Lezen

UW SOCIALE ZEKERHEID.

  Een arbeider wordt 50 % afgehouden van zijn inkomsten voor zijn deelname aan de sociale zekerheid.Een ambtenaar wordt 40 % afgehouden.Een zelfstandige 4 % .De arbeider krijgt het allerlaagste pensioen van West-Europa.De zelfstandige krijgt daarnaast een onbeperkte mogelijkheid om via zwart geld en buitenlandse rekeningen, waarop weinig of niks controle is, een fortuin te bezitten.Daarbij weigeren Vlaams-nationalisten meer sociale woningen te bouwen.  Vlaanderen bezit 4% sociale woningen,  Nederland, Duitsland, Frankrijk, hebben 25 % sociale woningen.Zodat de geplunderde arbeider verplicht wordt in woningen te wonen in het bezit van zelfstandige en vrije beroepen. Die 4% betalen aan de sociale zekerheid. De Vlaams-nationalisten zijn daaronder huisjesmelkers geworden in dienst van corrupt Vlaanderen.Mijn vraag: Waar zijn de vakbonden?De zwart belastingvrije inkomsten gingen vroeger naar Luxemburg.  Nu gaan ze naar het eiland MAN. Dit eiland staat onder de bescherming van de Londense city zoals u weet is de city een apart identiteit met een eigen operette legertje die jaarlijks in Londen paradeert maar belangrijk MET EIGEN WETTEN. De belastingvrije gelden zijn zeer goed beschermd. Die gelden worden gebruikt om krijgsheren in Afrika te ondersteunen als die aan de macht komen krijgen de Londense city   contracten om het Afrikaanse land te plunderen. Daarnaast krijgt dat Afrikaanse land officiële leningen om nutteloze projecten te financieren, leningen die het Afrikaanse land nooit kan afbetalen. Enige jaren terug zei een kopstuk van de socialisten op het middagnieuws op de radio: "In Deurne staat een stampvol vliegtuig van de Vlaamsche luchtvaartmaatschappij V.L.M. klaar om naar het eiland MAN te vliegen". Een wekelijkse vlucht. Op het eiland MAN is er niks, alleen stampvol banken. Op het avondnieuws was daarvan niks te horen. https://www.youtube.com/watch?v=ODlAf_6mHRs

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
10 0
Tip

Polina

Elke woensdagnamiddag van dat warme voorjaar nam ik plaats naast Polly op de dubbele pianostoel en dan voelde ik de molligheid van haar blote armen tegen de spichtigheid van de mijne. Je zou misschien hebben verwacht dat zij degene was die links op de stoel zat en de diepe, begeleidende noten speelde, maar zo was het niet: zij speelde de melodie omdat haar vingers vlugger en expressiever waren dan de mijne. Vanuit mijn ooghoek zag ik Saligot onze vingers in de gaten houden. Sinds ik wist dat Polly de hoofdrol zou spelen, deed ik niet echt meer mijn best.We oefenden voor het zomeroptreden dat elk jaar eind juni plaatsvond. Voor het eerst zouden we een quatre-mains spelen. Omdat we maar met twee waren, vielen fouten harder op. Tijdens het samenspel de jaren daarvoor, op onze metallofoons, xylofoons en triangels, waren we met zes geweest. Dan maakte het minder uit wanneer je verkeerd sloeg.Maar Saligot wou met ons uitpakken, dat deden muziekleerkrachten graag, dus liet ze ons dat jaar elke woensdagnamiddag de trap bestijgen naar het hoogste en warmste lokaal van de muziekschool, waar we achter de ramen met enkel glas zicht hadden op de Sint-Rochuskerk en drie kwartier lang zij aan zij oefenden. Polly kende ik niet goed. Ze zat niet op mijn school en had een vreemd accent. De eerste keren dat we in de gang stonden te wachten tot Saligot ons binnenriep, zeiden we niets. Dat veranderde pas met het gezicht dat Polly trok toen Saligot weer eens teleurgesteld was in onze prestatie van die woensdag en zuchtend een metronoom uit haar schoudertas opdiepte. Terwijl Saligot voorovergebogen over haar schoudertas van bijeen genaaide lapjes stond, zag ik Polly scheelkijken en haar mond in een grimas trekken. Haar tong glipte even uit haar mond en ik zag hoe onverwacht wendbaar en spits die was, als van een kitten. Ik zag het maar even. Hij verdween meteen weer in haar mond terwijl haar blik de mijne ving. De rest van die les, terwijl mijn vingers zich plooiden en rekten volgens het ritme van Strauss’ Pizzicato Polka, was die tong ergens. Op nog geen meter van mij, in haar mondholte die waarschijnlijk ook mollig was, mollig en lauwwarm, en in mijn hoofd.  Een week voor we moesten optreden, was Saligot de wanhoop nabij. We speelden de noten, maar niet de muziek. Dat herhaalde ze telkens wanneer de eerste vijf maten gepasseerd waren. De metronoom tikte gewoon door terwijl zij met haar ogen rolde en het woord muziek uitsprak alsof alle toonaarden erin opgeborgen lagen. Metronoom, eerste vijf maten, Saligots ontreddering, metronoom. Zo ging het een kwartier lang, tot ze ons van de pianostoel liet rechtstaan en tegenover elkaar zette. Ik rook de Tubblegum waarop Polly had staan kauwen in de gang. Die zat nog in haar mond. Kijk naar elkaar, meisjes, kijk naar elkaar en leer de muziek voelen, de muziek zit in jullie, jullie moeten die samen naar boven halen – zo raaskalde Saligot een hele poos en al die tijd bleven Polly’s gespannen lippen naar me glimlachen en zag ik de spot uit haar geel gespikkelde ogen spatten. Spot en daaronder iets minder hoekigs. Ik dacht aan het kleine paal-octopusje dat ik twee zomers voordien had gevonden op een Spaans strand. Het was dood maar de plas zeewater waarin het dreef hield zijn armen in beweging, alle acht zijn armen, waardoor het nog leek te leven. Met mijn wijsvinger ging ik langs een van die kleine armpjes en ik voelde wel iets, ik voelde heel veel, maar het kon net zo goed het dunne waterstroompje zijn dat de hele tijd tussen mijn vinger en de aalgladde octopushuid gleed. Hij is dood, zei mijn vader wiens schaduw over de plas schoof, maar ik bleef met mijn vinger langs dat armpje gaan en dacht de hele tijd: het is het water, het is de octopus, het is het water, het is de octopus.Zo keek ik naar Polly.De rest van de les oefenden we enkel de eerste vijf maten terwijl we ons moesten voorstellen dat onze vier armen vastzaten aan één lichaam. Op het einde knikte Saligot; het kon nog goedkomen op voorwaarde dat we nog eens samen oefenden bij een van ons thuis.  Zo kwam het dat ik de zaterdag erop in de inkomhal stond van een rijhuis dat zonder context ook voor een bescheiden paleisje had kunnen doorgaan. De gevelsteen was wit gekalkt en er stonden slanke pilaren met protserige kapitelen aan weerszijden van de ingang. De deur zelf was een hoge houten poort van donkerbruin eikenhout, voorzien van sierstukken en een klein, glinsterend raampje bovenaan. Op de eerste verdieping zag ik een balustrade van gekruld smeedijzer. Binnenin leek alles van witgrijs marmer. Polly’s verrassend tengere moeder droeg een geborduurde jurk en had een bloemenkrans rond haar hoofd. Ze zei iets in een taal die ik niet verstond. Nadat ze het een paar keer herhaalde, hoorde ik dat het Nederlands was en dat het over een feest ging. Wist ze waarvoor ik kwam? Ik droeg hoegenaamd geen feestkledij. Even later kwam Polly, in een gelijkaardige jurk als haar moeder, maar dan zomerser. Ook zij had een bloemenkrans in haar haar, maar de bloemen waren gaan hangen.Ze waren Ivan Kupala aan het vieren, zei Polly. Ik zei dat ik Ivan niet kende, waarop ze lachte.Het feest van de zonnewende, zei ze. Ik knikte alsof ik het begreep. Ik volgde haar de trap op in een aanzwellend geruis dat van boven of buiten kwam. In een jurk zag Polly er nog ronder uit, zachter. Nergens zag ik botten, ze lagen te diep in de roomboter van haar bleke armen en benen.Op de overloop ging ze uit een openstaand raam leunen. Ik ging links van haar staan en legde mijn armen net als de hare in het kozijn. Vier armen, één lichaam. De tuin onder ons was versierd met groene linten waaraan bloemen en takken opgehangen waren. Ze liepen kriskras over de hoofden van de vrouwen en mannen die net als Polly en haar moeder felgekleurde, traditionele kledij droegen. In het midden zag je het pronkstuk van de tuin: een twee meter hoge kunstwaterval in een ondiep, groenblauw bassin waarrond fonkelende beeldjes van waternimfen en zeemeerminnen stonden die hun gezicht stuk voor stuk naar het klaterende water richtten. Dat water maakte zoveel kabaal dat het de muziek overstemde die uit de twee boxjes kwam die links en rechts achteraan de tuin opgehangen waren aan een lichtbrug. Zelfs het opgewonden gepraat van de feestgangers ging verloren in het geraas van de waterval.We bleven een tijdlang staan. Nu en dan zag ik vrouwen bloemen van hun krans plukken en die in het water gooien. Ook Polly maakte een bloem los van de krans in haar haar, meer dan wat verlepte blaadjes waren het eigenlijk niet, en mikte die naar het water, maar de wind ving ze en blies ze in de dakgoot. Ze had sinds we daar stonden, nog niets gezegd, maar ineens zei ze dat die bloem in de dakgoot Saligot was. Ik knikte. Iets anders kreeg ik precies niet gedaan. Ik vroeg me af wat we op die overloop deden, of de vleugelpiano die ze bij Saligot beweerde te hebben misschien op haar slaapkamer stond en waarom ze me precies op Ivans feest had uitgenodigd. Ik voelde me overtollig en dwong mezelf aan de octopus te denken, maar de siddering bleef uit. Eén van de mannen in de tuin, Ivan misschien, zag ons staan en begon te zwaaien. Polina, riep hij, Polina, en even dacht ik dat hij helemaal niet naar ons zwaaide maar naar iemand aan de andere kant van de tuin, maar Polly zette haar handen aan het mond en riep iets terug dat het water heel kort deed verstommen. Ze haalde haar handen van haar mond en legde haar armen terug in het kozijn waarbij haar elleboog mijn telefoonbotje aanstootte maar het enige waaraan ik kon denken was het water dat beneden in Polina’s tuin nergens naartoe stroomde.  

Veerle Breemeersch
98 3

Fossilisatie

Soms kan iets neerdalen, als roestige rolluiken van ons geheugen.Ik heb ze ooit zien wenen als een huilerige, uitgehongerde boekenkast. Toen ik een matroos was van de tijd, op kreukelende golven, gemaakt van papieren paradigma’s. De toon was toen overmoed, rug aan rug met een natte golf die me op bewonderenswaardige wijze vragen stelde. Vragen over mijn morgen of eergisteren. Of de weg die doodliep naar een steeg.  Woorden kunnen ook hongerig zijn, wist je dat? Weet je dat? Nee, dat is onmogelijk.  Zoals dat kleine beest dat in een maatpak magazines verkoopt aan blinde bomen. De sluipdief van de vooravond, wanneer de sterren de tafels voorzien voor de eerste lichting ketende gasten.Het gespuis werd onderricht door zijn baas. Een man met een doctoraat in de paleontologie die schilderijen verkoopt van levende wezens en gefossiliseerde grootmoeders, zorgvuldig verzameld vanwege hun wit besneeuwde, intact gebleven gebit.Waarop ze bidden tot de roestige rolluiken om in strijd te gaan met hun geheugenverlies. Ze dragen die verlorenheid in hun schelpachtige oorbellen die klinken als echt kristal. Authentiek als ware aard van het kleine beest.  We moeten hiervoor niet ver springen, niet onmetelijk en torenhoge kelders uitgraven. We kunnen ook beginnen. Of starten. Verder lezen in onze ongeletterde valkuil van de essentie, die ons meeneemt naar de ballosmitto van een volkskermis.  Zijn wij dié mens die rolluikgewijs zinkt tussen de straatverlichting en de binnenhuis gevestigde duisternis? We horen brillen denken dat ze gehoord worden door stemmetjes die al fluisterend cijfers tellen om te meten hoe vluchtig kleine Josefien haar huiswerk verloor.  Onder de waakzame ogen van de met geheugenverlies geteisterde rolluiken kreeg ze nablijven. Als straf voor haar nalatigheid en nonchalante jurk. Die ze, op maat van de behangmuziek, als een enveloppe dichtvouwt om het podium vervroegd af te sluiten voor onsmakelijke reclame.

Niels Lievens
32 1

Efficiëntie

Zwaarbewapende soldaten marcheerden door de kloostergangen. Met de loop van hun geweren openden ze elke celdeur. Zuster Johanna keek bezorgd rond. Was iedereen op tijd kunnen vertrekken?  De woekerende haat en woede probeerde ze te onderdrukken. ‘Heer, vergeef me,’ prevelde ze.  ‘Het is ok, Johanna,’ antwoordde de Heer. Zuster Johanna was er al bij sinds de oprichting van het klooster in 1228. Zij had de maaltijden voor de steenhouwers gekookt. Negen eeuwen en tien keer zoveel oorlogen later, zorgde ze nog steeds voor het klooster dat haar al zolang een veilige en onveilige thuishaven gaf. Als kloosteroverste was ze natuurlijk ook verantwoordelijk voor de andere zusters. ‘Ook ik voel je ergernis bij deze oorlog,’ vervolgde de Heer, ‘Het is er eentje te veel. Dit keer grijp ik in.’ Uit het niets klonk er plots een oorverdovende donderslag, recht boven het klooster. Bommen en bliksemschichten sloegen in op het dak van de refterzaal, waar de soldaten zich na hun inval verzameld hadden om zich te goed te doen aan de voedselvoorraden van het klooster. Ze werden volledig overrompeld. ‘Een blitzkrieg’ zouden ze het genoemd hebben als ze het hadden kunnen navertellen. Het duurde slechts enkele seconden. Langzaam trok de rook op. Fier en ongeschonden stond het klooster overeind. In de refter een hoge stapel verkoolde soldatenlichamen. Plots bewoog de smeulende berg. Puffend kroop zuster Johanna vanonder de lijken vandaan. ‘Heer, toch! Dat op mijn leeftijd!’ foeterde ze, terwijl ze haar voet, die geklemd zat onder een zwaarbewapende soldaat, probeerde los te wrikken. Toen dat eindelijk gelukt was, zette ze zich op de zware houten stoel aan de tafel die speciaal voor de kloosteroverste was voorzien. Laag per laag vouwde ze haar rokken omhoog tot ze bij het kleine buideltje dat aan haar bovenbeen gebonden was, uitkwam. Haar beursje voor noodgevallen.  Ze knoopte het open, nam een sigaret en stak ze aan. Ze nam een diepe trek.  ‘Ik kan er weer een paar eeuwen tegen.’ Ze blies de rook over de tafel. Glimlachend keek ze naar de wolkjes die boven de onbeweeglijke soldatenlichamen kringelden.    Meer lezen? Welkom op instagram

Amanda Bos
74 8