Lezen

Drie Gebroken Principes

Principe 1: Gij zult een steun zijn voor uw vaderloze vriend. Hij herinnert het zich allemaal zo levendig, de maandagmorgen waarop de directeur wetenschapsklas 5A binnenwandelde. Zijn kaal hoofd, de aktentas gekneld onder zijn linkerarm en zijn vuile witte baard vol roste plekken, zo opzichtelijk onverzorgd dat een mens zich afvraagt welke gek dat gedrocht op zijn gezicht zou laten staan. Hij zit achteraan de klas. De directeur staat vooraan. Ingetogen en met zijn hoofd lichtjes naar beneden kondigt de man aan dat er slecht nieuws is. Zijn blik zoekt hem, hij die achteraan het lokaal zit en kijkt hem aan, gelijk hij de enige jongen in de klas is, of erger, gelijk hij de enige leerling van zijn godganse school is. Een blik die het vel op de jongen zijn armen doet rechtstaan. De directeur heeft moeite om zijn boodschap te brengen, al is het duidelijk geen inwendige moeite, het komt niet van vanuit zijn hart. Het is een oppervlakkige moeite, die er enkel is omdat hij weet dat de boodschap die hij verkondigt, moeite zou moeten kosten. En hij komt bij de kern van zijn betoog. “De papa van Jonas is gestorven” besluit hij. En de zin is nog maar van zijn lippen gesprongen of heel de klas kijkt de jongen, nog steeds achteraan zittend, aan. En nu komt het haar over heel zijn lichaam recht. Ja, en wat kijken ze dan? Wat verwachten ze? Dat hij recht zal springen, de kleren van zijn lijf scheurt en sjamaangewijs rond de stoel zal huppelen. Ge lijk hij kan communiceren met geesten van dode vaders. Dat er een verborgen cult is voor alle kinderen die hun vader verliezen. Dat hij Jonas de vrijdagavond zal meenemen om hem ritueel in te wijden bij de VVVVK. De Vlaamse Vereniging Voor Vaderloze Kinderen. Een week later is het de begrafenis en hij gaat. Het zou te opvallend zijn als hij niet ging. Dus daar staat hij, in pak, te ijsberen rond de keukentafel. Het zal een beproeving worden. Het is niet alleen de eerste begrafenis sinds die van zijn eigen vader, het is daarbovenop in dezelfde kerk. En wat is het ergste dat kan gebeuren? Wel, dat hij ter plekke een paniekaanval krijgt, dat hij de mieren weer over zijn hele lijf voelt krioelen, van de angst flauwvalt en ze hem zoals op de begrafenis van zijn eigen vader naar buiten moeten dragen, dat hij verdomme aandacht zou vragen op een ander zijn dienst. Al is zijn angst onterecht. Het blijkt een droge uitvaart. Weinig persoonlijke getuigenissen en veel Goddelijk gezever. Nog een geluk dat hij in een opwelling even zijn eigen vader in de kist zag liggen, waardoor er toch een paar tranen over zijn wangen rolden, of had hij de hele plechtigheid stoïcijns ondergaan. Dat had misschien nog opvallender geweest. Het is nu exact een week later en er is een fuif in het afgelegen Merkem. Jonas is er tot ieders verbazing. Niemand rept een woord over zijn vader. En dat is hun geraden ook, als een man wil feesten, laat hem feesten. Zelf is hij ook aanwezig en nog met chance, hij moet de volgende ochtend niet werken. Hij is met andere woorden van plan om eens goed uit te zetten. Wanneer zijn vrienden bespreken hoe ze de zuipkaarten zullen verdelen, zegt hij, stoer als hij wil zijn, dat hij er wel een voor zichzelf koopt. Het is nu half één en hij staat aan te schuiven aan de bar, want ja, die drankkaart vult zichzelf niet. Naast hem staat een kleine blondine, haar haren golven over haar schouders. Hij staart naar het wit-geel bloesje dat ze aan heeft. Dat doet hij iets te lang. Ze merkt het op. “Waar zijt ge naar op zoek?”, vraagt ze. “De nacht van mijn leven”, antwoordt hij nonchalant en hoopt vooral dat ze niet doorheeft hoe betrapt hij zich voelt. De meid zucht en zegt: “Zijn we dat niet allemaal” Het gesprek dreigt al stil te gaan vallen. Hij flanselt er maar wat aan. “Zo”, zegt hij, “wat vind je van de muziek” “Jongeman”, zucht de meid opnieuw, “we zijn op een fuif er valt niet veel van de muziek te vinden” “Wel” ,zegt hij, “als dat niet de reden is waarom we aan de bar staan”, en hij forceert een lach. “We…”, aarzelt hij verder, “we zouden… er misschien aan kunnen ontsnappen.”   Die uitspraak doet het gezicht van de blondine samenkrimpen. “Vraag je mij nu mee naar buiten?”, zegt ze, “je hebt me nog niet eens getrakteerd” En zo valt de stilte tussen beide. Het is voor hem weer in eenzaamheid wachten. Traag schuift de rij voort. Even later komt hij aan de bar. Het Chiromeisje dat als barvrouw fungeert vraagt wat hij zal drinken. “Een pintje, nee wacht”, zegt hij dommelend, “doe maar een Duvel”. Op dat moment wurmt de meid met haar goudblonde haren zich door de massa naar voor en komt naast hem uit. Net voor het Chiromeisje zich omdraait, roept ze: “En een Rodenbach!” Het Chiromeisje, even verwonderd als hijzelf, kijkt hem vragend aan. Hij gebaart dat het goed is. “Zie”, zegt ze, “dat was stap 1 en NU vraag je me mee naar buiten” Ze knipoogt en steekt haar hand uit: “Julie is de naam”, zegt ze. Ze liggen in een weide, op het hellende stuk van een heuvel. Van tussen de grassen hebben ze zicht op het leven rond de fuiftent. Ze praten over… Ja waar praten ze eigenlijk over? Over alles wat belangrijk is, over niets dat ertoe doet. En terwijl giechelen ze gelijk kleine kleuters. En tijdens het getater vouwen hun handen ineen. Hun vingers geschrankt. En hij gaat ervoor. Leunt zijn hoofd naar haar toe. Zijn lippen zoeken. Ze houdt dir tegen. Zachtjes weliswaar, met een lichte druk van haar wijsvinger op zijn mond. “Wat”, lacht hij, “moet ik je nog eens trakteren voor ik het privilege krijg om je te kussen.” Ze schudt van niet, ze kan haar lach die al een tijdje doorheen het gesprek flikkert niet bedwingen. En dan ineens verandert haar gezicht. Een bedrukte uitdrukking verschijnt. “Het gaat gewoon wat snel allemaal”, zegt ze, ”het voelt goed, te goed, kan dat, kan iets als dit te gemakkelijk gaan?” “Ik weet het niet”, zegt hij. “Je bent me hier gewoon aan het verleiden, met je gladde opmerkingen, zoals je vast met het een na het andere mokkel doet” Hij begint te lachen. “Wat lach je?”, vraagt ze. En ze moest eens weten, dat hij amper met meiden praat, laat staan dat hij er zou kussen. “Dat zou mijn eerste kus geweest zijn”, zegt hij. “Ik geloof er niks van”, schudt ze haar hoofd. Hij legt zijn hand op haar wang en probeert haar grijsgroene ogen te doordringen. “Echt waar”, zegt hij. Even later is het zij die haar hoofd dichterbij brengt en háár lippen die de zijne opzoeken. En deze keer legt hij zijn wijsvinger erop. “Als ik er zo over nadenk”, grapt hij, “misschien ben ik wel degene die bespeeld wordt. Zeg eens, bij hoeveel mannen werken die trucjes” “Stop”, zegt ze, met een lange rollende o, “je verpest het moment” “Ik(!), verpest het moment?”, zegt hij, vals dramatisch verwonderd, “was jij niet de eerste die het moment verpeste,” “Akkoord”, lacht ze,  “maar jij hebt het verpeste moment nog meer verpest” En wat ze beiden niet weten is dat het moment nog verpest moet worden, want daar beneden aan de  voet van de heuvel, loopt Jonas zonet de fuiftent buiten. De tranen plenzen van zijn wangen op de grond. Van over haar schouders ziet hij hem wandelen. Hij veert ervan op en wordt wakker uit een roes. Julie merkt het. “Wat is er?” vraagt ze. “Ik… Ik moet weg”, stamelt hij. “Weg?”, schudt ze” Wacht? Wat? waarom?” “Mijn vriend”, zegt hij, “mijn vriend heeft me nodig” “Nu?” vraagt ze, “waarom nu? Wat is er?” Zijn hoofd moet de hele situatie nog schetsen, waardoor hij niet onmiddellijk op haar woorden ingaat. Ze pikt zelf weer in: “Je hoeft niet bang te zijn”, zegt ze, “je doet niks verkeerd, ik wil dat we kussen, echt waar, ik wil dat jij en ik kussen.” Bij die woorden palmt een vertedering zijn hele lichaam in. Een voor hem onbekend gevoel dat alles in rep en roer zet. De woorden, ze rolden haast als een smeekbede over haar lippen. “Dat is het niet”, antwoordt hij, “mijn vriend is aan het wenen” Hij zou haar de hele situatie kunnen uitleggen. Hij zou kunnen vertellen over zijn vader, die door de kanker veroverd werd, en ook over de vader van Jonas die door een tientonner het veld in geslingerd is en dat zou alles voor haar duidelijker maken, maar hij wil niet. Hij wil dat ze hem leert kennen, los van zijn vader. Dat ze ziet wie hij is. Hij wil dat iemand hem eens definieert als wat hij is en niet met wat hij mist. “Ik wil je ook echt kussen” zegt hij. En leunt weer naar voren. Zijn lippen opnieuw zoekend naar de hare. En weer houdt ze hem tegen. In de plaats van een kus, nestelt ze haar hoofd in zijn hals “Kom terug”, fluistert ze, “beloof dat je terugkomt” “Ik beloof het”, zegt hij. Hij wrikt zich los uit haar greep, kijkt nog even in die ogen van haar, draait zich om en wandelt weg. “Wacht”, zegt hij terug naar haar omkijkend, “geef me je naam, je volledige naam of je nummer.” “Kom gewoon terug”, zegt ze. “Maar hoe zal ik je vinden?”, vraagt hij. “Ik zal hier zijn”, zegt ze. Hij vindt jonas languit liggend op de straatstenen, enkel zijn hoofd steunt tegen de muur. Het snot loopt uit zijn neus, de tranen langs zijn wangen. Zijn ogen zijn zo rood als… wel, zo rood als iets. Soms kan een mens zo hard schreien dat het zeer doet. Hij zet zich naast hem neer. Zwijgend. Er hoeft niet gevraagd te worden wat er is. Hij weet wat er is. Zijn vader is dood. Er is geen reden om het benoemen. Als Jonas wil praten zal hij praten. En na enkele minuten doet hij dat ook. En het is een waterval aan emoties: verwijten, vloeken, biechten, smeken, herinneren, liefkozen, zorgen, hoop, wanhoop, verdriet, heimwee, angst. Alles tegelijk en alles door elkaar. En het is allemaal de schuld van de vrachtwagenchauffeur, maar die kwam bijna zelf om het leven toen hij zijn vader ontwijken wou en hij wil al zijn geld weggeven aan goede doelen om het leed uit de wereld te helpen, maar geef hem een machinegeweer en hij zou de hele zielig wereld aan stukken knallen. Met alles heeft hij medelijden, en voor iedereen koestert hij haat. Het is een tragedie zo groot dat hij er geen woorden voor heeft en toch ratelt hij alsmaar voort. Op het einde van zijn betoog wordt Jonas angstig stil. Dan vraagt hij, recht in zijn ogen kijkend of het ooit beter wordt. Hij legt zijn hand op zijn schouders. “Ja”, zegt hij en op een vreemde manier meent hij het. Daarna laat hij Jonas achter. Hij is nog maar uit Jonas’ zicht of hij versneld zijn pas richting de heuvel. En beneden kan hij al zien dat er geen menselijke figuur in de weide zit, maar hij gaat toch naar boven, want wie weet, verstopt ze zich wel tussen het gras, en als ze niet tussen het gras zit, dan misschien wel in de grond. Ze is er niet Hij wandelt de fuiftent binnen, werpt een blik op de bar. Ze is er niet. Hij wandelt de zaal in, duwt drie mensen van het verhoog voor een beter zicht. Ze is er niet. Terug naar buiten, bij de toiletten misschien. Ze is er niet. Ze is nergens. En hoelang heeft hij dan weggezeten? Hoelang heeft zij gewacht? Hoelang hield Jonas hem met dat gejank bezig? Vuur schiet uit zijn ogen, uit zijn schenen, uit zijn hele lichaam en hij wandelt, alsmaar sneller en sneller. Er is iets in hem dat opzwelt. Hij komt op de plaats waar hij Jonas aantrof. Jonas staat ondertussen weer rechtop. Voor zijn bedroefde kop houdt hij halt. En even in een splitseconde ziet hij het allemaal gebeuren. Zijn voet in zijn maag. Jonas op de grond, hij erover gebogen. Een vuist op zijn smoelwerk. Twee, drie, vier vuisten. Bloed spattend in alle richtingen. Vijf, zes zeven, zeven vuisten. Jonas’ gezicht onherkenbaar. Volledig in rode stroop overgoten. Acht, negen, tien vuisten. En dan zegt hij het, roept hij het, nee spuwt hij het. “Dat jouw vader dood is, is niet mijn fucking probleem!”   Principe 2: Gij zult nooit neuken, enkel de liefde bedrijven.    Het is voor hem altijd vanzelfsprekend geweest, dat seks en liefde onherroepelijk aan elkaar vasthangen. Terwijl zijn vrienden het hele gamma internetporno doorrukten, keek hij romantische films. Wanneer een absurd aantal vrouwen en de al even absurde wijzes waarop ze genomen zouden worden, besproken werd, was hij de eerste om te zeggen dat een gelukkig man er maar één nodig heeft, de juiste. En altijd kijken ze hem aan gelijk hij zojuist verkondigde dat hij ooit nog in het bed van Michael Jackson heeft gelegen. “Och, met je romantisch gezeik altijd”, zegt er een, “hoelang zal je jouw zoektocht naar de ware nog als excuus gebruiken, geef gewoon toe, je bent maagd omdat het vrouwvolk niet naar je omkijkt.” Het is nu zomer en hij brengt het door in het zuiderse Portugal. Met zijn vrienden baadt hij in het zwembad. Om beurten springen ze van de springplank en proberen elkaar in de kunst van de amateur luchtacrobatie te overtreffen. Het is aan hem, hij ademt diep in, sluit zijn ogen en zet zich af. In de lucht maakt hij een elegante rol, strekt zich uit en komt dan mooi met de tenen vooruit het water in. Ongetwijfeld zijn beste salto tot nu toe. Al heeft geen van zijn vrienden dit spektakel bewonderd. Allen draaiden ze zich om toen een groepje Portugese meisjes al giechelend het water naderden. Nu strijken ze hun handdoeken uit op de witte ligzetels waarmee het zwembad omgeven is. Tussen hen zit een meid in een knalgele bikini, waar iedereen van de groep al minsten één onsmakelijke opmerking over heeft gemaakt. En terecht, het is een bloedheet mokkel, de personificatie van mediterraanse schoonheid. Een slank stel benen, lange bruine lokken en een kont om ‘u’ tegen te zeggen. En zo ontstaat een discussie. Wie mag als volgende de springplank op? Plots is de volgorde die het afgelopen halfuur aangehouden werd compleet irrelevant. Allen willen ze de eerste zijn die een sprong waagt. Ze geraken maar niet uit de discussie. Puberaal jongensachtig als ze zijn, beslissen ze dat ze erom zullen worstelen. De regels van waterworstelen zijn simpel: begeef u naar het ondiepe deel, waar het water ongeveer tot je middel komt, wacht op het startsignaal en wie zijn tegenstander een halve minuut onder water kan houden, wint. Hij vindt het maar niks en neemt geen deel. De groep beslist dat hij de scheidsrechter/jury zal zijn. Na het worsteltoernooi staat de winnaar (Jonas) op de springplank en zet zich af. De meiden gunnen zijn sprong geen blik. Ook de tweede sprong, een flikflak uitgevoerd door Jasper, verliezer van de worstelfinale, negeren ze compleet. En uiteindelijk heeft iedereen, behalve hij, van de springplank gedoken en zitten de meiden er nog steeds even ongeïnteresseerd bij. De jongens kijken hem aan en vragen om ook een sprong te wagen. En hadden ze opgelet, dan hadden ze gezien hoe perfect zijn salto daarnet wel niet was en vooral hoe het de aankomende giechelende meiden geen kloten kon schelen. “In de plaats van domme sprongen in het water”, zegt hij, “waarom nodig je ze gewoon niet uit?” “Waarom nodig jij ze niet uit”, kaatst Jonas terug. “Omdat het mij niet boeit”, zegt hij. “Komaan”, treitert Jonas, “je durft gewoon niet.” Hij vindt de uitspraak geen antwoord waardig. “Vijf euro”, voegt Jonas er lachend aan toe.   Vier uur later dartelen zeven zongebruinde huiden omhuld in jurkjes en bloesjes op hen af. De griet met haar slanke benen, bruine lokken en kont waar maar niet over gezwegen wordt, neemt het voortouw. Ze stapt recht hem af. Ze heeft een diep, uitgesneden wit bloesje aan, waaronder ze een rood rokje draagt dat tot net boven haar knieën komt. Hij draagt een zomerse T-shirt, met daaronder een zwarte zwemshort waar witte palmbomen op staan. Het meisje trekt haar kleine lichaam aan zijn schouders op en begroet hem met een kus op de wang. Wanneer ze merkt dat hij na het contact zijn hoofd afwend, onderbreekt ze die beweging. “In Portugal geeft men twee kussen”, fluistert ze, waarna ze haar hoofd naar zijn andere wang brengt. En deze keer is het geen simpele begroetingskus, waarbij twee wangen elkaar raken. Ze draait haar hoofd een beetje meer, tuit haar lippen naar voor en drukt deze ze tegen zijn huid. Hij kan het puntje van haar tong ertussen voelen. “Mijn naam is Esmeralda”, zegt ze, “Esleralda Gomez, geschreven zoals het Spaanse Gomez, maar als Gomzsj uitgesproken.”  Een verlegen lachje volgt. “Al mag je ook Esmé zeggen” Even later maakt hij samen met Jonas cocktails klaar voor hun Portugese gasten. Zelfingenomen lacht kijkt hij Jonas toe. “Dat is dan vijf euro”, zegt hij. Waarop Jonas hem verwijtend aankijkt. Met duidelijke tegenzin haalt Jonas zijn portefeuille boven. Zijn rechterhand biedt het briefje aan. Wanneer hij het wil aannemen, drukt Jonas met zijn vrije hand op de zijne. Zijn hand zit geklemd tussen de handen van Jonas, hij brengt zijn hoofd dichter naar hem toe, in zijn ogen broedt kwaadwilligheid. “Het is spijtig” zegt Jonas tergend, “dat ze nu net voor jou lijkt te vallen, want we weten allemaal dat je bang bent om effectief iets uit te steken” De nacht valt over het zomerse Albufeira. De groep heeft zich verdeeld over de Portugese jonkheden. Er wordt gelachen. Stiltes worden volgeluld. De alcohol vloeit. Elk willen ze vanavond een zuiderse scoren. Een nieuwe soort die ze van hun lijstje kunnen schrappen. Terwijl ze elk een meisje ophitsen, kunnen ze het niet laten om af en toe een blik op hem te werpen. Hij die er wat onhandig bij zit, zijn knieën stevig tegen elkaar gedrukt. Esmeralda zit naast hem en is de reden waarom er om de zoveel tijd naar hen gestaard wordt. Doorheen hun gesprek herinnert ze hem steeds dat Esmé volstaat. Het wordt steeds later en de meeste duo’s rond hen zijn, elk apart weliswaar, gaan slapen. En… Is het de drank? Is het de zuiderse lucht? De zwoele temperatuur? Is het Jonas en wat hij zei? Is het de corona-periode die hem voor eerst deed voelen wat eenzaamheid was? Is het een ontsnapping aan de jaloerse blikken van al zijn vrienden? Zijn het haar bruine haren? Haar slanke benen? Of is het echt, platvloers en onzedelijk, haar geweldige kont? “Kom je mee naar mijn kamer?”, vraagt hij. “Ik dacht dat het niet meer zou komen”, lacht ze. De deur klikt nog maar in het slot of ze begint hem te kussen. Tongen kruisen, speeksel verdampt. Ze duwt hem op het bed en neemt plaats bovenop. Haar handen wrijven onder zijn T-shirt. Ze grijpen stukken huid. Seks is dierlijk, beestachtig. Hoeveel, leder, latex, rubber of machinerie de mens er ook aan toevoegen wil, het zal in een essentie altijd een primitief karakter hebben. De handen op zijn buik lijken op zoek naar iets wat er niet is. Ze grijpen het stof van zijn shirt. In één ruk scheurt ze het T-shirt in twee. En dan kan het inderdaad wel waar zijn, over dat dierlijk en primitief karakter van seks, maar nu vindt hij dat ze ook niet moet overdrijven. Hij ligt daar dan, met een belabberd stuk stof langs één kan van zijn lichaam. Wat schieten ze daar mee op? Zestig euro aan katoen in de vuilbak, voor die prijs had dat shirt overigens ook wel iets langer mogen meegaan, bedenkt hij. Zijn frustratie krijgt echter niet veel tijd om te groeien. Twee lippen omsluiten zijn eikel en vanaf dat moment is er niets meer om over te protesteren. Gedachten krijgen geen tijd meer om zich te manifesteren. Even later laat ze hem haar lichaam binnentreden. Et voila, en faites, c’est passé. Het veelbesproken, complexe en haast magische karakter van het menselijke genot is  nu ook voor hem gereduceerd tot een belachelijk eenvoudige fysieke handeling. Vijf minuten en drieëndertig seconden later komt hij klaar. Tijdens het hele gebeuren was er slechts een gedachte die hem bezighield. In het maanlicht dat via het dakraam de kamer binnentrad, zag hij hoe akelig perfect haar lichaam was. Haar huid, egaal, haar buik plat, haar borsten gelijk. Ze was zo prachtig dat het eigenlijk saai was. Geen vlekjes te bespeuren, geen littekens, geen verkleuringen, geen puistjes, niks, een daarbij ook niks waar een man kon van houden. Esmeralda legt haar uitgeput neer, ze glimt van het zweet en vleit haar hoofd op zijn borst. En van alle handelingen vindt hij dat misschien wel de meest walgelijke, dat ze daar nu liggen, knus een gezellig bij elkaar, gelijk… gelijk ze van elkaar houden. Wanneer hij nog even naar de andere helft van zijn T-shirt naast het bed kijkt, bevangt een bedroefd gevoel zijn lichaam. Het beseft komt, het besef dat hij haar bezwete hoofd liever zo snel mogelijk van zich af duwt en haar stante pede de deur uit wil wijzen. Ze zou geen tijd hebben om haar kleren aan te doen, zo snel wil hij ze weg. En daar naakt door het vakantiehuisje slenterend zou hij al zijn vrienden wakker maken om haar te bezien. Met een megafoon zou hij verkondigen wat hij met haar heeft gedaan, ach, hij zou het zelf demonstreren, al was het maar om de afkeer in Jonas’ ogen te kunnen waarnemen. Maar niets daarvan. Verstard, immobiel als het ware blijft hij liggen en laat Esmeralda met haar perfecte, vieze vingers door de haren van zijn borst wrijven. Starend naar de leegte van het plafond vraagt hij zich voor het eerst keer af of hij misschien wel eerder dan een romanticus, een narcist is. Drie jaar later, bij het falen van zijn eerste liefde, zal hij zich voor het eerst afvragen of er zelfs een verschil is.   Principe 3: Gij zult nooit een sigaret roken. Het is een dagelijks tafereel. Het ochtendontbijt. Mama smeert zijn boterhammen. Twee met confituur en maar één met choco, want choco is ongezond. Vader komt de trap af. Hij draagt dezelfde Adidas-training als de dag voordien. Hij passeert door de keuken en loopt de tuin in. Omdat het koud is, creëert ieder van zijn ademhalingen een wolkje. Hij zet zich neer op een houten stoeltje en steekt een sigaret op. De L&M houdt hij in zijn rechterhand. Zijn linkerhand verdwijnt in zijn broek. Daarmee krabt hij aan zijn lul. Pas bij de eerste trek lijkt echt wakker te worden. Van mama mag hij niet binnen roken, want dat is ongezond. Hij drukt zijn sigaret uit in een overvolle asbak en komt terug de keuken in. De paflucht achtervolgd hem. Hij komt bij zijn zoon die hem doorheen de volledige sigaret aanstaarde, en heft hem van zijn stoel. Met zijn hoofd ter hoogte van het zijne houdt hij hem in de lucht. Zijn strenge ogen kijken hem aan. “Gij”, zegt hij, “Begint er nooit aan, nooit van uw leven” Vier jaar later bevestigt het lot dat advies. Vader gaat bij de tandarts voor een kleine wonde in zijn mond. Een week later komt hij thuis met kanker. Ze snijden zijn tong in stukken en boren een gat in zijn keel. Hij, het zoontje, ziet vader vermageren tot het vel aan zijn botten plakt. Op een nacht wordt hij wakker van duivelse geluiden in het huis. Het zoontje kruipt uit zijn bed en loopt de trap af. Hij vindt vader op de wc-pot zittend, zijn broek op zijn enkels, zijn gezicht boven een emmer. Van de chemo moet hij kotsen en kakken tegelijkertijd. De deur van het toilet staat open en mama staat met een andere emmer klaar. Voor als de zijne vol is. Een jaar afzien later en vader is aan zijn laatste dag toe. Hij vraagt mama om een sigaret. “Nog ééntje”, zegt hij. Omdat ze er geen meer in huis hebben moet ze die bij de buren gaan halen. Bij overbuur Frans vindt ze een blauwe Chesterfield, niet zijn merk, maar het zal moeten volstaan. Met zijn laatste krachten kruipt hij uit zijn bed, waar hij al weken in wegkwijnt en sleept zich naar buiten. Binnen wordt nog steeds niet gerookt, dat is nog steeds ongezond. Hij zet zich terug op zijn houten stoeltje. Hij neemt een trek en moet er onmiddellijk van hoesten. Rook mengt zich met het speeksel in zijn mond. Zijn halve tong probeert wanhopig het slijm in zijn mond te houden. Tussen het kwijl brabbelt hij zijn laatste woorden, in dit stadium is mama de enige die nog verstaat wat hij zegt. “Ik ben zwaar gestraft”, zegt hij, “voor dit” “Voor dit”, herhaalt hij en smijt de sigaret de grond in. De blauwe Chesterfield is amper opgebrand, wanneer zijn voet hem platstampt. Dat zoontje is nu eenentwintig jaar en de wereld, zo blijven ze hem zeggen, ligt aan zijn voeten. Doch hij vergeet zo vaak naar de grond te zien. Nee dat vaderloos zoontje kijkt naar de zinkende zon. En hij rent en rent en rent omdat hij het grijpen wil. En de zon? De zon komt achter hem terug op en helemaal uitgeput bemerkt hij het. Het reële apprecieert hij niet en zijn dromen maakt hij niet waar. Zijn studies doorstaat hij op cruise control, of sterker alsof hij gevangen zit in een zelfrijdende auto, vanzelf vooruitgaand, zonder werkelijk gevoel van controle. Het is na een examen dat hij op het kot belandt van een vriend. Zijn maten hebben hun laatste examen juist afgelegd en zijn van plan om eens goed het zwijn uit te hangen. Hij heeft nog één examen te gaan, maar is toch aanwezig op het feestje. “Allez”, lacht er een, “sinds wanneer heeft meneer de psycholoog zo lang examens?” Het is dat ze psychologie voor hem te laag vinden, meer nog, ‘de vuilbak van de unief’ zeggen ze. En hij vindt vooral dat ze hun bek moeten houden. Het zijn ten slotte economisten en het woord wetenschappen is in economische context nog dermate belachelijker dan het al bij de psychologie is. Wat is de economie uiteindelijk meer, dan slechts een verzinsel waar het individu zijn grip op verloren heeft? Een collectieve geloofsovertuiging. Het kapitalisme, beste mensen, is een theocratie. Zijn maten zijn niet de enige die zijn studiekeuze verloochenen. Ook zijn familie vindt er maar niks aan. Dokter of ingenieur, dat had hij moeten worden, hij had er de punten voor. En ze moesten eens weten dat zijn klein, tenger hartje verlangde naar wijsbegeerte. Dat vindt hij de puurste en meest eerlijke leer. De enige richting die niet pretendeert, die niet juist wilt zijn in een foute wereld. Psychologie was de compromis, het leek hem interessant genoeg en eindigt in een niet compleet nutteloos diploma. Maar ach, drie jaar in het psychologisch traject wordt hij geteisterd door een complete desinteresse. En hij kan niet laten van dromen en inbeelden dat hij zijn tenger hartje gevolgd had. Toen zijn oom hem zei: “Je gaat toch wel dokter proberen zeker, of burgerlijk ingenieur, ik heb gehoord dat dat nog moeilijker is. Ik had jouw capaciteiten moeten hebben, ik zou het wel weten, het zou uw vader trots maken”, had hij ter plekke, ten midden het kerstfeest zijn broek moeten afdoen. Op tafel zijn gekropen, en naast de gevulde kalkoen plaatsgenomen hebben. Voorovergebogen met zijn witte kont op elke centimeters van nonkels neus, had hij moeten roepen: “Kust hem, ik ga Filosofie doen” Ja dat, had hij had moeten zeggen. Dat had hij willen zeggen. “Zeg”, zegt een andere maat van hem, “ge zijt precies afgevallen” Hij knikt en hoopt vooral dat er niet wordt gevraagd, op welke manier hij is afgevallen. Gelukkige is Jonas daar, die het gesprek onderbreekt: “Wat willen jullie drinken?, er is Bacardi, Stella en nog wat witte wijn”. Er wordt gezopen. De alcohol verandert het gesprek in een opstapeling van vunzigheden. Tetten, konten, foefkes en kutvocht. Ach en wat wil je. Ze hebben zichzelf zonet een maand opgesloten, boeken doorploeterd, en examens afgelegd. De jeugdige vrijheid lonkt eindelijk weer. Ze willen brullen als uitgehongerde leeuwen, en alstublieft, laat ze brullen. Laat ze de mannen wezen die ze zijn, in al hun  eerlijkheid, obsceniteit en onzekerheid. Is dat niet wat een man uiteindelijk verlangt? Een plaats om ongestoord man te zijn, dat en kutvocht, uiteraard. Hij schenkt zichzelf een nieuw glas bier, het moet zijn vijfde of zesde zijn, wanneer de volgende woorden door de zaal weerklinken: “… maar ik zie haar echt graag, ik... ik” Jonas aarzelt om de volgende woorden uit te spreken, maar iedereen in de ruimte weet dat ze zullen komen, dat het er uit moet: “Ik hou van haar”. En almeteen wordt het stil in de kamer, zo stil dat men het bier in het glas kan horen vallen. De jongens kijken elkaar aan, niemand die nog iets weet te zeggen. En Jonas kijkt hem, dat opgegroeid vaderloos zoontje, aan gelijk hij wel iets zou moeten zeggen. Gelijk de liefde niet voor iedereen een even groot mysterie is. Waarom is het toch, dat wanneer het woord liefde valt, de hele groep naar hem kijkt. Misschien omdat hij altijd een neutrale positie tegenover de liefde heeft gehad. Hij hemelde ze nooit op en vervloekte ze nooit. Hij vergoelijkte haar, noch ontkende hij haar bestaan. Och en ze moesten eens weten hoe gecorrumpeerd zijn visie wel niet is geworden. Dat hij haar bestaan haat en koester. Dat hij met de liefde niet om kan, maar er ook niet zonder wil leven. Dat hij zichzelf maar een betreurenswaardig zieltje vindt, dat verdomme hoopt dat de liefde hem ooit loslaat en toch oh zo bang is om volledige zonder te vallen. Hij peinst, ochere, al een half jaar lang dat hij slechts een narcistische romanticus is, of nee, een romantische narcist.  En het is in die ellende, dat hij het opmerkt, dat pakje in het midden van de tafel, geopend. Het merk L&M. De oranje filters van drie sigaretten steken uit. En hij wordt overspoeld met een ondeugend verlangen. Een drang. Als uiting van een innerlijk worsteling tokkelt hij met zijn vingers. Naar dat pakje staart hij al was het de sappige appel uit de tuin van Eden. Het voelt voor hem alsof er geen andere weg is. Het gaat hem niet om de nicotine, maar om het principe.  En het is dan dat hij een zin uitspreekt, die de hele kamer verontwaardigd, die de al gevestigde stilte nog luider doet klinken. “Mag ik een sigaret?”, vraagt hij. En omdat niemand antwoordt neemt hij er een uit. Ook de okerblauwe aansteker die er naast ligt grijpt hij mee. Hij wandelt naar het raam, zelfzeker, zonder omkijken. En de hele groep staart hem aan. Allen kennen ze zijn principe, allen weten de enige zin die hem stoppen kan. Niemand die hem durft uit te spreken. Wanneer hij aan het raam komt, draait hij zich om. Hij kijkt de hele groep strak aan en houdt de oranje filter tussen zijn lippen. Zijn duim glijdt over het metalen wieltje en op het rode knopje van de aansteker. Het vlammetje licht op. Hij sleurt aan het uiteinde, laat de rook zijn mond vullen en inhaleert. Diep. Hij voelt de vreemde lucht zijn longen vullen. Het doet het haar op zijn armen rechtkomen. Hij kucht en draait zich om, van de groep weg naar het raam toe. Door het open raam leunend rookt hij verder, rustig inhalerend, alsof hij al zijn hele leven rookt, alsof het roken in zijn bloed zit. Wanneer het witte stuk bijna opgebrand is wandelt een jong stel voorbij onderaan de straat. Hij ziet ze vanuit het raam aanwandelen. Zij een struis, klein ding, met donkerbruin krulhaar draagt een zomers bloemenjurkje. Hij, ietwat gezet, kort bruin haar en opvallend donkere wenkbrauwen, loopt er met een Ralph-Lauren polo naast. Hij heeft wat nonchalant zijn arm rond haar middel. De sigaret is nu bijna op, hij voelt de warmte zijn vingers. Hij neemt het peukje tussen zijn duim en wijsvinger, richt naar het koppel en schiet het weg. Hij ziet het brandend uiteinde vliegen. Hij kan het zich allemaal voorstellen, hoe het peukje in haar haren belandt, zich nestelt tussen de donkerbruine stengels, en het daar een fysische reactie ontketent. Het vuur verspreid zich over haar hoofd als ware het vol olie en het zet in een paar tellen heel dat krullenkopje in lichterlaaie. Maar het peukje mist haar volledig en beland onbeduidend het rioolputje in. Hij draait zich terug weg van het raam. In de kamer is het praten hervat, al is het op een gedemptere, rustigere toon. Het gesprek is er enkel omdat de stilte er niet zou zijn. Hij loopt van het raam weg, strak voor zich uitkijkend en negeert zijn vrienden. Hij kruipt het toilet binnen en klikt de deur toe. En wat is het ergste? Dat hij daar nu gerookt heeft, zijn oudste principe gebroken heeft of dat hij alweer zin heeft in een tweede sigaret of misschien zelfs in vijf sigaretten. Kunt ge dat? Uwzelf doodroken? Dat zijn de dingen die hij zich afvraagt en hij wil erbij wenen, maar de tranen komen niet. En ja, uiteraard kunt ge uzelf doodroken, zijn eigen vader heeft het verdomme gedaan. In een recordtempo van 20 jaar, dan nog. En wat is het nut principes als ge ze alleen maar kunt breken. Ge kunt ten slotte geen kist vullen met principes. Ze vormen slechts regels uit een grafrede. Daar staand voor een open kist, met zijn lichaam wit en koud, zou iemand ze wel uitspreken: “hij was een man van principes” En een paar rouwende mensen zeggen in hunzelf , “t is waar, hij had zijn principes”, en goh als ze echt hun best toen snikken ze er zelf eens bij. En is dat dan waarom een mens zich sterk houdt, waarom hij de verleidingen des levens moet aan de kant schuiven voor een vroom, principieel bestaan. Men kan zich zo afvragen in hoeverre een mens zichzelf is, met al die principes hoog in zijn vaandel. Moeten we niet bang dat we misschien wel het meest onszelf zijn, het meest een persoon zijn, als we het vuilst zijn, vies zijn, ploeteren door de modder, ons drinkend, kotsend, rokend, neukend door de dagen slaan. Als al onze principes  voor onze voeten aan diggelen liggen, gebroken, kapot, genegeerd, verpulverd door ons eigen wangedrag. En bij die gedachte komt hij dan toch, de traan waarop gewacht werd.

Ybe Terryn
69 0

Kanker

Twaalf jaar en ik werd volwassen. Dat is vroeg. Een baksteen in mijn gezicht. Een baksteen zo zwaar en zo hard gesmeten dat ik ervan achteruitdeinsde, de kamer doorvloog, van de trap rolde en in de kelder met mijn kanis tegen de boiler kletterde. Ik kreeg er een vreselijke bloeduitstorting van en al dat opgehoopt sop maakte mijn hoofd zwaarder. Zo zwaar dat mijn schouders uit de kom vlogen, mijn rug brak en mijn knieschijven van tussen mijn benen sprongen. Te zwaar dus. Het was tijd voor een onthoofding. Negen mei was de dag waarop die baksteen gesmeten werd. Dat was toen toevallig Onze Lieve Heer Hemelvaart. Veertig dagen voor die baksteen aangekondigd werd. Dat was toen toevallig Pasen “De dokters zullen je vader niet meer kunnen redden”, zei moeder. “Is het echt?”, vroeg ik. “Ja”, zei ze, “ga nu maar paaseitjes zoeken.” Ik zocht dan maar paaseitjes. Mijn vader was uit speciaal hout gesneden, vergankelijk hout, maar toch speciaal hout. Voor hij stervend met een halve tong en een etterende nek door zijn hoofdkussen kwijlde, kon hij over vijftien man springen. Jeroen Sputbroek, man nummer zestien, heeft het hem nooit vergeven. In zijn hoedanigheid van gefaald topsporter was mijn pa tevens mijn trainer. Hij stond brullend aan de zijlijn tijdens mijn eerste voetbalpasjes. De gouden jaren waren dat. De ploeg won 23-0, 34-1 en op een slechte dag eens 17-2. Het geheim wapen? Een twaalfjarig meisje. Ik speelde een jaar hoger, vanwege mijn ongezien spelinzicht, zij speelde een jaar lager simpelweg omdat ze een meisje was. Ze was echter een kop groter dan alle jongere jongens en volledig onklopbaar op de hoge voorzetten die ik haar gaf. Wij waren het duo, de sterspelers, de trots van de ploeg en we wisten het. Ieder doelpunt vierden we samen. In de ongure douches van Ploegsteert, een Waals gehucht dat we met 35-0 afkuisten, nam ze me apart. Het handdoekje op de grond en mijn tienjarige handen voelden hun eerste foef, die van het lager spelend thans oh zo groots meisje. Tien jaar, dat is vroeg. Zo vroeg dat ik besloot om daarna een lange pauze in te lassen. Een pauze die slechts enkele onderbrekingen kende. “Klootzak”, riep een van die onderbrekingen nadat ik haar bakkes had ondergespoten, ofschoon ze me nog zo mooi gevraagd had om het proper te houden. Het is dat ik het omwille van mijn moeilijke jeugd niet laten kan. Ik gaf haar een doekje om het mengsel van tranen en sperma af te vegen en adviseerde vriendelijk om in het vervolg haar ogen te sluiten. “Klootzak”, riep ze opnieuw. Ik wou haar vragen of een echte klootzak een met verdwaalde brokken wc-papier versierde kut zou aflebberen tot zijn tong er stijf van staat, maar ik zweeg, want ik ben een flinke jongen. Het wordt wel eens tijd voor een lief, denk ik. Iemand waarmee op voorhand afgesproken is waar er dan wel, dan niet gespoten mag worden. Iemand die ik zo graag zie dat ik zelfs met een stijve tong door lebber tot ik met een ijl hoofd in haar geil flauwval. Iemand waarvoor ik op een dag met bloemen zal thuiskomen. Wetend dat ik geen bloemenman ben zal ze meteen achterdochtig zijn en denken dat ik haar op Grieks biologische wijze beschimmelde yoghurt vergeten ben, het verkeerde merk ladyshave meenam, het niet heb kunnen laten om met de helft van ons spaargeld een original pressing van Sgt peppers loneley hearts club band aan te schaffen, of godsamme zelfs vermoedt dat ik op een ander zit. Ik zal haar sussen en vertellen hoe ik met mijn lompe poten tegen een bloempot aanliep en hoe die bloemen voor de ogen van een Colruytmedewerkster op de grond smakten en hoe ik me daardoor sociaal verplicht voelde die vervallen bloemen aan te kopen. Dat zal vast de waarheid zijn. Zijdelings geef ik haar ook mee dat ze er nog altijd goed uitziet, dat haar ondertussen vijfendertig jaar oude met vlees beplakte botten stralen als de jonge voetjes van het jobstudentje waarvoor het bloemenboeket terechtkwam. Dat zal vast een leugen zijn. Of mijn vrouw op haar vijfendertigste zal stralen of ik überhaupt een vrouw zal hebben wanneer ik zelf die vijfendertig aantik, dat weet ik niet. Ik zal van mijn vrouw houden, dat weet ik wel. Op eenvoudige wijze, de wijze waarop enkel mannen in staat zijn lief te hebben. Zo had ge mijn vader en mijn moeder. Een simpele vent en een gecompliceerd vrouwke. Een combinatie die wel vaker voorkomt, al passeren er tussen die koppels soms wervelwinden die de zuilen doen daveren, hekken uit de grond sleuren en dakpannen met zich meenemen en in die wervelwinden konden ze elkaar de kanker toewensen. Mijn vader kreeg het. Een paar mensen lachten. God, Zijn vader, Luc die hem twee pakjes sigaretten per dag verkocht en ja, Jeroentje Sputbroek natuurlijk, die aan mijn vaders sprong een verdraaide endeldarm overgehouden had en sindsdien enkel nog sierlijke krullen kakte. Ik lachte niet, ik huilde en ben daar niet mee opgehouden tot ik zeventien werd, tot mijn kaakspieren ineens besloten om mijn mondhoeken de ander kant op te duwen. Ik lachte. Het was een goede ommekeer, dat lachen, het gaat me beter af. Lachend krijg ik ook meer aandacht. Ik ben dan ook geen vrouw.   Ik zal van mijn vrouw houden. Omdat ze van de slager een sneetje Normandisch spek, waar ik zo verrukt op ben, voor mij meebrengt. Omdat ze me met slechts lichtjes geïrriteerde ogen de auto in hijst wanneer ik mij weeral eens heb laten gaan op de jaarlijkse barbecuereünie van de schoolvrienden. “Schat, volgende keer ben ik nuchter”, zeg ik met een zware tong en wrijf eens over haar bil. Ze duwt mijn hand weg en het gaspedaal in. Als we thuiskomen, de kinderen in bed liggen en de oppas betaald is, kruipen we eens dicht bij elkaar, zoals we dat in het prille begin vaker deden, zoals we dat dan te weinig zullen doen. En dan speel ik met haar krullend haar, rust haar hoofd op mijn borst, zuig ik op haar vingers en lekt ze mijn nek. En inderdaad, we fluisteren in elkaars oor dat we dit te weinig doen. Twee maanden later fluisteren we hetzelfde. Ik zal van mijn vrouw houden, maar voor ik dat kan doen, moet ik er eerst een vinden en wat is me dat een karwei zeg. Het zit zo, de meeste vrouwen, de meeste mensen tout court, zijn uiterst oninteressant. Om de overdaad kaf van het zeldzame koren te scheiden moet interesse eerst geveinsd worden. Je studeert hier ook, wat doe je? Knesselare, waar ligt dat? Paardrijden, jumping of dressuur? En je danst ook nog, welke soort dan? “Modern”, zegt ze. Ik wil zeggen dat ik nooit van mijn leven nog van plan ben geld te geven aan een paar mensen die op syncopes over elkaar rollen, maar ik zwijg, want ik ben een flinke jongen. Ik bedenk me ook dat alles slechter wordt met de term ‘modern’ ervoor. Moderne dans is voor dansers zonder ritme, moderne kunst voor kunstenaars zonder vingers en moderne componisten kunnen een toonaard geen halve maat aanhouden. Amateurs en artiesten. Het onderscheid wordt steeds vager. Kunst bestaat uit de pretentie om fouten als vindingrijkheid te verkopen. Zo wordt gesteld dat er opzettelijk een pas-de-deux-et-demi werd gesprongen, dat een schilderdoek waar een ongestelde vrouw al schijtend over wandelde elke euro van de anderhalf miljoen waard is en dat de strijker die tijdens de fagotsolo een paukenslag tegen het gezicht van de trompettist aanveegde, nauwgezet de partituur volgde.   Ik liet mijn literatuur ooit lezen door een van mijn vrienden. “Goed gevonden”, zei hij, “lekker modern” en ik wou ogenblikkelijk voor een schilderezel een kogel door mijn kop jagen. Compositie in rood, schakering .45. Vijf miljoen, alstublieft. Eerlijk, al rolt mijn vrouw twee uur lang op een medley van le sacre du printemps en Baby van Justin Bieber, ik zal ernaar kijken en ik zal verdomme al een kwartier voor het eind rechtstaand klappen, zolang ze ‘s avonds maar even graag eens over mij rolt, drie uur lang als ze het nog aankan. Ik liet mijn literatuur ook eens lezen door een van mijn vriendinnen. Na anderhalve paragraaf, ergens rond de woorden ‘nadat ik haar bakkes ondergespoten had’ schold ze me uit voor misogynist. Ik zei met een lach dat ik dat woord niet kende. Het is dat ik het ze, omwille van mijn moeilijke jeugd, graag hoor uitleggen. Ze gaf, zoals verwacht, een gebrekkige definitie en voegde eraan toe dat mannelijke schrijvers al lang afgeschreven zijn. Ik verweet haar voor misandrisch kutwijf. Zij zei zonder lach dat ze dat woord niet kende. Vriendelijk dat ik ben, heb ik het uitgelegd: “Het is een samenstelling, van de woorden kut en wijf, wat beiden dysfemismes zijn voor respectievelijk vagina en vrouw.” Ze werd boos en vloekte dat ze natuurlijk het andere woord bedoelde en daarbij, dat ze het woord dysfemisme ook niet begreep. Ik wou haar minderbegaafd hoofd zo’n slag verkopen dat ze achterwaarts de Leie in sukkelde, maar dat heb ik niet gedaan, zo’n dingen doe ik niet, want ik ben een flinke jongen. Het meisje had ergens wel gelijk, vrouwen schrijven beter dan mannen. Toch de beste schrijvers hoofdzakelijk mannen zijn. Dat is niet eerlijk, inderdaad, zo is de wereld. De meeste rappers zijn zwart, de beste rapper is wit net zoals de meeste rockgitaristen, Jimi Hendrix was dan weer zwart. En zo is die oneerlijke wereld op een of andere manier misschien toch in balans en zijn er voor elke vijf verkrachtingen ook vijf vrouwelijke orgasmes. “En als je nu met mij naar bed gaat”, zei ik tegen datzelfde meisje, “kunnen we er tien van maken.” Ze ontplofte helemaal, bloed vloeide voor haar ogen en ze haalde uit. Ik kon op het nippertje opzij duiken en haar vlakke hand ontwijken. Die actie wekte mijn langs vaders kant vastgeroeste judogenen en geheel onvrijwillig smeet ik haar met een Ashi Guruma de grond in. Ze rolde en rolde en rolde en rolde en rolde en rolde en sukkelde toch nog achterwaarts in de Leie. Het is misschien wel eens tijd voor een lief, nee... wacht, ik wil een lief, ach, ik heb er gewoonweg een nodig. Het is dat de liefde mij, omwille van mijn moeilijke jeugd, angst inboezemt. Al voelde ik onlangs wel liefde, van de ziekmakende soort, de soort die ronddraait in uw maag, gutst en klutst tegen het uiteinde van uw slokdarm. Misselijk, zwetend, uitgeput, braakte ik het voor haar uit. “Nee”, zei ze, “hou het maar, ik moet het van u niet hebben.” Er zat niets anders op dan mijn lauwe kots dan maar weer op te fretten. Het amper verteerd brokkenpapje kwam in mijn maag aan en onmiddellijk woelde het daar alles om. Het deed pijn, meer dan tevoren. Maagzweren, buikrampen en zure oprispingen. En ik zei tegen mijn dokter: “Dokter, kunt ge niet iets doen tegen die pijn.” “Jawel”, zei hij, “Alles verwijderen.” “Alles?”, vroeg ik. “Ja, echt alles.” En zo heb ik alles chirurgisch laten verwijderen en dat alles ligt nu ergens te rotten in een medische afvalcontainer, tussen het kankerweefsel van linkerteelballen en rechtertepels. Echter ik koester hoop, hoop dat de chirurgen zoals bij mijn vader een paar dingen over het hoofd gezien hebben, enkele kleine uitlopers, die klaar staan om aan te vallen, uit te breiden en me uiteindelijk weer helemaal te overmeesteren. Ze zijn er nog, ik voel ze rond mijn hart wriemelen, spartelen. Het innemen begint. De start, de kleine foutjes, de gemiste hartslagen, de stamelingen, de hallucinante dagdromen. De leuke foutjes. Het lichaam dat anders functioneert. Een of twee graden koorts, lichtjes ziek. En telkens haar frivole ogen in het nachtlicht schitteren, verzwakt mijn immuunsysteem, connecteren meer uitlopers. Ze vormen klompen. De kanker groeit. De fouten worden groter en erger en vervelend. Verlamd, jaloers, boos, agressief, geil, blij, zwevend, vliegend, smachtend, angstig, onzeker, triest, hunkerend. En opnieuw verlamd. De cirkel rond. Een onstilbaar verlangen. De liefde is uitgezaaid. De kanker manifesteert. Laat mijn lichaam stoppen met vechten, laat de cellen delen, op goedaardige plaatsen, op kwaadaardige plaatsen. Ik wil er moe van zijn, onzeker van worden, fouten door maken. En alstublieft, sta me toe om alles dan weer uit kotsen. Op de vloer, over jouw schoenen, op je broek. En wanneer de afkeer weer in je ogen verschijnt, neem ik alvast een emmer en een dweil en kuis ik het beschamende goedje wel weer op. Alleen.

Ybe Terryn
6 0

De Menselijke Geest, Belichaamt

‘Ai, ai, ai’ Dat is toch een geweldige uitspraak! Pijn maal drie.  Toch minder sterk. Trap eens op een mens zijn tenen, die zegt geen ‘ai, ai, ai’, die zegt ‘auw’, want ‘auw’ doet meer pijn dan ‘ai, ai, ai’. En men moet niet eens zelf aan pijn leiden. Nee, Jozef Borluut bijvoorbeeld, de man van Marie van twee huizen verder. Hij reed op zijn e-bike -45 kilometer per uur kan zo’n ding- recht over een afgevallen tak. Controle over het stuur verloren en bam, poef, pardoes, met zijn hoofd klets hij tegen de brievenbus van de familie Baeckelandts-Vansteenkiste. ‘Ai, ai, ai’ Thuis van ‘t school, twee op tien voor rekenen. ‘Ai, ai, ai, en zonder tv naar bed!’ Ja, moeder was fan, of beter, is fan van die uitspraak. Echt waar, ze gebruikt het nog altijd en in elke mogelijke situatie. Bij een tragedie, bij een komedie, bij een fluitje van drie cent en een half. Want die inflatie… ‘Ai, ai, ai’ Van alle kanten richt mijn moeder die driemaal herhaalde tweeklank dus op haar omgeving. Overtreffend, onderuithalend of zo eens zijdelings, in het passeren.  “Vriezen in april, ai, ai, ai’ En Rudy Vansteenkiste die zijn brievenbus sinds het ongeluk niet meer durft aanraken, knikt eens naar haar.  ‘Het is erg’  Want ‘het is erg’, dat is zijn uitspraak, zijn repliek op alles waar hij eigenlijk geen woorden voor heeft, zoals het weer. Vader heeft ook zo’n uitspraak.  ‘Het zijn wrede tijden’  Hij gebruikt dat voor alles waar hij een mening over heeft. Een mening die, hoewel deze gevoelsmatig in zijn binnenste brandt, hij niet met argumenten onderbouwt. Een mens kan hele conversaties voeren met zo’n uitspraken. Moeder zit in de zetel, gesluierd in haar slaapjurk, de benen halfopen -omdat de illusie der preutsheid enkel voor jongelingen is- de krant te lezen.  ‘Het echte nieuws staat op papier!’ Haar ogen glijden over de artikels, tot een ervan de tripartite klank ontlokt.  ‘Ai, ai, ai’ Vader die op de televisie naar lentebeelden staart, doch vooral in gedachten verzonken is, hoort haar niet. Het wordt herhaald. Luider deze keer.   ‘Ai, ai, ai’ Zo luid dat het klettert. Vader schiet erdoor uit zijn overpeinzingen en kijkt haar aan. Ze toont hem de krantenkop. Hij moet vooroverbuigen om het te kunnen lezen. Zij wacht in spanning af.  ‘Het zijn wrede tijden’ Et voilà. De mensen hebben gesproken, ze verstaan elkaar.  Moeder en Vader, een koppel, een duo, een span dat hoewel slechts bestaande uit Nederlandse woordenschat, hun eigen taaltje spreekt. Vader en moeder, ook soms een tweespalt. Wanneer dat gebeurt, dan sluipen er zo’n beestig harde woorden in diezelfde conversatie. Vader, bezweet en besmeurd met potgrond van in zijn moestuintje, treedt de woonkamer binnen. Natuurlijk net wanneer moeder de dweil aan het uitwringen is. ‘Domme Ezel!’ Moeder komt terug van de winkel met de verkeerde scheermesjes. ‘Kalf!’ Een hele bestenboel wordt het, wanneer de menselijke ergernissen naar boven komen. Maar nu niet, nee, nu zijn ze het eens, over de inhoud van het artikel. ‘Slechts helft kan AI-nummer herkennen’ Zo, dat is de krantenkop waar over ze het eens zijn. Dat het drie keer pijn doet, en dat het de wereld zo wreed maakt.  Dan stelt een man zich de vraag: Kan ik het zelf? Als ze me daar nu zetten in een geluidsdichte kamer, koptelefoon rond mijn oren. Zou ik het kunnen? Het menselijke, het altijd onafgewerkte, het grillige, onderscheiden van het gemiddelde, bewusteloos gegenereerde. Wat als ik het niet kan?    ‘Wat als ik het niet kan omdat er geen verschil is?’    Wat is het verschil tussen een robot en muziekproducenten die generieke popnummers uit hun mouw schudden al waren het pingpongballen? Vormt artificiële intelligentie niet juist het gemiddelde van alle menselijke creaties en kan deze bijgevolg dan niet evengoed als menselijk geklasseerd worden?    ‘Doe eens normaal!’    Dat betekent dicht bij het middelpunt van de verdeling. Extraverten vragen te veel aandacht en met introverten kan een mens amper spreken. Men moet ergens tussenin vallen. De ideale persoon is een eenzaat die met iedereen een babbeltje slaat.    ‘Soms twijfel ik of ik gelukkig ben’   Neem een test! Dan weet je het. Is je depressiescore klinisch afwijkend? Gelukkig hebben ze daar pillen voor! En zo sijpelt het besef binnen. Artificiële intelligentie is niet de tegenhanger, de antithese van de menselijke ratio. Het is zijn verlengde, erger nog, de verwezenlijking van zijn streefdoel.    ‘Soms vraag ik me af hoe echt ik ben’   Wat is dat? Echt zijn? Een mens zijn? Een echt mens zijn? Een spaak in het wiel van de draaiende maatschappij? Doch soms de vreugde van de vrijheid proevend. In seks, drank, muziek en kunst. In liefde, jaloezie, woede en verdriet. In alles wat ons groot maakt, in alles wat ons reduceert tot nietig samenwerkende cellen. Ergens tussen machine en dier.   ‘Soms vraag ik me af hoe echt ik ben’   Vader vraagt het zich ook af. Met het ouder worden steeds vaker. En moeder die van al dat semi-filosofisch geprevel niks weten wil, staart hem dan aan, strijkend, kokend, zittend in haar zetel. De dingen doende die ze morgen herhalen zal.    ‘Natuurlijk ben jij echt, wat is dat nu voor vraag?’   Ze wandelt naar hem toe en kust hem. Een dikke smakkerd op zijn dunne lippen.   ‘Hier heb je bewijs. Nu hoef je daar niet meer te staan gelijk, nou ja, gelijk een domme ezel!’   De lippen die zo routineus, zo dagdagelijks rond vader hangen, worden op dat moment weer zo beladen, zo beklemmend en krachtig als vroeger, groter dan Het Woord, groter dan De Wereld, groter dan Het Hele Godganse Universum. Het zijn lippen die hem voor eeuwig aan de grond nagelen. Bewusteloos staat hij daar, ogen draaiend in het verre niets, zonder focus, gelijk een dier waar de wereld op gesmeten wordt, een dier dat de impressie van het alles niet kan vatten in de enkele klanken dat het produceren kan.   ‘Ia, ia, ia’

Ybe Terryn
3 0

Wintertijd

Het is winter. En ge bedenkt dat ge wel eens iets zou willen schrijven over die winter, maar God, ge weet niet wat. En ge tuurt even door het raam van uw klein Gents kotje, het kotje dat zich op de zevende verdieping bevindt, en zich zo hoog in de lucht bevindend ziet ge eigenlijk enkel de daken van andere, kleinere huisjes, waar vast ook enkele kotjes tussen zitten. Ge staart naar uw leeg en wit word-document, en daarna weer naar buiten, naar al die verschillende daken. En dan dringt het tot u door, wat als al het wit van uw computerscherm nu eens over die daken zou vloeien, dan zou het pas echt winter zijn, een winter waarover ge schrijven kunt. Ge denkt aan alle winters die ge gekend hebt, de winters waarover ge niet schrijven kunt, waar geen mooie witte laag op de daken lag. Al is er in uw mensenleven wel al sneeuw geweest. En moeder, snel verwonderd als ze is, riep u toen enthousiast toe: “Kijk, ziet eens hoe schoon de sneeuwvlokjes dwarrelen” Daaraan terugdenkend is er iets dat in u wringt, want ge hebt eigenlijk nog nooit een sneeuwvlokje zien dwarrelen. Dwarrelen, dat is iets voor tijdens de verleidingsdans van een nymfomane paradijsvogel, niet voor sneeuwvlokjes. Sneeuwvlokjes vallen, weliswaar trager dan regendruppels, maar toch doodgewoon ‘vallen’. Zoals de wereld ook niet zweeft of vliegt of reist, maar simpelweg ronddraait. En de wind niet door de haren van schone jongedames danst, of met de balderen van een berkenboom speelt. De wind waait, en daarmee is het gezegd en geschreven. Er zijn geen wonderen in de wereld, slechts de taal om er wonderen van te maken. De taal stromend uit artiesten, schrijvers, muzikanten en schilders. Het wonder is menselijk, niet wereldlijk.  Ge wordt bang, want ge zou toch oh zo graag schrijver zijn, maar ge ziet de wereld niet zoals de schrijvers. Als het sneeuwt vindt ge geen buitenkosmische schoonheid, dat ge amper in woorden kunt omschrijven. Voelt ge de nood niet uzelf te kasttijden met een tantalische zoektocht om die woorden wel te vinden, nee, als het sneeuwt, vallen sneeuwvlokjes met behulp van de waaiende wind op een ronddraaiende aarde.  Ge ijsbeert wat in dat kotje, van dat raam naar uw laptop en terug, want het maakt u toch wat ongemakkelijk. Ge wilt weten wat er tussen het vallen en het dwarrelen ligt, wat een schrijver tot schrijver maakt. Uw brein peinst en peinst terwijl uw voeten zich haastig heen en weer verplaatsen, alsof uwen stappenteller heeft getoond dat ge vandaag nog te niet genoeg bewogen hebt. Het concentreren lukt niet. Mannelijk lijk uw brein is, dwaalt het af naar de vrouw. Starend naar uw bed denkt ge aan alle vrouwen die ge gehad hebt, alle vrouwen die ge krijgen kunt en vooral aan die ene die ge niet krijgen kunt. Verdomme, als het dan wel niet die ene is dat ge wilt zeker. En niet concentrerend zet ge u terug voor dat maagdelijk wit scherm. En het besef komt. Ge ziet het plotseling allemaal zo duidelijk, wat ge mist, wat de mens tot mens maakt en hem de mogelijkheid verleent om van de aardbol een wereld te maken, wat er tussen het ‘vallen’ en het ‘dwarrelen’ ligt. Het is de Liefde. Niet de liefde waardoor ge om de zoveel tijd bij hetzelfde wijf sukkelt, nee, een andere liefde, een dagdagelijkse liefde, die ondanks zijn menselijkheid, groter dan de mens lijkt te zijn. Die ervoor zorgt dat de hemel blauwer is, het gras groener, de zon meer straalt. De Liefde des Levens. Ze komt boven op goede dagen die geen speciale reden hebben om goed te zijn, waarop ge wakker wordt en de lucht gelijk gewoon meer zuurstof bevat dan anders. En uw gedachten zijn nog niet gevormd of de woorden vloeien al uit uw vingers. Binnen de kortste keren is dat wit blad doordrenkt van de zwarte letters. Heerlijke swingende woorden over de kou, de kilte en al zijn schoonheid. Over die alledaagse schoonheid. Over de opluchting bij het buitenzetten van een vuilzak met beginnende schimmel aan de randen. Over het vrij zijn van de ene parkeerplaats, waarin de gezinswagen net wel tot zijn recht komt. Over de koffie die vrijdag beter smaakt omdat Magda, de goeie ouwe tante, er dan iets minder chicorei doordraait.  Van al dat schrijven moet ge even op adem komen en ge tuurt weer door het raam van uw hooggelegen kotje en wat ziet ge? Wonderlijk als het is, de daken zijn wit geworden, spierwit. Een vlaag van levenswil vliegt door uw lijf en ge loopt de trap af, wat zeg ik, ge rent de trap af, gelijk uw hele leven de honderd meter sprint is.  Wanneer ge beneden komt, de deur openzwaait en de straat opwandelt, zijt ge ver weg van uw Gents kotje, terug in het uitschot van West-Vlaanderen waar ge vandaan komt, waar de bekrompenheid door de kamers sluipt en de woorden klein zijn, waar ge misschien, op het einde van de week, thuishoort. Het is een simpele woonwijk, net buiten de stad en ge hebt er dinge, met zijn gezwollen enkel, die van een ziekte-uitkering Cara koopt en met een blikje in de hand wacht tot tegels van de straat zichzelf verleggen, en dinge, met hare buurman, die tevens haar minnaar is en hare katholieke man die zo goedgelovig is en het huwelijk ziet als het stabielste construct der mensen, en ocharm, hij zou het niet eens kunnen inbeelden. En dinge met zijn aktetas, iedere ochtend sereen wandelend naar het kantoor, ‘s avonds even sereen terugkerend. Hij heeft geld zat, doch hij het niet uitgeven kan en iedere avond twee koude boterhammen met ham en een beetje margarine eet gelijk een armzalige handarbeider. Hij leeft alleen, want hij heeft amper tijd voor hobby’s, wat zou hij dan tijd hebben voor zo’n tijdrovend wezen als de vrouw. En dinge, van op de hoek, die amper buitenkomt, liever binnen breit doch tussen de rechte en de averechte steken al jaren droomt van een echte vent, die haar innig kussend tegen de muur aandrukt. Echter breit ze met gekruiste benen verder gelijk zij de preutsheid zelve is. En dinge, die een schat van een vrouw heeft, maar het toch niet laten kan om naar de meisjes te turen, de kleine meisjes, die waar ge eigenlijk niet naar zou mogen turen, een gedachte die hem zo angstig maakt dat hij van zijneigen zou weglopen. En dinge, dat jonge meisje, waar dinge naar tuurt, dat op haar kamer boeken leest en in de boeken het grootse leven dat zich buiten afspeelt zoekt. Ze haat haar moeder die toch zo klein is groot gebracht dat ze niet eens inziet dat men via boeken de wereld schept. En ge verzamelt ze allemaal, ja, zelfs de minnaar van dinge en de domme moeder van dinge, op de grote wittende straatkasseien van de wijk. Kijk eens omhoog, zegt ge. En allen, al waren het spinnenogen en geen aparte oogballen, delen van een groot bewust wezen en geen hoopje bijeengesprokkelde individuen, kijken op hetzelfde moment naar boven. En ze zien… ja, wat zien ze? Niks, helemaal niks. Dat besef breekt alle synchronie van de menigte. Alle oogballen vallen stuiterend op de grond. Ze kijken elkaar van ontgoocheling zuchtend en hoofdschuddend aan.  En ze staren naar u, gelijk ge hen de hele wereld beloofd had en ze slechts enkel brokken aarde gekregen hebben. En ge wilt roepen, tieren, lachen, schreien, alles wat uw stembanden tegelijk aankunnen. Doch verstomd blijft ge staan. Verhinderd door al die ontgoochelde ogen. En van alles wat ge denkt, wat sinds het zien van die sneeuwwitte daken in uw hersenen rondspringt, al die gevoelens die uw zenuwen doen krullen van enthousiasme, dat tere hartje toch zo razend hard doen kloppen, komt geen één woord naar buiten. De wazig makende lebenswille waarmee ge deurbellen hebt ingedrukt, voordeuren uit de voegen hebt geklopt, de hele menigte bijeen hebt geschreeuwd, neemt steeds meer af. Met een steeds meer benevelende waas van eenzaamheid dat rond u vormt, lukt het dan toch enkele woorden te prevelen. Stil en onverschillig, zelfs ietwat binnensmonds verlaten ze uw lippen: “Maar mensen toch, zien jullie het dan niet? De sneeuwvlokjes. Ze dwarrelen.”  

Ybe Terryn
8 1

Dieren als spiegels rondom mij

Pas na het bezoek van de handhavende instanties viel de symboliek van de eksters mij op. Net als zij huppelden de eksters met z’n zessen over hetzelfde pad richting mijn heiligdom. Onaangekondigd en met een vanzelfsprekende zekerheid over hun optreden. Ze voelden zich de baas over dit terrein, trokken met hun sterke snavels aan alles dat los zat en glansde. Ze plunderden nesten en stalen de eieren van mijn kippen. Ik voelde me machteloos en gefrustreerd omdat ik de verstoring en schade die zij toebrachten niet kon voorkomen, ondanks verschillende pogingen. Zowel de eksters als de overheidsinstanties vormden een domper op de gelukzaligheid van een leven in de natuur. Het zwart-witte verenkleed van de één weerspiegelde de zwart-witte denkwereld van de ander. De eksters, gedreven door Moeder Natuur, de instanties door Vader Overheid. Beiden klauwden zich onlosmakelijk vast in hun destructieve missies. Tot tweemaal toe betrapte ik een ekster op heterdaad in het kippenhok, waarna ik hem even opsloot – de kippen waren op dat moment vrij aan het rondscharrelen op het terrein. De eerste keer wist de ekster redelijk snel te ontsnappen, maar de tweede keer had ik alle ontsnappingsgaten dichtgemaakt. De ekster en ik keken elkaar diep in de ogen, en ik ging het gesprek aan. Net zoals bij de instanties kreeg ik geen respons op mijn steekhoudende argumenten. En opeens viel het me op hoe gehavend de ekster eruitzag. Zijn veren leken oud en rafelig en hij had een gezwel op zijn keel. Daarin zag ik de symboliek van hoe ook de gezaghebbende instanties op hun laatste benen liepen in dit afbrokkelende paradigma. De ingezette shift naar een andere wereld zorgde ervoor dat ze de druk opvoerden. Hun intentie om ons weg te houden van onze natuurlijke rijkdommen hing als een mist in de ether. Het maakte de connectie met de essentie moeilijker, maar niet onmogelijk. En zo was het moeilijk om de eieren van mijn kippen dagelijks te beschermen, maar niet onmogelijk. Het lukte me een tijdje om de eksters af te schrikken met een vogelverschrikker – volledig aangekleed, met pruik en zonnebril, de ingang naar het kippenhok versperrend. Die joeg ook bezoekers de stuipen op het lijf. Eksters zijn natuurlijk uitzonderlijk slim, dus het duurde niet lang voor ze doorhadden dat het om bluf ging. Dus de kippen en ik pasten ons aan. Pas als alle eieren waren gelegd, ging de deur open. En het gebeurde nog weleens dat een ekster zijn slag kon slaan, maar het merendeel van de eieren bleef gespaard. En zo heb ik ook in het dagelijks leven compromissen te sluiten met machtuitoefenende instanties, zonder daarbij te veel van mezelf weg te geven. In de periode dat de onzekerheid, voortgekomen uit het contact met dreigende instanties, zwaar op mijn schouders drukte, was er een specifiek insect dat mij voor het eerst opviel. Teruggetrokken tussen het groen, zoekend naar rust en ontspanning, werd ik plots omringd door kniptorren. Als ze op hun rug terechtkwamen, konden ze hun schild zodanig laten ‘knippen’ dat ze weer op hun poten belandden. Omdat ik ze dag na dag rond mij, van alle kanten, hoorde knippen, zocht ik informatie over dit insect. Zo leerde ik dat de kniptor graag teruggetrokken tussen het groen leeft en dat hij, hoewel hij er kwetsbaar uitziet, over een verrassende kracht (de klik) beschikt. Ik was de kniptor. Als ik op mijn rug terechtkwam, kon ik rekenen op mijn eigen innerlijke kracht om weer rechtop te komen. Een enkele klik in mijn bewustzijn was genoeg om de richting te veranderen. Er laaide een ontembaar vrouwelijk vuur onder mijn schild, waarmee ik mezelf steeds uit benarde situaties wist te ‘knippen’. Ik bestudeerde het gedrag van de kniptor en beschouwde het tegelijk als een vorm van zelfreflectie. Ik zag hoe een kniptor zich voor dood kon houden. Met eindeloos geduld zat hij daar, met ingetrokken pootjes, voelsprieten en kop, te wachten tot de kust weer veilig was. En op het moment dat ik mijn aandacht begon te verliezen, kwam er heel voorzichtig een tastend pootje uit zijn schild tevoorschijn, de omgeving scannend op onraad. De kniptor vindt veiligheid bij zichzelf, in zichzelf. Hij vlucht nergens naartoe, maar keert naar binnen. Zolang als het nodig is. De instanties hadden me gemotiveerd om een groot hoofdstuk af te sluiten. Ik was er eigenlijk wel aan toe en denk dat ik, zonder die externe motivatie, was blijven doorgaan tot ik erbij neerviel. Het was natuurlijk schrikken en ook wat beangstigend – zeker omdat ze dreigden met ‘sancties’ – maar ik zag wel in hoe het loslaten van iets ouds ruimte maakte voor iets nieuws. Ik had altijd best veel hooi op mijn vork genomen, was ook gewend om dingen alleen te doen. Het beëindigen van dit stuk werd ingeleid door nieuwe ontmoetingen en potentiële samenwerkingen. Ik zag en voelde dat mijn weerbaarheid en bereidheid om los te laten mij vanzelf, zonder enige moeite, leidde naar nieuwe projecten waar ik enthousiast van werd. Het idee om weer met anderen samen te werken, maar dan met minder verantwoordelijkheid dan ik mezelf voorheen toeschreef, wakkerde mijn creatieve vuur aan. Ik zag deze symboliek niet meteen, toen ik – niet toevallig vlak voor een succesvolle samenwerking – per ongeluk in een mierennest ging zitten. Ik kreeg toen diverse brandende mierenbeten te verwerken. Ook de dagen daarna leek het alsof ik omgeven werd door mieren. Onder en in elke bloempot, in de kelder en garage, rond de steencirkel, in de serre... De boodschap die de mieren mij brachten, ging over samenwerking en gemeenschapszin. Dit voelde erg toepasselijk, daar ik ook had gevoeld wat een grote tribe er achter mij stond in moeilijke situaties. Anderzijds was het ook belangrijk om mij tijdig terug te trekken, mezelf niet te verliezen in het contact met anderen. Dat was wat de mierenbeten mij vertelden. Naast eksters, kniptorren en mieren zijn er nog tal van andere dieren waarin ik stukken van mezelf in dit aardse bestaan herken. Zo is er het koppeltje eendjes dat zo goed als dagelijks komt chillen aan mijn vijver. Zij symboliseren voor mij standvastigheid, trouw en het houvast van eigen gewoontes en rituelen. En de groene specht die elke keer haastig wegvliegt, alsof hij ergens op wordt betrapt. Ik roep hem dan soms nog achterna: “Ik zag je wel!” De specht herinnert mij eraan om trouw te zijn aan wat er voor mij vanbinnen klopt. Om mij niet te schamen voor mijn waarheid, voor wat voor mij juist voelt. Het antwoord zit binnenin, zegt de specht die instinctief gaten in bomen maakt om eruit te halen wat erin zit. En dan zijn er natuurlijk nog mijn twee zwarte katten en vier witte kippen, die van heel dichtbij meeflowen op de golven van mijn bestaan. De nabijheid van dieren is een prachtig geschenk. Dieren zijn spiegels, boodschappers, helers – en soms ware zielsgenoten. Klein of groot, allemaal hebben ze een blik in hun ogen waarin ik een zuivere connectie met de bron lees. De blik van een dier kan een portaal naar een andere wereld openen. Er is niets dat mij zo diep kan ontroeren als de puurheid van dieren. Door hun kleine dierenleventjes te leiden, leveren ze een grootse bijdrage aan de ontwikkeling van het collectieve veld. Een dier komt nooit toevallig in je leven; het komt jou iets tonen – hoe onbeduidend het op het eerste gezicht misschien mag lijken. Niets is onbeduidend, er zijn geen details zonder betekenis. Geen ontmoetingen zonder communicatie. Het is een kwestie van horen en zien wat je getoond wordt. Aandacht schenken aan het subtiele. Opmerken hoe jouw hele omgeving meebeweegt en jou reflecteert.

KarolienDeman
76 1

Waarom, wat en hoe

Waarom, wat en hoe: het zijn woorden die als voegsel tussen mijn fundamenten zitten. Het besef dat ik niet lijk te ‘weten’, iets te zijn vergeten, dringt door naar de bovenste lagen. Al zeer jong keek ik rond en vroeg ik waarom. Niet alleen uit praktische redenen, maar vanuit een essentieel verlangen om het geheel te overzien. Mijn levensblindheid te overstijgen. Ik zag anderen verhalen schrijven die gebaseerd waren op een collectief script. Gebaseerd op wat vooropgesteld was, als een blauwdruk waarover een transparant leven werd gelegd. En dan maar calqueren, de lijnen overzetten die het bestaan in een bepaalde richting leiden. Je zou kunnen denken dat de richting van het collectief voortkomt uit de levenslessen van onze voorouders. Zij die het spel reeds gespeeld hebben en een handleiding achterlieten. Dat leek mij logisch, de natuurlijke gang van zaken die maakt dat we ergens op kunnen voortbouwen. En dat deden ze ook, onze voorouders. In harde steen, in majestueuze monolieten, verspreid over de hele wereld, liggen hun levenslessen, waarschuwingen en wijsheden opgetekend. Boodschappen die ten dienste staan van het her-inneren. En het vergeten reeds hebben ingecalculeerd. Ze maakten esoterische kennis hiermee zichtbaar in de externe wereld als een spiegel van onze interne wereld. Het vergeten is in deze duale werkelijkheid niet te bestrijden en ik geloof ook niet dat dat de bedoeling was van onze voorouders. De mogelijkheid om te vergeten schept nieuwe ruimte. Het maakt het leven verrassend. Het zoeken naar iets zet ons in beweging, laat ons avonturen beleven. Het onderscheid tussen ‘vergeten’ en ‘niet-weten’ is wat mij betreft louter een taalkundige afspraak; in wezen zijn ze één en hetzelfde. Al wat we niet weten, zijn we eigenlijk vergeten, maar zit wel onbewust opgeslagen in ons wezen. Er is alleen maar het herinneren. Er is alleen maar een creatieve kracht die alles weet en cyclisch weer vergeet. Het ‘niet-weten’ is een cruciaal deel van het leven. Ook dat wisten onze voorouders. Het is echter niet zo dat de achtergebleven wijsheden van onze voorouders voor het collectief van vandaag een leidraad vormen. Het bewustzijn van de massa is gekaapt door een macht die het vergeten voedt, cultiveert en aanmoedigt. Diezelfde macht heeft zich er eeuwenlang op toegelegd om de oude kennis, vaak letterlijk, te ondergraven, ondermijnen en af te doen als mythen en bijgeloof uit primitieve culturen. Er wordt systematisch en consequent verwezen naar het verstand met zijn eindeloze denkwereld, de ratio. En al dat wijzen naar boven leidt ons natuurlijk af van wat er beneden gebeurt. Ons hoofd, dat als een antenne signalen ontvangt en zendt, wordt belaagd door een veelheid aan informatie. Maar als het contact met de aarde ontbreekt, met onze wortels, dan is al die informatie niet meer dan ruis. En zo vind ik mezelf wel vaker uitgehold én verzadigd door zoveel ruis. Om het overleven te verrijken naar ‘voluit leven’, strijk ik tegen de richting van mijn geconditioneerde haren. Dat voelt natuurlijk ongemakkelijk en ongewoon. Maar om mijn wilde haren een kans te geven om weer te groeien, moet ik ingaan tegen alles wat mij aangeleerd is. Ont-leren en deprogrammeren wat niet gezond en natuurlijk is. Mijn eigenliefde vanonder de overlevingspatronen halen. Her-inneren wat er onder de ruis ligt. Het proces van herinneren vertaalt zich in de oppervlakte naar waarom-vragen. Omdat waarom-vragen rationeel georiënteerd zijn, kunnen ze geen diep verzadigende antwoorden voortbrengen. Het begrijpen van iets valt niet meteen gelijk met ernaar handelen, het beleven of voelen. We kunnen iets weten zonder het te belichamen of toe te eigenen. Antwoorden op waarom-vragen brengen geen verandering of vooruitgang, het is een valkuil om te stagneren na het verwerven van zo’n antwoord. Het antwoord is dan ook vaak de reden of verantwoording voor de stagnatie. Bijvoorbeeld: ‘Waarom heb ik een ziekte? Omdat mijn moeder het ook had en het erfelijk is.’ Of een antwoord op een nog dieper niveau: ‘omdat het een resterende overlevingsrespons is op een trauma.’ Het maakt eigenlijk niet uit hoe ruimdenkend het antwoord is, als het hierbij blijft, is er niets essentieel begrepen of geleerd. Echt begrijpen is ook integreren en handelen. Vanuit de waarom-vraag ontstaat uiteindelijk vanzelf de hoe-vraag. Van ‘waarom overkomt mij dit’ naar ‘hoe kan ik ermee omgaan’. Weten waarom jou iets overkomt is geen garantie om jezelf ervan te kunnen verlossen. Het beantwoorden van de hoe-vraag vereist actie, vaak met trial and error. Het woord ‘hoe’ is de inleiding die aan de intentionele handeling vooraf gaat. Om de persoonlijke antwoorden op een hoe-vraag te integreren en belichamen is er moed, motivatie en doorzetting nodig. Zeker als deze sterk afwijken van wat er collectief voorgeschreven wordt. De weg van ‘waarom’ naar ‘hoe’ is een grote sprong in de persoonlijke ontwikkeling. Terwijl de waarom-vraag een passieve machteloosheid suggereert, is er bij de hoe-vraag de intentie om te handelen en de verantwoordelijkheid te nemen. Het invullen van een persoonlijke waarom- en hoe-vraag kan decennia in beslag nemen.  Misschien zelfs meerdere levens. Het stellen van deze vragen op existentieel niveau maakt onlosmakelijk deel uit van ieders proces van zelfontwikkeling. Een iets bewustere variant op de waarom-vraag is de wat-vraag. Wat vertelt en leert een bepaald voorval of probleem? Wat is de boodschap die erachter zit? Door ons deze vraag te stellen, eigenen we onze ervaringen toe in plaats van ze als externe willekeurigheden te beschouwen. Het interpreteren van de symboliek der verschijningen kan ons waardevolle informatie verschaffen over onszelf. Wat zich buiten en rond mij voortdoet en hoe ik mij daarbij voel, weerspiegelt hoe ik in elkaar zit. De wereld rondom mij toont wie ik ben, maar bepaalt niet wie ik ben. Angst en vergetelheid cultiverende machten hebben niet alleen onze ware geschiedenis aan het oog onttrokken, maar ontmoedigen en marginaliseren het stellen van existentiële vragen. Waarom leven wij, hoe leid ik mijn leven, wat is de zin van het leven; het zijn vragen die in de privésfeer van een filosofisch of spiritueel kwartier mogen plaatsvinden, maar worden door het dominerend rationele denken opzij geschoven als volksvermaak en bijgeloof. Er zouden zogezegd geen antwoorden op die vragen zijn, alleszins niet tastbaar en meetbaar. Het grote niet-weten of de fundamentele bestaansonzekerheid die eigen lijkt aan het menselijk bestaan is als geschenkverpakking. Het omhult iets dat we niet kunnen zien. En we vermoeden, weten en voelen dat er iets in zit, maar de vorm geeft niets weg. Zonder die verpakking zou er geen verrassing zijn, geen magie, noch de vreugde van ontdekking en verwondering. Het is des mens om te pulken aan die verpakking. Om glimpen van de inhoud te willen opvangen. Het is tevens een verpakking van meerdere lagen, dus we kunnen naar hartenlust pulken. Hoezeer men ons ook iets anders wil doen geloven: er is wel degelijk een geschenk voor ons bestemd waarvan wij de inhoud mogen en kunnen ervaren. Het levensspel draait om te ontdekken wie de schenker en wie de ontvanger zijn, de inhoud zal zich op die manier vanzelf openbaren. Het is aan ieder van ons om persoonlijke vragen te stellen en daar ook een persoonlijk antwoord op te geven. Authentieke vragen kunnen niet beantwoord worden door een gestandaardiseerd rationeel systeem. Als iets voor mij waar is, voel ik het eerst - pas daarna noem ik het weten. Authentieke waarheid maakt zich kenbaar via de gevoelswereld, er daarna rationeel over reflecteren is optioneel maar niet noodzakelijk. De antwoorden van onze voorouders mogen dan wel weggemoffeld worden, ze maken nog steeds deel uit van wie we zijn. Deze wereld waar ratio zich doordrukt en opdringt zal het fundamentele voelen nooit kunnen uitroeien. Net zo min het vergeten het weten kan verdrijven, en omgekeerd.

KarolienDeman
33 1

Het ziekenhuis

Ik wandel de overvolle parking uit, waar zoekende auto’s onder tijdsdruk als aasgieren rondcirkelen, en loop langs drie bulderende graafmachines. Ze werken aan de uitbreiding van het ziekenhuis, dat nu reeds een onoverzichtelijk kluwen is van met neonlicht gevulde grijze dozen. De klinische hardheid vindt steeds meer bodem, woekert verder over onze ware natuur. Ik heb de keuze om hier al dan niet te zijn. Waarom zou ik vrijwillig een plek als deze, die indruist tegen alles wat mij levenskracht geeft, opzoeken? Is angst een onderliggende drijfveer om dit zwaarmoedig oord vrijwillig te blijven opzoeken? Vast wel. Wanhoop ook. En vroeger zou ik ook onzekerheid gezegd hebben, maar ondertussen ben ik toch best zeker geworden van wat ‘juist’ voelt voor mij en wat niet. En het voelt niet juist om hier te zijn, zo heeft het nooit gevoeld. En toch heb ik aanzienlijk meer uren in ziekenhuizen doorgebracht dan wat gemiddeld als ‘normaal’ wordt beschouwd. Bij de diagnose, drieëntwintig jaar geleden, legde ik mijn lichaam in volle vertrouwen in de handen van de medische wereld. Ik had toen al begrepen dat de sleutel tot genezing enkel in mezelf te vinden was, maar ik had tijd nodig en ondertussen kon de reguliere geneeskunde mij wat ondersteunen. Nooit had ik durven denken dat dat ‘ondertussen’ twee decennia zou aanhouden. Laag na laag heb ik mezelf blootgelegd. Met tal van therapieën, retraites, ceremonies, rituelen, opstellingen, healings heb ik mij binnenstebuiten gekeerd. Gemediteerd, gevisualiseerd en geaffirmeerd alsof mijn leven er vanaf hing, want dat deed het ook. Ook het stoppen met zoeken werd op een gegeven moment een ‘strategie’. Want altijd dat graven en ploeteren is zo vermoeiend. Ik kan niet zeggen dat mijn zeer uitgebreide zoektocht, laten we het diepgaand empirisch onderzoek noemen, mij niets heeft opgebracht. Integendeel, op het vlak van zelfontwikkeling heb ik bergen verzet. Maar die immense verwezenlijking en al de inzichten die eruit voortkwamen, vervalt in bepaalde contexten in het niets. In het ziekenhuis bijvoorbeeld, daar ben ik de patiënt, niet de ervaringsdeskundige.  Nochtans heb ik mijn bevindingen over de jaren heen steeds kritisch gewikt en gewogen, je zou zelfs kunnen zeggen dat ik het wetenschappelijk heb aangepakt. Alle mogelijk pistes werden met een open geest bewandeld, zowel regulier als ‘alternatief’. De analyse van mijn conclusies berustte op logisch redeneren en trial and error. Later ook op intuïtie. Meermaals heb ik alles dat ik dacht te weten overboord gegooid en helemaal opnieuw begonnen. Hou er ook rekening mee dat de ervaring van langdurige ziekte een gelegenheid is om stil te staan en het geheel te overzien, dat was het althans voor mij. De antwoorden die ik voor mezelf gevonden heb, zijn dus alles behalve over één nacht ijs gegaan. Het cruciaal inzicht bovenop alle inzichten was dat iets weten geen garantie is om het ook te kunnen belichamen. Ik mag nog zo zeker weten waar mijn symptomen precies vandaan komen, mijzelf er definitief van verlossen is een ander paar mouwen. Maar hey, ik ben wat mij betreft al veel verder gekomen dan de reguliere geneeskunde die nog steeds beweert dat de oorzaak van deze chronische aandoening onbekend is. Zo weet ik bijvoorbeeld heel zeker dat gefragmenteerde gevoelens van onveiligheid zich in mijn buik nestelen en darmontstekingen veroorzaken. Of dat ik mij heel gemakkelijk, vaak onbewust, afstem op de energie van anderen en daardoor uitgeput raak. Het ‘waarom’ van de ziekte is een erg gelaagd verhaal gebleken. Het gaat onder andere over diep ingeprente overtuigingen, trauma’s en mijn zelfbeeld. En nu ik alle puzzelstukken vergaard lijkt te hebben, kan het ‘echte’ werk beginnen. Toch? Maar ik ben moe. Ik heb het gehad. Ik had het tien jaar geleden al gehad. Regelmatig overvalt mij het gevoel van ‘het is me allemaal teveel’. Er is altijd wel iets dat mijn intern alarmsysteem weet aan te zetten of mijn onveiligheidsgevoel triggert. Altijd wel iets dat ontstekingen opnieuw doet oplaaien. ‘Stress vermijden’, zeggen ze in het ziekenhuis. Hoe hilarisch dun is dat advies! Je zou er om lachen en huilen tegelijk, wat ik dan ook al vaak gedaan heb.   Dus omdat een protocol van het systeem het zo voorschrijft, en ik momenteel even halvelings naar de pijpen van dat systeem dans, begeef ik mij in het hol van de leeuw. Ik poets mijn persoonlijke bubbel extra op, scherm mijn energieveld af met spreuken en visualisaties dat het geen naam heeft, om na afloop alsnog gebroken en verward naar huis te keren. Dit mastodont van een farmaceutisch bedrijf verteert mij, reduceert mij tot genummerd zwak vlees. Wanneer ik tussen de vele lege blikken en medische afstandelijkheid menselijkheid ontwaar, klamp ik mij eraan vast als was het een reddingsboei. Af en toe slaag ik erin om écht contact te maken met verpleegkundigen of artsen. Zij zijn natuurlijk ook zielen die een persoonlijk pad met uitdagingen bewandelen, een idee dat mij sterkt. Maar het logge systeem drukt ons telkens weer uit elkaar, maakt dat we nooit verder komen dan woorden. Het protocol is lucratief voor de farmaceutische industrie, de motoren achter de schermen draaien op volle toeren, deze machine is niet zomaar te stoppen. Keer op keer worden mij dezelfde vragen gesteld, wat er gebeurt met de antwoorden is mij vaak een raadsel. Drieëntwintig jaar lang worden dezelfde symptoom onderdrukkende therapieën als enige ‘oplossing’ aangeboden. Er is ondertussen wel al een heel arsenaal aan immunosuppressiva ontwikkeld, doch allemaal met slechts 40 tot 50 percent slaagkans en een hoop bijwerkingen, dat ontkennen ze niet. Blijkbaar is zulk gering resultaat voldoende om als een sneltrein op hetzelfde spoor te blijven gaan. Het is een winkel waar de invasieve en mensonterende onderzoeken vicieus en aan de lopende band verkocht worden. Als het ene middel niet werkt, smijten ze er een tweede tegenaan. Als ook dat geen soelaas biedt, dan schrijft het protocol voor om weer van vooraf aan te beginnen met onderzoeken die het probleem herbevestigen. Om daarna weer met ‘oplossingen’ te komen die alleen maar toenemen in destructieve kracht. En ja bravo dat de moderne geneeskunde zoveel kwalen waar we vroeger aan crepeerden de wereld heeft uitgeholpen. De prijs die we daarvoor betalen zijn alle zogezegd ongeneeslijke chronische welvaartziekten waar steeds meer mensen onder gebukt gaan. Als de medische wereld echt zo revolutionair is, waarom zijn er dan zoveel zieken? De wachtlijsten voor een afspraak bij een ‘specialist’ zijn nog nooit zo lang geweest, de parkings en wachtzalen nog nooit zo vol en de kankers en auto-immuunziekten swingen de pan uit. Hoe lang gaan we deze manier van werken, die zich verschuilt achter status en ons overbluft met technische termen, nog serieus blijven nemen? En voor alle duidelijkheid: met deze tekst wil ik geen vinger wijzen naar artsen of verpleegkundigen. Mijn ervaring is dat velen onder hen zelf ook gevangen zitten in een systeem dat weinig ruimte laat voor menselijkheid. Mijn kritiek is systemisch en existentieel. Ik schrijf dit uit een verlangen naar een meer holistische kijk op gezondheid, niet uit wrok. Ik geloof in een kentering die nu al gaande is, weliswaar nog niet zo prominent zichtbaar. Ik heb er het vertrouwen in dat ik niet de enige ben die logische verbanden ziet en de hiaten in het medisch systeem met steeds meer zelfvertrouwen durft uitspreken. Jij die dit leest, ook jij draagt een licht, of vuur, in jou dat jou leidt naar de meest natuurlijke en authentieke richting. En die richting staat soms haaks op het hele construct waarin we ons lijken te bevinden. Het volgen van dat innerlijk licht maakt ons moedig, weerbaar en krachtig. Eigenschappen die vaak sterk contrasteren met de inhoud van ons medisch dossier, maar waaraan ik jou via deze tekst wil herinneren.

KarolienDeman
30 1

HET BEGIN VAN MIJN VRIJHEID.

Net voor ik van de trein stapte in Gent besefte ik dat wat ik nu zou doen mijn leven een geheel andere richting zou geven de spanning voor het nieuwe en de angst wisselden af.Maar toen de trein snerpend tot stilstand kwam stapte ik eruit.Veel opties om in Gent te logeren had ik niet een optie was vrienden uit mijn geboortedorp.Die er als student op kot zaten.Hun kot was gelegen in het patershol de Corduwanierstraat daar kon ik een tijdje logeren.Een andere mogelijkheid was relies een organisatie opgericht door Marianne Faithfull. In Engeland was er een vloed jongeren die het huis verlieten en door de conservatieve overheden in de steek werden gelaten. De Gentse afdeling werd gerund door een overwerkt sociaal voelend koppel.Het werd me al rap duidelijk dat daar geen plaats was, een andere mogelijkheid was de commune van Martens-Latem maar daar paste mijn sociaal profiel niet zo goed de meeste die daar terecht konden kwamen uit kapitaalkrachtige milieus. In hun zuiverheid denken paste geen plebs.Dan maar naar infojeugd, een stedelijke organisatie die opgezet was om de toenemende vloed van thuis weggelopen jongeren enige informatie te bezorgen. Wat ik daar meemaakte zou een constante worden. De organisatie werd gerund door jongeren die daar om politieke redenen werden gedumpt. Hun enige doel was zichzelf in stand houden. Enige interesse voor de problemen van jongeren was er niet. Toen ik de deur van hun pand op de kortrijksesteenweg opende was de balie leeg. Toen na enige tijd iemand uit de kamer ernaast, waaruit gelach de geur van koffie de balie binnen waaide, dik tegen zijn goesting mij te woord stond kreeg ik rap rap enkele krantenknipsels in mijn handen gestopt. Waar net dezelfde informatie stond die ik in de morgenkrant zelf al had gelezen. Dat was het.Want er moest vergadert worden.Dan maar terug naar het patershol het was zomer, bijna vakantie, net verlost van de dwang van een jaar legerdienst. Voelde ik me in die dagen vrij, zo vrij als ik me toe voelde zou ik me zelden nog voelen.In die tijd reed er een auto door de kleine straatjes van de oude stad met een geluidsinstallatie.Die studenten opriepen om ergens te gaan werken.Een lichtjes corpulente heer Creyfs, begon zo zijn interim-bureau. Een keer werkte ik in een plastiekfabriek en een andere keer aan de werken aan de snelweg Brussels Oostende Op een dag toen we zeer vroeg op de werken aanwezig waren en de mist ieder uitzicht belemmerde hoorden we opeens een enorm gerinkel van gebroken glas. We snelden er naar toe zagen een bierbestelwagen die aangereden was door een andere wagen. Opeens voelde ik een luchtverplaatsing, een wagen was met hoge snelheid rakelings langs mij gereden.Rap maakten we ons uit de voeten, een onbehoorlijke tijd lang hoorden we hoe de ene snelheidsduivel na de andere in de dichte mist de ravage groter maakten. Signalisatie was er niet. Berichten erover in de media waren door de machtige automobielsector verboden.De grootte slachting was bezig. Ik vond een studente job in Brussel. Om vier uur moest ik langs de snelweg Oostende Brussels staan in Gent opgepikt middags werd ik terug daar afgezet. Door de eigenaars die in Oostende woonden, en in Brussel een import bedrijf van sinaasappelen haden. Tour & Taxis. waar toen duizenden treinwagons geladen met toenmalig exotisch fruit brussel binnen treinden voor op de vroeg markt. De eerste Gentse feesten stonden op stapel, al bekend in het trefpunt, het toenmalige restaurant van Walter De Buck, plaseerde ik me op de eerste rij. Toen ik terugkwam uit Brussel. Begonnen de feesten en waren nog bezig toen ik terug naar de autosnelweg moest.Op de feesten ontmoete ik mijn zigeunervrienden de piotos die mij in mijn geboortedorp enkele gitaarlessen hadden gegeven. Tijdens hun optreden speelde hun vader die ooit samen met Django Reinhardt en Stéphane Grappelli was opgetreden zijn laatste set, geveld door reuma en de mishandelingen hem aangedaan door diegenen die zichzelf de normalen noemen.Zijn viool krijste vals on ritmisch de set door, niemand gaf een krimp want hier stond een van werelds beste violisten omringd door zijn zonen en vrienden die zonder een spier te vertrekken hun deel perfect speelden. Na de set barste minuten durende applaus los dat iedereen kipvel bezorgde.Diezelfde nacht werd ik uitgenodigd om met hen mee op café te gaan spelen.De piotos gingen ergens een burgerlijk café binnen al rap vroeg iemand een bepaald liedje te spelen, zing eens de melodie vroegen ze, toen ze de slecht gezongen melodie hoorden namen hun instrumenten het over. Ze breiden met die enkele noten een muziekstuk waar niemand het verschil met de echte hoorde.Nog niet zo lang geleden werd dit soort mensen in werkkampen gestopt omdat ze niet op een door de toenmalige machtshebbers controleerbare academische manier muziek speelde. Hij, de vader was een van de overlevenden van toen.Na zijn concert, toen hij bij zijn caravan kwam werd hij en zijn familie geconfronteerd met de nog altijd achterlijke overheid die hem verplichte zijn woonplaats zijn caravan op een andere plaats te zetten. In de caravan lag zijn hoogzwangere kleindochter die in ieder katholiek en openbare ziekenhuis geweigerd werd, de kleinburgerij vind altijd wel beulen om hun vuile werkjes op te knappen. Op een van de nachten ontmoette ik de muzikanten van de groep kandagar. Mijn eerste optrekje dat ik vond was in het pand in het patershol. De vrouwebroerstraat.Wanneer men de grote poort opendeed kwam men in een lange gang. Op het einde van die gang was er links een grote trap, wanneer men die beklom en op het eerste verdiep terecht kwam moest ik naar rechts de hoek om. In het midden van die gang was mijn dubbele kamer, vijftig frank per kamer honderd frank dus. Een kolenkachel zorgde voor de verwarming. Twee vensters zagen uit op de binnenkoer. In die kamer had ik een verhoog gemonteerd zodat ik uitzicht had, vanuit mijn bed, op de binnenkoer. Op een ijskoude sneeuw grijze dag toen de sneeuwvlokken over de binnenkoer dwarrelden, de kolenkachel zijn wloed de kamer instraalde had ik de hobbit ontdekt 'In de ban van de ring'. In een ruk las ik de boekdelen. Twee dagen en een nacht deed ik erover toen ik het laatste blad omsloeg en ik mijn krakende gewrichten tot enige werkzaamheid node protesteerde ieder vezel van mijn lijf. Wie de brede trap nam naar het tweede verdiep stond een verrassing te wachten verboden terrein wegens de rotte planken vloer. Maar wie het lef had om die angsten te trotseren werd geconfronteerd met de restanten van de film malpartus. Een vervalen sofa in het tegenlicht, Samen met de spinnenwebben en het opdwarrelend stof een zeer romantisch beeld. Op die plaats zaten ooit Orson Welles samen met Jack Brel. Ik had mij opgegeven als helper bij de jazz optredens die doorgingen in het gravenkasteel.Opeens in contact met de groten uit de toenmalige, vooral in Parijs wonende, jazzlegendes.Ik kende er niemand maar door die naïviteit, en mijn jeugdig enthousiasme, werd ik door iedereen geliefd. Zelfs toen ik van het podium stotterde terwijl ik met een piano aan het sleuren was, de gewrichtsbanden van mijn voeten scheurde toen die voet op een dikke kabel terecht kwam. Ik werd vastgebonden op een brancard door twee mannen de stijlen trap afgedragen. Een zeer angstaanjagend moment Ik wil de Mokkabon niet vergeten.De Venisiana .De Aquarius op de kuiperskaai.Mijn stamcafé rechtover de Mokkabon waar ik liefmans kriek ontdekte, er prompt verslaaft aan werd. Een van de studenten, die uit mijn geboortestad kwamen, vroeg mij om samen een huis te huren in de stokerijstraat. De student werd nog verzorgd door zijn moeder die iedere week met veel bemoeizucht de kamers kwam inspecteren.Hij kwam uit een vlaamsch nationalistische familie zonder zwart randje. Over die families zou Hugo Schilts later zeggen "we stonden op een ander niveau dan het Vlaamse volk meer nog we kenden het vlaamsche volk, dat we pretenderen te vertegenwoordigen, niet."Uit zo een familie kwam die student. Er was ooit in hun familie een nationaal bekende Vlaamsche toondichter ontsproten en sinds dan dacht die gehele familie dat ze artistiek begaafd waren en werd dat moederskindje zwaar onder druk gezet om de artiest uit te hangen.Zo ging dat in die tijd. K'was de zoontjes van de corrupte achterlijke vlaamsche kleinburgerij met al hun misplaatste elitaire streken meer dan kotsbeu. Na een tijdje samenwonen werd ik verdreven naar de stikhete zolder, de keuken, de douche, no pasaran. Ik paste niet zo goed in hun kleinburgerlijk Vlaams nationalistische plaatje.In diezelfde jeugdclub waar ik dat soort volk leerde kennen was er nog een kunstenaar in wording. Zijn ouders baatten een huis, tuin, schilderwinkel uit. Voor dat type van volk was studiesubsidies vinden niet zo een probleem het zwarte geld lag veilig in lux. Zo konden ze met veel vriendendiensten hun zonen naast een riante studiesubsidie een behoorlijk extraatje bezorgen. Dat die prof werd had wel veel te maken met de diensten die de moeder verstrekte aan de rest van de mannelijke leraars want we waren in de 60er jaren. Maar lang hield ik er het niet meer uit.Leuven daar moest ik naar toe.Op zestienjarige leeftijd was ik in vervoering geraakt van Flamenco daar woonde de enige die niet alleen Flamenco speelde maar ook leefde.  Dirk Lambrechts. Mijn koffers stonden al gepakt. --------------------------------------------------

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
0 0

appelblauwzeegroen

Zag ooit een schim, leven, dat ze dacht, ik kom bij jou. In het grijs dat om je heen ligt, dans ik dichter tegen je aan, is het oké om me zo mijn gang te zien gaan? Ik stel me aan, keek ze, op de punten van haar schoenen neer, omhoog, keek ze, met uit een lichter verleden geleende ogen van onschuld. En een glimlach.    Onverstoorbaar zong de schim verder, de duisternis in de toekomst kroop ongemerkt de plankenvloer op, met vermoeide armen, zware benen en karbonkelig torso, een schip van delen dat zijn origineel in vraag stelde. De schim zong verder van niets in vraag en antwoord willen verdelen, ‘ik ben een rots en alleen de zee, de zee alleen kan me verspelen’, alleen zong hij twee keer vals en het stampen met zijn voeten was zo moeilijk te volgen.    Het refrein kwam er al aan.    Iets over roeiriemen dat ze jong nog niet kon begrijpen, toch niet als zijn toestemming gekregen om nader te treden, dichter te dansen, op zijn tenen te trappen. De toekomst lijkt en niet alleen dat, maar duwt haar wat, aan de kant, steekt haar wat, voorbij, haalt haar, in, en het hele verzin weet niets van melancholie te maken. Niets dat niet als golven voelt, wolven erin verscholen, door tanden overspoeld weet ze zich gebeten en gewassen gelijk, is dit spijt?   De schim zong verder en hoe verder hij zong, hoe lallender, hoe wilder dronkener, bezetener, alsof het grijs, de rook voor de gensters, voor de vlam, voor het vuur kwam. Dat hij er zelf van opkeek, als een zeil door verse wind bol geblazen, die richting uit, daar, daar is het ketsen van steen tegen steen, land, land in zicht, ahoy, ahoy was het eerste dat hij tegen haar zei, uit zijn optreden brekend. Haar dans verstorend. Sintels. As. Assen ervan op het podium. Nergens nog een roer of elektrocuterende microfoon te trotseren. Bitterzoete scherven. Zachtgrove korrels. Tonnen en tonnen en tonnen zand. Van het alles verdoofde. Nu.   Zag ooit een schim, leven, dat hij dacht, ik kom bij jou. In het grijs dat om je heen ligt, zing ik dichter tegen je aan, is het oké om me zo mijn gang te zien gaan? Ik stel me aan, keek hij, op de punten van zijn schoenen neer, omhoog, keek hij, met uit een zwaarder toekomst geleende ogen van schuld. En een glimlach.    Onverstoorbaar danste de schim verder, het lichte in het verleden kroop ongemerkt de plankenvloer op, met vermoeide armen, zware benen en karbonkelig torso, een schip van delen dat zijn origineel in vraag stelde. De schim danste verder van niets in vraag en antwoord willen verdelen, ‘ik ben een golf en alleen de rots, de rots alleen kan me verspelen’, alleen danste zij twee keer uit de maat en het stampen met haar voeten was zo moeilijk te volgen.    Het refrein kwam er al aan.    Iets over roeiriemen dat hij oud niet meer kon begrijpen, toch niet als haar toestemming gekregen om nader te treden, dichter te zingen, op haar tenen te trappen. Het verleden lijkt en niet alleen dat, maar duwt hem wat, aan de kant, steekt hem wat, voorbij, haalt hem, in, en het hele verzin weet niets van melancholie te maken. Niets dat niet als vlakken voelt, schapen erin verscholen, door wol overspoeld weet hij zich geschoren en geslapen gelijk, is dit spijt?   De schim danste verder en hoe verder zij danste, hoe waggelender, hoe wilder dronkener, bezetener, alsof het grijs, de rook na de gensters, na de vlam, na het vuur kwam. Dat hij er zelf van opkeek, als een zeil door verse wind bol geblazen, die richting uit, daar, daar is het ketsen van steen tegen steen, land, land in zicht, ahoy, ahoy was het eerste dat zij tegen hem zei, uit haar optreden brekend. Zijn zang verstorend. Sintels. As. Assen ervan op het podium. Nergens nog een roer of elektrocuterende choreografie te trotseren. Bitterzoete scherven. Zachtgrove korrels. Tonnen en tonnen en tonnen zand. Van het alles verdoofde. Nu.   Zag een schim een schim. Zwart op wit, alsof het echter was wat ze bedoelden, maar echter, bedoelden ze echter. Grijzer nog. Een schilderij van ankers, ankers op onpeilbare bodems aan deze en gene zijde van de wereld, de wereld die op een wereld wilde lijken,  het grijs-ste uit het diepste uit het tijd-ste ruim-ste.    Onbedacht.   Onverwacht.Het schimmigste allerst ooitst. Zwijgend sprekend. In een versmolten kleur ogen schenkend. Wat ze zien, dubbel en nog veel meer, hoe vaak ze elkaar misbegrepen, alleen.   Solo en iets over roeiriemen die ze grepen, om het slaafse te navigeren, traag en gestaag als magma, broeierig borrelend, immer op punt van uitbarsten staan, de primordiale vulkaan. Waaruit alle strofes bestaan. Verstild luid, niet te controleren, onvoorspelbaar brallend, wildst vruchtbaar, bezetenst door een schim.   Weet.    Leven, ik kom bij jou. Leven.   In het appelblauwzeegroen.

Bas Tuurder
51 1

ZO GING IK IN FALING.

  Ik kocht tien kleine krokante broodjes, wat beleg en servetten die ik met elastiekjes rond de broodjes hield. Ik hees me in een koksmaatjeskostuum en verkocht de tien broodjes in een nabijgelegen café. Met de winst kocht ik er twintig, en dan veertig.Na een jaar zo te hebben rondgelopen kreeg ik een aanbod. Een bekend en berucht café was de tijdsgeest van dat moment niet zo genegen. De boîte, DE MUZE  waar een tijdje terug rijkelijk spenderende achtenzestigers vervuld van liefde hadden rondgelopen, was nu gevuld met de nieuwe generatie agressief uitziende jongeren met hoog opgekamde haren vol zeepresten. De ouderen, die in vreedzame meditatie verkeerden, vluchtten resoluut de deur uit. Een slechte zaak voor de eigenaar. Zijn leningen moesten immers worden afbetaald. "Als je gebruik maakt van het raam, kun je zowel buiten als binnen je broodjes verkopen," zei hij. Er waren twee ramen. "Als het lukt, dan bouw ik je een keuken." Een jaar lang stond ik daar. Op een dag zag ik in de Japanse keizer en zijn keizerin in twee aparte wagens op twee meter van mijn raam voorbijsnellen. Twee Amerikaanse dames die in Amsterdam logeerden kwamen eventjes een koffie drinken. Een jaar lang stond ik daar iedere dag. Ik opende mijn venster stipt om twaalf uur 's middags. Ik bleef tot de laatste man. Kotsbeu werd ik het. De redder in nood, de witte ridder op het witte paard, verscheen in de gedaante van de eigenaar van een ruïne op het Zuid. In een van de leegstaande pakhuizen had die man een studentenfeestzaal ingericht. De PARADOX. Of ik daar mijn handeltje wilde verder zetten. Het beloofde keukentje was er nog altijd niet. Ik gooide al het aanwezige vlees in de diepvries en trok de stekker uit. Twee jaar lang verkocht ik hamburgers in de feestzaal. Op een dag vroeg iemand me of ik wilde meewerken aan De Laatste Nacht. Als ik eten maakte voor de artiesten, mocht ik broodjes verkopen op het evenement. Na enige navraag leek het me doenbaar. Het jaar ervoor waren erop een uur tijd vijfhonderd broodjes verkocht. Ik mikte op tweeduizend broodjes. Voor de artiesten dacht ik aan lamsribbetjes met frieten en salade. Maar het was nieuwjaar, en in Antwerpen bleek geen enkele lams rib meer te krijgen. Varkensribben dan maar, gestoofd in kruiden, uien, look enander lekkers. Wie zou het merken. Om tien uur stond alles klaar toen de organisator mij kwam melden dat de heren nog eventjes wensten te wachten. Mij goed. Alles werd koud. Om twaalf uur stond alles her opgewarmd klaar. De kleur van de varkensribben was veranderd. Zeker de aanhechting van het vlees aan het been was problematisch geworden. De organisator kwam mij verwittigen dat de groep wel honger zou hebben over een uur, nadat ze nieuwjaar hadden doorgezwolgen.Ze hadden honger. Ondertussen was lamsrib totaal uit mijn woordenschat verdwenen. Een paté kregen ze, met krokante frieten en verlepte in de dressing verdronken sla. Een tijdje later werd ik getrakteerd op champagne, ik werd de eetzaal bijna rondgedragen. Omdat het zo lekker had gesmaakt. In totaal verkocht ik vijftig broodjes.   *************************************************** film VERF ED JULIEN SCHOENAERTS https://www.youtube.com/watch?v=N55MoSYrWAY https://www.youtube.com/watch?v=NGLBYNyEit0 foto VERF ED  JULIEN SCHOENAERTS https://www.2dehands.be/q/verf+ed+julien+schoenaerts/

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
0 0

BRUSSELS BY DAY.

  Een vrouw.Ze woonde en werkte in Brussel en leefde in Parijs.Vlaanderen en Wallonië kende ze uit de boekskes. Ik nam haar een keer mee naar mijn geboortestreek. Ze dronk een koffie met mijn moeder. Ze was zeer beleefd. We zijn er nooit meer op teruggekomen. Ik zag het, Parijs lag haar beter. In Brussel daar woonde ze. In een gigantisch gebouw. Zo'n huis waar je via twee grote deuren binnenkomt in een gang die uitgeeft op een tuin. De gang waar vroeger de koetsen doorreden. Op dat moment stond er een auto wrak in die gang. Alles zag er nogal sjofel uit. We schrijven eind 1974. Dat soort huizen ging onder de hamer om aan de stroom nieuwe inwoners een woning te bezorgen. In het midden van die gang was er een kleine trap die naar de toegangsdeur leidde. Dan kwam je in een monumentale kamer met een monumentale trap naar de eerste verdieping. Daar woonde die vrouw. Op het gelijkvloers was haar handeltje. Ze gaf autorij lessen. Ze gaf lessen aan diegenen die onderaan de maatschappij waren geraakt.Haar handeltje draaide goed. Toen ik haar ontmoette, verschafte ze onderdak aan enkele Chilenen die gevlucht waren na de moord op Allende. Ze kende misschien niks van Vlaanderen en Wallonië. Brussel kende ze zeer goed. Ze leerde me de Griek aan het Zuid kennen. Rond het Zuidstation waren de eerste migranten gehuisvest. Een kwestie van rap met de trein op hun werk te geraken.Daar waren de eethuizen waar de migranten hun maaltijden gebruikten. De Griek naast de Marokkaan naast de Turk naast de Belg. De Griek was goedkoop er was het Griekse gebruik om in de keuken de producten te kiezen. Zeer gezellig en zeer goedkoop. En de marché du midi. Een markt waar je je evengoed in Afrika als in Italië, Frankrijk, Spanje of Marokko kon wanen. Zalig.Geen enkele Belg, zelfs geen Vlaming.Zalig.En met een glas retsina.Zalig. Ik was via mijn Algerijnse huisgenoot in contact gekomen met die vrouw.Op haar verjaardag gingen we pralines halen.

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
10 2

De klank van de stad maakt me zeer amoureus.

De klank van de stad maakt me zeer amoureus. Mijn eerste kennismaking met de buitenwereld vond plaats in de jaren '60, in een Vlaams huis. Tegenwoordig wordt het huis geregeerd door een nogal obscure groep, maar destijds ontdekte ik er de zware bluesmuziek uit het zwarte Amerika en ook muziek uit vele andere culturen, waaronder de flamenco. Flamenco: een melodie bouwt zich op en wanneer deze zijn hoogtepunt bereikt, net als het gevoel zijn volheid bereikt, stopt de melodie. Dit proces herhaalt zich steeds opnieuw. Ik werd er gek van. Het raakte mijn puberale gevoelens en bracht ze in beroering. In die uithoek van Vlaanderen werd ik gegrepen door de muziek uit het zuiden van Spanje. Later bleek de enige flamencokenner en -speler in Antwerpen te wonen. De stad waar boten en hun vele culturen aanmeerden in het centrum van de stad en hun verschillende culturen voor een paar dagen of weken uitspreidden. Het was een tocht vanuit mijn afgelegen dorp waar ik woonde naar de grote stad. Het was niet niks, maar mijn jeugdige hormonen dreven me ernaartoe. De zanger-schrijver-dichter woonde destijds in een rijtjeshuis in een zijstraat van de Gitschotellei. Oeroude Vlaamse instrumenten hingen aan de witte muren van zijn huis. Na een hartelijke ontvangst kreeg ik mijn eerste teleurstelling te verwerken. De enige speler in de buurt van deze hartstochtelijke melodieën vertelde me dat hij ze niet meer speelde. Een Spanjaard had hem erop gewezen dat hij de muziek veel te koel speelde. Hij stuurde me naar Leuven, waar een Vlaamse flamencospeler niet alleen de melodieën speelde, maar ook leefde. Op dat moment kon ik er niet veel mee, omdat ik de volgende dag verwacht werd in de fabriek waar ik destijds werkte, in dat kleine dorp. Een paar jaar later, toen ik de wijde wereld introk, werd de weg erdoor bepaald. Leuven werd vijf jaar lang mijn thuis. Later, toen de ratio in mijn leven groter werd, vroeg ik me vaak af waarom deze verre muziek mij zo had geraakt. Een antwoord zou kunnen zijn dat de strenge rooms-katholieke cultuur en de armoede in dat verre Andalusië, en dezelfde armoede en rooms-katholieke cultuur hier en daar aanwezig waren. Een van de verhalen over de oorsprong van de naam bracht meer duidelijkheid. Een Spaanse rooms-katholieke koning hoorde de zigeunermuziek en zei: "De passie die de muziek uitstraalt, vind ik terug bij mijn Vlaamse lijfwachten, mijn flamenco's." De zanger-schrijver-dichter die ik toen ontmoette schreef deze regels die al jaren in mijn geest rond dwalen en mijn leven verblijden: "ik wil deze nacht in de straten verdwalen, de klank van de stad maakt me zeer amoureus" Wannes van de Velde De dag van de begrafenis van Wannes werd deze tekst gepubliceerd in de krant DE MORGEN.

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
8 1