogen en besef dat vrede inderdaad dropping slow komt. Ik luister heel aandachtig en stel me voor — nee, weet — dat in het midden van het meer, op de bodem, iemand zit. Iemand wiens identiteit me vooralsnog niet wordt geopenbaard. Maar wel wordt me op het hart gedrukt dat hij of zij me een verhaal zal vertellen. Een verhaal dat verteld moet worden. Míjn verhaal. Mogelijk is het zelfs al bezig. Dus wat ik moet doen, is luisteren. Luisteren luisteren luisteren.  En dat is wat ik doe.  Ik leg een nieuw Beatlesalbum op en luister. X Proloog Je moet een verhaal hebben. Tragisch, komisch, satirisch, bombastisch, potsierlijk. Allemaal goed, als je maar een verhaal hebt. Een stok waarlangs de rank van je leven opwaarts kan schieten, regelrecht naar het licht toe. Zonder verhaal ben je verloren, groeit het leven met jou alle kanten uit en voelen anderen zich geroepen om te doen wat jij naliet. Met hun vlijmscherpe logica's en verhalen zetten ze het mes in je en snoeien je helemaal kaal, totdat je op het eind niet eens meer beschutting vindt in jezelf. Achterblijven zul je als een open boek waarin vreemde plakkerige handen ongegeneerd hun meningen en overtuigingen lozen. Je pagina's zullen gevuld raken met de kitscherige krullen en tierelantijntjes van anderen, stuk voor stuk grote kunstenaars die je zullen peilen en keuren, terwijl ze in stilte denken: niet slecht, maar misschien moest ik het elders nog eens proberen. Je leven niet meer dan een kladje voor andermans briljante work in progress. Ik was een man zonder verhaal. Sinds mijn aankomst in Chicago echter, nu ongeveer een maand geleden, zijn de dingen aan het veranderen. En mogelijk bespeuren deze mensen hier, met wie ik samen op deze faculteitsreceptie sta te klinken op het begin van het nieuwe academiejaar, in mij wel de eerste contouren van een eigen verhaal. Een dertigtal jonge onderzoekers en professoren zijn het die zich hebben verzameld in de woonkamer van het stijlvol ingerichte appartement van de decaan en zijn vrouw. Hoge, met liefde gevulde boekenkasten tooien de muren, terwijl de immense ramen op het zestiende ons het gevoel geven dat de golfjes van het helderblauwe Lake Michigan onder onze voeten door rollen en dat we zo in een van de yachten kunnen springen die wat verder staan te dobberen in het afgeschermde Belmont haventje, geflankeerd door de bomen van Lincoln Park. Terwijl we wegzakken in het hoogpolige tapijt als in halfhard zand, doppen we een wortel- of komkommerstaafje in wat cocktailsaus en nippen van onze champagne. We wijzen elkaar boeken aan die we zeker eens moeten lezen en kijken bedachtzaam naar het vliegtuig dat in de verte de afdaling naar de stad begint in te zetten, dankbaar om het feit dat de rit van de vlieghaven naar het leefbaardere gedeelte van Chicago ons op een hete augustusdag als deze bespaard blijft. Niet alleen is het geen pretje om in dit weer door de achterbuurten van Chicago te denderen in de aftandse treinstellen van de 'L', ik ben lang niet de enige die weet hoe het aanvoelt om moederziel alleen te arriveren in een vreemd continent en verwelkomd te worden door al die lastige vragen waar de wriemelende maar uiterst gerichte mensenmassa van een intercontinentale luchthaven je onvermijdelijk mee confronteert: wie ben je? Wat kom je hier doen? En bij wie hoor je? Kortom, wat is je verhaal? Toen, nog geen maand geleden, had ik nauwelijks een idee. Wie was ik? Ik kon hoogstens wat feiten opsommen die anderen je net zo goed van de hand hadden kunnen doen. Anthony. Geduldige, rustige jongeman. Onopvallend. Geen kuren. Leergierig. Vlotte student destijds. Intelligent en tegelijk bedeesd genoeg om zijn leerkrachten niet voor het hoofd te stoten. Zelfstandig en onafhankelijk, doch niet asociaal of psychopathisch. IJverig, zonder een slijmbal te zijn. Brede interesse met een lichte, maar ongevaarlijke tempering van de muzikale en artistieke vermogens. Studies filosofie met brio voltooid. Doctoraat in de filosofie. Postdoctoraat. Zopas aangeworven als Visiting Professor aan een universiteit in Chicago om gedurende één jaar naar eigen inzicht te doceren en te schrijven rond The Beatles and Philosophy. Had één broer, Gilles, een tweelingbroer, eeneiig — gestorven. Burgerlijke status: ongehuwd.  Ik ben een maand voor de start van het academiejaar gearriveerd, zodat ik de tijd zou hebben om een geschikt appartement te vinden. Dat werd uiteindelijk een gedeelde flat in het noorden van de stad, tussen Lakeville en Andersonville, niet ver van het beroemde baseballstadium Wrigley Field en de immense dodenstad Graceland Cemetery. Dat laatste begint stilaan een thema te worden in mijn leven, kerkhoven. Bij al mijn studieverblijven in het buitenland de laatste jaren blijk ik telkens te zijn gehuisvest in de buurt van gigantische begraafplaatsen. In Boedapest was dat Kerepesi, in Buenos Aires La Chacarita, in Chicago Graceland Cemetery. Heuse necropolissen zijn het, gescheiden van de steden der levenden middels hoge muren waarvan je je afvraagt of die er zijn om de geesten binnen, of ons buiten te houden. Ingangen zijn in de drie gevallen opvallend moeilijk te vinden. Ook op kaarten staan ze niet aangegeven. Er zit niets anders op dan met je fiets de doofstomme muur te blijven volgen totdat je bij de goed verstopte ingang komt, langs drukke verkeersaders en onmogelijke kruispunten (Buenos Aires), langs verlaten fabrieken en verroeste tramsporen (Boedapest), langs ronkende bussen die wachten op de terugkeer van een horde bier drinkende en hot dog verslindende baseballfans (Chicago).  Maar dat alles vergeet je van zodra je de verscholen poort passeert. Je stapt een universum binnen waar andere wetten heersen. In Graceland Cemetery zoeken rechte, grijze lanen zich een weg tussen sombere cipressen en coniferen, en de enkele auto's die er tussen de marmeren mausolea rijden lijken van speelgoed. Voor een keer zwijgen de kinderen op de achterbank, blijven de fastfoodfrieten onaangeroerd liggen in het kartonnetje waarvan het clownengezicht een steeds grotere vetmond aanzuigt. Luguber of griezelig zijn niet de juiste woorden. Die zijn allang gepatenteerd en uitgeknepen door het jaarlijkse marketingfeest dat Halloween heet. Zombies, heksenhoeden en gekromde geraamtes met een zwarte cape om en een zeis in de knokige hand zijn in deze context alleen maar aandoenlijk. Geen pompoen die hier niet binnen de minuut verschrompelt en wegrot tot een slijmerig paradijs voor maden en wormen.  Wat je hier ziet is de dood in haar ware gedaante. La comédie humaine als zwarte komedie. Deze necropolissen stammen uit een tijd waarin het Individu nog betekenis had. Een tijd van Helden. Genieën. Martelaren. Van Naties. Het ene Grieks ogende tempeltje verrijst naast het andere. Kariatiden bezingen de daden van het skelet dat ze bewaken. En geboorte- en sterfdata bakenen met vergulde Romeinse letters niets minder dan een tijdperk af. Zo is er vóór en ná ene Potter Palmer, laat een heiligdom naar Grieks-Siciliaans model me verstaan, en ná zal nooit meer hetzelfde zijn als vóór. Dit in duizendvoud, en met al die skeletten die elkaar vanuit de dood de loef blijven afsteken met architectonische vondstjes en snoeverige gedichtjes veroorzaakt een ware culturele implosie. Hoeveel ton marmer is hier bij elkaar gebracht? Hoeveel ook, voor de hedendaagse bezoeker komt voor dat getal automatisch een kwalijk minnetje te staan. Held, genie, staatsman, gouverneur, natie, ziel: al die retoriek zakt hier als pudding in elkaar.  Nee, dit zijn geen begraafplaatsen voor de personen die er begraven liggen, maar voor ons, de mensen die erin verloren lopen. Op deze plaats ligt het Individu begraven. En wij die Hem of Haar overleefd hebben, vragen ons verweesd af wat wij dan wel niet zijn. Rondlopende vraagtekens, anachronismes, aliens, buitenstaanders van een Zelf dat voorgoed ligt opgebaard. In een hier dat nergens is. Zuiltje Griekenland, standbeeldje Rome, kruisje Jeruzalem, triomfboogje Parijs, vijvertje en treurwilgje Londen. New England. Washington D.C.  New York City. Ik zit op een bus van Boston naar NYC en zie in de verte de skyline van Manhattan opdoemen, een luchtspiegeling zwevend boven zichzelf, een werkelijkheid die niemand nog voor werkelijk kan nemen. Wat spiegelt wat: de films Manhattan, of Manhattan de films? Of zijn beeld en realiteit intussen vergroeid tot tweelingbroertjes, met tussen hen in een eigen retoriek die als een onstuitbare loop de planeet ronddanst? These en antithese die elkaar iedere dag opnieuw om de hals vallen via de synthese van de alles vergoelijkende beurskoersen. Twin Towerpolen die samen een supermagneet vormen, spil van een planetair krachtenveld met op ieder punt een homogene vectoriële marktlading. Vraag: wat is elf september in dit verhaal? Een poging om het heersende imperialistische verhaal open te breken en ruimte te creëren voor een nieuw verhaal? Of is dit zogenaamd nieuwe verhaal uiteindelijk niet meer dan een heropgeblonken versie van de oude retoriek van Zelf en Individu? Dat wil zeggen: waren de slachtoffers van elf september doel — werden ze door hun moordenaars gered? — of slechts een goedkoop middel voor de terrorist om zelf te kunnen promoveren tot Martelaar? In welke richting van de geschiedenis houden deze fanatieke Zieners hun blik gericht: zijn het profeten van de toekomst of slechts voorspellers van een reeds lang begraven verleden?  Pas als onze bus stopt voor een rood licht zie ik ze staan, de duizenden mini-skyscrapers langs de kant van de weg. Hun spitse toppen raken de toppen van hun grote broers in de verte en het duurt enige tijd voor ik begrijp dat dit geen Amerikaans Brupark of Madurodam is, noch een artistieke parodie van de stad op zichzelf, maar een begraafplaats. Calvary Cemetery, Queens (New York), zoals Wikipedia me nadien leert, met de mini-skyscrapers kleine obelisken uit een tijd dat individuen nog zelf de hoogte in konden schieten. Op de achtergrond hebben de investeringsbanken en multinationals die taak intussen stilzwijgend van hen overgenomen. Hemelhoge columbaria zijn het met een bescheiden hokje voor ieder individutje.  De afgelopen maand heeft me alvast geleerd dat ik een goede woonplaats heb uitgekozen, een groot herenhuis waarvan iedere etage is ingericht als comfortabel appartement en waarvan ik de bovenste verdieping deel met een Hongaars meisje, Noemi. Schuin tegenover het huis bevindt zich een coffeehouse. In deze zwoele augustusmaand ga ik er iedere ochtend ijskoffie drinken en wat lezen. Ik houd ervan om een heel stadsscala aan mensen op nog geen halfuur tijd te zien passeren: een joggende gepensioneerde, een zakenman op weg naar zijn downtown kantoor, twee universiteitsstudenten die een of andere zomerconferentie op poten zetten, een postbode die even binnenwipt en een huisvrouw die met haar kindje boodschappen aan het doen is. Allemaal dragen ze sportschoenen. Als ik 's avonds niets te doen heb, ga ik er opnieuw heen, bestel huisbereide limonade en laat me met een boek wegzinken in een van de leeszetels achterin het donker bemeubelde sousterrain, weggedoken onder het licht van een ouderwetse staanlamp.             Dollop Coffee House, Chicago Om bij het meer te komen hoef ik gewoon de straat uit en een tunneltje door. Iedere ochtend vind ik zo aansluiting bij de ongeregelde stroom fietsers en lopers die op ieder moment van de dag onvermoeibaar het Lakefront Path afdweilen. Het brede autovrije pad loopt vlak langs het meer met al zijn prachtige stranden en jachthaventjes, van het noorden van de stad tot helemaal in het zuiden, waar het je naar de plek leidt waar in 1942 de eerste atoomsplitsing plaatsvond, in een sjofele hut boven een squashterrein op de University of Chicago-campus. Op de plaats van de hut staat nu een sculptuur van Henry Moore, Nuclear Energy, een drieënenhalf meter hoog brons met wanden die als kathedraalmuren opkringelen naar het overkoepelende paddestoeldak — een massieve, glanzende, dreigende globe waaronder enkel plaats is voor de god van onze menselijke onvolmaaktheid.  Enrico Fermi Als ik 's ochtends door het tunneltje fiets, voelen mijn ledematen stram aan. Maar weldra maak ik deel uit van de sportieve mensenketting of ik voel hoe mijn brein het ritme van de hijgende stroom gul doorgeeft aan mijn ledematen, alsof mijn lichaam de ijskoffie nu pas in zich opneemt. Een medidatieve rust daalt over me neer en het ritme brengt me in dialoog met mijn beste zelf, dat wil zeggen met een geestelijk bezinksel van alle mensen die ik graag zie en die nu gelegenheid krijgen in mij hun ongezegde zegje te doen.  In de verte zie ik de zon blikkeren in het spiegelpaleis van de downtown skyscraperstructuren — een glazen orgel dat me hemelse muziek toe blaast. Ik heb me een koersfiets gekocht en het fietsen lijkt vanzelf te gaan. Toch parelt mijn voorhoofd na goed een kwartier van het zweet. Ik hang mijn computertas en mijn fiets vast aan een paal, schiet mijn kleren uit en duik het water in. Wat verder staat een redder. Ik wuif naar hem en de redder doet teken dat hij mijn computer in de gaten zal houden. Ik steek mijn duim omhoog en laat me languit wiegen op de zachte golfslag, de diepe ademhaling van een dier dat me gedoogt op haar enorme buik. Vanuit het water kijk ik naar de aerodynamische fietsers die voorbij koersen op het hellende vlak van de betonnen kade.  Als ik even later hun wiel opzoek, kijk ik nog even naar de sportzwemmers die als otters uit het water steken. Dan duik ik een ondergrondse wereld van parkings en autostrades in, waar ook de beroemde achtervolgingsscenes van de Batmanfilm The Dark Knight werden opgenomen. Wanneer het pad bij een volgend jachthaventje opnieuw tegen het meer begint aan te schurken, steek ik via Millennium Park door naar het stadscentrum, waar ik een flink stuk westwaartser een toren binnenstap die er langs buiten allesbehalve aantrekkelijk uitziet maar die me binnenin alle comfort biedt die ik nodig heb: een stil en koel bureau en een plaats waar ik koffie en broodjes kan krijgen.   Op het administratieve personeel na is er in augustus bijna niemand in de toren — geen geschikt doelwit voor terroristen. In plaats van gonzende stemmen hangt er in de gangen een bevreemdende stilte, aangedikt door het gezoem van het aircosysteem. In september zal ik verhuizen en een plaats krijgen tussen de andere filosofieprofessoren, maar tot dan moet ik het doen met een tijdelijk bureau op een vaag humaan wetenschappelijk departement enkele verdiepingen lager, iets tussen geschiedenis, sociologie, antropologie en economie in. Ik stel geen vragen. Het is ook onduidelijk aan wie ik dat zou moeten doen: ik ben de enige levende ziel op de verdieping. De secretaris van Indiaanse afkomst reken ik principieel niet mee. Hij rekent mij ook niet mee: iedere ochtend als ik met een ijskoffie uit de lift kom gestapt en voorbij zijn glazen workunit loop, knik ik hem vriendelijk toe. Het is ondenkbaar dat hij me niet opmerkt. Toch blijft hij zich onverstoorbaar wijden aan waar hij dan ook mee bezig is. Ik gun het hem. Maar tegelijk blijf ik mezelf mijn dagelijkse groet gunnen. Mijn eigen vredespijp. Veel kans dat de man het slachtoffer is van positieve discriminatie.  Mijn kantoor is zo goed als leeg, op een defecte fiets na en een kast vol filosofische boeken: voornamelijk wat Kritische Theorie en een hoop vergeelde analytische werkjes over epistemologie en philosophy of mind. Stof tot discussie allicht, maar in mijn ogen toch voornamelijk stof: ik kom zelfs niet in de verleiding te gaan grasduinen. Stiekem beschouw ik het als mijn didactische plicht mijn studenten dit jaar zover te krijgen dat ze geen filosofen meer zullen lezen — een haast onmogelijke opdracht. We zijn allemaal kinderen en willen graag de hoogte in: we joelen als we de bibliotheekdeuren opengooien en het zigguratvormige klimrek der boekenkasten ontwaren, met de miljoenen zwarte regels als strakke touwen waarop we ons spoedig acrobaten wanen, gewichtloze koorddansers boven conceptuele ravijnen en diep logische kloven. Slechts weinig filosofen echter zijn in dit spinnenwebachtige labyrint in staat hun gevoel voor oriëntatie te behouden: de meesten grijpen kirrend naar steeds maar weer een volgende sport en pas als ze beseffen dat ze niet meer weten waar boven en onder is, bouwen ze zich een leven uit rondom die ene sport die ze toevallig stevig beet hebben. Een leven als een vlieg in een fles, zoals Wittgenstein het keurig typeert, waaraan hij toevoegt dat het er dus op aan komt de vlieg de opening uit de fles te wijzen. Maar daar heeft hij zich dan toch mispakt aan de hardnekkigheid waarmee de doorsnee academische vlieg in de eigen glazen flesversie van de werkelijkheid wil blijven geloven, zijn of haar hoogstonpersoonlijke donkergroene of bruinachtige aanfluiting van alles wat ik gezond verstand zou willen noemen. De menselijke geest, in geïsoleerde toestand, vernauwt zichzelf tot een steeds smallere tunnel, een spleet die het licht fijnknijpt in plaats van erop uit te geven. Ouro-boroi: slangen die zich vastbijten in hun eigen staart. Mannen en vrouwen die snakken naar geslachtsgemeenschap met zichzelf. Het staat in ieder geval vast dat er maar weinig academici rondlopen met een boeiend seksleven. Dat is althans wat ik las in een gerespecteerd tijdschrift — dat zelf weliswaar geen academische ranking geniet. Ik heb geen toegang tot internet in mijn bureau. Iemand in het gebouw zal mij spoedig een persoonlijke toegangscode bezorgen, heeft men mij verzekerd, maar daar liet men het bij: de identiteit van iemand werd mij niet geopenbaard. Veel kans dat het de Indiaan is, besef ik nu, maar als dat zo is, kan ik hem alleen maar dankbaar zijn om de verzegelde toestand van zijn lippen. Internet verbindt je zowat met alles en iedereen, alleen nu net niet met jezelf. Het is een gouden uitvinding. Maar soms is het ook een zegen om terug te kunnen glippen naar de primitieve jaren van daarvoor, toen enkel nog militairen in een virtuele wereld leefden — een tijdperk dat even ver achter ons lijkt te liggen als het tijdperk van rooksignalen en tromgeroffel. Al vier weken lang doe ik in mijn kantoor niets anders dan aandachtig te luisteren. Ik denk na over het boek dat ik moet schrijven en herlees de voorbereidende stukken die ik enkele maanden geleden thuis schreef. Ik zet het ene Beatlesnummer na het andere op, sluit mijn ogen en concentreer me. Ik word een stethoscoop waarvan het koude metaal traag langs mijn ledematen glijdt, terwijl naast mijn computer de tand ligt die via Gilles bij mij is terechtgekomen. De tand, of moet ik zeggen: het relikwie?  Aanvankelijk hoorde ik geen hart, maar enkel het geraas van duizenden stemmen. Mijn lichaam was een kakofonisch universum dat ieder ogenblik uit elkaar kon spatten. Nergens was plaats. Alles trok, wrong, zocht, blies. Pas na enkele dagen leek er een opening te ontstaan. Een holte die plaats bood aan een zekere akoestische regelmaat. Een hart dat in de verte zwakjes leek te bonzen.   Iedere dag wordt de holte groter, klinkt het gebons vertrouwder. Eerst was het nog iets dat zich voortbewoog in een vreemd medium, alsof ik van onder water naar geluiden boven het wateroppervlak luisterde. Nu drijft alles in één medium. In het doffe ritme begin ik mijn eigen hart te herkennen.   Eenmaal terug thuis 's avonds schiet ik in mijn sportkleren en verover me opnieuw een plaatsje in de eindeloze mensenketting langs het meer. Ik loop tot aan Belmont Harbor en beschrijf een lus omheen de Sydney R. Marovitz golfclub, zodat ik via een smal grindpaadje het meer nu in noordelijke richting kan volgen. Ter hoogte van Montrose Harbor, waar een scherpe landtong het water in krult, steek ik een grasveld over tot ik bij het brede Montrose-Wilson strand kom. Vanaf daar, luister goed, is het bijna enkel nog Spaans dat je hoort. Mexicanen, Puerto Ricanen en Ecuadorianen maken muziek en overal wordt gebarbecued. Naast een barak met surfmateriaal loop ik via een houten plint op de golfjes toe. Mijn schoenen en kleren laat ik achter en terwijl het zweet van mijn lichaam drupt, stap ik bedachtzaam het meer in. Als het water tegen mijn navel klotst, laat ik me drijven op mijn rug. In de verte waakt een redder over een menigte plonzende kinderen, maar met mijn oren onder water dringt hun gejoel nauwelijks tot me door. Ik hoor alleen mijn eigen ademhaling en het diepe ritme van het meer dat zich daarnaar lijkt te voegen — of andersom natuurlijk. Langzaam vouw ik mijn armen open, sluit mijn ogen en besef dat vrede inderdaad dropping slow komt. Ik luister heel aandachtig en stel me voor — nee, weet — dat in het midden van het meer, op de bodem, iemand zit. Iemand wiens identiteit me vooralsnog niet wordt geopenbaard. Maar wel wordt me op het hart gedrukt dat hij of zij me een verhaal zal vertellen. Een verhaal dat verteld moet worden. Míjn verhaal. Mogelijk is het zelfs al bezig. Dus wat ik moet doen, is luisteren. Luisteren luisteren luisteren.  En dat is wat ik doe.  Ik leg een nieuw Beatlesalbum op en luister.

Greg Houwer
0 0

De Camping

De omlijsting waar ik naar kijk geeft de uitsnede weer van een grasveld waarop een tent staat. Het is een groot met zon overgoten veld zonder enige vorm van schaduw. De tent is er een van canvas in ergonomische retro vormen. Er staan heel wat spullen buiten de tent. Ze staan daar in een chaotische ordening alsof ze juist in dolle paniek de hitte in de tent ontvlucht zijn. Ze staan nu radeloos buiten in de stekende middag zon. Er zijn buiten de tent ook twee mannenbenen zichtbaar. De benen rusten lui en onbegrensd in een nylon strandstoel. Ze komen in een hoek van zestig graden onder een krant uit. Het horizontale kader waar ik door kijk, is een raam in het sanitaire blok, zo'n dertig meter van de tent vandaan. Ik kijk van binnenuit naar buiten. Het kader is gevuld met enkel de tent rechts tegen het kader aan en een flinke lap dor gras, dat voor twee derde de linkerkant van het kader vult. Wanneer ik door mijn oogharen tuur is het net alsof ik naar een foto kijk. Een foto die ze hier, binnen aan de muur van het sanitaire blok, hebben opgehangen. De plaats waar de foto hangt, benadrukt de verstillende sfeer van wat er op afgebeeld staat. Een sanitaire blok waar dagelijks al het vuil van en uit het lichaam wordt verdreven totdat er niets meer over blijft dan leegte, holle galm en de prikkende geur van schoonmaakmiddelen. Afgebeeld in het kader voor me is de verstilde rust van één man drijvend op een lap dor gras, de diepte van een krant en het cymbaal geklater van het zonlicht hoog op de middag. Het is half twee op de middag en de hitte breekt de groene kleur van het gras in twee. Windstil. Er beweegt niets. De krant slaat niet om en er komen geen spulletjes meer in paniek uit de tent naar buiten. Ik kijk naar de bomen achter de tent. Robuust wolkend en donkergroen. Deze bomen houden zich aan een afspraak. De fotograaf heeft ze op het hard gedrukt niet te bewegen. Ik ben klaar met urineren maar houd als in trance de plashouding aan. Als de man achter de krant nù zijn krant neer legt en naar de sanitaire blok kijkt, ziet hij dat ze buiten aan de muur een kader hebben opgehangen. Een kader met daarin een buste van een man die blijkbaar naar iets heel fascinerends aan het loeren is. Maar de benen bewegen niet. Ze zijn wel van kleur aan het veranderen, zoveel is zeker. Op dit moment zie je dat nog niet. Te veel licht. Straks staat zijn vrouw voor hem. Donkere zonnebril op en wijzend naar zijn scheenbenen; betuttelend. Hij zal opstaan en naar zonnebrand gaan zoeken. Eerst in de tent, dan buiten tussen de paniekerige spulletjes. Smeren tegen de bierkaai wordt het. 's Avonds bij het eten op het terrasje van zijn favoriete restaurant, achter een halve liter 'pression', zal het duidelijk worden hoeveel pijn het doet je scheenbenen te verbranden. Ik probeer nu iets meer van de linkerkant van de foto te bestuderen zonder dat het kadrage en perspectief veranderd. Uit mijn ooghoeken kijk ik naar de geometrische lap gras. Borstelig duwt het wat dreigend tegen de tent. Het lijkt meer in een sluiphouding te liggen. Ik krijgt het gevoel dat als ik even niet kijk, het gras een millimeter naar rechts op rukt. Zodra ik dan weer kijk is de beweging bevroren en wacht het gras opnieuw zijn kans af. Die krant staat vast vol met ellende. Hij zou zich beter bewust zijn van dat sluiperige gras en van de zon op zijn scheenbenen. En van mij natuurlijk. Ik kijk naar zijn benen en zijn tent en heb mijn geslacht nog in mijn hand. Ik gluur heimelijk vanuit een observatiepost, die naar urine ruikt. Ik schrik van deze bewustwording en voel me een viezerik in plaats van een museum bezoeker die naar een foto kijkt. Gluren naar iets alledaags; een foto uit iemands leven. Raar dat je je in een museum nooit zo voelt als je naar een bepaalde foto of schilderij kijkt. Vaak kijk je in een museum onbeschaamd naar uitingen van diepe emotie zonder dat je je een viezerik of voyeur voelt. Ja, heel soms wel. Soms valt je blik daar, in een museum, geheel onverwacht op een paar blote, opengesperde benen met een harig kutje er tussen. Een verstilde hamerslag op het aanbeeld van het ogenblik. Hangt gewoon tussen een aantal verpletterend mooie Manet's. Het was Courbet zo bedoeld, maar Manet had dat niet geduld waarschijnlijk. Courbet, hij stond ergens einde achttiende eeuw met ogenschijnlijk heel andere gedachten in een pissijn toen hij dat schilderij bedacht. De geometrische lap monotoon getergd gras links op de foto voor me, zou van Rothko kunnen zijn. Het vuil dat hij uit zijn lichaam perste is monotoon maar sluipt net zo naar je toe. Juist als je het niet ziet. Het tafereel rechts op de foto, op en rond die tent, heeft meer iets weg van een blijspel met Piet Bambergen.  Doek gaat op. Joop Doderer zit achter zijn krantje op een zonnige camping in Zuid Frankrijk. Je ziet alleen zijn benen onder de krant vandaan komen maar iedereen weet dat het Joop Doderer is. Kan niet anders. Alleen Joop Doderer zit zo achter een krant. Zijn scheenbenen zijn onbehaaglijk rood. Dat moet zeer doen. Joop Doderer neuriet iets dat op het Franse volkslied lijkt. Zie je wel, het is Joop. Alleen Joop Doderer kan zo het Franse volkslied neuriën. Het publiek licht al in een spreekwoordelijke deuk. Plotseling rumoer. Joke Bruijs klatert het toneel op. Een hele hoop boodschappentassen aan haar arm en een grote donkere zonnebril op. Het lachen zwelt aan en neemt een onrustige houding aan. Joke gaat voor Joop staan. In zijn zon. Ze gaat gewoon in de zon van Jopie staan!! Het publiek gaat nu echt uit de knijpert. Er zijn er al die de tranen over de wangen laten rollen. Joke Bruijs en Joop Doderer doen nu ‘de sketch van het onhandig zoeken naar de zonnebrand’. Daarbij worden alle facetten van het huwelijk op de korrel genomen. Het ene lag salvo na het anderen torpedeert de bühne. Op een gegeven moment smeert Joke Bruijs veelvuldig, grote witte hoeveelheden zonnebrand uit over Joop Doderer zijn benen, helemaal tot bovenaan in zijn zwembroek. De lachsalvo’s overstemmen nu hysterisch het gemopper van Joop Doderer. Dan knipt er plotseling een spot aan die een tot nog toe donker gedeelte van het decor belicht. Het publiek wordt plotsklaps geconfronteerd met het gezicht van Piet Bambergen. Een nanoseconde is het stil in de zaal, op een enkele hysterische sirene na. Piet zijn buste is duidelijk zichtbaar achter een klein raampje. ‘Toilet’ staat er in blauwe letters op de witte muur geschreven. Piet Bambergen kijkt verbaast en met een voor hem zo typische ondeugende glimlach het publiek in. Hij heeft alles zien gebeuren! De zaal barst. Piet heeft alles gezien! Het apocalyptisch gelach gaat nu over in een revoltische waanzin. Armen worden uitgerukt en tongen verdwijnen in allerlei holtes en gaten van de lichamen die zich kronkelend van pret en buiten zinnen van verzadiging, op een kluwen hebben geworpen. Na afloop van het blijspel was de stad nog dagenlang onrustig. Op mijn foto, hier voor me, is alles stil. Hopper. Niets heeft nog bewogen en lijkt ook nooit meer te gaan bewegen. Wat zal ik doen? Die man attent maken dat zijn benen aan het verbranden zijn? Neem ik alvast een tube zonnebrand mee? Hoeft hij niet te zoeken. Ik knoop mijn broek dicht en wil door trekken. Juist op dat moment komt er leven in de foto. Een oranje voetbal komt van links onder, met een rot vaart, in een mooie curve over de Rothko op de tent af. De bal klettert eerst tegen de krant en een tiende van een seconde later in het gezicht van de man erachter. Francis Bacon. De man valt met stoel en al achterover. Zijn benen maken nu een hoek van honderdtachtig graden. De rode scheenbenen steken als romeinse kaarsen af tegen de blauwe lucht. Er ontsnapt mij een kleine euforische kreet. Volksvreugde na een doelpunt. Insmeren heeft nu helemaal geen zin meer besef ik en loop het sanitaire blok uit. Zou Messi wel eens aan Rothko denken als hij het groene veld betreed?  Bart-Jan van Vugt

Bart-Jan
0 0

Aangeleerde ethiek

Wroeten in de innerlijke mens daar had ze jaren voor gestudeerd. Feiten in haar kop gestampt. Handelingen leren uitvoeren zoals het opensnijden van die mens en daar te reparen wat niet naar behoren functioneerde.“Scalpel!” zei ze op gebiedende toon.Snijdend in de vleesmachinerie van een medemens voelde ze onderwijl hoe de stille knagende onrust van de afgelopen tijd alweer zijn kop opstak. In haar eigen hersenpulp durfde ze niet te snijden tot op het bot, uit angst onwelriekende dingen te vinden. Dingen die zouden dwingen haar met zichzelf te confronteren.“Stelpen! Vlug.” Zo zelfzeker zij handelde in deze steriele kamer, zo onzelfzeker was ze er buiten.Daarbuiten werd er van alles verlangd van haar. En dat viel haar telkenmale moeilijker. Van kleinsaf aangeleerde ethiek had het wagonnetje van haar leven netjes op een spoor gezet en haar een huis, twee kinderen en een man opgeleverd. De spreekwoordelijke hond bezat ze niet.“Klem. Nu.” Zei ze stemvast.En net zoals het afgeklemde bloedvat geen bloed meer doorliet probeerde ook zij haar gedachten af te klemmen met de argumenten van aangeleerde ethiek.Wel bleek de bloedvloed zich beter te laten temmen dan haar onrust.“Ga door schat” Had ze gisterenavond nog gekreund. Haar wederhelft was verwonderd over de passie die ze deze keer aan de dag legde bij het liefdesspel. Wat hij niet doorhad was dat ze zich opzettelijk voorovergebogen op de knieën had laten zakken opdat hij haar langsachter kon pakken. Zijn blik wilde ze niet zien. Want zij gaf zich niet aan hem. Zij dacht aan de man die ze kortelings geleden had ontmoet.Hij zat te lezen in het cafetaria van de fabriek voor herstellingswerken van menselijk vlees waar ze werkte.Een snel ontbijt wou ze nuttigen tussen het repareren van een dwaas die met zijn zatte kloten tegen een lantaarnpaal was aangeknald en de nog te verwijderen paar galstenen bij een ouderlingWaarom ze hem had gevraagd: “Wat leest u als ik vragen mag?” wist ze nog steeds niet. Maar ze had het wel gedaan.Hij had verwonderd opgekeken. Toen zag ze zijn blik onbeschaamd en onbeschroomd over haar heen gaan.“De glazen bol” Had hij geantwoord nu in haar ogen kijkend.“Nooit van gehoord” zei ze. “Wie schreef het?”“Ik. En wellicht hoort u er nooit van. Er bestaat maar één exemplaar”Geïntrigeerd door deze figuur vroeg ze of er bij komen zitten mocht.Aangeleerde ethiek verdroeg dergelijke acties niet. Getrouwde vrouwen behoren geen mannen aan te spreken en al helemaal niet bij hen aan te schuiven.Toch liet ze deze keer haar eerlijk verlangen overheersen. Ze had simpelweg zin om met deze vent te praten.“En wat verteld die bol je dan. En hoe begint je boek?”“Twee vragen stelde je. Een vraag beantwoord ik. Kies.” zei hij met een rokersstem.“Wat doe ik met deze rare snuiter pratend?” had ze zich afgevraagd bij het horen van zijn antwoord. Maar ondanks deze vraag was haar nieuwsgierigheid gewekt. Een zaadje was in haar kop geplant. Nu was het aan haar het water te geven of onvruchtbaar te laten verdrogen.“Laten opdrogen!” schreeuwde haar aangeleerde ethiek haar toe.“Bewateren en bemesten!” hoorde ze haar eigen eerlijke stem nog luider schreeuwen.“Ik wil zien hoe je boek begint,” nam ze plots een beslissing zonder zichzelf toe te staan de dingen kapot te redeneren.Hij reikte haar het boek over. Een goedkoop ding van een of ander digitaal drukkerijtje.De kaft en achterblad waren zwart. Geen mooie of kunstige foto. Niets.Ze sloeg het boek open en begon te lezen: “Wroeten in de innerlijke mens daar had ze jaren voor gestudeerd. Feiten in haar kop gestampt. Handelingen leren uitvoeren zoals het opensnijden van die mens en daar te reparen wat niet naar behoren functioneerde.“Scalpel!” zei ze op gebiedende toon.” Tom

Tom Lievens
22 0

Kan hij dit wel

Michel houdt de straat en de bomen in het oog. Hier gebeurt het allemaal, dat weet hij. Waarom is hij hier anders? Verder op in de bosjes hoort hij mannenstemmen, een oude en een jonge. Michel wil ze niet horen. Toch zou hij er naar moeten luisteren, dan weet hij hoe het moet. De mannen keren terug naar het pad. Michel verschuilt zich achter een boom. De oudere man geeft de jongere enkele bankbiljetten. Is dat 50 Euro? Met zo’n bedrag kan hij eten en een nieuw T-shirt kopen! Zijn maag doet pijn, zijn kleren stinken. Er moet iets veranderen en zo snel mogelijk! De jonge man gaat terug naar de hoofdlaan. De oudere verdwijnt. Michel volgt de jongere op een veilige afstand. Hij draagt een spannend mouwloos shirt en een groene broek. Mooie blauwe sportschoenen. Michel kijkt naar zijn eigen kleren, steekt zijn neus onder zijn T-shirt en snuffelt. Niet bepaald fris. Hij heeft al dagen niet meer gedoucht. Gaat hij wel aantrek hebben? Heeft er iemand interesse voor oksels met zweetzeeën? Schoorvoetend gaat hij ook op de hoofdlaan staan. Hij doet zijn jasje uit en kijkt onzeker om zich heen. Hoe moet hij zich nu gedragen? Een bepaalde houding aannemen? Mannen aanspreken? Of daar voor zoutpilaar staan? Een tijdlang gebeurt er niets. Dan komt er een oudere man het pad opgewandeld. Hij kijkt en keurt. Dan loopt hij naar Michel. ‘Hoeveel?’ vraagt hij. ‘50 Euro,’ fluistert Michel. De man knikt en neemt Michel mee de bosjes in. Michel volgt hem tot achter een dikke boom. Hij wacht af. ‘Ik heet Alain en jij?’ vraagt de man. ‘Tom,’ antwoordt Michel snel. Alain knikt, de naam blijkt goed gekeurd. Dan wijst hij naar zijn kruis. Michel knikt. Hij gaat aarzelend op zijn knieën zitten, knoopt Alains broek open en haalt zijn lid boven. Hij schrikt. Wat een grote vlezige knuppel. Hij likt de schacht en de ballen. Alain kreunt. Hij houdt Michels hoofd vast en perst hem tegen zijn kruis. ‘Pijp mij.’ Michel vecht tegen zijn paniek, sluit zijn ogen en neemt het lid in zijn mond. Er rollen tranen over zijn wangen. Een zoute zweetsmaak vult zijn mond. Kan hij dit wel…

't Achterlicht
0 0

een brug te ver

"Ik ben een brug te ver gesukkeld " zuchtte hij"Gelatenheid is het geworden, neerliggen en kijken naar de hemel. 'Vriendschap' zal wel zo aanvoelen zeker ? De spanning is totaal weg ge-ebt in enkele weken tijd. Geen kriebels meer in de buik, geen roodaanvoelende wangen meer... Zelfs het wachten gezien ze overal en steeds te laat komt doet me geen pijn meer, noch de verhalen die ze me vertelt over haar échte minnaar ... De foudre van wat ooit een 'Coup de ...' was is nog slechts een ouderwetse zaklamp waar de batterij ver plat lijkt : het lijkt evenoud te zijn als de film...  Ineens nu toch...Ook bij haar is de guitigheid en de aandacht voor mij totaal verdwenen, Geen prikkelende aanrakingen meer die naam waardig en vriendenzoenen geven bij aankomst en vertrek vertellen eenzelfde verhaal. 'Vriendschap ' móet zo aanvoelen ... Hoewel er niets in de weg leek dat er iets erger zou zijn als een maand geleden lijkt het een gevoel dat onder het stof is beland.` 'Passie verdween als duinzand door de vingers, er schieten maar een paar korrels meer over... 'Vriendschap' zal zo aanvoelen ? 'Wanneer ?' Is onbelangrijk geworden, een agenda is overbodig geworden. Rondkijken achter een scheefgezakte zonnebril , die op haar gezicht niet echt goed staat , maar wie ben ik om hier een opmerking te maken ? Af en toe een stil moment.... "... zweeg hij even..."Kijken naar je glas en denken .....'ik moet een andere uitdaging volgen'  Er waren aanbiedingen die ik af hield. Nu 'moet' het maar... Misschien ben ik nu een povere tweede keus maar goed genoeg voor iemand die geen andere heeft tot nu toe ? " leek hij me vragend aan te kijken terwijl hij de zinnen ratelde. " Véronique lijkt nog steeds te wachten , maar ik zou wachten ... Marie Christine ook, maar die is zeker misschien wel al bezet nu .... Ik ben er misschien nu wel klaar voor ? " keek hij me opnieuw bezorgd aan . "Maar ik weet het : 'Vriendschap' voelt zo aan. Afzetten van die drang. Terug naar praten. Woorden meer wikken en wegen. Niet meer uitdagen met woorden en zeker niet meer kwetsen. Zonnebril opzetten en mee rondkijken moet net weer kunnen. Voor mezelf nu.Het boetekleed voor de gemiste afspraak verleden week mag NU af !  De verontschuldigingen in de zak steken !  De (des) appreciatie over mijn mogelijkheden bij mijn zoektocht leg ik naast me neer.Want alhoewel je geen echte kans meer maakt wil men je ook niet volledig uit handen geven.Die stap moet je zelf zetten nu. Want zo kan "vriendschap" ook aanvoelen !" Hij keek naar de hemel ... Ik zag de meeuwen duikvluchten nemen om stukjes verlaten eten op te pikken..."Ongevoelig...." mompelde hij nog... Over wie hij het nu had weet ik niet en even later stond hij op en verdween woorden die onverstaanbaar waren door de wind waaiden mee weg met hem en sedertdien heb ik hem niet meer gezien... Is hij vertrokken of gewoon ergens toch nog 'iets gevonden' ?  Ik voelde toch wat vriendschap voor hem ..... Dété

dété
0 0

OMA

  De parochie aan zee, waar mijn kinderen en kleinkinderen wonen, bestaat 75 jaar en iedereen werd persoonlijk uitgenodigd op de eucharistieviering met receptie na. Ook de Chiro heeft een verjaardag te vieren en daarom luistert een koor van Chirojeugd de dienst op. Matti, mijn kleinzoon, die ook in de jeugdbeweging is, stapt mee in de intredeprocessie. Met het puntje van zijn tong tussen zijn lippen en zijn blik onafgebroken op de brandende kaars, stapt hij naar voren. Wij, mijn dochter en kleindochtertje zitten achteraan. Het is een mooie dienst met zang en orgelspel en een homilie die de 75 jaar kerk benadrukt: "75 jaar is een hele tijd, een mensenleven. 75 jaar dat is zo'n 2,7 miljard hartslagen, dat is 27.375 dagen, 3900 zondagen. Voor de jongeren een eeuwigheid maar voor de ouderen nu toch ook weer niet zo lang." Er wordt geapplaudisseerd en Lore steekt haar vingers in haar oren. Voor haar duurt deze dienst al te lang!         Ze kruipt op mijn schoot en fluistert: "Heb jij een kind?" Ik wijs naar haar mama: "Dat is mijn kind." Ze giechelt en trekt haar schoudertjes op. Mama is toch geen kind, zie je haar denken. Maar het vragen gaat verder: "Wie is jouw man?" "Jouw opa is mijn man." Weer gegiechel, ditmaal met het handje voor de mond, want je moet stil zijn in de kerk en mama heeft al teken gedaan dat ze moet zwijgen. Even helpt dit maar niet voor lang. "Heb jij een mama?" Ik knik maar zeg in haar oor dat mijn mama gestorven is. "Heb jij een huisdier?" "Ik had een poes maar die is dood", moet ik antwoorden. Nu kijkt ze me bedroefd aan. "Bij jou is iedereen dood!", constateert ze. Weer wordt er in de handen geklapt. De vingertjes gaan terug in de oren en terwijl moet ze nagedacht hebben, want de volgende vraag is: "Moet ik zeggen 'gestorven' of 'dood'?" "Zeg maar gestorven," fluister ik, "dood is zo dood, hé." Daarmee is ze het eens en ze doet mijn gebaar en mijn accent na, als ze herhaalt: "Ja, dood is zo dood, hé." Ik ben niet afkomstig van de kust en de kleinkinderen vinden dat ik raar spreek, dat ik een raar accent heb: “Hetzelfde accent als mama, als die boos is”, zeggen ze. Dus enkel als ze boos is, spreekt mijn dochter haar 'moedertaal' nog blijkbaar.          Eindelijk is de mis uit en kan Lore naar buiten. Daar is het wachten op haar broertje. Ze schiet weg naar een dame, die zwanger blijkt. "Haar schooljuf", weet mijn dochter. Teruggekomen vraagt ze onomwonden of er ook een baby in mama's of oma's buik zit. Als we beiden overtuigd neen knikken, vraagt ze hoe een baby in de buik van een mama geraakt. "Nu is het jouw beurt om het uit te leggen", zeg ik tegen mijn dochter. "Ja," zucht die, "maar ik ga dat hier nu toch niet uit de doeken doen op een vol kerkplein."        Het mondje van Lore staat al klaar voor de volgende vraag, als Matti buitenkomt. Die troont zijn oma direct mee naar zijn nieuwe fiets. Heeft ze zo'n speciale spatborden al gezien en weet ze wel hoeveel versnellingen hij heeft? Als ik moet bekennen dat ik daarvan niet veel afweet, expliceert hij me dat van naaldje tot draadje.         De jonge mensen gaan niet mee naar de receptie. Er wordt afscheid genomen met een zoen aan de dochter, een high five aan de kleinzoon en een handzoentje aan Lore, dat deze opvangt en in haar zak steekt.

Hope
19 0

Op slot

            Ze woonde alleen in haar nette huis in deze nieuwe wijk vol jonge mensen. Voor haar buren was ze ‘die oudere dame met het goede voorkomen’. Als ze al eens boodschappen ging doen, was ze piekfijn opgekleed en schreed ze als het ware door de straat, steeds vriendelijk doch afstandelijk groetend. Iedereen wist dat ze een lange staat van dienst in het onderwijs had, dat ze haar carrière beëindigde als directrice van de dorpsschool. Velen waren nog oud-leerling van haar. Ze zegden haar dan ook met ontzag goedendag, want ze waren niet vergeten hoe streng de directrice destijds was. Streng doch rechtvaardig was ze nog, vond ze en zo gedroeg ze zich ook, alsook zeer evenwichtig en gelijkmoedig…tot ze deur achter zich sloot. Dan keek ze om zich heen en bedacht steeds opnieuw: het enige wat ik heb, zijn geld en herinneringen.         Natuurlijk bezat ze wat centen. Ze had hard gewerkt en gespaard. Haar mooie villa had ze ingeruild voor dit ‘bejaardenhuisje’, zoals ze het placht te noemen. Bij de bouw ervan voorzag ze immers al een extra leiding voor een traplift en bredere deuren voor het geval dat…ze mocht er niet aan denken. Ze zou trachten het hier zo lang mogelijk uit te houden maar besefte wel dat ze niemand had om voor haar te zorgen en dat ze misschien toch nog in een heus bejaardenhuis zou eindigen, mocht ze te lang leven. Dat ze daar samen met andere sukkelaars zou zitten knutselen of in koor zingen, kon ze zich helemaal niet indenken. Alleen…zou ze daar niet meer zo alleen zijn.         Nochtans ook zij had eens een gezin gehad: een man, een kind, een lichaam dat begeerde en begeerd werd. Maar haar dochtertje was aan wiegendood gestorven en dat was zo’n klap geweest dat alles was uiteengespat. Haar man had behoefte gehad mensen op te zoeken, het verhaal steeds weer te vertellen, op café te gaan. Zij vond dat hij hun kind te grabbel gooide. Zij borg het meisje in haar hart, deed het slot erop en verloor het sleuteltje. Het zat er nog steeds: dat perfecte hoofdje met die donshaartjes, die handjes die haar vingers grepen, dat mondje dat zo gulzig aan haar borsten dronk. Een schuldgevoel was haar echter ook blijven kwellen, hoewel in alle boeken geschreven stond dat wiegendood niet altijd te voorkomen is. Toch schrok ze soms nog wakker uit een droom, waarin ze het kind net op tijd uit het bedje had gehaald, waarin het nog ademde, waarin het warm in haar armen lag. Het slot op haar hart had haar ook van haar man doen vervreemden en toen hij definitief voor die andere vrouw koos, zei hij dat ze verbitterd geworden was, dat ze haar opsloot in haar verdriet maar dat hij koos voor het leven!         Zij verhuisde naar een andere stad, stortte zich op haar carrière, gaf met veel inzet les aan al haar leerlingen maar telkens vroeg ze zich af welk soort kind, welk soort leerlingetje haar Liesje zou geworden zijn. Daarom durfde ze voor geen enkel kind, voor geen enkele mens haar hart nog echt te openen, want ze was te bang voor de stroom die dan zou vrijkomen. Ze werd de vaardige lerares, de competente directrice, de oudere dame met het goede voorkomen maar haar hart bleef op slot en haar enige metgezellen waren geld en herinneringen.  

Hope
0 0

Cure for pain – over de roerende voorheffing op auteursrechten

Het concert van Morphine in de Vooruit in 1994 duurde exact 195 minuten. Denk ik, want precies weet ik het niet meer. Voor ratio was er die avond tijd noch ruimte. Alles was waas en roes en vol gevoel. Frontman Mark Sandman schraapte zijn keel en vulde mijn oren met de meest doorleefde melodieën aller tijden. De eerste twintig jaar van mijn leven flitsten voorbij. Ik zat weer op mijn rode fiets met speelkaarten tussen mijn wielen en reed van de kleuterklas naar het vijfde leerjaar met een natte kousenbroek en verse gaatjes in mijn oren. Ik stond verlegen tussen de grote muilen aan de bushalte, nam de trein naar mijn kot in Gent en kwam tussen twee noten weer even bij zinnen, net lang genoeg om de bassen en de baritonsax in mijn onderbuik te voelen en te beseffen dat dit een keerpunt was. De rest van mijn leven zou daar en dan beginnen. Ik zag de boeken, voelde het blokken, greep naar dat diploma en dook luid lachend het leven in. Het leven dat nog geen gezicht had maar dat wel al spannend leek. Zin, dat had ik. In volwassen worden en zot blijven. In warme liefdes en dingen des levens. Ik liep over van enthousiasme. Pieste bijna in mijn broek. Morphine bleef spelen, noot na noot, bis na bis. De blazers bleven gaan dus ik ook, terug naar af en volle gas vooruit. Mijn knieën kraakten onder al mijn plannen maar ik zou niet plooien, want op die setlist stond de tijd van mijn leven. 195 minuten later stond ik op straat. Verdoofd. De mannen van Morphine hadden een gat in mijn ziel gemaakt en er een mijlpaal in gezet. Stevig genoeg om alle studentenjaren, foute mannen, dikke billen, regeringsvormingen, indexaanpassingen, stijgende elektriciteitsprijzen, De Crem-kapsels en dubieuze begrotingsvoorstellen te doorstaan. Muziek doet iets met een mens. Scheppende kunsten maken het leven leefbaar. Respect – geen 15, geen 25 maar 100 procent.

a little bit of soap
0 0

De muze in '92

Toen ik in 1992 voor het eerst door de gangen van de Gentse universiteit dwaalde, had ik schrik. Het soort schrik dat je blik naar beneden dwingt, omdat je bang bent dat iemand je zal vragen naar de haalbaarheid van de antisubjectfilosofie in de neoliberale maatschappij en je dus al op dag één door de mand valt. Het soort schrik dat nog eens extra werd gevoed door de wilde verhalen over bepaalde professoren, Jaap Kruithof op kop. Kruithof stond bekend als een filosofische keikop die met zijn vlijmscherpe analyses en provocerende houding zowat elk beginsel op zijn grondvesten kon doen daveren. 's Mans reputatie ging mijn eerste les ethica vooraf, dus toen het eindelijk zover was, vatte ik strategisch post in het auditorium. Ver genoeg om onzichtbaar te zijn, dicht genoeg om het vuur in zijn ogen te zien. Wriemelend wachtten we met honderden tegelijk op het icoon. Met een volle blaas en verwachtingen waar we geen weg mee wisten. Twee academische kwartieren later kuchte iemand in de microfoon dat de professor niet kwam. We dropen af naar koten en kroegen, lieten plassen de vrije loop en ademden opgeluchte ontgoocheling. Kruithof zou nog vaker zijn joker inzetten. Maar als hij er was, dan was hij aanwezig. Dan foeterde hij als geen ander, overtuigd van zijn overschot aan gelijk. Of hij oreerde met een hartstocht die geen enkele katerkop koud liet. Ooit vertelde hij zonder één keer naar adem te happen dat hij zich dagenlang had opgesloten met niets dan pianist Glenn Gould op repeat. Zonder spijzen of sterkedranken. Hij had zich enkel gelaafd aan de muze, in extase. Diezelfde muze zat op de kast toen ik dat jaar bij Kruithof op audiëntie moest. ‘Du Pré? Toch geen familie van…?’ Paniek. Alle namen van tantes, nichten en tante nonnekes zoefden door mijn hoofd. En net toen ik dacht toch nog door de mand te vallen, sprongen de adertjes in zijn ogen en barstte hij los. Over Jacqueline du Pré, een Britse celliste die harten en snaren wist te beroeren maar door een spierziekte het gevoel in haar vingers verloor en op jonge leeftijd overleed aan een longontsteking. Verder dan ‘Du Pré’ zijn we niet geraakt. Kruithof was zo van zijn melk dat ik mocht gaan. De muze bleef en bood hem troost. Het schriftelijke examen leverde mij een 14 op, het mondelinge een herinnering die alle thé dansants overtreft.

a little bit of soap
6 1