Dag krulletje, speels, dromerig, een beetje weerbarstig de andere kant op stekend. Ik hou van jou speciaal omdat net jij opspringt uit die dichte haardos, omdat net jij hem toebehoort, omdat net jij bent zoals hij.
hij schrijft ons neer in de ochtend de autorit met zijn gedicht is een hit wij twijfelen aan de snelheid tijd weten dat we niets kunnen vertragen daarom werd niets uitgeprobeerd we willen het licht van de liefde aan hij schrijft ons neer bij valavond wij zien ons minnaars in wie hij is een kus zonder afscheid op de mond
Kan mijn vel nog vloeienkolkend uit de voegenalles beslotenop het perkamentvan eeuwig groeienzal mijn huidzich sluitenvoor een zee van levenzal ik nietuit de nerven barstenals vochtige ogende matrijs van het verledennog eens openenzal ik danvan papier wordenop de kantlijnkrioelt hetvan ongeboren poëtenof heeft allesde tweede adem in zichmet de pulp meegroeiendals een spons twijgenin een nieuw bestaanontginnen van wegenin de oudste oordenvan het geboortelandals het proppenvan vergane dichtenen opnieuw beginnenin de geest van de oorsprong
Er was eens liefde Zo prachtig bracht leven meer liefde, piepklein Toen werd de liefde Plots liegde bracht leed En leegte, en pijn Toch werd de liefde Terug niefde Bracht hoop En warmte zo fijn De liefde herleefde Hervatte haar weg Dat ze nog lang En gelukkig mag zijn
Ik brief je een lief woordje of twee Recht uit het hart Soms ook door zee Ik brief je mijn lief Omdat papier Geduldig is... Je leest poging vier Briefdeslief Tegenwoordig kort Men bedenkt nog enkel Welke emoji het wordt Liefste brief Allerliefste lief Jij krijgt de brief Ik heb je lief
deining alles is waarde gelijk van snijkanten ik ben een harde lijn onder de mensen mijn kinderen hangen aan de muur op hoofdhoogte de menigte een oeroude vijver het vruchtwater tussen lege oevers de deining rimpelend van geboortes ook mijn moeder drijft tussen de cirkels ik zal afkalven druipend op de hoeken bedropen op de snijkant de kaders vervagend tot leegstaande doeken
Bij gebrek aan inzichtin wetende , hoe bodemlooseen ander zijn dal kan zijnstaren wij ons blindop de oogkleppen die we dragen
niets staat nog als een boom hij houdt huis rukt woorden uit in haar ogen stijgt het water de grond dondert onder hun voeten stomweg tot alles overwaait met een glas stilte
ik ben een beetje kapot en jij liet net een prot
(het was) met opzet geven om
ik hou van alle water behalve het mijne
ik raad breuken aan voor meer dieptezicht
lieve linde langs de Steenweg op Tielt verleid hem niet lok hem niet langer want hij wil bloeden in de winter als een rode vlinder vliegt hij ligt al snel in frieten sprietjes van wat handjesgras ze grijpen naar de lucht hij lacht begot hij is als een flamingo die zijn laatste poot verloor te moe te lam in dromen vindt hij ze de armen van zijn Vogelminnemientje aan u, meneer mevrouw de ambtenaar van groene en gedane zaken als u straks voorbijrijdt aan de gamma kinderopvang trieste dierenwinkel de gevangenis van Ruiselede stop dan bij die linde schrijf in uw verslag dat de verslagenheid niet groot moet zijn omdat de schors slechts wat geschonden is de boom zal overleven het is weg getakeld ongeluk een wrak met wieltjes uit die nare bocht wees opgelucht op deze elfde van een maand niet eens meer somber zacht gezalfd is nu zijn hoofd er klinkt getjilp van ijs gefladder in een fabeltje wordt er gestreeld op leeg papier uit de reeks 'Schrijfoefeningen voor de dood'
Ze krult haar lippen met voorbedachte rade tot de glimlach van een alchemist. In het melkschuim tekent zich de liefde af. Het is de kunst om tussen de lijnen te lezen wat ze wil.
Ik heeft steeds naar ik gezocht Totdat ik vond jou Ik vind je nog steeds Keer op keer opnieuw Ik denk dat ik je houd
wachtend in de rij aan het loket voor een heenreis naar een beter leven zeg ik aan mijn angsten: bedankt om afstand te houden
weemoed is je laven aan een opwelling droge tranen van afgepeigerd geluk
gij slang sluipend strontdier samen sliepen wij maar nu zij zorg
door een foto in mijn dromen heb ik mijn gezicht gevonden
voorbij de rand van het veen graast een koetje kalfje want er groeit gras op de kadavers van illusies en verleden tijd het is een kerktoren die gaten prikt in wolken zielsverlaten ligt mijn graf er bij en bloemen bulken voor een zomer zonder zorgen doch de bijen willen niet zijn aangetast door vuilbroed wintersterfte huist ook in mijn leeggevreten schedel ogen heb ik voor de blinde maden naast deze zee van zerken is een plein met een fontein het water komt niet uit de grond noch uit een buisje met asbest verzameld zijn de tranen echt ze wilden alle samen zinloos zijn een sluiermist voor droge dagen rollen over wangen van een droom kon maar het vel mag mijn vergane mond begot eens proeven want de uier spant ik voel het en ik hoor dat het niets bokkespringend als een kalf komt aangerend uit de reeks 'Schrijfoefeningen voor de dood'