Lezen

Start to zetel

Evy Gruyaert is nogal ne keer een patéke. Vroeger leerde ze ons lopen. Heel Vlaanderen hing hijgend aan haar stem terwijl zij opgewekt meldde dat we nog één minuut moesten volhouden. Ik heb meermaals gedacht dat mijn linkerlong langs mijn neus naar buiten zou komen, maar Evy bleef kalm. Goed bezig. Niet opgeven. Nog dertig seconden. Daarna leerde ze ons luisteren. Naar ons hoofd, ons lichaam, onze ademhaling en vermoedelijk ook naar organen waarvan we voordien niet wisten dat ze inspraak hadden. Tegenwoordig analyseert ze op Instagram of we wel genoeg in verbinding staan met onszelf en de wereld. Ik zag het passeren terwijl ik in de zetel koffie zat te drinken, met één oog op mijn gsm en het andere op een boek dat al drie dagen op dezelfde bladzijde lag. Ik dacht dat ik wat zat te niksen. Bleek dat ik tegelijk aan het vertragen, ontprikkelen, opladen, mindful lezen en qualitytime met mezelf aan het doen was. Ik was niet lui. Ik zat midden in een traject. Een mens mag tegenwoordig niet meer gewoon moe zijn. Ge zijt overprikkeld. Ge moogt niet in de zetel liggen, ge moet uw zenuwstelsel reguleren. Ge gaat niet met vakantie, ge gaat herbronnen. En als ge na vier dagen terugkomt zonder iets te hebben losgelaten, geheeld of gemanifesteerd, hebt ge uw verlof eigenlijk verkeerd gedaan. Mijn laatste vakantie bestond uit zetelhangen, vrienden zien, koffiedrinken en boeken lezen. Vroeger heette dat vakantie. Vandaag is dat een holistisch vierdaags programma rond vertraging, verbinding, verstilling en persoonlijk herstel. Had ik één keer op blote voeten in het gras gestaan, dan mocht ik er vermoedelijk ook een factuur voor maken. Een halve dag in de zetel liggen is decompressie. Een boek lezen is bewust offline gaan. Koffie drinken is een mindful ritueel en een vriendin zien is qualitytime. Als ge ondertussen over andere mensen praat, is het geen roddelen maar samen emoties verwerken. En als ge na de vierde koffie hartkloppingen krijgt, is dat uw lichaam dat eindelijk iets probeert duidelijk te maken. Ik woon alleen, dus volgens de huidige terminologie baat ik een permanent me-timecentrum uit. Toch ziet het er minder chic uit dan op Instagram. Er staan geen geurkaarsen naast mijn bad. Ik eet soms een sneetje kaas recht uit de verpakking terwijl de koelkastdeur nog openstaat. Dat voelt niet onmiddellijk als selfcare, maar leg diezelfde kaas op een keramieken bord, strooi er twee walnoten naast en noem het intuïtief eten en ge kunt er zestig euro voor vragen. Me-time was vroeger trouwens gewoon: “Ik wil vanavond niemand zien.” Uw sociale batterij was niet leeg. Ge kondt gewoon geen volk verdragen. Ge hoefde daar geen infographic over te delen. Ge deed de gordijnen dicht, nam uw telefoon niet op en als iemand de volgende dag vroeg waar ge waart, zei ge: “Thuis.” Dat was een volledig antwoord. Dan hebt ge nog de mentale detox. Ik lees dat hardnekkig als metalen detox en zie dan iemand met een grote magneet alle paperclips, bh-beugels, winkelkarmuntjes en oude gourmetvorken uit mijn hoofd trekken. Maar een mentale detox betekent blijkbaar dat ge even geen nieuws leest en niet op sociale media zit. Daar moet ge dan wel eerst een foto over plaatsen op sociale media. Meestal twee blote voeten aan een zwembad met daaronder: Even helemaal offline. En vervolgens om de drie minuten kijken hoeveel hartjes uw offline zijn al heeft opgebracht. Mijn favoriete modewoord blijft verbinden. Op mijn werk hoor ik het zo vaak dat ik voortdurend zin krijg om een verlengkabel te halen. Alles moet verbinden. Een voorstelling mag niet gewoon mooi, ontroerend of plezant zijn. Ze moet mensen samenbrengen, bruggen slaan, dialoog creëren, talent laten groeien en de sociale cohesie duurzaam versterken. Vroeger ging ge bij iemand langs. Die zette koffie. Geen zorgvuldig geselecteerde boon die met de hand gemalen werd tijdens een ademhalingsoefening. Gewone koffie. Uit een machine, zo èèn met een papieren filter en gemalen koffie. Er kwam een doos koekjes op tafel die al drie regeringen had meegemaakt. Ge praatte over de kinderen, uw werk, uw rug en die ene mens die op het rondpunt zijn pinker niet had gebruikt. Iemand zei: “Allez, nog eentje dan”, en schonk voor de vijfde keer bij. Tegen die tijd was de koffie een beetje bitter geworden. Drie uur later ging ge naar huis. Niemand zei bij het afscheid: “Wat fijn dat wij vandaag zo authentiek hebben mogen verbinden.” Ge zei: “We moeten dat meer doen.” Ook vakantie is intussen een opdracht met eindtermen geworden. We moeten vertragen, opladen, loslaten en dichter bij onszelf komen. Alsof we onszelf ergens onderweg aan een tankstation hebben achtergelaten. Mensen komen vermoeider terug van hun ontspanning dan ze vertrokken zijn. Ze hebben bij zonsopgang yoga gedaan, lokaal brood gebakken, in een bos gebaad, hun dankbaarheid opgeschreven en tijdens een stiltewandeling ruzie gekregen omdat iemand te luid ademde. Ik heb dat allemaal niet gedaan. Ik heb in de zetel gelegen. Ik heb koffie gedronken. Ik heb vrienden gezien. Ik heb een boek gelezen, ben na zes bladzijden in slaap gevallen en wakker geworden met de hoek ervan in mijn gezicht. Ik heb niets gemanifesteerd, behalve misschien een zak chips. Ik ben niet dichter bij mijn kern gekomen. Mijn kern lag mee onder het fleecedeken en had kruimels tussen haar borsten. En daarom stel ik voor dat Evy een nieuw programma maakt: Start to Zetel. We beginnen voorzichtig met tien minuten en bouwen in tien weken tijd op naar een volledige namiddag. Met Evy in onze oren. “Ontspan uw schouders. Negeer de deurbel. Reik rustig naar de chips. Nog negen minuten blijven liggen. Ge doet dat goed.” Ik schrijf mij onmiddellijk in.

Katrien Daniels
192 10
Tip

Grafietverlangen

Waar zij eindigde en hij begon, dat was moeilijk te zeggen. Zijn warmte had zich al door het hout gedrongen en begon haar grafietkern langzaam te verhitten. Met een zoekende precisie vormde hij zijn grip op haar, en samen vonden ze de juiste balans waarbij zij zich in volle overgave nestelde in de glooiing tussen duim en wijsvinger, het warmste en gevoeligste plekje van zijn hand. Haar lichaam leek speciaal gemaakt voor zijn handpalm; ze was zowel krachtig als breekbaar. Met zijn zachte polsbewegingen voelde ze een lichte trilling om haar heen. Ze ontwarde ongeduldige woorden in de manier waarop hij zijn pols bewoog. Maar waren het zijn of haar woorden?  Zijn gloed maakte haar wendbaar op het papier, en zo loste zij haar kostbare grafiet, haar verborgen kronieken. Zij werd hem en hij werd haar. Hij wakkerde de verhalen aan die diep in haar psyche opgeborgen lagen, relieken van een ver verleden. Zijn zachte hand was licht dwingend, en net dat maakte haar gewild en gewillig. Enkel met hem kon zij op het papier haar verhalende verlangen laten vloeien. Haar lichaam had vele handen gekend, maar nu wilde ze enkel nog maar die éne hand die haar hele zijn omvatte. In zijn grip vond ze haar overgave. In zijn bewegingen gaf zij zich bloot, in zacht aangezette klinkers en de onopvallende maar heel aanwezige medeklinkers. Hij wist hoe hij haar moest laten spreken, hoe hij haar duistere kern moest ontleden en haar glanzende verhalen kon ontsluiten waarin zij gloeide vol herwonnen lust. Zij werd één met zijn huid, duwde zich harder tegen hem aan, en vroeg hem zo om zijn grip te verstevigen. Aan haar grafiet ontlokte hij woorden die zij lange tijd niet had durven uitspreken. Ze zuchtte, haar punt kraakte, maar ze leefde, ze was een ademend verhaal in zijn sterke hand.  Hij liet zijn vingers op het blad over haar gelekte kern glijden, en zo hechtte zij zich aan hem. Hij droeg haar mee in het fijne grijze stof dat aan zijn vingertoppen bleef kleven. Elke haal werd hun herinnering. Zij had geen angst om te verdwijnen. Ze werd kleiner, maar daar maalde ze niet om. Ze wilde dat hij haar tot het einde van haar zinnen hanteerde, dat haar kern zou kunnen versmelten met zijn begeerte. Dat hij elke dag haar schrijvend lijf in zijn handpalm zou leggen, tot er niets meer van haar overbleef.   

Jolien Van de Velde
581 3

Voor wie het lezen wil

Lief herstelt van de griep. Gedachteloos begint ze aan de dringende klusjes. Terwijl ze een bord in de vaatwasser zet, dwaalt haar blik naar het raam. De zon valt precies zoals toen, die middag dat hij haar belde vanuit Nairobi. Jules. Ze glimlacht flauwtjes bij de herinnering aan zijn stem. Na zijn reis naar Kenia had hij gebeld: hij lag in het ziekenhuis met een longontsteking. Ze had hem toen gezegd dat hij beter voor zichzelf moest zorgen. Daarna hadden ze nog één keer kort contact. Sindsdien bleef het stil. Zoals altijd wanneer hij te lang niets van zich laat horen, voelt ze de neiging om zijn naam te googelen.  Het is niet de eerste keer dat hij verdwijnt, maar dit voelt anders. Zonder erbij na te denken opent ze haar computer en tikt ze zijn naam in. De eerste links zijn vertrouwd: sociale media, zijn bedrijf. Dan valt haar oog op een link naar een begrafenisondernemer. Ze aarzelt. Klikt. Zijn gezicht verschijnt op het scherm. Onder de foto twee datums: de eerste is zijn geboortedag en de tweede? NEE!  Dat kan niet! De geluidloze kreet vult haar lichaam. Maar de rouwbrief laat geen ruimte voor twijfel: hij is dood. En de uitvaart heeft al plaatsgevonden. Haar mentor, haar geliefde: gestorven. Verdoofd sluit ze haar computer. Ze loopt naar de hoek van de kamer waar haar meditatiebankje staat. Ze gaat zitten, de rug recht, de handen losjes op haar knieën. Ze sluit haar ogen en ademt diep in, zoals ze zo vaak heeft gedaan om haar gedachten te ordenen. Maar de gedachten die nu komen zijn vreemd ontwrichtend. Eerst denkt ze aan de afwas. De pan van vanmiddag staat nog op het aanrecht, aangekoekt met restjes pasta. Die moet ze laten weken, anders krijgt ze hem nooit schoon. Haar geest drijft door naar de boodschappenlijst die aan de koelkast hangt. Heeft ze nog eieren? Ze ziet de lijst hangen. Ze kijkt ernaar alsof daar iets belangrijks op staat. En de planten moeten nodig water krijgen. Ze weet dat sterven op negenenzeventig niet uitzonderlijk is. Ze beseft dat ze hem in een vlaag van vrees googelde, maar dat... dat begrijpt ze niet. Hij zou hoogbejaard worden, juist zoals zijn moeder; daar was ze vast van overtuigd. Haar hart slaat met een rustig ritme. Het enige wat leeft, is de plicht van de afwas en de dorstige planten. In het vroege uur staart ze met open ogen naar het plafond. Elke ademhaling bevestigt dat zij leeft, hij niet. Op automatische piloot komt ze uit bed en zet ze haar voeten op de koude vloer. Onder de hete douche schrobt ze haar huid in een poging alles van zich af te spoelen. Haar armen trillen, haar huid gloeit. Het spiegelbeeld dat naar haar tuurt, herkent ze amper: bleek en oud, vooral oud. Ze reikt naar hun laatste telefoongesprek. Het was kort. Ze hoorde dat zijn stem vermoeider klonk. Hij was erg vermagerd en kwam niet meer buiten. Mogelijk zei hij nog meer, maar dat is verdwenen in de waas van haar koortsige hoofd. Toen zijn vrouw thuiskwam, moest het gesprek, zoals zo vaak, abrupt eindigen. ‘Zorg goed voor jezelf.’ Het waren de laatste woorden die ze tegen hem zei. Veel te weinig. Zijn antwoord is verdwenen. Mogelijk zei hij, zoals hij altijd deed: ‘Salut.’  De herinnering aan het telefoontje smaakt bitter. Had hij haar willen waarschuwen? De vragen tollen door haar hoofd, opnieuw en opnieuw. Dan staat ze een klein beetje verdriet toe. Haar ogen prikken, maar er komen geen tranen.  Stijfjes staat ze op en loopt kriskras door de woonkamer, terwijl haar gedachten hetzelfde doen. Ze wil het gesprek herscheppen, woord voor woord, maar dit keer met een hart dat het wel begrijpt. Ze hoort zijn stem met zinnen die hij misschien wel zei, zijn afscheid dat ze niet begreep. Of misschien toch? ‘Dat wordt het zonder hem,’ fluistert ze. Misschien kan ze naar Marie. Een paar dagen maar. Bij haar zus en haar man vindt ze afleiding en genegenheid. Alleen Marie en haar vriendin Suzanne weten van haar relatie met hem, de getrouwde man met wie ze zoveel jaren deelde. Ze pakt het hoognodige in, een kleine rugzak; meer hoeft ze niet. Terug thuis na haar verblijf bij haar zus, hangt ze haar jas aan de kapstok. Geen administratieve mallemolen die op een overlijden volgt, niets dat haar kan afleiden van het beangstigende niet meer. Een eigen kaartje? Ze plaatst het kaartje op de kast. Ze legt haar hand op de foto in de hoop dat haar aanraking door de lens van de camera kan reiken. Maar ze moet hem ook ergens neerleggen in de wereld. Bij de bloemist op het marktplein koopt ze een rode roos. Ze gaat naar het kerkhof. Ze zoekt een plaatsje aan de rand van de strooiakker, uit het zicht van de anderen. Ze hurkt neer en legt de roos op de natte aarde.  Een eerste snik, dan nog een. De tranen vullen haar ogen en rollen langzaam over haar wangen. Haar lichaam geeft zich over aan de rouw. In dat ene moment wordt het verlies echt, niet langer een bericht op het scherm.  ‘Hij is dood.’ Ze zegt het fluisterend.  Na het kerkhof verlangt ze naar gezelschap. Ze belt Suzanne, en ze spreken af in het park op een bankje weg van het wandelpad. Ze zit er al als Suzanne aankomt. Zodra Lief haar ziet, proeft ze het zout op haar lippen. Suzanne zegt niets, gaat zitten en neemt Lief in haar armen. Dan zegt Lief: ‘Het is... het voelt gewoon... weet je? Alsof het niet echt is. En het doet meer pijn dan logisch is. En dat laatste gesprek... Suzanne, ik voel me zo schuldig. Wat als hij afscheid nam en ik het niet hoorde?’ Ze veegt haar neus af met haar mouw. ‘Jullie kennen hem niet echt. Niet zijn stem. Niet hoe hij lachte.’ Suzanne onderbreekt haar niet. Ze trekt een pakje papieren zakdoekjes uit haar zak en legt het zwijgend tussen hen in. ‘Ik dacht dat ik al afscheid had genomen,’ zegt Lief. ‘Al twee jaar hebben we elkaar niet meer ontmoet. Het contact bestond alleen nog uit telefoongesprekken. En zelfs toen we elkaar nog zagen, was het altijd tussenin. Een paar uur. Een restaurant. Een wandeling. Een telefoontje.’ Als haar stem stopt, blijft het even stil. Dan antwoordt Suzanne: ‘Misschien hoef je het allemaal niet te begrijpen. Mogelijk hoef je alleen maar ervoor te zorgen dat je het overleeft.’ In de koffiebar vlakbij zitten ze met hun handen rond een warme cappuccino. En dan vertelt Suzanne dat ze ergens heeft gelezen dat koffie eigenlijk een vrucht is. Dus technisch gezien drinkt ze elke ochtend een fruitsalade in een kopje. Alleen, zonder banaan en zonder appel. Een onnozel grapje, maar Lief lacht. In de bibliotheek bladert ze door boeken, maar er wringt iets. De troostende woorden brengen haar niet dichter bij wat er in haar roert. Er ontbreekt iets. Niet alleen hij, maar ook hun manier van bestaan lijkt nergens te passen tussen die verhalen. Ze zal zelf een boek maken: Het Julesboek. Een verzameling foto’s, citaten en flarden van gesprekken en brieven die zij nooit durfde te versturen.               Ze begint te zoeken in haar kasten en schuiven, tussen haar boeken. In een lade vindt ze een foto van de rozen die hij haar gaf bij zijn eerste bezoek. Ze opent een doos waarvan ze niet meer wist dat die bestond. Bovenop ligt een knoopje, losgeraakt van een hemd. Ze draait het tussen duim en wijsvinger. Een niemendal, maar het gewicht ervan verrast haar. Onder een stapel oude kleren ligt het T-shirt dat hij in zijn haast openscheurde. Uit een oude map valt het verjaardagskaartje dat hij haar stuurde vanuit New York. Tussen de pagina’s van een boek vindt ze een brief in zijn handschrift, met de krullende letters. Ze legt hem bij de foto van de rozen, het knoopje, het gescheurde T-shirt en het kaartje. Ze doorloopt zijn sociale media en verwondert zich over wat hij achterliet: nu eens zakelijk – zijn tweede naam was Alexander – dan weer onverwacht poëtisch. ‘Geen plek waar broodjes zo zingen in hun korst, en soezen zo fluisteren van zoetheid, als bij bakker De Korenaar,’ dichtte hij. Ze glimlacht bij die woorden. Ze leest de zin opnieuw. Niet om het brood of het gebak, beseft ze, maar omdat hij daar spreekt zoals ze hem niet kende.  Ze knipt de citaten uit, slaat de berichten op en bewaart elk stukje zorgvuldig. Toen hij nog leefde, wachtte ze vaak op hem. Nu hoeft dat niet meer. En toch is hij er vaker. Het lijkt wel alsof hij is verhuisd van de buitenwereld naar haar innerlijke wereld. Ze begrijpt er niets van.  Ze gaat aan haar bureau zitten en opent het schrift dat ze Het Julesboek is gaan noemen.  Langzaam buigt ze zich over het schrift, ademt diep in. De woorden moeten ergens beginnen. Met haar dierbaarste herinnering. Tijdens de zomer van het vorige jaar bleef haar telefoon lang stil. De vrees dat er iets kon zijn gebeurd, benauwde haar. Toen ze hem vertelde dat ze bang was uit zijn gedachten te verdwijnen, antwoordde hij: ‘O, maar dat zal nooit gebeuren. Je bent een deel van mijn leven!’ Ze vormt de letters met precisie, alsof de inkt hem tastbaar kan maken. 'Je bent een deel van mijn leven,' staat er nu, blauw op wit. Die ene zin is het mooiste wat hij haar ooit heeft gezegd, en tegelijkertijd de laatste uiting van genegenheid. Ze leest de zin opnieuw. Ze fluistert de woorden, wachtend op de echo van zijn stem. Zijn blijken van affectie zaten verborgen in vluchtige momenten waar ze zich nu aan vastklampt. Ze hengelde soms naar bevestiging. ‘Ik bewonder je intelligentie,’ zei hij dan, terwijl zij hunkerde naar het antwoord: ‘Ik zie je graag, je bent belangrijk voor mij.’ Een keer kwam hij dicht in de buurt. Ze zaten op het terras van een restaurant. Hij kwam juist terug van vakantie. Ze plaagde hem, vroeg op wie hij verliefd was. Hij grijnsde, en in zijn ogen dansten pretlichtjes: ‘Je weet op wie ik verliefd ben.’  Vandaag, terwijl ze de zinnen neerschrijft, trilt haar hand. Zodra ze ophoudt met schrijven, gaat alles zijn gewone gang. Ze maakt wandelingen, spreekt af met vrienden, zoekt Marie op of trekt een weekend eropuit met Suzanne. Ze geniet van het gezelschap, de gesprekken en de lichtheid daarvan. Ze brengen haar rust, broodnodig nu ze moe is tot in elke vezel van haar lijf. In gezelschap lijkt ze normaal te functioneren, denkt ze toch. Maar soms vangt ze een blik op die haar doorziet. Het schrijven in Het Julesboek trekt haar een tunnel in, tot de kou in de kamer of de leegte aan de andere kant van de tafel haar weer bruusk terugduwt in het nu. Ze had gedacht dat de pijn milder werd. Maar dan is ze er weer in alle hevigheid, als een schaduw die gaat en komt. Ze schrikt van de gedachte dat hij ooit echt zou kunnen verdwijnen. Wie blijft er dan nog over van de vrouw die zij bij hem was? En mogelijk is ze al veranderd, zonder dat ze het merkte. Misschien is er een stukje van haar met hem verast. Ze slaat Het Julesboek open.  Eerst vreest ze dat de bron snel zal opdrogen, dat ze te weinig van hem weet om een heel schrift te vullen. Maar de herinneringen dienen zich ongevraagd aan. Een vleugje van een bepaalde geur, een liedje op de radio, de naam van zijn stad. Ze schrijft over hoe hij ooit in een restaurant sprak met een ober die zichtbaar stotterde, zonder één keer ongeduldig te worden. Ze herinnert zich hoe hij de rechterkant van het bed opeiste, de eerste keer al, alsof die plek altijd al op hem had gewacht. Hij hield van blauw, de kleur van de diepzee en de avondlucht, al zag ze hem er zelden in.  Zijn auto was zijn tweede thuis, een rijdend eiland van vrijheid. Als hij haar onderweg belde, hoorde ze op de achtergrond vaak Radio Nostalgie. Op regenachtige dagen vormden de ritmische tikken van de ruitenwissers de soundtrack van hun gesprek.  Hij genoot van de absurde kronkels van Kamagurka, maar bleef onvermurwbaar nuchter als het op lichamen aankwam. ‘Zonde om te beschadigen,’ zei hij over tatoeages, terwijl hij met een afkeurende blik naar een voorbijganger keek. Ze ziet zijn gezicht weer voor zich: die eigenwijze trek om zijn mond, de nuchterheid die haar soms irriteerde, maar haar ook rust gaf. Officieel interesseerde voetbal hem niet. Maar toen ze in een restaurant tegenover hem zat, zag ze zijn ogen over haar hoofd naar de televisie glippen. Toen Zidane scoorde, hield hij op met kauwen, zijn aandacht volledig opgeëist door de herhaling van het doelpunt, totdat hij besefte dat ze naar hem keek. Met chocolade en kreeft kon ze hem verleiden, al vermoedde ze dat de kreeft vooral zijn hang naar status streelde. Eigenlijk hield hij meer van paling in ’t groen, biechtte hij ooit op. Ze glimlacht als ze zich herinnert hoe hij vertelde erg kwaad te zijn geweest op het koffiezetapparaat. Hij dacht dat het kapot was, omdat er geen koffie uitkwam. Bleek dat hij vergeten was water in het reservoir te doen. Hij sprak het apparaat heel ernstig toe. Pas toen hij zichzelf hoorde, moest hij zo hard lachen dat hij haar belde om het te vertellen. Maar ze realiseert zich ook hoeveel ze niet weet. Ze heeft hem nooit zijn tanden zien poetsen, nooit de geur van zijn scheerschuim in een gedeelde badkamer geroken. Ze weet niet veel over zijn ochtendrituelen, maar op andere momenten kende ze hem feilloos. Hij keek niet in haar broodtrommel; hij lag ’s morgens niet naast haar in bed. Geen schoenen van hem in de hal. Ze mist hem, al speelde hun samenzijn zich altijd af buiten het gewone ritme van het leven: telefoontjes, wandelingen, restaurants, middagen die los leken te staan van de rest van de wereld.               Ze denkt aan een zin van Simone Weil die ze onlangs noteerde: ‘Aimer purement, c’est consentir à la distance.’ Ze schrijft de woorden langzaam over in Het Julesboek.  Haar gedachten dwalen af naar de buitenwereld. Ze ziet de blikken voor zich: ‘De andere vrouw’. Dat oordeel hangt als een sluier over haar rouw. Was haar toewijding minder waard omdat er geen trouwring aan te pas kwam? Ze herinnert zich de woorden van Dirk De Wachter die ze op de radio hoorde: ‘Het is niet belangrijk wie je liefhebt, als je maar liefhebt.’ Het klonk destijds als een zegen over hun geheime uren. Maar nu in de lege keuken schuurt die gedachte. Zou diezelfde mildheid ook gelden als hij de details kende? Ze probeert haar liefde 'zuiver' te noemen, maar het woord voelt breekbaar aan. Ze had zich dikwijls afgevraagd wat er zou gebeuren als hij plotseling zou sterven. Hoe zou ze dat dan te weten komen? Kon ze zijn dochter contacteren als ze lange tijd niets van hem hoorde?  Meer dan eens vroeg ze hem om een regeling te treffen, een eenvoudige afspraak, een contactpersoon of een boodschap die iemand voor haar kon bewaren. Maar elke keer als ze het onderwerp aansneed, wist hij zich eruit te praten. Tot hij op een dag aarzelend toegaf dat hij niets kon bedenken. Ze had hem ongelovig aangekeken, alsof ze hoopte dat hij zou zeggen: ‘Grapje.’ Uiteindelijk gaf ze het op. ‘Dan zal ik het wel via Google moeten vernemen’, dacht ze gelaten. Hij was een aantrekkelijke man: groot en slank, met blond haar en blauwe ogen. Wat zou ze hebben gezien als ze afscheid had kunnen nemen? Ze beeldt zich in dat hij mager was, oud en misschien verschrompeld. Zijn haar helemaal grijs. Toen ze hem de laatste keer zag, kleurde het alleen aan de slapen zilver. Maar het beeld blijft vaag. Ze wil zich hem niet in een zielloos lichaam voorstellen. In haar hoofd ontstaat een reeks beelden, als in een fotoalbum: op dat terras waar ze samen zaten of in haar woonkamer leunend tegen de warme radiator. Bij de bakker wacht ze op haar beurt, terwijl de bakkersvrouw praat met een vrouw met een rouwkaart in haar hand. Een herkenbare foto op de voorkant: een glimlachende man. ‘Was het familie?’ vraagt de bakkersvrouw. De vrouw knikt. ‘Mijn schoonbroer.’ Lief kijkt weg. Haar vingers sluiten zich steviger rond het handvat van haar boodschappentas. Ze hoort hoe de bakkersvrouw zachter gaat praten, vriendelijker ook. Achter haar schuift iemand ongeduldig met zijn voeten. Ze denkt aan de eerste weken na zijn dood. Aan hoe ze gewoon boodschappen bleef doen, alsof er niets was gebeurd. Niemand die wist waarom ze soms plots niet meer leek te weten wat ze wilde kopen. Niemand die zag hoe ze zijn favoriete koekjes in haar handen hield en weer teruglegde. Als het haar beurt is, vraagt ze om een volkorenbrood; eten voor een gewoon leven. ‘Dat is dan drie euro twintig,’ zegt de bakkersvrouw. Lief knikt, betaalt en stopt het in haar tas. Buiten ademt ze diep in. De lucht ruikt naar regen op warme stenen. ‘s Avonds schrijft ze in het schrift.  Ze vormt het woord 'weduwe'. Het ziet er vreemd uit op het papier. Ze fluistert het de kamer in. Buiten trekt een wolk voor de zon. Ze kijkt rond en merkt dat alles er nog is, behalve hij. Ze heeft niets van hem om vast te houden. Geen vingerafdruk op een hanger, geen as in een juweeltje, niets wat ze kan omvatten en fluisteren: ‘Hier ben jij nog.’                Plots is dat gevoel er weer. Het was er de voorbije weken al meer, maar ze begrijpt het niet. Het lijkt alsof hij er niet meer is. Nee, dat is het niet. Het zit dieper. Ze kijkt naar de weerschijn van de zon in een venster. En dan dringt het tot haar door: het is alsof hij nooit méér is geweest dan een voorstelling in haar hoofd. Ze pakt haar telefoon en kijkt naar zijn foto. Die is echt, maar ze is niet door haar genomen. Ze heeft ze gedownload, zoals ze honderden afbeeldingen van mannen had kunnen opzoeken. Even later laat ze zich op de sofa zakken terwijl ze resoluut tegen zichzelf zegt: ‘Hij was echt!’ Ze zit even roerloos. Dan ziet ze het: zijn naam, met die kleine krulletjes die altijd zo onmiskenbaar hem waren. Ze komt recht, doorzoekt Het Julesboek en vindt het verjaardagskaartje. En daar staat zijn naam. Ze glimlacht. Het heeft iets levends. Wat als ze die handtekening zou laten graveren? Een bedeltje, haar eigen Juleshanger. Alleen van hem. Alleen voor haar.  Ze opent het internet, vindt de naam van een goudsmid en maakt een afspraak. De jonge vrouw in het atelier luistert aandachtig terwijl zij haar verhaal vertelt. Ze zegt niets, maakt een ontwerp. Lief, de ogen vol verwachting, houdt haar adem in. Ontroerd knikt ze. ‘Ja, zo stelde ik het me voor.’ Ze kijkt de vrouw dankbaar aan, en in de warme blik die ze terugkrijgt ligt begrip. Nog even geduld. Dan zal ze het dragen dicht bij haar hart. Toen ze zijn foto op de kast zette, nam ze zich voor er niet tegen te spreken. Zonder het te merken is ze toch tegen de foto gaan spreken, eerst gedachteloos, daarna vanzelfsprekender. Ze glimlacht dan naar hem, zegt goedemorgen of slaap wel. Ze vertelt hem wat ze denkt over de gebeurtenissen in de wereld en hoe ze zich voelt. Als ze de deur uitgaat, roept ze: ‘Tot straks.’  Ze had gedacht dat het verdriet zacht zou uitdoven, als een lamp die wordt gedimd. Maar soms komt er iets anders onder vandaan. Woede. Het overvalt haar terwijl ze boodschappen doet. Terwijl ze een glas afdroogt. Hoe heeft hij haar zo kunnen achterlaten in een niemandsland? Niet door te sterven, daar kon hij niets aan doen, maar door niets na te laten. Geen enkel teken dat zei: als er iets gebeurt, laat haar weten dat ze belangrijk was.  Ze probeert mild te blijven. Ze weet hoe bang hij was voor confrontaties, voor ingewikkelde emoties. Maar soms denkt ze: nee. Nee, dit was niet alleen angst. Dit was ook lafheid. Ze loopt door de woonkamer terwijl de woede door haar heen jaagt. Ze blijft staan bij zijn foto. ‘Je had me niet zo mogen achterlaten,’ zegt ze, hardop nu. De woorden blijven in de kamer hangen. Ze slaapt sinds enkele weken licht, wordt vroeg wakker van het zonlicht en van het huis dat ademt in de ochtend. Soms, juist voor de ochtend, droomt ze over hem. Ze zit helemaal achteraan in de aula van het kerkhof. Alle plaatsen zijn bezet, behalve de plaatsen rondom haar. De aanwezigen zitten roerloos, hun gezichten zonder gelaatskenmerken. Iemand moet iets zeggen. Niemand zegt iets. Ze beseft dat ze droomt, maar dat helpt niet. Vooraan staat een kist. Niets anders: geen foto, geen aanwijzing wie erin ligt. Ze wacht, maar niemand staat op om een begin te maken met de rouwdienst. Dan ziet ze een hand losjes over de rand van de kist hangen: die hand, zijn hand. Ze wil roepen, maar er komt geen geluid. Als ze wakker schrikt, weet ze niet meteen of ze nog droomt. Het licht is hetzelfde, haar kussen nat.  Ze sluit Het Julesboek af en laat haar hand nog even op de kaft rusten. Onwillekeurig vraagt ze zich af wat hij van haar herinneringsboek zou hebben gevonden. Ze weet wel dat hij het nooit zal lezen, maar de vraag blijft hangen. Zou hij zich herkennen? Of zou hij zijn wenkbrauwen fronsen en zeggen: ‘Wat haal jij je toch allemaal in je hoofd?’ Ze haalt diep adem en houdt het boek dat ze alleen voor zichzelf bedoelde losjes in haar handen. Maar nu voelt ze iets verschuiven. Misschien mag het ook zichtbaar worden. Niet voor iedereen, maar voor wie het openen wil.  

Hildegarde
109 1

Drenkeling

De eerste golf rolt aarzelend over haar heen, eb en vloed in haar onderbuik. De tweede beukt in als springtij, een vloedgolf die bezit van haar neemt en zich over haar uitstort. Het verjaagt de slaap. Ze klemt haar dijen tegen elkaar. Rillingen jagen door haar lijf, spier voor spier trekt samen. Haar zware hoofd probeert zich los te maken van het kussen. Een zucht. Ogen die openen en weer bezwijken. In haar ooghoeken talmt de nacht. Ze ontwaakt met een natte gloed in haar dijendal. Een schrijnend gemis moet het zijn, wanneer de slaap zichzelf op deze hulpeloze wijze troosten moet met de zoete kleine dood. Ze denkt terug aan de vorige keer dat het haar overkwam in de verstikkende zomergloed. Zo’n hitte waarin de lucht aan de huid kleeft en stolt tot een onwrikbare deken van lood. De droom die haar hier bracht, zindert na. Een droom waarin ze zijn zachte hand dichter naar zich toe trok. Zijn nagels die krasten in het vlees van haar heup. Een dwalende tong over een gewillige hals. Gespreide dijen als een kust waar hij mocht aanspoelen. Zilte golven op haar tong. Een vrouw en een man, deinend in een zoekend ritme, als helmgras dat zich buigt en overgeeft aan de late zomerbries. De bedrand is plots een onneembare klif. Ze wil enkel nog sluimeren. De droom blijven spinnen tot de volgende nacht zich aandient. Haar spieren ontspannen, maar diep tussen haar dijen zinderen de kalme golfjes na – de getemde zee. Ze brengt haar hand opnieuw naar haar dijendal. De herwonnen cadans wiegt haar in trance. Haar ogen sluiten zich. Nog. Opnieuw. Strakgespannen wacht ze op de tweede vloed. Ze hunkert ernaar om meegezogen te worden, kopje-onder te gaan. Nog. Ze smeekt in stilte om weer van de wereld te worden weggevaagd. Haar spieren spannen zich in een boog. Haar lippen bewegen, maar de kreet blijft steken. En dan, met een ademtocht, breekt het. Ze grist het laken van de bedrand. Haar vingers kneden het haastig tot een prop en duwen het tegen haar venusheuvel aan. Een surrogaat voor het lijf dat ze nu zo vurig tegen het hare wenst. Met de laatste kracht die ze in zich vindt, perst ze haar dijen samen. De druk stuwt een allerlaatste golf door haar lijf. Ze is aangespoeld in de branding van een nieuwe dag.

Jolien Van de Velde
153 0