Lezen

De koopjesbak

De koopjesbak   ‘Wie schrijft die blijft,’ luidt het gezegde. Ik vraag me af waarom. Natuurlijk begrijp ik wat ermee bedoeld wordt, maar hoe langer ik schrijf, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat het niet waar is. Integendeel. Schrijven wrijft je juist genadeloos met je neus door de eindigheid. Het schrijven van een boek vergt moed. Vaak is het een onzeker proces waarin je, gekweld door zelftwijfel, ploeterend een verhaal op papier zet zonder te weten of iemand het wil lezen. Ondertussen verdampt je sociale leven. De buitenwereld lijkt door te draaien zonder jou. Soms is het alsof je al overleden bent. Ik dacht altijd dat het de grootste uitdaging zou zijn om een fatsoenlijk boek te schrijven en er een gewillige uitgever voor te vinden, maar sinds ik verhalen heb gehoord over dozenvol onverkochte boeken die vernietigd worden om plaats te maken in het magazijn, weet ik beter. De meeste boeken worden maar amper gelezen. Regelmatig loop ik langs een koopjesbak van een drogisterij of kantoorboekhandel en zie ik tussen de kruiswoordraadselboekjes een aantal verdwaalde romans liggen, niet zelden met een handgeschreven prijskaartje van één euro erop. Dan loop ik snel door en kan ik alleen maar mismoedig mijn hoofd schudden. Veel schrijvers en hun boeken eindigen dus zonder succes te hebben gekend in de vergetelheid. Mocht je toch succes hebben dan is dat vaak van beperkte duur. Niet lang geleden begon ik tegen een jonge collega-schrijver over Boudewijn Büch. ‘Wie?’ vroeg ze zonder enige blijk van herkenning in haar ogen. Ook succes blijkt dus vluchtig te zijn en zelfs als een schrijver erin slaagt een boek te schrijven wat driehonderd jaar later nog gelezen wordt, is het niet de schrijver zelf die herinnerd wordt, maar het verhaal. Zijn of haar persoonlijkheid wordt synoniem met wat hij of zij in een bepaalde periode op papier heeft gezet. Alles is tijdelijk en een echte schrijver weet dat als geen ander. Het leven is vluchtig en laat zich niet vangen door woorden. Op een gegeven moment wordt alles afgevoerd naar de vergetelheid. In een kist, of in de koopjesbak…

Laetitia Kemps
3 1

Stevie

Stevie   Veertien was ik en ik stond in een tweedehands boekwinkel. Zo’n winkel met rekken vol zonderlinge boeken, waar ik urenlang kon verdwalen in achterflappen en omslagontwerpen. Tussen al die honderden boeken, viste ik er eentje uit de sectie afro-Amerikaanse literatuur. Van koffie word je zwart. Een young-adult boek van de Amerikaanse schrijfster April Sinclair. Het hoofdpersonage Stevie was een zwart meisje in het Chicago van de jaren zestig. Op mijn bed las ik hoe ze, net zoals ik, worstelde met haar kroeshaar. Hoe ze zich er, net zoals ik, voor schaamde. Hoe ze het, net zoals ik, ontkroesde en daarmee haar haren beschadigde. Mijn eigen haren waren nog maar juist teruggegroeid. Een dik jaar daarvoor had ik nog huilend voor de spiegel gestaan, starend naar de kale plek bovenop mijn hoofd. Nu pas, vele jaren later, begrijp ik hoe significant het was dat ik, juist op dat moment, dat boek vond. Het was een bijzondere gewaarwording voor mij dat ik, als half Surinaams meisje zonder andere zwarte mensen in mijn omgeving, iets kon delen waar ik voorheen alleen mee had geworsteld. Stevie kwam bij de Black Panther-beweging terecht. Daar leerde ze dat black beautiful was. Dat kroeshaar eveneens beautiful was. Dat je het niet stijl moest maken met straightener. Juist niet! Je moest het dragen met trots. Stevie liet een afro groeien. Een jaar later had ik er ook een. Een bescheiden afro, dat wel, maar desalniettemin een afro. Voor het eerst was ik trots op hoe ik eruitzag. De gebruikelijke grapjes van voorbijgangers, of ik met mijn vingers in het stopcontact had gezeten, kon ik moeiteloos van me af laten glijden. De reis van Stevie was de mijne geworden. Haar belevenissen hadden mij veranderd. Stevie is natuurlijk niet het enige personage dat indruk op me heeft gemaakt. Er zijn talloze anderen geweest die vormden hoe ik dacht over de wereld en mijn plek daarin. Of ik nu meehuilde met Harry Potter die zijn pleegvader Sirius Black verloor, of mij plaatsvervangend schaamde voor de ongemakkelijke fratsen van Ewout Meyster in De hoogstapelaar. In mijn hoofd kwamen de personages tot leven. Het werden echte mensen die mij bevestigden dat ik niet alleen was. En daar ben ik vooral Stevie nog altijd dankbaar voor.

Laetitia Kemps
0 0

Onbetaalbaar

De Thalys vanuit Parijs was vertraagd. Daardoor had Félien haar verbinding gemist en was ze veel later dan voorzien aangekomen in Antwerpen Centraal. Dat deerde haar niet. De stad van de liefde had immers haar naam alle eer aangedaan.  De wieltjes van haar koffer ratelen over het Astridplein. Slagerij Roosemeyers sluit over een kwartiertje, maar dat haalt ze wel. Op het moment dat ze de Van Schoonhovenstraat ingaat, begint het te miezeren. Ze trekt de capuchon van haar hoodie over haar hoofd. Net voor de bocht, aan de rechterkant van de straat, is de slagerij van Ellen en Pieter, een familiezaak, doorgegeven van vader op zoon. De aluminium deur heeft altijd geklemd, maar is nu blijkbaar hersteld. Félien valt de winkel binnen. Ze doet haar capuchon af. Er zijn geen andere klanten zo net voor sluitingstijd.  Ook al is ze in weken niet meer in de winkel geweest, toch begroet Ellen haar vriendelijk: "Hey Félien. Dat is lang geleden…"  Félien wil de vraag voor zijn en valt haar in de rede: "Op vakantie geweest, hé. Drie weken…" Ze vertelt niet waar naartoe en met wie. Om het gesprek daarover uit de weg te gaan, laat ze haar blik opvallend dwalen over de salades in de koeltoog.  Terwijl Ellen een stukje plastic folie over het uiteinde van een gigantische salamiworst wikkelt, reageert ze zoals het een winkeljuffrouw betaamt - vleiend en toch commercieel: "Ja, ik zie het. Je straalt. Hier werken we gewoon door. Zelfstandigen, hé. Wat zal 't zijn voor jou?"  Félien voelt zich ongemakkelijk, alsof haar stralende gezicht haar zonde verraadt en ze leest het eerste het beste bordje af: "Preparé van de chef…" En na een aarzeling voegt ze eraan toe: "Doe maar tweehonderd gram."  Ellen veegt met een spatel de bruinoranje massa in een rond plastic potje. Tegelijkertijd vraagt ze: "Weet je het al van Fred en Irma?"  Félien kijkt verrast op. Haar verbazing tracht ze wanhopig te verbergen door op zoek te gaan naar een denkbeeldig boodschappenlijstje in de buidelzak van haar hoodie. Onder de klamme sweaterstof ontmoeten haar handen elkaar, alsof ze er zijn om elkaar gerust te stellen. Ze plaatst de nagel van haar linkerduim in de muis van haar rechterhand om bij de les te blijven. Stamelend reageert ze: "Nee… En… euhm… een sneetje blokpaté, een centimetertje ofzo."  Dat Félien niet doorvraagt, is voor Ellen allerminst een reden om niet verder te vertellen. Ook roddelen is inherent aan de job van een winkeljuffrouw, denkt ze. Ellen haalt de witte terrine uit de toog en duidt met een vleesmes vragend de dikte van de plak paté aan. Intussen zegt ze: "Hun huis staat te koop. Ze gaan uit elkaar." Félien knikt ter instemming van de centimeter, die eigenlijk eerder twee is, en probeert zo verbouwereerd mogelijk te reageren: "Allé, zo een schoon koppel."  Ellen pikt er maar al te graag op in en de ingetogen woede waarmee ze de plak blokpaté op het papiertje gooit, zegt veel over wat ze ervan vindt. Venijnig voegt ze eraan toe: "Schijn bedriegt, hé. Hij heeft haar bedrogen. Wat mag het nog zijn?"  Haar vraag klinkt als een commando. Félien vuurt terug: "Drie sneden hesp."  Ze voelt zich duizelen. Haar hart klopt in haar keel, het zweet breekt haar uit. Ellen ziet het niet, want ze ontdoet de ontvette beenham met een scherp mesje van zijn vacuümverpakking, ook al heeft Félien niet naar die variant gevraagd. Terwijl ze de klomp in de toog laat vallen en er het bordje in prikt, vraagt ze het dan toch: "Beenham of ontvette? Venten, ze zijn niet te vertrouwen."  "Doe maar van die Italiaanse," besluit Félien. Terwijl Ellen de Italiaanse ham uit de aparte toog met delicatessen haalt, praat ze ongeremd verder: "Naar 't schijnt heeft hij een minnares in het buitenland. Hij zit veel in Parijs. Drie was 't, hé?"  Félien knikt. Alle goede dingen bestaan uit drie. Oscar Wilde zei ooit: in married life three is company and two is none. Maar schellen hesp zijn natuurlijk geen huwelijk.  Met haar rug naar Félien toe vangt Ellen de glibberige plakken ham uit de snijmachine op. De veiligheidsklep maakt een harde klik. Félien schrikt op.  "Jij moet toch ook vaak naar Parijs, hé?" oppert Ellen. De vraag hapt Félien toe. Ze twijfelt of ze moet toegeven of ontkennen. Zoveel mogelijk de waarheid zeggen, beslist ze.  Net als ze wil spreken omdat het uitblijven van een antwoord ongemakkelijk wordt, vult Ellen de stilte: "We hebben terug van die worstjes die je zo graag eet."  Het klonk als een sorry, maar dat is het natuurlijk niet. Félien haast zich om te reageren: "Ja, dat valt voor. Doe er maar een stuk of vijf."  De worstjes hangen als slingers aan het plafond. Ellen heeft een trapje nodig om eraan te kunnen en dan nog moet ze op haar tippen staan. Félien probeert zichzelf tot bedaren te brengen door in te schatten welke worstjes Ellen zal nemen. Groepjes maken: eentje van twee en eentje van drie. Three is company, two is none. Tot haar verbazing snijdt Ellen twee keer twee worstjes af en daarna eentje. Félien probeert er niets achter te zoeken.  "Jij bent het toch niet?" vraagt Ellen haar, met het ene worstje nog in de hand.  "Wie?" stamelt Félien, ook al heeft ze de vraag maar al te goed begrepen. Als wanhopig afleidingsmanoeuvre voegt ze eraan toe: "En nog vijf plakjes jonge kaas. Dat zal 't zijn." "Awel, zijn minnares," verduidelijkt Ellen. De balans van baldadigheid en lacherigheid in haar stem is niet in evenwicht. Félien weet zich geen houding te geven. Wat weet Ellen? Wie van haar klanten heeft haar dit verteld? Of was het Irma zelf die haar op de hoogte bracht? Beide vrouwen kijken elkaar aan. Net als Félien denkt dat het juiste antwoord van haar gezicht valt af te lezen, wendt Ellen haar blik af en giechelt: "Hey zeg, dat was een grapje, hé."  Ellen bukt zich en pakt de vijf sneetjes reeds gesneden en voorverpakte Gouda uit de koelkast onder de toog. Als de glazen deur met een zachte plof dichtvalt, geeft ze Félien een dikke knipoog. Ze steekt alle vleeswaren in een grote, witte papieren zak en plakt die dicht met een sticker die uit de kassa rolt.  "Vierentwintig en een half," zegt ze. Terwijl Félien haar betaalkaart uit het etui trekt, valt een kaartje van de Parijse metro op zijn zijkant op de toog. Het kantelt en ligt tussen de twee vrouwen in. Félien houdt haar kaart tegen de betaalautomaat terwijl ze haar blik niet kan afwenden van het ticket.  "Parijs is een mooie stad, hé," zegt Ellen net iets te gespeeld. Ze neemt het ticket, legt het bovenop het pakket vleeswaren en overhandigt alles aan Félien. "Bedankt en tot ziens!" galmt de enthousiaste stem van de winkeljuffrouw door de slagerswinkel als Félien met het pak onder haar ene arm en de ratelende koffer voortgeduwd door de andere, zich snel naar de uitgang beweegt. Ze knijpt er nog snel een obligate "Tot ziens!" uit. Opgelucht geeft ze de aluminium deur een te harde duw, waardoor het lijkt alsof ze vanuit de winkel op straat wordt gekatapulteerd.  Intussen is het harder beginnen te regenen. Félien merkt het niet eens. De capuchon blijft af. In haar hoofd schijnt de zon. Hun huis staat te koop. Ze gaan scheiden. Daarom vroeg hij haar om bij hem in Parijs te blijven.  Als ze terug op het Astridplein staat, is het papier van de zak week. Aan de hoeken komen de eerste scheuren. Ze gooit alles in een vuilbak voor het hotel.  Op de trein van Antwerpen naar Brussel koopt ze online een veel te duur ticket naar Parijs. Het geeft niet, want net als een goede roddel is onbezonnen liefde onbetaalbaar. 

Véronique Scheyvaerts
49 1
Tip

Obstakel

Het is zaterdagochtend en het is vroeg. Ik trap me een weg doorheen de regen naar wat het verkeerde treinstation zal blijken. Ik ben te laat, denk ik, en zet nog wat kracht bij. Gelukkig zweet ik niet al te hard onder deze regenjas, dat is dan toch iets. Als ik mijn fiets op slot zet aan het verkeerde station, sijpelt het besef samen met het uitgestelde zweet binnen.Fak. Zonder echt nog te weten waarom, haast ik me naar het spoor voor een stoptrein die me toelaat om over te stappen in Dampoort. Tussen de twee stations in lees ik een verhaal over een vrouw die tekens ziet in de platgereden duiven die ze passeert en ik denk aan het exemplaar dat ik daarnet nipt wist te ontwijken toen ik met een rotvaart op mijn semi-platte banden langs de Coupure stoof. Als ik op het station van mijn overstap aankom is er chaos. De helft van de sporen is afgezet en de andere helft kan je enkel bereiken via dezelfde twee trappen. Het is opgehouden met regenen en de temperatuur stijgt. De regenjassen van de door elkaar lopende reizigers dampen en de lucht voelt klam binnen en buiten mijn mondmasker. Als het zweten al gestopt was onderweg naar hier, dan is die pauze nu definitief voorbij. Het komt met golven van misselijkheid. Er ligt een obstakel op het spoor, hoor ik rondom me. Ik vraag me af wat er classificeert als een obstakel en voel me wat ongemakkelijk in de menigte. Iedereen komt te dicht. Iedereen is een obstakel. Ik wil tegelijkertijd geen en dertig mondmaskers opzetten, wild om me heen beginnen sprayen met ontsmettingsmiddel en mensen herinneren aan die ene pandemie. Geen enkel bord in het station geeft nog treinuren aan, dus ik loop doelloos heen en weer, weg van de mensen en dan weer met de stroom mee, richting de treinen. Door mijn initiële fout – het station van vertrek – had ik mijn overstap toch al gemist, en nu lijkt alles opeens een optie in plaats van een plan. Ik heb te veel en te weinig keuzemogelijkheden. Dan krijg ik op mijn gsm plots een pushmelding over de nieuwe covid-maatregelen in Nederland. De clubs gaan open, zegt de app. Ik denk aan de platgereden duif in Gent en zie de massa mensen rond me in gedachten dansen. Hun plakkerige regenjassen tegen elkaar ritselend, de warmte van mensenlijven een stinkende stoom de ruimte inwalmend. Ik kan de geur bijna ruiken als ik beslis het station uit te lopen. Achter mij hoor ik de trein naar Amsterdam aankomen, volstromen en vertrekken. Ik neem mijn gsm en tik dat ik er niet zal geraken. Obstakel op het spoor, zeg ik, terwijl ik in gedachten een aangereden reuzenduif, poten omhoog, in de treinhal van Antwerpen Centraal verbeeld.

Fien
193 3

Vergeten is de kunst

Er wordt wat afgenoten. Nee, dat moet ‘genoten’ zijn. Hebt u het ook gemerkt? Hoe vaak men tegenwoordig het werkwoord 'genieten' in de mond neemt. Je kan niet eens meer op de fiets springen, ergens een hapje eten of je krijgt de 'genieten-vraag' voorgeschoteld. Het is volstrekt niet meer te genieten. Tijdens een van die laatste bloedhete zomerdagen in september wandelde ik 's middags langs een terras, waar een man een koppel aansprak dat helemaal tegen de muur zat, op het laatste streepje schaduw. Omdat ze redelijk ver zaten, moest hij zijn stem verheffen. "Lekker genieten of wat?", riep hij. De mensen zaten gewoon een tas koffie te drinken. Ze hadden misschien wat troost nodig. Of ze hadden gewoon dorst. Het is geen onbekend verschijnsel bij warm weer. "Genieten is niet zijn. Vergeten is de kunst”. Het zijn twee veelzeggende dichtregels van Piet Gerbrandy. Ik las ze in de prachtige verhalenbundel ‘Werk’ van acteur en auteur Josse De Pauw. Ik vervolgde mijn weg naar de krantenwinkel, om de weekendkrant en de Lotto te kopen. Negen kansen op tien hebben we toch niks gewonnen. Op de terugweg zag ik dat het koppel niet meer op het terras zat. Vertrokken, samen met het laatste streepje schaduw. Ik ging met mijn krant op een aangrenzend terras zitten en haalde mijn leesbril boven. De uitbaatster had me al gezien. Ze zwaaide naar me, waarna ze voor mijn verfrissing zorgde en het op de toog plaatste. "Dit is voor Rudi", zei ze zegen de garçon, een goedlachse jobstudent. "Wie is Rudi?", vroeg de jongeman. "Die man op het terras, met zijn bril en de krant", antwoordde ze. Van zoiets kan ik wel genieten, dacht ik met een grijns op mijn gezicht. Al bleef die niet lang hangen, want het was me er veel te warm.

Rudi Lavreysen
29 0