Lezen

Voldragen volharding

Het oude vrouwtje in mijn hoofd, onder mijn beenderwitte binnenste, wacht geduldig de paradijselijke vooravonden af, om er te zijn voor mij, tot ik ouder word, later, veel later en ik haar vervoeg. Ze breit haar zuivere wachten tot knieverwarmers en kunstige kantwerkjes. Echter, het bruisend breekbare wijfje, te trots om te brillen, vergist zich wel eens van draaddikte of naait zomaar geel aan oranje, met haar fysiek gevoel voor symmetrie, zonder onderscheid te zien. Dat de storing vlekt in mijn ogen maakt haar helemaal niet uit; In haar permanent bedrijvige beuzelarijen, streeft ze haar eigen zuivere zielseffecten na. Draad na draad en draadje en lap na lap en nog eens een lap. Aan enthousiasme heeft zij geen broertje dood. Als ik dan uiterst geconcentreerd een steekje laat vallen, laat haar dat geheel onverstoord. Haar klosjes garen zijn eindeloos. Doch, rekenschap is me aangeraden, wanneer ik zou besluiten ammoniaderivaten en cokedampen te snuiven, zou zij wel eens kunnen besluiten om te brijen, een potje brijen welteverstaan. Haar lekker potje, haar hersenstamppotje frist ze op met wat snedige termen, een associatie of drie, een handjevol alliteraties en dat alles samen gaat haar nuffig kruidenbuiltje in. De finishing touch een blokje bouillon van de neocortex. En dan maar laten trekken. En daar ga ik dan en de rest laat zich raden... Als ik al besluit mijn ongebreidelde capriolen de vlucht te gunnen, is het haar moment de schaft in te lassen. Ja, van klinkklare logica is zij gespeend. Aan de andere kant, de rechterhemisfeer, onder het blinkend witte gewelf, loopt de rivier van de taal. De oude visser bevist hem al jaren. De gewezen bureaucraat wijkt niet, want nu hij in pensioen is, kan hij al zijn muggenziftende bureaucratische krachten op zijn geduldig ingehouden passie werpen. Hij heeft al tonnen talige vissen opgevist en werpt ze steeds weer terug. Hij werpt ze terug om ze nog wat te laten groeien, tot ze voldragen zijn. Hij wil enkel de monsterachtig grote snoek vangen, de oeroude God van de rivier. De ene, die hem steeds te snel af is. Maar de waarheid is, zijn lijn is veel te zwak en bij elke aanslag breekt de lijn onverhoopt veel te snel. Maar ik, ik doe door en moet me tevreden stellen, soms met clichés, soms met een redelijke vangst. En hij, hij ziet veel te goed en acht zijn draad, weigerend en ongelovig, veel dikker dan hij in feite is. Ik had hun al voorgesteld de koppen bij elkaar te steken. Zij zou hem een sterkere draad kunnen uitkiezen en hij zou onder het vissen haar de juiste kleur garen kunnen aanwijzen. Wat meer is, ze zouden onder het beuzelen wat hartig kunnen keuvelen. Maar zij willen van geen trouwen weten en trouwens de brug van Noord naar Zuid, de rivier over, was toch al veel te smal.

Manuel Van den Fonteyne
2 0

Thanatos

  Om het betere uit willekeur te redden heb ik eigenwijs een kleur of drie gekozen die geen oog kan zien. Alles zit voorlopig nog verborgen onder sneeuw, misschien een laagje water, stof hetzij de neerslag van een droevige vulkaan. Als ik vertel dat het onzichtbaar is, gelooft de horizon mij niet. Zeven dag kozen elk een zintuig. Twee dimensies lachten toen het overige vlug volledig wilde zijn. Er schuilt zo veel achter die muur. Het is een storm die aangelopen komt over de bodem van weleer. Telkens opnieuw vergaat hetzelfde schip. De man. De muis. Vier luizen in de haren van de kapitein. Ze speelden met de kaarten van vermetelheid. Het onvoorziene wilde ze verrassen. Vraag me niet waarom. Droogte heeft op oceanen nooit een ziel gered. Onder water wachten er geen bergen op het zakken van de zeespiegel om ranke flanken zon te laten proeven. Ze vingen bot, een restje heil, daar op hun boot. Het is een ark die denkt dat alle soorten uit een koppeltje bestaan. Dat zeekaarten zonder een kust veel juister zijn. Boven dit land hangt er een zweem van luchtige gedachten. Zwaartekracht leeft zelden in de geest van vlinders die mij kennen. Zij weten wat ik blind gekozen heb, geen nectar voor de wrange blik van spinnen die in lege netten kalm de nacht besluipen. Bij duisternis. Als niemand nog de tinten van geluk kan zien, dan wentel, woel ik als een bratte enkeling en valt hij uit een wolk de lichte mens. Dat ruikt hij blind. Mijn vriend heet Thanatos. Hij grijpt nog niet. Hij weet wanneer ze komen. Hand en hand. Mijn tijd en zijn ultieme kans.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
2 0

Over een konijn

  Ik zal mezelf niet langer kunnen overvallen met een mes. Dat is verleden tijd en op Aswoensdag komt de schoorsteenveger. Netjes in kostuum. Hij loopt voorbij de kerk. Er zit een kruisspin op de muur van ongeloof. Er is geen plaats meer op zijn lijf voor grijs toneel en nog meer dood of beeltenissen van de zieke mens. In het complot zit ook een rookverdelger. Zij denken allemaal dat aan mijn huis iets te verdienen valt. Iemand heeft onlangs een allumeur geschonken aan mijn brievenbus. In het dorp groeit nochtans alles recht, wordt van bedrog niet eens gesproken op het pleintje naast dat witte huis. Daar woont iemand die valse tanden maakt voor klokken die zich stukbeten op vredestijd. Ik ben het bijna zeker. Als de bel gaat op de speelplaats van naïviteit, dan weet de directeur hoe blind het kind nog is. Hij speelt ook zelf een instrument of drie. Triangel. Gong. Het setje glazen half gevuld met water blijven altijd staan. Het aanrecht is dat reeds gewoon. De oren van de muur. Ze luisteren niet meer. Zo werkt dit dorp. De bakker tovert brood, de boer een vis of twee want in de sloot zit veel verborgen. Morgen komt een ambtenaar hier alles meten. Waterstanden, diepte van gesprekken in het enige café. Hij zal niet langer controleren of het mes zich scherp genoeg gemaakt heeft voor het einde van mijn leven. Het zal niet meer gebeuren dat een paard zichzelf in stukken snijdt. Dat komt omdat er aan de eindstreep zo veel mensen staan. Zij houden daar niet van. Geloof dit niet. Het hobbelt slechts. Het is een houten ding dat ik al heb toen die oranje kleur nog rood mocht zijn. Ik had nog bloed dat zonder zorgen stroomde. Echt. In ben het bijna zeker. Als de lente komt, dan zal het gras weer eens proberen hoog te worden, mooi te zijn, volgroeid. Zaden zullen echter niet verschijnen. Kortgewiekt wordt alles rondom mij en in de Molenstraat loopt er een hond. Hij is van mij. Hij blaft niet als de wind een vreemde toekomst brengt. Het is het trouwste dier uit gans de streek, telt nooit mijn tenen, vertrouwt erop dat ik niet weg zal lopen richting kerkhof, ook niet naar het eindstation. Zijn kopje aait mijn huid terwijl mijn hand vertelt. Over. Een. Konijn. Dat niet zo diep onder de oppervlakte leeft. Alleen maar beeft als er een wortel dreigt te bijten. Of wanneer de adelaar. Zomaar op regendruppels drijft.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
5 0

Bij Jeanke

Ik kocht een boek met daarin enkele wandelingen die een schrijver meer dan 100 jaar geleden in zijn stad maakte. We volgen zijn pad. Idolatrie ten voeten uit. Bij Jeanke staat er sierlijk met gebogen letters op het raam van een café waar hij wel eens kwam. Het pand is nog net herkenbaar op de foto in het boek. We zijn de enige klanten. De patron is een grote man met opvallend brede schouders. Het verkleinwoord is niet op hem van toepassing. Hij is een hele Jean. "Goedemorgen. Nieuwe klanten stellen zich altijd dezelfde vraag", zegt hij aan onze tafel, waarna hij naar een grote ingekaderde foto aan de muur wijst. "Dat is Jeanke", vervolgt hij. Op de foto zien we een kleinere man in een net pak. Hij rookt een dun sigaartje en zit aan hetzelfde tafeltje aan het raam waar wij nu zitten, maar er staat iets anders op het caféraam achter hem. Ik moet het in spiegelschrift ontcijferen. "Café Welkom", lees ik. “Zo heette het café 100 jaar geleden al, toen de schrijver hier nog kwam.” "Toen ik het café een vijftal jaren geleden overnam en met de verbouwingen bezig was, kwamen een aantal van de oude vaste klanten een kijkje nemen”, zegt de patron. “Al snel viel de naam Bij Jeanke. Wat bleek? Niemand zei Café Welkom, maar wel Bij Jeanke, omdat hij hier jarenlang dagelijks zat. Hij was jong weduwnaar geworden. De nieuwe naam voor het café was gevonden. Deze foto kreeg ik van zijn familie. Niet lang nadat de vorige eigenaar het café sloot is Jeanke gestorven.” Als hij even later terugkomt met onze bestelling, vraag ik hoe zijn naam is. “Een aantal klanten weten het, maar ik hou het geheim. Iedereen spreekt me toch aan met Jeanke. Het is al bij al een mooi verhaal.”

Rudi Lavreysen
18 1

Donkerrood

De trein raasde over de spoorwegen, op weg naar de Ardennen. In een tweede klas wagon zat een groep kinderen druk te praten. Boven hun hoofden lagen grote volle rugzakken op het bagagerek. Ze gingen op kamp in Bras.   Een meisje met rosse krullen, groene ogen en een ronde bril, Anna zat naar buiten te staren. Naast haar zat nog een meisje, Eline. Ze was het tegenovergestelde van Anna. Ze had lang blond sluik haar en helderblauwe ogen. Eline lag te slapen op Anna´s schouder en in haar handen had ze een rood teddybeertje dat bestond uit oude lakens. Anna keek glimlachend naar het teddybeertje. Juist op dat moment reed de trein door een lange donkere tunnel. Het rode beertje draaide zijn kop naar Anna. Zijn ogen waren glimmend groen, hij had een gemene glimlach op zijn genaaide zwarte lippen. Anna kreeg het warm en koud tegelijk haar hart ging wild tekeer. De trein reed de donkere tunnel weer uit. Door het verblindende licht moest Anna haar ogen snel dicht knijpen. Toen ze haar ogen weer open deed keek ze bang naar het teddybeertje. De kop van het beertje hing weer slap en zijn ogen waren weer normaal, knopjes. De groep was aangekomen op het veld. De zon scheen fel op het grasgroene landschap. De kinderen legde hun rugzakken vermoeid op de grond en wachtte op het middageten. De leiding kwam met een kartonnen doos aangewandeld. Vanaf dat de doos op de grond stond stortte de kinderen zich op de boterhammen en beleg.  De kinderen zaten in kleine groepen rustig te eten. Twee met choco besmeurde messen zaten in een chocopot, op één van de messen genoot een wesp van het lekkers. In de verte loeide luidt een koe. Die avond toen de schemering kwam om de dag te sluiten, vlocht  Anna het lange blonde haar van Eline. Terwijl Eline drie grassprieten vlocht. Krekels sjirpten luidt. Anna dacht na over wat ze gezien had. Het beertje spookte door haar hoofd. Die glimmend groene ogen die haar aanstaarde.  Anna schudde haar hoofd. Het zal wel een droom geweest zijn. Terwijl Anna de rekker rond Eline haar haar bond kondigde de leiding aan dat ze moesten gaan slapen.  Anna en Eline stonden rond de bidon hun tanden te poetsen. Anna  roggelde en spuugde water.  ‘Eline?’ vroeg Anna.  ‘Ja.’ Antwoorde Eline nadat ze de tandpasta had uitgespuugd. ‘Ik vind jou beertje schattig enzo maar.’  ‘ Maar?’ onderbrak Eline. ‘Maar’ ging Anna verder. ‘Ik had in de trein een enge droom over jou beertje, hij had glimmend groene ogen, zo van die ogen die je doorboren en echt ik krijg er koude rillingen van telkens als ik eraan denk.’ ‘ Maar Anna toch, je zult wel moe geweest zijn.’ glimlachte Eline   Het was stil in de groene gammele tent. Enkel een het getsjirp van krekels was te horen.  Anna kon niet slapen en staarde naar het donker. Ze kreeg die enge ogen maar niet uit haar hoofd, ze zag ze telkens als ze haar ogen sloot. Ze schrok toen iemand een hand op haar schouder legde. ‘Psst, Anna’ fluisterde Eline.  Emile en ik moeten naar toilet. Kom je mee? ' Uhm…ok…Ik kom mee.' Antwoordde Anna.  Emile, Anna en Eline wandelde naar het toilet. Emile zei dat hij in het bos ging en dat hij ging wachten op Anna en Eline. De meisjes stemde in. Anna en Eline waren met twee bij het toilet. Het geruis van de bomen werd plots onderbroken door een hoge schelle gil. Eline keek Anna  geschrokken aan. Eline zag dat Anna lijkbleek zag. Er liep een koude rilling over Anna´s rug. Ze spurtte samen het bos in. Plots greep Eline Anna´s hand vast en wees naar boven. Anna keek langzaam omhoog. Ze trok wit weg. Bloed sijpelde lang de wervels van de schors. Emile hing als een pop aan een tak. De tak zat door de borstkas van Emile. Op de bebloede punt zat een teddybeertje gemaakt uit oude rode lappen. Hij had glimmend groene ogen en een gemene glimlach op zijn genaaide zwarte lippen.

Romi
11 0

De schaduw van geluk

  Op een schommel dommelt evenwicht. De rust zij tuimelt altijd richting zwaartepunt. Niets luistert naar mijn wil. Ik zou veel liever drijven zonder iets te moeten voelen. In de lucht. Daar durven vogels zomaar vliegen over zee al is het water veel te zout om zich te laven. De oceanen zijn gemaakt voor langgerekte stromen en het zingen van een walviskoor. Zoeter zijn de dagen als de tijd geen misdaad plant. Hij is nochtans steeds onderweg. De gezant van ongeluk draagt onder zijn tenue een t-shirt met daarop een olifant. Ik heb weer eens gedroomd. De nacht was van kristal en ieder laagje ijs op warme hoop, het brak. Zijn poten zijn zo zwaar een draak kan zijn. Ik sprak tegen mezelf die wartaal van altijd. Over een fris begin. Toen er nog kikkers zwommen in mijn glas dat ik een vijver noem wanneer de wereld veel te groot lijkt voor een kind met nieuwe ogen. Over het middenstuk. Die romp van schepen tussen boeg en roer. Ja, er bestaat een theorie die altijd heeft beweerd dat bootjes moeten drijven. Zolang rivieren zich niet vullen met te hete lucht. Ik heb de gaskraan afgezet. Mijn masker weggelegd. Er stak een blik achter dat scherm die niemand had verwacht. Ik heb een oog te veel. Het ziet geen kleuren, enkel diepe gloed. Kijk mij niet aan. Dat zeg ik altijd tegen ijsvogels. Ze zitten meestal op een tak te wachten op de dooi van bange dagen. De lente mag zich haasten, denkt de bol met in zijn hart een bloem. Over het einde durven enkel gieren vliegen. Hun vleugels en hun bek, zij kennen goed de weg naar restjes levensmoed. Die liggen doorgaans aan de rand van het bestaan. Toen er nog kikkers zwommen in mijn glas. Zolang de draak zich maar vergist tussen het spook en schimmen in mijn hoofd. Ik spreek die wartaal liefst wanneer een langbek naar een dikkop vist. Ik heb de gaskraan afgezet. De vinken hebben nog geen pan gekozen om hun blindheid te vergeten. Gebakken smaakt verdriet niet beter, lacht de zon. Er wordt nochtans al lang op hem gewacht. Op hem die slome kerel. Ja, die zendeling met in zijn rugzak salami op kruimels die wat brood proberen zijn. Kijk mij niet aan. Dat zegt hij ook. Ik ben zo traag dat rampspoed met gemak mijn hielen strelen kan. Ik struikel dan. Over de schaduw van geluk.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Vriendin

Ik heb niet heel veel vrienden. Ik gebruik het ook niet als modewoord. Sommige mensen hebben zoveel vrienden dat ze het zelf niet meer bij kunnen houden. Maar aan de vrienden die ik heb, ben ik trouw. En als er iets met een van hen is, raakt me dat diep. Een paar maanden geleden kreeg een lieve vriendin het nieuws dat de longziekte die zij had haar binnen afzienbare tijd fataal zou worden. Een mokerslag, natuurlijk in eerste instantie voor haar en haar man, maar ook voor de mensen die om haar heen stonden. Waar ik er één van was. Zij reageerde zelf heel nuchter. Er was niets aan te doen dus ze zou het moeten accepteren. Daar had ik al bewondering voor. Ze was niet boos, ze heeft niet gescholden. Ze aanvaardde haar lot.  En dat lot bracht haar heel wat zware dingen. Van het nog kunnen lopen van een blokje rond tot een half uur moeten bijkomen van tien meter lopen. De rollator werd een rolstoel en daarna kwam er een bed in de woonkamer te staan. En nog steeds kwam er geen onvertogen woord over haar lippen. Waar ik de hele wereld verrot zou hebben gescholden, zei zij alleen maar “het is wat het is”.  Tot het ook voor haar niet meer acceptabel was. Ze nam het moedigste besluit dat een mens volgens mij kan nemen en begon haar eigen einde te regisseren. Ze vertelde wat haar wensen waren. Tegen haar man, tegen de huisarts, tegen mij. Ze gaf spullen weg, maakte een lijstje van muziek die gedraaid moest worden en bepaalde een datum. Dinsdagmiddag. Ik liep de dagen voorafgaand aan die datum iedere dag een keertje bij haar binnen. We kletsten over koetjes en kalfjes maar spraken ook over ernstige dingen. Ik weet nog dat ik vroeg of ik op maandag ook nog welkom was. Of dat ze dat misschien liever niet had. “Jij mag wel komen”, zei ze “jij bent geen jankerd.” Onwillekeurig moest ik er om lachen. De dag er na liet ze het leven los. Omdat het voor haar niet meer menswaardig was. Ik heb diep respect voor haar dat ze dat zo heeft kunnen doen. En ik mis haar.    

Machteld
12 1