Lezen

De kleine prinses

Er zit een geheimzinnig meisje recht tegenover mij in metro 5 – richting Erasmus.Ze heeft een paraplu op haar schoot liggen en ze houdt hem stevig vast.Ze kijkt door het raam.Haar opa staat naast haar.Zijn arm rust beschermend op de leuning van haar zitplaats.We staan stil in Beekkant. De metro naast ons komt ook tot stilstand.   “Een slang! Die mevrouw houdt een slang vast!”, roept ze luid.Ze wijst naar de metro naast de onze.Verschillende mensen uit onze wagon kijken benieuwd rond.Haar opa fronst.Metro 5 naast ons vertrekt in de andere richting, naar Herrmann Debroux.Zien speelt zich niet af in dezelfde hersendelen als wetenen er volgt zo’n moment waarbij je je afvraagt of wij nu bewegen, of zij.Het is een optische illusie,een waarneming van onze ogen die onze hersenen anders interpreteren.   Ik denk aan ‘De Kleine Prins’.Hij tekende een boa die een olifant had ingeslikten grote mensen zagen er een hoed in.Ik zie nog hoe de vrouw aan de andere kant van het raamhaar sjaal op haar schoot legt, terwijl de metro vertrekt.   Het kleine meisje friemelt aan haar paraplu.Ze kijkt me guitig aan en ik fluister ‘kapoen’ langs mijn glimlach weg.Opa Frons haalt zijn arm van de rugleuning,legt zijn hand op de paraplu en houdt haar tegen.“Niet opendoen”, zegt hij kort “We zijn er bijna. Nog één halte.”Het kleine meisje kijkt heel even erg beteuterd.Daarna kijkt ze me opnieuw met speelse ogen aan.Ze plooit haar dichtgeklapte paraplu voorzichtig een stukje open.En ze toont me – alsof ze me een geheim laat zien –voorzichtig de prent van een prinses.   Ik denk opnieuw aan de kleine prins.Opa Frons zag 'de hoed'. Hij zag een sjaal en een paraplu.Het kleine meisje zag een boa en verbergt in haar regenscherm geheimen.Zij wilde mij per se, met een zekere urgentie zelfs, nog voor ze uit moesten stappen,de verborgen prinses tonen.Dat had haar opa misschien nog niet goed begrepen.Zien speelt zich immers niet af in dezelfde hersendelen als weten.

Jill Marchant
0 0

Kamperen voor Dummies (vervolg) Vertrouw niet altijd op de gps.

Niets zo handig als een gps wanneer je in een ander land vertoeft. De tijd dat we een Michelinboekje of grote landkaarten gebruikten ligt achter ons. Of… toch niet! Je gaat bijvoorbeeld naar een camping niet ver van Montelimar. De Gps wijst je de kortste weg via tolwegen en je betaalt graag voor deze luxe als je maar snel ter plaatse komt. Vijf kilometer voor je bestemming stuurt het navigatietoestel je de bergen in. Dat klopte met onze gegevens en de foto’s op de website. Aangegeven als een rustige ACSI 4 sterren-camping met zwemgelegenheid, ruime plaatsen, een prachtige omgeving en een voordelig tarief buiten seizoen. De weg wordt een provinciale baan die ons 3 kilometer verder brengt. Mijn echtgenoot zegt met een grote zucht van tevredenheid:  ‘We zijn er bijna. Ik ben blij want ik begin moe te worden.’ Tja, ik kan niet rijden dus rust de verantwoordelijkheid  van het rijden volledig op de schouders van mijn man. Het provinciaal baantje wordt hoe langer hoe smaller tot het een rijbaan is met een volle witte streep die af en toe wordt onderbroken om op een voorziene plaats een inhaalmanoeuvre uit te voeren. We draaien een weggentje in waar een wegwijzer staat met de naam van de camping erop. Het baantje lijkt ons wel erg smal voor een auto met caravan maar onze elektronisch gids houdt aan. De laatste twee kilometer worden we enerzijds belaagd door overhangende rotsen en aan de andere zijde door een steile afgrond afgezet met rotsblokken als buffer. Hier en daar ontbraken zelfs de rotsblokken omdat de plaatselijke everzwijnen het blijkbaar leuk vinden ze uit de weg te ruimen om ongehinderd overal door te kunnen. Het was warm die dag maar het was niet van de hitte dat mijn echtgenoot peentjes zweette. Sommige momenten hing er een voor- of achterwiel van onze auto boven de afgrond en schuurde de aluminium afwerking van onze caravan tegen de overhangende rotsen. Na een aantal halsbrekende maneuvers lukte mijn man erin om de camping te bereiken. Na een nacht welverdiende rust waren we op zoek naar een supermarkt om onze inkopen te doen en reden richting Montelimar. Bleek dat indien we verder richting Montelimar hadden gereden en een stukje waren teruggereden er een comfortabele baan ons rechtstreeks ter plaatse had gebracht. Omdat het niet de laatste keer was dat de gps ons die loer draaide checken we nu eerst de hoofdbanen met behulp van, u raadt het al, het Michelinboekje of de landkaart.    

Fanny Vercammen
0 0

Die vluchtige zomer

Hoe vluchtig was die zomer Als een zuchtje in de herfst Drie hittegolven zei de weerman Ik trek een warme trui aan Te weinig water stond in de krant Ik neem een glas water van de kraan Niets gebeurt op politiek vlak Alleen revoluties brengen politiek Weer een kat vermist En de asielen zitten bomvol Net als de wegen, de steden, het openbaar vervoer Als heel de aardkloot eigenlijk Want niemand woont in de oceaan Water genoeg daar Maar we hebben liefst iets zoetigs Om onze tanden kapot te knabbelen Op kosten van de sociale onzekerheid Om nadien tien vegi kookboeken te kopen Dieet 363 te volgen En de maand nadien een nieuwe kleerkast Want weer een maatje bij Zolang ze maar geen vreemd kleurtje hebben Ik vind wit een vreemde kleur Zolang ze niet anders zijn Mijn spiegel schrikt zich elke ochtend te pletter Besef Als de linkshandigen beginnen rechts te schrijven Is hun laatste pennentrek nader We gaan iets voor het klimaat doen Elektrische boten in Amsterdam Ze gaan varen met 300 miljoen Chinezen Die voor het eerst een monovolume kopen Fijn in gangnam style het milieu … verder om zeep helpen Moet er nog een iFoon, e-auto of tablet zijn Nikkel, mangaan en kobalt Kom gerust langs in Congo Lieve Belgen en Chinezen Ontgin het, steel het, verkoop het Laat de kinderen putten graven Twintig meter diep Kinderen en ertsen genoeg Vooruit met die plundering Want de zomer was weer vluchtig En lithium wacht op ons Made in Chili en Australia Een half miljoen ton Voor minder komen we niet langs Want we hebben het druk Met het plunderen als kolonisten Van elke Afrikaanse bodem En onze dieetboeken zijn reeds tweedehands Zo vluchtig als die zomer   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
0 0

Gebeurtenissen uit de jeugd van Benoit die van hem een schrijver maakten

Brandweerman   Ik ben Benoit. En ik heb lang gedacht dat ik brandweerman zou worden. Dat dat het leukste beroep was. Wagens, sirenes, ladders, slangen, water. En spuiten. Als het maar nat is, dacht ik, is het goed. Bij regenweer heb je spijtig genoeg geen brandweermannen nodig. Wanneer het weerbericht slecht weer voorspelt is dat voor mij een dag om snel te vergeten. Dan ben ik verdrietig en loop thuis rond met krampen in mijn buik van pure stress tot ik op de wc ga zitten en mijn darmen leeg pers. Wachten op een straaltje zon kan lang duren als je in het kleinste kamertje zit. Geloof mij. Op dagen met onweer lees ik stripverhalen zolang het nodig is en vraag zo nu en dan aan Onze-Lieve-Heer om bliksem en donder voor eeuwig en altijd te verbannen naar de hel. Drie weesgegroetjes later zet hij dan meestal een regenboog aan de hemel. Daar ligt een schat begraven. Met kleurrijke snoepjes en gouden muntstukken uit chocolade. Voor heel brave kindjes zoals ik. Daar koop ik dan een paraplu mee. Dat is het enige wat ik kan doen om mij tegen de regendruppels te beschermen. Maar ik weet niet goed of dat wel echt werkt, want ondertussen liggen er al drie stapels stripverhalen onder mijn bed. Dat is genoeg voor minstens anderhalve week. Als het moet lees ik extra traag en dan kan ik twee weken verder. Op de hardnekkigste regendagen, wanneer de wolken zwart aan de lucht blijven hangen, als een kanker die je ondanks al dat water niet van je huid gewassen krijgt, twijfel ik over het bestaan van een God, dat geef ik eerlijk toe. Maar nooit heb ik getwijfeld dat ik brandweerman zou worden.   Geen seconde.     School   Onze klas telt achttien leerlingen. Evenveel jongens als meisjes. Les krijgen we van een juf. Haar naam is Frieda. Volgens papa is een meester beter, want met de wijven hebt ge niks as last. Ikkekannekik a schaamhaar zien zingt hij dan heel luid. Dat is een liedje op een vinylplaat. Van de groep Katastroof. Mijn mama geeft ook les op onze school. 1A is haar klasje. Bij aanvang van een nieuw schooljaar heeft zij ook achttien leerlingen. Kleutertjes is eigenlijk een juister woord. Op het einde van het schooljaar zijn die gegroeid tot minstens dertig. Dertig van die kleine in hun broekjes pissende en kakkende ettertjes. Mijn mama heeft daar weinig last van. Haar darmen zijn beter bestand tegen de stress dan die van mij. Ik zit nu in het derde klasje en doe het niet meer in mijn broek. Mijn grote hobby is zoals gezegd stripverhalen lezen. Het is te zeggen: ik kijk naar de prentjes, en teken die niet al te snuggere dikke agent over op vellen A4 papier en hang die dan met duimspijkers tegen de muur in mijn kamer, want lezen kan ik nog niet. Ik ben vijf. Agent 212 is superleuk. Mijn papa is ook politieagent.   Ergens in Brussel.     Schaarbeek   Schaarbeek ligt in Brussel en is een gevaarlijke stad. Dat is toch wat mijn papa zegt. Wanneer hij ’s ochtends naar zijn werk vertrekt is dat voor vierentwintig uur. Hij patrouilleert op straat, het liefst van al achtervolgt hij stoute mensen. Met zijn Volvo. Onverwoestbaar als je hem mag geloven. Zelfs wanneer zijn achtervolging in het Josaphat park eindigt en hij daarvoor trappen op en af moet rijden. Ik heb die Volvo nog niet gezien. Maar het is een zwarte. Met blauwe zwaailichten. Mijn papa is geen racist, maar uit ondervinding weet hij dat ge naast de wijven ook met de Marokkanen en de Joden niks as last hebt. Marokkanen hebben namelijk nooit iets gedaan. Ook al doen ze wel iets verkeerd, dan nog zullen ze volhouden dat ze het niet gedaan hebben. Dat zit in hun cultuur. Bovendien moet je opletten want ze zeggen erge dingen zoals: ‘Ik weet woon uw huis.’ ‘Ik poep uw moeder.’ Ze zullen het met de glimlach op hun gezicht blijven herhalen. Met gebalde vuisten achter hun rug. Joden zijn dan weer een ras apart. Die zwemmen in het geld en hebben hun eigen scholen die ze laten bewaken. Ik heb op het schoolplein gehoord dat Joden arm zijn, dat ze in kampen met miljoenen samenzaten en dat de Duitsers hen met gas hebben gedood. Hoe het dan komt dat er nog altijd rijke Joden zijn weet ik niet.   Misschien is mijn papa ook een Marokkaan.     Kraantjeswater   Wanneer het eens een dag regent en ik geen zin heb om stripverhalen te lezen, speel ik met de brandweerkazerne van Playmobil. Ik heb een extra ladderwagen en een rescue helicopter. Je zou eens moeten weten hoeveel keer ik denkbeeldige vuurtjes in ons -ondertussen vergeelde tapijt- heb geblust. Mama vindt dat ik voortaan kraantjeswater moet gebruiken. Dat Spa te duur is om het leven van mijn zus haar Barbie te redden. Ik was ervan overtuigd dat ik brandweerman ging worden tot ik vorige week bij mijn oma ging logeren. Daar ben ik voor het eerst beginnen nadenken.   Of politieagent niet beter bij mij past.     Meester   Op school krijgen we les van meester Deleu. Hij is wel vaak ziek en wordt dan vervangen door een interim juf. Op dagen dat hij toch voor de klas staat heeft hij het vooral moeilijk met het uit elkaar houden van David en David. Niet dat ze qua uiterlijk op elkaar lijken, maar omdat meester Deleu graag pintjes drinkt en af en toe ook een glaasje whisky of wodka.   David komt uit ex-Joegoslavië en wil als David (met duidelijke ‘A’) aangesproken worden. De andere David is de populairste jongen van onze klas en wil om dat te blijven niet met David vergeleken worden. Hij heeft liever dat we Devid tegen hem zeggen. (op z’n Amerikaans). David en Devid komen uit een marginaal gezin waar ook veel whisky’s en wodka’s gedronken worden.   Het is nooit mijn bedoeling geweest om mijn vriendschapsboekje door die twee te laten invullen. Maar op de een of andere manier is het hen toch gelukt. En spijtig genoeg staan er nu dingen in zoals:   Tiptaptop de datum staat op z’n kop Mijn fijnste schoolvak: Niks Mijn hobby’s: Op straat lopen Ik hou helemaal niet van: Joden en Marokkanen Wat ik later worden wil: Brandweerman of gigolo Mijn idool: Samantha Fox De beste (pop)groep: Beethoven, Europe Mijn beste boek: Vlasko en zijn hond Tophit: Putain putain van TC Matic Het beste tv-programma: Cocoricocoboy Mijn mooiste film: Rocky I II III IV, Flodder Het lekkerste eten: Frieten Ik hou helemaal niet van: meester Deleu en Sabien Het meest houd ik van: De interim juf met de dikke borsten           Broers: 1 Zusjes: /   Ik weet nog perfect hoe het koekje en het appelsapje uit mijn schooltas die dag smaakten. Zoals die keer dat mijn favoriete winkel gesloten was en mama besloot om naar de Aldi te gaan. Slecht. En toch slikte ik de brij door, en besliste om David en Devid tussen de andere klasgenootjes te laten staan.     24 uur   Als mijn papa zijn vierentwintig uren shift erop zit kruipt hij in bed. Dan slaapt hij en moeten mijn zus en ik stil zijn. Ik speel op die momenten vaak in de tuin. Met de tuinslang spuit ik de planten extra lang nat. Zo lang tot mijn zus Wendy roept dat haar Pluisje niet van water houdt. Pluisje is het konijn dat ze van de Sint heeft gekregen omdat ze zo’n goed rapport had. Pluisje zit eenzaam in een kot in de garage. Het doosje lucifers dat ik daar vorige maand vond ligt nu in de badkamer, in het medicijnkastje. Onder de keelpastilles en naast de hoestsiroop. De rododendron nog eens in brand steken mag niet meer van mama. Ik moet mijn fantasie gebruiken. Denkbeeldig vuur kan ook geblust worden. Liefst met droog water op het nieuwe Ikea tapijt.   Soms vraagt mama of ik zin heb in een spelletje. Mens-erger-je-niet vind ik plezant zolang ze mij laat winnen. Wanneer ik meer dan één pionnetje achtersta zeg ik dat ik kaka moet doen en ga op mijn kamer een stripverhaal lezen. Mijn favoriet blijft Agent 212. Iedere week breng ik er een paar van de bib mee. Ik zoek dan naar straffe verhalen. Tot nu toe is dat niet gelukt. Papa’s verhalen uit Brussel zijn veel spectaculairder.   Misschien moet mijn papa eens een stripverhaal maken.     Sabien   Devid heeft gezegd dat hij mij gaat tonen wat een gigolo doet. Devid is mijn beste vriend. Hij stelde Sabien voor. Omdat zij de enige is bij wie al iets te merken is van beginnende borstjes. Bovendien doet het gerucht de ronde dat ze afgelopen weekend haar eerste bh'tje zou hebben gekregen. Omdat Devid de populairste jongens van de klas is, wijk ik niet van zijn zijde. Dat komt mij misschien nog eens van pas. Ooit.   Het is hem gelukt onze klas te overtuigen. Tijdens de speeltijd, om tien uur, zullen ook nog eens alle jongens van 5B komen helpen. We hebben alle details besproken. De schoolmuur zal gedeeltelijk nieuwsgierige blikken afschermen. Voor de rest zorgen de andere leerlingen. Met hun ruggen naar de bakstenen muur en hun gezichten naar de speelplaats gericht. Het wordt een kringetje van jongens en van meisjes. Een halve cirkel eigenlijk. Sabien, Devid en ikzelf zullen in het midden staan. Voor de niet deelnemende leerlingen en vooral voor de leerkrachten die toezicht houden zal het lijken alsof we, zakdoek leggen niemand zeggen, aan het spelen zijn. Dat is toch het plan.   Om tien uur gaat de bel. Het is zover. Devid en ik stormen als gekken naar buiten. Sabien komt even later, alsof er niets aan de hand is, de speelplaats op gewandeld. Haar halflange blonde haren heeft ze in een staartje samengebonden. Devid deelt bevelen uit. Plaatst jongens en meisjes zo dicht mogelijk tegen elkaar. Jullie mogen in geen geval kijken, gezichten in die richting. Hij wijst naar de basketbalring op het einde van de speelplaats.   Ik sta in het midden van de door leerlingen gevormde halve kring samen met de populairste jongen en het mooiste meisje van onze klas. Is dit wel verstandig om hier en nu te doen, waren de toiletten niet veiliger geweest? Stel dat een van de leerkrachten komt kijken wat er hier gebeurt. Zoveel kinderen die stilstaan, met hun ruggen naar elkaar, is verdacht.   Devid vraagt of we borstjes te zien krijgen. Sabien schudt nee. De beschermende kring rond ons vertoont gaten. Borstjes heeft als een rode lap op een stier gewerkt. Enkele jongens hebben zich omgedraaid in de hoop een glimp van Sabien te kunnen opvangen.   Omdraaien, brult Devid hen toe. Vervolgens haalt hij zijn piemel tevoorschijn. Hij houdt het verrimpelde stukje huid wachtend in zijn hand, kijkt naar Sabien. Komaan, nu jij. Sabien doet het iets minder haastig, maar ze doet het. Met beide handen trekt ze haar broekje en onderbroekje naar beneden. Devid duwt zijn piemel tegen haar spleetje. Een… twee… drie seconden. Propt hem daarna weer in zijn broek. Jouw beurt, zegt hij. Mijn nieuwsgierigheid is sterker dan mijn angst. Het kan mij niet schelen wie of wat ons nu kan zien. Ik wil zoals Devid zijn: een gigolo.   Ik ben elf. Ik rits mijn broek open. Ik zeg niets. Sabien zegt niets. We zwijgen samen.   Ik tel de gaten in de muur niet meer. Mijn hand met daarin mijn penis zit op gelijke hoogte van een kleine witte navel. Ik mik nog enkele centimeters lager en kijk in de ogen van Sabien. Trrrrrrrrrriiiiiiiiiiiiiii…. De bel galmt over de speelplaats. Iedereen rept zich naar de geschilderde cijfers en letters op de grond waar iedereen netjes per twee op komt staan. Devid staat naast mij. Volgens mij weet hij het. Sabien ook. Ik ben geen gigolo. Ik word geen politieman. Ik zal nooit brandweerman zijn.   Toen ik de vakantie daarop weer bij oma bleef slapen en ik in de slaapkamer haar grijze schaamhaar kon zien was ik vastberaden om zoals de rijke Jood, die zijn school bewaakt, te worden.   Bij die gedachte verscheen er een glimlach op mijn gezicht.

Sascha Beernaert
3 0
Tip

Budi Wong

BUDI WONG   Ik leer Budi Wong kennen wanneer ik aan de receptie werk van een printerbedrijf op de twintigste verdieping van een kantoorgebouw op de hoek van West Hastings en Burrard Street in Vancouver. Het is een paar weken voor onze beider levens zullen veranderen. Het mijne geografisch, het zijne dramatisch. Budi Wong is een gezette man van Chinese origine uit Hong-Kong met een leeftijdsloos gezicht en pretogen. Hij is een verkoper van printers en lijkt die job met passie uit te oefenen. Zijn klanten kopen materiaal van hem en vergeten hem terstond. Zijn collega’s respecteren hem omdat hij de cijfers omhoog haalt maar nooit bovenaan de lijst topverkopers staat. Hij mag regelmatig de bel luiden, maar minder vaak dan de sterspelers. Hij is goed maar gemiddeld. En dat is voor iedereen prettig. Budi Wong is liever geliefd dan de beste.   Mijn bureau staat in het midden van de hal. Ik zit met mijn rug naar een groot raam met prachtig uitzicht over de haven van Vancouver en Grouse Mountain. Als er mensen aan de receptie staan, is dat wat ze zien. Ik kijk op de liftdeuren.   Wanneer Budi Wong iets komt vragen, maakt hij eerst een mop. Budi Wong lacht altijd. Behalve soms. Soms stopt hij met praten en kijkt hij in zichzelf, waar hij wordt omringd door vrouwen en mannen die wachten op telefoon van het voorjaar: “je buik is te bol, je dijen te dik.” Maar de lente belt niet dus iedereen schept nog eens op en bestelt nog een pint.   Mijn laatste werkdag, de eerste dag van mijn laatste week in Canada, is ook de dag waarop Budi Wong vastzit in de lift. Het is vrijdag en vergadering en er zijn donuts voor iedereen. Aan de muur hangt een groot scherm en we juichen team Canada toe tijdens de openingsceremonie van de Winterspelen in Sochi. De telefoon rinkelt maar ik hoef niet op te nemen. Niemand merkt de afwezigheid van Budi Wong op, of het rode lampje dat brandt boven de meest rechtse lift. Ik zit op een stoel in de hoek van de vergaderzaal en kijk naar buiten. Toen ik vanochtend vanuit het noorden van de stad naar het centrum fietste, over de Lions Gate Bridge en recht door Stanley Park, geurde de lucht naar Douglassparren en zee. Het was grijs en mistig, koud en donker. Ik bewoog door het spitsuur als een geroutineerd werkpaard terwijl ik ernaar keek met de betrokken afstand van een vogelspotter. Vrijheid is je ergens bevinden maar geen wortels hebben. Het moeilijkste is vertrekken wanneer je wortels beginnen groeien.   De telefoon rinkelt steeds vaker en steeds langer. De openingsceremonie is voorbij en de vergadering op zijn eind. Mensen verdwijnen druppelsgewijs naar hun eilanden en ik ruim in stilte de papieren bekers koffie op, plaats de stoelen weer op een lijn, zet een stap achteruit, verschuif de tweede stoel van rechts nog een paar centimeter en druk mijn neus tegen het raam voor ik de deur van de vergaderruimte sluit. Ik neem de telefoon op. Het is Budi Wong. Hij zit al twee uur vast in de lift. Het rode lampje knippert. Budi Wong is in paniek. Hij zegt dat ik hem moet helpen. Dat hij niemand kan bereiken. Dat er geen lucht meer is. Hij heeft zijn das al uitgedaan en zijn broek opengezet. Ik bel naar de lobby van het gebouw, ze zijn op de hoogte van het probleem, er is een technieker onderweg. Ik stel Budi Wong gerust. Het zal niet lang meer duren.   Ik wens dat ik in een lift zit die nergens heen gaat. Wanneer ik bevrijd word, ben ik nog in Canada. Maar ik hoef er niet per se uit, kan er voor altijd blijven zitten: achter die drie met beige ribfluweel bekleedde muren en weinig flatterende spiegel, bevindt zich de plek waar ik wil zijn. Waar mijn wortels zich ongemerkt in de grond hebben vastgezet.   Het duurt vier uur vooraleer ze Budi Wong hebben bevrijd. Ik zie hem niet meer want ik blijf boven tot sluitingstijd en Budi Wong ligt beneden huilend op de grond met zijn armen en benen gespreid. Zweet drupt langs zijn slapen en hij roept dat hij nooit nog een lift neemt. Hij roept het luid maar niemand hoort het. De portier praat met de technieker, de barista van de lobbybar flirt met de postbode. Budi Wong ligt op de grond, ik zit twintig verdiepingen hoger, en daartussenin luistert er niemand. Budi Wong staat op en neemt een taxi naar huis. Hij zegt tegen zijn vrouw dat hij ziek is en kruipt in zijn bed. Zijn zoon fluistert de eerste vijf minuten maar maakt daarna weer evenveel lawaai als voordien. Budi Wong valt in slaap en denkt: “ik neem nooit nog een lift.”   De volgende maandag neemt Budi Wong de lift. Hij heeft een belangrijke afspraak met een grote klant uit de kunstensector die vijf flatbed printers wil kopen. ’s Ochtends neemt hij de metro, zoals gewoonlijk, koopt hij onderweg een grote meeneemkoffie en een stuk citroencake, zoals gewoonlijk, loopt door de glazen draaideuren de lobby in en gebruikt zijn badge om de lift te roepen, zoals gewoonlijk. Hij heeft geen keuze, er is geen trap. En dan nog, het zijn twintig verdiepingen.   De rest van de week neemt hij elke dag minstens vier keer de lift. Behalve op vrijdag, dan eet hij ’s middags aan zijn bureau en lacht hij naar zijn collega’s en zegt hoera het is weer bijna weekend hebben jullie plannen ik moet het terras schilderen zolang het droog blijft en vanavond zullen we het er eens goed van nemen. Maar hij denkt iets anders. Hij denkt dat elke beslissing die hij ooit nam op een moment dat hij het meende, niets waard is. Hij beseft dat hij door zijn eigen leven beweegt alsof iemand anders de regie in handen heeft. Hij besluit dan en daar, met een hap Caesar’s salade in zijn mond, om de volgende dag met een volle gastank te beginnen rijden, alleen, naar de eerste plek waar hij iets besliste. Naar de eerste gebroken belofte.   Zaterdag vertrekt Budi Wong met een volle gastank maar ook zijn zoon van vijf op de achterbank en de wetenschap dat zijn vrouw hen zondag voor het eten thuis verwacht. Hij heeft snoep bij, en fruit, druivensap en rijstcrackers. In de koffer ligt een grote tas met spelletjes en propere kleren. Op de radio speelt een verslag van het kunstschaatsen in Sochi maar dat moet na een paar minuten uit want zijn zoon houdt meer van de soundtrack van Cars 2.   Terwijl Budi en Owen Wong door het weelderige en vochtige landschap van British Columbia rijden, zich allebei weinig bewust van de nochtans niet te negeren schoonheid ervan, pak ik mijn zakken – al is het er eigenlijk maar één en zit er niets in dat ik in België nog zal gebruiken omdat het me week zou maken van heimwee een trui te dragen die ik voor drie dollar kocht bij Salvation Army in Yellowknife. Niet omdat hij lelijk is maar omdat hij rood is, en Superman er op staat, en hij ruikt naar mensen en bomen die ik nooit meer zal zien. Mijn rugzak ligt op het bed van mijn eenkamerappartement in één van de drie grote blokken aan de noordzijde van Vancouver. De lelijkheid van de stadsrand verbindt er zee en bergen. Reusachtige tankers liggen stil aangemeerd, imposanter soms, dan de besneeuwde toppen op de achtergrond. Op de gang ruikt het kruidig en in het tapijt is licht het modderspoor van mijn fietsbanden te zien. Het maakt me, als bewijs van ongehoorzaamheid, ietwat trots: fietsen zijn binnen niet toegelaten. Maar de mountainbike past net op het kleine terras en is mijn enige bezit van waarde. Straks komt er iemand langs om hem te kopen. Hij krijgt mijn helm er gratis bij.   Budi Wong had uitgekeken naar de lange rit heen en terug naar Williams Lake – de stad waar zijn ouders ooit nieuw waren, toen oud, en dan niet meer. Zijn zoon slaapt veel en zeurt niet, maar het is niet hetzelfde. Hij moet op tijd in een degelijk bed en Budi Wong passeert meer dan één roadside diner waar hij niet kan stoppen voor een burger en een pint. Ze overnachten in de 100 Mile Motel, iets voor Williams Lake. De kamer is muf maar typisch en net daarom weer bijzonder. Budi Wong denkt aan een film die hij zag toen hij jong was. Voor Owen diagonaal de tweepersoonsmatras in beslag neemt, vertelt hij over een jongen in zijn klas die ook eens op reis was met zijn vader. Wanneer hij achteraf terug op school kwam, droeg hij een pet met een dinosaurus op.   Ik reserveer een taxi om me de volgende dag naar de luchthaven te brengen en blijf op mijn bed zitten. Ik ga niet kunnen slapen, maar wil ook niks leuks gaan doen. Vooral niet markeren dat deze avond de laatste is.   Budi Wong spendeert de nacht op zijn motorkap. Onder invloed van de sterren of de voorbijrazende trucks, ziet hij zich met zijn zoon aan Dugan Lake staan, beiden onder de indruk van het spiegelgladde water. Hij kan Owen daar geven wat hij er zelf van zijn grootvader kreeg toen ze pas uit Hong-Kong kwamen: een idee van dagen te plukken en levens te leiden. De afwisseling van stilte en het geluid van watervliegtuigen zullen zijn woorden onderstrepen. Hij zal nooit meer met spijt naar de kleine Budi Wong kijken, die met een oude man stond te vissen en plechtig beloofde om piloot te worden.   De volgende dag huurt Budi Wong een kano en bindt die op het dak van zijn truck. Ze rijden de tien mijl naar Horsefly Road, tot aan de toegangsweg tot Dugan Lake. Het meer is vies en halfdroog. Er landen geen vliegtuigen en het stinkt. Owen trekt zijn neus op, of zijn wenkbrauw. Maar Budi Wong heeft een kano op zijn auto liggen. Hij zet zijn zoon in de boot en geeft hem een vislijn. Hoewel hij door de te grote zwemvest amper kan bewegen, springt Owen in het midden van het meer enthousiast recht. Hij wijst naar een ree aan de overkant en lijkt, heel even, in het troebele water te gaan vallen. Budi Wong stelt zich de gevolgen voor: reddingshelikopters en zijn huilende vrouw. Maar er gebeurt niets en hij schrikt van zijn teleurstelling.   In het vliegtuig dwing ik mezelf om naar buiten te kijken. Met mijn handen krampachtig in mijn tas geduwd, zie ik enkel autostrade en tarmac en buitenwijken en winkelketens maar ik wil niets liever dan in de rij te staan voor de incheckbalie, dan in de rij te staan voor slappe koffie, dan in de rij te staan voor het toilet. Op de grond, en daar.   Onderweg naar huis stoppen ze aan een tankstation om naar huis te bellen. Owen praat met zijn moeder en wanneer ze vraagt of het er mooi is, zegt hij: “Saai.” Hij weet dat het niet meer nodig is, maar al rijdende beslist Budi Wong dat hij een verkoper is van printers en dat hij vader is van zijn zoon en man van zijn vrouw. Dat hij niet de beste is in leven, laat dat maar aan de durvers over, hij zal wel toekijken en het terras schilderen als het weer dat toelaat.   Ik ben Budi Wong. Ik wacht op telefoon van de lente. Ik wacht tot mijn leven gaat beginnen, terwijl elke voorbije dag er een is die ik niet opnieuw kan beleven. Ik zit op een stoel aan een bureau met achter mij een prachtig uitzicht en voor mij drie liften, die anderen op hun bestemming brengen. Ik ben Budi Wong. Morgen word ik piloot.  

Fien Meynendonckx
105 4