Lezen

Een nacht

Ik kan niet zeggen dat het beloofde om een rustige nacht te worden. Er waren te veel voortekenen. Het eerste was dat er in het nabijgelegen park een openluchtfuif doorging. De wind stond helemaal verkeerd waardoor op de eerste verdieping waar de slaapkamers waren de beats voelbaar waren. De organisatoren hadden ons twee gratis tickets gegeven, maar we konden de kinderen hier niet alleen in hun bed laten liggen om zelf te gaan feesten. “We gaan geen Maddy McCannetje doen,” zei mijn vrouw, “daar heb ik geen zin in.” Sowieso zijn we niet echt uitgangstypes, een trouwfeest tot daar aan toe, en dan stond ik ook op de dansvloer, de hele avond, maar een massafuif vol met zatte jongeren, nee dank je, daar heb ik geen behoefte aan, en mijn vrouw ook niet, nog minder dan ik. Als er nu een groepje zou optreden, zou ik dat anders vinden, naar live-bandjes ga ik graag kijken en luisteren, dan ben ik degene die achteraan in de zaal meeknikt met de muziek, maar er kwam geen live-bandje, alleen maar dj’s met klinkende namen. Enfin, laat maar dus. Het tweede voorteken was dat mijn vrouw twee glazen rosé gedronken had. En als mijn vrouw alcohol gedronken heeft, zelfs al is het maar één glas, dan snurkt ze, dus ook daar had ik ook al geen goed oog in. Niet dat mijn vrouw vaak alcohol drinkt, gelukkig niet, maar de dag ervoor was er een vriendin op bezoek geweest en ze hadden een fles geopend en niet leeg gedronken, en ja, die moest dan nu wel leeg, anders was het verspilling. Enfin, op zich waren dat al voortekenen genoeg dat ik mijn nachtrust op mijn buik kon schrijven, maar daar kwam dan nog bij dat het paard in de wei hiernaast op bevallen stond, en dat ik er geen vertrouwen in had dat de asielzoekers uit het pas geopende asielcentrum vlakbij zich onbetuigd gingen laten met die fuif. Zeker niet die jong mannen. Ik voorzag al een boel heibel, met politiesirenes en ambulances. Ik weet het, het is misschien niet netjes van mij om dat te denken, maar ik was er toch bang voor, en dat droeg bij aan het ongemakkelijke vooruitzicht dat ik had op de nacht die zou volgen. Gelukkig was dat laatste een factor die helemaal niet van tel zou blijken. De rest daarentegen. Mijn vrouw was al naar boven en ik keek nog wat tv, breinloos zappen tot ik bij “The Mummy” terecht kwam. Die film was nog wel geinig en ik keek hem helemaal uit, languit in de zetel met mijn voeten op het salontafeltje. Ik had een boek naast me liggen “God Emperor of Dune” dat ik open sloeg vanaf het moment dat er een reclameblok begon. Dat deed ik vaker zo. Af en toe miste ik dan wel eens dat de film opnieuw begonnen was, maar dat stoorde nu ook weer niet zo erg. Het glas alcoholvrije bier, zonder alcohol sinds ik die pillen moet pakken van de dokter, was leeg en ik droeg het naar het aanrecht, terwijl de mummy op tv wegvluchtte voor een kat. Mijn blaas zat vol, dus ging ik die ledigen op het toilet in het gangetje. Ik hoorde mijn vrouw al ronken en ook de beats van de fuif in de buurt waren goed hoorbaar. Het paard van de buren stond nog niet te kreunen dat was al iets. Ik hoorde de buurvrouw bezig tegen wat volgens mij de veearts was. Door de verluchting van het toilet was alles van buiten altijd zo goed hoorbaar. De koker en het toilet samen vormden samen een klankkast voor alles wat er zich buiten afspeelde. Ik trok aan het koordje van de verluchting en het geluid werd direct gedempt. Ik was gaan zitten op het toilet en omdat ik nu toch zat, perste ik er een paar drollen uit, die met een plonsje in het wc-water terecht kwamen. Even later lag ik weer in de zetel met mijn voeten op het salontafeltje, reclame voor mannenparfum. Ergens ben ik toen ingedommeld en werd ik wakker van rumoer buiten op straat. Ik schoof mijn pantoffels aan mijn voeten en slaapdronken stapte ik door de keuken naar buiten. Het was een heldere nacht met een grote halfvolle maan en veel sterren. Ik had niet gekeken hoe laat het was, maar ik schatte dat het ver voorbij middernacht was. Het had een prachtige zomernacht kunnen zijn, als die stemmen er niet waren. Ik ging kijken op straat en zag een auto met de kofferbak open in het midden van de straat staan, vlak voor de ingang van het asielcentrum. Vooral vrouwen, soms met een kind op de arm, hadden het druk. Het leek alsof er vanalles verhandeld werd. Af en toe hadden de vrouwen een pakket onder de arm. De buren hadden hun terraslicht nog aan. Ik kon van hier zien hoe de muggen rond hun hoofden vlogen. In de wei stond een veulen naast de moeder. Die bevalling was dus al gebeurd. De zware drums en bassen werden weerkaatst tussen hun en onze muren. Weer een klankkast, dacht ik. Misschien dat een paar bomen, strategisch geplaatst vooraan hun paardenwei het probleem zouden kunnen oplossen, maar die mochten dan ook weer niet te hoog worden, die bomen, want anders namen ze het zonlicht weg van de zonnepanelen die bij ons aan die kant op het dak lagen. In de winter kwam de zon al niet boven de bomen van het bos aan de overkant van de straat uit, en hadden we al weinig profijt van onze investering. “Wakker geworden van het lawaai, buurman?” Ik schrok. Ik had Jordy niet horen aankomen. “Ja, wat is dat hier ook op de straat?” “Dat is een Nederlandse hulporganisatie die hier om twee uur ’s nachts pampers en babyspullen komt uitdelen. Ik heb er al eens voor gebeld, vorige week en de week daarvoor was het ook al van dattum.” “Kunnen die dat niet overdag?” “Het asielcentrum zegt dat zij er niks aan te zeggen hebben. Dat is niet hun verantwoordelijkheid. Maar ik heb ook net de politie gebeld. Ik ben eens benieuwd.” “En dan die fuif.” “Ja, ’t is me mijn nachtje wel, en dan de bevalling.” “Meisje of jongen?” “Een hengstje. We zijn nog aan het discussiëren over de naam. Weet jij geen stoere naam?” “Ik vind ‘Noise’ precies een goede naam voor een paard dat deze nacht geboren is.” “Daar zeg je zoiets.” “Is het vlot gegaan.” “Veel vlotter kan niet, denk ik. Moeder en kind stellen het heel goed. Het veulentje ging bijna onmiddellijk staan en heeft ook al gedronken. Maar ik had ook niet anders verwacht als je de vader kent. Dat is ook zo’n hevig paard.” “’t Is anders een mooie nacht. En ook zo perfect stil en rustig als er niet zo veel lawaai was.” Op dat moment kwam er een groepje van zo’n zeven tot tien twintigers de straat in gestapt. Twee mannen trokken naar de bomen aan de overkant en lieten hun broek zakken. Hun hemden stonden half open en hingen over hun achterwerk, dunne straaltjes blonken in het licht van de straatlantaarns. Hun hoofden en lijven dampten. “Gij zijt een dikke trut,” klonk het plots uit de mond van één van de dames, en dat klonk gemeend. “Houw, houw, ’t zal wel gaan zeker, ik heb toch niks verkeerds gedaan,” was het antwoord. “En een slet, een dikke, dikke slet.” Jordy en ik keken naar het groepje waggelende twintigers. De dame in kwestie was in duidelijke aanvalsmodus en de rest probeerde haar te sussen. De twee wildplassers kwam toegelopen met hun riemen nog los. “Gij doet net alsof ik het alleen was. Hij heeft met zijn handen aan mijn kont gezeten, en hij heeft initiatief genomen. Ik niet.” “Och, jong, ge hadt het graag. En wat zal het vriendje ervan zeggen.” “We hadden gedronken. Dan kan zoiets gebeuren. Dat betekent daarom toch niks.” “Ge wist dat ik … Och vuile verraadster. Ik zal jou nog eens ooit in vertrouwen nemen.” Het volume was nog toegenomen. Net op dat moment kwam een politiecombi met zwaailichten de straat in. En hield halt vlak bij het groepje. Met een luide knal ging de koffer van de bestelwagen toe en in een wip en een zip waren de vrouwen verdwenen. De bestelwagen trok op en snelde voorbij de combi en het groepje met de ruziemakende dames. “Daar gaat de reden waarom je gebeld hebt de hoek om.” “Ik heb de nummerplaat opgeschreven.” De agenten lieten hun zwaailichten opstaan en draaiden hun raampjes omlaag. Hun stemmen klonken zwaar en traag in de nacht in vergelijking met de schelle vrouwenstemmen. Eén van de wildplassers leunde tegen de combi en gaf over. De agenten stapten uit. De dames zetten hun discussie met gedempte stemmen voort. In het huis waar ze voor stonden, floepte het licht aan de voordeur aan en een hond blafte. Een andere jongeman gaf over. “Sorry, sorry, sorry,” zei hij, “maar ik kan dat echt niet zien of ruiken als er iemand overgeeft. Dan moet ik ook.” “Ik moet kakken,” zei een andere en hij zetten een paar stappen het bos in en trok zijn broek naar beneden. Van hieruit konden we een lange drol van tussen zijn witte billen naar beneden komen. “Je kunt niet zeggen dat er niks gebeurt, hier in de straat,” zei Jordy. “Wat een soap, zeg!” antwoordde ik. Een tiental minuutjes daarna stond de politiecombi bij ons. Nog steeds met de zwaailichten aan. De gordijnen in de kamer van de oudste bewogen een beetje en ik zag zijn snuit naar beneden kijken. Ook dat nog, dacht ik. “Hadden jullie gebeld?” “Ik had gebeld,” zei Jordy, “maar niet voor die zatlappen.” “Nee, voor een auto hier aan het asielcentrum, of wat was het, maar ik neem aan dat die al weg is. Ik zie hem toch niet staan.” “Je hebt ‘m net gemist, maar ik heb de nummerplaat.” “Laat maar eens zien, dan zullen we ze eens contacteren.” Jordy gaf een klein slordig geschreven briefje door het raampje aan. “Is dat hier altijd zo veel lawaai als het fuif is.” “Ja, wel als de wind uit de verkeerde richting komt, zoals nu.” “We zullen eens vragen wat we daaraan kunnen doen, want volgens mij, gaan ze los over de geluidsnorm.” “Dat hoeft niet, hoor, ’t is maar een paar keer per jaar dat er daar een fuif is, dus dat valt nogal mee. Die bestelwagen in het midden van de nacht, hier aan de poort van het asielcentrum is twee à drie keer per week, dat is veel lastiger.” “Is dat echt? En wat komen die dan doen?” “Ik heb er het asielcentrum al over aangesproken, maar zij zeggen dat het niet hun verantwoordelijkheid is omdat het een externe hulporganisatie is die hier in het midden van de nacht spullen komt uitdelen. Ze wilden dat eigenlijk op hun parking doen, maar dat mag niet. Zij mogen die niet op hun terreinen laten.” “Dus moet het maar op straat. In het midden van de nacht. En wie zegt dat het geen drugstraffiek is? Ik vertrouw dat zaakje niet. We zullen er eens achteraan gaan.” “In het midden van de nacht is ook gewoon geen stijl.” “Juist.” Het groepje jongeren passeerden op dat moment. “Waar gaan jullie eigenlijk naartoe, vroeg de bestuurder van de combi?” “Naar het centrum. De fuif stopt over een half uur en we willen nog op café.” “Het is nog meer dan een uur stappen langs het kanaal naar het centrum van hieruit. Tegen dan zullen jullie wel nuchter zijn. Zie maar dat je niet in het kanaal sukkelt.” “Hey, nog eens sorry dat ik tegen de combi gekotst heb.” “’t Is al goed. Zie maar dat jullie mekaar niet kwijt raken onderweg en hou het veilig.” “Goed, hoor, wij zijn vrienden, wij zorgen voor mekaar.” We keken het groepje na, en hoe ze een honderd meter verder, het fietspad namen in de richting van het jaagpad. Buiten het geluid van de fuif, dat dus over een half uur zou stoppen, werd het stil. “We zullen maar eens,” zei de agent, “we kunnen hier nu niet veel meer doen. En we gaan erachteraan, achter die bestelwagen, wees maar gerust. We gaan hier draaien op de oprit, als je het niet erg vindt.” “Nee, doe maar.” De combi verdween in de richting van het begin van de straat. Nog steeds met de zwaailichten aan. Pas op het kruispunt zag ik dat ze uitgeschakeld werden. Er hing al heel wat jong volk op de straat. Drie fietsers kwamen onze richting uit. “Dan zal ik ook maar eens terug naar binnen gaan. De fuif loopt op zijn einde en dadelijk zal ik wel kunnen slapen.” “Wij blijven nog even zitten, buiten,” zei Jordy, “Wij zitten nog vol adrenaline van die bevalling. En morgen is het zondag, dus kunnen we lekker lang uitslapen.” “Dat zal er voor mij niet in zitten. De jongste is vaak om zes uur wakker, je kan er de klok op gelijk zetten. En dan is ze wakker, en wakker is wakker bij haar.” “Slaapwel dan, zeker!” “Merci. Slaapwel voor straks dan.” Binnen dronk ik nog een half glas warme melk voor ik het licht in de keuken uitdeed en in het duister naar boven ging. “Papa?” hoorde ik bovenaan de trap. “Wat is er grote jongen?” “Waarom was de politie hier?” Ik stapte zijn slaapkamer binnen. “Had je dat gezien?” “Ja.” “Er waren mensen op straat die te veel lawaai maakten en dat mag niet.” “O.” “Sèg, weet je wat? Het paardje is vannacht geboren.” “Echt! Mag ik gaan kijken?” “Nu niet, jongen, maar morgenvroeg wel, nu moet je nog wat slapen.” “Mama snurkt.” “Ik hoor het, jongen, dat is ook veel lawaai, eh!” “Ja. Dan moeten we ook de politie bellen,” giechelde hij. “Dat zullen we maar niet doen, eh jongen.” “Papa?” “Zeg het eens.” “Wil je nog even bij me komen liggen?” “Eventjes dan. Hier, ik zal je eens goed onderstoppen.” Hij draaide zich op zijn linkerzij en zuchtte. “Papa?” “Ja, jongen.” “Je moet wel met je arm over me heen liggen.” Ik draaide me ook op mijn linkerzij en legde mijn arm over hem heen. “Zo goed?” “Ja.” Binnen de twee minuten hoorde ik zijn adem verstillen. Hij was in slaap gevallen. Waar was de tijd dat het zo vlot ging, dacht ik. Ik deed mijn pyjama aan in het donker van onze slaapkamer en hing mijn kleren slordig over de stoel. Ze moesten morgen toch in de was. Ik kroop naast mijn vrouw onder de lakens, maar had het snel te warm, dus schoof ik mijn benen onder de lakens uit en liet slechts een tipje over mijn middel liggen. Ik schoof mijn handen onder mijn hoofd en keek naar het plafond. Ik duwde mijn vrouw lichtjes in de zij waardoor ze zich op haar zij draaide en het snurken ophield en zwaar ademen werd. Even later lag ze terug op haar rug en ging het snurken door. De muziek van de fuif hield op en maakte plaats voor fietsers en brommers over de straat. Ik duwde mijn oorstopjes diep in mijn gehoorgangen en luisterde naar mijn eigen adem en hartslag. De voortekenen van een onrustige nacht waren correct geweest, dacht ik, en, ach ja, ik had toch al een beetje geslapen in de zetel. Zo rond half zes moest ik nog eventjes in slaap gesukkeld zijn. Om zes uur klonk een helder stemmetje vanop het toilet boven. “Ik ben klaa-aar.” “Ga jij maar eens,” grommelde mijn vrouw, “ik ga altijd al.”

Hans Van Ham
9 0

ik lees met Mees -- fiets

  Dit is mijn dorphier is mijn straatin die straat staat mijn huisin dit huis woon ik   dit is meesmees haar jurk is roosmees is zes jaarmees zit in mijn klasik speel vaak met mees   in ons dorp is een bosin het bos staat een hutnaast die hut zit ikmijn fiets is meeik maak me klaar   daar is mees-dag mees!mees zit op haar fietshaar fiets heeft een belTING TING doet de bel-ben je klaar?helm op en hupik ga meemee met mees   ik weet een spelwe doen een koersik rij een toerzo snel ik kanen dan mag mees1      -      2      -      3      -      START   ik rij mijn toerdoor het bosnaar de wegen weer naar de hutik ben snel   nu mag meesmees is ook snelze kent mijn toer:door het bosweer naar de wegen dan    - BOEM-   daar is een puteen put in het bosen daar ligt meesnaast haar fiets   mees weentmees heeft pijnpijn aan haar kniemees huiltze wint nietik troost haarde pijn gaat weg   mees staat ophaar jurk is viesmees wil geen koers meermees wil naar huis   daar is mijn huisen daar is mijn tuinmet een boomen nog een boomen aan de kant een haagik zet mijn fiets wegmees doet dat ook   ik weet nog een spelmees kent het ook-wat zie ik in de wolk?ik lig op het grasmees ookik kijk en zeg-het is een bolmees gilt-ik zie een bal   nu mag meesmees kijkt en toont-het is lang-een slangik zie de slang ook   nu mag ik weer-ik zie,    ik zie...dat is gekik weet niet wat ik zieik toon het aan meesmees is blij-ik zie,    ik zie,wat jij niet zieteen wielen nog een wielen een stuur-ik zie een fietseen fiets in een wolk   mees kijkt naar mij-ik weet van wie die fiets is-ik niet-het is jouw fietshoe weet mees dat?-die fiets heeft geen belja, dat is waarnet als mijn fiets   ik kijk en ziebal, slang, fietsen meeswie ben ik? WOLF

Rosemarijntje
7 1

ik lees met Mees -- buik-boek

Dit is de straat van Mees. Daar staat haar huis. Ik stap er heen. Ik ben er zó. Ik slaap daar straks. Mees is blij. Mee is blij. Ze zwaait al. Ze lacht naar mij. Ik hou van Mees. Mees ziet mij ook graag. -        Dag Mees, hier ben ik weer! -        Wat wil je doen? -        Ik weet een leuk spel: jij beeldt iets uit en ik raad wat. -        Of we doen gek.  -        Dat is ook tof. -        Ik zet een hoed op met een bloem. En ik draag een strik om mijn hals. -        Oh, en ik verf je neus rood! -        Wat kies jij? Een pruik? Dat klinkt leuk! Mees neemt mijn hand en trekt me mee de trap op. Ik ken de weg. Haar bed staat links. Het is groot en paars. Pop wacht op ons. Ze zit al klaar. Naast het bed staat een kist. Ik zie de hoed met de bloem. Mees zet hem op. Ik zoek iets voor mij. Ik kies een rok en trek hem aan. De sjaal sla ik om me heen.Na een uur zijn we klaar. Gek doen is leuk en fijn met twee. Het maakt ons moe. Mees wenkt naar me en sluipt de trap af. Ik glip mee het huis uit. Ik weet dat het mag. “Kom”, zegt Mees, “We gaan naar de bib.”Het is niet ver. We gaan te voet. De bib is groot. Rij na rij. Kast naast kast. Rek naast rek. Mees kiest een boek. Een boek met een draak. Op de kaft staat ook een man met een zwaard.Ik zoek nog. Ik wil ook een boek. Ik sla een gang in. Ik kijk in het rek naast het raam. Ik vind een boek dat me leuk lijkt. Het noemt “ In de buik”. We gaan naar huis. Elk met ons boek. Mees zit op haar bed. Ze lees uit haar boek. Ze leest luid. Zo hoor ik het ook. “De man gilt. De draak spuwt vuur. De man is bang.” Ik hou niet van dit boek. Het is voor mij te eng. Mees snapt het en knikt. “Lees jij maar uit jouw boek.”Ik zit naast Mees op het bed en start. -        Dit is mam en dit is pap. Pap heeft een snor. Die prikt.Mam haar buik is bol. Het lijkt wel op een ton. In die buik zwemt mijn zus. Ze is nog klein. Eerst was ze zo klein als een noot of een druif. Dan zo groot als een kool. Ze groeit snel. En toch te traag. Want ik wacht niet graag. Dus ik geef de buik een kus. SMAK.Soms voel ik mijn zus. Het lijkt of ze schopt naar mij. Ze rolt in de buik. Ik kan dat zien. “Hé”, zegt Mees, “Dat lijkt op jou! Jij krijgt ook een zus!”Dat is waar! Ik lach mee met Mees. Dit boek is leuk. Ik sta in het boek. En mijn zus ook. Ik lees nog meer. Niet luid, wel stil. Ik zoek de naam van mijn zus. Zou die hier in staan? Dan roept Roos. Roos is de mam van Mees. Het licht moet uit. Het is al laat. Het is tijd voor bed. Die nacht droom ik van pret met Mees. En ook van mijn zus. Ik hou nu al van mijn zus. Ik wil dat ze uit de buik komt.

Rosemarijntje
1 0

Ciao & Ché

  Ciao & Ché “Ik hoop zo hard dat deze Achilles zijn Patroclus zoekt…”   Ciao knabbelt aan zijn stylo. Hij glimlacht. Hij antwoordt niet op mijn vraag. Of toch niet meteen. Ik tel dus. Hij blijft ondertussen knabbelen en glimlachen. Hij kijkt me wel aan. Ik tel op zijn minst twintig tellen. Traag geteld. “Niet fanatiek…” zegt hij dan. Hij trekt zijn wenkbrauwen op in een Italiaanse meeh-geste. Maar hij zegt het niet letterlijk. Geen meeh dus. “Meeh!” zeg ik dan maar. “Ge zijt verrast?” “Kweenie…” Ik weet het inderdaad niet. Ik weet niet of ik dit antwoord misschien toch ergens had verwacht. Of misschien had gehoopt? Hij ziet zonder twijfel dat ik zijn antwoord wel fijn vind. Fijn…? Intrigerend eerder…? Is hartverwarmend juister? Een snellere hartslag? “En Marijke?” vraag ik dan. Hij lacht ondeugend. “Marijke? Ik kan u exact dezelfde vraag stellen, toch?” Hij doet dat dan ook: “En Marijke?” Ik lach ook. Word ik een beetje rood? Hij woelt even met beide handen door mijn haren.  “Ik was eerst!” zeg ik. “Ik heb haar heel graag… dat weet ge!” “Weet ik! Ge knuffelt haar wel maar zelden… nooit eigenlijk…” “Omdat gij dat altijd al doet, pipo! Ge doet niks anders!” “Zoudt ge dat willen? Haar knuffelen?” Hij haalt opnieuw zijn wenkbrauwen op. Zijn schouders ook. “Niet echt fanatiek…” “Ik wist dat ge dat ging zeggen.” “En gij geeft haar dikwijls een lief kusje…” “Zoals aan een zusje! Een kusje aan een zusje!” lach ik. “Of ziet ge dat verschil niet?” “Ik doe dat niet bij mijn zusjes”, plaagt hij. “Seffens gaat ge nog zeggen dat dat meisjesachtig is… dat ik me als een meisje gedraag…” Ik zeg het met een brede glimlach, maar ik wil wel graag weten wat hij denkt. “Ik vind dat ge totaal niet meisjesachtig zijt, Ché…” zegt hij half-ernstig. “Maar als ge dat liever hebt… zal ik u Chéca noemen? Of nee, Chica natuurlijk!” Hij ontwijkt handig mijn schop. “Chiquita dan?” “Gij zijt zelf een banaan!” “Ze is wel een mooi meisje… ons Marijke…” Ik glimlach. Ik weet niet wat Marijke ervan zou vinden… dat wij haar “ons Marijke” noemen… Maar eigenlijk is ze dat wel. Natuurlijk meer “mijn” dan “zijn” Marijke, dat zeker…  “Maar ge droomt niet van een echte kus… met haar? Niet ‘fanatiek’, bedoel ik dus?” vraag ik nonchalant. Hij schudt het hoofd. “Gij wel?” “Niet fanatiek…” Drie tellen stilte. Dan vraagt hij knabbelend: “Hoe lang ken ik u nu, Ché?  “Bijna vier maanden… Waarom?” “Ge stelt wel heel directe vragen… ge lijkt wel een Italiaan!” “Dat komt door al die spaghetti van uw mama!” “Meeh… straks… na de spaghetti… wat gaat ge me dan vragen?” Ik gooi er meteen uit: “Aan wie ge denkt als ge alleen zijt… ’s nachts bijvoorbeeld…” “Mietsjiegaa, Benji!” “Niet meer Ché?” We lachen heel uitbundig. We gaan de keuken binnen. Tijd voor spaghetti.   Ik ken Benjamin nu inderdaad vier maanden. Nee, ik ken Ché vier maanden! Benjamin ken ik nog niet echt… Maar ik leer hem iedere dag beter en beter kennen.  Hij heeft die gekke glimlach, vooral in zijn ogen. Al weet ik dat hij meestal heel triest is… Maar bij mij glimlacht hij. Iedere dag iets meer. Hij weet dat ik hem heel graag heb. Ik vraag me soms af of hij niet vindt dat ik me te veel aan hem opdring… Denkt hij misschien dat ik te nadrukkelijk probeer om zijn beste vriend te worden? Dat ik gebruik maak van de leegte die Kasper, zijn meer-dan-beste-vriend, heeft nagelaten? Dat ik Kaspers plaats probeer in te nemen? Want dat is niet zo. Dat probeer ik niet. Denk ik toch. Ik begrijp hoe hij zich voelt, zonder Kasper nu. Hij is zo vreselijk eenzaam. Zo overduidelijk verloren…  Ik ken dat gevoel. Ik voel me eigenlijk bijna altijd eenzaam. Niet dat ik ooit een meer-dan-beste-vriend heb gehad, dat niet… Misschien ben ik juist daardoor zo eenzaam? Omdat ik nooit zo dicht bij iemand ben geweest?  Sinds ik Benji en zijn verhaal met Kasper ken…  al heeft hij er nog nooit helemaal openhartig met mij over gepraat… sindsdien heb ik al vaker gewenst dat ik ook zo iemand had. Of is ‘verlangd’ beter dan ‘gewenst’? Het verhaal van Benji en Kasper verwart me. Benji verwart me…  Zou hij weten wat ik soms denk wanneer we samen zijn? Wanneer we wiskunde doen… of wanneer we spaghetti eten? Wanneer ik hem zit te plagen… of wanneer ik  door zijn haren woel? Dat vindt hij niet fijn, dat doet hem zonder twijfel aan Kasper denken… dat weet ik wel. Waarom doe ik het dan toch nog af en toe? Hij heeft me daarnet gevraagd aan wie ik ’s nachts lig te denken… Hij is naïef genoeg om te geloven dat ik aan Marijke lig te denken. Hij is soms echt ongelooflijk naïef! Wel zalig naïef… Misschien heb ik hem daarom zo graag? Wanneer hij verontwaardigd is, heeft hij van die grote, verbaasde ogen en dan flapt hij er zomaar iets uit… Ik hou van die verontwaardigde blik… Hij krijgt ook ogenblikkelijk tranen in zijn ogen wanneer hij iets triests of vreselijks ziet of hoort. De film die we vorige week samen hebben gekeken… “The way we were”, een romantische film met Robert Redford en Barbra ‘Strooizand’. Benji heeft echt zitten bleiten… Als een klein kind. Ik vond het zo grappig toen hij zich daarna schaamde en vroeg of ik hem meisjesachtig vond…  Hij is ook aandoenlijk grappig wanneer hij de macho probeert te spelen. Hij kan dat echt niet. Al is hij wel soms een fel manneke. Ik heb ook al gezien dat hij een duiveltje uit een doosje is wanneer hij kwaad is.  Ik vind het fijn om hem te beschermen. Om hem van die pestkoppen te redden.  Ziet hij mij als een Grote Broer? Of… Ziet hij misschien dat ik heel graag zijn meer-dan-beste-vriend zou willen zijn…? Voelt hij dat? Ik denk het niet. Daar is hij te naïef voor… en hij is ook veel te nadrukkelijk met Kasper…  Hoe zou hij reageren als ik straks zou bekennen aan wie ik lig te denken ’s nachts, als ik alleen ben, als ik me eenzaam voel…  Ik ben er vrij zeker van dat hij niet kwaad of verontwaardigd zou reageren… misschien eerder triest? Ik wil hem niet triest maken. Dat is hij zo al… Ik ga hem seffens een grappig en ontwijkend antwoord geven op zijn veel te intieme vraag…   “Aan wie denkt ge dan?” Ciao knabbelt aan zijn stylo. We zitten in de werkkamer van zijn vader. De spaghetti was uiteraard de beste van de wereld. “Ge verwacht toch geen eerlijk antwoord?” Hij glimlacht breed. “Ik hoop toch op een antwoord… eerlijk is misschien een beetje te veel gevraagd?” Hij lacht. “Dan… zeg ik…” “Dat dat van het moment afhangt?” Hij gooit zijn stylo naar mij. Een beetje te hard, want hij raakt mijn hand en dat doet pijn. “Meeh, pipo!” “Sorry! Ik wilde uw voorhoofd raken!” “Heb ik iets verkeerd gezegd? Of misschien de nagel op de kop…?” Hij raapt zijn stylo op en drukt die nadrukkelijk tegen mijn voorhoofd. “De nagel op de kop!” schatert hij. “Aauw, pipo!” “Nu ziet ge er als een hindoe uit… dat krijgt ge er deze week niet meer af!” Ik voel met mijn vingers aan mijn voorhoofd en ik zie dan blauwe inkt.  “Ge hebt mijn antwoord gepikt! Dat wilde ik antwoorden… dat het van het moment afhangt.” “Ge zijt gewoon te traag!” Hij verdwijnt dan even. Tien tellen later is hij terug met een linnen zakdoek en een flesje. “Aftershave van mijn pa!” zegt hij en hij giet een flinke geut op het zakdoekje. “Gaat ge me opereren?” Hij veegt dan mijn voorhoofd schoon met die zakdoek. “Prego, Ché!” “Dus…” zeg ik. Hij zucht. “Soms…” “Is dat dan soms ’s avonds of ’s nachts of door de dag?” “Meeh, Ché…” “Of als ge triest zijt? Soms? Of als ge u blij voelt? Soms?” “Vult gij het maar in… ik ben duidelijk te traag…” “Ik wacht wel…” Ik zet me nonchalant in een grote fauteuil. Ik steek een stylo tussen mijn lippen alsof het een sigaretje was. Hij ziet dat het zijn beknabbelde stylo is. “Das de mijne!” lacht hij. Ik haal mijn schouders op. “Nu is het de mijne!” “Het maakt inderdaad uit of ge u triest of blij voelt… dat is waar.” “Ik eigenlijk alleen als ik me triest voel…” beken ik. “Ik eigenlijk ook… nu ge het zo zegt…” Minstens vijf volle tellen stilte. “Maar af en toe denkt ge misschien toch ook gekke, zotte dingen? Té zotte dingen?” “Dat gebeurt wel… Als ik me heel vrolijk voel… als ik me licht in mijn kop voel… als de zon schijnt…”  “Ligt ge dan buiten in de zon te denken?” “Zalig!” “Mag ik weten…” Hij onderbreekt me al. “Ge zijt ongeduldig, Ché! Ik ging u dat wel vertellen. We zijn vrienden, meeh…” Ik zeg niks. Ik glimlach en wacht. Vier tellen. “In het zonneke droom ik van… denk ik aan…” “Aan wie?” “Meeh, Ché… wie zegt dat ik aan iemand lig te denken? Ge zijt ofwel veel te romantisch…” “Ofwel?” “Of ge zijt een viezerikske? Ge ‘denkt’ misschien te veel?” We lachen allebei luid. “In het zonneke denk ik aan een fantastische goal… van mij! En ik speel dan bij een topploeg hier in België!” “Bij Winterslag?” lach ik. Iedereen in mijn directe omgeving supportert voor die ploeg. “Das geen topploeg, he! Eerder Standard of Anderlecht! In een groot stadion en iedereen scandeert dan mijn naam!” Ik heb intussen wel door dat hij opzettelijk ‘denken’ interpreteert als denken. Hij wil niet verraden aan wie hij denkt terwijl hij ‘denkt’… Durft hij dat niet? Tegenover mij, zijn nieuwe beste vriend. Wil hij dat niet? Ik vond het in het begin… niet zo heel lang geleden dus… verrassend en een beetje gênant hoe Ciao zich altijd op de een of andere manier in mijn gezelschap manoeuvreerde. Hij zocht mij duidelijk op, ik hem niet echt… Het was pas nadat Marijke me ervan overtuigde dat Ciao een goede vriend kon worden en dat hij daarom Kasper niet hoefde te verdringen. Ik vond het ook vervelend dat sommige jongens in de klas en op de speelplaats insinueerden dat ik een nieuwe ‘halfgod’ had gevonden… opnieuw groot en sterk en dit keer helemaal met een heldenstatus, een door iedereen bewonderde voetballer, de onbetwiste kapitein van het schoolteam…  Marijke heeft me het verhaal van Achilles en Patroclus verteld en ik herkende die relatie helemaal in Kasper en mij…  maar nu lijkt Ciao nog nadrukkelijker op een Achilles…  Ik vraag me af of deze Achilles op zoek is naar zijn Patroclus… Maar ik moet wel eerlijk toegeven dat ik het fijn vind dat hij altijd aan mijn zijde staat. Dat hij me zo spontaan en al zo snel “mijn goede vriend” noemt. En ik vind het ook aangenaam dat hij vaak met die glimlach naar me kijkt wanneer hij aan zijn stylo zit te knabbelen. Hij weet uiteraard dat ik hem graag heb. Maar zou hij ook weten dat hij me soms… verwart? Dat hij me meer en meer verwart?   Zou hij weten dat hij me verwart? Dat ik steeds vaker aan hem zit te denken? In zijn betekenis van dat woord.  Zo te zien… ik denk dat hij het weet… Vraagt hij zich niet af waarom ik altijd zijn gezelschap zoek terwijl ik toch constant omringd word door ‘kameraden’ en ‘bewonderaars’… die vinden dat ik er macho uitzie en vooral dat ik goed kan shotten… Zou hij dat beseffen? En vooral… zou hij dat fijn vinden? Ben ik zijn Grote Broer? Terwijl Kasper voor eeuwig en altijd… Denkt hij voortdurend aan Kasper? Denken…   “Meeh, Ciao! Ge vult denken wel een beetje anders in…” Hij lacht vrolijk. “Denkt ge?” “Dus wat als ge niet vrolijk in het zonneke ligt? ’s Nachts in uw bed bijvoorbeeld… Aan wie, sorry… aan wat denkt ge dan?” “In mijn meest intieme momenten?” “Ge snapt het!” “Dan droom ik van een nog heerlijker doelpunt… van mij uiteraard! In een nog groter stadion… ik speel dan natuurlijk in Italië… bij Juve, of wat dacht ge?” Hij schatert nu. Hij ziet dat ik een beetje beteuterd kijk. Hij woelt even door mijn haren. “Zijt ge nu erg ontgoocheld?” “Totaal!” lach ik. “Ik ben er kapot van! Ik had zo gehoopt…”   Wat hadt ge zo gehoopt, Benjamin? Ik zou zo graag willen weten wat ge in alle eerlijkheid hadt gehoopt te horen…  Ik zou het u zo vreselijk graag vertellen… maar dat is totaal onmogelijk…    “Gunt ge mij dan geen heldenstatus in een uitzinnig stadion vol gekke tifosi? “ “Als gij morgen bij Winterslag speelt… dan ga ik geen enkele match van u missen!” “En als ik overmorgen bij Juventus speel?” “Betaalt ge dan mijn reis en mijn hotel?” “Mietsjiegaa, Ché! Dan woon ik in een sjieke villa… dan slaapt ge bij mij!” “Dreamer! You know you are a dreamer! Can you put your hands in your head? Oh no… oh no..” zing ik. Supertramp natuurlijk. Maar waarom vind ik zijn laatste opmerking, die laatste zin, zo subliem? Zo heerlijk subliem?     Korte duiding: Dit is in feite een spin-off van mijn roman "Open boterham plattekaas met suiker" (zie o.m. de mooie recensie van Jan Stoel op Boekenkrant). Dat is een coming-of-age en meteen ook een coming-out verhaal dat zich afspeelt in de jaren 70 in Limburg. De verteller is de 15-jarige Benjamin. Het taaltje is kenmerkend voor die tijd en die streek.  De protagonisten zijn ook hier in dit kortverhaal jongens van 14 jaar jong, die verliefd zijn op mekaar, maar zich niet meteen kwetsbaar durven op te stellen... Herkenbaar voor iedereen die ooit eens verliefd is geweest, toch?      

Benji Van Winterslag
0 0

In de arena

Thuis in mijn veilige cocon verwerk ik het leven, de oude en nieuwe indrukken die het naliet, en laad ik weer op voor de volgende ronde in de arena. Met de arena bedoel ik iedere ruimte waar ‘anderen’ zijn. Anderen die mogelijk triggers, uitdagingen en oncontroleerbare waanzin op mijn pad gooien. Of anderen met hun verwachtingen, oordelen, conventies en ongeuite maar voelbare energie. Ik kan die ander natuurlijk niet verantwoordelijk stellen voor mijn gevoelens en ervaringen, zo ver ben ik gelukkig al. Het is echter de alchemie van mijn persoonlijke energieveld met dat van een ander waaruit een mix ontstaat die mij ofwel smaakt, voedt, op de maag ligt of doet kotsen. Rustig gecentreerd in mijn eigen authentieke energie zie ik alles klaarder dan ooit. Daar ontstaan de inzichten, levenslessen en de voornemens. In mijn eigen stille veld heerst er een helderheid die mij onthecht van verhalen en materie. Het gebeurt natuurlijk dat ik de verhalen en materie van de arena in mijn cocon meeneem. Dan is er tijd nodig om alles uit te zuiveren. Ik lijk dubbel zoveel tijd nodig te hebben als wat het conventioneel aangenomen werk- en levensritme predikt. Naast de tijd die ervaringen in de arena innemen, heb ik ook minstens dezelfde hoeveelheid tijd nodig om die ervaringen te verwerken, verteren en plaatsen. Daar zijn de agenda’s in deze wereld niet op voorzien. Na een ervaring in de arena, die ook wel het ‘werkveld’ genoemd kan worden, komt er meteen nog één en nog één en nog één. Als ervaringen routineus verlopen, als in voorspelbaar, dan valt er niet zoveel te verwerken, zou je kunnen denken. Dan kan er dag na dag urenlang in de arena vertoefd worden. Ja misschien wel, maar is dat leuk?  Nee Karolien, maar is dit leven gemaakt om leuk te zijn? Het tegendeel laat zich frequent zien. Het hele routineuze en zogezegd comfortabele westerse systeem is er niet voor ons plezier.  Het is er voor ons eigen bestwil, hoor ik het in raamloze kamers galmen. Kamers zonder het uitzicht op ‘iets anders’. Uitzicht op iets alternatiefs? Nee, op iets oorspronkelijk.  Ik heb gemerkt dat veel mensen die zich gevangen voelen in de ratrace getriggerd raken door het idee van een persoonlijk natuurlijk ritme. Omdat zij geen tijd hebben om dieper in te gaan op de authentieke verlangens die in hun persoonlijke centrum liggen, mogen anderen dat ook niet. Iedereen gelijk voor de wet, zeggen ze. Miserie is er om gedeeld te worden, maar mag niet worden aangekeken of benoemd, laat staan aangepakt. Als iemand zegt dat die kiest voor een rustig leven, dan hoor je het briesen in de stallen van de werkpaarden. Welvaart is werken. Comfort is geluk hebben. Tijd is niet altijd vrij. Vrijheid kost geld. Geld is schaars. Het zijn slechts enkele mantra’s die achter de tralies van het systeem weerklinken. Helaas ook overtuigingen die diep geprogrammeerd zitten in vele afgeleide en vermoeide hoofden.   Ik merk dat de tekst zichzelf weer schrijft, zoals wel vaker gebeurt. Ik was eigenlijk niet van plan om het alweer te hebben over dat kromme systeem dat lichtwezens tot slavernij dwingt, maar over het contrast tussen de helderheid en rust in mijn veilige plek en de verwarrende ruis die daarbuiten lijkt te liggen. En hoe uitdagend het is om de inzichten en lessen die in mijn cocon ontstaan ook daadwerkelijk in de arena te belichamen. De arena is het werk- of oefenveld waarin ik mijn opgedane inzichten en levenslessen kan testen in de praktijk. Zo ben ik onder andere scherp gaan inzien dat eerlijkheid een prominente kernwaarde is in mijn leven. Daarnaar leven betekent mijn waarheid, gevoelens en grenzen durven uitspreken. In de cocon klinkt het meestal simpel, maar in de arena lijk ik alles weer vergeten. Wanneer ik mij middenin een praktische uitdaging bevind, je zou het een test of oefening kunnen noemen, dan nemen voorgeprogrammeerde overlevingsmechanismen het al snel over. Had ik me bijvoorbeeld voorgenomen om te spreken, dan betrap ik mezelf in de arena op pleasen en zwijgen. Of als ik voor de zoveelste keer besloten had om mijn grenzen te respecteren, ongeacht wat anderen doen of vinden, dan zie ik mezelf later toch weer een uitzondering maken. De oefeningen in de arena blijven oneindig komen, dus ik heb ook evenveel kansen om het telkens opnieuw te proberen en het dan ‘beter’ te doen. Authentieker en eerlijker. Naarmate ik steeds beter mezelf kan zijn in de arena, des te complexer en slinkser de uitdagingen worden. Soms denk ik een bepaalde wederkerende uitdaging nu wel onder de knie te hebben. Het hoofdstuk omtrent grensoverschrijdende mannen, bijvoorbeeld. Na ettelijke valkuilen meen ik een sterk afgestelde radar te hebben ontwikkeld voor zulke types. Ze kwamen in alle vormen en maten: van transparant en voorspelbaar, tot sluw en vermomd als iemand met inzicht. Maar toch lijkt dat hoofdstuk maar niet afgerond. Keer op keer moet ik constateren dat ik voorgevoelens en intuïtie in de wind heb geslagen en ben ik boos op mezelf dat ik er niet naar heb gehandeld. En waarom niet? Vaak uit angst. Angst om verkeerd te zijn, angst voor oordeel, angst om te kwetsen, angst om af te schrikken, angst om iets te verliezen, enzovoort. Ik word wel steeds geduldiger met mezelf. Het is niet zo dat ik ‘faal’ als ik mijn voornemens en inzichten niet belichaam in cruciale praktische situaties. Als er achteraf in de veilige cocon voldoende aandacht is voor de gevoelens die voortkomen uit de ervaringen in de arena, dan kan dit de inzichten en levenslessen alleen maar bekrachtigen. Dit hele proces van zelfontwikkeling met praktische oefeningen berust op een evenwicht van mentale contemplatie en het bewust doorvoelen van gevoelens. Met dit tweede heb ik het lang moeilijk gehad, wat zich uitte in ziektesymptomen. Dankzij dat ziekteproces werd me duidelijk hoe belangrijk het is om zowel in als buiten de arena te durven voelen. Harde klappen in de arena hadden ervoor gezorgd dat ik het voelen systematisch uitschakelde en verving door overmatig denken en pleasegedrag. Een ziekmakende strategie om te overleven. Natuurlijk wil ik meer dan overleven. Ik wil écht leven. Mezelf niet beperken. Durven authentiek spreken en handelen zonder bang te zijn voor gevolgen. Het besef dat de veilige cocon veel meer is dan mijn knusse thuis dringt steeds dieper door. Het is geen fysieke plek die onderhevig kan zijn aan destructieve krachten, maar het is een ongenaakbaar centrum in mezelf dat ook in de arena toegankelijk is. Dat centrum terugvinden en betreden, te midden van overweldigende of triggerende indrukken, is een procesmatige uitdaging die ik aanga. Ik heb de tijd om de kunst eigen te maken van het gecentreerd blijven, ongeacht welke vertoning er op mijn pad wordt gegooid. En ik weet nu dat dat ‘gecentreerd blijven’ geen neutraal en gevoelloos standpunt is, maar dat het draait om eerlijk voelen en daarmee in het reine zijn.  Het is tegelijk mijn intentie om de spelen in de arena minder gewichtig op te nemen. Om niet langer verontwaardigd en gefrustreerd te zijn bij wat ik de absurditeit, onwetendheid en waanzin van de wereld noem. Ik wil het waarachtige van de afleiding kunnen onderscheiden. Het authentieke van de overlevingsmechanismen. En handelen vanuit de helderheid van mijn centrum. Karolien DemanFoto door Toni Meert

KarolienDeman
12 1