Lezen

Verdomde Tom Robbins, Some Barking at the Moon

LIFE IS LIKE A STEW YOU HAVE TO STIR IT FREQUENTLY OR ALL THE SCUM RISES TO THE TOP   las ik op een ander continent en ik dacht Wij en Ik wij en ik wij zijn allemaal stadskinderen met de nádruk op   Stad; allemaal geagiteerd richtingloos, nagels onder het stof (of scum?) van ramen die niet vaak genoeg afgespoeld worden allemaal denken allemaal denken hé over hoe die ramen zouden kunnen blinken als ze maanlicht of sentiment zouden doorlaten: ze blijven on-gespoeld en wij en ik wij vallen eronder in slaap   met de nádruk op Kind; allemaal geagiteerd richtingloos, als een labrador gelegen op de schouders van ouders die vriendelijk vragen thuis te blijven het verzoek vriendelijk afgeslagen ik ben het omgekeerde van een kind denk ik dan over mijn leven voor de equivalentie van wat slechts een flits moet zijn voor de stenen giganten/vierkanten in Gizeh, vrouw met fakkel op Liberty Island    wat een fletse flits als een sukkel moet zijn voor de Nieuwe Colossus die achterbleef met de assen van al die beloftes in haar fakkel slechts geleden enkele ogenblikken  denk ik ik ben het omgekeerde van een kind Ik Kan Alles   DAT ALLES ER DEEL VAN IS DAT HET NOOIT TE LAAT IS OM EEN GELUKKIGE KINDERTIJD TE BELEVEN    zei Verdomde Tom Robbins over liefde en over pakjes sigaretten die zo gesloten als een deur blijven en ik kan je verzekeren, Tom Robbins, het is opendeurdag hier in de stad   ik kan je verzekeren met een neus die de curve van een regenboog volgt, knikt links rechts links rechts links rechts links rechts NEE hier wordt gekozen welke deuren en ramen en portalen naar het hellevuur openblijven welke opgeblazen worden ze werken hier overal aan de Nieuwe Stad   hier hebben de stadskinderen CHOICE CHOICE CHOICE   en de ramen zijn ondoorlaatbaar maar doorzicht-baar en hier is niemand kleurenblind wij  kiézen hier de dingen om blind voor te zijn   maar doorzicht-baar zodat voor de equivalentie van wat slechts een flits moet zijn in het leven van twee (of meer?) stoffige stadskinderen  zij in de nacht simultaan gluren door gesloten windows naar de maan en alle  mystiek ervan die ze in alle haast vergeten zijn

Camilla Peeters
16 0

zoogdieren op Mars

Welke beul het experiment deed weet ik niet, maar de uitslag van het onderzoek werd hier en daar bevestigd. Het moet niet meer herhaald. Als je een kikker in warm water zet en je brengt hem traag aan de kook,  blijft hij, door uitstel verlamd, in de pot. Op dat punt lijken mensen aan kikkers verwant. Wie meer over het klimaat wil weten kan kijken naar de heruitzending van de heruitzending. Het nieuws is zo achterhaald als de ontdekking van het wiel. Dat de blauwe planeet rood opgloeit wordt onweerlegbaar. Aan de stelling van Pythagoras kan je twijfelen maar het kwik liegt niet. Het onheil komt als plastic en dode vissen bovendrijven. Sinds de pubers spijbelen met spandoeken verschuift er iets. Het ongemak sijpelt binnen. Zelfs de optimisten kunnen de bewijzen niet langer weerleggen. De spiegel zal tot aan de lippen stijgen. Een paradijs voor snorkelaars, zullen enkelingen nog dapper volhouden.    Heerlijk. Bleek koraal bewonderen. Een gat in de markt.  Zet de duikbril op en ontdek wat er ontbreekt. De futuristen doen er nog een schep bovenop. Voor hen is een eeuw niet meer dan een vingerknip. De planeet gaat al vijf miljard jaar mee en om de zoveel duizend jaar mag je een meteoriet verwachten. Een bom die zoveel as doet opwaaien dat een lange winter over de wereld komt. Een terugkeer naar de ijstijd. We krijgen opnieuw de vacht van de mammoetjagers. Wie kapitaal heeft kan de enkele reis naar Mars overwegen, maar niet straffeloos. Het blijft een ticket enkele reis. Op Mars wegen we minder, krijgen we lange armen, korte benen, opnieuw de romp van een aap. Bij gebrek aan een kluif zullen onze tanden uitvallen. Op Mars zullen we op spenen sabbelen. Elkaar zogen. Astronautenvoer uit de papfles.

Wim V
0 0

Leesdrift

Ze zitten naast elkaar, elk in een crapaudje, aan weerszijden van de salontafel. Daarop een vaas ridderspoor als een diepblauw scherm tussen hen in. Tegenover hen de huisbibliotheek die de ganse muur bekleedt met centraal daarin de tweeëndertigdelige encyclopedie. Zij is uit de zestiger jaren en dient enkel nog om afgestoft te worden. Maar de boeken hebben mooie ruggen. Rechter dan de zijne.
 Hij leest de krant op zijn laptop, met de stem van zijn vrouw als achtergrondgeluid.
 Ze heeft het over haar vriendin met wie ze vanmorgen geskypet heeft, over hoeveel de Vlaamse viceminister-president wel niet zou verdienen, over de fauteuiltjes die ze opnieuw wil laten stofferen. Ze denkt aan velours. Skai is misschien praktischer? 'Wat jij,' vraagt ze, zonder echt een antwoord te verwachten, alleen om even op adem te komen.
 Van die entr'acte in haar woordenvloed maakt hij gebruik om ook eens een interessant weetje te plaatsen: 'Een vrouw zegt gemiddeld twintigduizend woorden per dag.' 
Ze schuift de vaas wat opzij en kijkt hem boven haar bril fronsend aan. 
'Welke seksistische bron zegt dát nu?' 'Ik lees dat hier net op een serieuze webstek. Aan hoeveel woorden kom jij, denk je?’ 
‘Deugniet! Bedoel je daar iets mee?’
 Hij antwoordt enkel met een glimlach, vergezeld van een knipoog. Haar dagelijks woordverbruik schat hij een stuk hoger in, eerder dertigduizend. De hele dag door zegt ze alles wat ze denkt, wat ze ziet, wat ze hoort, wat ze weet. En wat ze niet weet, dat vraagt ze dan even terloops. Haar tactiek om hem uit zijn gedachtegang te plukken en in haar verhaal te slepen.
 Zoveel praten lijkt hem een vorm van verspilling. Eén pagina van een boek telt zo'n dikke driehonderd woorden. Dat heeft hij van een andere bron. Zo bekeken praat zijn echtgenote vlot een boekje van honderd pagina's per dag bij elkaar, wat tegen het einde van de week een ferme trilogie oplevert. Daarmee maak je een schrijver waanzinnig jaloers.
 Desalniettemin vindt zijn eega ook nog de tijd om welhaast één boek per dag te verslinden. Ze zegt daarbij geen woord. Finaal komt ze dan mogelijk toch niet ver boven die twintigduizend uit.
 Wanneer zijn gemalin aan het lezen slaat raast ze als een hst door haar boek. Ze zegt niets, ziet niets, hoort niets. Ook niet het carillonnetje van de deurbel. Of de telefoon die eindeloos maar vergeefs rinkelt. De aardappelen koken kissend over. Honger voelt ze niet. Hij wel.
 Zo is hij uiteindelijk zelf aan het kokkerellen geslagen. Hij vindt het zo spannend als een thriller: iets culinairs bij mekaar goochelen en naar een happy end proberen te leiden.
 Het gekletter van pannen en borden, het gepruttel, het gesis, de geuren, niets dringt tot zijn gulzig lezende wederhelft door.
 Als alles klaar is schuift hij zijn open hand uitnodigend tussen haar ogen en haar boek en zo snijdt hij haar los van het verhaal. Ze kijkt hem dan glazig aan en laat zich versuft naar de gedekte tafel leiden, als naar een dansvloer. Nog verdwaasd door het verhaal plant ze woordeloos een warme zoen op zijn lippen. Als aperitief.

   'Een man gebruikt slechts zevenduizend woorden per dag,' leest hij haar verder voor. 
'Zoveel haal jij niet,' zegt ze, 'Jij zegt nooit wat. Je zit met je neus in een of ander geleerd boek of je zit dromerig op je laptop te tokkelen. Als ik je niets vraag zeg jij ook niets.’ 
‘Weet je, lieveling, ik hou van je…’ ‘Goed zo,’ onderbreekt ze hem, ‘Als je dat nog enkele keren herhaalt geraak je misschien nog in de buurt van die zevenduizend woorden’.
 ‘Schat, ik hou erg veel van je,’ probeert hij nog eens. Ze schenkt hem een stralende glimlach. ‘Vooral wanneer je leest.’
 Haar lippen willen protesteren maar hij smoort haar antwoord met een kus.
 Haar handen glijden onder zijn T-shirt. ’Nu nog even niet, lieverd. Eerst wat werken. Mijn dagelijkse driehonderd woorden schrijven.’Ze slaat haar rimpelige armen om zijn hals. 
'Wat zul jij een appetijtelijk schrijvertje zijn, met die stijnstreuvelskop en dat paterdamiaanbrilletje.’
 Eén bladzijde per dag. Nog een dik half jaar te gaan, denkt hij, terwijl ze hem hartsgrondig kust. Dan zal hij net tachtig zijn.

Esser
0 0

De rode sofa

‘Dag Boris’, zei Jane. ‘Ik moet je wat vertellen.’ Jane was naar zijn studio gegaan niet ver van de faculteit Letteren waar hij les gaf. Ze was nog even door het stadspark gewandeld en had daar van de frisse ochtendzon genoten. Het ging die dag weer broeierig heet worden. Het weerbericht sprak inmiddels de vijfde dag op rij over temperaturen van boven de vijfendertig graden. Deze maandagochtend op de eerste dag van juli was het heerlijk stil in het stadspark, te fris voor koppeltjes die van elkaar wilden genieten, te vroeg voor de oudjes die verderop in het rusthuis werden verzorgd, te rustgevend voor de studenten die hun laatste examen hadden afgelegd. Het waren nu de echte sukkelaars die hier rondhingen.   De afgelopen dagen had Leuven een massa jongeren ontvangen en doorgesluisd naar de festivalweide van Werchter. Die was vertrappeld door het jonge geweld, dat al springend, zingend en drinkend de zomer was ingeduikeld. Voor Jane kon het niet rustig genoeg zijn. Ze had een knoop doorgehakt en na maandenlange gesprekken en overleg vond ze dat Boris moest worden geïnformeerd.   Bij de hoofdingang van het park zag Jane in de verte al het torentje van de universiteitsbibliotheek. ‘Daar ongeveer moet hij wonen.’, dacht ze. Ze stapte door de enorme metalen toegangspoort van het stadspark alsof ze een nieuw universum betrad en bleef daarna stilstaan met het smeedijzer in haar kielzog. Haar vertrouwde groene oase liet ze achter zich. Nu pas voelde ze de kilte van het eeuwenoude hekwerk dat zich door de lucht heen in haar rug duwde. Onwrikbaar was het kolossale stuk stadsgeschiedenis. Zonder een greintje mededogen. Een klein roestig spijltje had haar op zijn minst een schouderklopje kunnen geven? ‘Komaan Jane, je kunt het. Zeg hem waar het op staat.’, had het rosse stukje metaal haar kunnen sommeren.  Maar niets van dat. Zelfs geen blaadje van de lindeboom dat door de zomerdroogte langs haar was komen neerdwarrelen had gezegd ‘Je hoeft het hem niet eens zo stellig te zeggen als het hekwerk zou doen. Je kunt het ook al dwarrelend. Kijk, een beetje zoals ik.’   Ze stond er alleen voor. Een paar stappen verderop begon het Hooverplein. Sinds kort lag het er met een vernieuwde look een beetje onwennig bij. Het moest zich voortaan tevreden stellen met minder bomen en in haar eigen zoektocht naar een nieuw evenwicht dacht ze haar opengetrokken ruimte als kwaliteit naar voren te moeten schuiven. Maar zo voelde het niet voor Jane. Het plein was al even hardvochtig. Met haar leegte als nieuw talent vond de stenen massa van zichzelf dat ze heel wat te bieden had en dat ze van onschatbare waarde was voor eenieder die haar betrad of zelfs maar aanschouwde. ‘Het is te nemen of te laten, Jane. Ofwel vind je hier wat of ook niet. Aan jou de keuze.’   Jane’s blik gleed af naar links waar ze de vertrouwde charme van de Tiensestraat zag. De rode bakstenen gebouwen typisch aan deze stad hadden haar ooit verwelkomd en nu moest ze zich voorbereiden op een afscheid. De melancholie stapelde zich op in haar keel. ‘Ooit zal ook deze straat worden heraangelegd. Niets is blijvend. Zelfs niet de imposante gebouwen van een eeuwenoude universiteitsstad als deze.’ Haar hele wezen leek zich te willen afglijden in een thema dat nu niet terzake deed, maar dat een stukje van haar hart verwarmde. Ze was zeker niet naar de stad gekomen om zich te verdiepen in haar structuren, haar dynamiek, haar toekomst, want die andere onzekerheid was op dit ogenblik te dwingend. Het ging nu niet om een stadshart, maar een levend mensenhart, dat zich ergens achter de enorme hoeveelheid boeken van de universiteitsbibliotheek bevond. ‘Zou hij zijn eigen boeken al hebben ingepakt?’, vroeg ze zich af. ‘Vast wel, waarschijnlijk heel zorgzaam ook.’   Ze slikte het onbehaaglijke gevoel weg en keek nu opnieuw recht vooruit de leegte in.   ‘Laat ik het erop wagen.’, dacht ze. ‘Ik zie wel wat het geeft. Ik loop over het plein en stop even bij de nieuw aangelegde fontein. Misschien dat ik daar even kan genieten van de blauwe steen en de speelsheid van het water. Wie weet, geeft me dat wat energie? 

Attendant Moon
0 1

De veiligheidscontrole

U kent ze wel. De vrienden die tijdens een zomerse barbecue met hun verhalen en anekdotes de avond nog smakelijker maken. Ze zijn zoals de barbecuesaus die voor wat pittigheid zorgt. Ergens hebben ze het talent van een echte acteur. Ze spelen een rol, maar toch blijven ze zichzelf. Het is de gave van geloofwaardigheid. Tijdens een verblijf aan het stukje kust in Frankrijk, waar 75 jaar geleden de bevrijding van Europa werd ingezet door de geallieerden, kwam ik een dergelijke acteur tegen. De Nederlandse man van middelbare leeftijd stond voor me in de rij bij een Normandisch oorlogsmuseum, waar we een veiligheidscontrole kregen die zo scherp was als op de luchthaven. Portefeuille, horloge en telefoon moesten in een bakje dat achter de scanner mocht passeren. Vervolgens ging de veiligheidsman met een scantoestel zorgvuldig aan de slag. De handscanner had veel weg van een stofborstel, maar dan eentje die piepende geluiden maakt. Hij begon bovenaan ter hoogte van de schouder, waarna er meteen een luide 'bliep' weerklonk. "Hebt u daar metaal zitten?" vroeg de veiligheidsbeambte vriendelijk. "Ja, daar zit inderdaad wat metaal na een operatie", lachte de Nederlander. Aan zijn andere schouder klonk dezelfde bliep. "Ook daar ben ik geopereerd." Bij het scannen van zowel zijn linker- als rechterknie ging het toestel opnieuw af. "Ja, ook daar zitten stukjes metaal." De brave man was een attractie voor de rij wachtenden. Hij piepte zoals een videogame uit de jaren 80. Hij onderging het geduldig. Zijn vrouw die even verder stond te wachten, had een rode kleur gekregen die duidelijk niet van de zon was. Toen er ter hoogte van zijn onderbuik opnieuw een piepend geluid weerklonk, keek de veiligheidsman bezorgd. "Daar heb je toch geen metaal zitten?" "Nee," lachte de man, "dat is gelukkig mijn riem maar." Toen hij eindelijk binnen was, zei hij iets tegen zijn vrouw dat ik niet kon verstaan, omdat ik zelf onder de CT-scan moest. Wellicht was het zoiets als: "Dit verhaal wordt straks een knaller op de camping."  

Rudi Lavreysen
0 0

De regenboogpin is geen ideologie.

De hoffelijkheidscampagne van de stad Antwerpen waarbij medewerkers van de stad die in contact met burgers komen de regenboogpin niet mogen opspelden, maakt de link met een zeker nieuw salonfähig Vlaams conservatisme duidelijk. Het is een vreemde beslissing, niet louter omdat deze beslissing indruist tegen de principes van gelijkheid en vrijheid die de overheid moet garanderen – de regenboogpin is geen religieus kledingstuk -, het is ook een beangstigende beslissing voor wat de komende jaren in Vlaanderen als beleid zou kunnen gevoerd worden. De burgemeester van Antwerpen lijkt in de greep van het Vlaams Belang te zijn en de morele blauwdruk van een Vlaams regeerakkoord lijkt nu al duidelijk te worden, ook al zal er allicht niet geregeerd worden met Vlaams Belang. Er zal heropgevoed worden  naar traditionele vooroorlogse waarden. Via de sluipwegen van regeringsonderhandelingen kan alsnog een ethisch conservatief programma dat het Vlaams Belang nastreeft de Vlaamse maatschappij binnensijpelen. De regenboogpin is een symbool dat iedere burger aanbelangt, het is een symbool van een mensenrecht en is niet door een ideologie gestuurd, zoals neutraliteit van de staat dat voorschrijft. Het gaat over de vrije beleving van de eigen seksualiteit. Het puur en gewoon mens zijn. Het is een symbool gegroeid in een context van onderdrukking, schending van mensenrechten en polarisatie. Door het verbieden ervan maakt Bart De Wever duidelijk dat er maar één seksualiteit/affiniteit de norm is, zoals het ook staat in de beginselverklaring van het Vlaams Belang : ‘De eerste en belangrijke kern van de samenleving is het traditionele gezin, waarvan de waarde maatschappelijk erkend en gewaarborgd wordt door het huwelijk tussen man en vrouw’. Een huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht wordt de facto als minderwaardig beschouwd. Ik vraag me af wat de burgemeester gaat doen op 1 december, op wereld-aidsdag wanneer uw medewerkers het rode lintje willen dragen? Wordt dan ook uitgelegd dat de aidsstrijd een ideologische strijd is die het neutraliteitsprincipe van het stadsbestuur aantast? Of gaat de burgemeester nu al in het kielzog van het Vlaams Belang, Vlaanderen naar de donkere wateren van een extreem rechtse samenleving leiden en, net zoals bij het verbieden van een regenboogpin, het leed, de strijd, het herdenken van duizenden burgers die aan aids gestorven zijn negeren ? Het is komkommertijd maar het is ook in die tijd waarin de burger het meest alert moet zijn. En al zeker in tijden van vandaag.  

Erwin Abbeloos
0 0

In een tekst niet ver van hier.

In een tekst niet ver van hier, wandelt Valerie door het bos. Het is er kil. De grond is nat. Ze is op zoek naar stilte, ze wil herbronnen. Zo heet dat tegenwoordig. Herbronnen. Detoxen. Resourcer. Ze weet niet zo goed welke richting ze uitgaat. Door de bomen ziet ze de zon niet. Waar is het noorden, waar is het oosten. Dat weet ze niet. Ze probeert gewoon te zijn. Daar, in het midden van het bos. Verdwaald en eenzaam. Ze is niet bang van wilde dieren of ongekende wezens. Het gezoem van insecten kleurt de stilte die ze zo lang zocht. Zo lang al.. en eindelijk is ze in stilte. Ze is de stilte. Ze ademt in en uit, ze zucht en er gaat een kille ril over haar lijf. Alsof een geest haar ziel uit haar lichaam trekt. Ze ademt steeds dieper en dieper. Ze voelt zich gelukkig, voldaan en rustig. Ze voelt zich puur. Ze voelt dat alle lawaai en alle herrie waarmee de stad haar elke dag opnieuw mee vult, verdoofd en verlamd is. Hier wil ze zijn, hier wil haar lichaam zijn. Haar hoofd draait lichtjes omdat ze te diep adem heeft gehaald. Ze wrijft over haar volle borsten en buik als om zich houvast te geven. Het is mooi, het is goed, het is berusting. De natte geur van de bomen en het gras, de dode bladen en het donkergroene mos bedwelmt haar geest. De stilte wordt doorbroken wanneer ze in de verte haar vriendin Sam ziet. Sam wuift naar haar, joehoet en struikelt haar richting uit. Het beeld is verstoord, er is ruis. Waarom.. waarom toch, vraagt Valerie zich af. Valerie doet alsof ze haar vriendin niet gezien heeft maar dat maakt het lawaai alleen maar heftiger. Ze wendt haar gezicht af, kijkt of er een andere richting in het bos is, een schuiloord, ergens waar ze onzichtbaar is. Waar niemand haar ziet, waar niemand haar komt halen, waar niemand om haar geeft. Niemand. Ze loopt tussen het gebladerte door, houdt zich vast aan zware taken van de bomen, ze hijgt, ze verliest af en toe het evenwicht maar snel komt ze weer in het ritme van haar vlucht. Want dat wil ze. Ze wil vluchten. Ze wil weg. Gewoon weg zijn. Ze wil met rust gelaten worden. Het getier van haar vriendin wordt minder regelmatig tot het uitsterft en er alleen de longen van het bos te horen zijn. Het bos heeft Sam tot zwijgen gebracht. Vanachter een zware boom ziet ze hoe haar vriendin ontmoedigd rechtsomkeer maakt. Valerie hoopt opnieuw op rust en verbondenheid met de bomen. Ze zet zich neer op de knieën van de dikke eik en kijkt rond. http://erwinabbeloos.over-blog.com/2019/07/valerie-en-het-bos.html

Erwin Abbeloos
23 0