Lezen

Dirty money

Onze vakantiepot is een restant uit de periode dat onze mannen uitkeken naar het tellen van de 2 eurostukken die we door het jaar samen hadden verzameld, zodat ze leerden om te sparen. U kent ongetwijfeld het principe. Nog steeds verdwijnt er af en toe een stuk van 2 euro in de vakantiepot. Soms lijkt het alsof ze uit mijn portefeuille rechtstreeks hun weg naar de pot vinden. Ook dit jaar gaan de muntstukken uit de vakantiepot mee naar de kust. Na een verkwikkende, doch behoorlijk forse strandwandeling door de felle wind nestelen we ons op een terras. De ober is gelukkig snel bij ons, want de dorst is groot. Zijn Nederlands is nog niet perfect, excuseert hij zich meteen. "Francais? English?", vraag ik. "Nee, ik probeer Nederlands", antwoordt de jongeman. Onze bestelling wordt door hem netjes herhaald, alsof hij in de les Nederlands zit. Ik verduidelijk dat het voor mij drie garnaalkroketten mogen zijn. "Drie? Toe maar", zegt mijn vrouw. "Jawel", zeg ik. "Stel dat ze dit jaar kleiner zijn, dan ben ik zeker." "Met de kaart of cash?", vraagt de jongeman nadat we hebben verzekerd dat het eten voortreffelijk was. "Cash", zeg ik, waarna we een biljet en stapeltje 2 eurostukken op tafel leggen. "Dat is inderdaad cash", lacht hij. Ik meen iets te zeggen over de vakantiepot, maar besluit het niet te doen wegens allemaal te ingewikkeld. Met cash geld betalen wordt langzamerhand een curiosum. De jongeman kijkt ons aan alsof we net een lunapark hebben overvallen. We zien er na de wandeling door de zeebries dan ook behoorlijk verwilderd uit. "It’s dirty money", lach ik, wat de toestand niet meteen verbetert. Ik twijfel of ik de term 'zwart geld' correct heb vertaald (toch wel blijkt later). Het slaat trouwens nergens op en de jongeman moet de 'vuile' muntstukken nog meenemen. Misschien had ik hem toch het verhaal van onze vakantiepot moeten vertellen.

Rudi Lavreysen
15 1

Vogelliefde in tijden van Alzheimer

We woonden samen in een gezellig appartement op de derde verdieping in een winkelstraat. Hadden elkaar leren kennen in een dierenwinkel. Geen handleiding of proeftijd nodig,  Jij en ik wisten het meteen: hier zit muziek in. Ons duet floten we sindsdien elke dag in drie strofen. Ontbijt Ik vond dat je toch wel echt lang achterbleef: “Is hij nu al wakker of niet? Ik kon maar niet stoppen met ijsberen. Het kleine mintgroene keukentje had al eerder die ochtend het ontbijt van mevrouw verorberd. Maar nu was het toch hoog tijd voor de tweede ronde, die van jou Balthazar. Hey Piet, al wakker? Riep je me toe vanuit de gang. Je oude lijf volgde je woorden en daar was je weer. Zoals elke dag op jouw plaats aan tafel, recht tegenover me. Al wakker Piet, goed geslapen, Ja? Jazeker. Balthazar maakte zijn ontbijt klaar, boog voorover om te happen naar de boterham met gelei, dronk zijn koffie en water met laxeerpoeder en slikte er ineens zijn ochtendpillen mee af. Je leek zo ver weg maar als ik naar je floot,  keek je op en floot je terug. En dan voelde ik me zweven. Middag Aha, daar ben je weer. Je verdween deze morgen uit de keuken zonder iets te zeggen. Ik hoorde mevrouw wel antwoorden dat je je pijnstiller krijgt en maar even op bed moest gaan liggen. Geen idee dat dat voor de hele voormiddag zou zijn. Die heerlijke kervelsoep drong je neusgaten binnen en lokte je terug naar je plaats in de keuken. We keken elkaar aan en ik vroeg me af hoe je je nu voelde. Nog hoofdpijn? Je vertelde me dat nog maar 1 van de 2 kwabben in je hoofd werkte en al het werk moest overnemen. Die hoofdpijn, je zei soms ‘ik denk dat ik gek word’. Piet, heb je nog eten, Piet? Hield ervan dat je zo met me inzat, ook vroeg je me dat zes maal per dag. Stond eigenlijk op dieet, anders dan jij met je rijstvlaai. Ik kon er toch van smullen als ik je zo  zag genieten. En als ik naar je floot, dan floot je terug. Avond Naarmate de dag passeerde, nam de vermoeidheid het van ons over.  We mijmerden elk op onze eigen stek. Je noemde me nog niet zo lang Piet. Eigenlijk had je me Jef gedoopt maar bij het sterven van mijn broer Lowie koos je radicaal voor een nieuwe identiteit. Piet dus met Lowie in het spiegeltje. Want in je hoofd hoor je me fluiten en dat is ons refrein.

Els Wouters
23 1
Tip

Rock Werchter, of: de angsten van een beginnende oude zak

"Terwijl elf miljoen landgenoten cocktails en muntthee drinken in de schaduw van een boom, tel ik het aantal erwten in een blikje van 140 gram." De pandemie ligt achter ons. De Derde Wereldoorlog laat op zich wachten. Het land zakt in de zee, maar de dijken houden stand. We leven in een klein intermezzo van vrede en vrijheid. Hier geldt slechts één gebod: Profiteer vandaag, want morgen zijt ge dood! Trouw aan dit woord steken de Belgen hun barbecue aan en heffen het Duvel-glas. Zelfs mijn overbuurvrouw, die een gans leven kwijnde in de schaduw van haar pas gestorven man, vertrouwde me onlangs toe dat ze ‘nu eindelijk eens Spanje kan zien’. Mensen willen knallen en knuffelen. Iedereen, behalve ik. Terwijl elf miljoen landgenoten cocktails en muntthee drinken in de schaduw van een boom, tel ik in mijn woonkamer het aantal erwten in een blikje van 140 gram. Dit zette me aan het denken: Als zelfs die wereldvreemde Magda het vliegtuig naar Málaga neemt, waarom zou ik dan tijdens de zomer in de zetel hangen? Hoe overleef ik deze tussenstop naar de ondergang? Wijsheid komt niet uit boeken, maar uit het leven van alledag. Dat las ik ooit op een tegel. Logisch dus, dat mijn nood niet werd beantwoord door profeten en filosofen, maar door een Facebook-advertentie voor Rock Werchter. Hoog op de affiche prijkten mijn jeugdidolen: de Red Hot Chili Peppers. Bijna kon ik het gras, het bier en het zweet ruiken van de festivalweides uit mijn wilde jaren. Ik dacht aan tequilashots, eeuwig durende schemeringen, snelle seks in een gammel tentje, en joints van schimmige makelij; aan Lucas die altijd een druiper had, Sharon die ongewenst zwanger raakte of Brend die op een dag wakker werd met een lepel in zijn reet. Ik dacht aan alle feesten die we vergalden met onze verknaldrang. Maar boven alles dacht ik aan de zomer van 2002, toen ik samen met duizenden anderen slaafs meedeinde met de robotrock van de Queens Of The Stone Age. Die herinnering trilde in elke vezel van mijn lijf. Onwillekeurig tikte ik mijn voeten op het ritme van de liedjes die in mijn hoofd draaiden als platen in een jukebox. Ik zag mijn reflectie in de vuile raam van mijn living, betrapte mezelf op een glimlach en zonder verder nadenken kocht ik een meerdaags ticket voor Rock Werchter. "Wie kan in godsnaam een festival overleven zonder 5 gram hasjiesj?" Nauwelijks had ik de QR-code voor de betaling gescand of de eerste vragen doemden op. Wat neem ik mee? Wie neem ik mee? Zijn drugs een jeugdzonde of is leeftijd slechts een getal? De meeste vragen losten zichzelf op. Wat ik meeneem is slechts een kwestie van lijstjes maken, en de uren voor het vertrek als een gek door het huis rennen om zeker te zijn dat ik niets vergeet. Wie ik meeneem is volstrekt irrelevant. Mijn vrienden zijn immers dood, ontoerekeningsvatbaar of levenslang veroordeeld tot het ouderschap. En daarmee was ook de kwestie ‘drugs’ opgelost, want wie kan in godsnaam op z'n eentje een festival overleven zonder 5 gram hasjiesj op zak? Eén vraag bleef onbeantwoord: Waar leg ik mijn hoofd te rusten? Alle hotels waren immers al vol geboekt. Ik kende niemand in de buurt die een slaapplaats kon aanbieden. Slechts één optie restte mij: de camping. "Op mijn loopshirt stonden in drukletters de woorden ‘NO PAIN, NO GAIN’. Ik vroeg me af of dat ook geldt voor katers en chlamydia." Ik ging naar de badkamer en keek naar de zevenendertigjarige, beginnende oude zak in de spiegel. Ik vroeg me af hoe hij zou aarden tussen de tieners en studenten, vijftien jaar na zijn laatste campingervaring. Is zijn maag opgewassen tegen festivalvoeder? Staan zijn ruggenwervels nog recht na een slapeloze nacht op een dunne matras? Is hij bestand tegen de geur van toiletten met een rechtstreekse aansluiting op het rioolstelsel van de derde cirkel van de hel? De man in de spiegel zag er jong uit. De grijze schaduw in zijn donkerbruine krullen en de luttele, ondiepe groeven in zijn voorhoofd ontsierden hem geenszins. Ze gaven zijn babyface zelfs een welgekomen illusie van levenservaring . ‘Je bent nog jong!’, zou Magda roepen, ‘Waar wacht je op? Doodgaan doe je toch.’ Misschien is Rock Werchter wel de uitlaatklep die ik nodig heb, dacht ik, al is het maar om het fiasco te vergeten van die halve dag Scherpenheuvel laatstleden, toen ik thuiskwam met een stijve nek, drie SOA’s en een ingeklapte long. Ik keek een laatste maal naar het spiegelbeeld, las de woorden die in drukletters op mijn loopshirt stonden - NO PAIN, NO GAIN - en vroeg me af of dat ook geldt voor katers en chlamydia. Drie dagen voor de start van het festival nam ik een besluit en zwoer eeuwig trouw aan m’n persoonlijke tegelwijsheid. Ik trok mijn sandalen aan, stak de straat over en belde aan. Magda keek me bedrukt aan toen ze de voordeur opende. Ze was net haar koffers aan het pakken. Ik vroeg of ze nog iemand zocht om op de katten te letten. Ze keek me aans alsof ik gek was. ‘Werchter overleeft de nucleaire winter wel’, zei ik, ‘Bovendien ben ik volgend jaar ook nog jong.’ Pieter Van der Schoot Afbeelding: Camping Rock Werchter, door: Steven Lek, CC BY-SA 4.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0, via Wikimedia Commons

Pieter Van der Schoot
181 3

Tijd om naar binnen te keren

Vandaag heb ik gecontempleerd. Een woord dat nog steeds niet even goed klinkt als zijn betekenis. Het klinkt alsof ik in een discussie in het stof heb gebeten (Je hebt gelijk, bij deze contempleer ik), dat ik vrede heb genomen met een slechte eigenschap van mezelf (Vandaag moet ik me weer eens contempleren met mijn aangeboren luiheid) of dat ik de zaken nodeloos heb vertraagd (Had ik de situatie niet danig gecontempleerd, waren we op tijd kunnen vertrekken). Het klinkt zeker niet als bespiegelen of mijmeren. De op hol geslagen etymoloog in mij hoort er con-tempus in, ‘mee-tijd’*. Zoiets als een samenvallen met de tijd, waarbij je er dus ook niet aan hoeft te denken. Zo voelt het ook, terwijl ik op ons buitenterras zit, een toonmodel van Makro dat ik destijds kon meepikken voor een prikje. Het gevoel vangt me op een onbewaakt moment, een tel tussen twee geplande invullingen van mijn tijd. Ik ben een boek aan het lezen – meer bepaald Het Lorchter Syndroom van D. Leue, in het gezelschap van een volgens Romaanse traditie gekoeld glas rode wijn. Vrouw bevindt zich buitenshuis, kinderen trotseren dromen van 27 graden in hun kamer. Het hoofdstuk is uit, de wijn in de man en het wordt tijd om mij naar de keuken te begeven voor de volgende taak van huishoudelijke aard. Maar ik beweeg niet, ik voel de tuin aan mijn blik trekken, om mijn aandacht schreeuwen. Meestal ontstaat er dan een horror vacui, een angst om achter te blijven met een gevoel dat ik niets heb gedaan. Vandaag gelukkig niet. Ik geniet van het groen. De trompetboom die ik vorig jaar plantte draagt een weliswaar bescheiden maar fiere kruin als een Braziliaanse verenhoed. Zijn bladeren dragen de belofte van lommerte in zich. Groene vingers heb ik allerminst, het groen is eerder achter mijn oren te zoeken als het aankomt op tuinieren. Te meer dat ik een niet misplaatste trots voel wanneer ik de boom zie floreren. Christophe Vekeman, een van mijn schrijfhelden, gaf me onlangs een compliment met een scherp randje: “Wat hij te vertellen heeft is niet spectaculairder dan wat eender wie te vertellen heeft, maar het wordt met humor gebracht en je beleeft er een esthetisch genoegen aan.” Ik antwoordde hem toen met een kwinkslag dat ik inderdaad geen hol beleef. Nog steeds erg dankbaar dat hij die woorden over had voor mijn blog, maak ik nu abstractie van het woord ‘beleven’. Het is waar dat ik geen stront heb geschept op een Oegandese boerderij of dat ik niet bont en blauw ben geslagen door mijn vader, maar zijn wij dan gedoemd om niets te beleven? Ik lig ondertussen languit in hetzelfde terrasmeubel, met mijn hoofd turend naar de zwaluwen die dansen en draaien en duiken in het luchtledige. Beleef ik dan helemaal niets wanneer ik word meegenomen in deze poëtische zwaluwzwerm? Deze wolkenwals? Dit blauwwit ballet? Zwaluwen zijn vogels die niet in groep vliegen, maar ik ben getuige van het tegendeel. Volgens mijn vrouw vangen ze muggen, die zich wel in zwermen verplaatsen. Het is een individuele vlucht in groep, zoals mensen vandaag met elkaar omgaan. De zwaluwenzang vervoert me naar een onbestemde plek. De tijd staat stil. Duizend gedachten passeren de revue: van hoe de kruin van de trompetboom mijn vadergevoel aanwakkert, over de mondelinge test die ik deze ochtend heb afgenomen bij een Oekraïense cursiste, die een traan liet nadat ze een haast feilloos examen had afgelegd maar van de emotionele weeromstuit aan haar thuisland moest denken; de gazpacho die daarstraks niet in de smaak viel bij mijn kroost vanwege de idiosyncratische eigenschap van gazpacho, namelijk dat hij koud wordt gegeten, en de complimenten die ik mocht ontvangen nadat ik de twee kommetjes een minuut in de microgolfoven had gestoken; tot de eigenzinnige opbouw van de structuur in Dimitri Leue’s roman, een aanrader overigens. Al deze bespiegelingen vullen mijn hoofd en tegelijkertijd ontstaat er een witte vlakte, een diffuus diafragma, een troebele lens. Geen onbeschreven blad, maar een hele tekst die te vaag is om te lezen. Geen verlaten plein, maar een hoop contourloze figuren wiens gedempte stemmen roepen om aandacht. Leger dan dit kan ik mijn hoofd niet maken.Ik voel de avond aarzelend maar meedogenloos vallen en besluit stilaan naar binnen te keren, hoewel ik het laatste uur niets anders heb gedaan. *na enig opzoekingswerk blijkt de juiste oorsprong van het woord toch iets heel anders. De ‘con’ klopt nog, maar het tweede deel komt van ‘templum’ wat de grenzen aangaf van het gebied waarin een augur werkte. Een augur was een Romeinse priester die, vaak door naar vogels te kijken, de toekomst probeerde te voorspellen.

Lennart Vanstaen
2 1

Handigheid

Als je zelf tegen de praktische zaken in huis aan loopt, wordt het toch wel duidelijk hoe handig je bent in dat soort dingen. Of, zoals in mijn geval, hoe onhandig. Laatst zat ik even lekker buiten. Alles klussen voor die dag gedaan, gegeten, Stef zijn brokjes op, glaasje wijn ingeschonken. Even rust. Het was ook niet meer zo warm dus Stef kwam zijn bal brengen om te gooien. Na twee keer goed mikken ging het natuurlijk de derde keer mis. Ik gooide tegen de stoel tegenover me en de bal stuiterde terug, recht tegen mijn glas waardoor de inhoud van (het natuurlijk volle) glas, zo in mijn schoot gekieperd werd. Echt, ik was drijfnat. En ik kon natuurlijk onder de douche en schone kleren aan. Want je gaat echt ranzig ruiken, van zo’n vol glas witte wijn. Ik kan er echt soms zo over foeteren, tegen mezelf. Dan sta ik weer te klunzen en ik zie het mezelf gewoon doen. Drie dingen vasthouden, wat niet lukt, en dan het verkeerde laten vallen. Het zijn nooit mijn sleutels die op de grond kletteren maar altijd iets dat kan beschadigen. Of in gruzels vallen, in het ergste geval. Of denken, ach, dat kan ik zelf wel even naar beneden brengen. En dan shocking klem zitten tussen de trapleuning en dat ding dat toch eigenlijk veel te zwaar bleek te zijn. Ik heb een week met twee enorme blauwe plekken op mijn knieën gelopen. En het is niet dat ik geen hulp heb hoor. Welnee, hulp genoeg, echt waar. Maar ik denk er niet altijd bij na, ik denk soms, ach, dat gaat best, dat kan ik makkelijk zelf. Pffff. Hetzelfde geldt voor twee dingen tegelijk doen. Naar boven lopen om iets te halen en dan denken, ach, laat ik dit maar even eerst doen. Om vervolgens beneden te staan zonder hetgeen ik boven wilde gaan halen. Mijn maatje zou er hoofdschuddend om moeten lachen. Hij was in die dingen een stuk praktischer en gestructureerder dan ik. Maar goed, zoals de vader van een goede vriend altijd zei, “wie zijn hoofd niet gebruikt, moet zijn benen gebruiken.” En ik heb andere kwaliteiten, denk ik.    

Machteld
4 0

Onderweg de wind

Gisteren onderweg had ik een monoloog. Dat komt ervan, met goede ideeën gaan wandelen enze loslaten voor ze op papier staan, daar over de brug met volop zon waarze zo gemakkelijk smelten alsof ze door het geluid worden overstemd enmee verdwijnen in het aanhoudend lawaai van motorgeluid van auto’s enhun banden over de snelweg, die door de in grote getale aanwezigheid vandie auto’s zelfs de snelheid van 120 km niet meer kan beloven en het fijn stof mede werkt aan het verstikken van de gedachten en de longen van de wandelaars, enkel omdat er geen luchtzuiveraar hangt aan de binnenkant van de brug en dus wandel ik verder en zoek een bankje in de schaduw van het weelderige zomerse en aangelegde groen, waar het dan met veel geluk zal waaien en de wind de vele groene boombladeren zal doen applaudisseren waarbij dat geluid wedijvert met dat van die auto’s en hun banden, maar zoals de wind soms zo moe wordt dat zelf hij soms forfait geeft en de vervelende kriebel van dat fijn stof in mijn tranende ogen en rode drupneus zit, daar waar dan de gedachten, die zo mooi en vredig waren zich niet meer thuis voelen en die de wind weer verwelkomen om voor even, in de vergetelheid van open ruimtes die in het geheugen vastzitten zoals op een harde schijf een document dat je niet kan openen maar er toch zit en alleen door die wind wordt aangewakkerd en even of langer fladdert en daarom houd ik van de wind want ik bén de wind, alleen niet meer zo soepel noch lenig en vraag ik me af of andere vormen van wind ook kunnen verslijten?

Anemos
0 0