Lezen

In gesprek met Philippe Besson.

Omdat Thomas nooit de kans gekregen had om te spreken, geeft de auteur hier de stem aan de man die uiteindelijk veel inspraak zal hebben in het verloop van zijn eigen leven. In een vertaling van Martine Woudt die elke gevoeligheid en elke nuance van het geschreven woord weet neer te leggen in een verhaal waar ogen, stemmen, handen en twee lichamen elkaar ook zonder woorden begrijpen, weet je als lezer waarom woorden soms zoveel tijd later hun plaats vinden. En dat is een geruststelling.  Ik had een warme babbel met de schrijver. ‘Lieg met mij’ inspireert, verlangt, vervoert en ontroert. Het boek siddert nog in elke vezel na. Het is authentiek en het is herkenbaar. Het doet glimlachen en het doet beven. Het is vooral een verhaal dat je moet lezen en koesteren. En rustig lezen.  U bent iemand die fictie schrijft en verhalen verzint. Met ‘Lieg met mij’ doet u helemaal het omgekeerde. U legt uw ziel bloot, u bent op iedere bladzijde, in iedere zin en elk geschreven woord bent u puur en oprecht dat het haast pijn doet. Waren er in uw vorige boeken al aanwijzingen voor dit verhaal? "Ik heb me lange tijd gedefinieerd als romanschrijver, iemand die verhalen en personages verzint, iemand die fictie schrijft. Ik ben schrijver geworden om andere levens dan het mijne te kunnen leven, om een ander iemand te worden. En toch, ook al schrijf je louter fictie, je kan niet vermijden dat je her en der je eigen intieme waarheden uitstrooit en af en toe brokken van je eigen leven in fictie verwerkt. Je kan niet schrijven door helemaal los te staan van wat of wie je bent, je kan niet los van je eigen leven schrijven, los van gevoelens die door je heen gaan. Dus ja, in sommige van mijn vorige romans vind je sporen van Thomas Andrieu, de jongen die ik ontmoet heb toen ik 17 was. Ik heb heel veel geschreven over verloren liefdes, over wat gemis met je doet omdat ik altijd aan hem dacht. Ik heb besloten om over hem te schrijven zonder de filter van fictie omdat ik een onverwachte ontmoeting had (Lucas in het boek). Die ontmoeting heeft me naar mijn verleden teruggebracht en deze ontmoeting heeft me gedwongen dit verleden in ogen te zien." © De Bezige BijVerliesHoe is de noodzaak gekomen om erover te schrijven, buiten de ontmoeting met Lucas? "Ik wou dat de lezer weet dat Thomas bestaan heeft. Ik wou dat zijn leven niet een verloren leven was. Ik wou dat deze grote afwezige aanwezig was; boeken hebben de kunst die aanwezigheid te creëren. Ik wou dat de lezer zijn pijnen die niet gehoord werden en verborgen gebleven, kende. Ik wou dat men weet dat stilte leidt tot de dood." Was u niet bang om dit verhaal te schrijven? U ging naar de donkere hoeken van uw geheugen, alles opnieuw moeten beleven; het is niet zomaar een verhaal schrijven, want dit verhaal is als het bloed in uw lichaam. Het is geuren herbeleven, aanrakingen, blikken, gevoelens, tekenen, twijfels… Het kan ook aangenaam geweest zijn dit allemaal mogen te herbeleven, de tijd van het schrijven, als een zoete herinnering. Hoe is het schrijven gegaan? Zijn er andere deuren opengegaan waarvan u dacht dat ze gesloten waren? "Ik heb me met heel mijn lijf op het verhaal gesmeten, zonder na te denken. Ik werd geleid door wat ik van binnenin voelde. Niet door de rede. De rede kan de vijand van je gevoelens zijn. Ik heb me moeten laten gaan, ik heb me moeten laten meeslepen. Ik moest mezelf erin verliezen. Terwijl ik schreef, heb ik tegelijkertijd vreugde en pijn gekend. Vreugde want ik herinnerde me ons geluk, ik herinnerde me enkele gelukkige jaren. Ik voelde ook pijn ook, want ik begreep dat deze jaren voorgoed verloren waren." IntiemHoe voelde u zich eenmaal het manuscript klaar was? "Ik was verrast dat ik gedurfd had tot op het einde te gaan. En ik voelde me ook trots omdat ik de dingen heb gezegd zoals ze gezegd moesten worden, zonder vernis en vooral zonder schroom. Ik voelde me trots omdat ik eer betoond had aan deze verdwenen man en die van mij de man en de schrijver heeft gemaakt die ik vandaag ben. Maar ik was ook bang. Ik heb me afgevraagd hoe dit boek ontvangen zou worden. Ik was niet bang dat men mij zou verwijten schaamteloos te zijn geweest (ik denk zelfs dat ik dat niet ben geweest). Ik vroeg me af hoe de mensen in dit zeer intiem verhaal zouden treden. Toen het boek is gepubliceerd, heb ik beseft dat wanneer je tot het meest intieme gaat, je de kans hebt om tot iets groots te gaan." Ik ben ervan overtuigd dat gevoelens boven de dwaasheid kunnen staan. Veel mensen hebben het u allicht al gezegd, wanneer u de woorden van Thomas schrijft “omdat jij weg zult gaan en wij zullen blijven” is zeer in de stijl van Marguerite Duras. U was toen heel verliefd, misschien was er iets dat u ontweek? Ik heb toen met mijn vriend over uw boek gesproken en over hoe verliefd u wel niet was. Mijn vriend is zeer down to earth. Wanneer een liefdesverhaal gedaan is, is het ook gedaan en is de bladzijde omgedraaid. U daarentegen lijkt een romanticus te zijn. "Wanneer Thomas me zegt: “Omdat jij weg zult gaan en wij zullen blijven”, stop ik mezelf niet weg. Ik begreep toen gewoonweg niet wat hij bedoelde. Je moet begrijpen dat ik me toen veilig voelde in de cocon van mijn jeugd, en ik jaagde niet bepaald wilde dromen achterna. Bovendien was ik bang van grootsteden. Ik ben altijd voorzichtig geweest met voorgevoelens: ze stroken zelden met de werkelijkheid. Maar wat zeker was, ik wou het einde van mijn verhaal met Thomas niet onder ogen zien. Ik wou die muur niet zien. Ik was verliefd, ik wou dat onze liefde verder ging, ik wist onbewust wat zich tegen ons keerde: wat de anderen gingen zeggen, het gewicht van tradities, de weerstand en de walging die mensen als wij opriepen bij andere mensen. Ik ben ervan overtuigd dat gevoelens boven de dwaasheid kunnen staan; maakt dat van mij een grote romanticus, dat zou ik niet weten." Heeft het schrijven van dit verhaal de manier waarop u nadien uw boeken schreef, veranderd? "Ja. Ik heb me ontdaan van veel dingen, ik heb me kunnen ontlasten, ik ga nu meer naar wat essentieel is. Ik zeg tegen mezelf dat ik geen tijd meer te verliezen heb."  © Eric Fougere-CorbisVerrassendU geeft verrassende wendingen aan sommige woorden, zoals bijvoorbeeld aan ‘liefde’. U schrijft dat er zoveel nuances zijn, u was geroerd, gecharmeerd, verward, verleid, bezeten, verblind, van slag. Terwijl u in één woord verliefd was. Het getuigt van een mooie liefdesverklaring. Op dat moment vraagt u zich af (of vraagt u het misschien rechtstreeks aan de lezer): “Ik heb me afgevraagd of dat verzonnen kon zijn. Je weet dat ik de hele tijd van alles verzon en dat zo geloofwaardig maakte dat iedereen me uiteindelijk geloofde (soms kon ik zelf niet eens meer zeggen wat waar was en wat niet). Later maakte ik daar mijn beroep van en werd ik romanschrijver. Had ik deze geschiedenis van a tot z uit mijn duim kunnen zuigen? Kon ik een erotische obsessie in liefde veranderen? Ja, dat is mogelijk”. Is er iets in het verhaal dat u verzonnen heeft? "Om dit boek te schrijven, heb ik beroep op mijn geheugen gedaan. Misschien was het een gefragmenteerd geheugen of een herschikt geheugen of misschien zelf een uitgevonden geheugen? Trouwens, u heeft waarschijnlijk gemerkt dat twee mensen die verliefd zijn bijna nooit hun gemeenschappelijk avontuur met dezelfde inhoud vertellen. Zou jouw vriend hetzelfde vertellen als jij? Mijn Thomas had kunnen zeggen: neen, zo is het niet gebeurd, of het is niet helemaal zo gebeurd. Maar ik wil je wel verzekeren: in dit boek is alles echt (of toch bijna)." Is het een puur autobiografisch schrijven, een roman, een verhaal of is het autofictie? Niet veel schrijvers hanteren de autofictionele stijl in hun schrijven. Men schrijft sneller over iets wat men meegemaakt heeft als een getuigenis van een gebeurtenis. "Ik kan dit boek niet echt in een hokje plaatsen. Ik weet wel wat het boek niet is: het is geen roman omdat de waarheid er een belangrijke plaats inneemt. Het is geen getuigenis omdat ik zorgvuldig met taal en woorden ben omgegaan in de manier waarop ik het geschreven heb. Het is geen roman want ik heb het verhaal niet verzonnen. Het is misschien gewoon een liefdesbrief. Mijn antwoord voor Thomas."  AfscheidU beschrijft het moment waarop u een foto van Thomas neemt. Wist u dat dit de laatste momenten waren?"Toen ik een foto van Thomas nam, wist ik niet dat het de enige foto zou zijn. Op dat moment dacht ik dat ons verhaal verder ging. Ik heb dat tot op de allerlaatste seconde geloofd. De foto op de Nederlandstalige uitgave vind ik prachtig. Ik hou van de melancholie en de sensualiteit die ervan uitgaat." Naar het einde toe, ben ik beginnen huilen. Dat overkomt me bijna nooit wanneer ik een roman lees, maar bij u spatten de tranen uit mijn ogen. Wanneer u afscheid neemt van Lucas en hem de hand schudt, schrijft u: “En als onze handen elkaar loslaten, strijken onze vingers langs elkaar”. Het is alsof u de vingers van Thomas voelt. "Wanneer Lucas me zijn hand reikte, wist ik dat ik onze geschiedenis mocht neerschrijven. En hij vroeg het ook. Ik was toen helemaal van slag." Bij het lezen van uw verhaal, ging er veel Franse muziek doorheen mijn hoofd. Ik dacht vooral aan ‘Amoureuse’ van Véronique Sanson. Hebt u bij dit boek een playlist, muziek die u inspireerde tijdens het schrijven? "Ik heb geluisterd naar ‘Puisque tu pars’ van Jean-Jacques Goldman. Ik hou van dat nummer en ook omdat het liedje verschrikkelijke en ook prachtige resonanties heeft met het verhaal dat ik aan het schrijven was." Hij heeft me geleerd hoe breekbaar het leven kan zijn, want hij is weggegaan. Lucas overhandigt u een brief van Thomas. Hoe heeft u zich gevoeld daarna? Hoe heeft deze brief, en uiteindelijk heel dit verhaal, uw leven beïnvloed, uw relaties, uw kijk op de wereld, uw schrijven, uw literair parcours? "Ik was toen 17 jaar en het essentiële uit mijn leven met Thomas is toen gebeurd. Ik ben vandaag de man geworden die ik vandaag ben. Hij heeft me de liefde geleerd en dat gaat gepaard met onbevangenheid, opwinding, geheimzinnigheid. Hij heeft me geleerd hoe breekbaar het leven kan zijn, want hij is weggegaan. Men komt nooit te boven iemand te hebben verlaten wanneer je nog niet gestopt hebt van elkaar te houden. Mijn boeken gaan alleen maar daar over. Over de pijn van afwezigheid." Heeft u aan Thomas “Ik hou van jou” gezegd? "Wanneer je 17 bent, zeg je niet “Ik hou van jou”. Wanneer je 17 bent, ben je niet serieus." U schrijft ook: “De aids die ons van onze zorgeloosheid zal beroven”. Ik ben in dezelfde jaren als u in Parijs activist geweest bij Aides en ik heb geflirt met Act Up. Hoe ziet u vandaag het activisme van jongeren in de strijd tegen aids, of misschien ook in andere strijden? "Aids heeft heel veel van mijn vrienden weggenomen. Heel veel. Ze zijn van mij ontrukt in hun mooiste jaren. Ze waren 20 jaar, ze hebben nooit de kans gekregen om oud te worden. Wanneer ik vandaag met hen wil spreken, ga ik naar hun graf. Ik leef met mijn doden. Dat is aids. Ik heb een grote bewondering voor activisten van toen die zich in de strijd tegen aids gooiden, net als jij ben ik activist geweest, ik vond het de meest nobele zaak om tegelijkertijd te vechten voor het leven en tegen zoveel obscurantisme. De strijd is niet meer omdat men zeer onterecht denkt dat aids het leven niet meer wegneemt." Het boek wordt verfilmd. Weet u daar al iets over? "De opnames beginnen in het voorjaar van 2021. Ik heb zelf niet deelgenomen aan het schrijven van het scenario. Olivier Peyon, de regisseur, beslist zelf wat hij wil laten zien. Ik ben ervan overtuigd dat de film geslaagd zal zijn maar hij zal nooit mijn eigen beelden, mijn eigen herinneringen kunnen vervangen. De blik van Thomas, de eerste dag, dat moment van erkenning, ik ben de enige die dat kent."

Erwin Abbeloos
42 0

Over het hoofddoekenverbod.

Studente Samia Bachiri vraagt zich in een opiniestuk VRT Nws af waarom zij haar hoofddoek moet afleggen als ze de schoolpoort binnenstapt. Ze stelt dat het hoofddoekenverbod – en niet de hoofddoek zelf – een vorm van onderdrukking is. Dat is niet helemaal waar. De vrije wil - of niet - om een hoofddoek te dragen hier terzijde gelaten, getuigt haar betoogt van een telkens weer terugkerende oneerlijke framing dat het debat weg draait van zijn historische essentie dat juist haar vrijheid om te studeren beschermt. De betoging van zondag 5 juli in Brussel, georganiseerd door HijabisFightBack, is daarom heel dubbel. In hun strijd naar vrijheid kan ik de dames – en de enkele heren aanwezig – geen ongelijk geven. Onze veelal Westerse maatschappijen hebben hard gestreden – en doen dat nog steeds – voor de vrijheden van iedere vrouw. Met vrouwen, voor vrouwen en door vrouwen. Ik zou zo nog meestappen als ik zou zien dat haar vrijheden door het toedoen van de mens in de maatschappij beknot zou worden. Helaas brengt deze betoging geen zoden aan de dijk. Op 3 november 1998 tijdens de lange discussies over het samenlevingscontract PACS in Frankrijk, haalt Christine Boutin, toen rechtsgezinde spilfiguur in het Franse parlement, de Bijbel naar boven om later op straat “les pédés au bûcher” te onderschrijven. De debatten rond de PACS waren de eerste timide stappen van de Franse regering om het samenleven van onder andere twee mensen van hetzelfde geslacht (met uitzondering van broers en zussen) een evenwaardig juridisch kader te geven als bv. mensen die een huwelijk aangaan. Op vraag van onder andere Aides en Act Up Paris werd dit debat gevoerd doordat onder andere seropositieve mannen en vrouwen als koppel gediscrimineerd werden. Het debat werd die dag meteen stilgelegd. Dit voorbeeld kan een antwoord zijn op Bachiri’s prangende vraag waarom zij haar hoofddoek – en bij uitbreiding elk religieus symbool – niet kan dragen. De hoofddoek is, net zoals elk ander attribuut dat verwijst naar een god, de religieuze uiting van een macht. Die macht heet religie. Wanneer je die macht in publieke instellingen toelaat, legitimeer je die macht om zich te manifesteren tegen vrouwen, tegen holebi’s, tegen ongelovigen en ga zo maar door. Tegen iedereen die zich niet aan die religieuze macht onderwerpt. Niet onze maatschappij anno 2020 belemmert Bachiri en alle andere gelovige vrouwen in hun godsdienstbeleving. Nergens in onze wetgeving van onze seculaire maatschappij waar zij ook deel van uitmaakt wordt het dragen van religieuze tekens verboden. Nergens in diezelfde wetgeving wordt hen de toegang tot het onderwijs geweigerd. De ironie wil dat het juist religie is die hen toegang tot studeren belemmert. In een maatschappij waar je wél religieuze symboliek in publieke instellingen toelaat, creëert na verloop van tijd diezelfde symboliek het gevaar om als vrouw geen beroep te kunnen doen op het Hooggerechtshof. Het is juist om vrouwen te beschermen dat justitie geblinddoekt afgebeeld wordt om zo religie geen kans te geven vrouwen van (officieel) onderwijs of hun fundamentele vrijheden te ontzeggen. De dag waarop religieuze symboliek ontladen zal zijn van de macht en de invloed die ze wil uitoefenen op de mens en de maatschappij, zie ik graag hoofddoeken op de schoolbanken. Waar het om gaat is de scheiding van religie en staat. En voor die scheiding zal ik altijd blijven strijden. Het kledingstuk wordt niet gepolitiseerd zoals het regelmatig beweerd wordt. Het kledingstuk heeft niet alleen zichzelf gepolitiseerd maar is ook gerecupereerd door de politieke macht. Want wat is macht? Macht is controle. Of stemmenronselarij om groter te worden. Laat nu juist het onderwijs een plek zijn waar controle door macht de grote afwezige moet zijn om jezelf als mens te kunnen ontplooien. De verzuiling is achter de rug en vandaag genieten we als vrije burger van vrij onderwijs. Dat valt niet samen met religieuze voorschriften. Niet op school, niet aan het loket. Het is een gemiste kans van deze studente om zich aan kritische analyse van het debat te onderwerpen. Moslima’s hebben het recht, net als protestanten en christenen, op onderwijs dat hun vrijheid garandeert. Daarvoor teken ik meteen. Tenslotte, als in 1998 de maatschappij Christine Boutin niet op de vingers had getikt, hadden vandaag de dag duizenden seropositieve mannen en vrouwen geen rechten, waren er geen wetten om homofobie en homohaat te bestraffen en kon ik vandaag als Erwin nooit trouwen met Sébastien.  

Erwin Abbeloos
30 0

Belofte maakt schuld

Mannen , allemaal hetzelfde. Veel beloven en alleen maar kwetsen. Ook hij was zo. Onze allereerste ontmoeting was niet meer dan een snelle blik in een overvolle bus. Een korte blik, gevolgd door zijn betoverende glimlach. Ik keek naar mezelf en vroeg me af hoe het kwam dat ik die dag zo in de smaak viel bij mannen. Talloze keren werd ik nagefloten in de drukste straat van de stad. Was het mijn zwart stijl haar? Mijn rood gelakte nagels? Misschien was het wel mijn kleding. Of neen, mijn kledingstijl was in de meeste gevallen niet zo populair. Alternatief noemden ze het soms. Niet alleen mensen op school, ook familie leverde regelmatig commentaar. Maar ik was wie ik was en net daarom maakte het niet uit hoe ik was. Hij was verkocht en ik kon zijn hemelsblauwe ogen niet meer uit mijn gedachten krijgen. Zijn eindhalte kwam eerder dan de mijne, maar lang moest ik niet meer in de bus zitten. Ik concludeerde dat hij ook van mijn dorp afkomstig was. Hij liep naar het middenstuk van de bus om uit te stappen, de plaats waar ik ook stond. Zijn slimme zet van toen veranderde alles. Op dat moment liet hij een kaartje in mijn tas vallen – de gluiperd. Achteraf zou blijken dat er naast wat kleine krabbels ook een nummer op stond. En ik was zo dom om hem diezelfde dag nog te bellen, vol overtuigd van wederzijdse interesse. Wat er volgde was een relatief aangenaam gesprek. Gepraat, gelach, eigenlijk een perfect eerste contact. Maar meteen voelde ik dat hij veel sneller wou gaan dan ik. Zijn overtuigingskracht en charmes leidden ertoe dat ik de volgende avond aan de kerk in het dorp stond. Hij daagde op (niet dat ik het anders verwacht had) en kwam meteen naar me toe zonder een moment van aarzeling. Ik denk dat we nog geen drie zinnen tegen elkaar hadden gezegd, toen hij plotseling veel dichter kwam. Ik zette wat stappen achteruit, maar ver kon ik niet gaan. Weldra stond ik tegen de muur van de kerk. Hij stopte niet. Integendeel, hij bleef dichter komen tot op het punt dat onze lichamen elkaar raakten. Ik voelde zijn ene hand naar mijn keel grijpen, terwijl de andere via mijn buik tussen mijn benen belandde. Paniek. Ik probeerde los te komen. Aanvankelijk lukte dat niet, maar toen hem een krachtige slag met mijn onderarm gaf, verzwakte zijn greep. Ik slaagde erin te ontkomen en zette het op een lopen. Wonder boven wonder volgde hij me niet, maar ik liep door. Mijn mascara liep uit – net op die ene keer dat ik me mooi opgemaakt had – en mijn ogen waren rood betraand. Zo trok ik mijn conclusies. Mannen zijn allemaal hetzelfde. Veel beloven en alleen maar kwetsen. Hij beloofde me de hemel, maar in plaats daarvan liet hij me zelf niet achter op aarde, maar bracht me rechtstreeks naar de hel.

WoordenWeb
2 0

Elke dag

“Ik kom al van Kerkhoven”, zegt Fré terwijl hij zijn fiets parkeert. Zijn lichtgrijze, bijna witte haren komen onder zijn witte fietshelm uit. Het is een donderdag in juni en al behoorlijk warm.Hij moet bijna negentig zijn. Ik ken hem van mijn kinderjaren. Mijn ouders kochten er hun meubels. De kast van mijn oude slaapkamer heb ik pas een paar maanden geleden weggedaan. “Van Kerkhoven? Dat is een uur heen en terug”, zeg ik. “Met mijn elektrische fiets iets minder”, antwoordt hij. “Ik ben altijd vroeg wakker.” Het is mijn eerste gesprek van de dag. Mijn vrouw was al naar haar werk toen ik opstond.“Ge zijt weer te vroeg”, roept een man vanop het aanpalende terras. “Nee, gij zijt te vroeg”, antwoordt Fré iets minder luid. Roepen gaat hem niet zo goed af. Een andere man voegt zich bij ons. Kalend, maar met een snor. Zijn linkerhand steekt in zijn broekzak. Ik hoor hem zenuwachtig met kleingeld rammelen. “Daar is ze weer”, zegt hij plots. “Elke dag opnieuw.” We kijken naar een blauw autootje dat aan het plein stopt. Op de schoot van de bestuurster zit een hond, die wild met zijn staart kwispelt. Het zijn precies de ruitenwissers die op en neer gaan. Uitgelaten. Of toch bijna. We horen een sleutel in het slot omdraaien. Het is zeven uur. De winkel gaat open. De man heeft het kleingeld uit zijn broekzak gehaald en snelt naar binnen. “Gaat gij maar eerst”, zegt Fré tegen mij. “Gij moogt nog gaan werken.” Bij het buitenkomen hoor ik de mevrouw tegen haar hond praten. “Hij is braaf hè”, zegt ze alsof ze het tegen iemand anders over haar hondje heeft. Fré steekt ondertussen zijn krant weg. “Veel leesplezier”, zeg ik. “Merci. Al is het toch elke dag van hetzelfde”, lacht hij.

Rudi Lavreysen
45 1

De mug en de krant

Regen op vakantie is zoals een mug in de slaapkamer. Vreselijk ambetant en in beide gevallen komt een krant van pas. Om boven je hoofd te houden zodat je minder nat wordt of om de mug naar de eeuwige zoemvelden te helpen. Een tablet is hiervoor minder geschikt. Ooit geprobeerd, maar de buren waren niet blij. Net als mijn tablet. Let wel, bij regenbuien is mijn krant niet meteen een standaard beschermingsmiddel. Het is zonde voor het werk dat al die journalisten er dagelijks aan besteden voor het leesvoer van morgen. In het stadje waar we vertoeven motregent het. De vervelendste onder de buien. De naam is niet afgeleid van het willen geven van een ‘mot’, maar van ‘modder’. We zien een terrasje waar het aangenaam schuilen is, als zoiets al bestaat, en waar een bord met een Belgisch streekbier de gevel opvrolijkt. “Binnen bestellen”, staat op de menukaart. Het geeft ons de tijd om rustig na te denken. Het wordt een cappuccino, een groene thee en een warme appelcrumble. De streekspecialiteit staat er. Al heb ik dat op meerdere plaatsen gezien. Het streekbier is voor de tweede ronde. Mijn vrouw is te snel terug buiten om iets besteld te kunnen hebben. “Hier is geen café”, zegt ze. “Het is een antiekwinkeltje.” De gelagzaal is blijkbaar verder in de zaak. We hadden het bord met ‘brocanterie en taverne’ niet gezien. Als we binnen afrekenen is het internet uitgevallen. De uitbaatster kan een dialectvloek niet onderdrukken. Met de bankkaart betalen is geen optie. “Ik kijk of ik nog een paar dukaten in mijn geldbuidel heb”, knipoog ik. “Daar had je vroeger inderdaad geen last van”, lacht ze met een blik op haar antiekspullen. Bij het buitenkomen heeft de motregen er ook de brui aan gegeven. “Heb jij het ook zo warm?”, zeg ik.

Rudi Lavreysen
10 0

over lichaamshaar

Als ik u vraag waar u het meest walging voor voelt: vrouwelijk okselhaar of maden in vlees, wat zou u dan antwoorden? Deze vergelijking heb ik niet zelf uitgevonden. Als ik één levensdoel heb, dan is het wel zo weinig mogelijk denken aan maden in vlees. In 2004 onderzochten Tiggemann en Lewis de relatie tussen lichaamshaar en de gevoeligheid voor walging. Ze kwamen tot de conclusie dat zowel mannen als vrouwen met walging op vrouwelijk lichaamshaar reageren. Wat bedoel je met walging, hoor ik u denken. Wel, dezelfde graad van walging als bij het zien van maden in vlees. Daar komen die maden dus vandaan. Waar komt die walging voor vrouwelijk lichaamshaar vandaan? Er bestaan uiteenlopende verklaringen, maar volgens mij is het simpel. We kunnen het spaarzaamheidsbeginsel inroepen: het wegnemen van alle onnodige ingewikkeldheden om bij de eenvoudigste verklaring uit te komen. De eenvoudigste verklaring is deze: de heersende norm over lichaamshaar is onderdeel van de vercommercialisering van ons lijf. We mogen er niet uitzien zoals we zijn, we moeten ons aanpassen. En hoe kunnen we dat best doen? Door producten te kopen natuurlijk! Producten om al dat lichaamshaar te scheren, waxen en epileren, zodat we haarloos door het leven kunnen. Want, zo weet iedereen, je kan pas naar het zwembad als je bikinilijn on point is. Het kan aan mij liggen, maar ‘badmuts’ krijgt opeens een heel andere betekenis. Ik vind de vercommercialisering van ons lijf absoluut geen fijne evolutie. Meer zelfs, ik vind het absurd. Maar zelfs al volg je het devies van Baz Luhrmann ‘don’t read beauty magazines, they will only make you feel ugly’, wat ik al jaren doe, dan nog ben je niet vrij van het zien van vercommercialiseerde lijven. De gladgeschoren lijven lachen je toe op social media, in tv-series en in films. Die maken ons onzeker over onszelf. Laatst stond ik onder de douche, terwijl ik mijn onderbenen schoor. Mijn dochters, die hun tanden aan het poetsen waren, vroegen waarom ik dat eigenlijk deed. Ik stond even met mijn mond vol ongepoetste tanden. Ja, waarom eigenlijk? Omdat ik het mooier vind? Omdat ik wil voldoen aan de heersende norm? Omdat ik niet wil dat mensen mij aanstaren omdat ik haar op mijn benen heb? Ik denk dat ik in alle eerlijkheid driewerf ja moet antwoorden. Ik zou het fijn vinden mochten mijn dochters hier voor zichzelf op een nuchtere manier mee kunnen omgaan. Dat ze een eigen keuze zullen maken en dat ze zich niet zullen laten gek maken door die vercommercialisering. Ik weet nu al dat ik bij hun eerste scheermesje heimwee zal hebben naar een simpele wereld, eentje waarin niet zoveel verwacht en bewerkt wordt. Tegelijkertijd vind ik het stom dat het zo naïef en pathetisch klinkt. Oh, trouwens, ik zocht het even op: het spaarzaamheidsbeginsel wordt ook wel eens het scheermes van Ockman genoemd. Dat kan geen toeval zijn.   Dochter: Vind je dat je zelf mooie vlechten kan maken in je haar? Moeder: Bwa. Gewone vlechten wel, ingevlochten vlechten vind ik wat moeilijker. Dochter: Schaam je je soms voor je vlechten? Moeder: Nee, dat niet. Waarom vraag je dat? Dochter: Om te weten of je schaamhaar hebt.

Lore Dewulf
22 2

Privileges

Het heeft me meer tijd gekost dan anders om dit te schrijven. Omdat ik niks verkeerd wil zeggen. Omdat ik geen domme dingen wil schrijven uit onwetendheid vanuit m'n eigen achtergrond. Maar ik moet het wel eens gezegd hebben. Want ik hoor nog veel te vaak 'ik ben geen racist, maar'. En gewoon zwijgen en er het mijne van denken begint meer en meer aan te voelen als medeplichtigheid. Ik kom uit een blank vierkoppig gezin waarbij m'n vader een fabrieksarbeider was, m'n moeder een onderbetaalde kuisvrouw. Rijk waren we dus niet, maar arm evenmin. We gingen niet op reis naar de Côte d'Azur of de Costa del Sol, maar aan de kust van Domburg smaakte het water even zout en waren de frieten even slecht gebakken. Ondanks het prijskaartje hebben mijn broer en ik de kans gekregen om universitaire studies te doen. Een van ons twee heeft z'n opleiding van 9 jaar met succes afgerond. De ondankbare, overjaarse puber van de twee verspilde een kostelijk jaar in Leuven, gaf z'n tweede poging op hogeschool op na 2 jaar, om – derde keer, goeie keer – toch nog een bachelor binnen te harken. We laten even in het midden wie wie is. Wat ik wil zeggen is dat ik nooit overvloedige rijkdom ervaren heb, maar alle kansen gekregen heb in m'n leven die ik kon wensen. En zo goed als iedereen in mijn directe omgeving kan hetzelfde zeggen. Misschien is het daarom voor velen zo moeilijk om zich voor te stellen dat niet iedereen die luxe heeft gehad. Dat sommigen hier nog voor ze hun eerste stapje zetten al een stempel op het hoofd hebben voor de rest van hun leven, of ze nu al derde generatie Belg zijn of niet. Dat sommigen hier keihard werken om een toekomst op te bouwen en nog als profiteurs worden afgeschilderd. Dat iemand met een andere kleur, accent of cultuur wel goed genoeg is om één dag na je bestelling dure, overbodige spullen aan je voordeur te komen afgeven, maar niet goed genoeg om in je straat te wonen. Blijkbaar zorgt dat veilige leventje van velen van ons ervoor dat maar weinigen zich kunnen voorstellen hoe het moet zijn om níét elke dag van je tijd op deze aardbol gerust te zijn dat je basisbehoeften zonder problemen vervuld worden. Kom dus alsjeblief niet af met dat 'all lives matter'-argument dat jou doet overkomen als een eindeloos vat van empathie voor alles wat leeft. Zoiets zeggen is hetzelfde als geen enkel goed doel steunen omdat je vindt dat álle goede doelen steun verdienen. En ondertussen níks bijdragen aan verandering. Doen alle levens ertoe? Natuurlijk. Maar daar gaat het hier niet over. Als je echt zo meelevend zou zijn als je beweert, besef je dat het er hier om draait dat bepaalde levens er doorheen de geschiedenis altijd minder toe hebben gedaan dan andere. Bewust, door toedoen van andere, gepriviligeerde groepen. En dat dat dringend moet veranderen. Dus stop met je bedreigd te voelen. Met bang te zijn dat iemand jouw comfortabel leventje komt inperken. Dat iemand beslag komt leggen op je bedrijfswagen, je job of je huis. En stop met een enorm belangrijk moment af te nemen van mensen die al eeuwen systematisch worden gediscrimineerd, nu ze eindelijk eens gehoord lijken te worden. En de volgende keer dat je van plan bent om te zeggen 'ik ben geen racist, maar', vervang dat dan alsjeblief eens door 'ik besef dat ik het als witte middenklasser al mijn hele leven als vanzelfsprekend beschouw dat ik niet moet wakkerliggen van eten of een dak boven m'n hoofd, dat ik niet bang ben als ik politie zie passeren, dat een appartement niet plots verhuurd is nadat ik mijn naam heb gezegd aan de telefoon, dat ik het hartverscheurend zou vinden moest mijn kind of kleindkind zonder reden slechter behandeld worden dan de rest, maar ...' Wie weet voel je geen behoefte meer om je zin af te maken en bespaart dat ons weer een ongemakkelijke situatie waarin het kiezen is tussen een lange discussie vermijden of de ballen hebben om je te wijzen op het feit dat je met je vooroordelen wél een racist bent. Bij deze ga ik er eindelijk mee beginnen om voor dat laatste te opteren.

Hans Verhaegen
33 0

Een stoere Madame en 'Lisbeth' is overal

Verslag van een driedaagse op 5,6 en 7 September 2014 in de Vogezen       Een stoere Madame op de Col Amic en Lisbeth is overal     Ook deze keer zijn we genoodzaakt met ons twee de trip te maken op deze vrijdag 5 September, want Luc heeft net een knie-operatie achter de rug maar hopen hem volgend jaar zeker te recupereren. Ik ben laat vertrokken in LIER want Fred heeft een druk beroepsleven als crisismanager, maar om twintig voor twee is het zover, mijn Renault Scénic zet koers richting Soultzmatt, gelegen in het Zuiden van de Elzas.  Maar het geluk is niet aan onze zijde, want wij dachten s ’avonds nog een lekkere maaltijd te kunnen verorberen in het restaurant van het hotel waar we verblijven maar een file op de E411 doet de deur helemaal dicht. We verwittigen meteen Isabelle van de hotelreceptie dat ze het pasje van de kamer klaar legt want negen uur s ‘avonds blijft  wel ons doel, maar de realiteit is meestal anders met zulke verplaatsingen. We nemen toch maar de beslissing via Straatsburg te rijden en aldus vlak voor Metz de bekende Franse “péage” te nemen. We kunnen dus wat sneller vorderen, maar na enige  tijd krijgen we honger en eten een boterham op een rustige plek, waar we ook met onze tankaart van het Franse  TOTAL de dieseltank terug vol doen. Fred neemt nu het stuur van ondergetekende over, want tenslotte zal hij op zondag zich weer door het Vogezenmassief worstelen. Het wordt nu stilaan donker en we rijden nu op de A35 richting Colmar en Mulhouse en terwijl Fred zijn gedachten op de weg houdt probeer ik via mijn Blackberry een mailtje te versturen naar een bestuurslid van Tata Steel in Nederland, waar ondergetekende al bijna 37 jaar actief is, inclusief een reeks voorgangers, waaronder het vroegere SIDAL in Duffel. Het kost me meer moeite dan voorzien en moet nu opletten dat Fred ook de laatste kilometers veilig volmaakt want onze GPS loodst ons richting Rouffach, om daarna af te zwenken naar Westhalten, wat je bijna ongezien kan voorbijrijden want Soultzmatt ligt nu op grijpafstand. We passeren eerst het bekende kasteel, daarna de kleine maar gezellige dorpskom, die mooi verlicht is en dan de waterfabriek van Lisbeth, het zalige water uit de gelijknamige bron, dat zowat tien jaar geleden tot beste plat water uit flessen in Frankrijk werd verkozen. Daarna volgt het donker, maar enkele honderden meter verder zien we licht en Fred draait links af. Het is nu steil omhoog richting hotel “LA VALLE NOBLE”, waar een immense parking voor ons opduikt, die helemaal volstaat, te beginnen met twee autobussen en naar schatting een vijftigtal wagens; wij kunnen nog net aan het eind parkeren en stappen meteen uit richting receptie. De verbinding  tussen de parking en de glazen inkomdeur wordt gemaakt door een brede loopbrug van een twintigtal meter. Als we op de brug staan zien we een enveloppe aan de deur geplakt met daarin onze toegangspasjes. Als we ons omdraaien zien we ook Isabelle beneden uit een zijdeur komen en ze loopt ons vriendelijk tegemoet.  Wij voelen ons meteen in ons sas na deze lange rit en gaan op zoek naar onze kamer. Het blijkt dat we in kamer 312 slapen, waar ikzelf nog met Monique sliep een tijdje terug tijdens een vierdaagse trip begin juni. We besluiten de avond aan de bar, die vlakbij het restaurant ligt. Fred drinkt een wijntje maar ik hou het bij een glas bier en spoel daarmee niet alleen de lange tocht maar ook de hele week op het werk door.     In overleg hebben we beslist een toeristische dag in te plannen op zaterdag. Op verzoek van Fred rijden onder een stralende ochtendzon richting Colmar. Daar parkeren we in parking Rapp, genoemd naar de Franse generaal Rapp, die leefde eind 18de en begin 19de eeuw. We wandelen door de straten en maken zelfs een huwelijk mee, dat op deze zaterdag wordt gesloten in het stadhuis van Colmar, dat in feite midden in de winkelstraten gelegen is. Mijn vrouw Monique heeft er al een paar keer kinderkleding gekocht, maar dat is niet aan mijn kunde en die van Fred besteed, dus beperk ik mijn tot artisanale koekjes. Op verzoek van Fred vragen we ook een Française om een foto te nemen van ons beiden tussen de vele bloemen, die de stad sieren. Finaal besluiten we na een rondgang door de stad als rasechte Belgen ons land alle eer aan te doen en iets te drinken in café JUPILER, op de place de la Cathédrale. Ik bestel alvast een halve liter “Lisbethwater” want het is warm op deze zaterdagochtend en zeker een atleet op leeftijd heeft behoefte aan voldoende vocht. Plots krijgt ondergetekende een ingeving : ik stel Fred voor naar Ribeauvillé te rijden, gewoon omdat het nog te vroeg is om iets te eten. Het is niet veel verder dan een dertigtal kilometer daar vandaan. Richting dit fabelachtig mooie plaatsje stoppen we langs de ROUTE DU VIN om even te proeven van de druiven. Fred zal als avonturier deze taak op zich nemen en “ze smaken zoet” was zijn besluit, zonder te weten om welke (witte) druif het hier ging. Aangekomen op de parking van Ribeauvillé parkeren we met behulp van een ouder Frans koppel onze auto op hun plek; we krijgen zelfs hun parkeerticket. Als we uitstappen begrijpen we waarom het hier zo druk is, want s’anderendaags , op 7 September als wij afzien in de cols hebben hier grote feesten plaats, genaamd “Fête des ménétriers”; dit feest gaat terug tot in de middeleeuwen en heeft steeds de eerste zondag van september plaats.   Er is ook een park ingericht als Romeinse pleisterplaats en de dorpelingen zijn dan ook mooi verkleed en presenteren waren, die in die tijd ook aan de man hadden kunnen gebracht worden; zo koop ikzelf twee potjes honig; die duidelijk onder het oog van de imker werden geproduceerd.  Na een “tarte flambée”, een typisch Elzasgerecht besluiten we rechtsomkeer te maken richting ons hotel in Soultzmatt; de fietsveteraan wil na een onderbroken voorbereiding (zware val tijdens een training midden Augustus)testen hoe het gesteld is met de klimmersbenen, want dat zal morgen hard nodig zijn op dit meedogenloze terrein. Ik kleed mij dus om in een bijna volledig witte outfit met FDJ-truitje en wil de benen testen richting “Le Markstein”, dezelfde route dan de Tourrenners hebben afgelegd tijdens de 9de rit op zondag 13 juli van dit jaar. Vooraf heb ik met Fred afgesproken het oefenritje te  beperken tot 15 kilometer. Ik vertrek dus met volle moed en bereik als snel het dorpje Lautenbach, waar we morgen tijdens de afdaling voorbijkomen en rij verder omhoog richting top, en de benen doen het beste verhopen voor morgen want ik slaag erin een redelijk klimmerstempo te onderhouden. Als Fred mij opwacht na 15 kilometer waag ik het toch wat verder en dus steiler bergop te rijden; Fred duwt mij af en weg ben ik, maar de benen krijgen het moeilijk op deze kuitenbijter met meer dan 8% stijgingsgraad en omdat de ene veteraan de andere aanvoelt (Fred was destijds mijn ploegmaat in de triatlon) had hij zich in een haarspeldbocht enkele kilometer verder opgesteld. Daar hebben we de fiets terug in de auto opgeborgen en onze tocht per automobiel verder gezet. We rijden nu in omgekeerde richting precies het parcours af wat morgen gevolgd wordt. Als we op circa 1000 m aangekomen zijn in de afdaling van de Col Le Markstein stopt Fred spontaan op een kleine parking links van de weg; deze is blijkbaar aangelegd om toeristen of sportliefhebbers toe te laten te genieten van het landschap en in het bijzonder van het “paragliden” . Op deze zonnige dag zijn er tientallen avonturiers die een sprong wagen in de diepte. Ze springen boven vanop Le Markstein de open lucht in en eens de weg over waar wij geparkeerd staan gaan ze honderden meters de diepte in, want het dal ligt op nauwelijks 200 à 300 meter hoogte. Zo zien we haast een peloton sporters met een valscherm de diepte ingaan in dit weergaloze landschap, waar de natuur duelleert met haar eigen ongereptheid. De zon straalt nu op het dal en dat geeft een extra dimensie aan dit unieke beeld. Hier kunnen wij  ontzettend van genieten, meer dan morgen ooit  het geval zal zijn.  We zetten onze tocht nu verder en komen omstreeks  om tien voor zes aan op het marktplein in Thann, waar de kraampjes met fietsen stilaan hun spreekwoordelijke matten oprollen, maar aan het gebouw aan de overkant schuiven onze collega-amateurs aan. Ik zeg mijn naam en bijna onmiddellijk komt het woord “mille cent soixante huit” eruit, want dat is mijn rugnummer voor zondag. Ik ontvang ook nog een veel te grote plastic zak met wat gadgets inclusief de altijd aanwezige drinkbus. Fred heeft de auto reeds in de goede richting gezet en we zijn weer weg, want we hebben nog een (ongeschreven) afspraak met Madame van het CHATEAU en de trouwe lezers van deze reeks weten dan waar onze GPS ons naartoe voert. Het zal bijna halfzeven zijn als we SOULTZMATT terug binnenrijden, maar het is bang afwachten of de poort van het kasteel nog open is. En ja we rijden door de ijzeren poort en parkeren onze auto naast een BMW van een fransman, die niet meer beseft hoe belangrijk de auto-industrie voor zijn land is. We wachten beiden een vijftal minuten buiten, want we horen een ontzettende hoeveelheid stemmen in de gelagzaal, maar ons geduld raakt snel op en lopen een sterke vrouw tegemoet, die het gepresteerd heeft een nazaat van de familie Klein aan de spreekwoordelijke huwelijkshaak te slaan. De nazaten van deze familie, domineren in de streek rondom  Soultzmatt nu eenmaal de wijnbouw, wat niet abnormaal is omdat hun geslacht teruggaat tot het jaar 1610. We nemen een voorproefje op de dag van morgen en drinken een glas CREMANT D’ALSACE, de door mijn neef Luc zo gesmaakte bubbeldrank. Mijn collega voegt eraan toe dat de temperatuur en smaak van deze drank, die samengesteld is uit zowel de Chardonany als de Pinot Blanc-druif  perfect is. Ik plaats een bescheiden bestelling en druip af want het grote gezelschap heeft al meerdere flessen gedegusteerd en zit nog volop in de bekende drankflow. Vooraleer we in de auto stappen drukt Mevrouw ons nog stevig de hand en reikt een extra fles Pinot Blanc aan, die we maar al te graag meenemen. We sturen nu richting hotel want we willen nog graag een stevige maaltijd achter de kiezen slaan voor we zondagochtend het Vogezenmassief induiken, ikzelf met mijn CUBE, een blauw exemplaar van het Duitse fietsenmerk en Fred met mijn bedrijfswagen. We begeven ons naar het restaurant waar vlees aan het spit maar dan wel “à volonté” geserveerd wordt. Voor een zacht prijsje van 26 EUR kunnen we de hele avond smullen van allerlei soorten vlees inclusief zowel de klassieke biefstuk als de lokale worsten uit de Elzaskeuken.  Ik beperk mij tot een stuk rosbief; een stukje van het varken en een worst, maar mijn collega doet zich te goed aan bijna alle aangeboden smaken, maar dat is normaal want ik kan niet gaan slapen met een zware maag en het zal wachten zijn tot zondag  na de wedstrijd voor ons beiden om nog warm te eten. Terwijl Fred nog knabbelt aan het vlees en geniet van een Pinot Noir neem ik nog een ijsje en een kop thee om alles door te spoelen. We praten de hele avond nog vol op onze grote kamer en slapen pas rond de klok van twaalf. De wekker had ik gezet om vijf na halfzeven en dan spring ik er ook uit, spijtig genoeg maar eens per jaar dat we fysiek nog eens alles uit de kast halen, maar wel met plezier. Om enkele minuten voor zeven begeef ik mij in rennerstenue naar het restaurant, de beentjes reeds ingewreven met de klassieke Kneipp-massageolie. Ik beperk mij tot twee boterhammetjes met confituur en een stukje cake met uiteraard de gebruikelijke zwarte thee. Omstreeks kwart voor acht zet mijn collega de auto in beweging richting Thann; het is zo’n dertig kilometer over meestal grote wegen  waar je 110 mag rijden.  Een kilometer voor de start draait Fred een straatje in, waar we de fiets kunnen uitpakken. Het is misschien een risico, maar heb mijn CUBE-fiets met aluminiumframe en SHIMANO TIAGRA als afmontage meegebracht en dat is een zware fiets in vergelijking met het lichte carbonexemplaar wat nog in LIER staat. Deze keer heb ik de clubshirt onze wielerclub aangetrokken, waarvan Luc de Voorzittershamer hanteert, kwestie van respect te tonen voor mijn boezemvriend. Ik sluit mij nu aan  bij de achterste rij terwijl de omroeper met dienst “dix minutes encore” door de micro schreeuwt. Ik besluit toch mijn fiets tegen een boom te zetten en een andere boom wat verder weg op te zoeken want we vatten aan met 22 km vals plat en wil het peloton niet uit het oog verliezen. “Encore trois minutes” galmt er uit de luidsprekers nu en hij somt alle nationaliteiten die deelnemen nog eens op. De start volgt nu gauw maar vanwege de meer dan zevenhonderd deelnemers duurt het zowat vijf minuten vooraleer ik echt kan vertrekken. Onmiddellijk na de start draaien we de bekende N66 op, die ons ook naar de naar de klim van de overbekende Ballon d’Alsace voert, maar na 12 km zullen we hier afdraaien richting Kruth. Ik rij nu in de voorlaatste groep met ook een aantal dames daarin. We rijden snelheden tussen 20 en 30 km per uur en het parcours is wisselend licht oplopend en licht aflopend, maar globaal gezien is het stijgend want THANN ligt helemaal in het dal en de klim richting LE MARKSTEIN vangt aan op een hoogte van 562 meter, als we tenminste het opdraaien vanuit KRUTH als basis nemen. Als we in het dorpje ODEREN aankomen horen we plots een oorverdovend lawaai waarvan iedereen schrikt in het peloton, maar het blijkt gelukkig de voorbode van een straatorkest dat met pauken en trommels en ander zwaar muzikaal geschut de renners aanmoedigt. Een hart onder de riem ook want terwijl het in Thann nog relatief koud was begint de zon nu wat warmte uit te stralen. We hebben nu 19 kilometer op de teller en het eerste “beest” van de dag nadert. Het tempo wordt zoals in het echte peloton ook wat opgedreven, ondanks het feit dat de drie laatste kilometers gemiddeld bijna 2% omhoog lopen, wat pijn doet aan mijn oude spieren. En ja plots een horde aan veiligheidsmensen en ook supporters van collega’s langs de weg, die hun boezemvrienden aanmoedigen net voor we de bijna 15 km lange klim aanvatten. Filosofisch had Fred mij gezegd bij de start ‘ je rijdt van Mechelen naar Lier bergop op de eerste col’ en dat blijkt ook wel, want de eerste kilometer is loodzwaar met liefst een stijgingspercentage van 8,6% en deze veteraan geraakt maar niet in het klimritme, terwijl dat gisteren op training zo vlotjes ging. Het is werkelijk harken om in het ritme te komen en ik kijk nu op mijn nieuwe fietscomputer wanneer die verdomde eerste kilometer teneinde komt, want ik verlies nu terrein op de concurrentie, maar ook de tweede klimkilomter aan ‘slechts’ 6,6% is nog lastig voor mij, maar stillaan kom ik toch in mijn ritme richting derde kilometer op deze lange col. Het wordt nu stilaan wat kouder omdat we nu éénmaal hoogte nemen en het is vroeg in de ochtend. Iedere kilometer  staat de hoogte trouwens aangegeven en dat is steeds een ijkpunt. Door de koude en ondanks mijn nieuwe koersbroek van professionele kwaliteit voelt mijn zitvlak niet goed aan. Ik moet nu ook van de fiets om een plas te maken en probeer dat zo snel mogelijk te doen, maar het is moeilijk om het menselijk waterpistool te vinden bij deze temperatuur. Ik kruip terug op de fiets en kom nu stilaan beter in het ritme, vermoedelijk ook omdat de helft van de klim nu in zicht is. Vanaf de zevende klimkilometer komen er nu stukken van 2 en 3% aan en dat geeft mij de kans om op mijn 39 vooraan te schakelen en achteraan zelfs 21 en 24. Ik maak nu meer snelheid en haal soms bijna twintig per uur. Ik probeer nu ook mijn mobieltje uit mijn achterzak te halen en aldus Fred te bellen, afwisselend op de autotelefoon en zijn eigen nummer, maar dat lukt niet. Niet te verwonderen want in deze omgeving woont echt niemand, waarom zou hier dan mobiel telefoonbereik zijn. Maar na 10 kilometer klimmen, op een hoogte van 1032 m wordt het terug steiler, maar het ritme is nu helemaal terug en het is nu nog 3,5 km doortrappen tot een hoogte van 1200 meter. Dat is dan ook de top voor vandaag want daarna gaat het zeer licht bergaf  tot de immense vlakte die LE MARKSTEIN is.  Ook de eerste bevoorrading is daar voorzien maar ik had met Fred afgesproken dat ik een klein colaatje en een koekje van het merk GRANNY zou eten, teneinde wat voortgang te maken, maar eerst neem ik nog een banaan en wat koekjes voor mijn collega, die achteraf gezien zelfs een pannenkoek had gegeten op Le Markstein.   Fred verwittigt mij dat de ziekenwagen net nog een slachtoffer van een zware valpartij net voor de afzink had meegenomen en vertrek dus voorzichtig na cola en koek te hebben verorberd. Ik doe echter eerst mijn nieuwe gele regenjasje aan, want het is nog redelijk koud daarboven en de afdaling is bijna dertig kilometer lang. Ik trap mij langzaam de afdaling in, het geel jasje helemaal toegesnoerd en dat blijkt nodig want de wind blaast mij letterlijk op de borst in deze steile afdaling, waar Tony Martin, de Duitse hardrijder uit het Quickstepteam in omgekeerde richting nog furore maakte tijdens de laatste Tour richting Mulhouse. Vooral de eerste kilometers zijn gevaarlijk want zonder te trappen moet ik beide remmen gelijktijdig in de greep houden wil ik niet uit de bochten vliegen. Het wegdek is overigens nat hier, niet enkel vanwege de dauw maar ook vanwege het naburige meer. Ik durf dan ook niet naar mijn kilometerteller kijken en hou mijn aandacht op de weg, het valt ook op dat niemand mij voorbij steekt; tenslotte sleep ik een zware fiets met 82 kilogram erop naar beneden en dat laat sporen na in de fysica.   Plots stopt de afdaling en komt er een klein klimmetje vooraleer verder af te dalen richting LAC DE LA LAUCH, een  artificieel meer dat op 923 m hoogte ligt en aan het einde van de negentiende eeuw door de toenmalige Duitse  regering werd gebouwd en nu dienst doet als waterreservoir voor de streek. Het gaat nu verder gierend naar beneden maar we blijven tussen de bossen doorrijden, waar het wegdek soms nat is en het redelijk koud aanvoelt. Pas als we in  Lautenbach aankomen voelen mijn benen de warmte aan  en wat verderop, na bijna 25 km dalen , zijnde op een hoogte van circa 400 m stop ik even om het gele vestje uit te trekken, dat helemaal nat geworden is. We rijden nu in de open ruimte en de temperatuur voelt nu steeds warmer aan, ik heb intussen gezelschap gekregen van twee  struise bonken en trek hard door op een licht dalend stuk. Een mens beseft niet wat een colaatje van 15 centiliter kan doen want ik heb de kracht weergevonden om tegen 35 km per uur richting cols te fietsen.  Ik lees nu op mijn fietscomputer dat de grens van de 60 km nu overschreden is, vervolgens bel ik Fred dat de klim zo dadelijk begint. Nog een tweetal kilometer rijden we nu op een vlak stuk in de blakende zon, die nu echt warm aanvoelt; gelukkig zijn er veel seingevers op post, die ons veilig door het verkeer loodsen want hier zijn de banen breed en het verkeer drukker met de ene rotonde na de andere. Maar lang duurt het niet ; er staat 63 km op de teller en plots zie ik voor mij een smalle weg omgeven door bomen en een bord met daarop “11,5 km”,  wat betekent dat dit de afstand is tot op de top van de col Amic, die op 825 m ligt. Mijn spieren staan nu opnieuw onder spanning en wetend dat de tweede bevoorrading volgt na 65 km trek ik door. Inderdaad midden in een zeer beboste omgeving, waar de zonnestralen nu fijntjes maar sterk doorkomen staat een heel kraam opgesteld met sportvoeding allerhande. Ik stap af, zet mij fiets tegen een ijzeren paal en ga richting kraam, waar ik een hele banaan neem, deze weliswaar niet helemaal opeet, maar dat heeft te maken met een combinatie van voedselveiligheid en verteerbaarheid. Ik vul mijn driekwartliter drinkbus nog bij met sportdrank, want er zit alleen maar water in en stap terug mijn fiets op. Het klimt nu licht omhoog maar plots heb ik een afdaling van ongeveer één kilometer voor de wielen. Ik zie links van mij een camping liggen in volle zon en ben in feite jaloers op de mensen , die hier nog met vakantie zijn, want met bijna 70km in benen is het geen lachertje om hier naar boven te rijden. Elke kilometer staat er wel een bord met de hoogte en het aantal km tot aan de top van de GRAND BALLON.  Vooral de hoogte interesseert mij, want daar heb ik een beter gevoel bij naarmate de hoogte stijgt. Het eerste bord na de klim wat ik tegenkom wijst 414 m aan, oftewel nog 400 hoogtemeters. Ik heb nog 8 km klimwerk voor de wielen op deze geleidelijk oplopende col en zit nu in een vast tempo. De klim verloopt via een smalle asfaltweg, die door het bos heen loopt en dat geeft een gevoel, alsof je op de overwinning in een Tourrit afstevent, maar in werkelijkheid is het een overwinning op het meedogenloze verouderingsproces van de spiermassa. Ik zit op mijn fiets en tracht alleen de benen in eenzelfde trapfrequentie voort te bewegen en rij nu tussen 10 en 12 km per uur en steek zelfs een collega voorbij, die de helm aan het stuur hangen heeft en die nog nauwelijks vooruit komt. Hij blijkt nochtans dertig jaar jonger dan ondergetekende, maar heeft zich duidelijk slecht voorbereid. Dat geeft een mens moed en trek door om hopelijk ruim binnen de afgesproken tijd aan te komen. Plots zie ik een bord voor mij met de vermelding ‘1km’ erop en ja in de verte zie ik ook mensen staan. Ik nader nu stilaan de top van de col Amic, dat in feite op een kruispunt ligt, waar je rechts de slotklim richting GRAND BALLON kan aanvatten en links verder doorstomen richting Vieil Armand, waarvan de top op 956 m ligt en dat doen de amateurs van vandaag dus. Naarmate ik de bekende bocht nader zie ik meer mensen opdoemen en vooral een grote, stoere dame met een blauwe T-shirt, waarvan ik het gewicht op meer dan 130 kg schat. De dame, die zeker kan duelleren met onze Maggie de Block roept mij wat toe en dat inspireert mij om te versnellen want er komt een kasseistrook aan en de indruk wekken aan dat mooie volk dat je kapot zit is geen prioriteit. Plots zie ik ook Fred opdoemen, die naar nu naar mij komt toegelopen en vraagt hoe het gesteld is, maar de organisatie maant Fred aan afstand te nemen, want het is daar een drukte van jewelste. Ik draai nu linksaf richting eindklim en meer en meer Françaises moedigen mij nu aan, terwijl het verder steil bergop loopt. Ik rij nu door richting Vieil Armand, de laatste hindernis van de dag. Ik pers de laatste krachten uit mijn lijf om tegen een behoorlijk tempo de klim te voleindeigen. De spieren doen gewoon pijn en ik drink nu voortdurend van mijn drinkbus omdat de vermoeidheid alsmede de dorst nu toch volop is toegeslagen. Tot mijn verbazing heeft Fred ook post gevat in een bekende scherpe steil bocht, die naar de top loopt en waar de ingehuurde fotograaf met dienst kiekjes neemt van de zwalpende zwanen , zoals ondergetekende. Nu nog enkel honderden meters en de top van de Vieil  Armand is in zicht, althans dat denk ik want er volgt nu een korte afdaling, maar daarna is het klimmen tot op de top, waarna een steile afdaling volgt. Ik zie Fred met mijn bruine Renault nu in de verte rijden en de teller draait nu rond het niveau van 60 km per uur; ik steek nu nog een collega voorbij en zit bijna in het spoor van mijn eigen auto. Fred heeft het moeilijk om zich los te weken van het peloton, want voorbij rijden zou ik wel kunnen, maar ik denk aan mijn eigen vege lijf en hou dus wat in. Ik snel nu het bord met “10 km” voorbij tegen een razende vaart, de teller loopt op tot 64, zonder dat ik één trap teveel geef.   Wat verderop, waar het iets minder steil daalt neemt Fred afscheid en krijg ik nu de volle zon op mijn spieren, wat de temperatuur is nu duidelijk opgelopen richting 28 graden.  De snelheid situeert zich rond dertig per uur en probeer dat zo lang mogelijk vol te houden. Ik kom nu voorbij het bord “5 km” en vat maar al te graag deze laatste meer vlakke weg aan. Ik probeer nu de laatste druppels uit mijn drinkbus te persen, want het vat is bijna af, maar samen met een vrouwelijke deelneemster snellen we richting eindmeet. Als ik de aankomststreep in de verte zie  ben ik toch weer fier het gehaald te hebben ; ik knijp de remmen langzaam  toe om langs de smalle corridor de tijdsmeting te kunnen passeren. Terwijl mijn naam met een tijd van 4 uur en 54 minuten op het grote scherm verschijnt roept de omroeper mijn naam door de microfoon; misschien de laatste keer ooit maar daar durf ik nu niet aan te denken. Fred komt naar mij toe en hij heeft weer eens zijn waarde bewezen, want hij heeft een parkeerplekje voorzien vlak bij het plein, waar het virtuele restaurant is gevestigd. Eerst de fiets in de auto gezet en daarna een lekkere sportmaaltijd afgehaald met bijbehorend flesje Lisbeth; ook Fred betaalt uit eigen zak een maaltijd en drinkt een cola van het gelijknamige huis Lisbeth.  We keuvelen nog na tijdens de maaltijd en besluiten dat we weer veilig en wel aan de streep gekomen zijn; bovendien was de organisatie uitstekend inclusief de maaltijd die we aan het verorberen zijn. Ik haal tenslotte mijn diploma af bij een vriendelijke Française en dan tover ik de laatste truc van de dag tevoorschijn; ik dien mij om te kleden op straat want hotel of douches zijn niet in de buurt; ik was mij met behulp van een flesje rode SPA en veeg zo de olieresten en het vuil van mijn glad geschoren rennersbenen; vervolgens trek ik als een volleerde stripper mijn koerskleren uit en anderen weer aan. Fred neemt het stuur en zet zich op weg om via de N66 richting EPINAL de eindspurt richting thuisland in te zetten. Na de Col de Bussang gepasseerd te hebben rijden we door het gloeiende Vogezenmassief dat er mooi bijligt langs weerszijden van de weg nu de zon volop van de partij is en de bossen vooral groene aardkracht uitstralen. Het is een nostalgische gedachte dat het weer een jaar kan duren vooraleer we hier nog eens arriveren; of kom ik toch vroeger dan voorzien een trainingsritje maken met een sportvriend ? In ieder geval geven we rendez-vous voor LES BALLONS VOSGIENS van 30 augustus 2015, een jubileumeditie vanwege de twintigste keer.          Eduard Lambrechts Lier, 14 September 2014 COPYRIGHT GCV LAMBRECHTS  

Eduard Lambrechts
67 0