Lezen

vergeef mij

Vergeef mij, lieve heer voor al mijn zonden.  Vergeef mijwant ik weet wat genoeg is.ik weet niet of weten genoeg is. Vergeef mijniet omdat ik niets doe,maar omdat wat ik doete weinig weegt. Vergeef mij omdat ik niet naar elke klimaatmars ga,geen geld geef aan goede doelenmaar wel aan Korean skincare. Vergeef mij Omdat ik geen vrijwilligerswerk doe,de geschiedenis van Soedan niet ken,en pas gisteren hoordevan het conflict in West-Papoea. Vergeef mij Omdat ik weet dat er oorlogen zijn,maar weet niet hoe ik moet kijken. Ik staar naar beelden uit Palestina,ben even stil,om vervolgens verder te scrollen. Vergeef mij, heer  Omdat ik post, niet protesteer.Omdat ik deel, niet deelneem. Vergeef mij Omdat ik naar de dakloze vrouw voor de supermarkt glimlachalsof mijn scheve schemering van empathie haar helpt. Omdat ik de meldingen van VRT NWS en De Morgen uitschakel.Omdat ik liever lees over schoonheiddan over schuld. Omdat ik mijn boodschappentas vul in de Lidl,mijn onderbroeken haal bij de H&M, Vergeef mij Omdat ik niet weet hoe het isom afgewezen te worden bij een grens Omdat ik mijn vader niet altijd wijs op het feit dat hij racistisch is.  Vergeef mijomdat ik het vliegtuig nam. Omdat vrouwen in Afghanistan niet mogen spreken en ik wel.  Vergeef mij Omdat ik koffie drink uit landen zonder water.  Vergeef mij omdat ik me schuldig voel, en dat als excuus gebruik. Vergeef mij  Vergeef mij Vergeef al mijn zonden. Wat hebben we nodigin de toekomst?Ik antwoord:Hoop.Verbeelding. Maar wat hebben insecten, Plastic dat plakt, Algoritmes vol ritmes,  aan verbeelding? Kan hoop water zuiveren? Huizen bouwen?  Harten herstellen?  Is dit niet een typisch antwoordvan een geprivilegieerde Vlaamse kunststudente? Ik stel me soms voordat ik naast de vrouw voor de supermarkt zit,dat we samen sterren tellenop een bewolkte dag. Dat ik met een kind dat de zee overstakhet lied van de vogels zing,terwijl de lucht nog niet weetdat het ochtend is. Dat ik elke ochtendde plant water geefdie tussen de opengereten stenen groeit.  Dat iemand een schaduw groeten ik terugzwaai. Misschien is dat verbeelding.Misschien is dat hoop. Vergeef mij Omdat ik “verbeelding” zegterwijl anderen “veiligheid” bedoelen. Vergeef mij Omdat ik studeer om mooie dingen te makenterwijl er mensen zijndie enkel proberen te overleven. Vergeef mij Omdat ik in kunst geloof,maar niet weet of kunst genoeg is. Vergeef mij Omdat ik denk dat woorden iets kunnen redden,maar ik weet niet wat. Vergeef mij omdat ik schrijf,in plaats van te handelen. omdat ik weet dat weten niet genoeg is.  Ik heb gezondigd maar ik blijf mens. En misschien begint hoopdaar.  

anda
3 0

De ladder naar de zon

Personages: Victor De laddermaker De visschoonmaakster De vetervrouw De sokkenruiker De centenpoetser De bewijzer De proever De soepzever De grote letterlezer De boekenzoeker De vuile brillenpoetser De vleugelmaker 1. Victor had al veel gehoord over de zon. Iemand had hem zelfs verteld dat de zon een vuurbal was.  Dat leek hem straf. Maar misschien zou het kunnen. Hoe kon hij dat nu zeker weten?  “Ik kan naar de zon klimmen”, zei Victor. “Dan weet ik het meteen. Als ik wil weten of de pudding van mama lekker is, moet ik die gewoon proeven. Dat is ongeveer hetzelfde.” Met een lange ladder zou het moeten lukken. Want hij zag de zon met het blote oog aan de hemel staan. Maar voor een ladder heb je veel hout en spijkers nodig. Plus een zaag en een hamer. Dat had Victor allemaal niet. 2. Gelukkig was er een laddermaker in het dorp van Victor. Je had er nog meer bijzondere beroepen. Zoals een visschoonmaakster. Veel mensen eten graag vis, maar ze maken die niet graag schoon. Er was ook een vetervrouw. Ze deed de veters in schoenen, want dat is best moeilijk. Ze hielp je ook met het strikken van de veters.  Je had ook een sokkenruiker. Hij rook aan je sokken en wist dan te zeggen of ze gewassen moesten worden.  Als je in het dorp iets wilde worden, dan kon het ook.  3. “Dag laddermaker, kan je voor mij een ladder naar de zon bouwen?”, vroeg Victor.  “Heb je centen?”, antwoordde de laddermaker.  “Nee, kan ik die zelf maken?” “Nee, dat kan niet, maar je kan wel naar de centenpoetser gaan. Sommige mensen vinden het vies om geld vast te nemen, omdat het al door veel handen is gegaan. Deze mevrouw poetst de centen, maar sommige centen krijgt ze niet meer zuiver. Misschien krijg je die van haar. Voor mij is dat oké.” 4. Het gezicht van de centenpoetser zat vol zwarte vegen. Ze leek wel een mijnwerker die net uit een steenkoolmijn kwam. Ze veegde met haar hand over haar gezicht, maar toen werd het nog zwarter. “Ik kan je enkele zwarte centen geven”, zei ze. “Maar ik moet een bewijs hebben.” “Een bewijs?” “Ja, dat je ter goeder trouw bent.” “Wat betekent dat?” “Gewoon, dat ik je kan vertrouwen.” “Maar hoe kan ik een bewijs krijgen?”, vroeg Victor. Nu moest hij weer ergens naartoe.  “Ah, dat krijg je bij de bewijzer. Die kan je een bewijs afleveren.”  5. De bewijzer zat achter zijn bureau. Hij droeg een net pak en keek boven zijn bril uit.  “Je moet eerst een proef volbrengen”, zei de man met een zware stem. “Breng je die tot een goede einde, dan krijg je een bewijs. Maar daarvoor moet je naar de proever.” “De proever? Moet ik daar iets proeven?” “Dat mag ik nog niet zeggen”, zei de bewijzer. “Dat hoor je bij de proever.” 6. Bij de proever rook het lekker. Het leek wel of hij in een restaurant binnenstapte. Hij droeg een grote geruite keukenschort. “Je moet deze soep blind proeven”, zei hij. “Als je weet welke soep het is, kan je terug naar de bewijzer. Ik geef je al een tip. Het is soep met balletjes.” “Maar ik lust geen balletjes”, zei Victor. “Ah, dan moet je eerst naar de soepzever”, antwoordde de proever. “Die zeeft de balletjes uit de soep.” Victor dacht na. Misschien moet ik ze toch proeven. Dat is tijd gespaard. Wie weet waar stuurt die soepzever me naartoe? Victor kreeg een blinddoek om en hij wist het meteen. “Kervelsoep”, riep hij. “Het is kervelsoep met balletjes.” “Heel goed”, zei de proever. “Vertel dat aan de bewijzer en je krijgt een bewijs.” 7. “Hier is je bewijs”, zei de bewijzer nadat Victor had gezegd dat het kervelsoep met balletjes was. Hij plaatste een grote stempel op het document. “Dat lijkt me in orde te zijn”, zei de centenpoetser terwijl ze naar het bewijs keek. “Ik heb hier nog enkele zwarte centen liggen. Die krijg je mee.” “Zo zo, kijk eens aan, zwart geld”, zei de laddermaker. “Daarmee kunnen we een ladder bouwen.” “Mag ik helpen?”, vroeg Victor. “Nee, daarvoor moet je eerst een cursus volgen”, kreeg hij al als antwoord. “Maar je mag wel het materiaal aangeven.” 8. Een week later was de ladder klaar.  Of ze hoog genoeg was, wist de laddermaker niet. Niemand had ooit zo hoog geklommen met een ladder. Samen schoven ze de ladder uit elkaar. Victor begon te klimmen. Wat was het hoog. Hij kreeg het al warm. Maar de ladder was niet hoog genoeg. “Kom maar terug naar beneden”, riep de laddermaker luid.  9. “Het is gewoon veel te hoog”, zei de laddermaker. “Is er nog iets anders dat je wil ontdekken. Nu hebben we die ladder toch. Niet de maan ofzo, iets dat minder hoog is.” “Nee, niet echt. Maar nu weet ik nog niet of de zon een vuurbal is. “ “Misschien moet je naar de grote letterlezer”, zei de laddermaker. “Die heeft alle boeken gelezen. Of toch veel. Ze heeft vast en zeker ergens in een boek staan of de zon een vuurbal is.” “Weet je die wonen?”, vroeg Victor. “Nee, maar ik heb dat wel ergens opgeschreven. Hier is het. Wacht, ik kan het niet lezen. Mijn bril hangt vol stof en houtschilfers. Ga jij voor mij snel naar de vuile brillenpoetser?”  “De vuile brillenpoetser? Geef het papiertje maar aan mij”, zei Victor. “Ik kan het zo ook lezen.” 10. Niet lang daarna zat hij bij de grote letterlezer. Wat had ze veel boeken. “Of de maan of een vuurbal is?”, zei ze. “Dat moet ergens in een boek staan. Maar dan moet ik eerst de boekenzoeker roepen. Geen paniek. Die werkt hier.”  Ze floot luid op haar vingers. Een paar seconden later stond de boekenzoeker er. Een niet al te grote man in een korte broek met renschoenen. Alsof hij aan de start van een marathon stond. Hij had het boek supersnel gevonden. 11. “Even kijken”, zei de grote letterlezer terwijl ze in het boek bladerde.  “Nee, het is geen vuurbal. Maar het is er wel vijfduizendvijfhonderd graden warm. Dan raad ik je aan om er zeker niet dichtbij te komen. Mocht je dat van plan zijn.” Victor dacht even na over de ladder. Maar goed dat het niet was gelukt. Want stel dat je er geraakt, dan brandt de ladder meteen op. Wat een dom idee was het toch geweest. Maar wacht eens. Hij wist nu dat het geen vuurbal was, maar wat was het dan wel?  Was er geen vleugelmaker in het dorp? Nee, dat ging ook niet. De grote letterlezer had gelijk. Vijfduizendvijfhonderd graden, dat is behoorlijk warm. Een stuk warmer dan op een hete zomerdag.  “Nee, natuurlijk niet”, zei Victor. “Dat ben ik niet van plan. Daar moet je goed gek voor zijn.” “Of niet?”   (einde)

Rudi Lavreysen
0 0

De broodbotsing

Ik weet niet waarvoor ze naar de bakker ging. Kwam ze, net als ik, voor een brood? Of moest ze trakteren op haar werk en ging ze gebak en taart kopen?  Ze had haast, dat was zeker. Ze rende letterlijk naar binnen. De automatische deur had moeite om haar te volgen. Maar dat was buiten deze vroege vogel gerekend. Ik had net afgerekend en stapte naar buiten. De binnenstormende mevrouw was zo gefocust op haar toekomstige koopwaar dat ze me niet zag. Ze botste letterlijk tegen me aan. Ik kon nog net mijn 7granenbrood in bescherming nemen. Anders was het van 7 naar 3 gegaan.  “Sorry”, mompelde ze, waarna ze even gehaast verder stapte.  Wat kon er nu zo dringend zijn? Wilde ze de files in Antwerpen voor zijn? Het was half acht ‘s morgens. Een onmogelijke taak. Of moest ze onderweg iemand oppikken? Ik weet het niet.  Maar ik moet eigenlijk niet veel zeggen. “Gij hebt het geduld van een goudvis”, zegt mijn vrouw soms. Op zaterdagochtend sta ik als een springveer aan mijn brievenbus te huppelen. Kijken of de weekendkrant al is geweest.  In het huis van vroeger kwam de postbode pas tegen de middag. We woonden op het einde van zijn ronde. Terwijl er rond dat tijdstip bijna een nieuwe tourrit begon, lazen we in de krant nog het verslag van gisteren. Het leek ons niet te deren.  De bakker, de groenteboer en de soepboer kwamen in die tijd aan huis. Het waren voorlopers van HelloFresh. Ik vroeg me toen al af of de bakker overal hetzelfde praatje maakte. Het is een nobele kunst, praatjes maken. Tegenwoordig is een gesprek beginnen een kunst. Zelfs bij de dokter hadden de mensen tijd. Afspraken bestonden niet. Iedereen ziek in de wachtzaal.  Als het maar geen fenomeen wordt, die broodbotsingen.  

Rudi Lavreysen
0 0

De Verloren ridder

Hoofdstuk 1 Het is een hele, koude maandagavond in kasteel Loevestein op 24 januari 2024. De overstromingen na weken van hevige regenval als gevolg van de klimaatveranderingen die het omringende Munnikenland het einde van vorig jaar teisterden, hebben Loevestein geïsoleerd van de buitenwereld. En nu vriest het dat het kraakt. De slotgracht om het kasteel en de wateren daarbuiten hebben een harde laag ijs gekregen na wekenlange, strenge vorst. Ook het ondergelopen Munnikenland, het resultaat van een nijvere ontginning door monniken rond het jaar 1000, is hard is door de bevriezing. Een pientere voorbijganger kan in deze omstandigheden makkelijk en zeker in het donker ongezien tot bij het kasteel komen.  Daar denkt Wim Spits, de beheerder en enige bewoner van het kasteel, op dit moment niet over na. Deze morgen stond het stoere slot er onder de opkomende ochtendzon tegen een helderblauwe hemel er ook nog heel vredig bij.  Dat was wel wat anders in het jaar 1358, toen een zekere heer Boudewijn, Godefriet, ridder van Loef aan de bouw van het kasteel begon en toren na toren en zaal na zaal na tientallen jaren op het stuk grond, precies op de splitsing van twee rivieren, tot een stoer en stevig gebouw had laten samensmelten. De tachtig jarige oorlog met de Spanjaarden zou spoedig beginnen. Maar de Nederlanden waren al verscheurd in allerlei strijdtonelen tegen elkaar en andere bedreigers van hun gronden en bestaan. Loevestein kreeg de eeuwen na zijn ‘geboorte’ te maken met vele veldslagen belegeringen en overleefde dat allemaal. Op wat kogelgaten na en een brand in de zolder boven de grote zael. Die zo in het toenmalige Nederlands dialect heette, omdat het de grootste kamer van het kasteel was.  Sinds de prachtige, koude ochtend vol kou en ijs leek er echter na eeuwen van relatieve rust toch weer iets in het ongenaakbare Loevestein te broeien. Niet dat iemand dat al had opgemerkt. Ook de lange slanke Wim Spits niet. Met zijn lange zwarte haren in een staart gebonden en gehuld in een zwarte jeans met daarop een donkerblauw hemd, is hij de hele dag al bezig de paden in en buiten Loevestein begaanbaar te maken. Zijn donkergroene ogen onder de stevige wenkbrauwen turen over de steel van de grote schep waarmee hij het ijs loswrikt. En ook in de talloze, grote en kleine kamers en in de grote zael heerst de rust als Wim voor het avondeten nog even zijn dagelijkse rondgang door het kasteel doet. Over een paar dagen gaat Loevestein na een wekenlange kerstvakantie weer open. Dan stromen er weer honderden bezoekers over de plavuizen vloeren en galmen weer de uitspraken van verwondering zoals ‘wow’ en ‘aaah’ door de gangen en ruimten van het kasteel bij Woudrichem aan de Waal en Maas. De avond kleurt de hemel donkerblauw. Hier en daar trekt een sliert grijze wolken voorbij en onttrekt daarmee de wassende maan nog een deel uit het zicht. Zodra de enige zichtbare heldergele helft van de maan vol aan de hemel staat, valt zijn schijnsel op de bakens van het kasteel: de rechthoekige, stalen gouden vaandels op de spitse daken van de twee robuuste, trotse torens die door dat uiterlijk ook steeds de meeste aandacht van het verdedigingsslot vragen.  De beheerder kijkt door de kleine, vierkante ramen van zijn poortwachterswoning aan het beging van het soldatenstraatje dat naar het kasteel loopt. Hij ruimt ondertussen de afwas van zijn avondeten op. De schemering zet het straatje in een grijze gloed die steeds donkerder kleurt en vermengd is met het halve maanlicht. De kerstverlichting die nog in het straatje hangt zorgt nog voor wat kleur en levendigheid op het ijskoude terrein. Wim twijfelt. Normaal gesproken doet hij voor achten nog een laatste ronde door Loevestein. De sleutels liggen al op de kleine, ronde beukenhout eettafel aan het raam klaar. De kou weerhoudt de trouwe dienaar van Loevestein er eigenlijk wel een beetje van. De hele dag is de man buiten de strijd met het ijs aangegaan. Wim loopt naar de achterkant van zijn kleine poortwachterswoning en trekt zijn kast met dienstkleding open. Nu zijn pas gedragen kleren te drogen hangen boven de radiator bij het achterraam is er niet veel keus meer uit warme kleding Dan toch maar even in de kast met zijn eigen privé-kleding kijken. De beheerder loopt op zijn sokken over de smalle trap naar de slaapkamer. Als hij de deur opentrekt kijkt hij recht in de ogen van zijn vriendin Sterre die meteen van schrik een schreeuw slaakt. De was die ze net aan het opvouwen is, valt daarbij pardoes uit haar handen. ‘Ik had je helemaal niet naar boven horen komen’, zegt ze tegen haar verwonderde vriend. ‘Gek want normaal hoor ik je altijd naar boven komen, zelfs al loop je op jouw sokken.’ Wim Verontschuldigt zich. ‘Misschien was ik deze keer sneller dan anders naar boven gekomen. Ik zoek even wat andere warme kleding voor mijn laatste ronde door het kasteel. Mijn dienstkleding is nog te nat.’  Sterre kijkt hem strak van beneden naar boven aan. Het verrast de man. ‘Het is net alsof daar iemand anders naar me staat te kijken’, denkt hij. ‘Die blik in haar mooie, donkerbruine ogen verraad iets van angst of zo’. Sterre vervolgt. ‘Zou je nog wel naar buiten gaan na zo’n lange dagen werken?’, vraagt ze. ‘Je ziet er ook zo vermoeid uit. Wim zoekt intussen naar een passende broek in de kast. ‘Tja, ik twijfel ook wel om nog naar het kasteel te lopen, maar ik heb het ook nog nooit overgeslagen dus ga ik toch maar kijken daar.’ Hij kijkt even achterom en ziet dat Sterre zich intussen heeft omgedraaid en de was in de laden van de kast naast de slaapkamerdeur stopt. Daarna strijkt ze met haar rechterhand gracieus door de donkerblonde lokken van haar weelderige haardos die net boven haar slanke schouders stoppen. ‘Wat is ze toch een prachtige vrouw om te zien’, denkt hij. ‘Eigenlijk moet ik haar wat meer aandacht geven. Doordat ik altijd zo ijverig bezig ben de boel in en buiten Loevestein op orde te houden, zou ik bijna gaan vergeten dat ik aan Sterre veel liefde en steun krijg en dat ze ook wel meer van mij verdient.’ Wim fronst even en op zijn altijd smetteloze gladde voorhoofd rekken zich een paar rimpeltjes uit. ‘Als we vanavond eens samen een lange avond in bed delen. Dat is misschien een veel beter idee’ mompelt hij zacht, zonder dat Sterre het hoort. Maar zoals veel voor vrouwen nu eenmaal niet verborgen blijft, raad Sterre zijn gedachten. Ze ziet niet alleen de rimpeltjes op het hoofd van haar grote liefde, maar ook zijn ondeugende ogen die haar stiekem gadeslaan. ‘Ik zie wat je denkt Wim’, zegt ze, maar ik moet je teleurstellen. ‘Zoals je wellicht nog weet moet ik over twintig minuten met het pontje naar Woudrichem varen om daar, zoals gebruikelijk, met ons dameskoor voor de mis van volgende week te oefenen. Je zult dus nog even moeten wachten.’ Wim pluist verder in zijn kast naar een coltrui en warme sokken. ‘Jij ziet ook alles hé’, zegt hij tegen Sterre. ‘Vooruit dan maar. Als je dan toch weggaat, dan zoek ik mijn heil maar in het kasteel. Wie weet wie ik daar nog tegenkom’, lacht hij ondeugend.  Als Sterre wat later de deur achter haar dicht trekt en het lege soldaten straatje uitloopt, op weg naar het pontje 400 meter verderop aan de oude Maas, heeft Wim zich intussen warm aangekleed en trekt zijn gevoerde, zwarte laarzen aan. Hij voelt in zijn jaszak naar de sleutel van hun huisje, steekt die in het sleutelgat en draait de sleutel. Terwijl Wim dat doet, klinkt er heel zacht geneurie. Hij schrikt op en draait de deur snel op slot. ‘Hoorde ik dat nu goed’, denkt de beheerder. ‘Dat leek wel echt of iemand aan het neuriën is.’ Hij spitst zijn oren. Nu hoort het weer! Wim luistert gespannen met de deurklink nog in de hand naar het liedje dat hij in de verte hoort’. Het lijkt veel op een versje, dat hij in zijn kinderjaren zelf veel zong en dat als volgt ging: ‘Al die willen te Kaapren varen moeten mannen met baarden zijn. Jan, Piet-Joris en Korneel die hebben baarden, die hebben baarden en varen mee.’  Wim kijkt om zich heen. Niets dan duisternis en wat gekleurde kerstlampjes in het straatje. Dan is het doodstil. Hij hapt opgelucht naar adem. ‘Ik verbeeld het me allemaal’, denkt hij. ‘Ik moet nog wat harder werken hier dan ben ik straks helemaal de kluts kwijt.’ Wim pept zichzelf op. ‘En nu naar Loevestein vooruit! Even een snelle rondgang en alle spoken daar wegjagen.’ Met een rustige pas loopt de man het straatje uit en draait dan rechts de hoek om waar honderd meter veder de ophaalbrug naar het kasteel over de gracht ligt te wachten op zijn laatste voetstappen vandaag. De kettingen van de brug bungelen flink heen een weer en daaruit kot een knarsend en krakend geluid. Wim stopt op de brug en kijkt naar het bungelende en ‘zingende’ gietijzer. ‘Zelfs de kettingen zingen hier vandaag’, grijnst hij. ‘Heel bijzonder.        Dit stuk tekst is voor verderop in het verhaal: Alleen in de stilte hoor en zie je de gedaante soms die Loevestein sinds kort lijkt te bewonen. De man die net doet of hij hier al altijd was is niemand minder dan ridder Vlegel. Hij is uit de geschiedenisboeken van de lage landen vooral bekend door zijn vele gevechten met zijn sterke, grote zwaard. Maar hij lijkt te zijn teruggekomen of was Vlegel hier altijd al? Dan gaat het verhaal beginnen met de geboorte en geschiedenis van de ridder en wordt langzaam maar zeker duidelijk wat hij hier en nu op Loevestein te zoeken heeft. Ook nog een stuk tekst wat ergens in een achterflap of voorwoord gebruikt kan worden: Vlegel doet ongezien alles wat een ridder in zijn tijd deed. Dus gevechten voeren, een kameraad ridder opzoeken, te paard de strijd aangaan met andere ridders op andere kastelenen veel meer van die dingen. Dat wordt nergens in het kasteel opgemerkt. Althans zo lijkt het, want er is wel degelijk iemand in het huidige kasteel die merkt dat er iets aan de hand is tussen de kasteelmuren. En ook buiten die muren en zelfs buiten de hoofdpoort. Hij ontdekt, dat het kasteel op een of andere manier verandert. Zo hangen er ineens geen schilderijen meer.

Dreschrijft
5 1