Lezen

Aan een Rotvaart Nergens Heen -- de "ik"-versie. Hoofdstuk 1: Van waar dit allemaal komt

Hoofdstuk 1: Van waar dit allemaal komt   Het begon als een vergissing. Zo begint het boek van Charles Bukowski over zijn tijd bij de Amerikaanse posterijen. Zo zou ook het mijne kunnen beginnen, al was het niet als een vergissing maar als een ongeluk – ik had werk nodig en toen vond ik werk. Wie ik ben? Jimmy Sabbe. Vervangend rekenplichtige in de kantoren van Kortrijk MC. Vierentwintig, bijna vijfentwintig jaar dienst bij de Belgische posterijen. Ik ben afgestudeerd aan een school in de Kortrijkse binnenstad, waar ik absoluut niet wou gaan, maar ja, je kent dat, het leven schopt je vaak de verkeerde richting uit. We waren net een nieuw millennium begonnen en ik wou verder studeren. Dat lag vooralsnog niet in de kaarten en ik moest werk zoeken. Ik schuimde her en der wat interimkantoren in Kortrijk af, begon als onhandige pseudo-schrijver een cursus Elektriciteit bij de VDAB – niet van ganser harte, moet ik er wel bij vermelden, want ik was zo’n beetje verplicht door mijn ouders. Pa wou me direct De Post in, net zoals hij bij mijn broer Billy heeft gedaan. Die heeft dan na een paar maanden voor de vlucht vooruit gekozen en studeert nu iets van Filosofie in Gent of zoiets. Ik hoor hem maar weinig. Ma wou vooral dat ik deed wat pa zei. Dat is zowat het nest waaruit ik kom. Ikzelf, mijn broer Billy, mijn vader Reginald, moeder Marjolein Van Suypeene en Maurits, de rosse kater die maar niet wil doodgaan. Ik zou willen zeggen dat ik ben grootgebracht door de straat maar eigenlijk valt dat wel goed mee. De Venning, aan de overkant, dáár zaten, voor de grote stadsdeelrenovatie, de zware sociale gevallen. Ons huis, dat is in de Schaekenstraat. Waar je van de Stasegemstraat naar de Leie kunt gaan, op de hoek met de Groeningekaai, daar is ‘t. Mijn jonge jaren waren getekend door familiale ruzies. Pa was immers ook postbode, eerst op de trein en dan op de fiets, omdat hij niet mocht bijtekenen in het leger, van zíjn vader, die ook bij De Post werkte. En hij wou het doorgeven aan Billy en mezelf. Ik had eigenlijk al een baan gevonden in een glasplatensnijdend bedrijf, maar ze moesten eerst nog mijn diploma zien. Alles was in kannen en kruiken, ik kon een functie op kantoor krijgen. Tot ze mijn diploma zagen. Want ik heb maar een BSO-diploma, weliswaar gelijkgesteld A2 maar het staat er op dus het blijft een BSO-diploma. Ik zou linea recta naar de fabriek zelf worden verwezen, wat ik niet zag zitten. Ambtenaar worden, dat leek me wel iets. Ik heb sowieso een levenslange fascinatie met zowel het trein- en postwezen en ma zei, als ge daar binnen geraakt, zit ge goed. Dus ik zowel voor De Post als de NMBS solliciteren en De Post antwoordde eerst. Dat is alles wat er is. Het was niet uit volle overtuiging dat ik dit deed. De idyllische wereld voorgesteld door fictie is net dat, fictie, en ik kan me niet inbeelden dat ooit iemand uit volle overtuiging zou zeggen van kijk, ik ga bij De Post gaan werken. Lang verhaal kort: ik had werk nodig en toen vond ik werk. Dat was nog een geluk – dat het later een ongeluk zou blijken, komt later nog aan bod. Eind december 2001. De kerstdagen komen weer dichterbij en we willen nog dat laagje vernis behouden dat in de jaren zeventig – ongeveer samen met het nog steeds in gebruik zijnde fonduestel – op de familie werd aangebracht. En dat betekent dat eerdergenoemd fonduestel terug van stal mag worden gehaald. Afijn, moet, want geen van ons drieën wil het écht. Ma wil de kruiswoordraadsels van de Libelle en Flair Kerstspecials oplossen en op een treffelijk uur naar boven gaan om te slapen. Vrij van onze pa, die beneden wil blijven en de ene pijp na de andere wil volproppen met zijn grove sneetabak en die, terwijl hij die oprookt, zich wil volgieten met de goedkope sterke drank van de lokale discounter. Ikzelf zit te bladeren in één of ander magazine dat ons ma heeft meegebracht van bij één van haar vele doktersvisites – de tere gezondheid zit haar in de familie. Ik zit op mijn kamer met de rolluiken naar beneden, ook al is het nog klaarlichte dag. Het zou één van de laatste klaarlichte dagen zijn die ik op die kamer in máánden zou doorbrengen, want in het begin werkte ik bij De Post van ’s morgens vroeg tot letterlijk ’s avonds laat, hopende dat ik ooit eens het kantoor “op tijd zou kunnen vervoegen” zoals een leidinggevende ooit op een model 9 heeft geschreven. Wat een model 9 is, ook dat komt later aan bod. Op mijn kamermuur stond over de volledige lengte de zinsnede van op het graf van Maurice Gilliams, namelijk “de onrust schenkt vleugels aan de verbeelding”, iets wat ik er in een duisterder emo-periode (avant la lettre) met alcoholstift had opgeschreven. Er was geen geld voor verf of behangpapier, dus betaalde ik met een blauw oog. Bij ons op school moeten ze vast gedacht hebben dat we massief eiken kasten hadden, waar ik steevast tegenaan liep, in plaats van de spaanderplaten afdankertjes die her en der in het huis staan. Het lijkt alsof die zinsnede ogen heeft en mij veroordelend zit aan te staren, alsof het ding wéét dat het zich in het leven roepen misschien  de meest rebelse daad is die ik ooit had gesteld, een opflakkering van individualisme die nu langzaamaan door het postbedrijf zal worden afgevlakt tot conformiteit, als ik voor de testen slaag tenminste. Zo verging het ons meestal, of het nu eindejaarperiode was of niet. De dag daarop, ergens eind december, zou ik naar Brussel gaan om de testen voor postbode te gaan maken. Ik had er eigenlijk niet zo veel zin in, maar als ik een eigen mening wou, moest ik maar doen als Billy – ik wist het gat van de timmerman zijn. Het gat van de timmerman is de voordeur. Het waren de laatste dagen van mijn zorgeloze adolescentie, die toch maar erg kort had geduurd. Mijn studiegenoten van het secundair kregen uitstel tot executie van wel drie tot soms vijf jaar en meer, maar voor mij was de bittere realiteit zo dichtbij dat ik diens hete adem kon ruiken en het rook niet al te fris. Een beetje zoals Roger, mijn grootvader en de vader van mijn vader. Roger Sabbe, nu reeds een paar jaar overleden, was een man die uit vierkanten leek te bestaan, een illusie niet geholpen door het constant dragen van geruite houthakkershemden en brillen met vierkanten monturen. Die werd iets verderop in het WZC De Korenbloem verzorgd in afwachting van zijn voor velen niet te vroege heengaan. Net zoals pa ma en mezelf onder de knoet probeert te houden met veelvuldig gebrul had ook pepe Roger daar wel een handje van weg. Inclusief op zijn eigen zoon, die het vaak te verduren kreeg als er geen jonge verpleegster was op wie hij zijn frustratie kon botvieren. Talloze dessertjes zijn zo al tegen het raam gekwakt.

Miguel
5 1

De geheime afspraak

Ik denk dat gepensioneerden een geheime afspraak hebben. Niet op papier. Er wordt geen brief gestuurd en ge zult er ook geen WhatsApp-groep van vinden. Maar ik ben er zeker van dat iemand u op uw laatste werkdag even apart neemt. "Nog één ding," fluistert hij. "En ge houdt dit onder ons. Zeg het vooral niet tegen de werkende mensen. Laat hen maar denken dat de zomer in juli begint. Maar de hele maand juni... is de zee van ons." Sinds ik dat weet, kan ik het niet meer níét zien. Terwijl de rest van Vlaanderen zich nog een ongeluk werkt om alles afgewerkt te krijgen voor het bouwverlof, studenten blokken of net bekomen van hun examens en gezinnen aftellen naar de grote vakantie, hebben de gepensioneerden de kust al lang ingenomen. Niet luid. Niet opvallend. Gewoon. Ik ontdekte het per ongeluk. Een paar dagen Middelkerke in juni en meteen had ik het gevoel dat ik ergens was binnengelopen waar ik eigenlijk geen lid van was. Niemand stuurde me weg, maar iedereen leek de spelregels te kennen. Ze wandelen zonder bestemming. Ze kiezen altijd een tafeltje met zicht op zee. Ze bestellen zonder op de klok te kijken. En een aperitief om elf uur? Dat blijkt gewoon een uur te zijn. Daar zit Rosa. Naast Herman. Herman morst zijn fruitsap. Twee keer. Rosa schuift zwijgend een servetje naar hem toe. Ze kijkt niet eens op. Ge ziet dat liefde na vijftig jaar misschien niet meer bestaat uit grote verklaringen, maar uit weten waar de servetten liggen. Een paar tafeltjes verder zit Denise. Lippen gestift, haar alsof ze straks op televisie moet komen. Nog altijd even kwik als vroeger. Alleen wordt ze wat spraakzamer na haar aperitief. Maar dat is haar gegund. Misschien is dat wel het mooiste aan ouder worden. Dat ge eindelijk moogt uitweiden. Dat niemand nog zegt dat ge moet afronden omdat de volgende vergadering begint. En dan André en Willy. Ze kijken naar de zee. Of toch... dat denk ik. Misschien kijken ze wel gewoon naast elkaar. Zoals mensen die al zo lang samen zijn dat stilte geen leegte meer is, maar een taal. Er is iets raars met tijd aan zee in juni. Ze gaat er niet trager. Ze wordt gewoon minder belangrijk. Niemand zegt dat hij nog snel ergens naartoe moet. Misschien is dat wel wat pensioen echt is. Niet stoppen met werken, maar stoppen met haasten. Ik zat daar tussen hen en besefte plots dat ik niet naar oude mensen zat te kijken. Ik keek naar later. Naar ons. Ik probeerde ons uit. Zoals ge een zetel uitprobeert in een meubelwinkel. Zouden wij ook al om elf uur aperitieven? Zou jij nog altijd beweren dat de garnaalkroketten hier beter zijn dan elders? Zou ik nog altijd zeggen dat ik geen honger heb om vervolgens de helft van uw bord leeg te eten? En zouden we nog altijd discussiëren over mijn haar? Ge vraagt nu al geregeld wanneer ik het nog eens blond ga kleuren. Ik antwoord steevast dat ik dat niet ga doen. Ik vermoed dat we die discussie tegen dan nog altijd voeren. Alleen zal het ondertussen nog grijzer zijn. Ik hoop dat ik dan nog altijd even koppig ben. En gij ook. Dat ge nog altijd dezelfde mop vertelt waarvan ik de clou al ken nog voor ge eraan begint. Dat ik eerst met mijn ogen draai. En vijf minuten later toch weer lach. Dat we met onze rollators veel te fanatiek over de dijk racen en valsspelen in de bochten. En dan komt er, heel even, een gedachte binnen die ik liever niet heb. Want statistisch gezien is er een kans dat één van ons daar alleen zit. Dat ik uw naam zeg. En even naar de hemel kijk. Of gij de mijne. Dat kan ook.  Ik laat die gedachte niet lang blijven. Wij zitten daar samen. Met twee lichtblauwe windbrekers. Een aperitief om elf uur. En alle tijd van de wereld. Misschien is dat uiteindelijk wat liefde is. Niet dat ge elkaar jong houdt. Maar dat ge oud genoeg moogt worden om elkaars gewoontes, koppigheden, verhalen en rimpels te verzamelen. Tot ze allemaal deel worden van wie ge samen zijt. En ergens, op een terras in Middelkerke, midden in juni, kijkt ge plots naar mij. Naar wie ik ooit was. Naar wie ik geworden ben. En zegt ge: "Schat... ge zijt beeldig met grijs haar."

Katrien Daniels
75 4