Lezen

DE JERRYCAN

Kutlijf’ roep ik wanneer ik wakker word, ik sleep me de trap af. De stoel in de keuken staat uitnodigend op me te wachten. Ik steek een sigaret op, de krampen verdwijnen langzaam uit mijn lijf.  Nog even geduld en het gaat weer wel, weet ik uit ondervinding. ‘ Hittegolf legt half Europa lam.’ kopt de krant. Ik zoek het kruiswoordraadsel in de krant en hoop dat ik dit maal mijn geschrift wel kan lezen. Er is geen brood meer.  ‘Vlug, mijn hond zit nog binnen!’ roept de reddeloze bewoner. De brandweerlui rollen de slangen uit en koppelen ze aan de waterkranen. De vlammen slaan al uit het dak. ‘Die heeft toch ook geen geluk; vorig jaar is zijn vrouw gestorven en nu dit.’, zegt mijn buurman die alles staat te filmen met zijn smartphone. ‘Dat gaat veel views opleveren op Facebook.’ ‘Och man, doe die telefoon weg, ramptoerist!’, snauw ik hem toe. Buurman verdwijnt al filmend uit mijn zicht .‘Sooi!’ De bewoner loopt huilend naar de brandweerman die de hond als een baby in zijn armen draagt . ‘Dank u, meneer.’ Het slachtoffer neemt de hond over, de redder in zijn kielzog. Ik zie een lichte kwispel in de staart van de hond. ‘Gelukkig’ denk ik en draai me om naar huis te wandelen. Thuisgekomen zet ik de jerrycan neer om deur te openen. ‘Jerrycan??’ Vanwaar komt die ineens? Ik kan me niet herinneren waar en wanneer ik die jerrycan gehaald heb. De  bel gaat. Er staan twee agenten op de stoep. ‘Bent U Mijnheer Vandevelde?’ vraagt één van de agenten. Ik knik. ‘U bent gearresteerd op verdenking van brandstichting. Gelieve met ons mee naar het kantoor te komen.’ Op het kantoor word ik ondervraagd alsof ik de grootste crimineel van het land ben. Ik stap het kantoor van dokter Vandenberg binnen. Hij is er nog niet. Ik wacht. Aan de muur hangt een schilderij van Klimt, de naam ontglipt me. ‘ Dag meneer Vandevelde, hoe is het vandaag met ons?’ ik heb er een hekel aan als mensen vragen het ‘ons’ is. Alsof we een stelletje zijn. ‘ Dat kan stukken beter, dokter, s morgens zijn mijn ledematen zo stijf dat ik amper van de trap raak, ik kan amper nog schrijven en mijn geheugen is als een zeef met gigantische gaten, maar voor de rest is alles top.’ vertel  ik de arts. Vandenberg neemt notities en kijkt op ‘ Ik heb echt geen idee, maar we gaan dit verder onderzoeken.’ Ik vraag de verpleegster of ze bloed bij u prikt.’ De rondborstige verpleegster komt vanachter haar desk met een nierbekken in haar handen. Ik voel de prik nauwelijks. ‘Bel ons morgen op voor de uitslag.’ zegt de verpleegster met de mooie borsten. ‘Tja’ zeg ik ‘ ik weet ook niet wat ik daar met die jerrycan stond te doen.’ ‘ Ik weet nog dat ik naar de bakker ben geweest en toen ik thuiskwam, had ik ineens een jerrycan vast.’ vertel ik de agenten, ‘ Ik ben nog even gaan zitten op de bank voor de bakker, ik stap de laatste tijd zo slecht en dan is een bank af en toe welkom. En het brood moet ik dan laten liggen hebben bij de brand want toen ik thuiskwam, had ik enkel de jerrycan bij.’ Ik zie aan hun blik dat ze me niet geloven. Ik geloof het ook niet. ‘Dat is wel een heel raar verhaal, meneer, we gaan dat zeker checken bij de bakker en de buren.’ De agenten mompelen iets onverstaanbaars tegen mekaar. ‘Als ik van u was, zou ik een advocaat bellen.’ s Anderendaags bel ik de dokter op. ‘ De praktijk van dokter Vandenberg, wat kan ik voor u doen?’ Ik herken de stem van de verpleegster. ‘U spreekt met Jef Vandevelde, ik bel voor de uitslag van mijn bloedonderzoek.’ ‘Momentje’ zegt ze, ik hoor haar tikken op het toetsenbord. ‘Ja, hier heb ik het, alles ziet er goed uit, alleen uw cholesterol staat een beetje aan de hoge kant. Ik bel mijn advocaat. ‘Dat is erg vervelend voor u maar ik ben de hele dag in het gerechtsgebouw en ik kan u pas morgen komen helpen, het spijt me.’ zegt een verwaande stem aan de andere kant van de lijn. Ik voel me in de steek gelaten. De politieagenten begeleiden me naar mijn cel. ‘Tot morgen, uw advocaat komt om acht uur. Slaap lekker’. De slaap blijft achterwege, de sombere gedachten nemen de bovenhand. ‘Meneer Vandevelde, bent u er weer!’ roept de rondborstige vanachter haar desk, ‘de dokter is er zo hoor.’ Ik neem het wetenschappelijk tijdschrift dat bovenop de stapel ligt. ‘ Jef, kom binnen.’ nodigt meneer doktoor me uit. Hij kijkt op zijn computer. ‘ Ja Jef, die hoge cholesterol hebben we snel opgelost met medicatie en een aangepast dieet, maar wat gaan we doen met dat andere probleem?’ ‘Ik hoopte dat u mij dat ging vertellen, dokter. Vandenberg vraagt hoe me het de laatste week verging. Ik vertel hem over het voorval met de jerrycan.  Mijn arts stelt een opname in de kliniek voor.  Ik stem toe. Om acht uur wordt mijn cel geopend. Uitgeslapen ben ik niet. De koude cel en mijn gedachten hielden me wakker. Ik doe de grootste moeite van de wereld om op te staan. Mijn spieren lijken van steen. Een agent leidt me naar een andere kamer. Ik hobbel hen achterna.  Aan de tafel zit een maatpak met bril en das. ‘Goedemorgen mijnheer Vandevelde, ik ben meester Block, ik heb uw dossier gelezen en ik zal goed mijn best moeten doen om u van deze beschuldigingen vrij te pleiten. Ik word terug naar mijn koude cel geleid. Ondanks de pijn en de koude val ik toch even in slaap. Tijdens de rit naar Gent is het stil. Ik ben bang. Bang dat er iets ergs gevonden wordt. Iets definitiefs. ‘U ligt op kamer 413, op de afdeling neurologie.’ vertelt de ziekenhuismedewerker me vanachter haar bureau. ‘ Neem de lift naar het vierde en daar gaan ze u verder helpen.’ Er komt een verpleger op me afgelopen. ‘Bent u meneer Vandevelde?’ ik knik. ‘Dan mag u me volgen naar kamer dertien.’ ‘ Vandaag gaan we u nog met rust laten, maar morgen hebt u het ene onderzoek na het andere, zet u maar schrap!’ waarschuwt de vriendelijke blonde verpleger met bril. Ik installeer me aan mijn kant van de kamer en maak kennis met mijn kamergenoot. Hij heet ook Jef maar dan Peeters. Het gebonk op de celdeur doet me wakkerschrikken. Het dutje heeft me deugd gedaan, er is geen pijn. ‘Meneer Vandevelde, uw advocaat is er weer.’ Ik stap op mijn gemak mijn cel uit en volg de agent. ‘Ik heb even rondvraag gedaan in de buurt.’ zegt het maatpak. ‘De bakker heeft u inderdaad in zijn winkel gehad, maar u heeft daar geen brood gekocht, maar twee koffiekoeken. En u had ook geen jerrycan bij u.’ Ik luister aandachtig en denk na. Ineens herinner ik me dat ik mijn jas afgeklopt heb toen ik thuiskwam. Bloemsuiker. Block’s tijd zit erop en ik word weer de cel ingeduwd. Scans, oogonderzoeken, bloedafnames volgen mekaar op. Ik word er moedeloos van. Net of ik een nummer ben in een gigantisch medisch laboratorium. Als een gewond, kwetsbaar vogeltje lig ik op mijn bed met de kraak witte lakens die ik na vier nachten zo verafschuw. ‘Het gaat niet goed met u é, mijnheer?’ vraagt de verpleegster die binnenspringt om mijn bloeddruk te meten. Ik schud mijn hoofd en doe moeite om mijn tranen te verbijten. ‘Ik zie het, weet u wat, ik heb gezien dat er vandaag geen onderzoeken meer gepland zijn voor u. Waarom gaat u geen wandelingetje maken door Gent, een terrasje doen. Even weg uit deze fabriek.’ Ik volg haar raad op. Het geeft me weer energie voor de rest van mijn ziekenhuisverblijf. De twee volgende dagen fladder ik door als een gezond vogeltje. De tweede nacht in de cel huil ik van de pijn. Ik snak naar een sigaret. Een jonge agent geeft me een peuk. Het begint al te schemeren wanneer ik eindelijk in slaap val. ‘Er is niets verontrustend uit de onderzoeken voortgekomen, enkel uw hoge cholesterol, maar dat wist u al.’ weet de professor neurologie me te vertellen. ‘ Als het is wat ik denk, is het heel erg.’ zegt hij . Wat een boer, denk ik. Ik zit er verweesd bij, ik had zo gehoopt op een antwoord. ‘Ik ben niet zeker, maar neem deze pillen, tweemaal daags en dan zie ik u volgende maand terug.’ Het zal wel, denk ik teleurgesteld. Een week later merk ik dat er iets is veranderd. Het gaan gaat soepel. De keukenstoel die ik voordien zo nodig had, staat nu nutteloos aan de keukentafel. ‘Hittegolf in Europa lijkt voorbij’, kopt de krant. Ik zoek het kruiswoordraadsel. Mijn geschrift is terug leesbaar. Maatpak komt me persoonlijk uit mijn cel halen. Dat moet ofwel heel goed ofwel heel slecht nieuws zijn. Ik hoop op goed. ‘Mijn beste heer Vandevelde,’ zingt hij bijna ‘ik heb het mysterie opgelost.’  Bock glimt van trots. Ik speel het spel mee en roep enthousiast dat ik zeer benieuwd ben. ‘Wel’ zegt het maatpak ‘ik heb camerabeelden opgevraagd.’ Ik moet mijn nieuwsgierigheid onderdrukken. ‘Vertel het dan.’ schreeuw ik hem toe. ‘Op de beelden is te zien dat u eerst bij de bakker was en toen bij de garagist om een jerrycan benzine.’ Ik herinner me het weer. Block zoekt tussen zijn papieren; ‘Ah, hier heb ik het. Dus u bent bij de bakker en de garagist geweest omstreeks twaalf uur veertig.’ Ik zit op het puntje van mijn stoel. ’En op beelden van het brandend huis bent u te zien om twaalf uur. vervolgt hij. Ik ontspan. ‘En het belangrijkste dat u vrijpleit is dat de brand ontstaan is door een verhitte frituurketel.’  Mijn hart maakt een sprongetje. ‘Betekent dit…?’ Bock knikt. ‘Ja’ u bent vrij, u mag gaan.’ Tijdens de rit naar Gent met mijn vader, praten we honderduit. ‘Dag meneer, hebben die pillen iets gedaan?’ vraagt de prof. ’T Zal nog niet!’ roep ik enthousiast, ‘ Ik sta soepel op, ik raak de dag door zonder stijve armen of benen en mijn geschrift is veel beter.’ ‘Ik kan ook meer onthouden’ ‘Dan denk ik dat u Parkinson heeft, want dat wat u neemt nu Parkinsonmedicatie.’ Ik ben blij. Blij dat het monster nu een naam heeft. ‘Ik stel voor dat u nu verdergaat met de medicatie en als er nog iets is, dan horen wij het wel. Dag meneer Vandevelde.’ Ik huppel het ziekenhuis uit. Ik heb allang niet meer gehuppeld.                                   Kutlijf’ roep ik wanneer ik wakker word, ik sleep me de trap af. De stoel in de keuken staat uitnodigend op me te wachten. Ik steek een sigaret op, de krampen verdwijnen langzaam uit mijn lijf.  Nog even geduld en het gaat weer wel, weet ik uit ondervinding. ‘ Hittegolf legt half Europa lam.’ kopt de krant. Ik zoek het kruiswoordraadsel in de krant en hoop dat ik dit maal mijn geschrift wel kan lezen. Er is geen brood meer.  ‘Vlug, mijn hond zit nog binnen!’ roept de reddeloze bewoner. De brandweerlui rollen de slangen uit en koppelen ze aan de waterkranen. De vlammen slaan al uit het dak. ‘Die heeft toch ook geen geluk; vorig jaar is zijn vrouw gestorven en nu dit.’, zegt mijn buurman die alles staat te filmen met zijn smartphone. ‘Dat gaat veel views opleveren op Facebook.’ ‘Och man, doe die telefoon weg, ramptoerist!’, snauw ik hem toe. Buurman verdwijnt al filmend uit mijn zicht .‘Sooi!’ De bewoner loopt huilend naar de brandweerman die de hond als een baby in zijn armen draagt . ‘Dank u, meneer.’ Het slachtoffer neemt de hond over, de redder in zijn kielzog. Ik zie een lichte kwispel in de staart van de hond. ‘Gelukkig’ denk ik en draai me om naar huis te wandelen. Thuisgekomen zet ik de jerrycan neer om deur te openen. ‘Jerrycan??’ Vanwaar komt die ineens? Ik kan me niet herinneren waar en wanneer ik die jerrycan gehaald heb. De  bel gaat. Er staan twee agenten op de stoep. ‘Bent U Mijnheer Vandevelde?’ vraagt één van de agenten. Ik knik. ‘U bent gearresteerd op verdenking van brandstichting. Gelieve met ons mee naar het kantoor te komen.’ Op het kantoor word ik ondervraagd alsof ik de grootste crimineel van het land ben. Ik stap het kantoor van dokter Vandenberg binnen. Hij is er nog niet. Ik wacht. Aan de muur hangt een schilderij van Klimt, de naam ontglipt me. ‘ Dag meneer Vandevelde, hoe is het vandaag met ons?’ ik heb er een hekel aan als mensen vragen het ‘ons’ is. Alsof we een stelletje zijn. ‘ Dat kan stukken beter, dokter, s morgens zijn mijn ledematen zo stijf dat ik amper van de trap raak, ik kan amper nog schrijven en mijn geheugen is als een zeef met gigantische gaten, maar voor de rest is alles top.’ vertel  ik de arts. Vandenberg neemt notities en kijkt op ‘ Ik heb echt geen idee, maar we gaan dit verder onderzoeken.’ Ik vraag de verpleegster of ze bloed bij u prikt.’ De rondborstige verpleegster komt vanachter haar desk met een nierbekken in haar handen. Ik voel de prik nauwelijks. ‘Bel ons morgen op voor de uitslag.’ zegt de verpleegster met de mooie borsten. ‘Tja’ zeg ik ‘ ik weet ook niet wat ik daar met die jerrycan stond te doen.’ ‘ Ik weet nog dat ik naar de bakker ben geweest en toen ik thuiskwam, had ik ineens een jerrycan vast.’ vertel ik de agenten, ‘ Ik ben nog even gaan zitten op de bank voor de bakker, ik stap de laatste tijd zo slecht en dan is een bank af en toe welkom. En het brood moet ik dan laten liggen hebben bij de brand want toen ik thuiskwam, had ik enkel de jerrycan bij.’ Ik zie aan hun blik dat ze me niet geloven. Ik geloof het ook niet. ‘Dat is wel een heel raar verhaal, meneer, we gaan dat zeker checken bij de bakker en de buren.’ De agenten mompelen iets onverstaanbaars tegen mekaar. ‘Als ik van u was, zou ik een advocaat bellen.’ s Anderendaags bel ik de dokter op. ‘ De praktijk van dokter Vandenberg, wat kan ik voor u doen?’ Ik herken de stem van de verpleegster. ‘U spreekt met Jef Vandevelde, ik bel voor de uitslag van mijn bloedonderzoek.’ ‘Momentje’ zegt ze, ik hoor haar tikken op het toetsenbord. ‘Ja, hier heb ik het, alles ziet er goed uit, alleen uw cholesterol staat een beetje aan de hoge kant. Ik bel mijn advocaat. ‘Dat is erg vervelend voor u maar ik ben de hele dag in het gerechtsgebouw en ik kan u pas morgen komen helpen, het spijt me.’ zegt een verwaande stem aan de andere kant van de lijn. Ik voel me in de steek gelaten. De politieagenten begeleiden me naar mijn cel. ‘Tot morgen, uw advocaat komt om acht uur. Slaap lekker’. De slaap blijft achterwege, de sombere gedachten nemen de bovenhand. ‘Meneer Vandevelde, bent u er weer!’ roept de rondborstige vanachter haar desk, ‘de dokter is er zo hoor.’ Ik neem het wetenschappelijk tijdschrift dat bovenop de stapel ligt. ‘ Jef, kom binnen.’ nodigt meneer doktoor me uit. Hij kijkt op zijn computer. ‘ Ja Jef, die hoge cholesterol hebben we snel opgelost met medicatie en een aangepast dieet, maar wat gaan we doen met dat andere probleem?’ ‘Ik hoopte dat u mij dat ging vertellen, dokter. Vandenberg vraagt hoe me het de laatste week verging. Ik vertel hem over het voorval met de jerrycan.  Mijn arts stelt een opname in de kliniek voor.  Ik stem toe. Om acht uur wordt mijn cel geopend. Uitgeslapen ben ik niet. De koude cel en mijn gedachten hielden me wakker. Ik doe de grootste moeite van de wereld om op te staan. Mijn spieren lijken van steen. Een agent leidt me naar een andere kamer. Ik hobbel hen achterna.  Aan de tafel zit een maatpak met bril en das. ‘Goedemorgen mijnheer Vandevelde, ik ben meester Block, ik heb uw dossier gelezen en ik zal goed mijn best moeten doen om u van deze beschuldigingen vrij te pleiten. Ik word terug naar mijn koude cel geleid. Ondanks de pijn en de koude val ik toch even in slaap. Tijdens de rit naar Gent is het stil. Ik ben bang. Bang dat er iets ergs gevonden wordt. Iets definitiefs. ‘U ligt op kamer 413, op de afdeling neurologie.’ vertelt de ziekenhuismedewerker me vanachter haar bureau. ‘ Neem de lift naar het vierde en daar gaan ze u verder helpen.’ Er komt een verpleger op me afgelopen. ‘Bent u meneer Vandevelde?’ ik knik. ‘Dan mag u me volgen naar kamer dertien.’ ‘ Vandaag gaan we u nog met rust laten, maar morgen hebt u het ene onderzoek na het andere, zet u maar schrap!’ waarschuwt de vriendelijke blonde verpleger met bril. Ik installeer me aan mijn kant van de kamer en maak kennis met mijn kamergenoot. Hij heet ook Jef maar dan Peeters. Het gebonk op de celdeur doet me wakkerschrikken. Het dutje heeft me deugd gedaan, er is geen pijn. ‘Meneer Vandevelde, uw advocaat is er weer.’ Ik stap op mijn gemak mijn cel uit en volg de agent. ‘Ik heb even rondvraag gedaan in de buurt.’ zegt het maatpak. ‘De bakker heeft u inderdaad in zijn winkel gehad, maar u heeft daar geen brood gekocht, maar twee koffiekoeken. En u had ook geen jerrycan bij u.’ Ik luister aandachtig en denk na. Ineens herinner ik me dat ik mijn jas afgeklopt heb toen ik thuiskwam. Bloemsuiker. Block’s tijd zit erop en ik word weer de cel ingeduwd. Scans, oogonderzoeken, bloedafnames volgen mekaar op. Ik word er moedeloos van. Net of ik een nummer ben in een gigantisch medisch laboratorium. Als een gewond, kwetsbaar vogeltje lig ik op mijn bed met de kraak witte lakens die ik na vier nachten zo verafschuw. ‘Het gaat niet goed met u é, mijnheer?’ vraagt de verpleegster die binnenspringt om mijn bloeddruk te meten. Ik schud mijn hoofd en doe moeite om mijn tranen te verbijten. ‘Ik zie het, weet u wat, ik heb gezien dat er vandaag geen onderzoeken meer gepland zijn voor u. Waarom gaat u geen wandelingetje maken door Gent, een terrasje doen. Even weg uit deze fabriek.’ Ik volg haar raad op. Het geeft me weer energie voor de rest van mijn ziekenhuisverblijf. De twee volgende dagen fladder ik door als een gezond vogeltje. De tweede nacht in de cel huil ik van de pijn. Ik snak naar een sigaret. Een jonge agent geeft me een peuk. Het begint al te schemeren wanneer ik eindelijk in slaap val. ‘Er is niets verontrustend uit de onderzoeken voortgekomen, enkel uw hoge cholesterol, maar dat wist u al.’ weet de professor neurologie me te vertellen. ‘ Als het is wat ik denk, is het heel erg.’ zegt hij . Wat een boer, denk ik. Ik zit er verweesd bij, ik had zo gehoopt op een antwoord. ‘Ik ben niet zeker, maar neem deze pillen, tweemaal daags en dan zie ik u volgende maand terug.’ Het zal wel, denk ik teleurgesteld. Een week later merk ik dat er iets is veranderd. Het gaan gaat soepel. De keukenstoel die ik voordien zo nodig had, staat nu nutteloos aan de keukentafel. ‘Hittegolf in Europa lijkt voorbij’, kopt de krant. Ik zoek het kruiswoordraadsel. Mijn geschrift is terug leesbaar. Maatpak komt me persoonlijk uit mijn cel halen. Dat moet ofwel heel goed ofwel heel slecht nieuws zijn. Ik hoop op goed. ‘Mijn beste heer Vandevelde,’ zingt hij bijna ‘ik heb het mysterie opgelost.’  Bock glimt van trots. Ik speel het spel mee en roep enthousiast dat ik zeer benieuwd ben. ‘Wel’ zegt het maatpak ‘ik heb camerabeelden opgevraagd.’ Ik moet mijn nieuwsgierigheid onderdrukken. ‘Vertel het dan.’ schreeuw ik hem toe. ‘Op de beelden is te zien dat u eerst bij de bakker was en toen bij de garagist om een jerrycan benzine.’ Ik herinner me het weer. Block zoekt tussen zijn papieren; ‘Ah, hier heb ik het. Dus u bent bij de bakker en de garagist geweest omstreeks twaalf uur veertig.’ Ik zit op het puntje van mijn stoel. ’En op beelden van het brandend huis bent u te zien om twaalf uur. vervolgt hij. Ik ontspan. ‘En het belangrijkste dat u vrijpleit is dat de brand ontstaan is door een verhitte frituurketel.’  Mijn hart maakt een sprongetje. ‘Betekent dit…?’ Bock knikt. ‘Ja’ u bent vrij, u mag gaan.’ Tijdens de rit naar Gent met mijn vader, praten we honderduit. ‘Dag meneer, hebben die pillen iets gedaan?’ vraagt de prof. ’T Zal nog niet!’ roep ik enthousiast, ‘ Ik sta soepel op, ik raak de dag door zonder stijve armen of benen en mijn geschrift is veel beter.’ ‘Ik kan ook meer onthouden’ ‘Dan denk ik dat u Parkinson heeft, want dat wat u neemt nu Parkinsonmedicatie.’ Ik ben blij. Blij dat het monster nu een naam heeft. ‘Ik stel voor dat u nu verdergaat met de medicatie en als er nog iets is, dan horen wij het wel. Dag meneer Vandevelde.’ Ik huppel het ziekenhuis uit. Ik heb allang niet meer gehuppeld.                                    

Katrien13
0 1

Sap van één citroen

  ik sprak zowaar tot Eenzaamheid we dronken sap van één citroen nootjes heb ik wel geweerd te zout voor mij de binnenkant   ik zei zomaar, ik zwem niet graag het is me koud al eeuwen lang de Dode Zee, zij is mij veel te stil daar drijven echte lijken rond   Eenzaamheid zij lachte luid ik ken geen water noch geween mijn enkel oog is altijd droog het ziet wat gij niet weten kan   kijk naar deze scheve mond zie hoe stuk mijn lippen zijn ik heb nog nooit geproefd van saus of welbereid Geluk   de nadronk van een zure regen is mij ook volledig onbekend ik kan je niet echt helpen, vriend wanneer je zoekt naar zoete Troost   probeer misschien eens ginds bij moeder wolf met welpen ligt opnieuw een vers kadaver besef, het is van de Verslagenheid   of steel wat van het blinde kind suiker Hoop wanneer het slaapt zijn mondje heb ik dichtgenaaid zodat het ‘s nachts niet bijten gaat   Leeuwenhart en Tegenstrijd onthoud het goed, mijn kameraad als je weer volop vechten moet denk dan terug aan dit moment   je moet weer weg best nu er is voor jou geen toeverlaat maar weet de ware pracht van Eenzaamheid ze is enkel door jou gekend   ga langs het wijde land het bos er is een tak waarop hij zit de ijzervogel vreest geen tijd aan hem werd nooit geen roest besteed   vergeet het niet, gij kleine knaap als hij weerom dat liedje zingt over kandij en paradijs negeer hem dan veeleer   loop best voorbij ga door tot je er komt, het einde zal je graag ontvangen   kus me dan ik zal er zijn ook daar en proef ze dan mijn wangen lippen alles is zo zacht   we zullen op je wachten echt ik jouw schat de pit ener citroen houdt zo van Geborgenheid       uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
3 0

Brooddronken hoofdstuk 27

27   De klok slaat 22 uur, ofte tien uur in de avond, en Célestine haalt een groot pak tevoorschijn. Hoe ze het al die tijd kon verbergen heeft iedereen het raden naar, maar ze overhandigt het aan Reginald. ‘Omdat ik hier toch te gast ben, heb ik voor de heer des huizes een kerstcadeau meegebracht. Doe het maar open,’ zegt ze. Reginald opent het pak en het blijkt dat Célestine de voorbije weken Billy heeft uitgevraagd over de familie, wie ze zijn en wat hen drijft. Om hen toch een mooie kerst te kunnen bieden. Reginald is nu een Roy Orbison-platencollectie rijker. Hij is er van aangedaan, maar zijn blik verstart zich na twee seconden. ‘Brol,’ zegt hij. Célestine weet niet wat ze hoort. ‘Als ge echt de pieren vanuit Billy zijn neus hadt gehaald in plaats van wat ditjes en datjes afgeschraapt te hebben, dan hadt ge geweten dat wij hier zodanig verpauperd zijn dat wij geen pick-up hebben.’ Billy pikt in, Célestine proberend gerust te stellen. ‘Ge hebt malchance dat de oude pick-up kapot is. Dat ding heeft tien jaar langer dienst gedaan dan zou moeten, maar nu vinyl weer in opkomst aan het komen is, zijn nieuwe pick-ups te duur. Maar ik denk dat pa wel apprecieert dat ge aan hem gedacht hebt, hé, pa?’ ‘Gij moet uw muil houden, schoolmeesterke,’ zegt Reginald. Jules grinnikt. ‘Schoolmeesterke,’ herhaalt hij.   Nochtans is het cadeau van Célestine echt niet zo ondoordacht als Reginald laat uitschijnen. Zoals zoveel mannen van die leeftijd, met al dan niet onvervulde dromen, spiegelt ook Reginald zich aan een muzikant en dat is, inderdaad, Roy Orbison. Toen de carrière van Roy Orbison zijn zenit had bereikt, was Reginald nog een jonge snaak. Gelukkig voor hem was hij toen nog gezegend met een bos ravenzwart haar dat, middels enkele potten gel per maand, in Orbison-vormen kon worden gedwongen. Uit de Paasfoor had hij een zonnebril vandaan en zo had hij zich al gauw een imago aangemeten als Roy Orbison uit de Sarma. Net als zijn idool droeg hij ook een Maltees kruis, al kon hij zich daar thuis niet mee vertonen. Dat Maltees kruis dat Orbison en dus ook Reginald droeg, was immers identiek aan het IJzeren Kruis van de Duitsers en alhoewel Jules het nooit voor vreemde culturen heeft gehad, nam zijn haat jegens alles wat Duits is epische proporties aan. Toen Reginald bij De Post begon, droeg hij dat kruis nog steeds, tot de Eerste Postman dat in de gaten kreeg en dit aan de adjunct-controleur wereldkundig maakte en Reginald dit vanaf toen ook moest achterwege laten. Het was Reginalds eerste, maar hoegenaamd niet laatste kennismaking met het perfide karakter van de posterijen en al wie daar tewerkgesteld was. Zijn oudste zoon had hij Roy willen dopen, maar dat was buiten de ambtenaar van de Burgerlijke Stand gerekend, wanneer hij in 1979, toen hij zijn eerstgeborene wou aangeven, op een njet botste toen hij langs zijn toch wel formidabele neus weg vroeg of hij zijn tweede, als er een tweede zou komen, Orbison kon dopen. Een ambtenaar in die tijd hoefde zich nog niet te veel van mondige burgers aan te trekken en ook fysieke dreigementen maakten geen indruk op de fors uit de kluiten gewassen inktkoelie waar toentertijd meerdere Reginalds in gepast zouden hebben. Op dat moment kondigde de radio-omroeper aan dat de plaat die tijdens het daarop ontstane tumult speelde, Love Really Hurts Without You van Billy Ocean was, waardoor het lot van Billy’s voornaam werd bezegeld.

Miguel
46 0

Parijs

13.11.2015 Ze kennen elkaar nog niet zo lang. Vanavond gaat het gebeuren. Eindelijk heeft Valentine toegezegd om samen uit te gaan. Hij heeft nog net twee tickets bemachtigd voor het concert. Ze spreken af op het terrasje van ‘La belle équipe’. Ze raken zodanig in gesprek dat ze de tijd uit het oog verliezen. Hun conversatie krijgt een merkwaardige diepgang. Er wordt zelfs gesproken over de toekomst. Wanneer hun handen in elkaar strengelen begint een individu op het terras in het wilde weg rond te schieten. Hij ontwaakt in het ziekenhuis uit de kunstmatige coma na een heelkundig ingrijpen. Op het kastje naast zijn bed liggen de twee tickets van concertzaal Bataclan. Valentine heeft het niet overleefd. 13.02.2023 Drie jaar is hij nu samen met Elise. In de revalidatiekliniek waar ze werkte, leerden ze elkaar voor het eerst kennen. Niet alleen slaagde zij erin hem terug te doen lopen, ook gevoelsmatig hielp ze hem om het zware trauma te verwerken. Toen hij uit de kliniek ontslagen werd, verloren ze elkaar een tijdje uit het oog. Een toevallige ontmoeting bij gemeenschappelijke vrienden bracht hen weer samen. Vanavond gaat het gebeuren. Eindelijk durft hij het aan om samen met Elise naar het terras te gaan. Elise weet hoe moeilijk het ligt voor hem om hier weer te keren, maar ze beseft ook hoe belangrijk het is voor zijn genezing. Hij toont de plaats waar zijn betreurde lief werd getroffen, recht in het hart.“Morgen zou het haar naamfeest geweest zijn”, fluistert hij: “maar vandaag wil ik haar vanop deze plek laten weten dat ik iemand heb gevonden waar ik mij voor de rest van mijn leven wil aan binden. Wil je met mij trouwen, Elise?”

Vic de Bourg
9 2

Brooddronken hoofdstuk 26

26   Met de soep achter de kiezen is het tijd om terdege aan de fondue te beginnen. Zoals het in een roedel hoort, kiest de leider, hier Reginald, het eerst. De sappigste en grootste stukken rood vlees moeten er aan geloven en ploft Reginald in het fonduestel. Maurits krijgt ook zijn stukje vlees, rauw uiteraard, daarna is het aan Marjolein en dan pas mogen Billy en Jimmy toetasten. Célestine kijkt het, als studente Psychologie, met lede ogen aan, hoe deze geoliede machine onbewust de hiërarchie, voor mocht daar nog aan getwijfeld worden, voor haar tentoonspreidt. Ondertussen worden zwanworstjes doormidden gesneden en gescheiden door een klein strookje kaas met spek omwikkeld en onder de fonduepot gelegd. Reginald maakt de vegankaas soldaat terwijl hij nog een sigaret opsteekt. Hij neemt een beet van de dikke plak die hij heeft afgesneden. ‘Wat is dát?’ vraagt hij, terwijl hij de kaas opzij gooit. ‘Dat is een vegetarisch en diervriendelijk alternatief voor dierenleed – ik bedoel kaas,’ zegt Célestine. ‘Alternatief, alternatief, ze is daar weer hoor, met haar geleerde woorden.’ Mocht de afkeur niet van Reginalds gezicht te lezen zijn, dan kun je er donder op zeggen dat die zeker uit zijn stem te horen is. ‘Alternatief is toch geen geleerd woord?’ vraagt Célestine. ‘Zoet,’ zegt Billy, ‘je moet er rekening mee houden dat alles wat Grieks of Latijns van oorsprong is en meer dan twee of hoogstens drie lettergrepen telt, in dit huis automatisch als geleerd woord wordt aanzien.’ ‘Dierenleed,’ gaat Célestine verder, ‘zoals dieren doden voor de sport.’ Marjolein laat haar vork vallen om haar handen voor haar mond te brengen. Dit komt niet goed. Daar is de stilte weer. Uiteindelijk begint Marjolein toch te spreken. ‘Zég toch zoiets niet, Célestine. Reginald mag toch ook zijn plezier hebben?’ ‘Plezier? Denk je echt dat hij daar zijn plezier uit haalt?’ Er klinkt ongeloof door de stem van Célestine, die in de kiem gesmoord wordt door Jimmy, die bevestigend knikt. ‘Wees daar maar zeker van. Zijn haan is ook kampioen geweest,’ zegt hij. Reginald glundert. ‘Dat klopt. En preus dat ik was!’ ‘Preus?’ ‘Trots,’ zegt Billy, ‘hij was trots.’ ‘Zij maar zeker,’ gaat Reginald verder, ‘wat er van die andere overschoot, was nog niet genoeg om in de fonduepot te smijten. Ik heb ‘m meegekregen en hem een deftig afscheid gegeven, op de messing.’ Célestine kijkt haar schoonvader vragend aan terwijl ze nog wat blaadjes sla in de mayonaise dept. ‘Messing. Kent ge dat niet? Uw soort komt ook van daar,’ zegt Reginald. Jules buldert van het lachen. ‘Ik zie het al voor mij, een negerin in de messing,’ grinnikt hij. ‘Wat is er nu zo grappig? Billy, wat is dat, een messing?’ Billy draait met de ogen. ‘Een messing, dat is een mesthoop. Enfin ja, een mesthoop waar van alles wordt opgegooid. Maar vooral, tja, stront.’ ‘En u vindt dat ik daarop thuis hoor?’ vraagt Célestine, Jules aankijkend. ‘Ba, neen, nee, niet echt.’ Beschaamd kijkt Jules weg. ‘U zei het toch net? Een negerin in de messing, ik zie het al voor mij.’ ‘Gij zijt nog één van de goeie,’ tracht Jules nog de meubelen te redden. ‘Ja, die goeie waar ik altijd van hoor, wat is dat dan juist?’ vraagt Célestine. ‘Wat maakt van mij nu precies een goeie?’ ‘Pa moet zich nergens voor schamen,’ pikt Reginald in, ‘houdt nu uw mond en fret verder van uw kaas.’ ‘Ik snap het wel, hoor,’ antwoordt Célestine. ‘We mogen toch nog eens lachen, zeker?’ vraagt Reginald. ‘Ja, wat een dijenkletser,’ zegt Jimmy. ‘Heb ik u gevraagd? Als ik stront roep, moogt ge ook wat zeggen,’ briest Reginald, ‘eet nu verder en zwijg.’ ‘Maar…’ protesteert Jimmy. ‘Klep! Toe!’ brult Reginald. ‘Uw misandrie is tenminste niet kleurgeïnspireerd, dat is toch een punt voor u,’ zegt Célestine. ‘Madame,’ antwoordt Reginald terwijl hij een trek neemt van zijn sigaret, ‘ik moet van u geen punten krijgen. En stop met uw dikkenekkenparlé. Anders, daar is het gat van de timmerman.’ Célestine kijkt naar Billy voor verduidelijking. ‘De deur. Daar is de deur, bedoelt hij.’ ‘Neen,’ antwoordt Célestine en ze geeft Billy een kus op de wang, haar ogen op Reginald gericht, ‘ik denk dat ik nog wat blijf.’   Net op het moment dat Reginald zijn vinger opheft op haar de levieten te lezen, gaat de deurbel. ‘Ter gaan kijkt eens wie dat het is,’ zegt Reginald, die met zijn rug het dichtst bij de gangdeur zit, maar die het vertikt om van zijn plaats weg te gaan, bang als een roofdier dat de lager gerangeerden ook hun deel zouden opeisen. Het is Célestine zeker niet ontgaan dat na de eerste schermutseling, waar Reginald als overwinnaar uit de bus kwam, alle door hem gegeven orders zonder tegenstrubbelingen, ja zelfs gedwee, worden opgevolgd. Deze keer is het slachtoffer Billy. Zijn ogen vertellen zoveel aan Célestine, die tussen haar liefde voor hem en haar expertise als uitblinkend studente psychologie doorheeft dat Billy hier aan langetermijndenken doet – misschien zou het vandaag niets uitmaken, maar het gelag wordt altijd betaald en het gelag is hier een grote mond opzetten tegen Reginald. Billy sloft de eetkamer uit, door de smalle gang en opent de deur. Nog geen minuut later keert hij terug. ‘Wie was het?’ vraagt Reginald. ‘Habiba,’ antwoordt Billy en hij zeult een grote fruitmand mee. ‘Ze zei dat ik dat aan u moest geven.’ ‘Een biermand kon weer niet zeker? Die muzelmannen ook altijd,’ schertst Jules, ‘ze mogen geen alcohol drinken van hun god maar alcohol is wel een Arabisch woord.’ Reginald neemt de mand in ontvangst en zet deze in de badkamer. ‘Na een paar dagen is het goed voor het konijn,’ zegt hij. Célestine schrikt op. ‘U bedoelt echt dat u zo’n mooie fruitmand gewoon aan uw konijn gaat geven?’ ‘Ja, kijk eens aan, ze verstaat Vlaams. Natuurlijk dat!’ roept Reginald uit. ‘Maar waarom toch,’ vraagt Célestine terwijl ze de fruitmand van ver gade slaat. ‘Omdat er weer van die vieze exotische troep zal in zitten,’ zegt Reginald, ‘dadels, vijgen, misschien nog andere dingen die ik niet kan uitspreken.’ ‘En wat den boer niet kent, lust hij niet, natuurlijk.’ Célestine is ontdaan door het gedrag van Reginald en laat dat duidelijk blijken. ‘Het zou me verwonderen als gij al eens een boer van dichtbij gezien hebt, in Chakamaka.’ ‘Pa, ze komt uit Gent. Niet uit Chakamaka.’ Billy zucht. ‘Da’s allemaal hetzelfde.’ ‘Nu ben ik eens benieuwd waarom u zo’n mooie fruitmand zou laten verpieteren, gewoon omdat het van een allochtoon komt. Maar wat er nog curieuzer is, is waaróm u überhaupt zo’n mooie fruitmand zou krijgen van iemand die u veracht.’ ‘Da’s voor mij een weet en voor u een vraag, madammeke.’ ‘Vertel het mij dan,’ zegt Célestine, met gekruiste armen, ‘ik ben benieuwd.’ Maar Reginald doet er het zwijgen toe. De stilte, die ongenode gast op het feest, doet opnieuw zijn intrede.

Miguel
6 0