Lezen

FRE

Fre doet dees shit al te lang. Fre is van niks of niets bang. Fre haalt een kilo energie uit een gram. Hij beweert dat hij uit het niets zomaar kwam. Zonder te zeggen van wie hij afstamt. Alles voelt koud niets heeft er warm. Hij is ongevaarlijk hij is geen harm. In de storm bepaalt hij de norm. Hij is in mescal veelal de worm. Bezopen op de bodem van de mescal spuwt zijn haat kotst hij zijn gal. Hij verlegt grenzen hij maakt de wensen van de bevolking van alle mensen. In het verleden bracht hij velen van het heden aan het gieren en het grollen aan het schateren enkel bij het aanhoren van de gebeden van zij die zich schamen en dat beamen. Fre waadt zich door ondiepe wateren en kent de namen, zij zullen beamen van zij die zich weg steken in vuile kreken en vervuilde beken. Daar zitten ze te wachten en zich te weken in de drek wachtend op een zwak slachtoffer met deprimerend en mensontrende trek. Het kwijl staat hen op de lippen ook maar bij het gedacht van een dode entitieit eens hard te wippen. Ik heb veel contact met dat soort dat volledig welwillend is gestoord. Maar volgens hen is het zo dat het hoort. Het is gewoon anders verwoord ze balanceren aan de andere kant van de koord. Stoort zich aan niemand of niemand want ze zijn van nature gestoord. Ik weet het klinkt smerig en van de pot gerukt maar ze houden voet bij stuk want dat is de basis van hun geluk. Het is niet verkeerd, wat wel wordt beweerd maar tis maar hoe je het draait of hoe je het keert. Fre moet hier weg zo heeft hij gezegd want er wordt hem te veel in zijn weg gelegd. Fre speelt liever de baas nimmer de knecht is liever slecht slechter dan slecht. Wat hij ook doet wat hij ook zegt tis bijna nooit door theses ondergelegd. In de regen in de drop altijd een koord dan weer een strop dat rond zijn keel bengelend hangt een keer naar links dan weer naar rechts altijd oprecht dan averechts. Nooit meer de koning in het openbare zal hij ze vinden zijn echte ware. Fre zit veelvuldig te staren kan zelden zijn koelte bewaren. Fre heeft gelukkig nog al zijn haren en die die uitvallen probeert hij te bewaren. Alarmerend de situatie omkerend langs de rotonde schurend en snerpend. De realiteit steeds maar verwerpen ook al ist maar om zijn onvrede ergens te uiten. Blijft Fre maar steeds op onbegrip stuiten. Fre is voorspelbaar, Fre is vervangbaar steeds weer hoogmoedig en vaak stoutmoedig. Schopt altijd keet in eigen roedel. Vernielt weer zijn huurhuis en zijn inboedel. Fre wilt een hond maar zeker geen poedel. Hij wou een flapoor heeft hij gekregen zonder de verantwoordelijkheid in acht te nemen. Je zou hem toch die 4voeter afnemen tot hij zichzelf weet te hernemen. Fre is apathisch kan om niks wenen. Zijn er emoties neemt hij de benen. Laat hem toch niks van jouw bezit lenen. Fre bouwt zijn huis uit kiezelstenen en alst er op aankomt is hij verdwenen. Je kunt niets aanvangen door zijn dwangmatige psychotisch verlangen om andere mensen de kast op te jagen want dat is Fre zijn gebaar van behagen. Hoe kan een mens zich zo toch hard verlagen en zich aan zulk menig schandaal met ware toedracht bedachtzaam te wagen. Mythes, parabels en oud vergeten, grimmige sages vormen de basis van zijn doen en laten. Fre is spoorloos wederom tragisch soms nog eens soms nog amper hilarisch maar dat zijn slecht fases die vroeger in vlagen in veelvoud op kwamen dagen. Vroeger hoorde je mij zelden amper zagen en klagen. Nu is de spitsvondige Fre nog maar een blamage een zielig hommage aan hoe snel iemand zijn kan dan weer een trage. Fre dacht van zichzelf een rage te zijn nu is hij dat mannetje vol pijn en piepklein. Maar Fre kan zijn zeker zijn oude zelf weer zijn als hij verstek laat van al dat venijn. Fre drinkt nog wel wijn maar enkel voor het toonbeeld van kennis en klasse het ophouden van eeuwige schijn. Hij loopt op en naast de lijn maar Fre weet zich weg te houden van de marge want daar in wonen is niet echt meer dan een karikatuur een farce. Zijn face is weer klaar zijn stem niet meer hees. Fre zijn blik was lang verdwaasd en zijn animo was steeds onrustig en constant gehaast omdat oude dode mensen en kleine meisjes lijkwit aan de veranda buitenkant binnen keken aan de wand die ik zag gluren in mijn ooghoek en in mijn ziel binnenkeken zonder hun ongenoegen weg te steken. Egocentrische vuile zak, zijn schrijfsels die zijn wak, tis ordinair en platte lak maar het deert me niet, ik heb er lak aan. Het is mijn bestaan, mijn gedachten, mijn grootheidswaan. Ik ben en zwarte zwaan met veel witte plekken en begin maar amaal mijn….af te lekken 

Frederick Carpenter
0 0

Damp

Ik weet niet meer hoe ik me vroeger voelde. Weet wel dat ik het nooit slecht bedoelde. Maar tot overmaat van ramp spendeer ik mijn tijd beneveld en in damp. Ik kamp met zware mentale problemen die me een toekomstvisie ontnemen. Doortastend godslasterig twijfel ik aan alles wat op mijn pad komt. Mijn maag gromt en maakt protest. Ik mag eten niet vergeten. Hoe het kind ook mag gaan heten, wel Joost mag het weten. Dood wordt duidelijker door bloeddoorlopen ogen gezien. Mijn denken en haar impact lijkt miniem. Ik voel mezelf niet meer intiem noch naar anderen noch naar mezelf. Ik ben een eeuwenoud gotisch gewelf dat kraakt en puft onder zijn gewicht. Er is enkel duisternis geen licht. Mijn gezicht is een façade, mijn levensloop een escapade. De soundtrack van mijn leven is een treurige ballade op de achtergrond waar tijd weer eens stil stond. In de lift van het leven lijkt ook zij er de brui aan te geven. Ik sta vast op min één. Ondergronds, binnensmonds, op de tast op de dool die zich als een last diep vanbinnen weer verschool. Eenzaam zijn, mijn venijn schrijf ik woorden voor de gein. I write in shadows, think in shades. Without colours without grades. Reeds bezopen in de morgen even leven zonder zorgen. Denkend aan hoe alles had kunnen zijn doe ik best meer water bij de wijn. Digitale media als een sepia filter op mijn retina. Iedereen lijkt zo blij, vervaardigd uit dezelfde klei. Als tien koeien in een wei, geen individu maar enkel wij. Zo onpersoonlijk en zo lelijk alles en iedereen zo gelijk. Maar ikzelf geef ook geen blijk iets heel anders te kunnen zijn. De discrepantie tussen leven en geleefd worden kent zijn hoogtepunt. Het is een alomvattende entiteit met een zee aan tijd of zo lijkt het toch. Met dat in gedachten ben ik onderhevig aant minachten van de werkelijke krachten die van ons leven een beleven maakt waar ik vaak weer aan verzaak. Nimmer is het ook mijn taak om tot ieder zijn vermaak de clown weer uit te hangen en tekort doen aan mijn verdomde eigen verlangen. Ik schuif aan bij het buffet van middelmaat in een sfeer van walging en haat waar ik weer de draad verloor en wederom totaal ontspoor.  Deze rijmwedstrijd heeft weinig waarde en inhoud maar weerhoudt me van te niksen en wat toxisch materiaal te fiksen. Listig kan ik worden als het draait om het verzorgen van mijn eigenheid en lichaam maar ik ben niet meer bekwaam omdat ik jaren niet meer functioneer werkzaam ben en de leegte in mijn leven wordt gevoederd door mezelf.  Keer de situatie om zegt men luidop van de regen in de drop. Wel ik krijg er krop van in mijn keel omdat ik me zo hard verveel.  Bliksem en onweer maken me kalm en sereen, weten doe ik van wanten innerlijk ben ik van steen. Van geen kanten weet ik me te gedragen evenmin andere mensen te behagen. Mijn leven zit vol manische vlagen en hoogtes en laagtes. Net zoals bij iedereen waarschijnlijk maar ik geef kennelijk geen blijk als het om emoties gaat en in ondiepe paadjes waad. Raad maar eens waar ik me in verdiep en hoe mijn leven weer verliep.  Zonder manieren zie je me de decadentie vieren en veelvuldig luidkeels tieren en gieren. Veel lawaai op de decibel schaal. Veel kabaal in mijn levensverhaal. Ik spreek een eigen taal die niemand verstaat maar dat is hoe mijn levensloop gaat. Ik weet me geen raad hoe ik in het gareel moet lopen evenmin hoe ik aannemelijkheid kan kopen.  Miserie, dysenterie, euforisch, identiek, fanatiek, ludiek, excentriek, retoriek zijn wat mij als eigenschappen toegeschreven worden. Ik smul uit porseleinen borden vol rijstpap of een kant en klare hap. Op zijn systeem op zijn kap. Van de tegel naar de trap en niemand ook maar niemand die het snapt.  Tot ik jou tegenkwam was ik een giftige vliegenzwam. Nu voel ik me teder en wat warmer totaal niet meer zo hard als marmer. Karma is me niet gelegen, mijn leven is geen zegen. Veel cultuur heb ik niet meegekregen. Alles heb ik zelf gesmeden ik weet amper hoe ik heet maak veel herrie schop veel keet. Zonder inbreng in mijn toekomst is mijn impact heel beperkt word ik in mijn eenzaamheid versterkt. Ik weet begot niet hoe het werkt. Wil weg van te wonen onder de koepel en de kerk. Op mijn grafzerk mag er staan hoe het fout is gegaan. Leven doe ik in de waan, laten leven niet bestaan. Laat me zijn laat me begaan...

Frederick Carpenter
0 0

Sterrenstof

Enigszins ben ik de hoofdrolspeler in mijn eigen drama anderzijds mis ik de teksten om in te studeren. Het kan snel verkeren in de wet van het leven, overgegeven aan maatschappelijk streven en het beste van jezelf te geven.  De mierenest in ons bestaan is niet meer dan conditionering. Negen tot vijf en de dag zit erop om…dan weer uitgeblust thuis te komen en genieten van de paar uurtjes vrijheid die de klok voorbij hollen. En hup het is weer acht uur s'morgens. Opstaan, douchen en terug naar het bedrijf om steeds hetzelfde te doen. Het geeft geen voldoening, geen soelaas. De uren glijden voorbij in een waas.  Het is lang geleden dat ik de handen nog eens uit mijn mouwen heb gestoken Ik mis een doel in mijn leven, ik wil er weer zingeving aan geven.  Maar de medische arts heeft me psychisch afgekeurd. Echt waar gebeurd! Tergend traag gaan de wijzers van de klok en het werk schiet niet op terwijl ik volop presteer ben ik veeleer een machine die routine in het vaandel draagt. De dag is bijna weer beëindigd. Uitkijkend naar het weekend maar tis pas dinsdag. Maar ik ben van het gedacht alles mag dus ik ga mijn brein verwennen. Efkes een out of realiteit moment, op vakantie in mijn hoofd. Zo heb ik het mezelf beloofd. Thuis komen, pasta opwarmen, whisky als apéro, eentje, twee, drie. Eventjes mijn werk vergeten en sink into oblivion. Het mooiste moment van heel de dag.  Ik heb het verdiend. Ik bel een vriend om een diepe conversatie te voeren over het leven en de zin ervan en waar onze plek is in dit groot reuze bordspel. Ik kwel me met doemgedachten en geloof niet in hogere machten.  Ik moet positiever beginnen te denken en illusoire ideeën achterwege laten. Meer aandacht schenken aan mijn echte eigen maten.   Ik ga mijn lijden wat verzachten met Eddie Izzard op de achtergrond. Ik begin stilletjes aan wat te lachen. Geniet van dit moment en hou dit gevoel deze emotie aan tot ze bij jou is ingeprent. Weten waar je bent en een realiteit die ik kan voelen en aanraken. Me thuis voelen. Mijn animo doen bekoelen als ik weer de manische toer ben op aan het gaan. Maar die bom van energie geeft me ergens synergie en verbondenheid met het uur op dit moment. Wat wij kennen onder het mom van tijd.  Wie heeft er de zandloper in gang gezet en omgedraaid in een neerwaartse spiraal. We zijn feitelijk iedere dag aan het sterven. Terwijl we bonuspunten verwerven door de sociale & financiële ladder op te klimmen en er eigenlijk op status en allure niks bij winnen.  Maak het je naar je zin, en als je geluk hebt vind je ergens wat intiem bemin binnen heel deze larie en onzin. Doe wat cultuur op, verdiep je in binnaurale beats. Feest alsof het je laatste dag is geweest. Lees een boek godvoordomme, probeer je talenten te unlocken en je geld doen rollen want het is een maatschappelijke gecreëerde onrechtmatige constructie die zo hol is as een leeg glas vol. Kom eens hoorndol bij de intrinsieke domheid van de bekrompen mens. Spreek luidop en duidelijk. Stel je op in het openbaar schreeuw het van je af en maak een wens. Vervul je noden, fuck die tien geboden! Schop tegen schenen, Vertrappel de tenen. Begin van opluchting en catharsis eens lekker een potje te janken te wenen. Heb je geen geld ga dan lenen. Als de schuldeisers komen neem je de benen. Het is hier louter maar een spelletje Monopoly. Het vergif in onze maatschappij, greed hebzucht en ontucht. Van kinderen moet je blijven. Luister naar wat hen bezighoudt en wat laat ze koud. Het zijn de keizers en kiezers van de toekomst die bepalen wat op je oude dag je toekomt. Heb je luxe en affectie een goede babbel een connectie. Of ben je zeker dat je voor je oude dag simpelweg omkomt en kruipend en slenterend gedoemd bent en verwond.  Niemand die je uitvaart heeft vermaard of bezig is met het tekenen van jouw necronomicon, het Boek Des Doods, die betaalt voor de Styx die je afvaart in kaart brengt en je bestaan hier even verlengt en twee geldstukken op je oogleden legt en al fluisterend tegen je zegt : “Dit is het einde van de rit” WE ARE ALL JUST STARDUST IN CASE YOU FORGOT...

Frederick Carpenter
0 0

Bij de Rijkswacht (waargebeurd)

In 1977 begon ik mijn militaire dienst bij de luchtmacht in Melsbroek. Het was een tijd van lange dagen, strikte routines en veel discipline. Het was niet altijd makkelijk, maar het maakte me sterker. Na een tijdje werd ik bevorderd tot korporaal, een rang die voornamelijk aan de gestudeerden werd gegeven. Het was een erkenning voor mijn inzet, maar het bracht ook nieuwe verantwoordelijkheden met zich mee. Zo werd ik secretaris van de officier van veiligheid, een taak die in het begin simpel leek, maar die later mijn leven aanzienlijk zou beïnvloeden. Mijn functie als secretaris bestond vooral uit het overtypen van brieven van de kapitein en de reserve-officieren. Het leek een administratieve klus, maar achter die brieven ging meer schuil. Ik werkte vaak met kladversies, sommige geschreven in haast onleesbare handschriften. Het was een uitdaging om te achterhalen wat precies bedoeld werd. Op een dag, gedreven door frustratie, trok ik een dikke rode streep door een tekst die ik niet kon ontcijferen, ervan uitgaande dat deze van een reserve-officier was. Later bleek het om een kladversie van de kapitein zelf te gaan. Het was een blunder die ik nooit hardop zou toegeven, maar ik voelde diep van binnen dat mijn fout niet onopgemerkt was gebleven. Misschien was dit wel de reden waarom ik na mijn afzwaaien alsnog werd opgeroepen voor een extra kamp. Het was een vreemde wending, maar het zou uiteindelijk mijn ervaring in het leger alleen maar intenser maken. Het Kamp in Elsenborn De oproep voor het extra kamp kwam midden in de winter, toen de kou het hardst toesloeg. Ik moest deelnemen aan een militaire oefening in Elsenborn, een kamp dat berucht was om zijn ijskoude omstandigheden en zware fysieke trainingen. De temperatuur daalde ver onder nul, en de ijzige wind sneed door onze uniformen. Het programma was meedogenloos: schietoefeningen, zware fysieke trainingen en lange marsen door diepe sneeuw stonden op het menu. Elke ochtend begon met een harde roep en het geluid van laarzen die de koude grond raakten. De spanning in de lucht was te snijden, en elke stap leek een uitdaging op zich. Op een van de dagen kregen we de opdracht om van een hoge spoorwegbrug te rappellen. We moesten ons met een touw langs de zijkant van de brug laten zakken, terwijl we ons geweer strak tegen ons lichaam hielden. Het leek een simpele oefening, maar de hoogte was enorm en de omstandigheden waren allesbehalve ideaal. De koude wind raasde rond mijn oren, en de ijzige staalstructuur van de brug voelde als een waarschuwing: één fout en het kon misgaan. Mijn handen tintelden van de kou en mijn grip leek niet stevig genoeg. Terwijl ik afdaalde, probeerde ik niet naar de diepte te kijken. De geluiden van het rammelende geweer en de ijskoude lucht maakten de ervaring des te intensiever. Het voelde alsof de wereld om me heen stopte, terwijl ik langzaam naar beneden gleed. “Van Damme, je bent aan de beurt!” riep de instructeur. Mijn hart bonsde in mijn keel, maar ik wist dat ik geen keuze had. Ik greep het touw stevig vast en zette mijn eerste stappen achterwaarts over de rand van de brug. Mijn grip leek te verslappen, en het voelde alsof elke spier in mijn lichaam zich verzette tegen de spanning. Terwijl ik naar beneden daalde, gleed het geweer een stukje los uit mijn greep. Het geluid van het schuivende metaal leek wel te galmen in mijn oren. “Focus, Van Damme!” riep ik tegen mezelf. Uiteindelijk bereikte ik de grond. Mijn benen trilden van de spanning, maar de opluchting was enorm. Terwijl ik naar boven keek naar de volgende die naar beneden moest, besefte ik hoe belangrijk het was om dit soort ervaringen nooit meer te hoeven doorstaan. De fysieke uitputting en de mentale stress die ik had doorgemaakt, waren genoeg om me te doen twijfelen of dit allemaal wel de moeite waard was. ’s Nachts, wanneer we in de barakken lagen, was het niet veel beter. De kachels werkten nauwelijks, en ondanks dat ik meerdere lagen kleding droeg, voelde de kou als een constante metgezel. Het was een gevoel dat je niet snel vergeet: de kilte die door je botten trekt en je nergens warm kunt vinden. Terwijl ik in mijn smalle bed lag, dacht ik: “Nooit meer.” Maar toch, ergens diep van binnen, wist ik dat deze ervaring me had gevormd. Het had me sterker gemaakt, mentaal en fysiek. Een Onverwacht Bezoek Enkele weken later, toen ik dacht eindelijk klaar te zijn met mijn militaire verplichtingen, reed er een combi van de Rijkswacht Tremelo de oprit van onze tuin op. Vera keek me bezorgd aan. “Wat heb je nu weer uitgestoken?” vroeg ze, met die vertrouwde blik die ik goed kende. Zelf begon ik ook te twijfelen. De rijkswachters stapten uit, hun gezichten ernstig. Toen ze dichterbij kwamen, werd het duidelijk: ze waren niet gekomen om me te arresteren, maar om me een voorstel te doen. “Zou u interesse hebben om reservist te worden bij de Rijkswacht?” vroeg een van hen. “Als u dat doet, bent u vrijgesteld van verdere militaire kampen.” Mijn oren spitsen zich meteen. Geen kampen meer? Dat klonk als muziek in mijn oren. De rijkswachter legde uit dat ik in noodgevallen administratieve taken zou moeten uitvoeren bij hun bureau in Tremelo, maar dat de kans daarop uiterst klein was. “Wat houdt het verder in?” vroeg ik nieuwsgierig. “U krijgt een reservistenkaart, en daarmee bent u officieel deel van ons team. Maar eerlijk gezegd, u zult er waarschijnlijk nooit iets mee moeten doen.” De keuze was snel gemaakt. Ik tekende de papieren en kreeg mijn reservistenkaart. De gedachte aan zware militaire kampen in de ijskoude winter was nu voorgoed verleden tijd. Het was een slimme zet, die me niet alleen de kans gaf om vrijgesteld te worden van verdere plichten, maar me ook het gevoel gaf dat ik iets had bereikt. Ik was nu officieel deel van de Rijkswacht, al was het maar op papier. Een Slimme Zet Hoewel ik als reservist nooit werd opgeroepen, bleek mijn reservistenkaart onverwacht van pas te komen. Op een dag reed ik met mijn Motobecane naar de RMS in Putte. Zoals altijd zat ik ontspannen op mijn bromfiets, mijn voeten rustend op het frame in plaats van op de pedalen. Dit trok de aandacht van een patrouille van de Rijkswacht, die me prompt aan de kant zette. Een van de rijkswachters stapte uit, zijn blik streng. “Waarom rijd je zo?” vroeg hij, wijzend naar mijn voeten. Ik dacht even na en antwoordde met een knipoog: “Het zit wat comfortabeler zo.” Hij schudde zijn hoofd. “Weet je dat dit gevaarlijk is? Wat als je de controle verliest?” De spanning steeg, maar toen bedacht ik me: mijn reservistenkaart! Ik haalde de kaart uit mijn portefeuille en gaf hem aan hem. Hij bekeek de kaart aandachtig, zijn ogen gleden over mijn naam en geboortedatum. Toen glimlachte hij. “1953… Dat zijn de goeie.” Zijn houding veranderde meteen. Hij gaf de kaart terug en zei met een knikje: “Rij maar door, collega. Maar hou je voeten voortaan op de pedalen, hé.” Ik knikte, lachte en reed verder. In feite waren we collega’s, en dat ene zinnetje gaf me het gevoel dat ik erbij hoorde. Het was een klein moment, maar het gaf me een groot gevoel van voldoening. Mijn reservistenkaart was plots veel meer dan alleen een praktisch document; het was een symbool geworden van mijn ervaring en het gevoel van verbondenheid met de mensen om me heen. Slot Mijn militaire dienst en de periode als reservist bij de Rijkswacht blijven me bij als een bijzondere tijd. Het begon met administratieve taken en leidde tot een zwaar winterkamp in Elsenborn, waar ik leerde hoe ver ik kon gaan. Uiteindelijk bracht de keuze om reservist te worden een onverwachte wending die mijn leven makkelijker maakte. Dat moment met de Rijkswacht op weg naar Putte gaf me niet alleen een glimlach, maar ook het besef dat een slimme zet op het juiste moment het verschil kan maken. Mijn reservistenkaart was niet alleen een praktische oplossing, maar ook een symbolische herinnering aan hoe ver je kunt komen met een beetje vindingrijkheid.  

Guy Van Damme
127 2

Meegesleurd door de Tshopo (waargebeurd)

De zon stond hoog aan de hemel boven Stanleyville, het kloppende hart van de Belgische kolonie in de jaren '50. De stad, nu bekend als Kisangani, lag als een parel aan de oevers van de machtige Tshopo-rivier. Het was een stad vol leven en contrasten, waar de natuur en koloniale invloed met elkaar verweven waren. De rivier, die altijd zowel krachtig als kalm leek, was onze favoriete plek om te ontsnappen aan de drukte van de stad. Die dag leek op alle andere. Mijn moeder, mijn zus Ginette, mijn tante Roza en haar dochters Rita en May besloten opnieuw naar de rivier te gaan. Ik, Guy, was de jongste en genoot altijd van de omgeving. Terwijl de anderen vaak het water ingingen, bleef ik liever aan de kant, spelend met stenen of starend naar de kolkende stroming. Toen we de oever bereikten, renden Ginette, Rita en May al vooruit, de rotsen beklimmend en het water in duikend. De plek achter de waterkrachtcentrale was populair vanwege de rustige stukken langs de oever, waar kinderen veilig konden spelen. Het geluid van de rivier mengde zich met het gefluit van vogels en het geritsel van bladeren in de wind. Alles leek perfect. Mijn moeder en tante Roza gingen op een open plek zitten, genietend van het uitzicht en elkaars gezelschap. Ik zat op een rots en keek naar de meisjes die elkaar lachend nat spetterden in het ondiepe water. Alles was veilig en vertrouwd. Maar de rivier, die ogenschijnlijk kalm was, had een ander plan voor ons. Het onheil slaat toeHet begon met een dreunend geluid, diep en onheilspellend, dat door de lucht rolde. Eerst schenkte niemand er aandacht aan. Het leek op het gerommel van een verre onweersbui. Maar toen keek mijn moeder op. Haar gezicht veranderde van ontspanning naar bezorgdheid. "De sluizen," fluisterde ze. "Ze hebben de sluizen geopend!" De waterkrachtcentrale, die Stanleyville van stroom voorzag, liet soms plotseling grote hoeveelheden water door de dam stromen. Dit veroorzaakte een gevaarlijke, plotselinge stroming in de rivier. Ginette, Rita en May merkten het als eersten. Het water, dat eerst rustig over hun voeten spoelde, begon sneller te stromen. Ginette, die verder in het water stond, verloor haar evenwicht en werd meegesleurd. Haar gil sneed door de lucht. Mijn moeder en tante Roza sprongen overeind, geschrokken door het plotselinge gevaar. "Ginette!" schreeuwde mijn moeder. Ze rende naar de waterkant, maar de rivier was al veranderd in een kolkende massa. Ginette's kleine lichaam werd steeds verder de stroom in getrokken. Rita en May, dichter bij de oever, konden zich nog net vastklampen aan een uitstekende tak. Ik stond verstijfd. Mijn hart bonkte in mijn keel. "Blijf staan!" riep mijn moeder, haar stem doorbroken van paniek. Ze wist dat ik niets zou kunnen doen tegen de kracht van de rivier, maar haar zorgen over mij waren groter dan alles. Maar alles in mij wilde Ginette helpen. Ginette’s gevecht tegen de stroomIn het water was Ginette volledig overgeleverd aan de woeste rivier. Haar armen maaiden door de lucht, haar ogen wijd van angst terwijl ze wanhopig probeerde boven water te blijven. De stroming sleurde haar heen en weer, alsof de rivier met haar speelde. Iedere keer dat ze haar hoofd boven water kreeg, hapte ze naar adem, maar de golven duwden haar weer onder. “Ik kan dit niet,” dacht ze. Haar hart bonsde, haar longen brandden van het ingeslikte water. De kracht van de stroming trok aan haar lichaam, alsof onzichtbare handen haar steeds verder naar het midden van de rivier wilden duwen. Een scherpe pijn trok door haar schouder toen ze tegen een uitstekende rots werd geslagen. Ze greep er wanhopig naar, maar haar vingers gleden weg over het natte oppervlak. De stroom sleurde haar verder mee. “Help!” schreeuwde ze opnieuw, haar stem bijna verdrongen door het gebulder van het water. Haar spieren waren uitgeput, en haar kracht leek op te raken. Maar diep van binnen voelde ze een sprankje hoop. Ze dacht aan mijn moeder, aan Rita en May, en aan mij die aan de kant stond. Ze moest vechten. Ze mocht niet opgeven. Een glimp van reddingIn de verte zag Ginette een grote rots die boven het water uitstak. Haar ogen richtten zich daarheen. Met haar laatste beetje kracht begon ze in die richting te zwemmen, de stroming te slim af. Haar armen voelden zwaar, alsof ze lood wogen, maar ze dwong zichzelf door te gaan. Haar vingers bereikten de rand van de rots. Ze klampte zich eraan vast, haar nagels krassend over het ruwe oppervlak. Het water probeerde haar nog steeds mee te sleuren, maar ze hield zich vast met alles wat ze had. Haar borstkas ging hevig op en neer, terwijl ze naar adem hapte. "Help!" riep ze, deze keer zachter, bijna een fluistering. Ze keek om zich heen, maar er was niemand in de buurt. Ze was helemaal alleen in haar strijd tegen de natuur. De race tegen de klokAan de oever was mijn moeder in paniek. Ze stormde naar de technici bij de hut naast de waterkrachtcentrale. "Mijn dochter! Ze wordt meegesleurd door de stroom! Jullie moeten de sluizen sluiten!" De technici reageerden meteen. Terwijl een van hen telefonisch contact opnam met het hoofdkantoor van de centrale, stormde een ander naar buiten om de situatie in de rivier te bekijken. Ik stond intussen aan de oever, mijn ogen wanhopig op Ginette gericht. Ze was nauwelijks meer zichtbaar in de verte, slechts een stip die aan een rots hing. Mijn moeder kwam teruggerend, haar gezicht nat van tranen. "Ze sluiten de sluizen," zei ze, half tegen mij, half tegen zichzelf. "Ze doen hun best." Het metaalachtige gekraak van de dam bereikte ons, en langzaam begon de woest kolkende rivier weer tot rust te komen. De reddingZodra de stroom verzwakte, sprong een van de technici in een kano die vlakbij lag. Hij peddelde behendig naar Ginette toe, terwijl wij aan de kant ademloos toekeken. Mijn moeder kneep mijn hand fijn, haar ogen strak op de kano gericht. Toen de technicus Ginette bereikte, trok hij haar voorzichtig uit het water. Ze huilde, haar hele lichaam trilde van de kou en de schrik. Met een snelle beweging bracht hij haar naar de oever, waar mijn moeder haar onmiddellijk in haar armen sloot. Ginette klampte zich aan haar vast, haar natte haren kleefden aan haar gezicht. "Het spijt me," snikte ze. "Ik wilde niet zo ver gaan." Mijn moeder schudde haar hoofd, haar tranen vermengden zich met die van Ginette. "Je bent veilig nu. Dat is alles wat telt." Een les in nederigheidDie avond zaten we stil bij elkaar in ons huis. Niemand had veel behoefte om te praten. Ginette was uitgeput, maar veilig. Toch voelde de gebeurtenis als een waarschuwing. De natuur, hoe prachtig ook, was niet zonder gevaar. We gingen daarna nog steeds naar de Tshopo-rivier, maar altijd met een diep respect voor haar kracht. Het beeld van Ginette, vechtend tegen de stroom, bleef me altijd bij. Die dag leerde ik hoe dun de lijn is tussen plezier en gevaar, en hoe belangrijk het is om die lijn nooit te onderschatten.

Guy Van Damme
24 0