Lezen

Creatief vertraagd.

  Na elke nieuwe, volgeschreven lege bladzijde wacht een volgende lege bladzijde. Het witte blad dat me aanstaart zou angstaanjagend kunnen zijn, mocht ik de ambitie hebben om het helemaal vol te schrijven. Dat lukt soms niet omdat mijn innerlijke criticus me het zwijgen oplegt en zijn rode pen al schrapt wat nog niet is opgeschreven. Op zo’n momenten komt er niets, ben ik creatief vertraagd en vind ik geen inspiratie om een fris of puntig verhaaltje te verzinnen. De juiste hersengolf wil dan niet rollen. Dat overkomt me meestal wanneer ik niet met schrijven kan beginnen omdat het alledaagse leven in de weg zit, omdat ik sociale verplichtingen heb of omdat het gezinsleven me tot andere verplichtingen dwingt. Of wanneer ik te veel tijd en massa’s ideeën heb, dat valt ook voor. Dan heb ik zoveel ingevingen dat ik er ook niet in slaag om er één uit te kiezen en er passende zinnen of een juiste wending bij te verzinnen. Misschien schrijf ik wel het beste op momenten dat van mij verwacht wordt dat ik me met nuttigere dingen bezighoud om dan vast te stellen dat op momenten dat ik er wel tijd voor heb, er niets meer is. Niet productief zijn, is dan de schuld van ‘writers-block’, een aandoening die trouwens niet lijkt te bestaan bij mensen met meer alledaagse vrijetijdsbezigheden. Vissers of voetballers hebben namelijk nooit last van een ‘vissers-block’ of een ‘voetballers-block’, al blijft hun ego wel overeind staan als ze er voor de ene of de andere reden niet toe komen er hun tijd aan te besteden. Meestal echter vindt de creativiteit mij wel, zelfs op momenten wanneer ik het gevoel heb dat ik haar helemaal uit het oog verloren ben. Als ik mezelf dan opsluit en vastketen in mijn gedachten, lijkt de wereld van buiten beter binnen te komen. Fijne details of een op het eerste zicht overbodig feit wordt dan met bezieling in mijn hoofd ingekleurd tot een zotte kronkel of een uitgesponnen anekdote. Op die momenten vergeet ik perfectie en productie en schrijft mijn pen bijna automatisch bladzijden vol met zinnige en onzinnige dingen of over uitgesproken mensen die me opvielen. Ik laat dat graag gebeuren. Wanneer ik er dan zonder verwachtingen aan begin en ik de ambitie kan laten varen om mezelf te overtreffen gebeurt de magie haast vanzelf maar nooit wanneer ik er als een bezetene naar streef. En dan denk ik, ik kan mezelf niet uit een ‘writers-block’ denken, ik kan me er alleen maar uit schrijven en misschien is schrijven over een ‘writers-block’ wel honderd keer beter dan helemaal niets te schrijven.

jan pultau
0 0

Betoverende onwetendheid.

  Ze gaf me indruk alsof ze recht uit het canvas van een bekende schilder was gestapt. Hoewel de parel en de blauwe haarband ontbraken, had ze net zoals Vermeer minutieus lijntjes getrokken en esthetisch verantwoorde kleurtjes aangebracht, om dingen te accentueren of om er andere mee te verdoezelen. Ik vermoedde dat laatste omdat een donkere wal niet helemaal was weg gecamoufleerd zodat een fijn lichtblauw adertje mijn visuele aandacht kreeg. We hadden nog geen enkel woord met elkaar gewisseld en de zwijgende stilte was een handigheid omdat we zo wat tijd kregen om te wennen aan elkaars gemoedstoestand. Dat was nodig omdat die tegenstrijdig leken. Het laatste kwartier pas had ik het een beetje rustig gemaakt en had ik wat plaats gemaakt in mijn hoofd zodat ik beter kon luisteren naar wat ze me te vertellen had. Zorgeloos leek ze deze keer niet, integendeel ze zag er aangedaan uit en getekend door gebeurtenissen, door dingen die niet hadden plaats gevonden of door kwesties die net wel hadden moeten gebeuren. Ze bestelde rode wijn maar niet alvorens te vragen of me dat niet stoorde. Dat deed het niet al vond ik het wel fijn dat ze zelfs nu nog aandacht had voor mijn gevoeligheden. Toen ze met haar verhaal begon, keek ze vaak weg alsof ze achtervolgd werd of alsof ze op een denkbeeldig iemand aan het wachten was. Praten was lastig omdat ze zich schaamde voor het leven dat haar nog maar eens verrast had met een vies cadeau dat verpakt was in een mooi papiertje. Ze ging ronduit door over al die dingen die haar de laatste maanden waren overkomen, waarmee ze geworsteld had en die haar uiteindelijk helemaal uit balans hadden gebracht, over zaken waar psychiater Dirk De Wachter voor waarschuwt wanneer hij er de gelegenheid voor krijgt. ‘Door constante focus op geluk en door continu jacht te maken op geluk jaag je het weg’, zegt hij. ‘Als je als hoofddoel non-stop geluk nastreeft, begint de miserie maar pas goed.’ De woorden van De Wachter vielen me op in haar ogen en in elke lang gerekte zucht waarmee ze de zwaarte van de dingen probeerde weg te blazen. ‘En jij, ben jij gelukkig?’, prevelde ze. ‘Gelukkig ik? Geen idee’, antwoordde ik ontwijkend. ‘Misschien betekent gelukkig zijn gewoonweg niet al te dikwijls ongelukkig zijn? Ik weet het niet, maar dat niet weten maakt me nieuwsgierig zodat ik me elke dag door de zoektocht naar dat mysterie mag laten betoveren.’ Ze lachte voor het eerst die namiddag.

jan pultau
0 0

De wachtkamer

Katrien staart afwezig naar de rode teller aan de muur. De cijfers zijn al een hele tijd niet meer gewijzigd. Er zijn nog heel wat wachtenden voor haar en langzaam aan vult de grote wachtkamer zich verder met patienten die na haar komen. Volgens een ongeschreven wet gaat iedereen zo ver mogelijk uit elkaar zitten.   Nerveus speelt ze met het papiertje met haar volgnummer en kijkt op haar horloge. In een ziekenhuis is een afspraak niets waard. Ze probeert zich te concentreren op het boek dat ze heeft meegebracht. De knoop in haar maag laat zich echter niet zomaar negeren. ‘Het is niets,’ houdt ze zichzelf voor, ‘Alleen de hechtingen verwijderen en kijken of alles in orde is. En waarom zou het niet in orde zijn? Straks is het jouw beurt en dan is het zo voorbij. Dan is het hele domme ongeluk verleden tijd.’ Ze herleest de laatste pagina, maar het geritsel en geschuifel in de wachtkamer blijven tot haar doordringen. Verderop zitten twee vrouwen met elkaar te fluisteren. In de gang passeren af en toe verpleegsters, soms met patienten in rolstoel en zelfs een branquard.   Dan verschijnt de verpleegster van de receptie in de wachtzaal. ‘De dokter is dringend weggeroepen, nog even geduld alstublieft!’ ‘Hoelang gaat het nog duren?’ vraagt een man met zijn kind op schoot, ‘We zitten hier al zo lang.’ ‘Dat weet ik niet, mijnheer’ is het antwoord. ‘Ik kan er ook niets aan doen!’‘O, wat zijn we vriendelijk vandaag.’ is het commentaar van de oude dame die naast Katrien is komen zitten. De wachtkamer is nu zo vol dat nieuwkomers wel verplicht zijn naast iemand te gaan zitten. ‘Het is toch altijd wat. Ik ga er vanuit dat ik pas s’avonds terug naar huis kan als ik s’morgens een afspraak heb. Dan kan het alleen maar meevallen. En ik heb koekjes bij.’ Ze laat de doos zien aan Katrien. ‘Moet jij hier vaak zijn?’ ‘Nee, gelukkig niet’ is alles wat ze kan antwoorden want de dame praat alweer verder. ‘Ja, je bent nog jong, ik ben meer hier dan thuis.’ Het laatste waar Katrien op zit te wachten zijn gedetailleerde ziekenhuisverhalen maar ze kan er niet onderuit. Ze knikt braaf op tijd ja en nee, gluurt ondertussen naar de onbewegelijke teller en naar haar horloge. Gelukkig zit er geen horrorverhaal over snijwonden en hechtingen tussen. Een verpleegster komt recht op hen af. Katrien ziet haar pas als ze al bij hen is. ‘Maar mevrouw, u moest in de wachtzaal aan het einde van de gang blijven. De dokter zit al op u te wachten.’ De oude dame zucht, ‘Maar daar zat ik alleen,....’ Ze staat moeizaam op, wenst Katrien sterkte en gaat met de verpleegster mee. Katrien herbegint de laatst gelezen pagina van haar boek. De afleiding heeft toch effect gehad maar nu is ze zich terug bewust van de knoop in haar maag. Als ze zich nu maar kon concentreren op dat boek. Waarom is ze toch zo nerveus? De dokter zal haar niet opeten.   Iemand scharrelt zijn jas en tas bij elkaar en verlaat de wachtkamer.De teller aan de muur is weer in beweging gekomen. Katrien kijkt op haar horloge. Straks is het haar beurt.

M. Peters
0 0

De Aanpassing

Ze zat voor het aanrecht op de grond bij het raam en wachtte. Het licht van de keuken was uit en de lamellen van het luxaflexgordijn stonden schuin naar boven gericht. Hij zou haar dus niet zien. Het wachten was zoals een spin op haar slachtoffer. Een vlieg misschien die nu nog onbekommerd rondzoemde en die haar, de spin, door de onschuldige onwetendheid van haar naderend einde, tot een godin verhief. Een kracht die naar eigen goeddunken over leven en dood besliste. Het web, minutieus gesponnen, was nog leeg maar zou snel gevuld worden. En ze voelde zich dodelijk, tot alles in staat. Dit gevoel was zalig. Bevrijdend! Dat was het juiste woord.   Maar het was ooit wel anders geweest. In het begin, toen de angst langzaam haar leven binnensloop, voelde ze zich dag na dag een beetje meer sterven. Toen was ze zelf zoals een minuscuul insect, vastgelijmd op de harige blaadjes van een zonnedauwplantje, dat langzaam de zon ziet verdwijnen. De angst wurgde haar en het leven werd elke dag grijzer en onaangenamer. Misschien zou ze op een ochtend gewoon niet meer wakker worden.   Sterven van angst, zou het mogelijk zijn, vroeg ze zich af. Natuurlijk wel. Er zouden vast en zeker dagelijks mensen sterven van angst. Waarom was de taal anders zo rijk aan angstwoorden? Ze had ze opgezocht en het waren er ongelooflijk veel. Van een lichte beklemming tot panisch met alle denkbare en ondenkbare variaties en gradaties. Er waren meer uitdrukkingen om angstgevoelens te beschrijven dan ze onthouden kon. Ze had ze allemaal opgeschreven, van het minst bang naar het meest om ze daarna dagelijks na te lezen. Elke dag had ze een woord of uitdrukking gekozen waardoor haar eigen gemoedstoestand het best omschreven werd. Haar angstdagboek was van bedremmeld en schuw al snel naar huiverig en benauwd overgegaan. Na sidderen en gruwelen waren kippenvel en het koude zweet aan de beurt. Ze dacht dat duizend doden sterven misschien het einde zou inluiden.   Maar niet voor haar! Hier in het donker wachtend op haar prooi en de overwinning bedacht ze licht huiverend van opwinding dat die duizend doden sterven niet haar eigen lot was. Zover was het uiteindelijk toch niet gekomen. Juist op tijd was daar die kentering, en duivels kon je uitdrijven, bedacht ze. Dat zou ze vanavond bewijzen.   Na de dood van haar ouders had ze een tijdje bij een oudere tante ingewoond en toen ze daarna hier in dit flatgebouw was komen wonen, had ze zoveel plannen gehad. Eindelijk op haar eigen benen. In drie dagen herschilderde ze al zingend de kamers. In de huurovereenkomst stond wel dat alle muren en deuren wit moesten blijven, maar daar had ze lak aan gehad. Dat waren zorgen voor over een paar jaar. Wie weet, als ze dit flatje in een eigen knus nest had omgetoverd, bleef ze hier wel wonen, had ze toen gedacht. Ze had interieurtijdschriften aangeschaft en een paar gedurfde kleurencombinaties afgekeken. Haar eigen kleurige biotoop, en het werden drie fantastische dagen waarin ze leefde op wijn en chips. Het slapen op de grond in een vrijwel lege flat had haar zich helemaal vrij doen voelen. Eindelijk!   Wat was ze naïef geweest. Die drie dagen schilderen bleken de enige probleemloze dagen, want daarna was de terreur begonnen. De morgen van haar inhuizing was het meteen raak, al had ze dat toen niet zo begrepen. De flat was op de benedenverdieping gelegen, wat de verhuis veel simpeler zou moeten gemaakt hebben. De aan de achterkant van het gebouw gelegen keuken, grensde aan een grote binnenplaats waarlangs de garages lagen. Het keukenraam was eigenlijk een deur, zodat als de verhuiswagen op de koer parkeerde, al haar spullen makkelijk door de keukendeur binnengehaald konden worden. Ze had heel de verhuizing nauwkeurig en grondig voorbereid. De inhoud van alle dozen was afgestemd op de kamer waar ze naartoe moesten en alles was gedetailleerd gemarkeerd en gemerkt. In theorie dus. In de praktijk bleek er ’s morgens een grote pick-up met de bak helemaal tegen haar keukendeur geparkeerd te staan, zodat er zelfs geen doos door naar binnen gedragen kon worden. Laat staan groter materiaal zoals kasten.   Zoeken naar een alternatief dus. Langs het raam vooraan was geen optie. Dat was in zo kleine compartimenten verdeeld dat er niks door naar binnen gehaald kon worden, tenzij enkele lichte dozen. Voor de zwaardere dozen was de onderkant van het raam te hoog. Langs de hal dan maar. Omdat die van buitendeur tot aan haar voordeur lang en smal was, betekende dit echter veel meer werk. Binnendraaien zonder de muren te beschadigen bleek een echt huzarenstukje. De door haar strak geplande verhuis liep in het honderd. Mannen die betaald worden om te sleuren en te slepen, doen dat ook. Alleen kwamen de meubels en dozen nu door alles wat deur en raam was en geen enkel ding bleek achteraf op de voorziene plaats te staan. Ze haatte chaos.   De pick-up was van de bovenbuurman. Daar kwam ze later achter maar toen was het al te laat om haar goed voorbereide verhuizing, die in een ramp veranderd was, nog te redden.   Elke flat had een aparte elektriciteitsmeter. Deze stond in de gemeenschappelijke kelder, zodat de meteropnemer er gemakkelijk bij kon. Praktisch! Alleen stond de hoofdschakelaar van elke flat dus ook in die gemeenschappelijke kelder, de kelder waar iedereen erbij kon. De tweede avond zat ze plots in het donker. Tegen de tijd dat ze de hoofdschakelaar voor de vierde keer opgezet had, was ze doodsbang. De rest van de avond bracht ze met een boterham bij kaarslicht door.   Op een dag belde de huisbaas. Hij meldde haar dat het verboden was om vuil te storten op de binnenplaats. Hij bleek in het bezit van foto’s die bewezen dat zij buiten haar keukenraam een heleboel rotzooi stockeerde. Op de foto’s leek het wel een vuilnisbelt. Hij wees haar op de clausule ‘onderhoud’ in de huurovereenkomst en vermeldde dat bij overtreding de huurtermijn niet verlengd zou worden. Het hielp niet dat ze volhield dat het haar spullen niet waren. De foto’s waren duidelijk achter haar appartement genomen maar dat moest dan gebeurd zijn op een moment dat zij niet thuis was.   Later kreeg ze een brief van de verhuurder met daarbij ingesloten de huurovereenkomst. De clausule ‘onderhoud’ was met fluostift aangeduid. Er was echter nog een tweede in geel gemarkeerd gedeelte: ‘De huurder verbindt zich ertoe om de muren en deuren in de originele staat, wit geschilderd, te laten.’ Erbij zaten foto’s die duidelijk van buitenaf door elk raam van haar appartement genomen waren en aantoonden dat zij de voorschriften overtrad. Ze voelde zich bekeken en betrapt. Begluurd in haar eigen omgeving. Dat wat veilig en van haar had moeten zijn, was bezoedeld. De gordijnen bleven voortaan ook overdag dicht.   Toen ze een paar dagen later thuiskwam, stond de bovenbuurman in de inkomhal en blokkeerde zo de doorgang naar haar voordeur. Ze schatte zijn leeftijd op midden veertig maar zeker was ze daar niet van. Wat haar betreft kon hij met zijn norse houding net zo goed ouder zijn. Hij verroerde zich niet en ging niet opzij. Aarzelend overwoog ze haar mogelijkheden. Ze had de keuze tussen zich smal te maken en met haar rug tegen de muur langs hem door te schuifelen of terug naar buiten te gaan en te wachten tot hij de hal verliet. Zenuwachtig wordend onder zijn starende blik voelde ze dat haar oksels nat werden van het koude zweet. Zijn linkermondhoek krulde licht omhoog, deed zijn linkeroog samenknijpen en vormde zo een gemene grimas op zijn gezicht. “Marginaal wicht”, grauwde hij tussen zijn tanden door, ”ga terug naar de steen waar je onderuit gekropen bent. Dit is een appartement voor fatsoenlijke mensen.” Ze koos voor de laatste optie en stapte achterwaarts terug naar buiten. Later op de avond glipte ze stiekem haar flat binnen.   Vanaf die dag was er telkens wel iets. Ze probeerde hulp te zoeken want wat kon zij in haar eentje doen tegen zoveel onrecht? Maar niemand geloofde haar of nam haar ernstig. De weinigen die haar geloofden hadden lachend gezegd dat hij, de bovenbuurman, misschien haar aandacht zocht. En anders moest ze hem maar eens goed de waarheid zeggen, kreeg ze als advies.   Ze had het dus opgegeven. Zou het met haar naam te maken hebben dat ze zo een makkelijk prooidier was? Haar ouders zaliger hadden getwijfeld tussen Claudia en Cynthia, had haar moeder haar vroeger verteld. Papa vond Claudia mooier en zo was ze Claudia geworden. Ze had het opgezocht. Claudia betekende: kreupel, hinkend, lam. Geen ontkomen aan. Een kreupele kon zich niet verdedigen. En ze had zich in haar rol geschikt, ze werd slachtoffer. Ze zweeg, verliet haar appartement pas wanneer ze zeker was dat de hal leeg was en probeerde elke confrontatie met haar kwelgeest uit de weg te gaan. Gelaten onderging ze haar lot en vulde haar angstdagboek met steeds krachtigere termen die haar wereld verengden en deprimeerden.   Maar op een dag kwam de kentering. Ze kon exact vertellen wanneer de transformatie begonnen was. Eerder toevallig eigenlijk. Op een zondagavond was ze moe en hongerig thuisgekomen. Vrijdags was ze bij een vriendin blijven slapen. Zogezegd om een glaasje te kunnen drinken en dan niet meer naar huis te moeten rijden met de auto. Eigenlijk was het om een rustige onbezorgde nacht te hebben, zodat ze eindelijk nog eens in kon slapen zonder tegen de angst te moeten vechten dat haar bovenbuurman ’s nachts terwijl ze sliep een gemene streek zou uithalen. Ze was er gebleven tot zondagavond. Langer kon niet meer want de volgende ochtend moesten ze beiden gaan werken. Bij het binnenkomen van haar appartement merkte ze dat de lichtknop het weeral niet deed. Geen elektriciteit dus. Maar vanaf wanneer? Ze was twee dagen weggeweest. Ze zag dat de keukenvloer nat was en controleerde vlug de ijskast. Waarschijnlijk was de hoofdschakelaar uit van vrijdagavond en dat betekende dat alles ontdooid en bedorven was, ook in de koelkast.   Het werd haar teveel. Tranen gleden over haar wangen naar beneden toen ze op de vloer ineendook. Radeloos huilend zat ze op de grond in de plas smeltwater. Toen ze geen tranen meer leek te hebben en haar gierende ademhaling overgegaan was in lichte hikjes, voelde ze hoe het smerige water haar kleren doorweekt had. Hoelang ze daar zat, wist ze niet maar opeens was haar blik op de doos met eieren in de open koelkast gevallen. Als gefixeerd had ze daar een tijd naar gestaard om toen bruusk de eieren uit de koelkast te grabbelen, de keukendeur open te rukken en naar buiten te stormen. Met kreten van woede had ze de eieren één voor één naar de schotelantenne op het balkon boven haar gegooid. Toen ze de kapotte dooiers langzaam naar beneden zag glijden ontsnapte haar een hysterisch giecheltje. Wat had ze gedáán? Terug binnen had ze een fles rode wijn uit de kast gerukt, onhandig ontkurkt en die glas na glas helemaal leeggedronken. Bij het laatste glas kwam ineens in haar verwarde hoofd de gedachte bovendrijven dat er eigenlijk niks aan de hand was want de relatie met haar bovenbuurman kon toch niet erger. Hij haatte haar om een of andere reden, maar hij zou haar niet erger kunnen pesten dan hij nu al deed. En wat kon hij bewijzen? In het beste geval zouden de eieren storing geven aan de ontvangst. Er zou vast wel niks kapot zijn.   Nog later kwam ze opeens tot de conclusie dat het eigenlijk best een goed gevoel gaf. Misschien kon ze zijn leven ook wel verpesten? Neen, beter nog, tot een hel maken. Een koekje van eigen deeg, heette zoiets. Dat was ze meteen gaan opzoeken, hier waren ook wel wat uitdrukkingen voor. Wraak was het juiste woord. Wreken, wraakzuchtig, wraakactie, wraakengel, wraakgodin,…Wie een kuil graaft voor een ander … Wie de bal kaatst … Vanaf die dag veranderde het angstdagboek drastisch van koers. In plaats van een moodboard van een verslagen ziel werd het een verslag van adaptatie, een weergave van perfecte assimilatie: wat gezaaid werd zal geoogst worden. De wraakgodin was geboren, weliswaar nog een prille baby maar die zou in snel tempo opgroeien.   Het uitdenken van de eerste actie had even moeite gekost, ze was tenslotte een aardig meisje, maar bleek achteraf een schot in de roos. In de Kringloopwinkel kocht ze een paar herenschoenen in een grote maat en in het park verzamelde ze de andere ingrediënten. Dat sommige hondeneigenaars zo laks waren met het opruimen van de drollen van hun misbakseltjes, kwam haar goed van pas. Ze haalde de schoenzolen door de uitwerpsels en maakte een voetstapspoor van buiten het appartement, door de hal, langs de trap naar boven tot aan zijn voordeur. Daar liet ze het ophouden. Het stonk verschrikkelijk. Tegen het uur dat iedereen thuiskwam van het werk, geurde de volledige hal naar hondenstront. De reactie kwam snel en was bevredigend. De commotie in de hal was enorm. De andere bewoners begrepen niet hoe je zo stom kon zijn om niet te merken wat eraan je schoenen hing en hoe je vervolgens het lef kon hebben om de hal in die toestand te laten. Wat hij erover zei maakte niet uit, het bewijs liep en geurde immers tot zijn voordeur.   Ze keek genietend door het spionnetje van haar eigen voordeur terwijl hij de hal poetste. Het gevoel dat haar die avond doorstroomde was helemaal nieuw maar uitermate verslavend, ze voelde zich slim en machtig. Al surfend op het internet diende zich de volgende ochtend een nieuw idee aan. Eerst maakte ze een valse alias aan met een e-mailadres waar een stukje van zijn naam in voorkwam. Daarna bestelde ze in verschillende onlinewinkels goederen op zijn naam en koos voor levering binnen de 24 uur. Als leveringsadres tikte ze de krantenwinkel verderop in. De eigenaar leek redelijk bevriend met haar bovenbuur, dus hij zou waarschijnlijk de pakjes niet weigeren. Het effect was minder goed te volgen maar vanuit haar raam dacht ze een discussie tussen hem en de winkeleigenaar te zien. Ze keken beiden boos en maakten een heleboel gebaren. Even later stond er een berg pakketten in de hal van het flatgebouw. Wat er daarna mee gebeurde wist ze niet, maar feit was dat de bovenbuurman er een heel aantal dagen nog chagrijniger dan anders uitzag. Hij stond nooit meer in de krantenwinkel.   Nieuwe daden bedenken bleek een fluitje van een cent, ze was er een creatieve meester in. Op een keer had ze een catalogus besteld bij een bedrijf voor erotische artikelen. Onder zijn naam uiteraard, maar met het busnummer van de grootste roddeltante in het appartement. Een tijdje later ving ze toevallig een gesprek op tussen een paar buren. Ze hoorde dat ‘hij’ toch eigenlijk wel een vieze kerel was en ‘dat ze het altijd wel vermoed hadden.’ Kon het nog mooier? Eindelijk erkenning voor hem, eindelijk zagen de andere mensen hem zoals hij echt was! Daarna was het alleen nog maar beter gegaan, elke actie voelde zelfs als een goede daad aan. Zij liet de wereld immers zien wat hij werkelijk was, een vieze slechte man.   Ze zat nog steeds in de keuken op de grond bij het raam en wachtte. Dit zou de kers op de taart zijn, haar ‘chef d’oeuvre’. Ze keek tussen de lamellen door naar buiten. Nog niks te zien. Ze had het helemaal gepland. Vanuit haar keukenraam kon ze de garages prima in de gaten houden. Ze wist precies van wie elke garage was, welke auto bij welke bewoner hoorde én ongeveer wanneer elke autobezitter vertrok of thuiskwam. Zo was ze er op een keer achter gekomen dat de pick-up niet zijn enige auto was. Hij had er nóg een. Een BMW 325i cabrio uit 1986 die hij met zoveel zorg omringde dat het belachelijk was. De affectie, die hij tentoonspreidde voor zo’n lelijke auto, maakte hem in haar ogen nog enger. Dagenlang lag hij op de grond aan dat ding te sleutelen. De oldtimer werd volledig gerestaureerd en het moest hem heel wat geld gekost hebben. Ze had het opgezocht.   Enkel in het weekend reed hij af en toe met de BMW. Die stond op een van de staanplaatsen tegenover de garage, want op die dagen zette hij de pick-up binnen. Ze wachtte. Op de achtergrond hoorde ze in de verte het geluid van een ziekenwagen. Of was het een brandweerauto? Verder was het stil. Langs haar stond een lege bus remolie.   Ze voelde zich machtig. Van slachtoffer naar jager, niet slecht, bedacht ze. Ze wachtte nu al een hele poos, maar het zou het waard zijn, want ze zou zijn gezicht zien vanuit haar schuilplaats als hij ontdekte wat remolie met autolak deed. Ze was helemaal rond de auto gelopen, ondertussen het goedje uitgietend. Zoiets simpel en verkrijgbaar in elke autospeciaalzaak.   Ze wachtte en hoorde het geluid van de ambulance dichterbij komen en toen plots verstommen. De hele verdere nacht had ze gewacht maar hij was niet gekomen. De BMW was blijven staan op de parking en ’s morgens hoorde ze dat een van de buren, die de beschadigde auto opgemerkt had, hem daarvan op de hoogte had gebracht. Het had hem geraakt, zij had hem geraakt. Hoewel de MUG er snel bij was geweest, had reanimatie niet geholpen. Een hartaanval had hem geveld, de duivel was uitgedreven.   Ze zou haar naam veranderen, vanaf nu wilde ze Cynthia heten. Het was de bijnaam van Artemis, de Griekse godin van de jacht en tweelingzuster van Apollo. Passend vond ze. Ze had het opgezocht.

Kris Roef
0 0

hondsdol

De hond van de buurman was al een week vermist. Een bastaard. Half pitbull, half Rottweiler.  Goed recept voor een bloedbad, als je sommige kranten mag geloven. Niet bepaald een schoothond die aan de enkels snuffelt.  De uitbraak was al langer voer voor laffe geruchten.  Was hij over het hek gesprongen? Had hij een gat in de haag gebeten? Had zijn baas hem verstoten? En wie zou het eerste slachtoffer worden?  Drie dagen later vond men het karkas van een konijn in de berm, de buik opengereten. Het nieuws ging van deur tot deur, koren op de molen van het verzet. Als een hond bloed ruikt, zei men. Maar wie zou de moord ophelderen? Een DNA onderzoek kon tot een onweerlegbaar bewijs leiden.   Er ging een petitie rond tegen loslopende honden, getekend door een ruime meerderheid, met een voorstel tot een dwangsom voor de overtreders.  De buurman, een jonge weduwnaar, ging nauwelijks gebukt onder de ophef. Hij bleef met een wichelroede door de tuin lopen en bloemkolen kweken. ‘Kan je een hond voor de rechtbank dagen?’ vroeg mijn vrouw, die wel beter wist. Ik had haar fobie voor honden nooit goed begrepen. Ze had een zwak voor zowat de hele fauna, met een lichte voorkeur voor katten, stokstaarten en koala's, maar voor honden kromp ze ineen. In een impulsieve bui had ze eens de helft van haar eindejaarspremie gestort op een rekening van WWF, ten voordele van de voorlaatste sneeuwluipaard. ‘Ik ben een kattenmens’ zei ze dan.   Ze bleef sinds de uitbraak binnen, zag dagelijks het slot en de scharnieren van de deur na en belde elke dag naar een vriendin die drie straten verderop woonde, met de vraag of ze ‘het monster’ al gevonden hadden? Overdrijf je nu niet? vroeg ik.  Een overijverige wijkagent had de buurman een half uur ondervraagd maar hij haalde de schouders op en stond daar in het deurgat met de handen in het haar. Om zijn goede wil te bewijzen riep hij zijn trouwe bondgenoot. Marcel! Een vreemde naam voor een hond maar geen wet die het verbood. Elk mens heeft het recht om zijn bezit te noemen. De naam zou eerder passen bij een bejaarde klerk.   ‘Ik kan het ook niet helpen dat hij op de dool is. Sinds mijn vrouw overleden is, zoekt hij haar overal.’ zei de buurman. ‘Reken maar dat hij niets doet. Marcel zou nog geen mug bijten.’ zei hij tegen de agent, die een proces verbaal opmaakte aan de deur. Het kwam niet in de buurman op om de agent even binnen te laten en hem pakweg een kop muntthee aan te bieden. De tactvolle diplomaat in hem was voorgoed ingedommeld. ‘We blijven binnen’ zei mijn vrouw. Vandaag was er geen vlucht mogelijk. Gekooid in eigen huis. ‘Stel dat hij op de loer ligt in een struik.’ zei ze. De loslopende hond hield haar in de ban. De horror schuilt om de hoek.  ‘Maak je niet zo druk. Dat beest wil gewoon wat meer ruimte. Ik zal over je waken’ zei ik stiefvaderlijk. Thuis blijven vond ik zwaar overdreven.    Mijn pleidooi voor de hond kon haar niet overtuigen. ‘Die enge man heeft het niet onder controle. ’ zei ze. Daar had ze een punt. Sinds ik de buurman met een wichelroede in de tuin zag zoeken naar aardstralen, was de twijfel ook in mij gerezen. ‘Hoor hem roepen. Allemaal verloren moeite. Die hond luistert al lang niet meer en al zeker niet naar zijn naam. Strikt genomen moet dat beest gewoon aan de lijn blijven. Maar wat doet de buurman? Hij laat hem los. Als zijn kaken dichtklappen mag je om genade bidden.   Een wolfsklem is veiliger! ... ’ Ze stond er met haar armen gekruist en keek schuin naar de grond. Alsof de hond al in huis was. Ze ademde hoog. Het lied van de bultrugwalvis zou haar deugd doen. Een kolos die plankton zeeft en rust geeft. Waarom zijn de reuzen van de oceaan zo vreedzaam? Ik omvatte haar schouders maar ze schudde me los. ‘Zullen we wat yoga doen? De asana van de loslopende hond?’ Even kon ze weer lachen, drie tellen. Niets zo naakt als witte tanden, het enige zichtbare deel van het skelet.

Wim V
0 0

Midday in Paris

 We zijn in Parijs. Gisteren aangekomen in een klein gelijkvloers appartementje. De meisjes vonden het top, ik vond het top, alleen mijn wederhelft vond het middelmatig. Lichtjes teleurgesteld. Anderzijds kon ik enkel blij zijn met het feit dat we in Parijs zijn. Op één of andere manier heeft Parijs voor mij een magie die met niets te vergelijken is.   En ja, ondanks dat ik een hekel heb aan luchtvervuiling en ik het niet zo op heb met drukte en toeristen, voor Parijs doe ik consessies. De romantiek, de sfeer van lang vervlogen tijden waar de lucht bezwangerd was van de geur van gepoederde pruiken, kunst en decadentie. In de eenentwintigste eeuw noemen we dit cultuur en lopen we met grote belangstelling en intellect langs schilderijen die ons schaamteloos vertellen over toen. Toen, toen rijk wreed en arrogant heerste over arm. Toen het gewone volk het spuugzat was geconfronteerd te worden met de excessieve uitbarstingen van voedselverspilling en de opstand groot werd door een tergende hongersnood. De tijd dat de stegen nog stonken naar uitwerpselen en de Seine nog proper was. Deze geschiedenis gaan we vandaag bekijken. In het Louvre en in Versailles. In de hoop dat we er iets uit leren. Dat we onszelf een beetje bijschaven en verfijnen om niet opnieuw dezelfde fouten te maken. Dat we niet opnieuw rijk over arm laten heersen en dat we niet opnieuw vervallen in dezelfde decadentie. Dat we niet opnieuw een revolutie veroorzaken en opnieuw geen oog hebben voor de minder bedeelden.   Of is er eigenlijk niets veranderd in de loop der jaren? Onze vervuiling van nu vertolkt zich in CO2 en de gegoeden dineren nog steeds in dure etablissementen terwijl zwervers zich als hongerige honden voor de deur verzamelen. Nog steeds springen we liever veilig in een taxi dan door gure buurten te lopen waar de haat naar weelde en voorspoed broeierig in de lucht hangt en waar zwerfvuil struikelblokken vormen en stank zich verspreidt.   Gaan we dit verteren vandaag? Of gaan we met de stroom mee? De toerist uithangen en genieten van het feit dat wij niet bij de minderbedeelden horen? De geschiedenis leert ons misschien iets vandaag…

Heidi Schoefs
17 0

Te hoge corti-wat??

Naar aanleiding van het moderne woord burn-out en de kans van te hoge cortisol daarin:    Na een nacht eindelijk goed slapen, waar ik eigenlijk al maanden op zat te wachten. Stond ik met een glimlach op. Voor het eerst in weken voelde het goed aan om gelukkig te zijn. Voelde het geluk van blij zijn als een wereldwonder.   De zon scheen en zo bleek de natuur ook mee te voelen met mij. Het was een koude dag, maar zonnig. Want we deelden de kracht van geluk door de zonnestralen. Maar nog niet zonnig genoeg om het zomergeluk te delen. Het is nog een lange weg, maar dit is een begin. Het begin om niet uit een diep dal te klimmen. Maar een fysiek dal waarbij het mentale ver weg verborgen zat. Mentaal zat ik goed in mijn vel. Veel zin in al mijn dromen waar te maken, veel levenslust. Ik zal en wou iets van mijn leven maken. Maar dat was niet van mij af te lezen. Slapen, weinig eten en stilte. Dat was het enige wat ik deed. Het was te zien aan mij dat mijn lichaam uitgeput was. Maar alles wat ik alleen maar wou was leven, gewoon bezig zijn en dromen waar maken. Want ik was effectief gelukkig, wat vele dachten dat ik weer een depressie nabij was voelde ik me gelukkiger dan ooit. Maar door al die periodes van ongeluk was mijn lichaam uitgebrand. Het vuur dat me kracht gaf om door te gaan, om geluk in de assen te zoeken, was uit. In de assen was inderdaad geluk gevonden, maar de energie van het vuur, de warmte dat ervan af kwam was weg. Geen warmte voor energie aan te maken voor mijn cellen. Geen voeding voor mijn hersenen om mijn concentratie de volle loop te laten gaan. Maar mijn ziel (de assen) was eindelijk wat ik altijd wou.   Maar is dit nu echt de oplossing? Geluk vinden door fysiek er onder door te gaan? Toen ik terug warmte van de zon kreeg, voelde ik me terug fysiek aanbranden. Ik vond terug die kracht om de warmte in mijn cellen te laten gloeden. De zon gaf me terug kracht. Kracht om persoonlijk het vuur met de hand aan te steken. Maar aangezien ik geen geleerde campeerder ben, vraagt dit tijd. Ik weet nu de handelingen om het vuur aan te krijgen, maar ik geef mezelf leertijd om dit effectief te laten branden. En het vuur terug te laten branden. Zodat ik mijn leven terug normaal, maar anders kan leven. Zodat het vuur nooit meer uit gaat en ik een geleerde campeerder van mijn leven wordt. Dat mentaal en fysiek hand in hand gaan bij wandelingen en natuur mijn leidraad wordt. Ik ben er klaar voor om de weg vol natuurlijke obstakels te doorstappen en na verloop van tijd de berg omhoog te klimmen en de vlag van mijn leven te plaatsen. Met besef dat ik het heb bereikt, ik heb de grens van mentaal en fysiek beklommen en heb het gehaald. De berg van mijn lichaam, een zware tocht maar het is het zo waard.

DePauwLynn
0 0

Oranje-lettertjes-tekst

Er is zeker potentieel. Nancy voert iets in haar schild. Muisstil een stukje frangipane gegeten. Geen idee of dronken schrijven zinvol is. De kenners beweren van niet. Ik geloof hen. Ik zet de dampkap aan. Vader kon het geen kloten schelen. Ze heeft filosofie gestudeerd, maar het is een geit. Hij vergist zich wel vaker. Ik moet nog pipi doen. Ça va? Huilen hoeft niet. Er staan cactussen op het servet. De goudvis van Kurt is dood. So it goes. Dank u voor de talloze suggesties ter verbetering. Dat lukt aardig. Ed zit nog steeds in Thailand. Die verveelt zich precies. Er is zeker potentieel. Slechte timing. Ik ga morgen die biefstukken niet zelf bakken. Tja, soms schiet ik tekort. Dat staat de therapie in de weg. Ik ben daar blij mee. Er staat een stevige wind. Het is misschien onnozel. Ik doe maar wat. Het heeft vijftien dollar gekost. Stom van me. Vrolijk word je daar niet van. “Pak jij chips?” “Neen” Dat liep ei zo na mis. Ik kijk in de papiertjes: kabeljauw in de diepvries, ‘muse de son dernier livre’, een vreugdevolle opgang naar Kerstmis in een envelop uit Torshavn (Faroe Islands), briefje van mezelf uit 2016, vader schreef ‘sjaloom’, iets van Morgenstern (‘Alles was man mit Liebe betrachtet, ist schön.’), een folder van de abdij Maria Toevlucht in Zundert, een folder ‘samen onderweg na ontrouw’ (voor koppels!), het programma van Femma, foto’s, een doodsprentje (‘er is geen waarom’, Ferdinand Cuvelier), enzovoort enzoverder … Ik roer met het Swissair lepeltje. Het ziet er wel mooi uit, al die oranje lettertjes. Ze snoept een sigaret af. De toekomst is formidabel. Ze dronk een cola i.p.v. witte wijn. Dat scheelt. Ik moet het mezelf moeilijk maken. Iedereen slaapt behalve ik. Morgen komt de zon weer op. Het komt nog goed. Daar moet ik vanuit gaan. Ik kauw op tuttefrut. Heeft er ooit een dichter beter gedaan dan Pink Floyd? Het is tijd om vaarwel te zeggen. De cafébaas kijkt lelijk. Er ligt nog kaas en chocolade in de ijskast. Ik maak met plezier ezelsoren in deze bundels. “Hersluitbaar” belooft de verpakking. Er is niks van aan. Ze verklaren me gek. Ik hoop dat het hoe dan ook min of meer ritmisch is. De hoge verwachtingen werden niet allemaal ingelost. A no choice suckerpunch. Xavier leest Lex; over ananas. Een ansichtkaart van de Adriatische zee, een akkefietje en een niemendalletje, wat zal het effect zijn? Het gedicht is getiteld: ‘Wanneer ik droevig ben’. Rust, ruimte, helderheid enzo. Gerrit Komrij draait zich om in zijn graf. Hopen op goddelijke interventie. Wat absurde flarden. “Ben je nu weer aan het roken?” vraagt ze. Die zit nu bij de coiffeur en wil straks naar de Colruyt. Mijn tanden gepoetst. Biefsteak gegeten. Alles oké. Ik moet me ne keer verdiepen in het fenomeen Six Word Story. Mijn zus is depressief. Een accuut tekort aan witte wijn. Ik vul het Lottoformulier ondersteboven in met mijn MontBlanc. Morgen ga ik een leuke Instagram foto posten. Ik heb een idee. Ik moet wat meer mijn fantasie gebruiken. De ochtendstond heeft goud in de mond. Behalve morgen. De Roemeense onderbuurvrouw piept. Er is zeker potentieel. Er is een verschil tussen aanstellerij en dichtkunst. Ze ziet bleek. Ik wil er gewoon mee zeggen dat het leven voorbij dobbert. Ik kreeg kwade blikken van die diehard hooligans. Het kan nog verkeerd gaan. Hij moet lachen om de bewering dat hij een knappe man zou zijn. Nadien een Hot-Dog gegeten. Heeft ze al chocolade paaseitjes in huis? Ik zoek in de antieke kast. Da’s diezelfde man. Die had vroeger een bril en een hond. Ik droom: “How the poor boy lost his head.” Het is belangrijk dat je weet dat God niet bestaat en Jezus even onnozel is als Sinterklaas, de Kerstman en de Paashaas. Het verbaast me. Ik weet niet goed wat ik nu juist bedoel met ‘het’. Een normaal kortverhaal schrijven lukt me niet. Flauwekul daarentegen, onzin en af en toe een vondst gaan vrij vlot. Ik steek de diepvriespizza dan maar zelf in de oven. Ik ben dus aan het koken. Geen bewonderenswaardige poëzie geschreven. Nu is het stil. Ik moet van gedacht veranderen. Ik heb al veel tijd verspild. Je moet ze een kans geven. Er grip op krijgen. Mijn tekortkomingen bedekken. Hij heeft zich vrolijk vergist. Mijn moeder, de psychiater en de man van de videogedichten laten niks van zich horen. Spijtig. Geduld is een deugd. Zou de duivel me geld lenen? Er is zeker potentieel. Ik kan vals spelen als ik wil. Ik ben niet de enige. Er staat op ‘London Dry Gin’ én ‘gebotteld in Frankrijk voor CMI/Carrefour’. Ik moet mijn verkeersbelasting nog betalen: 37 euro 82 cent. Ik moet het volgende in de gaten houden: beeldspraak, enjambementen, witruimte, leestekens, hoofdletters, metaforen, … Er ook zinnen van maken i.p.v. louter opsomming. Wees niet beschaamd om over je mentale gezondheid te praten. Me ontspannen en nota nemen van de onzin. Het komt later misschien nog van pas. In de zak gezet door een oplichter. “Toen gebeurde er wel wat!” antwoordde hij. ‘Gaat hij bij zijn ex-vrouw op café?’ ‘Die tapt daar.’ Els zei: ‘Als het gemakkelijk gaat, is er iets mis.’ Ik hou de balpen bij de hand. Je weet maar nooit. Ik hoop dat mijn hoogstpersoonlijke, humoristische cryptogrammen aanspreken door hun frisheid, originaliteit en beknoptheid. Ze had haar slaappilletjes al genomen. Dan komen de ideeën, vermoed ik. Ge hebt het met de verkeerde aan de stok. Ik hoop dat hij zijn gevoel voor humor met de jaren niet is kwijt gespeeld. ‘Geen fuckbuddies zoals indertijd?’ schrijf ik. Zijn gezondheid en zijn reputatie zijn goed. Liesbeth is een moeilijk geval. Ik moet volhouden. Doe alsof er niemand thuis is. Ik ben voorbereid op het ergste. De gordijnen van mijn tante blijven boeiend. Ze heeft me die nagelaten zonder het zelf te weten. Eigenlijk zijn deze freewriting oefeningetjes niet echt ongelofelijk zinvol. Ofwel moet ik het gewoon in mijn dagboek schrijven. Ofwel moet ik proberen een kortverhaal te schrijven. De vergeet-me-nietjes van Emma weigeren te ontkiemen. Ik heb het gevoel dat ik momenteel beter dingen te doen heb dan dit. Hoe komt dat? Er is zeker potentieel.                                        

Hubert Grimmelt
7 1