Lezen

De Hummus Verwarring bij Zouzou

Het was een warme, zonnige middag in Dubai toen we besloten te lunchen bij Zouzou, een populair Libanees-Turks restaurant in de Dubai Mall. De geur van versgebakken brood en kruidige gerechten vulde de lucht en we wisten meteen dat dit de perfecte plek was om even aan de hitte van de stad te ontsnappen. Het interieur van Zouzou had een uitnodigende sfeer met kleurrijke tegels en flikkerende lantaarns, een ideaal decor voor een ontspannen lunch. Patrick, mijn altijd vrolijke vriend, zat tegenover me met een brede glimlach op zijn gezicht. Hij was iemand die altijd in was voor een culinaire ervaring, vooral op vakantie. “Dit gaat fantastisch worden,” zei hij enthousiast terwijl hij door het menu bladerde. Zijn ogen dwaalden over de verschillende gerechten, duidelijk onder de indruk van de vele opties. De serveerder, een vriendelijke man met een professionele uitstraling, kwam naar onze tafel om de bestelling op te nemen. Patrick koos voor een uitgebreide mezze-schotel, een bord vol kleine gerechtjes om te delen. Ik ging voor eenvoud en bestelde hummus als hoofdgerecht, vergezeld van vers gebakken brood. De serveerder noteerde onze keuzes snel en verdween richting de keuken. We hervatten ons gesprek over de vele avonturen die we al hadden beleefd in Dubai. Terwijl de stad vol zat met moderne wonderen, kwamen de oude souks en de Arabische sfeer telkens terug in onze verhalen. En natuurlijk hadden we het over eten. Patrick begon enthousiast te vertellen over de hummus die hij eerder op onze reis had geprobeerd. Zijn passie voor eten werkte aanstekelijk en mijn trek naar mijn hummus nam alleen maar toe. Al snel kwam de serveerder terug met Patrick’s mezze-schotel. Verschillende gerechten werden op tafel gezet, waaronder een prachtig opgemaakt bord hummus. Zonder aarzeling pakte Patrick een stuk brood en doopte het in de hummus. “Dit is geweldig!” riep hij uit met een grote glimlach, terwijl hij opnieuw een stuk brood afscheurde en verder at. Patrick genoot zichtbaar van het eten en zijn enthousiasme werkte aanstekelijk. Ik, aan de andere kant, zat nog steeds te wachten op mijn hummus. Terwijl de minuten voorbijgingen, begon ik me af te vragen waar mijn hoofdgerecht bleef. De serveerder leek druk bezig met andere tafels, en hoewel Patrick vrolijk doorat, begon er iets te knagen. Het duurde niet lang voordat ik me realiseerde wat er gebeurd was. Met een lach die ik nauwelijks kon onderdrukken, keek ik naar Patrick. “Zeg, Patrick,” begon ik voorzichtig, “weet je zeker dat je hummus had besteld?” Hij stopte abrupt met eten en keek me verbaasd aan. "Eh, ik dacht van niet..." mompelde hij, terwijl hij naar het bijna lege bord voor zich keek. Zijn frons werd dieper toen hij zich leek te realiseren wat er aan de hand was. “Patrick,” zei ik lachend, “dat is mijn hummus die je aan het eten bent!” Patrick’s ogen werden groot van schrik. “Oh nee!” riep hij uit, duidelijk geschrokken door de ontdekking. “Dit is jouw gerecht?!” De rest van de tafel begon stilletjes te gniffelen, en al snel barstte iedereen in lachen uit. Patrick zat daar, met een half opgegeten stuk brood in zijn hand, terwijl de realiteit langzaam tot hem doordrong. "Het spijt me zo," zei hij met een verontschuldigende glimlach. "Maar het was zo lekker! Geen wonder dat het zo goed smaakte... het was niet eens van mij!" Ondanks de hilariteit van de situatie bleef ik op mijn honger zitten. De serveerder, die onze tafel passeerde en hoorde wat er gebeurd was, glimlachte vriendelijk maar bood geen vervanging aan voor mijn hoofdgerecht. Terwijl iedereen aan tafel lachte om de “gestolen” hummus, zat ik zonder eten. De serveerder leek in de war of wellicht dacht hij dat alles al opgelost was door de sfeer aan tafel, maar het resultaat was dat ik uiteindelijk nooit mijn hummus kreeg. De lunch ging verder met nog meer grappen en plagerijen richting Patrick. Elke keer als de serveerder iets kwam brengen, zei iemand wel iets als: "Zeker weten dat dit van jou is, Patrick?" De humor aan tafel bleef, maar mijn maag bleef ook knorren. Patrick, die normaal nooit iets zou "stelen," had per ongeluk mijn hoofdgerecht opgegeten zonder het door te hebben, en hoewel het een grappig verhaal werd, was ik teleurgesteld dat mijn bestelling nooit werd vervangen. Zelfs maanden later halen we die herinnering nog steeds op tijdens etentjes. Bij elk hummusgerecht dat we bestellen, kunnen we het niet laten om Patrick eraan te herinneren hoe hij mijn hummus bij Zouzou opat. “Weet je nog die keer dat je mijn hummus stal?” zeg ik dan, waarop iedereen opnieuw in lachen uitbarst. Ondanks de humor blijft het een beetje wrang dat ik die dag hongerig de lunch beëindigde. De hummus bij Zouzou is nu legendarisch binnen onze vriendengroep, maar niet om de redenen die ik oorspronkelijk in gedachten had. Het is het verhaal van een culinaire vergissing die we nooit zullen vergeten, een maaltijd vol gelach — en voor mij, helaas, een lege maag.

Guy Van Damme
15 0

Schrijven Zonder Poespas

Schrijven is voor mij geen verheven kunstvorm of een ingewikkeld proces. Het is eerder een natuurlijke manier om mijn gedachten, gevoelens en ervaringen om te zetten in woorden. Ik hoef geen sierlijke zinnen te bedenken, me te houden aan complexe literaire regels, of de poëtische kant op te zoeken. Wat ik op papier zet, vloeit direct uit mijn hoofd en mijn hart, zonder dat er een filter of verfraaiing aan te pas komt.   Het is alsof ik een gesprek voer met mezelf, waarbij ik de innerlijke chaos van gedachten en emoties probeer te ordenen en vast te leggen. Voor mij draait schrijven om eerlijkheid. Het gaat om het rauwe, het pure, om wat er daadwerkelijk in mij omgaat. Het hoeft niet per se mooi te zijn, en het hoeft al helemaal niet aan te slaan bij een breed publiek. Wat ik schrijf, hoeft niet te inspireren of te raken. Het belangrijkste is dat ik mezelf erin herken. Dat is voor mij voldoende.   Het schrijfproces geeft me de ruimte om helderheid te scheppen in de wirwar van gedachten die soms door mijn hoofd raast. Het helpt me mijn gevoelens te begrijpen en de wereld om mij heen te plaatsen. Het is geen middel om indruk te maken op anderen, noch een streven naar perfectie. In plaats daarvan draait het om echtheid, om het authentieke vast te leggen zonder te oordelen over de vorm of de inhoud.   Schrijven is voor mij een soort spiegel, waarin ik mijn innerlijke wereld kan zien en begrijpen. Soms is dat beeld mooi, soms lelijk, maar dat doet er niet toe. Wat telt, is dat het oprecht is en dat ik er iets van mezelf in kan herkennen. Schrijven biedt me een manier om te groeien, om te reflecteren en om dichter bij mezelf te komen.   Het gaat niet om perfectie, maar om echtheid.

Guy Van Damme
16 0

Brooddronken deel 2 hoofdstuk 13

13 ‘Opstaan, lege fak!’ Het went nooit, denkt Jimmy, ook al zijn de koosnaampjes over een vermeende inactiviteit stukken ouder dan zijn prille postcarrière. Vroeger echter, deelden ze beiden, Billy en Jimmy, in de scheldwoorden, maar sinds Billy’s vlucht oostwaarts heeft Jimmy nu het monopolie op het zijn van verbale – en soms fysieke – boksbal. Hij rekt zich uit – slechts enkele dagen oud is zijn postcarrière en het is net alsof hij al jaren roofbouw heeft gepleegd op zijn lichaam. Gedaan met kwiek en monter uit het bed te springen en naar de deur te schrijden als een schaatser op het ijs. Hij wil blijven liggen, hij kan niet opstaan. Zijn lichaam zegt neen, zijn hart zegt neen, zijn alles weigert nog deel te nemen aan deze mallemolen – het ritje heeft al lang genoeg geduurd, veel te lang. ‘Opstaan, heb ik gezegd!’ klinkt het nu dreigender van onderaan de trap. ‘Ik wil niet! Ik ga niet terug!’ roept Jimmy terug. ‘...’ ‘Jimmy, ga naar beneden,’ roept Marjolein, ‘ge weet hoe hij is als…’ ‘Als ik wat? Hé? Als ik wat? Stomme geit. Maakt gij maar dat de beesten eten gekregen hebben als ik terug kom. En gij, Sabbe, uit uw nest. Nu! Direct!’ Als de “nu direct” er aan te pas komt, maakt hij maar beter haast. Jimmy wil wel verlamd zijn. Het is zijn schuld niet, hij kán er niet uit. Kon hij maar. De trapdeur slaat dicht. Jimmy schraapt zijn moed bijeen. De pijn van gisteren is nog niet helemaal weg, slechts bedekt met een vernislaagje van verkwikkende maar ontoereikende slaap. Zijn benen voelen aan alsof ze niet willen. Ook al zou de rest van zijn lichaam wel willen. Het begin van een hernia. Of een depressie. Maar depressie, dat kan niet. Reginald heeft het hem al dikwijls gezegd. Depressies, psychologen, hij is toch niet zot!? Op de één of andere manier lukt het wonderwel om op te staan, zich te wassen en naar beneden te komen. De blik van Reginald zegt boekdelen wanneer hij zijn tweede, of is het al zijn derde, blik bier aan zijn lippen zet. De kamer ruikt naar Camel-sigaretten. Jimmy wil hoesten, maar houdt zich in. Elk geluid, elk teken van zwakte, zou werken als een rode lap op de Jupilerstier in de kamer. In alle stilte duwt hij twee boterhammen naar binnen. Zijn ogen tranen. Van de rook. Of iets anders.   Er heerst een grote bedrijvigheid in de sorteerzaal van Kortrijk 1, 1 ste afdeling. De spanning is te voelen; het einde van het jaar nadert en, voor velen, ook het einde van de werkmethode zoals ze die decennialang gewoon waren. Ook Jimmy is naarstig aan de slag. De brieven vliegen gezwind door zijn vingers en worden, tot grote ogen van de collega’s leidend, tot stapels gereduceerd. De woorden “natuurtalent” en “ancien” vliegen door de postsorteerzaal, waardoor een chef polshoogte komt nemen. Bruno wenkt hem. ‘Ge moet keer kijken, chef, hoe dat Sabbe die brieven trieert!’ zegt hij, niet zonder enige trots in zijn stem. ‘Ge moet zo preus niet klinken zulle,’ zegt … ‘’t Is uwe kleine niet hé? Of ten ware…’ ‘Neen gij, da’s er één van Sabbe, zulle. Kijkt hoe dat hij die brieven trieert, ’t is gelijk of dat hij nog nooit iets anders heeft gedaan.’ De chef kijkt even over de schouder van Jimmy. ‘’t Is inderdaad niet mis,’ zegt hij, met de handen in de heup. ‘’’t Is gelijk zijn vader, chef, toen dat zijn handen nog niet beefden van de drank.’ Jimmy draait zich om. ‘Zijn handen beefden anders nooit om ma, Billy of mezelf troef te geven, hoor,’ zei hij. De collega’s lachen. ‘Ja, neen,’ zegt de chef, ‘ik ga hem ne keer meegeven met Kake. Die dienst heeft nog een goeie vervanger nodig.’ Jimmy werkt weer verder. ‘En ik vind dat onzen Jimmy hier het wel heel goed doet, eigenlijk,’ zegt Bruno. ‘Gij wilt gewoon uwen dienst niet kwijt zijn voor een maand of drie, da’s al,’ zegt de chef, ‘maar ge hebt wel gelijk, die gaat dienen voor de dienst van Kake.’ Jimmy draait zich wederom om en kan zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. ‘Waarom noemen ze hem Kake?’ ‘Hoeveel kaken hebt gij, Jimmy?’ vraagt Bruno. ‘Vier, twee aan zijn kop en twee aan zijn gat,’ roept Reginald van de andere kant van de werkpost. ‘Welja, Kake heeft er vijf. Ge zult het wel zien. Lucien noemt hij.’t Zit nen bol op zijn kaak, een tumor of iets dergelijks. Vandaar dat we hem Kake noemen.’ Een keel wordt geschraapt. Bruno kijkt achterom en ziet Lucien achter hem staan. Zijn kepie scheef op zijn hoofd. Hij bromt iets en gaat naar zijn werkpost, met een rode postbak onder de arm. Lucien slentert als een gebroken man, door de plaagstoten om zijn tumor en de windstoten van de natuurelementen. Hijzelf is in zijn jongere jaren ook een natuurelement geweest. Een briesende storm, vol van joie de vivre en geluid, bulderend, ’s middags meer dan ’s morgens. Nu is hij herleid tot een kabbelend beekje, voortstromend, als dat het juiste woord is, tot aan zijn pensioen. Als hij er geraakt, zegt hij altijd. ‘Lucien zegt nooit niet veel,’ zegt Bruno, ‘sinds zijn vrouw dood is zegt hij in ’t hele niets meer.’ Jimmy vindt het sowieso al niet echt goed hoe iedereen in De Post commentaar heeft op een ander, een hecht team zoals ze dat in andere bedrijven noemen, zal je hier niet vinden, denkt hij. En toch, ze staan voor eenzelfde opdracht, werken samen, maar behandelen elkaar en soms ook zichzelf alsof ze elkaar – en soms ook zichzelf – het licht in de ogen niet gunnen. Iemand die mankt? Die noemen we hinkepoot. Een homoseksueel, dat moet wel een janetje zijn en wie een graag een pintje lust, die noemen ze zonder schroom Jantje Palm. Stotter je? Dat wordt zeker opgemerkt. En wie aan overgewicht lijdt, die noemen we Patapoef of Dikken Herman. Het ergste aan heel dit verhaal is, dat Jimmy weet dat het verkeerd is. Hij wéét dat de weinige eigenwaarde die sommigen van zijn collega’s  meer over hebben, wordt uitgeperst door directe orders, schertsende opmerkingen en weersomstandigheden. En dat is nu het ergste: hij wéét dat hij over de tong zal gaan, wellicht iets met zijn vader, en hij weet dat, spijts de beste pogingen, ook hij mee zal doen aan dit circus.

Miguel
0 0

glazen en fitness-boys

Ze had iets voor fitness-boys en daarom praatte ik maar zelden met haar. Je kent het fenomeen wel. Jongens die elke dag in de gym zitten te zweten en shakes te drinken. Vaak met een brede borstkas en armen. Soms ook met gespierde benen. Ik zei toen vaak: een maand geen fitness en je bent alles kwijt. Waarom moet ik zes kippen per dag eten om gespierd te zijn? Wat zou ik moeten doen met die spieren?Ergens was ik onder de indruk voor de moeite van die jongens, uiteraard. De motivatie om goed voor jezelf te zorgen, een gezonde geest in een gezond lichaam, zogeheten. (Vertel dat eens aan wijle Stephen Hawking) Maar het intereseerde me weinig, om niet te zeggen, niet.   Om terug te komen tot haar, als het even kon vermeed ik conversaties.Maar die dag in November, terwijl ik door het raam van de aula naar de regen keek, vond ze me op een onbewaakt moment.Ze had felblauwe ogen die mijn grijze massa achter mijn ogen konden zien.Ze vroeg of ik een type glas halfvol of halfleeg was. Ik zei dat ik al tevreden ben als er überhaupt een glas is. Ze lachte. "Ik bedoel," ging ik verder. "Een kind groeit op en een volwassen persoon wordt alleen maar ouder. Wij dansen precies op die grens."Toen ik dat zei kruiste ze onvewust haar armen. Misschien had ze moeite met ouder worden. Iedereen op leeftijd in haar familie was een beetje gek geworden. Alcholieker of depressief of een andere gekte. Dat had ik toch gehoord.Ze hield zichzelf in de hand, zei ze lachend. "Maar wat is meer neurotisch dan jezelf de hele tijd in de hand willen houden?"Ik zei dat ik het niet wist.We wilden ergens bijhoren en we voelden ons eenzaam. We waren regendruppels die genadeloos kapot vielen op de harde grond. Werden we een met de stroom of waren we voor altijd gebroken?"Mijn glas is halfvol," zei ze uiteindelijk. "Maar soms denk ik, geraakt zo'n glas ooit leeg?"  

Stelselmatig
8 1

FIETSEN MET WOEDE

Uit pure frustratie trap je tegen het kleine rekje dat je voor een habbekrats kocht in de Action – een winkel waar je normaal niets koopt maar die de specifieke producten die je nodig had tijdens de eerste weken van de verbouwing als enige in voorraad bleek te hebben. Het ding rolt enkele meters verder en verliest onderweg een wieltje. Je frustratie is daarmee niet verdwenen, integendeel, nu maak je je druk over de povere kwaliteit van de producten van voorgenoemde winkel. Je bent eigenlijk niet iemand die tegen dingen aantrapt. Ook die gedachte maakt je woedend. Wanneer je dochter zo huilt, voel je je machteloos. Je was zelf geen kei in rekenen op school, maar je herinnert je niet dat het je zo boos en droevig maakte. Je wilt het aan haar uitleggen, maar de hysterie maakt dat onmogelijk. Dan probeer je haar te troosten, maar gillend duwt ze je van zich af. Al haar kracht gebruikt ze ervoor, alsof het laatste wat ze wil haar vader is. Het zijn echte tranen. Terwijl je je aftocht blaast, maak je het gevoel van afwijzing telkens groter. Elke trede van de trap naar beneden is een afgang. Tot het verdriet zich in woede omzet. En je weet niet wat je daarmee moet. Je weet nooit wat je met woede moet. Als zij je bezoekt, en dat gebeurt niet zo vaak, schud je haar meestal snel van je af. Woede glijdt van je af als een zijden jas. Soms vier je haar bot op je Xbox of luister je naar droevige muziek, tot je beseft dat de woede vermomd verdriet was. Nu is daar geen tijd en ruimte voor, dus moet je de ongebluste woede wel meedragen. Zij wordt ontegensprekelijk je compagnon de route op weg naar je werk. Je schiet je jas aan, nadat je twijfelt tussen een lichte regenjas en een warmere winterjas. De niet gekozen jas hang je normaal keurig terug aan de kapstok, nu gooi je hem zo hard mogelijk op de grond. De handeling heeft niet het verhoopte bevredigend effect, want een jas kan maar zo hard neerkomen. Bij het buitengaan kust de herfstzon je gezicht. Een kortstondige gelukzaligheid. Maar je merkt dat je de voordeur hard dicht gooit, iets waar je zelf vaak commentaar op geeft wanneer anderen dat doen. Vaak ontvalt je dan de retorische vraag moet die deur soms kapot? maar nu denk je: dat ze maar kapot gaat. Even blijf je staan en je kijkt achterom. Je kijkt je voordeur aan met een verontschuldigende blik, maar de kwaadheid draait zich meteen om in je binnenste en knabbelt aan je maag, terwijl je haar tevergeefs probeert uit te zuchten. Onderweg neemt ze allerlei vormen aan, alsof je de woede over jezelf hebt uitgeroepen. Alsof je ‘sla me neer, Heer!’ hebt gebruld. Een man op een brommer rijdt je bijna van de baan, terwijl de wind vervaarlijk tegen de zijkant van de logge bakfiets blaast. Het universum wil je omverkegelen, maar je houdt de controle. Als vanouds hou je je adem in wanneer je in de richting van Park Spoor Noord door het kleine tunneltje fietst, waar duiven en zatlappen een deal hebben gesloten over wie waar zijn gevoeg doet. Een graatmagere man met ingevallen wangen en zwarte tanden probeert zijn miserie in je ogen te kijken, maar je ontwijkt zijn blik. Een duif mikt haar witte klodder op je hoofd, maar mist op een haar na. Witte spetters op het dak van de regenkap van de fiets. Je komt aan bij je werk en merkt dat je boosheid vervaagd is. Je bent licht buiten adem en je hart klopt, niet van de inspanning – je rijdt tegenwoordig elektrisch als een bejaarde – maar van de adrenaline. Ergens mag je de Heer dankbaar zijn dat je ongehavend en onbesmeurd bent aangekomen. Je beseft dat je onderweg telkens geluk hebt gehad. Geluk, in zijn meest meetbare, zichtbare vorm.

Lennart Vanstaen
15 0