Lezen

Jonathan & Ludo zijn het beste duo ooit.

Toen ik de scenes tussen Ludo en Jonathan zag de afgelopen weken, ik was helemaal verkocht. Dat Jonathan geweldig is, staat buiten kijf. Hij heeft zichzelf in een mum van tijd bewezen als een waardige vervanger voor Daan. De dynamiek tussen Ludo en Jonathan is verfrissend en opwindend. Waar Daan zijn eigen unieke karakter had, heeft Jonathan zijn eigen stijl, en die blijkt perfect te passen bij de wereld van Meerdijk. Wat zo bijzonder is aan Jonathan, is dat hij niet bang is om Ludo tegen te spreken. We weten allemaal dat Ludo Sanders een complex personage is, met zijn eigen motieven en agenda's. Maar Jonathan lijkt geen blad voor de mond te nemen en zijn eigen mening te uiten. Het feit dat hij zich niet laat intimideren, zelfs niet door de machtige Ludo, maakt zijn personage des te intrigerender. De vraag die zich nu voordoet, is of Ludo Sanders wel degelijk te vertrouwen is. We kennen allemaal zijn geschiedenis van manipulatie en intriges. Zal Jonathan uiteindelijk hetzelfde lot ondergaan als zijn voorgangers in de wereld van Ludo? Het is een spannende vraag die de komende weken ongetwijfeld voor de nodige cliffhangers zal zorgen. "Ludo is nooit te vertrouwen, tenzij je Janine heet" Hoewel de chemie tussen Jonathan en Ludo op dit moment onmiskenbaar is, kunnen we niet met zekerheid zeggen hoe lang deze band zal duren. De soapwereld staat bekend om zijn plotwendingen en verrassingen, en het vertrek van personages is helaas een onvermijdelijk onderdeel van deze dynamische verhalen. Jonathan is nu in Spanje om scenes te draaien voor een nieuwe romcom. Wel is hij af en toe heel even weer terug op de set. We zijn nog niet van hem af gelukkig. Voor nu kunnen we echter genieten van de geweldige interactie tussen Ludo en Jonathan en ons laten verrassen door de wendingen die deze intrigerende relatie in de toekomst zal nemen. Wie weet welke geheimen er nog onthuld zullen worden en welke plotwendingen ons te wachten staan in de wereld van Meerdijk.  

GTST Spoilers-account 2021
65 0

EPIFANIE OP DE TURNHOUTSEBAAN

Nadat mijn ik mijn honger had gestild met een dampende kom havermout verliet ik zoals elke ochtend mijn woning te Deurne. Ik wuifde mijn vrouw en kroost uit met mijn zakdoek en besteeg mijn stalen ros om richting stad te galopperen. Ik droeg voor die gelegenheid een lange broek, sportieve schoenen en een trui, met daarover een uit honderd procent polyester vervaardigd jasje. Ook had ik voor de zekerheid mijn regenjas en -broek bij. Terwijl ik de straat uitreed, zag ik een moeder haar kinderen inpakken in wol alsof het sneeuwde. Helemaal ongelijk kon ik haar niet geven, want het was best koud. De straat rook naar haardvuur en Sinterklaas. Ik fietste het park door en de beuken bliezen hun bladeren rond mijn oren, alsof ze wilden wedijveren met de regen. Daardoor kleurden zij de grond onder mijn wielen ook in alle tinten tussen geel en bruin. Ik werd getroffen door een echt herfstgevoel, hoewel ik een uur geleden aan de winter moest denken. De zon wurmde zich door het wolkendek en scheen opeens hard, alsof iemand haar had tekortgedaan. Ik liet me gewillig beschijnen en draaide naar links, de Noordersingel op. Bij het rood licht stopte ik om mijn laagje polyester in mijn fietszak te steken en ik keek in de ogen van een vrouw aan de overkant van het zebrapad die net hetzelfde deed, alsof er een spiegel in het midden stond. We wisselden een glimlach die vertelde dat we elkaar begrepen en, maar dat verzon ik er misschien bij, dat we als echte Belgen over het weer hadden gesproken, zelfs zonder woorden. Bij het kruisen passeerde ik niet alleen haar lach maar ook die van enkele kinderen die druk aan het palaveren waren en om ter stoerste allerlei manoeuvres met hun rijwiel uithaalden. Een van hen had een jasje opengehangen, maar de rest ging gekleed in slechts een T-shirt. Ze hadden het over voetbal en wat ze na school gingen doen. De zomer is nog hier, dacht ik. Halverwege de goed gevulde Turnhoutsebaan zag ik kersverse ouders in de deuropening staan met een onuitwisbare glimlach op hun gezicht. De vriendin of buurvrouw die net had aangebeld mocht hun kindje even in de armen sluiten. Op de verdieping daarboven opende een oude man zijn raam en floot een vrolijk deuntje de straat op, dat boven het verkeer uitsteeg. Iets verderop merkte ik hoe een vrouw haar woning wilde verlaten maar niet kon beslissen of ze haar paraplu al dan niet zou meenemen, waarbij ze omhoog keek, wachtend op een duim van god. Een jonge kerel passeerde haar drempel en struikelde half, omdat zijn ogen gefixeerd waren op zijn schermpje. Waarschijnlijk buienradar.be. Vooral die besluiteloosheid deed me aan de lente denken. Op dat moment schoot het lied Carry me Ohio van Sun Kil Moon als een van Cupido’s pijlen in mijn binnenste. Een erg melancholisch lied, dat me altijd meeneemt naar mei 2015, toen ik het lied leerde kennen en ik een maand later mijn zoon in mijn handen hield. Ik besefte dat ik zowel de moon als de sun al had gezien vandaag en dat alle seizoenen zich aan mij in verschillende gedaantes hadden geopenbaard. Ze zeggen altijd dat je volgens de seizoenen moet leven, maar ik had ze nog nooit allemaal tegelijk gevoeld. Het is een explosieve sensatie.

Lennart Vanstaen
14 1

Betaalde liefde 1

Naakt stond Arie voor de spiegel in de badkamer. De spiegel reflecteerde tot net onder zijn borst. De spiegel gaf hem altijd een vertekend beeld van zichzelf. Een beeld dat de spiegel in de lift van zijn appartementsgebouw wel correct weergaf. Daar zag hij in het felle licht elk mankement, elke oneffenheid en bovenal zijn te dikke buik. Zeker dertig kilogram zou hij eigenlijk moeten vermageren, althans volgens zijn moeder, die er vaak met hem probeerde over te praten, maar wat hij resoluut weigerde. Hij walgde van zichzelf als hij in die spiegel keek, daarom probeerde hij hem tegenwoordig te mijden, wat niet eenvoudig was, want de spiegel besloeg heel de achterste wand van de lift. Bijna dwangmatig gingen zijn ogen altijd weer naar zijn reflectie. Nog steeds kon hij maar moeilijk geloven dat die vreemde man, met te dikke buik, te gele tanden, te brede neus en meestal ongeschoren, ook werkelijk hem was. Arie wist wel dat het niet heel veel uitmaakte hoe hij eruitzag, ongetwijfeld zou ze al veel erger hebben meegemaakt, maar toch maakte de afspraak hem onzeker. Was het niet des mensen om leuk gevonden te willen worden, en neen, niet alleen vanbinnen, maar ook vanbuiten? Een doos zonder mooie verpakking, bleef gewoon een lelijke doos. Arie ging op zijn tenen staan en staarde in de spiegel naar beneden. Op die manier kon hij tot net aan zijn benen zien. Als het kopje van een treurig mopshondje rustte zijn pik tegen zijn balzak. Hij had een kleine penis, niet dat hij al veel penissen had gezien, behalve dan die van de mannen in de pornofilmpjes waarmee hij zich aftrok. Hij hoopte dat ze er niet mee zou lachen, zelfs niet glimlachen, want dan zou hij doodgaan van schaamte. Veel ervaring had hij trouwens niet in de liefde. Hij was zijn maagdelijkheid verloren toen hij als zestienjarige met zijn ouders naar Portugal was geweest en daar een schone had ontmoet met heel wat meer ervaring dan hij, maar na die zomer had hij nooit meer een vriendinnetje gehad. Toen hij in zijn eerste jaar aan de universiteit had gezeten, had hij het wel geprobeerd. Hij had gedacht dat het nu wel eens tijd werd om zoals iedereen te doen. Steeds maar weer moest hij denken aan de spreuk: Doe maar normaal, dat is al gek genoeg. Zijn klasgenoten leken wel vriendinnen bij de vleet te hebben. Klasgenoten waarmee hij geen contact had trouwens. Arie was gewoon een zonderlinge jongen die zelden door iemand werd opgemerkt. De poging zijn bestaan te verrijken met een ander was vreselijk geweest. Arie kon nog steeds zijn hart in zijn keel horen bonzen, hij kon nog voelen hoe het bloed naar zijn hoofd stroomde. Ze heette Anne, was bloedmooi met lang blond, ragfijn haar en blauwe ogen, helwitte tanden, en zeker een hoofd groter dan hij. Ze was slank geweest, zoals een mannequin, bijna te slank. Elke jongen van de eerste Bachelor kunstwetenschappen geilde op haar. Het was in de salto geweest in de Overpoort waar de muziek altijd veel te luid stond en het vol dronken studenten liep. Ook Arie was dronken geweest. Nuchter zou hij het helemaal niet gedurfd hebben. Hij had er een halve bak bier doorgedronken en een halve pak Marlboro doorgerookt voordat hij eindelijk de moed bij elkaar had geschraapt om naar haar toe te stappen. Al vanaf zijn eerste woord was het duidelijk op haar gezicht te lezen geweest dat ze zijn gezelschap niet echt kon waarderen, maar Arie was zo met zichzelf en met wat hij wilde zeggen bezig geweest, dat hij het niet eens had opgemerkt. Op een gegeven moment had ze hem haar gezicht toegewend en hem midden in een zin afgekapt: “Ben jij een stalker ofzo, je zit me al twee uur aan te staren van aan de overkant. Laat me met rust, creap!” had ze gezegd. Van de les had ze hem duidelijk niet herkend. Ze had haar drankje gepakt en was naar de andere kant van de toog gelopen. Die nacht had hij zich, door de drank en de vernedering, in slaap gehuild. Een week later was hij gestopt met zijn studie. Niemand die hem zou missen. De enige vrouw die van hem hield was zijn moeder. Hoe zielig hij dat ook vond, het was de waarheid. Arie controleerde zijn tanden die hij net gepoetst had. In het vage licht van het peertje boven de lavabo zagen ze er minder gelig uit dan ze werkelijk waren. Hij hoopte maar dat ze het niet vervelend vond dat hij rookte. In de slaapkamer had hij voordat hij in bad was gegaan, zijn kleren klaar gelegd: een zwarte geklede broek en een effen zwart hemd. Veel tijd had hem dat niet gekost, zijn kast hing vol zwarte broeken en zwarte hemden en T-shirts. Elke keer als hij met zijn moeder ging shoppen drong ze aan dat hij eens iets anders kocht dan zwart, maar Arie vond het gemakkelijk zo: iedereen stond met zwart en zo werd in een leven dat bestond uit kiezen, toch één keuze beperkt. Nadat hij was aangekleed, liep hij naar de huiskamer en stak nerveus een sigaret op. Volgens de klok die aan de muur recht tegenover de televisie hing, had hij nog vijf minuten. Toen de klok 20,00 uur aangaf, begon Arie nog nerveuzer te worden en ijsbeerde hij door zijn huiskamer, hij hield nu eenmaal van stiptheid. Drie minuten later ging de bel. Hij rende zowaar naar de voordeur. “Hey”, werd hij begroet door een verleidelijk glimlachende dame van midden dertig. “Hallo”, antwoordde hij hees, en ging opzij zodat ze naar binnen kon stappen. Geen uitleg nodig. Beiden wisten wat ze hier kwam doen. Terwijl hij de deur sloot taxeerde hij haar ongemerkt van top tot teen. Natuurlijk had hij de seksuele dienstverleenster zelf uit een serie foto’s mogen kiezen, en had hij op het kantoor van Aditi ook met haar gesproken, kort, een half uurtje, maar toch was het nog helemaal anders als hij die persoon ook daadwerkelijk alleen moest ontmoeten. Ze had zich keurig opgedoft, zag hij. Bij het gesprek op Aditi had hij duidelijk zijn wensen over haar kledij en make-up geventileerd. Hij wilde absoluut verhinderen dat ze er zou uitzien als zo’n straathoertje dat je in verschillende Hollywoodfilms kon zien. “Wil je iets drinken”, vroeg hij hakkelend, en vervloekte de heesheid in zijn stem. Hij moest wel als een oud, ziek, oversekst mannetje klinken. Zwierig draaide ze zich naar hem om. Ze was echt wondermooi. Hij had haar uitgekozen op basis van haar ogen en haar glimlach, en hij werd niet teleurgesteld. Die aspecten van iemands gezicht waren ontelbaar belangrijk voor de autistische Arie, voor wie de meeste gezichten iets bedreigends hadden, een bedreiging die hem letterlijk kon doen toeklappen. “Ja, graag,” zei ze, “heb je rode wijn?” Ze had een hele fijne, meisjesachtige stem. Helemaal niet zoals je zou verwachten dat een prostituee klonk, en daar was hij blij om. Inwendig corrigeerde hij zichzelf. De seksuele dienstverleensters van Aditi wensten geen prostituee, of erger nog, een hoer, genoemd te worden. Maar wat was het verschil, allebei werden ze betaald voor intimiteit? Was het dan de overtuiging die hen onderscheidde? Zonder te antwoorden liep hij naar de keuken en kwam met een glas tot de rand gevuld met rode wijn terug. Ze had zich inmiddels in de zetel gezet. Keurig met haar benen over elkaar. Vertwijfeld keek ze naar het glas dat hij voor haar op de zwarte salontafel zette. Door zijn nervositeit vergat hij er een onderleggertje onder te plaatsen. “Mij dronken voeren is niet nodig hoor”, zei ze sarcastisch, wijzend naar het overvolle glas. “Sorry”, antwoordde hij en keek schuldbewust naar zijn voeten. “Is maar een grapje.” Ze zweeg. Ongegeneerd taxeerde ook zij hem, maar toch gaf het hem niet zo’n ongemakkelijk gevoel als dat bij vele mensen wel het geval was. “Waarom kom je niet naast me zitten?” vroeg ze liefjes. Arie staarde nog steeds naar zijn voeten. “Ik heb dit nog nooit gedaan”, zei hij hulpeloos en schuifelde, tergend langzaam, naar de zetel als een kat die net iets van de tafel had gestoten en door zijn baasje op het matje werd geroepen. Met een keurig afstandje tussen hen in zette hij zich naast haar. Glimlachend keek ze hem aan. Hij merkte dat haar benen trilden. Ze schuifelde wat dichter naar hem toe. Hij moest de neiging ondedrukken de afstand niet meteen terug groter te maken. Ze legde één van haar handen op zijn dij, amper centimeters van zijn kruis. Het brandde door zijn broek en hij voelde hoe zijn penis aantrad. Met haar andere hand streelde ze de linkerkant van zijn gezicht. Meteen ging er een trilling door hem heen. Hij was niet meer gewend aangeraakt te worden. “Kus me”, zei ze, en hij merkte dat ook haar stem hees was geworden. Hij voelde hoe haar hand de binnenkant van zijn dij streelde. Tot halverwege zijn knie en terug naar boven tot vlak bij zijn kruis, de toppen van haar vingers raakten steeds even zijn penis aan. Hij onderdrukte een snik en voelde tranen in zijn oogkassen branden. De enige manier waarop hij kon antwoorden op de hunkering die hij al zo’n lange tijd had gevoeld, en waarop niemand antwoord leek te kunnen geven. “Hey, het is oké”, fluisterde ze, en drukte haar lippen zacht op de zijne. Hij smaakte de wijn en resten van haar lippenstift. Zo’n intense verbondenheid had hij niet verwacht te voelen. En meteen werd hij verliefd op iemand die zijn verlangen wel kon stillen maar hem nooit meer zou kunnen geven dan een momentopname. De tranen stroomden nu uit zijn ogen, tranen die ze wegkuste. Ondertussen bleef ze zijn dij strelen. Hij had inmiddels een volle erectie. Het schuren tegen zijn onderbroek deed zelfs pijn. Er ging zoveel door zijn hoofd. Hij wilde zo graag een waardige minnaar zijn, maar hij kreeg geen beweging in zijn lichaam, zodat hij passief haar zoenen accepteerde. En haar strelen enkel beantwoordde met het verzwaren van zijn ademhaling. Hij voelde hoe ze friemelde om eerst zijn riem en daarna zijn broek los te maken. Ze glimlachte wanneer hij naar adem snakte toen ze zijn penis in haar hand nam. Ondertussen bleef ze hem zoenen: op zijn wangen, zijn ogen, zijn neus, zijn lippen… Een kreun ontsnapte hem wanneer ze hem begon af te trekken. Eerst traag, dan snel, dan weer traag. Ze wist precies wanneer ze moest vertragen en wanneer ze weer kon versnellen. Zo stelde ze het ejaculeren steeds weer uit. Zeker een kwartier balanceerde hij op de rand van klaarkomen. Hij verwachtte dat ze opnieuw zou vertragen, maar ze begon hem nog sneller af te trekken, tot hij het niet meer hield en voelde hoe zijn grijswitte massa door zijn penis werd gestuwd en in de vrije lucht explodeerde als vuurwerk. Nog nooit was hij zo intens klaargekomen. “Sorry”, zei hij zacht en verborg zijn ogen achter zijn handen. Hij had haar willen stoppen toen hij had gevoeld dat het dreigde te laat te worden, maar hij had zo gehunkerd naar klaarkomen, dat hij het woord “stop” niet over zijn lippen had gekregen. Hij voelde zijn lichaam stuipen terwijl ze de resten zaad uit zijn penis perste. Even bleven zo zitten; zijn handen voor zijn gezicht, haar lippen dicht tegen zijn oor en haar hand rond zijn slapper wordende penis. “Heb je een handdoekje”, zei ze daarna zacht, met haar lippen tegen zijn oor, terwijl ze zijn nu slappe penis losliet. Opgelucht dat hij aan iets anders kon denken dan zijn schaamte, stond Arie op, knoopte zijn broek terug dicht en rende zowat naar de badkamer. Ze zag er hulpeloos uit hoe ze daar in de zetel zat, haar hand voor zich uit om zijn vocht nergens aan af te vegen. Bedeesd gaf hij haar de handdoek en bleef kijken hoe ze eerst haar hand afveegde en daarna de rest van de sporen van hun daad van de rand van de tafel veegde. Zuchtend legde ze de handdoek naast zich en keek hem dan bemoedigend glimlachend aan waardoor hij meteen weer zijn ogen neersloeg. Op geen enkele manier deed ze vermoeden dat ze het walgelijk vond, en daar was hij haar dankbaar voor. Langzaam nipte ze van haar wijn. “Vond je het fijn?” vroeg ze na een tijdje. “Ja… Maar wel een beetje egoïstisch van me...” “Hoe bedoel je?”, vroeg ze verbaasd. “Wel, ik liet jou al het werk doen.” Weer die bemoedigende glimlach. God, wat hield hij van die glimlach, er stak zoveel warmte in dat hij er zich zelfs op een ijskoude winterdag aan zou kunnen warmen. “Dat geeft toch niet? Je mag gerust ook even aan jezelf denken hoor.” Arie beantwoordde aarzelend haar glimlach met de zijne, waarbij hij er nauwkeurig op lette zijn tanden niet te tonen, waardoor zijn glimlach meer weg had van een pijnlijke grimas. “Kom je nog even bij me zitten?” Gehoorzaam ging hij naast haar zitten. Met de hand waarmee ze hem had afgetrokken dwong ze hem haar aan te kijken. “Wel, ik vond het fijn.” Zachte kuste ze hem op de lippen. Nog zeker een kwartier, de tijd die het haar kostte om het glas wijn uit te drinken, bleven ze zo naast elkaar zitten. Dichter naast elkaar dan hij met de meeste mensen kon verdragen, laat staan met mensen die hij nauwelijks kende. Haar arm hing slap over zijn dij. Nog steeds voelde hij haar huid branden op de zijne door zijn broek heen. Spreken deden ze niet meer. Dat hoefde voor Arie ook niet. Hij genoot gewoon van het samenzijn, van de illusie geliefd te zijn. Ze rook heerlijk, een combinatie van parfum en zeep. Soms boog hij zich even naar haar toe om aan haar haar te ruiken. Daarvan moest ze giechelen. Ze giechelde als een verlegen schoolmeisje dat voor het eerst verliefd was. De leegte die ze achterliet nadat ze vertrokken was, bleek al van de eerste seconde ondraaglijk.

Malakh Ahavah
70 1

Liebes Kind 2.0

Hij had zijn handen vluchtig nat gemaakt en wreef met zijn linkerhand over de citroenvormige zeep met een houder vastgemaakt aan de muur. Terwijl hij zijn handen waste, spoelde hij ze al af onder de dunne straal van de nog lopende kraan. Het water kletterde in de stalen spoelbak. De zijkant van de schudbol belandde met een plof op zijn kruin, net daar waar de haarlijn al begon te wijken. Het glas barstte, eerst op een lange lijn die als een hoofdslagader verder vertakte in allemaal kleine zijaders. De druk werd tenslotte zo groot dat het water als in een explosie alle kanten uitspatte. Vermengd met het bloed uit de gapende wonde, gulpte het langs de gehele rechterzijde van zijn lichaam. De imitatiesneeuw zorgde voor een korrelige laag die aan scrub deed denken. Hij zakte door zijn benen, raakte met de linkerzijde van zijn hoofd de scherpe rand van het marmeren aanrecht en zeeg neer. De stilte die volgde, was oorverdovend. Het leek alsof ze de adrenaline door haar lijf hoorde stromen. De schudbol had geleken op een trofee, de eerste prijs op een handbaltoernooi. Het was een doorzichtige globe op een zware, antraciete voet. Binnenin golden de eigen wetten van de fysica. Het was een ecosysteem dat een onderwaterwereld verzoende met een eeuwig sneeuwlandschap. Wars van alle seizoenen bevatte de sneeuwbol een utopische wereld, een welgekomen ontsnapping aan de realiteit. Die ligt nu aan diggelen.   Ze loopt naar de deur. Haar hele lijf trilt. Half luidop telt ze tot drie en komt enigszins tot bedaren. Ze snokt de klink naar beneden terwijl ze met haar schouder inbeukt op de stalen veiligheidsdeur. Die geeft niet mee.  Haar ademhaling stokt. Ze kijkt om zich heen. De sleutel hangt aan een nylon zeilkoord om zijn nek. Traag maar vastberaden stapt ze op hem toe en geeft hem een lichte trap in zijn zij om er zeker van te zijn dat hij niet meer beweegt. Zijn arm valt als bij een lappenpop naast zijn lichaam neer. Ze zet een stap dichterbij en beroert met de tip van haar witte gymp de rand van de uitdijende plas bloed. Terwijl ze door haar knieën gaat, hoort ze zijn reutelende ademhaling. Hij leeft nog. In hurkzit zoekt ze schuifelend met haar voeten haar evenwicht en haalt met een vloeiende beweging de geïmproviseerde halsketting van zijn nek en vanonder zijn hoofd. Het witte nylon kleurt bordeauxrood. Ze knijpt zo hard dat ze het mengsel van bloed en water uit het zeilkoord perst. Terwijl de eerste druppel valt, voelt ze hoe een hand haar enkel vastgrijpt.  "Lena," hoort ze hem schrapen, terwijl ze zich met alle geweld losrukt. Zijn armen steekt hij naar haar uit als een hulpeloze baby die gepakt wil worden. "Waarom doe je dit?" brengt hij hortend en stotend uit, maar ze hoort hem al niet meer. Ze is in de weer met de sleutelbos. Haar handen trillen zo erg waardoor het onmogelijk is zelfs de juiste sleutel te doen passen. Uiteindelijk lukt het haar toch. Ze draait de deur uit het slot. De metalen klik van de veiligheidspinnen klinkt als de bijl van een guillotine die valt. Als ze de deur opent, zuigt de koelte haar naar buiten.  Ze zet het op een lopen. De verlichting gaat aan naarmate ze vordert. Elke vijf voetstappen op het grind gaan gepaard met het doffe geluid van een lamp die aanspringt. Het felle licht verblindt haar en ze probeert zich te focussen op het duister voor zich. Na een flauwe bocht naar rechts is het einde van de tunnel in zicht: een hoefijzer dat groter wordt naarmate ze dichterbij komt. De holte wordt gekleurd door regendruppels die het licht van twee enorme stadionlampen weerkaatsen. Ze voelt de striemende regen al op haar huid en nog voor haar zintuigen werkelijk iets registreren, staat ze buiten.  Het terrein baadt in een oranje gloed en is bezaaid met gebouwen waarvan geen enkel hetzelfde is. Het heeft nog het meest weg van een legerkazerne. Alles lijkt verlaten. Het domein is omheind door draadhekken met geplooide bovenkanten afgezoomd met scheermesprikkeldraad. De afsluiting rechts is het dichtstbij en wordt afgeschermd van de rest door wat vroeger latrines moeten geweest zijn. Naast het bouwval ziet ze een stapel leistenen, ze kiest er een grote uit en begint haastig te graven. De geïmproviseerde schop breekt en ze gaat met haar handen verder. Het modderige zand hoopt zich op onder haar nagels tot ze een voor een breken. Als de vlechtdraad verlost is uit de aarde duwt ze hem naar achteren. Op haar rug, voeten eerst, murwt ze zich in de uitgegraven holte. De scherpe uiteinden krassen door haar doorweekte japon en zorgen voor kleine rode vlekjes op de witkatoenen stof.  Een schot doet haar opschrikken en omkijken. Ze valt voorover en weet het laserlicht te ontwijken voor ze het bos in vlucht. Braamstruiken krassen genadeloos haar onderbenen open. Een van haar witte gymps geraakt verstrikt in de wirwar van doorntakken. Dorre sparrennaalden prikken in haar voetzool als ze tussen de laaghangende takken laveert, steeds dieper het bos in. De rode straal van het wapenlicht achtervolgt haar, maar mist haar telkens op enkele meters na. Haar tweede gymp blijft steken achter een boomwortel en volledig blootsvoets loopt ze verder op het zompige bed van naalden. De laserstraal speelt een spel op leven en dood. Het lijkt op een stopdans: een lichtspel dat samengaat met de steunende geluiden van een gewonde belager afgewisseld met een strakke rode lijn die de stilte lijkt af te dwingen. Deze dans weigert ze. Ze loopt van boom tot boom en zoekt hijgend steun bij elke stam. Op een helling verliest ze haar evenwicht en rolt naar beneden. Gedesoriënteerd staat ze recht. De regen heeft haar japon lichtrood gewassen. Haar wimpers doorweekt, haar zicht een waas. Het geronk van een accelererende motor doet haar roekeloos de weg oplopen. Beschenen door de koplampen van een aankomende auto en onder luid geknars van een vergeefse coup de frein, raakt de bumper haar heupen. Haar lichaam plooit terwijl haar bovenlijf met een smak op de motorkap belandt. De bestuurder zit met beide handen op het stuur roerloos voor zich uit te staren als een schot hem doet opschrikken. Hij schakelt en terwijl hij achteruit rijdt, glijdt het levenloze lichaam in een bloedbaan van de motorkap. Vanop een meter of twintig afstand ziet hij hoe een man met een pistool en onder het bloed uit het bos komt gelopen. Hij knielt neer bij de vrouw, zet de loop tegen zijn verhemelte en haalt de trekker over.

Véronique Scheyvaerts
80 1
Tip

Als de wereld binnenkomt

Het drama was mijn lichaam binnengeslopen en was daarbij blijven hangen aan het haakje dat ik jaren geleden achteloos had aangebracht in de leegte vlak onder mijn middenrif. Dat leek mij toen de meest geschikte plek om al wat ik niet begreep, omdat het te groot was voor mijn kinderlijk besef, te stockeren. Ik zou er dan later wel komaf mee maken. Doorheen de jaren stapelden zich de onwelkome jassen en kledingstukken daar op. Sommigen nog nat van de storm waar ik zelf of de ander zojuist was doorgekropen. De haak zou het allemaal wel dragen. Ik zou het allemaal wel verdragen. En, zoals ik al zei, zou ik er later dan wel komaf mee maken.  Soms kan later opeens vandaag zijn, al besef je dat dan ook weer pas, later. Het gebeurde toen ik het beeld zag van de dode Israëli die achterop een scooter door een juichende mannenmassa gereden werd. Hij had een korte broek aan, die hij die ochtend waarschijnlijk zelf nog langs zijn benen omhoog gehesen had. Het was het type broek waar ik mijn vingers langs laat glijden wanneer ik ze tegenkom in speciaalzaken, omdat de stof van onscheurbare kwaliteit is en ik die degelijkheid alleen nog ken van de stofjas die de tweede huid vormde van mijn grootvader.  De dode lag met ontbloot bovenlijf achterop en hing, in de afstand tussen het beeld en mijn blik, zijn jas bij aan het haakje. Het gewicht was ondraaglijk. Het scheurde het haakje en mijn eigen leegte doormidden. Tranen aan jaren ongehuilde onmacht vulden de kamer. Mijn partner stond er middenin en pareerde met troost, die hij afvuurde in de hoop een tegenoffensief te bieden voor het kwaad dat was geschied.  “Ik huil voor de wereld” snikte ik. Maar het bleek verdriet om mijn eigen wereld, die die dag finaal een stukje onschuld verloor. 

Magali
192 9

"Bertrie Wieringa: Het Stralende Juweel van GTST met een Zilveren Ring"

Bertrie Wieringa: Het Stralende Juweel van GTST met een Zilveren Ring. Dat kun je wel zeggen na de fantastische uitslag op het televizier ring gala afgelopen donderdag. The Passion, De Tocht, Moordvrouw, Celblok H en natuurlijk ook GTST. Voor Bertrie is het allemaal niet te veel. Ze komt uit Friesland, en dat is wellicht de reden dat ze zo heerlijk nuchter blijft. Bovendien is ze naast actrice tegenwoordig ook bezig zich te ontwikkelen als zangeres, iets wat ze eveneens fantastisch doet. "Het is geweldig dat een GTST actrice met de bokaal naar huis mocht" Bertrie Wieringa heeft met haar rol in GTST bewezen dat je, ondanks de lange duur van een serie, nog steeds spraakmakend en relevant kunt zijn. Haar vermogen om het publiek te raken met haar acteerprestaties is ongeëvenaard. De verhaallijn waarin haar dochter Jasmijn overlijdt, was één van de meest aangrijpende momenten in de geschiedenis van de serie. De manier waarop Bertrie de pijn en het verdriet van een moeder portretteerde, liet menige kijker niet onberoerd. Bertrie's carrière is een voorbeeld voor velen in de entertainmentindustrie. Of ze nu acteert in een soap, een drama of haar stem leent aan een liedje, ze doet het met volle overgave en passie. Haar recente erkenning op het Televizier Ring Gala toont aan dat haar inzet en talent worden gewaardeerd door zowel de industrie als het publiek. Het stralende juweel van GTST schittert helderder dan ooit tevoren.

GTST Spoilers-account 2021
50 0