Lezen

De keuze

De hele ochtend volgden we de weg die gelijk liep met de rivier. We -dat zijn de ninja en ik- luisterden naar het getsjirp van de krekels en het brommen van de kikkers en het geschater van de vogels. Het riet danste, net als de takken van de bomen. De zon was koning in een schaduwloos landschap. Zo verging het ons, tot we iemand zagen in de verte.Daar, aan de kant van de weg zat een man op een grote, gladde rots. Hij droeg een strohoed, een vuile tuniek en een gerafelde broek. Langs hem, in het vochtige gras, lag een kano. De man leek diep na te denken. Eens we dichtbij waren, vroeg ik hem waarover.‘Ik heb raad nodig,’ zei hij. ‘Want ik ben radeloos.’Ik zei dat ik geen raad kon geven, omdat ik niets wist. Wel bood ik een luisterend oor aan. Dat aanbod moet hem wel eerlijk geleken hebben, want hij vertelde me zijn verhaal.Ik volgde hem tot tot aan zijn dilemma, zijn kruispunt van keuzes. Toen vroeg hij me nogmaals om raad.Opnieuw zei ik dat ik geen raad voor hem had. Dat raad gevaarlijk kon zijn.‘Ja,’ zei hij. ‘Maar nu ken je het verhaal. Jij kan de kwestie benaderen op jouw manier. Ik vraag je, wat zou jij doen?’Ik dacht na. En opnieuw zei ik dat ik het niet wist. Toen kwam de ninja naast me staan. ‘Je twijfelt of je het juiste doet,’ vertelde hij. ‘En zo hoort het ook. Je kunt niet ver zien, dus bestaat er geen goed of slecht antwoord. Alleen misschien een gehaast antwoord. Maar dat betekend niet dat je moet zwijgen. Vertrouw de man. Vertel hem jouw waarheid.’Ik dacht lang na over de waarheid. Mijn waarheid. Ik was niet eens zeker of ik wist wat waarheid was. Alles kon eindeloos gerelativeerd worden, tot het punt dat het allemaal niets meer uitmaakt.Het begon reeds te schemeren eer ik wist wat ik wist.‘Dan zeg ik ja,’ zei ik uiteindelijk. 'Ga terug naar huis, vraag om vergiffenis en probeer het.'De man knikte, stond op en trok zijn kano tot aan de oevers van de rivier. Toen duwde hij het in’t water. Hij stapte in, nam zijn peddel vast en gleed stroomafwaarts, het schemer in. De horizon tegemoet.‘Is dat dan juist?’ vroeg ik de ninja.‘De waarheid bestaat enkel in het moment,’ zei hij.‘Enkel nu kan je juist zijn, als je het tenminste aandurft.’Ik vertelde hem dat ik niet juist of fout wilde zijn. Ik was al tevreden met gewoon te “zijn”.Hij droeg me net op om te kiezen. Iets wat ik nooit eerder had gedaan.

Stelselmatig
0 0

De dag dat de kater verdween

De dag ontwaakt en kondigt zich zacht en zomers aan, Stefano kijkt door het keukenraam naar de zon die langzaam omhoog klautert en het water in de fjord een zilveren glans schenkt. Vandaag zal hij eerst geconfronteerd worden met de verdwijning van Ziggy, de kater van het gezin. Wanneer de dag op zijn einde loopt zal hij bericht krijgen dat ook zijn moeder verdwenen is. Voorlopig is er nog geen vuiltje aan de lucht, goedgeluimd fluit Stefano een zelfverzonnen deuntje wanneer Martha vrolijk de keuken komt binnengehuppeld. Zijn vrouw Hilde is al naar het werk en het is Stefano’s taak om hun zesjarige dochter aan te kleden en naar school te brengen. Zoals steeds staat het ontbijt al klaar op het aanrecht: een grote kan koffie, een fles melk, enkele sneden brood, boter, beleg en twee stukken fruit. Ernaast staat de kanariegele broodtrommel van Martha vrolijk te blinken tot ze in haar rugzakje kan verdwijnen. Voor ze zelf aan de ontbijttafel kunnen plaatsnemen, moeten Martha en haar vader elke morgen hun ongeduldig miauwende kater van ontbijt voorzien. Maar vandaag schudt Martha wel vijf minuten lang met de zak kattenbrokken zonder dat Ziggy komt opdagen. Martha’s glimlach verdwijnt en een eenzame traan glijdt aarzelend over haar wang. Stefano probeert zijn dochter gerust te stellen: ‘Ziggy komt heus wel terug, hij heeft vast een mooi kattinnetje uit de buurt op het oog, die moet hij eerst zien te versieren en dan pas kan hij zijn brokjes komen opeten.’ ‘Echt papa, zou Ziggy verliefd zijn en straks thuiskomen met een vriendinnetje?’ ‘Dat denk ik wel, maar nu mag jij eerst je boterhammen opeten zodat we niet te laat op school komen.’ In de auto op weg naar school is Martha stiller dan anders. Stefano maakt zich voorlopig weinig zorgen over de kleine verstoring van hun ochtendritueel, hij is ervan overtuigd dat de speelse kater snel terug aan de achterdeur zal verschijnen. Hij levert Martha veilig aan de schoolpoort af en doet nog enkele boodschappen. Thuis ruimt hij de ontbijttafel op en steekt de borden, het bestek en de tassen in de vaatwasser. Daarna installeert hij zich op het terras met een tas koffie en de krant. Weinig nieuws onder de zon, hij sluit zijn ogen terwijl de pianoklanken van jazzpianist Dave Brubeck zijn oren vullen. Hij zweeft een uurtje rond in het niemandsland van de lichte slaap. Als hij wakker komt staat de zon al hoog aan de hemel. In de keuken maakt hij een snel pastagerecht klaar. Tijdens het eten realiseert hij zich dat Ziggy nog altijd niet terug is. Een vaag gevoel van onrust borrelt op en hij besluit de kat te gaan zoeken. Hij wandelt door de residentiële woonwijk waar ze nu al bijna negen jaar wonen, speurt in kleine steegjes en roept af en toe de naam van de verdwenen kater. Ziggy is nergens te bespeuren. Stefano is een rasechte Napolitaan die al van kindsaf droomde van een leven als muzikant. Hij studeerde piano aan het conservatorium van Napels en ontwikkelde zich als een degelijk en gedreven jazzpianist. Als jonge twintiger reisde hij de wereld rond, eerst speelde hij in diverse jazzclubs in de Verenigde Staten. Hij trok van Los Angeles naar New Orleans, woonde een tijdje in Chicago en probeerde door te breken in New York. Het was de meest opwindende periode uit zijn leven, maar hij kon er nauwelijks van leven. Hij gaf toe aan de roep van het geld en koos voor een leven als pianist op verschillende luxe-cruiseschepen. Op één van zijn ontelbare zeereizen, nu zo’n vijftien jaar geleden, leerde hij Hilde kennen. Hij was toen net dertig geworden, zijn hele leven draaide rond de piano en speelde zich af aan boord van de meest luxueuze schepen. De zeldzame vakanties, korte onderbrekingen tussen de verschillende cruises, bracht hij door in zijn thuisland. Het was een verademing om de glamoureuze wereld op zee achter zich te laten en terug te keren naar het rauwe, authentieke Napels. Voor een relatie had hij geen tijd, af en toe bracht hij de nacht door in de kajuit van een rijke jongedame tot wie hij zich fysiek aangetrokken voelde, maar hij had nooit de intentie om met één van hen een serieuze relatie op te bouwen. Hilde was een ander verhaal, ze ontmoetten elkaar op de Noordzee, tussen Duitsland en Noorwegen. De zee was ruw die avond, met zijn pianospel probeerde hij de passagiers af te leiden van de deining van de golven. Hilde viel hem meteen op, een prachtige, jonge blondine op de eerste rij, die met ingehouden adem naar hem keek. Na het concert raakten ze aan de praat. Hilde was een Noorse, vijfentwintig jaar oud, ze kwam uit een klein dorpje in het noorden van Noorwegen, studeerde rechten in Oslo en mocht er haar stage doen in een bekend advocatenkantoor. Op het eerste zicht verschilden ze als dag en nacht, maar het klikte meteen. Stefano leerde Hilde kennen als een sterke, onafhankelijke vrouw. Ze fleurde zijn eenzame bestaan op met haar gulle lach en kuste een verborgen verlangen in hem wakker. Nadat ze jarenlang een langeafstandsrelatie onderhielden, gaf hij zijn nomadenbestaan finaal op en vestigde hij zich in Noorwegen. Stefano en Hilde kochten een mooi huis aan de Oslofjord. Ze trouwden en kregen een dochtertje. Op Martha’s vijfde verjaardag kreeg het gezin het gezelschap van Ziggy. De beginjaren waren moeilijk voor Stefano, maar ondertussen heeft zijn leven een vaste structuur gekregen en voelt hij zich goed in zijn rol van echtgenoot en vader. Hilde werkt als advocate in een advocatenkantoor in het centrum van Oslo. Stefano treedt op donderdag-, vrijdag-, zaterdag- en zondagavond op in een vijfsterrenhotel in de stad en geeft op woensdagnamiddag en zaterdagmorgen pianoles aan jonge kinderen. Na zijn vruchteloze zoektocht naar Ziggy oefent Stefano een nieuw stuk in op de piano dat hij vanavond voor het eerst wil spelen. Hij haalt Martha van school en meteen vraagt ze naar Ziggy. Als hij haar vertelt dat hij nog steeds vermist is, begint ze meteen terug te huilen. Ze is vastbesloten om Ziggy te gaan zoeken en Stefano ziet zich genoodzaakt om, ditmaal met zijn dochter aan de hand, de wandeling van vanmiddag nog eens over te doen. Ook nu is Ziggy nergens te vinden. Stefano haalt opgelucht adem als hij merkt dat zijn vrouw al thuis is. Hilde staat achter het fornuis, kookt de aardappelen en schikt de garnalen en de groenten, die hij vanmorgen in de kleine buurtsupermarkt kocht, zorgvuldig op de borden. Hij kust haar op de lippen, Martha stort zich huilend in haar armen. Hilde beraamt samen met Martha een plan om Ziggy terug te vinden. ‘Mama gaat straks een foto van Ziggy zoeken, we kunnen de foto dan verspreiden in de buurt met ons nummer erbij. Ik ben zeker dat Ziggy snel terugkomt.’ Vol liefde en bewondering slaat Stefano hen gade. Na het avondeten, die ze traditioneel vroeg achter de kiezen hebben, vertrekt hij naar zijn werk. Stefano neemt plaats achter de vleugelpiano in het restaurant, zoals gebruikelijk speelt hij zachte pianomuziek bij het diner. Daarna begeleidt hij een jonge zangeres op de piano in de bar. Iets voor middernacht houden ze het voor bekeken. Hij kleedt zich om en kijkt op zijn gsm, hij heeft vijf gemiste oproepen, twee van zijn zus, drie van Hilde. Hilde sprak een bericht in. Zijn moeder ging vanmorgen inkopen doen op de markt en is ruim een half etmaal later nog steeds niet terug. Wanneer hij, met trillende handen, zijn zus opbelt krijgt hij meer informatie. Ondertussen hebben ze de politie verwittigd, en die doet er, gezien haar beginnende dementie, alles aan om hun moeder zo snel mogelijk terug te vinden. Na een slapeloze nacht belt hij naar zijn vader. Mama is nog steeds niet terug. Hij beslist zo snel mogelijk het vliegtuig naar Napels te nemen. Vlak voor de middag is er een vlucht. Zijn schoonouders zullen zich om Martha bekommeren. Twee maanden vroeger dan voorzien zet hij voet op Italiaanse bodem. Hij neemt een taxi naar zijn ouderlijk huis. Zijn lichaam staat onder hoogspanning, hij heeft geen controle over zijn ledematen. In zijn hoofd klinken onheilspellende pianoklanken. Hij ziet zijn ouders slechts één keer per jaar en hij weet dat ze daar onder lijden, vooral zijn moeder heeft het er moeilijk mee. Hij is haar enige zoon en heeft alles aan haar te danken. Ze leerde hem piano spelen toen zijn vingertjes nog nauwelijks de kracht hadden om de toetsen aan te slaan. Het was de muziek die hen verbond, maar het was ook de muziek die hen uit elkaar dreef. Hij koos voor het buitenland en een avontuurlijk leven op zee. Daarna settelde hij zich in Noorwegen. Nu hij geconfronteerd wordt met de verdwijning van zijn moeder, is het alsof de Etna, na jarenlang stilzwijgen, in alle hevigheid uitbarst en alle opgekropte gevoelens van heimwee naar zijn thuisland en diep gemis uitspuwt. Stefano belt aan, zijn zus doet open. Ze omhelzen elkaar stevig. Papa houdt de wacht bij de telefoon, hij ziet er oud en breekbaar uit. Stefano kust hem op beide wangen, hij voelt de tranen prikken in zijn ogen. Dan vermant hij zich, hij moet sterk blijven, nadenken, Ziggy kon hij niet vinden, zijn moeder moet hij absoluut zien te vinden. Hij dropt zijn bagage in zijn vroegere slaapkamer, die er nog net zo uitziet als vijfentwintig jaar terug, alsof de tijd is blijven stilstaan terwijl hij almaar verder wegging. Stefano wandelt door de stad waar hij zijn kindertijd doorbracht. Hij probeert zich te verplaatsen in zijn moeder, vraagt zich af hoe ze zomaar kon oplossen in deze stad, waar de scooters aan de macht zijn en het wasgoed de smalle steegjes kleurt. Hij snuift de stad op alsof hij er voor het eerst is. Dan krijgt hij telefoon van Hilde. Ziggy is terug. ‘Katten keren altijd terug naar de plaatsen waar ze zich thuis voelen, mama’s doen hetzelfde,’ klinkt het aan de andere kant van de lijn, enkele duizenden kilometers verderop. Plots krijgt hij een ingeving, hij springt op de metro en gaat naar het hotel waar zijn moeder jarenlang de kamers poetste, en waar hij zijn eerste stappen als beroepsmuzikant zette. Als achttienjarige kroop hij er achter de piano om de gasten te entertainen. Toen hij er twee jaar later zijn laatste optreden gaf, speelde hij één nummer samen met zijn moeder aan de piano, een emotioneel afscheidsritueel tussen moeder en zoon. Het hotel kijkt uit op de baai van Napels, waar de avondzon ondertussen het water streelt. Vijfentwintig jaar nadat hij hier de deur achter zich dichttrok heeft het hotel nog niks van zijn grandeur verloren. Hij gaat naar de receptie en legt de situatie uit aan de dame achter de balie, Sofia volgens haar naamkaartje, die hem met haar breedste glimlach ontvangt. Ze scrolt door het scherm en zoekt naar mevrouw Colombo. Hoopvol en gespannen wacht Stefano haar antwoord af. Hij ziet haar blik veranderen, ze schudt langzaam van neen. Stefano voelt zich verslagen, hoe dichter hij bij het hotel kwam, hoe zekerder hij werd dat hij het bij het juiste eind had. ‘Misschien onder haar meisjesnaam, Giulia Greco?’ De zoektocht begint opnieuw, nu klaart het gezicht van Sofia op. ‘Gisteren heeft er een Giulia Greco ingecheckt.’ ‘Welk kamernummer?’ ‘365.’ Nog voor Sofia kan uitleggen hoe hij daar komt, stormt hij de trappen op, liften vermijdt hij meestal, ze moesten maar eens stilvallen. Hij bonst op de deur, het blijft stil aan de andere kant. ‘Mama, ik ben het Stefano.’ Hij hoopt, beeft, begeeft het bijna van de spanning. De deur gaat open, daar verschijnt ze, zijn moeder. Ze draagt een lange, rode galajurk. Haar blik is vurig en verward. Hij neemt haar in zijn armen. Ze is zo dun dat hij bang is haar pijn te doen. ‘Pas op jongen, mijn jurk, we moeten vanavond nog piano spelen, jij en ik.’ Stefano lacht en huilt tegelijk. ‘Dat doen we mama, vanavond spelen we samen piano.’

Ine Moreels
11 2

Dief en diefjesmaat (dicteetekst)

De maan hield het die winternacht op een zuinige sikkel, maar daar was Klaas helemaal niet rouwig om. Hij trok zijn bivakmuts strakker over zijn oren en verschool zich diep tussen de struiken van het stadspark.   Ongerust staarde hij naar de toegangspoort van de bib. Zouden ze slagen in hun missie? Hij rilde van top tot teen. Verduiveld, waar bleef zijn handlanger nu toch? Pieter had hier al lang moeten zijn.   Hij schrok op. Hoorde hij geen geritsel? De angst stokte in zijn keel. Twee kille ogen staarden hem aan vanuit het struikgewas. Hij werd bespied! Maar dan zag hij nog net een kattenstaart wegglippen tussen de rododendrons. Hij haalde opgelucht adem.   En dat was een grove misrekening, want ineens voelde hij een hard voorwerp tegen zijn achterhoofd, koud staal dat hem langzaam maar gedecideerd in de richting van de bibliotheekingang duwde ...   Zijn knieën knikten terwijl zijn belager hem stevig tegen de poort aandrukte. Klaas prevelde een schietgebed.   Maar plots hoorde hij een schaterlach. Hij draaide zich om. Het was Pieter. Die borg zijn schroevendraaier snel weer op. Klaas wiste het angstzweet van zijn voorhoofd en stikte haast van woede. ‘J-jij stomkop. Haal je fratsen ergens anders uit. Straks verraad je ons nog.’   Klaas nam een grote stok, bedwong zijn opwelling om Pieter een ferme tik te verkopen en probeerde vervolgens met al zijn kracht om het slot te forceren. Vergeefs, hij kreeg er geen millimeter beweging in.    ‘Wacht, dat lukt nooit. Ik heb een beter idee.’ Als een volleerde acrobaat klom Pieter fluks langs de regenpijp omhoog. Klaas zag hem nog net achter de dakgoot verdwijnen.   Meteen leek het alsof hemel en aarde tegelijk vergingen. Na een hevig gerommel volgde een luide plof. Met een stevige krachtterm erachteraan.   Kriep! De poort zwaaide open. ‘Hun schoorsteen is dringend aan reiniging toe’ sakkerde Pieter middenin een hoestbui. ‘Gelukkig hing de sleutel netjes aan het rek.’ Hij maakte een diepe buiging: ‘Welkom in het heilige der heiligen.’   Klaas knipte zijn zaklamp aan en gluurde naar binnen. Zelfs in het halfduister viel het hem op: zijn kornuit zat helemaal onder de roetvegen. Nu was het Klaas’ beurt om binnensmonds te grinniken.   Pieter haalde zijn schouders op en toverde een jutezak tevoorschijn. ‘De kunstboeken eerst’, siste Klaas. Ze schuifelden voorzichtig naar de rekken.   Twi-i-i-iet!! Een snerpende pieptoon doorbrak opeens de stilte. Pieter dook instinctief achter een stapel boeken, maar zag dan vanuit zijn schuilplaats hoe Klaas gebiologeerd naar zijn smartphonescherm tuurde en een vuurrode blos op zijn wangen kreeg. Het was een sms’je van zijn liefje.   Koortsachtig tokkelde Klaas een antwoord. ‘Oei,’ riep hij vertwijfeld uit, ‘schattebout, hoe schrijf je dat in ‘s hemelsnaam? Met of zonder tussen-n?’ Pieter moest ook het antwoord schuldig blijven.   Op de tast ging Klaas op zoek naar een orthografische reddingsboei. Hoera, linksonder: de driedelige Dikke Van Dale. Zweetparels verschenen op zijn voorhoofd. Het kattebelletje schoot maar langzaam op. Honnepon, snoezepoes, hartendief. Pf, wat een hersenbrekers.   Ondertussen had Pieter zich in de jeugdafdeling languit op een poef neergevlijd, handen onder de kin, op-en-top verdiept in een lijvig boek.   Hij ging zo op in zijn lectuur dat hij wat later geen barst merkte van de razendsnelle omwentelingen: gierende autobanden, plots aanfloepende tl-lampen en een grote schaduw die angstaanjagend naderde. Klaas zag intussen asgrauw. Zijn ademhaling stokte. Vluchten kon niet meer.   Boven hen toornde de rijzige gestalte van de bibliothecaris uit. ‘Heren, zo vroeg al op pad? Wat kan ik voor jullie doen?’   Klaas slikte zijn zenuwen weg en herpakte zich gewiekst: ‘Euh ... twee bibliotheekpasjes graag’. Tot zijn opluchting ging de man nietsvermoedend meteen aan de slag.    ‘Oef, dat was op het nippertje’, fluisterde Klaas. Zijn maat bleef evenwel in trance doorbladeren. Klaas gaf hem geïrriteerd een por. Pieter veerde meteen recht en begon ... aan een rondedansje.   ‘Eureka!’ riep hij enthousiast uit. ‘Wat een fantastisch nieuw businessmodel voor dit illustere topduo! Ook zin in een radicale carrièreswitch, ouwe gabber?’   Klaas begreep er geen sikkepit van. Hij staarde vol verbazing naar de titel van het boek: ‘De Grote Speelgoedencyclopedie’.   Pieter knipoogde schalks: ‘Maar hoe dan ook, echt een boek om te stelen ...’

Ikkeherman
0 0

Ten strijde, nu! (Kort Dictee der Nederlandse Taal, Boekenbeurs Antwerpen 2018)

Hebben jullie dat ook, dat jachtige gevoel? Nog maar net zijn de eerste pompoenen in ons contemporaine straatbeeld verschenen of daar komt die goedheilig man alweer in beeld.   6 december ligt nochtans nog een eindje weg, maar nu al zit onze elektronische brievenbus propvol met sinterklaasbrochures en reclames over kerstpakketten.   Waarom toch? Hoe bestaat het dat we nu al haastje-repje onze kerstspar en weihnachtsstol in huis halen? Ook die somptueuze reveillon met oudejaar ligt al geruime tijd vast.   Het is bizar: we leven constant in de toekomst. Zo regent het al paaseieren in februari, terwijl “terug naar school” zich zowaar aan het begin van de zomervakantie situeert. Waar is de tijd dat ik pas eind augustus schoolessentialia kocht zoals etuis, stylo’s en cursusboeken over venndiagrammen, parallellepipedums en de stelling van Pythagoras? Nu vind je op dat tijdstip enkel halloweenprullaria in de superetterekken.   Vakantie, nog zoiets. Door de vroegboekkortingen reserveren we cito presto onze excursie naar de Mediterranée of naar dat poepchique skiresort wanneer de vuile T-shirts en bermuda’s van onze vorige all-invakantie nog in onze reiskoffers zitten. En zelfs onze smartphone puilt uit van toekomstige afspraken, to-dolijstjes e tutti quanti.   Wat is er in ’s hemelsnaam mis met het zo vermaledijde heden? Weet je wat, laten we samen hic et nunc actie ondernemen: op de volgende Boekenbeurs brengen we samen een grote lit(t)eraire tegenbeweging op gang als ode aan het hier en nu, het hiernumaals!   Heybaberiebah, scherp de pennen!   Hé, doen jullie mee?   Kunnen we dat dan misschien even inplannen?  

Ikkeherman
30 0

ROCCO EN DE AIRCO

We staan nu ongeveer iets meer dan 3 weekjes met bijna allemaal dezelfde buren op  de camping. Komt daar eergisteren ineens een mega caravan achter onze haag opgedraaid. Nog voor de Nederlanders goed en wel geïnstalleerd zijn, wordt de airco opgezet. Niets mis mee. Het is warm en als je zo’n luxeding bezit, dan mag je dat ook gebruiken om wat koelte in de rijdende monstervilla te creëren. Zelfs als de kampeerders zelf niet aanwezig zijn, zoemt en bromt dat pleureding de ganse namiddag. Af,  en een paar minuten later terug aan. Af en aan. Leuk is anders, maar ja je begrijpt ergens andermans luxe. Ergerlijk wordt het als je wil slapen en die airco tot half twee ’s nachts door ronkt. En om zeven uur ’s morgens springt dat kreng terug aan. Het is eind september en ’s nachts al behoorlijk afgekoeld, zo’n 10 a 14 graden slaaptemperatuur. Ik begrijp niet waarom die Nederlander ’s morgens met ijspegels op zijn snor wil wakker worden. Misschien zijn het passanten, denk ik, en na een slapeloze nacht zal ik de zaak nog even aanzien. Maar als ze dan een luifeltje doorrijgen en die airco opnieuw continu een ganse dag opzetten, wil ik vermijden dat er nog meer slapeloze nachten gaan volgen.  Ik stap met een glimlach op ze toe. “Hallo buurtjes, mag ik jullie eventjes iets vragen, kunnen jullie de airco misschien ’s avonds en ’s nachts afzetten, want het geronk houdt ons wakker?” “Nou mevrouw, hoe komt U erbij dat het onze airco is?” “Ja omdat wij hier al geruime tijd met allemaal dezelfde kampeerders staan en er niemand airco heeft, of lawaai maakte, en omdat wij bij jullie caravan kwamen kijken en konden vaststellen dat het gezoem en gereutel bij jullie vandaan kwam!” Wel, dit is niet mogelijk hoor, hé Djon”? Djon schudt overtuigend nee. “Jij zette onze airco toch rond zo’n uur of zeven uit, niet Djon?”  Djon knikt krachtig ja. “Nou wij waren het niet hoor en dan zegt die troela ineens:” MISSCHIEN KOMT DAT GEZOEM GEWOON UIT UW HOOFD?” Ik voel hoe mijn, ‘ik kom in vrede act’ onmiddellijk naar een ijstijdniveau zakt. Terwijl ik de neiging onderdruk om met mijn vuist haar vooruitspringende Hollande duimzuigtanden eventjes in haar mond te corrigeren, glimlach ik en kijk haar heel doordringend aan. “Ik hoop dat U een grapje maakt?” Eventjes is de toetebel van slag. Ze loert naar Djon: “Ja hoor een geintje gewoon om te lachen, hé Djon, maar wij waren het zeker niet!” “Ach” zeg ik, “ dan was het misschien wel nachtlawaai van die viscentrale langs de rivier, hier zo’n dikke kilometer vandaan. Dat ga ik dan deze nacht controleren en dan vinden jullie mij morgenvroeg, met een geel hesje aan, demonstrerend aan hun ingang”. Of denk ik bij mezelf, dan trek ik vannacht jullie elektrische kabel uit het stopcontact.  Als die mensen nu gewoon hadden gereageerd met, ho, sorry wij waren ons niet bewust dat onze airco ’s nachts zoveel lawaai maakte, we houden er rekening mee...Maar zoveel trammelant en ontkenning. We zijn duidelijk in tijdperk van respectloosheid en egoïsme beland. Plots alsof ze beseft dat ze het plot verliest, verklaart de haaientandengeit, dat ze de airco speciaal voor hun hondje geïnstalleerd hebben en ze die misschien wel eens een ganse namiddag opgezet hadden. Als ze dan ’s morgens gaan fietsen of tochtjes met de auto gaan maken, dan sluiten ze Rocco op in de caravan en dan is het lekker koel voor hem. Er flitst iets door mijn hersenen, want er staat zoiets in het campingreglement, dat je je hond ten allen tijde aan de lijn dient te houden en nooit alleen op je kampeerplaats mag achterlaten, noch in de camper, caravan of in de auto. Het hondje is een schatje. Hij wipt rond mijn voeten, geeft likjes aan mijn tenen en springt tegen mijn benen omhoog om geaaid te worden. Ik wil de zaak dan ook niet ten top drijven. We hebben geen airco meer gehoord. Niet meer ’s nachts en ook niet meer voor hondje Rocco. ’s Anderdaags zagen we deze liegebeesten ’s morgens richting strand fietsen waar de honden nog steeds verboden zijn, dus zonder Rocco. ’s Middags vertrokken de Hollandse Pinokkioneuzen met de auto op uitstap, zonder de hond. Laat in de namiddag hoorden wij de autoportieren open en dicht gaan. “Djon, ik ga nog eventjes naar het zwembad hoor, laat jij effe de hond uit? “Ja hoor, eventjes snel, ik kom zo naar het zwembad.” De caravandeur gaat open en ik hoor Djon tegen zijn hondje zeggen. “Dag schatje, wat lijk jij blij dat je ons weerziet. Wij gaan eventjes snel een plasje maken, kom op” Daarna moet Rocco weer de caravan in, want aan het zwembad zijn de hondjes niet gewenst. En de airco mag niet meer aan van die stoute Belgische klagermevrouw hiernaast, hoor ik Djon bijna hardop denken.     Sim, al twee dagen en nachten zonder brommende airconditioning  19/9/2019 Agde  

Sim
103 0

THE KILLING FIELDS

Hoe het deze week mogelijk is weten wij niet, maar vanaf het moment dat wij borden op onze kampeertafel zetten, komt er een roedel vliegen op verkenningstocht. Een patrouille zoemt zich een rondje over onze glazen, borden en servietjes richting barbecue en terug. Manlief houdt de wacht en verdedigt het fort met een vliegenmepper. Gek dat wij onze Nederlandse overburen tijdens lunchtijd nooit met een vliegenmepper in actie zien. Maar natuurlijk, wie zou, als je zelf vlieg moest zijn, voorkeur geven aan een Royco minutesoepje met een restje baguette.  Dan zou ik ook opteren voor die Bourgondische etentjes van die Vlamingen. Wij begrijpen niet dat die vliegenbende zonder neus en aantoonbare oren, blijkbaar op een kilometer afstand kan ruiken en zien dat er iets op onze tafel gezet wordt. Nog maar net plaatsen wij een schoteltje oesters, scampi, gamba’s, gevulde inktvissen, een paëlla of een op de barbecue gegrild visje op onze tafel of de niet uitgenodigde zoemgasten proberen mee aan te schuiven. Geduldig wapperen wij met onze handen over onze borden en zetten zelfs op een meter afstand een speciaal lokbord met de graten, vellen en schelpen zodat ze daar hun feestdis ongestoord kunnen verderzetten. Tevergeefs, een mooi gedekte tafel en een gezellig gezelschap lijkt hun leuker.  Wat ze nog niet doorhebben is dat dat dikbuikige grijze mannetje, met het Dokter Spock-oortje en zijn niet weg te denken glas rode wijn, een onovertroffen seriemoordenaar blijkt te zijn. Mijn persoonlijke Pol Pot zwaait en klopt de vliegenlijven tot spijs. Hij spreekt ze zelfs in het Frans toe. Afschrikken in de eigen taal! Voilà, ils ont laissé leurs fromage, (zij hebben hun kaas gelaten) roept hij.  Encore une fois, weer één , mort comme une jetée (dood als een pier). Maar de vliegenjonkies laten zich nog niet echt afschrikken. Pats, twee bacteriebommen tegelijkertijd! Ils ont donné la pipe à Martin ( zij hebben de pijp aan Maarten gegeven). Wij ruimen de tafel af en onmiddellijk verdwijnt de meute insecten. Ons grondzeil ligt echter bezaait met lijken, ‘the Fly Killing Fields!’ Waarschijnlijk gaan de overlevenden nu, tot aan het diner, ergens op geurafstand een siësta houden . Ze zullen lang kunnen wachten, want wij gaan straks lekker uit eten. Dat ze de Nederlanders aan de overkant maar wat gaan irriteren! Sim, Agde 14 september 2019

Sim
19 0

SCHIPPER MAG IK OVERVAREN, JA OF NEE?

Toen we daarstraks naar het zwembad wandelden, kwam er een  Nederlands ouderpaar met twee kleine kleuters luid zingend voorbij gestapt. “Joepie Joepie is gekomen, heeft mijn meisje meegenomen, maar ik zal er niet om treuren, gauw een ander meegenomen…”Hé, dacht ik, wat voor liedjes leerden wij onze kinderen toch? Wat een akelige kereltje was die Joepie Joepie! Was dat de plaatselijke gigolo, de schoolpestkop, een ontvoerder of een pedofiel? Je moest die Joepie Joepie maar tegenkomen en voor je het wist was jij je kalverliefde kwijt. Meer nog, je bleek er niet eens om te treuren want zonder aarzelen grabbelde je een nieuw lief vast. Hadden de meisjes in die liedjestijd niets in de pap te brokken? Waar kwamen toch al die gestoorde  wijsjes vandaan? Wilden wij met onze liedjes onze kinderen misschien voorbereiden op een leven dat ook wel eens niet zo prettig zou kunnen zijn? “ “In een klein stationnetje ’s morgens in de vroegte, stonden zeven wagentjes netjes op een rij, ‘k zag een machinisteke draaien aan een wieleke, akka, akke tuut tuut, weg zijn wij”. Wisten ze toen al dat het personeel bij de spoorwegen meer zou staken dan rijden en dat het puur geluk zou zijn als er een niet gesyndiceerde machinist die wagentjes in beweging kreeg? “Altijd is Kortjakje ziek, midden in de week maar ’s zondags niet, ‘s zondags gaat hij naar de kerk, met zijn zakken vol suikerwerk, altijd is Kortjakje ziek, midden in de week…” Ten eerste vind ik de namen van die melodiemannen heel slecht gekozen. Wie noemt er zijn kind nu in hemelsnaam Joepie Joepie of Kortjakje? Ten tweede, wie zegt er dat de tekst van het tweede liedje niet juist andersom had moeten zijn? Kortjakje ging ’s zondags naar de kerk, moest zich in de pastorij aanbieden en kreeg van de pastoor na wat gefoefel onder het korte jakje, er zakken vol suikerwerk voor. Niet moeilijk dat dat kind de hele week ziek en beschaamd was. Of wat denken jullie van de tekst: “Papegaai is ziek en hij moet sterven, maak een appelmoes al van conserven, voor onze gaai, voor onze allerliefste zoete papegaai. Papegaaike leeft je nog? Ijadea, Ja mijnheer ik ben er nog, ijadea, ‘k heb mijn eten opgegeten en mijn drinken laten staan, ijadea, boem” Als je voor je kaketoe dagelijks een pot appelmoes opendraait in plaats van zijn bakje met zonnepitten te vullen en hem alle dagen vraagt of hij nog leeft, dan ben je zijn gesnater waarschijnlijk strontzat. Breng hem dan naar het asiel of zoek een goed adoptieadres in plaats van hem langzaamaan met appelspijs en whisky in zijn drinkbak te willen vergiftigen! Nu kunnen wij onze kinderen wel ruimschoots op voorhand instrueren dat er maar één zekerheid is in het leven. Wij gaan allemaal vroeg of laat de pijp uit!  Maar om daar dan een jolig liedje rond te rijmen? “Klein Anna zat op éne steen, éne steen, éne steen.. Klein Anna, waarom ween jij zo, ween jij zo… omdat ik morgen sterven moet, sterven moet, sterven moet…” Kan iemand mij vertellen wie die kleine Anna was? Was dit een ongelukkige kleuter die juist na een doktersconsult een minder aangename kankerboodschap gekregen had of was dit juist een stokoud honderdjarig gekrompen vrouwtje? En in godsnaam, waarom zaten die kleine Anna’s op éne steen?? Hebben wij senioren in onze kindertijd niet te veel en te hard gezongen van: ‘k heb een tante in Marokko en die komt, ‘k heb een tante in Marokko en die komt, ‘k heb een tante in Marokko, een tante in Marokko, ‘k heb een tante in Marokko en die komt…singing I ja jiepi jiepi jé, singing I ja jiepie jiepie jé…” Wanneer liep het ergens mis? Had men ginds een slechte vertaling van het woordje “tante”? Alleen de tante… We kunnen natuurlijk ook onze kinderliedjes wat moderniseren. “Schipper mag ik overvaren, ja of nee? Moet ik dan een tol betalen, ja of nee? En dan zei de schipper: “Al wie rood aanheeft mag niet over!” Nu zouden wij kunnen zeggen: “Al diegenen die illegaal, zwart, minderjarig of zwanger zijn mogen niet overvaren, tenzij ze aan de mensensmokkelaars en de ngo’s een flinke tol betaalden.” Nog een actueel liedje: Witte zwanen, zwarte zwanen, wie wil er mee naar Engeland varen? Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken,Is er dan geen smid in ’t land, die de sleutel maken kan….. Gelukkig voor onze kleinkinderen worden zij nu groot met de liedjes van K3. Leren ze dansjes en zingen ze tot je er horendol van wordt van “Sweet Caroline en *Mooi weer vandaag”. Maar een paar liedjes vind ik persoonlijk nog steeds “antieke oma” toppertjes: “Ons bomma  heeft wc papier met bloemekes, met bloemekes, met bloemekes, ons bomma  is een heel moderne vrouw!” En “vivan bomma, patatten met saucissen, vivan bomma patatten met ajuin, en daarbij ne grote cervela tralala…”   Sim, Agde 9 september 2019 Tralalalalala  *Mooi weer vandaag, ik doe alles vandaag liever traag (Bart Kaël)      

Sim
408 0