Lezen

De Verloren ridder

Hoofdstuk 1 Het is een hele, koude maandagavond in kasteel Loevestein op 24 januari 2024. De overstromingen na weken van hevige regenval als gevolg van de klimaatveranderingen die het omringende Munnikenland het einde van vorig jaar teisterden, hebben Loevestein geïsoleerd van de buitenwereld. En nu vriest het dat het kraakt. De slotgracht om het kasteel en de wateren daarbuiten hebben een harde laag ijs gekregen na wekenlange, strenge vorst. Ook het ondergelopen Munnikenland, het resultaat van een nijvere ontginning door monniken rond het jaar 1000, is hard is door de bevriezing. Een pientere voorbijganger kan in deze omstandigheden makkelijk en zeker in het donker ongezien tot bij het kasteel komen.  Daar denkt Wim Spits, de beheerder en enige bewoner van het kasteel, op dit moment niet over na. Deze morgen stond het stoere slot er onder de opkomende ochtendzon tegen een helderblauwe hemel er ook nog heel vredig bij.  Dat was wel wat anders in het jaar 1358, toen een zekere heer Boudewijn, Godefriet, ridder van Loef aan de bouw van het kasteel begon en toren na toren en zaal na zaal na tientallen jaren op het stuk grond, precies op de splitsing van twee rivieren, tot een stoer en stevig gebouw had laten samensmelten. De tachtig jarige oorlog met de Spanjaarden zou spoedig beginnen. Maar de Nederlanden waren al verscheurd in allerlei strijdtonelen tegen elkaar en andere bedreigers van hun gronden en bestaan. Loevestein kreeg de eeuwen na zijn ‘geboorte’ te maken met vele veldslagen belegeringen en overleefde dat allemaal. Op wat kogelgaten na en een brand in de zolder boven de grote zael. Die zo in het toenmalige Nederlands dialect heette, omdat het de grootste kamer van het kasteel was.  Sinds de prachtige, koude ochtend vol kou en ijs leek er echter na eeuwen van relatieve rust toch weer iets in het ongenaakbare Loevestein te broeien. Niet dat iemand dat al had opgemerkt. Ook de lange slanke Wim Spits niet. Met zijn lange zwarte haren in een staart gebonden en gehuld in een zwarte jeans met daarop een donkerblauw hemd, is hij de hele dag al bezig de paden in en buiten Loevestein begaanbaar te maken. Zijn donkergroene ogen onder de stevige wenkbrauwen turen over de steel van de grote schep waarmee hij het ijs loswrikt. En ook in de talloze, grote en kleine kamers en in de grote zael heerst de rust als Wim voor het avondeten nog even zijn dagelijkse rondgang door het kasteel doet. Over een paar dagen gaat Loevestein na een wekenlange kerstvakantie weer open. Dan stromen er weer honderden bezoekers over de plavuizen vloeren en galmen weer de uitspraken van verwondering zoals ‘wow’ en ‘aaah’ door de gangen en ruimten van het kasteel bij Woudrichem aan de Waal en Maas. De avond kleurt de hemel donkerblauw. Hier en daar trekt een sliert grijze wolken voorbij en onttrekt daarmee de wassende maan nog een deel uit het zicht. Zodra de enige zichtbare heldergele helft van de maan vol aan de hemel staat, valt zijn schijnsel op de bakens van het kasteel: de rechthoekige, stalen gouden vaandels op de spitse daken van de twee robuuste, trotse torens die door dat uiterlijk ook steeds de meeste aandacht van het verdedigingsslot vragen.  De beheerder kijkt door de kleine, vierkante ramen van zijn poortwachterswoning aan het beging van het soldatenstraatje dat naar het kasteel loopt. Hij ruimt ondertussen de afwas van zijn avondeten op. De schemering zet het straatje in een grijze gloed die steeds donkerder kleurt en vermengd is met het halve maanlicht. De kerstverlichting die nog in het straatje hangt zorgt nog voor wat kleur en levendigheid op het ijskoude terrein. Wim twijfelt. Normaal gesproken doet hij voor achten nog een laatste ronde door Loevestein. De sleutels liggen al op de kleine, ronde beukenhout eettafel aan het raam klaar. De kou weerhoudt de trouwe dienaar van Loevestein er eigenlijk wel een beetje van. De hele dag is de man buiten de strijd met het ijs aangegaan. Wim loopt naar de achterkant van zijn kleine poortwachterswoning en trekt zijn kast met dienstkleding open. Nu zijn pas gedragen kleren te drogen hangen boven de radiator bij het achterraam is er niet veel keus meer uit warme kleding Dan toch maar even in de kast met zijn eigen privé-kleding kijken. De beheerder loopt op zijn sokken over de smalle trap naar de slaapkamer. Als hij de deur opentrekt kijkt hij recht in de ogen van zijn vriendin Sterre die meteen van schrik een schreeuw slaakt. De was die ze net aan het opvouwen is, valt daarbij pardoes uit haar handen. ‘Ik had je helemaal niet naar boven horen komen’, zegt ze tegen haar verwonderde vriend. ‘Gek want normaal hoor ik je altijd naar boven komen, zelfs al loop je op jouw sokken.’ Wim Verontschuldigt zich. ‘Misschien was ik deze keer sneller dan anders naar boven gekomen. Ik zoek even wat andere warme kleding voor mijn laatste ronde door het kasteel. Mijn dienstkleding is nog te nat.’  Sterre kijkt hem strak van beneden naar boven aan. Het verrast de man. ‘Het is net alsof daar iemand anders naar me staat te kijken’, denkt hij. ‘Die blik in haar mooie, donkerbruine ogen verraad iets van angst of zo’. Sterre vervolgt. ‘Zou je nog wel naar buiten gaan na zo’n lange dagen werken?’, vraagt ze. ‘Je ziet er ook zo vermoeid uit. Wim zoekt intussen naar een passende broek in de kast. ‘Tja, ik twijfel ook wel om nog naar het kasteel te lopen, maar ik heb het ook nog nooit overgeslagen dus ga ik toch maar kijken daar.’ Hij kijkt even achterom en ziet dat Sterre zich intussen heeft omgedraaid en de was in de laden van de kast naast de slaapkamerdeur stopt. Daarna strijkt ze met haar rechterhand gracieus door de donkerblonde lokken van haar weelderige haardos die net boven haar slanke schouders stoppen. ‘Wat is ze toch een prachtige vrouw om te zien’, denkt hij. ‘Eigenlijk moet ik haar wat meer aandacht geven. Doordat ik altijd zo ijverig bezig ben de boel in en buiten Loevestein op orde te houden, zou ik bijna gaan vergeten dat ik aan Sterre veel liefde en steun krijg en dat ze ook wel meer van mij verdient.’ Wim fronst even en op zijn altijd smetteloze gladde voorhoofd rekken zich een paar rimpeltjes uit. ‘Als we vanavond eens samen een lange avond in bed delen. Dat is misschien een veel beter idee’ mompelt hij zacht, zonder dat Sterre het hoort. Maar zoals veel voor vrouwen nu eenmaal niet verborgen blijft, raad Sterre zijn gedachten. Ze ziet niet alleen de rimpeltjes op het hoofd van haar grote liefde, maar ook zijn ondeugende ogen die haar stiekem gadeslaan. ‘Ik zie wat je denkt Wim’, zegt ze, maar ik moet je teleurstellen. ‘Zoals je wellicht nog weet moet ik over twintig minuten met het pontje naar Woudrichem varen om daar, zoals gebruikelijk, met ons dameskoor voor de mis van volgende week te oefenen. Je zult dus nog even moeten wachten.’ Wim pluist verder in zijn kast naar een coltrui en warme sokken. ‘Jij ziet ook alles hé’, zegt hij tegen Sterre. ‘Vooruit dan maar. Als je dan toch weggaat, dan zoek ik mijn heil maar in het kasteel. Wie weet wie ik daar nog tegenkom’, lacht hij ondeugend.  Als Sterre wat later de deur achter haar dicht trekt en het lege soldaten straatje uitloopt, op weg naar het pontje 400 meter verderop aan de oude Maas, heeft Wim zich intussen warm aangekleed en trekt zijn gevoerde, zwarte laarzen aan. Hij voelt in zijn jaszak naar de sleutel van hun huisje, steekt die in het sleutelgat en draait de sleutel. Terwijl Wim dat doet, klinkt er heel zacht geneurie. Hij schrikt op en draait de deur snel op slot. ‘Hoorde ik dat nu goed’, denkt de beheerder. ‘Dat leek wel echt of iemand aan het neuriën is.’ Hij spitst zijn oren. Nu hoort het weer! Wim luistert gespannen met de deurklink nog in de hand naar het liedje dat hij in de verte hoort’. Het lijkt veel op een versje, dat hij in zijn kinderjaren zelf veel zong en dat als volgt ging: ‘Al die willen te Kaapren varen moeten mannen met baarden zijn. Jan, Piet-Joris en Korneel die hebben baarden, die hebben baarden en varen mee.’  Wim kijkt om zich heen. Niets dan duisternis en wat gekleurde kerstlampjes in het straatje. Dan is het doodstil. Hij hapt opgelucht naar adem. ‘Ik verbeeld het me allemaal’, denkt hij. ‘Ik moet nog wat harder werken hier dan ben ik straks helemaal de kluts kwijt.’ Wim pept zichzelf op. ‘En nu naar Loevestein vooruit! Even een snelle rondgang en alle spoken daar wegjagen.’ Met een rustige pas loopt de man het straatje uit en draait dan rechts de hoek om waar honderd meter veder de ophaalbrug naar het kasteel over de gracht ligt te wachten op zijn laatste voetstappen vandaag. De kettingen van de brug bungelen flink heen een weer en daaruit kot een knarsend en krakend geluid. Wim stopt op de brug en kijkt naar het bungelende en ‘zingende’ gietijzer. ‘Zelfs de kettingen zingen hier vandaag’, grijnst hij. ‘Heel bijzonder.        Dit stuk tekst is voor verderop in het verhaal: Alleen in de stilte hoor en zie je de gedaante soms die Loevestein sinds kort lijkt te bewonen. De man die net doet of hij hier al altijd was is niemand minder dan ridder Vlegel. Hij is uit de geschiedenisboeken van de lage landen vooral bekend door zijn vele gevechten met zijn sterke, grote zwaard. Maar hij lijkt te zijn teruggekomen of was Vlegel hier altijd al? Dan gaat het verhaal beginnen met de geboorte en geschiedenis van de ridder en wordt langzaam maar zeker duidelijk wat hij hier en nu op Loevestein te zoeken heeft. Ook nog een stuk tekst wat ergens in een achterflap of voorwoord gebruikt kan worden: Vlegel doet ongezien alles wat een ridder in zijn tijd deed. Dus gevechten voeren, een kameraad ridder opzoeken, te paard de strijd aangaan met andere ridders op andere kastelenen veel meer van die dingen. Dat wordt nergens in het kasteel opgemerkt. Althans zo lijkt het, want er is wel degelijk iemand in het huidige kasteel die merkt dat er iets aan de hand is tussen de kasteelmuren. En ook buiten die muren en zelfs buiten de hoofdpoort. Hij ontdekt, dat het kasteel op een of andere manier verandert. Zo hangen er ineens geen schilderijen meer.

Dreschrijft
5 1

Een Nooteboom in de winter

Beste heer Nooteboom, Al enkele keren heb ik mezelf betrapt op de gedachte. Dat je* er niet meer was. Af en toe verscheen je in mijn nieuws van de dag of gesprek aan de tafel, en telkens dacht ik: je bent weeral ouder. Hetzelfde gevoel bekruipt me soms met andere helden zoals Kees Van Kooten en Toon Tellegen. Ik had het je gegund 100 te worden, met zulke mooie nullen. Maar die eeuwige slaap, waar je zelf dichterlijk leek naar te verlangen bij momenten, kon niet uitblijven. Met weemoed denk ik terug aan de masterthesis die ik over jouw poëzie (vanaf 1982) heb geschreven. Die vele uren in de bibliotheek van de UA. Aan de correspondentie met de heer Rennenberg, wiens werk ik wilde voortzetten. Hij had het in zijn onderzoek over een labyrint, en hoe je er telkens tevergeefs uit wilde ontsnappen. Hij had het over de tijd en de dood in je gedichten. En over de weg naar boven, die hij ‘ascentionalisme’ doopte. Hoewel ik niet de grootste onderscheiding kreeg voor mijn eigen werk, ben ik nog steeds trots op en overtuigd van mijn kleine bijdrage: je spiritualiteit en de gnosis in je poëzie (waar ook Claus en vooral Mulisch zich mee inlieten) als ultieme ontsnapping. Ik hoop dat je jezelf uiteindelijk hebt gevonden. Dat je nu op een van die talloze geliefde plekken bent. In Duitsland of Spanje wellicht. Of misschien zit je nu wel op de Koude Berg, in China. Eindelijk dicht bij jezelf. ‘Van het begin af was Koude Berg mijn woningZwervend tussen de heuvels, ver van het rumoer.Weg, en duizend dingen laten geen spoor na.Los, en alles stroomt langs oneindig veel sterren.Geen ding, en toch staat het voor me.Nu ken ik de parel van het Boeddha-wezenEn ken zijn gebruik: grenzeloos en volmaakt enzo rond als een nul.’ Ik zou nog zoveel kunnen schrijven, maar ik laat mezelf nu hier achter. En wel met mijn lievelingsgedicht van jou. Rust zacht, Cees Nooteboom. Trinidad Dit ben ik vaak geweest:een man op een landweg,een man in een vliegtuig,een man met een vrouw. En dit ben ik vaak geweest:een man die zich onder een steenwou verbergenom geen licht meer te zien. Deze twee mannen,ze dragen mijn koffers,ze lezen mijn kranten,ze verdienen mijn brood. Samen trekken wedoor het geluid en de lucht van de wereldop zoek naar het onzichtbare standbeeldwaar ze alledrie opstaanin de gedaante van één.*Eerst wilde ik je met u aanschrijven uit respect, maar ik kies toch voor een jij. Als er iets is wat ik je wil geven, is het nabijheid.  

Lennart Vanstaen
11 4

Mijn mama is een taart

Iedere ochtend ontwaakt mijn mama, en start ze plichtsbewust aan haar dag. Ze kneedt zichzelf in de vorm waarin ze dient te passen, en kiest met welke vulling en toppings ze zichzelf versiert die dag. Appelen, peren, krieken, pruimen, wat meringue of amandel, en vergeet zeker niet een rijkelijke toets room! Ze geeft aandacht aan hoe het oog de maag verleidt, zodat de mensen een stap in haar richting zetten. Een eierwasje vormt een uitnodiging om de blik over haar gouden korst te laten glijden, haar essences en aroma’s dienen om de neus te bekoren, en het totaalplaatje verleidt om je tanden diep in haar kern te doen zinken. Haar liefde vloeit in de fluwelen siroop die haar doordrenkt. Fleurig, fruitig, zacht, en zoet, zo ken ik ze wel. Ze wil ons voeden, dat weet ik wel. Vreemd genoeg voel ik me nooit echt gevuld. Iedere ochtend biedt ze me een beet aan. Iedere ochtend zit ik op mijn honger. Hoe ouder ik word, hoe meer ik zie van de wereld, hoe meer ik ervan wil proeven, hoe meer de mogelijkheden me smaken, hoe slechter haar taart valt op mijn maag. Haar geglazuurde glans lijkt altijd meer te beloven dan dat ze ooit echt kan geven. Deze ochtend is een ochtend zoals een andere. Ik tref mijn mama op de vensterbank, afkoelend van haar harde werk. Ze begroet mij:   “Ach me jonk, zijt ge al do! Vergist u niet, al is wel kloar. Wa geduld, ‘kzènnekik nog te héjet. Mah bekans, joa bekans, krijg ge wel euw beet!”   Ik kijk naar mijn mama, en zie wie ze is vandaag. Karmijnrood vanbinnen, knalroze siroop rijkelijk besprenkeld bovenop, en romig wit helemaal rondom – ze is gelaagd maar gekend; Een klassieke aardbeientaart, zoals je ze alleen maar treft in de meest appetijtelijk ogende kookboeken. Als een hond bij de bel kwijl ik binnensmonds, maar mijn maag keert zich om. Ze wilt ons voeden, maar ik heb geen trek.   “Zo, me jonk, zedde gereed? Ge moet nog zo gruien, dus hier – neemt u e beet.”   “Wat hebben we nog?”   “Wasda nou? Zijde zeek? Neemt enkel e kletske, dan worde nie bleek.”   “Ik – ik voel me prima, mama. Ik heb gewoon niet zo’n goesting in een stuk taart.”   “Mah jonk toch! Wa zegde gij? Ge eet déés ieleke morgent, en ‘t maakt u altied zo blij!”   “Ik eet het iedere ochtend, omdat je nooit iets anders geeft! En ik wil het niet!”   “Zo’n attitude kan krei vertieren! Eet nu, en laat os hier nimmei over schmieren.”   De rommelende donder in mijn maag blijkt sterker dan de regenwolken en bliksemschichten in mijn ogen. Mijn mama, de prachtige aardbeientaart, werpt me een bezorgde blik.   “Ek em enkel ‘t beste met u voor. Iejen êtteleke hap, en ek geef u men oor.”   En hoewel mijn maag uit mijn lijf lijkt te willen kruipen, en iedere zenuw in mij smeekt om al dat spul buiten mij te houden, is die belofte van mijn mama te groot. Dus ik bijt op mijn tong, grijp de vork in mijn hand,breek de onberoerde oppervlakte van mijn mama,open mijn trillende lippen,neem de taart in mijn mond,en slik het door.   Iets is anders aan haar vandaag.Iets kleeft. Iets plakt.   Ik probeer te smakken, maar mijn kaken verstijven. Mijn kiezen kleven aan een. Mijn tong, dat dreunend en zwellend plak vlees, scheurt zich met moeite van mijn gehemelte, en klit zich aan de onderkant van mijn mond. Ik slik, het ongemak zo hopelijk weg, om alleen maar alles in mijn mond stroperiger te doen voelen. Dat siroop slibt dieper neerwaarts, ik voel het mijn keel dresseren, als friszoet pek dat alles overneemt.  Ik kijk naar mijn mama, de klassieke aardbeientaart, en voor ik zelfs maar kan proberen een klank van onrust en paniek te maken, spreekt ze:   “Ach me jonk, ge voelt nou gin glans. Mah voor u ligt er e hennige kans!Euw vieraars ginge ook over déés pad. Ook zij hemme dien hennige sjans gehad.Geloof me jonk, ‘t es plezeering om os te zeen. Ge gaat u dankbaar voelen, en ‘t houdt al aaneen.Wellie voeden, wellie vûlle, wellie maken den buiken vol. Vruger of loater wordt déés ook euw rol.Loat me u helpen, e vloai zeen is en eer. Déés lèèste beet doet et gerinste zeer.”   Mijn huid kraakt en krakelt. Mijn gewrichten lijken te verstijven. Ik stik en verslik in dit aarbeienslik. Ik zoek naar mijn eigen reflectie, en zie hoe dat mijn lichaam muteert in iets dat ik niet ben. Mijn huid meer en meer gouden gezwollen, mijn ogen bloesemend als verse bessen, mijn blik steeds rozer getint, mijn brein steeds meer dichtgeslibd, mijn stem steeds meer klevend versmacht, mijn hart steeds harder bonzend in mijn borstkas – ik staar naar dat groteske spel voor mij.   Wah is da da ek zien? Of is déés wah een wien?Wach, wah is déés afzichtelijk patroon?Ek klènk nimmei as me eigen persoon.Nei, déés kan neet, déés is neet wien ek zen!Loat ‘t stoppen vooraleer ek mezelf neet mier herken!Ek smeek naar al die me kunnen horen:Loat déés vlees mien geest neet versmoren!Is déés dan al? Met eeuwige zeer?Déés is den vrucht, ondanks mien afkeer.Wah ek ken, is neet mier. Wellie lopen déés pad.Alzelééven vur me leven, gelijk men monne ook betrad.       Men monne is e vloai, en ‘kzènnekik dat ook.E tradiese op generatie, zo zuut dat ek kook.Den zaolëgste vruchten en e kos vá goud.Ek smaak no woar gij ‘t mieste vá houd.‘t Is wêrreke al dagen, doch zènnekik zo froj.Want gij, den wereld, eist pertang die vloai.Me jonk, ge moet wete, den wereld is vrieët.Want bekans, joa bekans, krijgt ge ook wel euw beet.

Eden Oscar
6 1

Kropsla

‘Heb jij de sla mee in je rugzak? ‘ ‘Jaja, maar loop nu gewoon door!’ ‘Amai, dat is verder van aan het station dan dat ik had gedacht!’  ‘Kijk! Het is ons gelukt! We zijn net op tijd! Kijk,daar!’  Het vuurwerk knalt hard. De rode dotjes aan een lange lijn exploderen met veel lawaai. Ik duw mijn vingers tegen mijn oorlellen. Een wolk van rook stijgt op. De tip vanop de website om oordopjes mee te nemen was meer dan een warme suggestie.  De hele straat is gevuld met mensen. We schuifelen ons erbij. Ik zet me op de tippen van mijn tenen. Het geroffel van een grote trommel komt dichterbij. Gongs en cimbalen geven het  opjagende tempo mee aan. De menigte verdeelt zich in twee en kiest elk een kant van de straat. Twee kleurrijke rode leeuwen sluipen dichterbij. Hun kostuum is rijkelijk versierd met bontranden, spiegeltjes en gelimmende pailletten. De kop heeft grote knipperende ogen. Binnenin laat iemand de mond bewegen. Onder de lange kleurrijke mantel vormt een andere persoon de achterpoten en de staart.  De trommelaar slaat sneller en sneller. De leeuwen dansen energieker van het in midden van de straat tot aan de mensen op de stoeprand. De grootste van de twee leeuwen springt voor ons en stopt. Hij schudt met zijn hoofd van links naar rechts, kijkt naar mij en knipoogt guitig. Hij schudt met zijn achterwerk en legt zich neer zoals een hond in rust.  Het trommelgroffel bouwt verder op, harder en harder. Plots houdt het op. De leeuw staat op zijn achterste poten. De mantel van rode vacht en gouden randen aan de buik valt open. Er passen twee getrainde mannen in. De ene zit in de nek van de andere.   Jij kijkt naar mij en vraagt: ‘Durf jij de sla te geven?’  Ik schud vluchtig nee.  Jij moet lachen en geeft me een knuffel: ‘Wauw! Prachtig! Gelukkige nieuwjaar!’ De leeuwen schuddenbuiken verder door de straat. Het tromgeroffel dooft uit.  ‘Zin om nog naar het pleintje te gaan? Volgens mij, hebben ze in één van die kraampjes zo’n knuffelpaardje. Wil je graag eentje dat lacht of eentje dat huilt?’ ‘Euuh, of eten we anders samen eerst een baozi ?’ ‘Ja, dat is goed!’ 

Evelien Meulders
14 0