Lezen

De Sleutelkaart

Het leven was meer en meer zoals haar jurk die knelde, vooral in de oksels. Dan maken wij de armsgaten groter, grapte haar dokter en verzocht haar het katoen uit te trekken voor zij op de weegschaal stapte. Een schavot moet niet hoog zijn om je te vernederen. Alle katoen, beval hij nog en wees naar haar ondergoed. Om de centimeters van haar bestaan te optimaliseren, wou hij de laatste gram afwegen. Zij gehoorzaamde en kneedde het textiel tot een bolletje dat zij op de stoel achterliet. Een reuzenkeutel die haar vertederd toelachte. Wit roze ruitjes waren haar ding, al van toen zij klein was. Bij sommigen gaat een babykleur, een leven mee.   Het was snikheet op de bus waarmee zij terug naar huis reed, maar toch kon zij beter ademen dan bij de arts. Gelukkig had zij in zijn praktijk geen hoestbui gekregen, anders had hij haar buiten een bloedonderzoek en een scan, een hele rits testen voorgeschreven. Hij reageerde altijd bezorgder dan zijzelf. Alsof hij betaald werd om haar toekomst in het oog te houden. Sedert zij geen maandloon meer aan een waarzegster spendeerde, was dat ook zo. En met zijn bloeddrukmeter, stetoskoop en ander fonkelend gerief, kon hij beter in haar ziel binnendringen dan de sibille die alleen oog had voor haar tarotkaarten. In zijn doktershanden, voelde zij zich zelf de sleutelkaart. Dat was ook zijn geld waard. Verdikt? had hij lachend gevraagd toen hij naar een rationele uitleg voor haar beklemmend bestaan scheen te zoeken. De digitale cijfertjes van de weegschaal gaven hem ongelijk. Hij las ze tweemaal. Luidop. Keek naar de inscripties op zijn stralend computerscherm, dan naar haar doffe ogen en werd ernstig. Er was meer aan de hand. Stil kwam hij tegenover haar staan en beroerde met zijn rechterhand voorzichtig de plooien van haar gezicht. De zere zenuw in haar kaak was een wegwijzer. Met watten vingertoppen drukte hij kuiltjes vanaf haar keel tot aan haar borst en liet zijn ogen zakken. Hij wachtte de resultaten niet af om er bedrukt uit te zien. Maar zijn serieux stelde haar gerust. Hij gaf om haar.           Door het raam van de bus liet zij haar gedachten verstrengelen met de graffiti die haar als oude bekenden toewuifden. Zij besloot niet af te stappen bij de halte waar in grote letters EASY SUN op de gevel prijkte, het reisbureau waar zij als bemiddelaar werkte. Zij had geen man, geen marmot of papegaai om voor te zorgen en haar werk was haar leven. Tot een tijdje geleden. Tegenwoordig was het eerder de hel. Alles liep mis. Voor haar en de baas van het agentschap waar zij haar dagen sleet. Beiden verstikten in een ander web. Haar chef in het wereldwijde, zij in dat van haar hersenkronkels. Soms wist zij niet meer, welke bestemming zij haar klanten best kon aanraden. Zij liep verloren.         Zij zat de rit uit tot bij haar thuis.  Vandaag wou zij alleen in haar hoofd toeren.   Twee dagen later belde de dokter in de vooravond terwijl zij een etentje klaarstoomde voor haar boezemvrienden Jo en Geoff. Voor een keer klonk hij niet dreigend, wat zij verdacht vond. Zij liet de aardappel waarvan zij de bast en ogen had afgeplukt, in het water glippen, legde het keukenmes op de krant met afval en herhaalde mechanisch: Morgen 13 uur. Is oké, ja. De krantenkop boven de restjes titelde: De ontmoeting tussen de wereldleiders draait uit op een sisser. Zij drukte haar phone uit, staarde naar de doemletters van de morsige krant en was blij dat zij maar een voetnoot in de geschiedenis was.   Professioneel hees hij de zwart-wit foto’s de lucht in en wees naar de puntjes die over haar longen verspreid lagen. Gelaten keek zij ernaar en zag een sterrenhemel bij valavond. Even dacht zij terug aan de tarotkaarten waarop de Grote Arcana, de Dwaas, de Magiër, de Hoge Priesteres en de Keizerin pronkten tussen de zon, de maan en de planeten. Vluchtig vroeg zij zich af waarom zij haar lot niet langer aan hen had toevertrouwd. Maar zoals altijd zorgden de Handen van haar Heler voor rust. Enge woorden waaraan zij zich verwachtte, zoals kanker en uitzaaiing, kwamen niet over zijn lippen. Het moest ook niet. De melkweg onder haar ribben sprak voor zich. De arts zei wel iets van mutatie, dat het erg was, maar onder controle wa. Dagelijks één pil en het kwam weer goed. Zij rookte niet en dat hielp. Het klonk alsof zij verantwoordelijk was voor haar aftakeling of ze toch in de hand had. Nog even haar gewicht checken en zij kon beschikken. Ging een nieuwe afweging, het akelige nieuws misschien bijsturen? Tot volgende keer dan. Hij vulde haar ziektebriefje in en zei nog iets dat zij niet verstond omdat zij net een kledingstuk over haar oren trok. Zij vroeg niet om het te herhalen. Wel dacht zij terug aan wat hij de laatste keer had gestameld en glimlachte. Opnieuw hoorde zij het woord verdict en schreef het in haar hoofd dit keer met een c in plaats van een k. Grappig, hoe één teken een wereld van verschil maakt.         Kwiek zipte zij de jurk met de wit roze ruitjes weer dicht en keek haar Heiland aan. Hij wist wat hij deed. De armgaten leken al een stuk groter. Het werd tijd dat zij bij het volgende doktersbezoek iets anders aantrok. Straks ging hij nog denken dat zij een oude vrijster was. Pillen kunnen verraderlijk zijn, zei hij nog, en straffer dan je denkt. Volgende keer schrijf ik een pruik voor. Wij zien er goed uit en wij blijven er goed uitzien.         Opgelucht snakte zij naar adem en knikte ja voor hen twee.   De krant van van de dag noemde het een hittegolf. Opnieuw reed zij naar huis in een ovenwarme autobus. De temperatuur katapulteerde haar naar een tropische regio. Wat zij niet erg vond. Zij genoot., voelde zich opgelucht. Alsof zij eindelijk de juiste reisbestemming had ontdekt. De wereldtrip waarop zij al jaren broedde en die zij vanaf nu haar klanten kon aanbevelen. Een destinatie zonder beschaving, vooringenomenheid of poespas. De aller natuurlijkste. Gewoon: kamperen. Ergens op de buiten of midden in de wildernis. Knapzak pakken en weg wezen. Wegdromen. Elke nacht. Onder het gewelf van de dierenriem. Tussen de afbeeldingen zoals die in haar eigen uitspansel gegrift stonden. Haar binnenstebuiten tatoeage.         De bus wiegde haar en zij had moeite om niet in te dommelen. Het zonlicht wedijverde met de stralen van een broedkast.         Wat vraag je, schat?  vroeg de Marokaanse vrouw neuriënd op het zitje tegenover haar. Natuurlijk mag je mevrouw een koekje geven. Zij kuste haar woorden zacht in het oor van het kind dat zij in haar groene djellaba meedroeg. De velen meters stof die haar en het meisje als de bladeren van een kool bedekten, schenen hen van de moordende hitte af te sluiten. Het duurde even en dan reikte de peuter met een fuks gebaar, een chocoladewafeltje naar de overkant. Alsjeblief moet je zeggen, pruttelde de moederkool die uit voorzorg een kleenex van tussen de nerven plukte.         Alsjeblief, lispelde de hummel. Haar ogen keken recht doorheen de schim tegenover haar. Geholpen door de straling inspecteerden het kind de inscripties onder de huid. Bruusk duwde het kind het gebak naar voor en deed bij de vonk van haar gebaar, een dikke kruimel op de schoot vallen. Een bobbel midden op een ruitje. Het zakdoekje bleek niet overbodig.         Oeps! lachte de wit roze vrouw, Heel lief. Zij viste de chocoladebrok uit het vierkantje en stak hem met de rest van de wafel in haar mond. Strak bleef de peuter door haar heen staren. Tot de vrouw alles had doorgeslikt, haar vingertoppen had proper gedopt en haar japon had glad gestreken.         De plaats waar de kruimel op de jurk was terechtgekomen was een bruine moedervlek.         Zij lachtte ernaar en het meisje deed mee, voor het zich terug in de groene kool nestelde.         De baby ruitjes hadden voor goed geen leeftijd meer.

Dorlan Slefficsroth
43 0

Glazen knikkers

Altijd is ze aanwezig. Ze houdt ervan zich te verkleden. Ze bezit twee prachtige gewaden die ze kriskras aantrekt. Wanneer zij  er zin in heeft. Soms draagt ze een smaragdgroen of robijnrood gewaad. Ze is dan getooid met wonderbaarlijke sieraden en draagt sprankelende make up. Haar haren glanzen dan in de zon en haar ogen fonkelen dan als sterren. Ze verleidt je om onbekende plekken te ontdekken, om de hoogste torens te beklimmen en om verre reizen te ondernemen.  Ze denkt met je mee en schrijft de wildste projecten uit. Ze zorgt ervoor dat je de wereld aankan. Ze smeedt plannen met je om met je te winkelen tot je je hele bankreking hebt geplunderd.  Maar je schittert, net als haar, met weelderige lokken, prachtige gewaden, en geurend naar de meest kostbare parfums. Ze tovert met jou de meest exotische en duurste wijnen op tafel.. 's Nachts trekt ze een zachte pyjama aan en vlijt ze zich tegen je aan in bed.  Ze vertelt je de spannendste en mooiste verhalen en kan je wel 10 nachten wakker houden. Onaangekondigd hult ze zich in een donkere cape. Waar vochtigheid en schimmel in zijn verweven. Ze sleept je mee in donkere riolen, en laat alle levensvreugde uit je stromen.  Ze schrijdt geruisloos door het huis, en maakt de wereld buiten angstaanjagend. Je kruipt onder jassen van de kapstok in de gang wanneer de deurbel bedreigend klinkt. Ze nestelt zich dan tegen je, en met handen en voeten zo koud als ijs doet ze je rillen van miserie. Ze sluit muisstil de weg af naar de badkamer en de keuken. Ze lacht je uit en hult je in een jas van stank en verrotting. Ze houdt mensen heel ver van je vandaan.  Aan het einde van de gang gebeurt het dat je een lichtje ziet. Daar wacht de Schitterende, de Stralende je weer op. De cirkel is dan rond. Ze zal je terug doen stralen. Wanneer ze echter beiden op mijn schouders zitten, zwijgen en meekijken, is er een moment van balans.  Dan voel ik me veilig. Ik voel hoe de feeën met glazen knikkers gooien. Zolang de knikkers in de lucht blijven, voel ik me rustig en hoef ik niets te vrezen. Wanneer er eentje dreigt te vallen, zoek ik welke fee me heeft verlaten en me genadeloos mee zal nemen naar het einde van de gang.    

Sophie Philips
5 1

Jeukende logica in station Zwolle

De trein naar Kampen nadert station Zwolle.Spoor 1. Ochtenddrukte. Ongeduldig dromt het forenzenvolkje samen bij de toegang naar de tunnel. Voorspelbare maneuvers. Een handdruk, een schouderklop, een schaarse glimlach, gerantsoeneerde hoffelijkheid.Max heeft zijn vaste plek op het perron. Hij kijkt naar links, staart voor zich uit, buigt het hoofd, slaat een vlieg weg. Max verstaat de officiële mededelingen niet. Ook de excuses gaan aan hem voorbij. Max wacht, ondergaat gelaten de commotie. Spoor 2. Met misplaatste fierheid arriveert de verlate trein naar Kampen. Max aarzelt, zijn brein verliest het contact met zijn lijf. Perfect getimed voert hij het foute plan uit. Hij doet een stap achteruit en werpt zich vooruit, op het spoor. Spoor 1 welteverstaan. Lang voor Max begrijpt wat er gebeurt, is de trein naar Kampen al jammerend tot stilstand gekomen. Op spoor 2.De logica van verlaat spoorverkeer lijkt zowel hard als mededogend. Door een enkele welgemikte wissel loopt Max de stroom aan herinneringen mis die uitbarst net voor een zelfgekozen levenseinde. Niemand ziet hoe tragikomisch het allemaal is. De reizigers op spoor 2 zijn danig druk met de instapprocedure die hen de optimale plek moet opleveren. Daarin is geen plaats voor een pony die een uiltje wil gaan knappen. Haast theatraal nota bene. En op spoor 1. Max krabbelt recht. Met lillende achterhand wandelt hij naar de voorkant van het stilstaande treinstel op spoor 2. Daar vlijt hij zich neer voor de locomotief. In een suïcidale rationaliteit is dat een dood spoor maar zelfs een pony begrijpt instinctief dat arrogantie in dit geval noodzakelijk is om gezichtsverlies te vermijden. Of is de frisse appel waarmee een jozef hem op het perron lokt meer dan een detail in Max’ enigmatische joie de vivre?Trouw aan het ongeschreven scenario volgt Max het perron in noordelijke richting. Bijna kegelt hij een late reiziger om die zijn frustratie wegbalkt. ‘Wat vreet die trein naar Kampen uit op spoor 2? Lopen er alweer lompe pony’s op de sporen?’ Op spoor 2 vertrekt de trein. Aan de hand van hun moeder wuiven twee hummels naar de vader van de jongste die voor onbepaalde tijd verdwijnt. Haar oudste staat al aan de snoepautomaat. De late reiziger interpelleert de jozef van de appel. Max verlaat het toneel. De natuurlijke antioxidanten uit de appel werken gunstig in op zijn dopamine. Station Zwolle blijft er onbewogen bij. Op het rangeerterrein naast het station staat wat afgedankt rollend materieel te suffen in een verlegen lentezonnetje. Naast de derde wagon in het roestende rijtje zoekt Max zijn plekje. Er resulteert esthetische spanning uit de confrontatie van de dominante horizontaliteit van het spoorrijtuig met de verticale lijnen van vervagende graffiti. Bij een artistieke pony als Max wekt dat emotioneel onbehagen op. Kauwend ontwaart hij in een kwintet hoekige maar sierlijke letters de naam van zijn geliefde. Kassy.Vele appels geleden, om 17u07, liet Kassy het leven bij een aanrijding door de trein van 17u07 naar Kampen. Spoor 1. Zij was die keer eerst gesprongen.‘Kassy’, zucht Max. Wat later hijst Max zich recht en gaat op weg, richting spoor 4.In station Zwolle brengt hij routineus zijn schijnbaar onvoltooide sterfscène terwijl de – verlate – trein naar Deventer gewillig meespeelt op spoor 3. Zolang het spoorverkeer netjes wordt ontregeld door omvallende bomen, wateroverlast of een overvloed aan reizigers, levert dat Max met de regelmaat van een stationsklok een heerlijke appel op.

bart e. g. vinck
18 0

Glas

Op een stukje aangrenzend landgoed leg ik de benen en strek mijn lichaam willekeurig uit over de ondergrond; zonder toeval zal ik deze keuze aan landschap overleven. Mijn lichaam mag niet groter zijn dan mij.   Mijn lichaam is een grijs menselijk wijkje binnenin deze aan - en afvoer aan  'dingen', 'dingen' die leven en ademen en pulseren en mij atmosferisch liefdevol omgeven en ik strek me willekeurig erover uit in tweeën, voor of  na de val is er altijd de verbazing waaruit het beeld voortkomt en dan komt de splitsing: benen eerst en je lichaam zal altijd volgen.    Mijn lichaam is een aandenken aan beweging en motoriek zonder mechanisch vergaan en het werkt, dat kan ik bewijzen door spastisch te overleven.  Je herinnert je je wegen maar vergeet de afgelegde paden die in  rotsvaste tonen rotsvast blijven: ze bewegen zich niet en staan herinnerd in je geheugen gegrift, zo geblust ben je van  een vuur vol beeld.    Een tempo dat omhoog gegooide weg is.  Een bloedslijn die je kan terugvinden in België. Je dwaalt en daalt terug de tijd in op zoek naar je verwante zinnen.    Een grijs menselijk ademen dat mee beweegt in de geschiedenis.    Philip zegt me dat het te laat is, en als ik de tv aansluit is er slechts ruis, zoals er in mijn spraak die ook is, en in mijn per toeval gedachte gedachten ook is. Glas verwijdert zich door er door te kijken. Even maar. Een lucht vliegt op maar je zal hem niet zien.Omdat je niet kijkt.  Je verwijdert je door ernaar te kijken. In deze vlucht naar terug raak je jezelf aan.(Dit keer ben je alleen aangekomen). Zonder jezelf heb je geen wijd verlangen meer naar een andere ik.  Bovenaan: alleen maar lucht.  Onder je uit strekt zich een lichaam, de benen wijken uit, je werpt je ... Ik lig op een vaste ondergrond en weg ben ik. De benen onderaan, waar ze overigens horen, het lichaam een kameo zonder kleur en ik kijk er transparant tegenaan om je terug te zien. 

Dries Verhaegen
8 0

Waar ben ik aan gehecht?

Mijn woonkamer is gelegen op de derde verdieping. Geen lift dus neem ik de trap. Die is van steen. Geen tapijt want een tapijt zou wijzen op welstand en dat standje ken ik niet. Als ik de voordeur van mijn appartement bereik zie ik meteen dat er iets niet klopt. Wat klopt hier niet? Er is iets mis met het slot. Ik zie dat er iets mis is met het goedkope slot. Op het matje ligt een donker ding. Ik buk me, raap het op, kijk nog eens naar het slot. Wat in mijn hand ligt is er een onderdeel van! Heel veel denkvermogen heb ik niet nodig om te beseffen dat het slot geforceerd werd. Is het zo? Het is inderdaad zo! Het luidruchtig kloppen van mijn hart maakt me zenuwachtig. Ik probeer het te kalmeren. Met de ene hand open ik de deur, met mijn andere maak ik een denkbeeldige vuist. Er zijn slechts twee stappen nodig; een, twee. Ik zet ze. Stoere stappen richting woonkamer. En dan zie ik hem. Hij ziet mij. Hij schrikt, ik ook. 'Wat doe jij hier?' De nadruk ligt op JIJ! De JIJ van een vijand. De JIJ van een belager, een indringer, een schoft! Hij zegt niets, ik loop naar buiten, weg uit mijn eigen woning. De treden lijken me te helpen bij het wegrennen; ze geven de bal van mijn rechtervoet een duwtje, de hiel volgt, de andere bal een duwtje, de andere hiel volgt. Meteen sta ik terug op het trottoir. Ren de rijweg over, oef, er reden geen auto's in volle snelheid voorbij. Ik duik de bloemenzaak binnen.  'Een telefoon! Nu! Geef me een telefoon!' Op de agenten hoef ik niet lang te wachten. Ze brengen mijn gedachten terug naar de inbreker, staat hij nog steeds in mijn woonkamer, zoekend in mijn kasten naar waardevolle spullen? Naar geld? Zal hij iets stelen waar ik gehecht aan ben? Waar ben ik aan gehecht?    

Ingrid Strobbe
24 0

Stemmen

Anna vlucht naar buiten, weg van de schreeuwende stilte in haar nieuwe studio, waar ze enkel met de stemmen in haar hoofd kan praten. Op straat is het gezellig druk. Marktkramers prijzen hun waren aan. Sappige dialecten stromen samen, krokante appels aan zachte prijzen, de kracht van de herhaling. Het zonnetje schijnt, mensen houden graag halt voor een praatje. Het nieuws verspreidt zich als een lopend vuurtje tussen de kramen: actrice Laura Peeters is gisteren overleden. Anna en Laura waren vriendinnen. Ze groeiden op in de schoot van hetzelfde polderdorp, een vergeten stipje op een vergeelde landkaart. Ze ontwikkelden elk hun eigen strategie om de wereld buiten het dorp te ontdekken, om uit te breken. Taal was hun geliefkoosde wapen. Anna had oneindig veel vragen, de antwoorden zocht ze in boeken, later begon ze al schrijvend ook haar eigen antwoorden te formuleren. Laura was voorbestemd om actrice te worden. De wereld was haar podium, ze speelde altijd, verstopte zich voortdurend achter een masker van drama en mimiek.   Op de dag van de begrafenis keert Anna terug naar het dorp. Laura’s ouders wilden afscheid nemen van hun dochter in intieme kring. Het is meteen duidelijk dat niet iedereen dat begrepen heeft. Anna ziet journalisten en huilende fans. Ze vraagt zich af of zij hier wél op haar plaats is. Haar ogen glijden over het dorpsplein, op zoek naar één gezicht, met ogen als donkere parels. Het dorp uit Anna’s jeugd was onverzettelijk en hardleers, een brokje onvervalste authenticiteit dat zich nu finaal lijkt over te geven aan de Vlaamse verkavelingswoede. Haar leven onder de kerktoren speelde zich af in een klein, gesloten kringetje: haar ouders, broers, grootouders. En Laura, Samuel en Oskar. Anna en haar vrienden waren even oud en op elkaar aangewezen. Ze hadden de ruimte om samen jong te zijn. Maar in hun tienerjaren werd het dorp plots te klein, te benauwd, ze verlangden naar de onbegrensde mogelijkheden van de stad. Ze hadden grote dromen, maar het dorp en hun jeugd konden ze niet zomaar loslaten.   De terugkeer naar het dorp is een stap terug in het verleden. De tijd verglijdt, samen met gemiste kansen en zachte leugens. Anna glijdt langzaam mee. Onvermijdelijk komt ze bij Samuel en Oskar terecht. De jongens uit haar jeugd zijn uitgegroeid tot succesvolle jonge mannen. Oskar heeft net zijn eigen IT-bedrijf opgericht, Samuel is chef-kok in een hoog aangeschreven restaurant. Ze omhelst haar vrienden, zoekt troost in hun vertrouwde stemmen, vergeving in hun vochtige ogen. Anna en Laura deelden alles, van hun diepste geheimen tot de liefde voor dezelfde jongen. Samuel viel eerst voor de excentrieke, wilde schoonheid van Laura. Later zocht hij toenadering tot de bedachtzame Anna. Er ontstond een bijzondere, kwetsbare vriendschap, voortdurend bedreigd door het gif van de jaloezie. Uiteindelijk koos Samuel voor een meisje uit de stad.  Anna probeerde haar verdriet te overwinnen met haar pen, ze vertrouwde op de kracht van de verbeelding. Ze rukte zich los uit de klauwen van het dorp en zocht lang naar haar eigen stem. Laura verdoofde de pijn, ze vluchtte in haar werk, in drank en pillen, in de armen van foute mannen en uiteindelijk in de dood. De dienst is voorbij. Oskar vraagt om hem te vergezellen naar het enige café in het dorp. Hij bestelt drie glazen witte wijn, de favoriete drank van Laura. De tv staat aan, er worden beelden getoond van hun vriendin. Ze was te zien in verschillende televisiereeksen en op het witte doek. Ze speelde altijd zeer intense rollen. Ze speelde zoals ze leefde, vol overgave, zonder compromissen. De drie overblijvers klinken op Laura. Haar glinsterende ogen vullen het scherm, ze knipoogt naar hen.

Ine Moreels
7 0

Fietsslim - mensdom

  Echo Benieuwd is een wezentje, een mysterieus en eenvoudig figuurtje.  Zijn lichaamsvorm is moeilijk te beschrijven.  Hij wordt één met zijn omgeving.  Hoe hij zich beweegt, is nog een groter vraagteken.  Rollend, kruipend en slepend komt waarschijnlijk het dichtst bij de manier waarop hij zich voortbeweegt. Tegen alle verwachtingen in beweegt hij zich vrij vlot.  Lucht houdt hem in leven.  Hij huist ergens op de buiten in een klein dorpje onder een spoorbrug gelegen op een geliefde fietsroute.  Zonder overdrijven, op een mooie winter-lente-zomer-herfstdag fietsen wel honderden fietsers het bruggetje onderdoor. Iedereen of bijna iedereen roept dan iets naar Echo Benieuwd toe.  Mensen zien hem niet.. Hij is onbestaande en ook weer niet.  Horen doen ze hem wel. Kinderen houden ontzettend veel van hem.  Ze willen hem telkens opnieuw horen.  Volwassenen katapulteert hij terug naar hun onbezonnen kindertijd, al is het maar voor even.  Hoe gehaaster of gestresseerde de rijders ook zijn, bij een kreet onder de brug is de ontlading gegarandeerd een troef.  Helaas vergeten gespannen mensen de deugd van uiting dan het vaaks.  Op dat moment zou Echo Benieuwd niet liever willen dan die mensen te helpen.  Hoe hij ook probeert in alle mogelijke bochten, het lukt hem niet.  Soms loopt hij gebukt onder zijn eigen niet kunnen en vervloekt hij zijn beperkte echokunde. Is hij jaloers op de mens met zijn kunnen en zijn creaties. Hij kijkt naar de fiets als voorbeeld.  De verscheidenheid ervan is enorm groot. Bakfietsen om spullen of kinderen te vervoeren.  Racefietsen om snel te fietsen.  Mountainbikes voor de bossen.  Ook hier onder het bruggetje op het beton zijn ze welkom.  Crossfietsen zijn dan weer geschikt voor elke ondergrond.  Ligfietsen bevinden zich heel laag tegen de grond.  Fietsen met fietszakken en kinderzitjes.  Grote en kleine twee- drie- of eenwielers. Rolstoelgebruikers klikken hun handbike vast en fietsen met hun handen. Fietsen hebben dikke, dunne, gladde of geribbelde banden .  Sturen hebben ook allerlei vormen.  Elektrische ondersteuning op het stalen ros zorgt nog eens voor een variant.  Kortom voor ieder, groot, klein oud of jong bestaat er een rijwiel in alle soorten, kleuren, gewichten en formaten.  Aan diversiteit en verscheidenheid geen gebrek.  Elk mankement aan een fiets wordt verholpen door een mens.  Geen fiets of mens die klaagt.  Bewonderingswaardig. ‘Hallo, hallo’ is zowat het meest voorkomende woord dat geroepen wordt in alle tonen en volumes.  Onmiddellijk daarna weerklinkt de klanknabootsing ‘hallo, hallo’ van Echo Benieuwd.  Wanneer mensen ’Hallo Echo’ roepen dan voelt Echo Benieuwd zich erg vereerd en geliefd.  Hij zegt het mooi na zoals het hoort.  Vooral kinderen kunnen er niet genoeg van krijgen, keren terug apart of met meerdere samen, zeggen het mogelijke, onmogelijke om hem uit te dagen. Soms gieren ze het uit van de pret en staat de verbazing op hun gezicht te lezen.  Echo Benieuwd valt niet te kloppen.  Keer op keer echoot hij hen perfect na. Hoogtepuntmomentjes. En dan die scheldmomenten.  Vreselijk.  Dieptepuntmomentjes.  ‘Hey makak , loser, hoer, janet, debiel of gekapte,…’ roepen mensen naar elkaar in zijn bijzijn. Hoe dom kan een mens naar mens niet zijn?  Waar is de mens nu met al zijn kennis en kunde?  Oplossingen en waarderingen voor mensendiversiteit blijven zoek.  Hoe kan dat nu?  Fietsslim maar mensdom.  Dat gaat Echo Benieuwd zijn verstand te boven.  Hoe hard hij ook ineen kruipt, probeert in alle talen te zwijgen, niets helpt.  Het is sterker dan hemzelf.  Opnieuw zegt hij het lelijks en het vernederendst na.  Het lijkt alsof hij, Echo Benieuwd, er nog een schepje bovenop doet met al zijn nabootsing.  Niets is minder waar.  Voor Wolk Amadeus wordt het pijnlijke hem te veel en begint hij te huilen.  De zon houdt stand.  Met haar zonnestralen dringt ze vastberaden binnen in een regendruppel.  Kort daarna schittert de regenboog in al zijn pracht aan de hemel.  Voor iedereen gelijk.  De rijkdom van de natuur.  Iets of niemand kan dat ontkennen.  Wolk Amadeus en Echo Benieuwd vinden het ook mooi. En dan komt Marieke enthousiast aangefietst en roept:’ Joepie, ik leef!’ ‘Joepie, ik leef’ echoot Echo Benieuwd blij!!!.   Ann Stuckens 03-01-2020      

Ann Stuckens
30 0

Hou jezelf levend

'Dat is dan 78 euro alstublieft.' zij een vrouw aan de kassa. De man haalde zijn portemonnee boven en stopte zijn creditcard in de gleuf van het apparaat. De zaken, die hij zojuist had gekocht, stopte hij in een zak. Al snel was hij de winkel uit. Hij liep over de parkeerplaats richting zijn auto. Hij nam zijn sleutels uit zijn zakken toen hij voor een Ford Mustang stond. Net voor hij wou vertrekken, werd hij gebeld. Hij hield zijn gsm vast nadat hij had opgenomen. Voor een tiental seconden hoorde hij niets 'Met wie spreek ik?' vroeg de man met de gsm nog steeds in zijn hand. 'Hou jezelf levend' zei een koelbloedige stem die duidelijk vervormd werd. Hij begreep niet wat dat te betekenen had, de man vroeg voor een tweede keer met wie hij sprak. De stem antwoordde niet op zijn vraag maar zei weer 'Hou jezelf levend.' 'Waar gaat dit over? Is dit een soort grap?' zei de man met een stem die nerveuzer begon te klinken. De stem waarschuwde dat het nog 1 minuut zou duren. Hij had alleen geen idee wat er dan te gebeuren stond. 'IK HEB VERDOMME GEEN ZIN IN GRAPJES!' Zei de man uiteindelijk nadat hij er genoeg van had. 'Waar gaat dit eigenlijk over?!' probeerde hij daarna, iets rustiger, te vragen. De stem antwoordde niet meer en al snel hoorde hij hoe de lijn was toegelegd. Hij keek naar de digitale klok op zijn gsm, het was half vier in de namiddag, klaarlichte dag. Wat kon er hem gebeuren? Niets, toch? Het was waarschijnlijk een grappenmaker, althans dat hoopte de man. Nog even wachten dan is de minuut voorbij, dan kon hij rustig naar huis. De minuut leek een eeuwigheid te duren. De man keek steeds nerveus rond zich, met de gedachte dat iemand hem zou vermoorden. Hij moest er weg, volgens hem was het de gevaarlijkste parkeerplaats van het land. Met handen die vol zaten met zweet, nam hij zijn autosleutels vast. Hij keek in een spiegel van zijn auto en zag een man steeds dichter bij de auto stappen. Het zag er geen normale man uit want al van ver was te zien hoe zijn halve gezicht bedekt was met brandwonden. Door de andere helft van het gezicht van de man, die steeds dichter kwam, liep een groot litteken. Hij was nu zo erg in paniek dat het hem de grootste moeite kostte om de auto te startten met de auto. De vreemde man was nu enkele meters van zijn auto verwijderd. Het was duidelijk dat hij richting de Ford Mustang liep. Nu pas merkte hij dat de man, die steeds dichter kwam, een hakbijl in zijn handen had. De auto was gestart, gelukkig. Hij had zelden zo graag weg willen gaan van een parking. Nadat hij de normale weg terug was opgereden, draaide hij een andere straat in. Hij stopte meteen zijn auto toen een man voor de Ford Mustang stond. De man liep richting het raam van de auto, die zich aan de kant van de bestuurder bevond. De man tikte met zijn hand op het raam. Hij wist wat hij wou, zijn tijd was gekomen. Hij opende het raam met zijn linkerhand. De man met de bijl leunde op de auto. 'Angst voor parkings?' vroeg de man iets té luchtig.

Nova
37 1

In alle eerlijkheid

Het is zover. Ik heb er eentje. Onze oudste confronteerde me er mee. We waren een dag gelijk op pad en hij hoorde het iets te vaak. "Pa, stop daar eens mee", zei hij. "Je zegt het bijna na elke zin." Het was me wel eens opgevallen, maar dat het zo erg was, wist ik niet in alle eerlijkheid. Kijk, daar is het opnieuw. Mijn stopwoord: 'In alle eerlijkheid'. Ik had nooit gedacht dat ik iemand zou zijn met een stopwoord. Om de paar zinnen komt het er automatisch uit. Zoals de koekoek elk uur uit zijn koekoeksklok springt. Het is klokvast. Het moet eruit. Ik kan het niet meer controleren. Ik heb voor de aardigheid enkele zinnen genoteerd. Zinnen waarin het bijna automatisch voorkomt. "Er is in alle eerlijkheid niks met een portie bitterballen.” "Ik proef het verschil ook niet in alle eerlijkheid." "Ik snap dat wel in alle eerlijkheid." Dat zijn er nog maar drie, maar u snapt mijn probleem. Het is alles bij elkaar een gek ding. Soms betrap ik er mezelf andermaal op dat 'in alle eerlijkheid' uit mijn mond komt en dan begin ik te vloeken. Dan lijkt het alsof ik het syndroom van Gilles de la Tourette heb. Nee, er moet iets aan gedaan worden. Voor je het weet gaat het zijn eigen leven leiden en beginnen de mensen je een naam te geven. Zoals bij mijn kennis de Wittewel.   Het goede nieuws is dat ik in de eerste fase van mijn probleem zit. De herkenningsgfase. Ik ben me bewust van mijn probleem. Een zelfhulporganisatie is daarom geen slecht idee. Maar die zal wellicht nog niet bestaan voor mensen met deze aandoening of stoornis. Wat denkt u bijvoorbeeld van de Storende Stopwoordgebruikers? Al is de afkorting daarvan in alle eerlijkheid niet het beste idee.  

Rudi Lavreysen
24 1