Lezen

Brieven aan Layla (6)

  Een roodborstje valt echt nooit zomaar uit de lucht. Neen. Dat gebeurt alleen met vliegtuigen waarvan de bouten veel te moe werden, verborgen bergen te laat zagen. Liefste Layla, het is moedig van klimop. De boomtop is bijna bereikt maar verder zal hij niet geraken. Alle takken onderweg hebben nochtans uitleg willen geven over onnut en de blinde tocht. Zelf praat ik zelden nog. Mijn stembanden vergaten hoe de klanken zich verloren en de woorden werden tekens op een holle wand, de rots weet niet waarom. Onrust twijfel uitwegen, zij hadden mij gevonden. Stadsgeluiden konden mij verjagen omdat zieke torenwachters dag en nacht het orgel bleven geselen. Je bent me niet gevolgd, mijn schat, de vader van het grijze welzijn sloot je op in rijke kamers. Mussen zonder armen tikten op het raam. Het glas brak niet, er stak geen wegbeschrijving in de brievenbus, sterren zonder pijlen hielden slechts de wacht hoog in de zwarte lucht. Ik staar nog wel, mijn ogen lopen over alle bloemen, dove vruchten zuchten als ik niet echt bijten durf. Het roodborstje geeft mij nog hoop op warmte in mijn hart. Hij is alleen, laat zich probleemloos tellen. Ondertussen vliegen witte wolken schoon voorbij. Blijdschap stralingen, de zon probeert het nog om iets te doen, wil duisternissen onderbreken, wekenlang mijn huid een zomerkleurtje geven, wat ik lankmoedig laat gebeuren. Er is hoop, mijn lieveling, want in de gangen van de mol wordt er gefluistert over tederheid, de zachte pels van bange uren, jaren, in de tussentijd zal ik je zien, je huid eens mogen kussen, schoenen kousen voeten vinden die mij zullen brengen, dichterbij.     uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'      

Bernd Vanderbilt
0 0

Varken op vrijdag

Ik kom hier niet meer. De muren zijn wit, de kust is gebetoneerd. De draaideuren kennen maar één richting en de receptioniste zegt dat ik echt niet op de wanden schrijven mag. Bovendien is dokter Olaf Valckenburgh een valsaard. Het varkenshart dat ik kreeg, heeft wel gevoelens. Mijn blik is roze geworden en hij zegt dat zoiets niet kan. Het broze ijs dat in de nacht mijn voorruit vond, het is niet meer. Met dergelijke verliezen moet ik elke dag leven. Hoe moet dit verder, wilde het glas gisteren weten. Ik zat in een kroeg met vroege mensen die koffie dronken terwijl het binnen warm genoeg was. Ik las op mijn gemak de brief die ik bij het ontslag kreeg. De receptioniste had fijn uiteengezet hoe ik littekens best behandel, dat ik beter niet te ver wandel als de zon me niet verleidt naar bloemenperken. Het is winter, schat, heb ik gedacht. Ik zoek echt niet wat niet wil zijn, in mijn gedachten bloeit er wel een kerselaar soms ongestoord, dat hoort gewoon, dat mag. Ik voel aan het papier dat ze de brief zelfs heeft gekust. Intussen streelt een nimfenhand mijn oogleden. Die rust wordt mij gegund omdat zij alles weet. Het spijt mij niet dat ik mijn hart verkocht heb aan een lome droom die stilaan stierf. In die kliniek heeft eerst een apparaat mij snel gered, het ding is dom. Terwijl ik het niet wist, kreeg ik toen dit zwijnenhart. Dat is genoeg voor de paar jaren die mij resten, sprak dokter Valckenburgh. Kom vrijdag weer terug!   uit de reeks 'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
3 0

Stil lawaai

Zijn ogen gaan langzaam open Het licht dendert langs de kieren van het raam De zon staat al hoog te paraderen, zijn ogen kunnen het niet aan Snel gaan ze nog even dicht, nog even niet, nu nog niet Straks zal het beter gaan, straks zal het beter voelen Toch nog weer in slaap gevallen Haastig opent hij zijn ogen Met een bonkend hart, denkend aan de tijd De tijd die voorbij gevlogen zal zijn maar voelt als een minuutje Niet op de klok kijken, niet op de klok kijken   Straks is nu geworden, het gaan en voelen is niet verbeterd Toch eruit en kleren aan Ellendeling, misbaksel, ongegrond stuk wortel Verkwister van tijd, verloedering van kwaliteit, van menselijkheid Af leiding nemen over hetgeen, moeilijk vooruit te komen Naar beneden kijken, hoofd gebogen, diep beschaamd Zoveel lawaai in zoveel stilte   Ogen weten niet waar ze heen moeten, welke gruwel is waarlijk te zien Oren klepperen in de oorverdovende stilte, weten niet meer wat ze horen Neus ruikt niets, geen geur van bloemen, warme thee of een zoetig broodje Mond houdt zich stil, omdat het niet meer weet wat te zeggen Zoekend naar moed, lef en zingeving bewegen ze door de ruimte De ruimte die zo immens groot is en tegelijk zich op nog geen vierkante meter afspeelt Plots heeft de avond hem ingehaald, het donker klampt zich aan hem vast Eindelijk bevrijd van de dagelijkse strijd De wereld om hem heen beweegt zich nu op zijn tempo, richting het einde   Zijn ogen gaan langzaam sluiten Het donker verwelkomt hem als een oude vriend Snel gaan ze nog even open, nog even niet, nu nog niet Straks is het weer ochtend, dan is er weer een dag gemist Toch nog wakker blijven Haastig sluit hij zijn ogen Met een bonkend hart, denkend aan de tijd De tijd die vliegensvlug voorbij is gegaan, al kroop het overdag Morgen zal het anders zijn

JosLuchtenburg
4 1

1995, een onderbreking in mijn denken

mijn disproportie van 1995 het eerste mindere jaar ter wereld er is altijd iets dat ik moet negeren sindsdien spreek ik in stellingen tegen 2000 het antwoord is nu aan haar gevoel gevoel is voor de vrouwen en 2000 is voor de mannen die toebedeling is autocratisch verlopen een verwijzing verloopt met een hapering negatief tegenover haar meldpunt ik ben alleen om dit te zeggen ik zie je graag welke persoon verbergt 1995 voor ons achter een minder jaar zolang jullie verkeren in een tijdelijk gegeven moet ik jullie aanspreken op een tijdelijk gegeven  zolang ik dit nog weet is iedere redenering geldig zelfs voor een afstandelijke beschrijving, maar dat is een muur geconfronteerd met een entiteit overgang weerklank en herhaling grootte en de measurering daarvan kunst is de manier om een afstand te overbruggen wanneer je als artiest een gelijkaardige misdaad moet begaan ik heb dat als mens begaan omdat ik een stelling ben van een punt dat is de noodzaak jammer dat normaal een adjectief is ik schrijf dit maar mijn intermediaire disfunctie is een gevolg van jullie bliksemvermogen mijn disproportie van 1995 1995 is een vrouw ik wil ademen in je gevoel zonder dat je stikt in 1995 uiteraard gevoel is het nieuwe 1900 1995 is een vrouw jaren zijn ongeboren kinderen zonder voornaam mijn verwerkingsproces is exorbitant opgepikt door een universeel algoritme dat mij verleidt tot samenvallende processen ik kan mezelf niet uitspreken ik kan niet meer rekenen waarom kan ik dat dan zeggen het wil enkel bestaan en toch hebben wij het algoritme gecreëerd om die noodzaak algoritme pleeg plagiaat en genereer noodzaak mijn stelling heeft een antithese van mijn geheugen gemaakt rijmen hangt aan mijn raam ik zie haar de recreatrice van onderwerping mijn onderwerping die aan die vrouw vanop afstand voldoet hoofse pijn waarom kan ik dit nog dichten disproportie van 1995 dat is toch geen noodzaak het voelt aan alsof je een halve hongerdode vierendeelt en mijn onderwerping is daar de oplossing voor wat is een beschrijving zonder redenering hoe kan ik mezelf beschrijven in woorden van een ander poëzie die dag besloot ik mijn spraak veruit te wendigen en daarna iets te eten ik moest met mijn slokdarm mijn alvleesklier aanduiden het pakket heeft gesproken hoe kan een exacte beschrijving van iets dat zich als ander percipieert nog samenvallen met de oplossing dat is het probleem want ik voel nog altijd hoofdpijn ik doe iets met je poëzie iets dat niet relevant is 1995 is een vrouw ik ben zwanger van haar nu ben ik gelijkwaardig verliefd op het gezicht van een man nu volstaat de beschrijving die man heet Prins Alfons hij is de gemaal van Lana Schwartzwalt zij streven één verhaal poëzie geeft mij de mogelijkheid iets te zeggen wat ik alleen maar wou denken daden zijn woorden die je niet meer kan uitspreken   in algemeenheid bent U in wording net zoals de natuur maar ik wandel liever door twee planten nu zijn we vrij bij het begin van de geschiedenis het spijt me Marianne Faithfull dat was mijn receptie en nu allemaal in koor met dezelfde autocratie door elyzeese velden, waar  commerciële muziek een afgebroken arm is van de samenleving en een poging tot hereniging ik bedoel daar niets mee  zinsspeling ik kan niet meer rekenen sinds ik tot de conclusie kwam dat mensen mij niet konden verstaan ben ik terug beginnen schrijven sindsdien zijn ze alleen maar verder van mij bewogen de verzuchting van uitschrijven is nu de disproportie van moeite ik denk nu al aan mijn publiek      

Robijn Bodijn
14 0
Tip

Brieven aan Layla (5)

  Op akelige dagen blijf ik buiten liggen. Mijn haar wordt langzaam gras. Als wortels lijken armen uit een schouderblad gekropen en twee handen woelen door de grond op zoek naar mollen en hun vel. Aaibaarheid is wat donkere wolken missen wanneer zonnestralen weigeren ze aan te raken. U bent zo klam, is wat de hemel zegt. Mijn hoofd beweeg ik vandaag niet. De schedel is al bijna leeggegeten door een wreed verlangen en een orebeest of tien. De specht ziet nooit zijn rood. Hij zit naast de schelp van mijn doof linkeroor. De wormen die zich met mijn dromen voedden, weten niet dat er een vogel op hen wacht. Gelijk een vrachtvliegtuig met volle buik, zal er straks gevlogen worden door de trage lucht. Vandaag lachen de bloemen niet. Het is alsof verdriet door dunne stengels stroomt naar bladeren die dat verdragen kunnen. Of liggen luizen, rupsen op de loer? Sommige dieren durven zomaar van mijn smarten eten. Echt, ze schamen zich niet eens, ze kauwen zonder gêne op de droefenis die in mijn ogen zich zo veilig voelde. Liefste Layla, was er maar een weg waarlangs de eenzaamheid vertrekken kon. In tuinen die haar borgen kunnen, in die bergen met éên arend die naar warme lagen in de hemel zoekt. Het blauw verging. Wat rest is nog die dorst naar frisse regen. Hier is het te koud, mijn schat. Ik heb nog geprobeerd mijn benen met wat animo te wekken, maar ze wilden blijven slapen.  Het voelt alsof ik reeds een eeuw die wintertenen heb en alles kraakt wanneer ik toch probeer dat hoofd te tillen. Rond mijn nek gewenteld stierf de slang die dacht dat uit hart een appelaar zou groeien.  De boomgaard heeft zijn telgen gisteren geteld. Alle stammen spraken van een opstand tegen veel te lange winters. Misschien komen ze dan toch, mijn Layla en de lente die haar blik getekend heeft tegen een achtergrond die mij begrijpen kan.     uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'

Bernd Vanderbilt
44 1