Lezen

Een dankjewel

Een dankwoord Het leven zit vol onzin, tot het plots heel concreet wordt. Tot het gaat over geld dat niet van ons is, en over veiligheid die wél van ons is. En dan staat daar één man. Bart De Wever. Van hem krijg ik de laatste dagen een brok in mijn keel. Oprechte dankbaarheid. Ik hoop dat half België hetzelfde voelt. De held van Europa? Hij stond daar, eenzaam als een standbeeld op een verlaten plein, terwijl een heel koor van hyena's om hem heen cirkelde. Hun ogen glinsterden van het Russische goud dat wij 'in bewaring' houden. Alsof het een pot jam is die zomaar open kan. Hij vocht voor een vredestroef. Met niets anders dan zijn overtuiging en een lijf dat vastbesloten was door te zetten. Urenlang. Tot zijn gezicht de kleur aannam van krijt. Je zou voor minder. Maar hij bezweek niet. En in dat niet-bezwijken werd hij iets wat ik dacht dat uitgestorven was: een wandelend, ademend bewijs van ruggengraat. Een koppig soort gezond verstand dat weigerde mee te gaan in de waanzin van de dag. Want serieus: wat was het alternatief? Dachten de anderen werkelijk dat we onze eigen veiligheid konden wegschenken? Om dan te wachten tot de poppenkast van Poetin, Xi en Kim Jong-un een triomftocht door onze straten zouden houden? Slaat de kortzichtigheid soms op hol? Beseft niemand meer wat dat manneke in het Kremlin allemaal in zijn mars heeft? De gedachte alleen al doet me huiveren. Rillingen die niet die van de kou zijn, maar van een nakend onheil dat je voelt eer je het ziet. Voor dit moment, nu, even, is er lucht. Een broze, tijdelijke rust. Laten we ervan genieten…. En laten we, bij alle hemellichamen, hopen dat in 2026 het gezond verstand de laatste lach heeft. Het zou een mirakel zijn. Maar soms, heel soms, gebeuren er mirakels.

Heidi Schoefs
4 0

Wat ik wou schrijven aan Jotie

Ik verlaat het dorp en de oude bomen alsof ik hier ooit aarde ontwortelend ontaarde Ik beslis te vluchten van oude bomen en mensen van oude geel rosse dennen  bezet met de letterzetter aan de rechterbeukvan de kerk buren met hun ruwe lang duwende schaduw En uit de kerk de weduwe duw weduwe duw trek met een wandelrek  een schuivend spoor  door een dood paradijs door het rosse naalden tapijt naalden in haar herinnering morfine  de stank van stervend rot  de naalden scherp zoals graafmachines het vast gekalkt dorp krijsend ontharden het dorp vol dode dennen bezet met binnenvetters bezet met wiezende varkensboeren in nostalgische weemoed over de stank van javel  en stortbeton van toen het hier nog proper was en dat kind de rotpoot had dat dorp verlaat ik dat uitgehold verlaten dorp onder loodmenie  oranje geel zinder licht dat de luwe schaduw  van twee stelen taxus zucht stukjes fossiel van de oudste wezens  in een container voor de kerk proper afgedankt en opgeruimd voor minder donker voor het nieuw inclusief parochiehuis Ik ben de geest van de man misschien was ik meer een boom Ik kan hier niet aarden met snelkutfiets of wandel rek voor mijn ontkalkte vrouw In de schaduw van de kerk rimpelen affiches op eco dennenhout dat jong politiek boerengeslacht dat veganistisch glimlacht voor bomenslacht en aanplant van siergras en onvruchtbare laagstam perelaars  voor het oranje geel zinder licht nu wordt het proper nu kunnen we wiezen nu zijn de bomen ontschorst ontzield en geveld nu onze wandel rekken nu slapen zonder te herkennen   Nu kunnen we slapen zonder te herdenken. Het wordt licht.   (Ik verhuis naar Holland;)    

Louise Doren
57 0

Den tweede tijm

“Ge kijkt precies zoveel naar uzelf”, zei onze jongste. Het was zo. Hij hield me een spiegel voor. Ik zag mijn spiegelbeeld in het grote raam. Een aangename nazomerdag zorgde voor een mooie weerspiegeling in het glas op het terras. We zaten bij familie. “Ja, het is zo”, zei ik. “Maar het is geen kwestie van ijdelheid. Zeker niet. Ik verbaas me nog elke dag over mijn grijze haren.” Die grijze haren staan ‘op’ mijn hoofd, maar ze zitten niet ‘in’ mijn hoofd. Wat beliegt een mens zichzelf toch. Natuurlijk heb ik een grijze leeftijd. Natuurlijk ben ik over de helft. Nog niet in de verlengingen, maar toch minstens in ‘den tweede tijm’, zoals men vroeger de tweede helft van het voetbal noemde.  Diezelfde avond ging het grijze avontuur verder. We zaten ergens anders, maar het was precies het thema van de dag. Iemand zei dat er een modeshow was geweest met enkel grijze mannen. Geen saaie mannen, maar mannen met een natuurlijk grijs kapsel. Iemand anders zei dat grijsheid voor wijsheid staat en toen was het hek helemaal van de dam. Een discussie tussen de grijzen en de zwarten.  Toen vertelde ik het verhaal van ‘Kojak’. Kennen jullie die serie uit de jaren ’70 nog? De acteur had altijd een lekstok in zijn mond. Enkel om te spreken ging die lolly even uit zijn mond. “Iedereen keek naar zijn lekstok”, zei ik. “Het was zijn middel om met roken te stoppen, maar door die lolly waren de mensen ook minder gefocust op zijn kaal hoofd.”  Toen begon iemand anders over ‘Columbo’, die andere detective uit de jaren ’70. En daarna had iemand het over ‘The Streets of San Francisco’.  Het bewijst alleen maar dat we ouder worden. We zitten in ‘den tweede tijm’, maar we kunnen nog altijd winnen.

Rudi Lavreysen
9 0

Volle zaal!

Bijna, bijna een volle zaal. Het is zover! Omdat ik mijn angst heb uitgekakt, verwacht ik rustig te zijn op het podium. Of toch naar het einde toe. De ervaringsdeskundigen hebben me verzekerd dat het begin moeilijk is. Het opkomen, de eerst zin vooral. Die moet vlammen. Of doven. Nog acht minuten om de laatste mensen naar hun stoel te laten zoeken. Dan zal de techniek het licht kort doven.  7, 6, 5, 4, 3, 2, 1...ik kom uit de coulissen. Ik sta op het podim, kijk naar de stilte, buig. Het moet in de genen hebben gezeten. Dat zeg ik. HET MOET IN DE GENEN HEBBEN GEZETEN. Goede eerste zin, toch? Niemand reageert. Ik ben wel zeker dat het in zijn dna zat. Zijn? Ja, dat van hem. Het zal hier de hele avond gaan over hem, die man, over mijn vader zal ik spreken. Ik zal spreken zoals hij het niet meer kon. Onlangs werd ik abrupt wakker, badend in het zweet. Ik lag oog in oog met zijn gelaat! Ik zag zijn neus, zijn zware wenkbrauwen, ik rook zijn huid van het vette type. Mijn paniek schreeuwde het uit: ik heb niet genoeg stil gestaan bij deze nachtelijke man, ik heb me nooit afgevraagd hoe volmaakt hij mijn komst vond. Ik kwam op de wereld, hij reed op zijn bmw door het drukke verkeer om toch maar op tijd bij mij te zijn. Is het belangrijk me af te vragen hoe hij de geboorte van zijn tweede kind beleefde? Ik, een meisje. Ja hoor, mijn moeder was de spilfiguur, centrale buik maar hij werd vergeten. Zij was mijn oorsprong, omdat zij mij droeg. Maar hij, waar was Antoine? Er komt een mannelijke bot geruisloos langs de gordijnen. Hij kucht. Ik draai me om.  

Ingrid Strobbe
10 0