Lezen

Papier hier!

Op het bankje zitten een dame (A) midden vijftig en een meisje, rond haar negende jaar (M). Het is zonnig weer, nog niet te warm. A is aan het schrijven. M eet boterhammen op het hoekje van het bankje. A – Hé!? Oh, hallo meisje. Houd je me gezelschap? M (kijkt verbaasd op) – Oh, ik dacht dat je me niet gezien had. Ik zit hier al eventjes hoor. A – Ik voelde de bank wel een beetje bewegen, maar was zo bezig. M – Schrijf je sprookjes? A – Neen, allez, nu toch niet. Ik… eigenlijk gewoon saaie grote-mensen-dingen. M (lacht voorzichtig) – Ja, dat is saai. (M neemt nog een hap van haar boterham) A – Lees jij sprookjes? M – Ja! Ik ken alle sprookjes! Dat zegt mijn mama. (met halfvolle mond) A – Hoe weet jouw mama dat? M – Ze leest elke dag een ander sprookje voor. Of soms eens opnieuw omdat ik het zo mooi vind. A – Welk sprookje vind je het mooist? M – Dat is altijd anders; vandaag Sneeuwwitje. Maar Roodkapje vond ik ook mooi. Alleen … dat was verschieten met die wolf. A – Ja, dat was inderdaad nogal bangelijk. M – Bangelijk? A – Verschieten en dan even bang zijn. M – Ja! Echt waar. Weet jij dat nog van vroeger? A – Ja, ik weet dat nog en dat ik heel blij was toen het sprookje goed eindigde. M – Ken jij echt álle sprookjes nog?! A – Hmm, neen niet allemaal meer. Er komen ook nieuwe sprookjes bij. Die ken ik niet meer. M – Dat is niet erg hoor. Misschien ken ik ook niet alle sprookjes. Mijn mama heeft het dikke boek nog niet uit. (even stilte terwijl M verder eet) A – Wacht je op iemand hier? M – Ik eet alleen maar mijn boterhammen op en dan moet ik terug naar de juf. We zijn op schoolreis vandaag. Fijn hé! A – Ja, heel fijn. Dat heb ik vroeger ook nog gedaan. Hier op schoolreis. Toen was er nog geen attractiepark, geen dolle achtbaan. Gewoon het sprookjesbos en Holle Bolle Gijs natuurlijk. M –Ik houd niet van de achtbaan en die andere draaidingen. Dan moet ik van mama altijd gaan zitten en kijken hoe mijn broertje en grote broer ronddraaien. Maar dat vind ook niet fijn. A – Word je dan ziek in je buik? M – Ja, ze lachen me dan uit. Maar ik kan er ook niet aan doen. Ik doe dan alsof ik nog in het sprookjesbos ben. A – Wat gebeurt daar dan? M – Waar? A – Als je doet alsof je in het sprookjesbos bent. M – Euhm… de zeven geitjes redden en Roodkapje vóór de wolf komt. Ik ben dan de held! Ik neem ze mee op de stoomtrein, daar durft de wolf niet komen. A – Dat zou nog mooi zijn voor de Efteling, een echte held. M (lacht even verlegen en springt dan op) – Ik ben zo terug hè. In de nabijheid: “Papier, hier! Papier, hier!” M – Hahahaha, grappig hé. Ik neem altijd papiertjes van thuis mee om in Holle Bolle Gijs te gooien. Hij heeft altijd honger. A – Ik soms ook. M – Honger in papiertjes? Jij ook? A (lacht) – Neen, dat niet. Ik vind het ook grappig. M – Maar jij bent toch al groot! A – Eigenlijk wel ja. En toch vind ik het nog plezant. M – Heb je nu ook papiertjes bij? A – Toevallig wel. Weet je wat? Ik scheur de saaie grote-mensen-dingen uit mijn boekje. M – Mag ik ze aan Gijs geven? A – Alsjeblieft. M. springt op, huppelt weer naar Holle Bolle Gijs. Papier hier! Papier hier! … M – Nu zijn alle papiertjes weer weg. Ik heb ook die op de grond opgeraapt. A – Ja, ik zag het. Dat is fijn, zo blijft het zeker netjes hier. M – Ja hè? Het moet ook zo. Dat staat overal op de bordjes. Ik kan dat al goed lezen hoor. A – Inderdaad, het hoort zo. Dat heb je goed gelezen en gedaan. M – (glimlacht trots). Ik lees ook al boeken van Jommeke! A – (kijkt verrast). Wauw! Heb je er al veel gelezen? M – Ken jij die boeken? A – Ja hoor. Ik las ze vroeger ook; heel graag nog wel. M – Amaai. Jommeke heeft echt al veel avonturen meegemaakt hé? A – Ja, dat is zo. Welke avonturen lees jij graag? M – Oh, allemaal. Ik spaar voor Jommekesboeken. Soms zijn ze grappig, maar soms ook … euhm … verschieten en dan bang zijn. A – Bangelijk. M – Ja, bangelijk. Met die stoute Anatool en de twee boeven, Kwak en Boemel. Maar de mama en papa van Jommeke zijn wel gek hè? (lacht) A – Ja, daar moest ik ook altijd mee lachen. En met Choco en Flip en Pekkie. M – Ja, Flip is wel heel slim, die maakt veel mopjes. En Filiberke is altijd zo’n beetje … dom. A – (lacht nu ook voluit) Ja, die Filiberke toch. … (M. drinkt aan haar drinkbeker en wuift naar drie kinderen die op een volgend bankje naast haar zitten. Ze laat een boertje.) M – Hahaha. Euhm, oh pardon. Nog een boertje. Oei, er zitten twee boeren in mijn buik. A – (glimlacht). Hadden ze dorst? M – Wie? A – De boertjes. Omdat je nogal snel dronk. M – Ah, nee, ík had dorst. En dan komen pas de boertjes. A (geveinsd verbaasd) – Oh? Hoezo? M – Mijn papa zegt dat de boertjes van veel drinken komen. Het zijn niet de boeren van de koeien hè. A – Ah zo. Nu begrijp ik het. Daarom heb ik dat soms ook. M – Dat is bij iedereen zo, zegt hij. Ook de scheetjes. (lacht ondeugend) A – Ja? Hoe komen die er dan? Want die heb ik soms ook. M – Dat weet ik niet helemaal juist, maar ze zitten in de … poep (fluistert het laatste woord) A – Oh, dáár (fluistert terug). M – Het is zoals de eitjes, zegt mijn mama. A – Laten de eitjes ook scheetjes? M – Geen echte. Als je ze in heet water legt, moet je er eerst een gaatje in prikken. Dan komen er belletjes in het water. A – Luchtbelletjes? M – Ja, het gaatje moet je goed prikken, in de poep van het eitje. Dan… A – Ja, dan … ? M – Dan zijn het precies scheetjes. Als je in de kop prikt, komt er wit uit. A – Dat heb je goed gevonden. Een beetje zoals luchtbelletjes als je onder water zwemt? M – Ja, zo ziet het eruit. Dat heb ik ook al gedaan. Maar onder water mag je geen scheetjes laten, alleen uitblazen met je mond. (M. zegt iets tegen de kinderen op het volgend bankje.) A – Zijn die kinderen van jouw klas? M – Ja, die jongen en die anderen van andere klassen. A – Wilde je niet liever daarbij zitten? M – Neen, straks zie ik ze weer allemaal. De juf zei dat ik hier moest komen zitten, helemaal op het hoekje. De juf zit op nog een ander bankje. (wijst) Dáár, bij die grote jongens. A – Het zijn niet zoveel kinderen precies. M – Neen, die anderen zitten in die hoge draaidingen. Wij moeten hier onze boterhammen opeten. Straks komen die anderen met de meester en dan gaan wíj al naar de speeltuin. A – Dat is mooi geregeld. M – Ja hè ….  Nu kan ik óók een verhaaltje schrijven. Over de vertelseltjes die we gezegd hebben. A – Oh ja? Zit er al een verhaaltje in je hoofd? M – Ja, echt. We moeten alles goed onthouden vandaag. Het is voor huiswerk. Ik kan al goed schrijven. A – Vandaag nog? M – Neen, voor na zaterdag en zondag. A – Na het weekend? M – Ja, dan! (In de nabijheid: ‘Mara! Mara! Kom je terug? We gaan al verder.’) M – Ik moet terug. Dat is de juf die roept. A – Wat fijn dat je hier je boterhammen hebt opgegeten. Dank je wel voor je gezelschap. M – Eigenlijk … ik wilde eerst niet, … eigenlijk moest ik van de juf omdat ik vlug boos word. Hier op het hoekje. A – Word jij vlug boos? Daar zou ik niet gauw aan denken. M – Ja, als ze allemaal tegelijk praten en roepen en veel te luid lachen. Dan doet het raar in mijn hoofd. A – Drukte? Houd je niet van drukte? M – Ja, dat is het, drukte! Nu weet ik dat woord weer.(ze staat op, steekt haar drinkfles weer weg, raapt nog enkele papiertjes op en huppelt weg. Ze wuift nog naar A). Daaag! A – Dag Mara. Veel plezier nog. Papier hier! Papier hier! (A buigt zich weer over haar schrijfboekje. Haar oog valt op een naam die ze al kende: Mara)

Anemos
17 1

Het Bankje van Comfort

A: (Diepe zucht) Man het is verschrikkelijk druk daarbinnen… (zucht) “ Thomas doe dit, Thomas doe dat niet, Thomas luister als ik tegen je praat “. Laat me toch gewoon met rust… Brrrr... deze bank is ijskoud...   B: Wat lijkt het probleem te zijn jonge heer, is de bank écht zo koud?   A: Oh u heeft me gehoord? Het spijt me meneer, dat was niet mijn bedoeling, i-ik wilde u niet storen   B: Storen? Een oude man als ik? Onzin, maak je geen zorgen joeng...  er is niks waar je me mee kunt storen   A: Bent u zeker? Met alle respect, u lijkt een beetje oud…   B: Oud? Jazeker. Fragiel?  Wel, vroeger was ik.. de meest gevoelige persoon   A: Vroeger?   B: Wel, laten we zeggen dat de jaren 20 een.. vreemde tijd was   A: De jaren 20? U bedoelt toch niet...   B: Oh jawel, de tijd van de pandemie   A: Sorry meneer, ik wist niet dat u-             B: Zo oud was?   A: Ja..   B: Dat is toch niet erg...  hoelang is het geleden, zo’n vijftig jaar nu?   A: Bent u het meeste vergeten dan?   B: Ik zou wel willen, maar ik ben bang dat het niet zo gemakkelijk is.. er zijn nu eenmaal veel dingen die niet vergeten mogen worden   A: Ja, ik denk.. dat ik dat wel kan begrijpen   B: Maar genoeg over mij, vertel eens, waar was je zo gefrustreerd over?   A: Oh het is gewoon… ik en mijn mama die waren aan het shoppen voor kerstavond... En.. ik werd het beu dat ze me bleef rondbevelen en vooral dat ene irritante liedje dat ze de hele tijd blijven spelen.. hoe heet het weer?              B: “ All I want for Christmas is you” ?   A: Ja, voila.. hoe wist u dat?   B: Joeng, ze hebben dat nummer al voor mijn tijd gespeeld.   A: Dat geloof ik niet   B: Oh maar het is zo, ik ben bloedserieus. In die tijd moesten we ons haasten om het toiletpapier te halen, voordat ze allemaal op waren... allemaal terwijl we dat ene, grijsgedraaide liedje moest aanhoren   A: Wacht, waarom toiletpapier? Hahaha   B: Joeng, ik stel mij die vraag al vijftig jaar... zelfs filosofen hebben geen flauw idee   A: Ik durf te wedden dat je veel aircomaskers moest dragen   B: Oh nee, veel erger, die bestonden pas 10 jaar nadat het afgelopen was.. voor de zieke mensen of als je erge astma had, maar daarvoor hé… moesten we ordinaire, ongefilterde mondmaskers dragen...   A: Wow, amai dat moest zo erg zijn... hoe heeft u al dat lijden overleefd?   B: Maar je hoeft niet zo beleefd te zijn jongen, zeg maar ‘je’   B: Ah oké sorry   B: Weet je nog wat ik eerder zei, over kwetsbaar zijn?   A: Ja?   B: Toen ik jong was, was ik zo gevoelig, vooral als kind.. als de leraar om welke reden dan ook boos op mij werd, barstte ik bijna uit in tranen   A: En nu? Wat als iemand je bijvoorbeeld.. een irritante bejaarde zou noemen?   B: Als iemand dat nu tegen mij zei hé, dan zou ik hem zo hard slaan met mijn wandelstok als ik kan, dat zou die wel een les leren.   A: Hahahah, dat zou ik graag willen zien.   B: Ja dat geloof ik wel, maar mijn punt is ... Ik had mijn problemen en zwakheden, raad eens wat ik deed? Ik overwon ze.   A: Hoe?   B: Ik was rond jouw leeftijd.. 15 tot 16 jaar oud,- toen er iets vreselijks gebeurde.. iets dat mij en mijn broer zwak, schuldig, gebroken... liet voelen... Maar.. ik wist dat het niet zomaar zou verdwijnen, dus wil je weten wat ik deed?   A: Ja   B: Ik ging er frontaal mee om, ik erkende het, accepteerde het, ik ging uit mijn comfortzone en vond een.. nieuwe ik.  Ik was bang, zo bang dat ik niet kon slapen.. maar ik bleef vasthouden.. aan de twee dingen, die ik nog had   A: Je huisrobot en je PlayStation 8?   B: Ah die waren er toen nog niet   A: Oh aww   B: Hoop... en moed, zo is het me gelukt.  Daarna  voelde ik me.. niet langer schuldig of gebroken, ik voelde me zelfs... alsof ik mijn plicht had vervuld   A: Dus wat je zegt is, om een probleem op te lossen, moet je moedig zijn en je angsten loslaten?   B: Nee mijn jongen, om iets op te lossen accepteer je je angst, je zwakheden en werk je aan wat je niet zo goed kunt, de zone van discomfort, van ongemak... Als je daar eenmaal binnen bent weet je niet waar je terecht gaat komen... maar je zult er hoe dan ook sterker uit komen   A: Wauw... dat klinkt zo..  wijs   B: Wijsheid komt met leeftijd, zou ik zeggen, maar nu ik erover nadenk.. is het eerder leeftijd.. dat komt met wijsheid   A: Dus wat was je reactie toen, je weet wel..  het gebeurde?   B: In het begin was ik.. op zijn zachtst gezegd geschokt... niemand zag het aankomen, allée tenminste had niemand verwacht dat het zo erg zou zijn als het ging zijn.. en we kwamen allemaal.. in een nieuwe ongemakkelijke zone terecht   A: Zoals bij het dragen van ongefilterde aircomondmaskers?   B: Niet per se dat, de plotselinge verandering in de manier van leven, liet ons verward en vol vragen achter... en twijfel   A: Ja dat kan ik helemaal zien, je moest je dood verveeld hebben..   B: Oh ja zeker, we spendeerden het grootste deel van onze tijd binnen met tv kijken of spelletjes spelen, we werkten zelfs vanuit thuis   A: Maar mijn mama werkt altijd vanuit thuis, het is niet echt zo erg toch?   B: Wel, onze wifi was.. beperkt, dus we moesten allemaal in dezelfde kamer zitten.. ik, mijn broer, mijn mama en papa... allemaal terwijl we tegelijkertijd moesten bellen   A: Oh nee.. dat klinkt verschrikkelijk   B: Oh dat was het inderdaad... maar nu ik terugkijk... mis ik die tijden echt.. ik zie mijn broer tegenwoordig zelden en, mijn mama en papa... Je weet wel, ik bezoek ze nog steeds.. maar dan in de vorm van een steen.. die niet terugpraat... als je begrijpt wat ik bedoel   A: Ja... jawel.. ik, het spijt me voor je verlies.. ik zou niet weten wat ik moest doen als dat met mijn ouders zou overkomen   B: Maar ik denk van wel, nu toch   A: Hmm? O ja! J-je hebt gelijk, wow.. ik... ik weet niet wat ik moet zeggen..   B: In mijn tijd zou ik zeggen: Deel iets gratis met iemand die het meer nodig heeft dan jij en dan krijg je er iets voor terug   A: Wat heb jij dan nu teruggekregen?   B: Entertainment   A: Weet je, dit gesprek gaf me zo'n warm gevoel.. dit bankje voelt nu veel comfortabeler haha   B: Dat kan ik geloven, jong.. hetzelfde geldt voor mij

IngmarVDKH
1 0

Alucinatio

Toen hij zijn ogen opende, merkte Hayden Davidson direct op dat zijn gsm hevig stond te trillen. Konden ze hem nu niet verdomme met rust laten? Met enige moeite belandden zijn twee voeten op de krakende houten vloer naast zijn bed. Hij trok een T-shirt aan en nam het triltoestel in zijn hand. ‘Hayden! Eindelijk man, probeerde je al heel de tijd te bellen. Hey uhm… ik vroeg me af of je zin had om eens mee te gaan met de vriendengroep vandaag. We zouden allemaal graag hebben dat je eens meekomt, weet je, ‘t is al zo lang geleden.’ Hayden zuchtte, maar iets in hem vond het ook wel leuk dat ze aan hem dachten. Als het aan hem lag, zou hij gewoon heel de dag in bed hebben gelegen, maar natuurlijk waren er altijd saboteurs… Saboteurs zoals… ‘Arthur, ik heb nog wat dingen te doen vandaag en ik weet eerlijk gezegd niet of-‘ ‘Onzin! We spreken af aan mijn huis. Ik verwacht dat je daar staat binnen een halfuur.’ Toegelegd. Ze lieten hem verdomme geen keuze en dat zorgde voor een glimlach op Haydens gezicht. Z’n haar richtte nog naar alle windrichtingen wanneer hij aanbelde aan Arthur’s huis. Hij zag hoe een schim steeds dichter kwam door de wazigheid van de glazen deur. Een monster kwam op hem af. Een zwart monster met een brede grijns en lange gele tanden die met bloed waren bedekt, dat was het. Zijn lange nagels raakten de deurknop aan terwijl het stille gekras van zijn nagels die het glas aanraakten te horen was. De deur kraakte. Haydens hart bonsde en zijn ogen hadden nog geen één keer geknipperd. En toen ging de deur open. Een vreemd gelach galmde door zijn oren. ‘Aahn Hayden! Ik wist wel dat je zou komen! Wat sta je daar zo te staan als een paal in het water? Kom binnen!’ De hele vriendengroep zat rond de keukentafel. Er was Thomas More (niet te verwarren met de filosoof), Frederick Stevens die bijna altijd tijdens dit soort ontmoetingen de hele koekendoos leeg zat te vreten en dan natuurlijk ook nog Arthur Tumbler. Hij was meestal de organisator van dit soort onderonsjes. Het was geen grote vriendengroep, maar het verwonderde Hayden eigenlijk al dat hij zoveel vrienden had. ‘Ik en Fred hebben al wat ideeën uitgewisseld en we zouden dit graag willen delen met jullie maar dan moeten we zeker zijn dat wel… Dit binnen dit groepje blijft zeg maar. Begrijpen jullie?’ Thomas knikte en vertelde dat ze hem honderd procent konden vertrouwen. En dan gebeurde wat er te verwachten viel: Arthur, Thomas en Fred keken allemaal Haydens kant op. ‘Ik ben de stilste van de groep, verwachten jullie echt dat ik iets ga zeggen?’ Arthur keek hem bedachtzaam aan en Hayden wist wat er in dat hoofdje van hem werd gezegd. De stilste zijn meestal de gevaarlijkste. Maar als hij hem niet vertrouwde, waarom hadden ze hem dan uitgenodigd? ‘Kom op, Arthur! We kennen Hayden toch? Hij is geen klikspaan.’ Arthur leek in gedachten te verzinken. Hij wist Hayden wonen. Als die stille vriend van hem hier iets durfde uit te spoken dan wijst hij hem te vinden. Hayden wist dat toch? Ja, hij wist dat. ‘Je hebt gelijk. We kunnen beginnen.’ Hun laarzen knarsten door de takken die verpletterd werden. De bladeren rond hen waaiden luidruchtig in de wind en hier en daar kon je tussen de bomen ogen naar hen zien gluren. Elk hadden ze een zaklamp in hun handen, die schaduwen projecteerden en licht schonken op weglopende mieren of zwaaiende droge sprieten gras. ‘Dit is het.’ Arthur’s zaklamp richtte op de hut voor hen die omringd was door de vele bomen en schepsels van de nacht. ‘Dus jij beweert dat er in die hut een koffer zit, volgepropt met geld? Komaan, dat zijn het soort dingen die een dronken zatlap niet gelooft. Ik snap nog altijd ook niet waarom je hierop in bent gegaan…’ ‘Hayden, luister eens goed oké? Jij mag dan misschien niet geloven in het feit dat er bakken met geld in dat krot zit, maar weet je waar ik wél niet in geloof? God. En jij wel. Dus is er dan zo’n groot verschil? Of je het nu wil geloven of niet kan me niet schelen, want stel dat er straks wél geld in een koffer zit dan zijn we verdomme rijk. Dus vertel me, Hayden, is dat niet het proberen waard? Het is precies zo met die hemel en hel van je. Jij hoopt dat als je doodgaat ook een koffer met geld krijgt, toch? Je hoopt het, je gelooft het! Dus wat is dan het verschil met deze situatie, hé? Alles dat wij doen is gebaseerd op geloof. Ik geloofde dat je aan niemand zou vertellen over die koffer-’ ‘Dat komt omdat het verdomme uit de duim gezogen is-‘ ‘NEE, ik vertrouw je. We gaan straks dat huis in en dan pas zullen we zien wie er gelijk heeft. Maar ik weet gewoon dat ik geloof.’ Thomas en Fred keken elkaar wat verward aan. Dat er zo’n vreemde discussie over geloof uit deze situatie was gekomen, verwonderde hen. Maar ja… Arthur en Hayden waren altijd anders geweest. Ze stapten binnen in het huis en werden verwelkomd door talloze gangen die bijna eindeloos elke kant op leken te gaan. Aan de muren hing hier en daar een schilderij of foto, waarvan het glas vrijwel overal gebarsten was. Onbewust splitsten ze zich op en verkenden ze het huis. Hayden liep de ene kamer binnen, om dan weer in de andere uit te komen. Dan stapte hij in een gang, waarvan hij vermoedde dat het naar de ingang leidde, maar belandde hij in een nieuw deel van het huis tot hij niet meer wist waar hij zich bevond en er enkel vier muren hem bedreigend aankeken. Hij riep maar er kwam geen antwoord. Niet van Arthur, Thomas of Fred. Niets. Uit hopeloosheid zette hij zich neer in de kamer waar hij zich bevond. Terwijl hij zich probeerde te herinneren welke weg hij had genomen bij het binnengaan, spitsten zijn oren zich als van een hert die voetstappen hoort. En dat was ook het geval: hij hoorde voetstappen. Waren het wel écht voetstappen? Het klonk onregelmatig, alsof het van iemand was waarvan zijn ene voet de andere kant op richtte. ‘Hallo? Arthur? Fred? Thomas?’ Nog steeds geen antwoord. Haydens hart begon sneller te bonzen. In een reflex nam hij een van de vele glasscherven die rondgestrooid waren op de grond. De voetstappen kwamen dichterbij. Deze keer hoorde hij een vreemd gorgelend geluid die hem deed realiseren dat wat er nu op hem af kwam allesbehalve een mens was. Zijn rechterhand kneep zo hard in het stuk glas dat het begon te bloeden. Het schepsel kwam tevoorschijn en stond in het portier van de kamer. Dat was niet Arthur, Thomas of Fred. Nee, het was een monster. De ogen van het schepsel puilden bijna op de grond en uit zijn oogkassen stroomde een gelig pus die zijn hoekige kaken bedekte en zorgde voor de vreselijkste stank die Hayden ooit had moeten verduren. Uit zijn scheve mond drupte een rood drek. Hij zag maar één oplossing: aanvallen. Dit beest moest dood, hij had geen keuze. Hayden rende op het beest af, terwijl hij de adrenaline door zijn lijf voelde vloeien als een kind op een glijbaan. De eerste glassteek had het beest tegengehouden, het had zelfs geprobeerd het wapen uit Haydens hand te grijpen. Maar daar zou hij spijt van krijgen. Hayden schoot zijn knie in het monster. Zijn linkerhand greep de kin en knalde hem in één beweging op de grond zodat hij nu met zijn volledige lijf dominant controle had over het beest. En nu was het tijd om de ellende te beëindigen. Het stuk glas belandde meermaals in het hoofd van het beest tot Hayden zeker was dat het niet meer bewoog. Het stuk glas viel op de grond naast hem en geschokt keek hij naar zijn handen die bedekt waren met bloed. Op dat moment realiseerde hij dat Arthur’s levenloze lichaam voor hem lag.

Nova
10 0

Hutselen en husselen

Als er zelfs voor ‘dooreenschudden’ twee bijna identieke synoniemen bestaan, is het geen wonder dat een mens woorden dooreenschudt. Ik heb het over ‘hutselen’ en ‘husselen’. Eén letter verschil maar vrijwel dezelfde betekenis. “Och, doe ze maar allebei”, moeten de mensen van het taalverbond hebben gedacht. “We zullen ze eens hebben.” Dat hutselen gebeurde tijdens een kort onderhoud met mijn buurman. U moet zich daar niets officieel bij voorstellen. We zeggen gewoon een goeiendag als we elkaar tegenkomen, gevolgd door een koetje of een kalfje. De weersomstandigheden zijn hiervoor ideaal. Je zegt het tijdens het voorbijgaan en we zijn het er meestal over eens. We zijn niet van het type dat blijft plakken. Hij heeft twee pubers in huis en altijd is er iemand om weg te doen of om te gaan halen. Wat was er nu aan de hand? Ik wissel regelmatig af met mijn begroetingswoorden. Kwestie van het niet te saai te houden. Bijvoorbeeld hoi, hallo, yo of hey. Hoe het kwam weet ik niet, misschien was het dat afwisselen, maar wat ik zei kwam eruit als 'hahoi'. Het klonk als een gerecht van bij de Chinees. Ik vervloekte mezelf voor een dergelijke dommigheid. Nu maar hopen dat hij dacht het verkeerd verstaan te hebben. Al was die kans klein. Twee dagen later passeerden we elkaar opnieuw. Maar ik had een plannetje in mijn hoofd om mijn flater recht te zetten. “Hahoi”, zei ik opnieuw. In mijn ooghoek zag ik hem ietwat verbaasd kijken. Het kan immers perfect dat er een woord bestaat waar je nog nooit van hebt gehoord. Het verandert tegenwoordig terwijl je erbij staat. Het jonge volk vindt ze uit alsof het niets is. Tussen mijn andere begroetingswoorden gooi ik voortaan regelmatig een ‘hahoi’. Het is nu alleen wachten tot hij het een keer terugzegt.

Rudi Lavreysen
351 0

Ongewenst gedrag

Je kunt er bijna niet omheen, het is het gesprek van de dag. Het ongepaste en onaanvaardbare gedrag van een aantal mannen ten opzichte van, soms nog heel jonge, vrouwen. Zeker als er sprake is van een machtsverhouding is dit echt heel laakbaar. Hoe komen die mannen erbij om dit soort gedrag ten toon te spreiden, wat denken ze, hoe werkt dat in hun hoofd. Ik kan er niet bij. Waarom denken dit soort mannen dat vrouwen, meisjes, dit leuk vinden? Denken ze werkelijk dat ze ‘God’s gift to women’ zijn? Heel bijzonder. Maar wat ik ook heel erg vind, is dat mensen, mannen, op dit moment al veroordeeld worden door de social media voordat er ook nog maar een rechter aan te pas is gekomen. Er is geen hoor en wederhoor. Mannen worden afgefakkeld en kapot gemaakt zonder dat er onderzoek wordt gedaan naar wat er nu echt is gebeurd. Daarmee wil ik dit gedrag niet goedpraten, maar ik denk dat er ook best situaties kunnen zijn waarbij de vrouw in kwestie zelf niet helemaal zuiver op de graat is. Net zoals die mannen een machtspositie hebben is het voor vrouwen ook mogelijk macht uit te oefenen. Want bewijs als man maar eens dat je onterecht beschuldigd wordt. Waarmee ik niet wil zeggen dat dat op dit moment aan de hand is bij bijvoorbeeld The Voice maar het is wel erg makkelijk. Iemand wordt beschuldigd en zijn hele familie wordt meegesleept in de ellende. Heel Nederland heeft een mening en meent te weten wat er is gebeurd. Ik ben inmiddels al heel wat jaren aan het werk en ik heb te maken gehad met mannen in soorten en maten. Heel af en toe zat er een tussen waarmee ik liever niet alleen in een kantoor was. Dus zorgde ik er voor dat dat ook bijna niet voor kwam. Rare afbeeldingen heb ik nog nooit ontvangen. Maar misschien zegt dat meer over mijn leeftijd dan over de mannen. Ik heb geleerd dat je als mens respect moet hebben voor je medemens. Mijn maatje en ik hebben ook altijd volgens die stelregel gehandeld. En oh ja, ik ben ook wel eens nagefloten. Maar dat was in de tijd dat daar nog geen aandacht aan werd besteed. Al weer heel wat jaren geleden. Nu wordt er niet meer gefloten. En ik vraag me dan af, is dat omdat de mannen op de bouw het niet meer durven? Of ligt het toch echt aan mij.    

Machteld
9 0

Aambeiance

Toen ze hun pak friet met een pint naar binnen hadden gespeeld in de keuken van hun studentenkot, begaven derdejaarsstudenten Geneeskunde Hendrik Janssens, Karel De Petter en Steven Walckiers zich de trap op naar het kot van Hendrik dat op de tweede verdieping lag. “Scheelt er iets, Hendrik?,” vroeg Steven toen ze bijna boven waren. “Je loopt precies wat vreemd?” “Dat leg ik je zo meteen wel uit, als we op mijn kot zijn,” antwoordde Hendrik. Nu zag Karel, die die dag net jarig was, ook dat zijn jeugdvriend moeite leek te hebben bij het trappenlopen. Hij begon zich lichtjes zorgen te maken. Op Hendriks kamer aangekomen, gingen Karel en Steven op bed zitten, terwijl Hendrik behoedzaam plaats ging nemen in zijn gemakkelijke lederen bureaustoel. Een licht gekreun ontsnapte hem, toen hij zich in de stoel liet zakken. “Zeg nu eens, amigo, waar heb je last van?,” vroeg Karel. “Is het je knie misschien? Of je enkel? Je rug?” Karel kroop meteen in de huid van arts, een attitude die hij zich al vanaf het eerste jaar aan de universiteit had aangemeten en die hij maar wat graag ook thuis aannam, zeker als zijn ouders of grootmoeder met een pijntje zaten. Het vervulde hem met zichtbare trots en bracht een zekere sérieux over hem. “Niets van dat alles, collega,” zuchtte Hendrik. “Een probleem van heel andere aard.” Steven had ondertussen gezien dat het gezicht van zijn kameraad telkens in een grimas trok wanneer hij zich verschoof op zijn stoel. “Ben je misschien op je zitvlak gevallen?,” vroeg hij aan Hendrik. “Niet gevallen, maar wel last van mijn kont,” gaf Hendrik toe. “Ik vrees dat ik last heb van hemorroïden…” “Ai, amigootje, dat klinkt niet goed,” sprak de jarige met bezorgde blik. “Dan moet je er toch al langer mee zitten, neem ik aan? Professor Debuyst zei in een van zijn colleges vorig academiejaar dat hemorroïden – Karel weigerde “aambeien” in de mond te nemen – normaal gezien best meevallen qua last. Ben je nooit een zalfje op basis van zinksulfaat of met lidocaïne gaan halen bij de apotheek? Of meer vezelrijk voedsel beginnen eten en wat vaker gaan sporten?” “Heb ik allemaal geprobeerd, Karel, wees gerust, maar ik vrees dat de aandoening toen al te ver gevorderd was.” Hendrik sloeg zijn ogen neer en zuchtte diep. “Mocht je dat willen, kunnen wij anders wel eens een kijkje nemen? Misschien valt het allemaal wel mee en is scleroseren of een heelkundige ingreep helemaal niet nodig?,” stelde Steven voor, terwijl hij in Karels ogen naar instemming zocht. “Uiteraard geen probleem,” sprak Karel, “we kennen mekaar al zo lang en hebben samen al andere watertjes doorzwommen.” Hendrik aarzelde even, keek zijn vrienden aan en stond toen voorzichtig op uit zijn stoel. “Beloof me dat dit tussen ons blijft…” “Als arts zullen we vaak genoeg konten en penissen zien,” knipoogde Steven. Toen draaide Hendrik zich met zijn rug naar zijn vrienden, knoopte zijn broek los en liet hem op zijn enkels vallen. Vervolgens deed hij hetzelfde met zijn boxershort. “Probeer anders even op je knieën op je bureaustoel te gaan zitten, Hendrik,” zei Karel, “dat zal het onderzoek vergemakkelijken.” Hendrik deed zoals gevraagd en boog voorover. Ondertussen had Steven Hendriks bureaulamp dichterbij geschoven en het licht zo goed mogelijk op de kont van zijn kameraad gericht. Karel en Steven keken vanop de bedrand naar Hendrik, die zachtjes kreunde. Steven trok Hendrik voorzichtig aan diens voeten, waardoor hij in de bureaustoel dichter tot bij het bed rolde. Steven nam eerst een vluchtig kijkje, gromde even onderzoekend en duwde toen lichtjes tegen Hendriks voeten, in de richting van Karel, zodat die een beter zicht kreeg op het zitvlak van zijn jeugdvriend. Karel boog zich voorover, hield zijn hoofd wat schuin en sprak: “Amigo, op het eerste gezicht, zie ik niet meteen iets dat op hemorroïden lijkt?” “Huh? Hoe bedoel je?,” vroeg Hendrik. “Wel, ik zie nergens iets rond je aars dat op een bloemkooltje of een druifje gelijkt. Ik stel me dus de vraag of dat wel het probleem is…” “Zie je niets anders?,” vroeg Hendrik over zijn schouder. “Er moet daar beneden toch iets zijn dat die last veroorzaakt?” Karel ging nog wat dichter kijken, tot hij bijna met zijn neus in de bilspleet van zijn kameraad zat. “Schijn je alsjeblieft nog wat bij met de bureaulamp, Steven?” Opeens slaakte Karel een gesmoord kreetje van verbazing: “Hemeltje, wat is dat?” “Wat bedoel je?,” sprak Hendrik geschrokken. “Wat heb je gezien?” “Er zit precies iets dat blinkt of zo in je anus, amigo…” “Wacht even,” onderbrak Hendrik hem, “best even achteruitgaan. Ik moet dringend een wind laten.” “Best niet te hard duwen,” raadde Steven hem aan, terwijl hij zijn gezicht afwendde. “Sorry, mannen, die kon ik niet langer tegenhouden,” verontschuldigde Hendrik zich bij zijn vrienden. “No worries, maatje,” zeiden de twee anderen bijna gelijktijdig. “Maar goed,” zei Hendrik, “wat zie je daar vanonder blinken?” Karel boog zich opnieuw voorover en streek voorzichtig met zijn vinger over de aarsholte van Hendrik. “Zoals ik dus zei: er zit precies iets blinkend vast in je kont.” “Kan je het eruit halen?,” vroeg Hendrik. “Ik kan dat proberen, maar dat kan pijnlijk worden, vrees ik. Heb je hier misschien wat glijmiddel of vaseline liggen en steriele handschoentjes?” “Rechterschuif in de kast naast het boekenrek,” kreunde Hendrik en hij wees in de richting van een witte commode. Steven stond op en gaf Karel vervolgens het nodige materiaal dat hij in de schuif vond. “Goed, hier gaan we dan. Geef meteen teken of roep iets als je pijn zou hebben.” Hendrik reageerde knikkend. Karel bracht genoeg glijmiddel aan rond de aars van Hendrik en op zijn gehandschoende vingers en begon toen zachtjes het vreemde voorwerp los te peuteren. Aanvankelijk gaf het ding niet mee, maar na wat wringen, slaagde Karel erin zijn vingertop vast te haken aan iets. “Gaat het nog?” Hendrik zei niets, maar begon verbazend genoeg zachtjes te neuriën. “Hendrik, wat zit je nu te neuriën, man?,” vroeg Karel verbaasd. “Laat hem,” zei Steven, “je haalt best gewoon zo snel mogelijk dat ding eruit.” Karel trok nu zachtjes het voorwerp millimeter per millimeter naar buiten. Hendrik begon ondertussen luider te neuriën. Toen Karel uiteindelijk het ding uit Hendriks aarsholte had gekregen, viel zijn mond open van verbazing… “Happy birthday to you… happy birthday to you… happy birthday, amigo… happy birthday, to you,” zongen Hendrik en Steven, terwijl ze glimlachend naar Karel keken. “Mannen… een Rolex? Ik ben sprakeloos…” “Een kleine moeite voor een grote vriend,” knipoogde Hendrik die ondertussen uit de bureaustoel geklommen was en Karel vriendschappelijk op de schouder klopte. “En nu gaan we een pint pakken op jouw verjaardag, amigo! Jij houdt wel het uur in het oog, hoop ik?” Hendrik en Steven barstten uit in lachen, terwijl Karel, oprecht onder de indruk van het dure geschenk, de Rolex rond zijn rechterpols bevestigde. “Kom, amigo’s, op naar de markt, op naar het gerstenat!,” zei Karel. “Maar euh, Hendrik?” “Ja?” “Best wel je broek weer optrekken, want je staat hier nog steeds met je pieleman voor mijn neus.” “Best wel,” lachte Hendrik, “best wel.” Toen gingen ze de studentenkamer van Hendrik uit en maakten plezier tot een gat in de nacht.

Lennart Stein
51 0

Twee zijden van een bank

1: Waren er geen andere banken meer vrij? 2: Wat? 1: Ik vroeg of er geen andere banken meer vrij waren. 2: Waarom? 1: Omdat het meestal zo is. Men komt tegenwoordig niet meer naast mensen zitten. Mensen zijn vies en ongemakkelijk. Men zit liever op een met vogelkak besmeurde bank dan naast een ander mens. 2: Als je mij op deze manier probeert weg te jagen dan zal ik je moeten ontgoochelen. Ik blijf hier mooi zitten. Het is evenveel mijn bank als de jouwe. 1: Och, wat kan mij het schelen. Blijft u maar mooi zitten… of staat u op. Het maakt mij geen kloten uit. 2: Waarom wil je dan weten waarom ik hier kom zitten? 1: Omdat ge er jong uitziet, wat doet iemand van uw leeftijd hier en nu op een bank. Moet ge niet wat drank achteroverslaan en het vrouwvolk versieren. Ge doet zelfs niks. Ik zie geen doppen in uw oren of boek in uw handen. Ge zit hier zomaar wat te zitten. Blijft ge hier zitten tot ge zo oud en levensmoe zijt als ik? 2: Wat een zure pruim ben jij zeg, jouw cynische kijk is het laatste wat ik nu nodig heb. Daarbij je lijkt helemaal niet zo oud. Hooguit 50? 1: 49, maar dat is oud genoeg. 2: Dan heb je het recht nog niet eens om jezelf oud te noemen. 1: Och, Ik heb dat recht niet nodig. Het aantal jaren die verstreken zijn sinds uw moeder u heeft uitgeperst, daarvan wordt ge niet oud. Het heeft ook niks te maken met bijziendheid of rimpels. Sommigen hebben meer rimpels dan mij, maar zijn toch jonger. Ik ben oud omdat het leven mij oud heeft gemaakt. 2: Dus dan heb je eigenlijk ook geen reden om mij jong te noemen. 1: Ik zie het al, meneer is van de slimme soort. Dat is het ook, uw generatie voelt zichzelf wel rap slim. Ge hebt het allemaal snel doorzien. Ge tikt drie woorden in op Google en hup, meneer is klimaatexpert, drie andere woorden en ge kunt advocaat spelen. Dus kom, vertel mij eens waarom ge hier zit. 2: Het vrouwelijk geslacht. 1: Het vrouwelijk geslacht zegt hij (lacht). Nog zo’n gevat antwoord. Is dat niet de reden waarom alle mannen ergens naartoe gaan. Het vrouwelijk geslacht. Dus vertel me eens wat meer. Wat voor pietluttige vrouwenproblemen houden u bezig, uw liefje weggelopen? Zat ze op een ander of kon ge zelf niet van de andere meiskes blijven? Of zijt ge zo’n ordinaire viespeuk die in een park naar zogende moeders zit te lonken. 2: Voor zover ik weet ben jij een viespeuk. Wat ik hier doe, gaat jou niks aan. Waarom vertel jij me niet hoe je zo verzuurd bent geraakt en waarom jij je zo oud voelt, als het niks met rimpels of bijziendheid heeft te maken. 1: Eigenlijk gaat het u ook niks aan, maar, weet ge wat. Ik zal het u toch meegeven. Kwestie dat uw jong en maagdelijk brein er misschien nog iets van op steekt. Ook mijn problemen hebben betrekking tot het vrouwvolk, mijn eigen vrouw, als ik ze zo nog mag noemen. Ze is weg, begrijpt ge. Foetsie. Zijden badjas, rode lingerie, 9 paar schoenen, zomerse jurken, zwemkledij en de koffiezetmachine, allemaal weg. 23 jaar, nog twee en we hadden de 25. Hoe noemen ze dat gouden, kristallen? 2: Zilveren. 1: Zilveren, dat is een veel te dure grondstof voor wat het maar voorstelt. Laten we het bij plastieken houden. Nu, al die triviale zaken daar hielden we ons niet mee bezig. Ouderdom heeft niks met jaren te maken, het huwelijk ook niet. Ge kijkt naar dezelfde televisie, slaapt in het zelfde bed en eet aan dezelfde tafel. En wanneer ge plots al die dingen alleen moet doen beseft ge waar het is fout gelopen en als simpele man natuurlijk zo’n vijf jaar te laat. 2: Was het vuur uit de relatie? 1: Dat is waar het bij jullie nog om draait eh, vuur. Het brandt snel op hoor, dat vuur. Maar ik neem het u niet kwalijk, voor mij is er ook vuur geweest. In het begin lagen we hele nachten te vrijen. Er was slechts één wereld en dat was degene wie wij creëerden. Dat kent ge waarschijnlijk wel. 2: Eigenlijk niet, ik heb nooit echt veel passie gekend. Een honger om te neuken dat wel. Ik neem dan het eerste de beste meisje dat ik tegenkom. Het is allemaal niet zo moeilijk hoor, je praat er wat mee en neemt ze mee naar je slaapkamer. De volgende dag bied je haar een boterham aan en daarna negeer je haar berichten. 1: Zo, zo. Meneer is toch van plan om stukje van zichzelf prijs te geven. Je bent me er wel eentje. Een broek vol goesting. 2: Goesting zou ik het niet noemen. Ik verveel me gewoon, dus neem ik wat ik kan om te vergeten dat ik me verveel. Een pint om door mijn keel te gieten een kutje om mijn piemel in te steken. Tot ik een vrouw leerde kennen die anders was dan alle andere. 1: Achter meisjes zitten dat kon ik niet. Ik was daar veel te beschaamd voor. Mijn vrouw is de enigste die ik ooit heb gehad, daar sta je scheef van te kijken hé. Ze keek me aan met haar prachtige bruine ogen en voor ik het goed en wel besefte zat ze vast in mijn hoofd. 2: Ik begin wat jaloers te worden, zoiets heb ik nog niet meegemaakt. 1: Wat was er dan met die vrouw waarover ge juist ging beginnen, was er geen passie? 2: Het was een oudere vrouw, ze was ongeveer jouw leeftijd, ze had zelfs ook bruine ogen. Ik zat met een paar vrienden op café en zij zat daar in een hoekje, moederziel alleen, ze oogde wat verslagen, maar ze straalde een soort ondefinieerbare schoonheid uit. Mijn vrienden grapten dat het een MILF was. 1: Wat is dat, een mielf? 2: (lacht) Dat is niet zo belangrijk, jongerentaal voor een rijpere dame die er wel goed uitziet. Punt is dat ik plotseling in een weddenschap zat met mijn vrienden. Ze zeiden dat ik haar niet kon krijgen en ik bewees hen het tegendeel. Maar er was iets waardoor ik smachtte naar meer, dus negeerde ik haar niet. We spraken zo veel als mogelijk af. 1: Amai zeg, ge zijt gij eigenlijk wel een propere jongen, zo vrouwen naar bed nemen om uzelf tegenover uw vrienden te bewijzen. Pfff, ik had daarmee moeten thuiskomen ik kreeg een draai rond m’n oren. En die vrouw, ze kon uw moeder zijn. 2: Ze was ook moeder, alleen niet de mijne. Een moeder van twee. 1: Ik heb zelf ook twee kinderen. Ik zie ze nu om de week. Dat is lastig. De week dat ze er zijn moet ge alles alleen bolwerken. Ge weet niet waar eerst te lopen en uiteindelijk zijt ge content dat ze weg zijn, maar een dag later tussen de eenzame muren van uw huis, vervloekt ge uzelf dat ge ze ooit weg wou. 2: Ik hoef geen kinderen. 1: Dan zijt ge dom. Het is een schande dat kinderen zo uit de mode zijn. Ze zijn het enigste wat overblijft. Werkt ge te traag, ze smijten u buiten. Zijt ge niet interessant meer, uw vrouw pakt hare zak. Maar kinderen blijven altijd van u. Bon, ik wil eigenlijk wel weten hoe het afloopt met uw rijpere -zo zei je het toch- (vrouw). 2: Dat rijpere was juist wat me aansprak. Ik kon met haar praten over dingen waar mijn leeftijdsgenoten zich te cool voor vinden. We praatten soms zo lang dat we vergaten te neuken. 1: En ge zegt dan, dat ge nooit passie hebt gevoeld? 2: Inderdaad, ik heb het nooit gevoeld, omdat ik het niet toeliet. Ze was 25 jaar ouder en daarbovenop getrouwd. Het mocht niet, het kon niet. Dus wimpelde ik haar net als de andere uiteindelijk ook af, stopte met afspreken en antwoorden op berichten. 1: Meneer de hartenbreker. 2: Ja, maar deze keer was mijn eigen hart ook gebroken. 1: Zie ons hier zitten allebei met een gebroken hart. 2: Het is zielig. 1: Ach, jongen toch. Zo speciaal zijn we niet. Wandelt verder tot het volgend bankje en ge zult een ander gebroken ziel vinden, want wie, buiten de gebroken mens, zet zich nu alleen op een bankje? Het probleem is dat we banken te kort komen. 2: Van alles wat uit je mond is gekomen, is dit misschien wel het enigste waarmee ik akkoord ga. 1: Ik kom wat zuur over, maar wacht nog twintig jaar tot de maatschappij u voorbijsteekt en ge zult dezelfde onzin uitkramen. Steek misschien toch iets op van dit gesprek. Dat ge beter rechtstaat voor ge hier vastroest.  Ge zijt nog jong en ge kan nog van alles. Die vrouw, daar had je toch geen toekomst mee. 2: Ik moet je weer gelijk geven. Hoewel ik het altijd onderdrukte, zag ik haar graag. Toch kan ik niet zeggen dat ik hier zit omwille van liefdesverdriet. Het is gewoon, als je een vrouw tegenkomt die al zoveel heeft gezien en gedaan, dat je jezelf begint in vraag te stellen. Al die pinten pakken, meisjes imponeren en pronken tegenover mijn vrienden. Waar leidt het me. Naar deze fucking(!) bank, naast een ouwe zak -excuseer- als jij, of toch tenminste iemand die zich voordoet als een ouwe zak. 1: Daar is het, er zit toch wat gretigheid in u. 2: Maar voor jou geldt eigenlijk hetzelfde, je stelt het gedrag van een zestigjarige en je praat als een tachtigjarige, maar ook jij hebt nog veel te beleven, al je zelfmedelijden het brengt jou ook nergens. 1: Misschien hebt ge wel gelijk… Ja, ge hebt gelijk. Het wordt tijd om te vertrekken en dit zielig bankje achter te laten. 2: Ja man, ga weer de wereld in. Neem nu die vrouw aan de overkant, wie weet wat zij allemaal heeft meegemaakt, maar ze wandelt vooruit en dat is wat telt. 1: Ik doe het. Ik sta op. Sterker nog, ik dank mijn vrouw om me te verlaten. Sinds ze weg is leef ik weer. Ik erger me weer aan dingen, zoals aan u toen u hier kwam zitten, alsof ge een indringer in mijn leven was. Ik voel terug. Bedankt vreemdeling, ik ga er nu vandoor. Ik ga u nog een hand geven. 2: Ik moet jou ook bedanken. Ik blijf nog even zitten, maar ik kom binnenkort ook recht en dan laat ik deze bank ook achter me. 1 & 2: Dag! (Pauze) 2: Wacht, wacht, wacht. Je bent iets vergeten. 1: Och, het is een foto van mijn vrouw, ik zal het niet meer nodig hebben. Jij mag het hebben, als je wil. 2: Is dit uw vrouw? Is dit echt UW vrouw? (verontwaardigd) 1: Ja, waarom doet u daar zo raar over. Kent u ze misschien? 2: (Aarzelend) Euh, nee, nooit gezien. Ik was euh gewoon verwonderd. Uw vrouw ziet er… erg bijzonder uit. 1: Bijzonder? 2: Ik bedoel euh dat ze knap is. 1: Wat is het? Heb je nu ook al zin om mijn vrouw te bespringen? 2: (lacht ongemakkelijk) Nee hoor, dat heb ik …euh Ik zou niet durven. Ga nu maar door, de wereld wacht.

Ybe Terryn
6 1

De belangrijkste der Belgen

"Waarom oorlog voeren als je ook een potje voetbal kan spelen om te winnen?"  De bedenker van deze snedige quote? Mijn zoon. De daaruit voortvloeiende mond vol tanden? Die mag u toewijzen aan de moederfiguur. Me, myself and I.  We zitten in de wagen. Dochter, zoon en ik. Ik vertel hen over het boek dat ik aan het lezen ben: ‘De oversteek‘ van Dirk Bracke en Herman Van Campenhout. Het boek gaat over mensen die hun eigen woonplaats verlaten omdat het er, om één of andere reden, niet goed is om te leven. De mensen zijn er niet veilig en leggen een levensgevaarlijke tocht af om op zoek te gaan naar een beter leven. Dat vertel ik hen. Ik voeg eraan toe dat het boek mij enorm aangrijpt. Dat ik dingen lees die ik zó erg vind dat ik er eventjes helemaal van onderste boven ben.  En dan… dan vind ik het hoogtijd om de actualiteit erbij te halen. Ik vertel mijn kotertjes over vluchtelingen, asielzoekers en over de mensonwaardige omstandigheden die deze mensen moeten trotseren om gewoon ergens een beter leven te vinden. En veel eisen hebben ze vaak niet. Gewoon, een beter leven: eentje zonder oorlog, met eten en drinken en een dak boven het hoofd. Verstomming op de achterbank na mijn uitleg. Ongeloof. Onbegrip. Ik zie de raderen draaien in hun mooie bolletjes. Ze krijgen hun hoofdje er niet rond. Dat kan ik duidelijk zien in mijn achteruitkijkspiegel. Ik verwacht dus tegengas. En dat laat niet lang op zich wachten…   Mijn dochter steekt van wal. “Alé, dan kan België toch met een vliegtuig naar daar vliegen en die mensen gaan halen? Dan krijgen ze hier een beter leven.” Bam. Klets. Katsjing. De 8-jarige is fier op haar wereldvondst. Ze wacht nu nog op een behoorlijke uitleg van de (*tuut*)-jarige (= ik) waarom de Koning daar zélf nog niet op gekomen is!? (Want de Koning is de belangrijkste Belg van álle Belgen. Sowieso). Ik rijg wat zinnen aan elkaar, maar ik zoek zelf de samenhang nog terwijl ik spreek. Mijn radar draait evenzeer op volle toeren. Want hoe leg je in godsnaam uit aan een in en in menslievende 8-jarige dat België niet bereid is de mensen in ‘die landen’ te gaan halen om hen hier van een beter leven te bedienen?  En dan kwam ze. Dé quote. De wonderbaarlijk, simpele, edoch vlijmscherpe quote: “Waarom voeren ze oorlog als ze ook gewoon een potje voetbal kunnen spelen om te winnen?” (Lees: geen gewonden, geen doden, geen ravage, geen bommen, geen vluchtelingen, geen asielzoekers. Gewoon, 90 minuten sjotten met 1 duidelijke winnaar en that’s f** it!) Ik zweer het u: ik zat met mijn mond vol tanden. Ge-ni-aal!  Ik kan alleen maar hopen dat Filip (je weet wel, de Belangrijkste der Belgen) graag ‘literaire blogs’ leest. En iets kent van voetbal. Dat hoop ik écht…

Saar_b
22 0

Angsthaas

In de ogen van dochterlief is de spanning te lezen. Alleen kan ik er niet in zien of het door de harde windhoos is die de takken onze stadstuin in blaast. Of door de opwinding. Omdat zij nog het minst blokjes te leggen heeft. Nog twee en zij wint. De winnaar mag een snoepje kiezen. En wat nog rest is voor de verliezer. In de blikken doos liggen de laatste twee lekkernijen die ons troost bieden op natte koude winterdagen. De zoete geur komt me tegemoet. Ook dat van haar lievelingssnoepje. De blokjes van het gezelschapsspel vullen de eettafel. Netjes gerangschikt in rijen van opeenvolgende cijfers. Of in groepjes van drie dezelfde. Maar dan in een andere kleur. Het rangschikken zorgt voor rust. En afleiding. Want door het spelen merken we minder van de storm die al enkele uren huis houdt. Als kind was ik niet bang voor stormen of bliksem. En ook niet voor het donker. In de natuur zag ik geen gevaar. Bij haar is het anders. Hoe ik haar ook probeer te overtuigen – we zitten veilig in ons huis, alles wat weg kan waaien is vastgebonden en als de kerktoren omvalt is dat net niet op ons dak – niets stelt haar gerust. De wind fluit tussen de kieren en blaast zich een weg onder de deuren. Ik voel voor het eerst dat de luchtverplaatsingen me ook onrustig maken. Mijn adem zit hoog en maakt me duizelig. Samen met dochterlief is de angsthaas in mij geboren. Overal waar ik kijk zie ik gevaar. Niet voor mezelf maar voor haar. Net als ik de grond terug onder mijn voeten voel en denk dat de wind aan mijn aandacht is ontsnapt bonkt ze op het grote raam. De dakgoot van de buren raast door de tuin. De onrust bij dochterlief laait op. Nog één blokje te gaan. Zelf zie ik het niet meer goed komen. Met onze angsten en mijn tien blokjes op mijn spelbord. Ze legt haar laatste blokje tussen de vijf en zeven. Voor ik het besef is de sneeuwbal in haar mond verdwenen. Lachend biedt ze me de blikken doos met de cuberdon aan. De poedersuiker kleurt haar roze lippen wit en dwarrelt op haar zwarte trui. Sneeuwde het maar. Dan hadden we sneeuwengelen gemaakt en genoten van de stilte die over de wereld viel. Nu ging er alleen maar spanning in de lucht.

ZINinZICHT.
0 0