Lezen

In dewieg gelegd

1 mei - Dag van de Arbeid én de eerste dag van mijn kersverse werkloosheid. Hoe ironisch wil je het hebben? Op het eerste gezicht lijkt die eerste ‘werkloze’ dag niet zoveel te verschillen van alle andere dagen; je wordt nog altijd wakker op het uur dat je gewend was én je hoopt dat vol te houden want je wil je ondanks alles niet laten gaan. Dan maak je een ochtendwandeling ook al is het weer even druilerig als je gemoed, maar het helpt om je gedachten te ordenen. Je haalt wat boodschappen waarbij je met pijn in het hart je laatste maaltijdcheques uitgeeft; maar goed, nu bindt niks je nog aan je vorige werkgever. Dus terug thuis activeer je nog enkele jobsites. Aanklikken in welke regio, in welke sectoren en volgens welk statuut je wil werken; het heeft iets weg van bestellen bij de afhaalchinees. Nummertje 36 of 48? Voorlopig moet ik het doen met nummertje C4. Benieuwd of Deliveroo straks mijn droomjob aan huis zal leveren. Misschien wel... met al dat thuiswerk vandaag de dag. Maar je blijft je afvragen waar het is misgelopen. “Het is en blijft een speciale job, Traffic Controller,” de coaches hebben ons tijdens de opleiding regelmatig duidelijk gemaakt dat niet iedereen in de wieg gelegd is om de treinen op het Belgische spoorwegnet veilig en stipt te laten rijden. Ik dus ook niet, zo is gebleken. Al kan ik mezelf niks verwijten. Ik heb op mijn 53ste mijn carrière alsnog een héél nieuwe wending willen geven en dat was me zo veel waard dat ik daar mijn vaste job voor heb opgegeven. Dat dit niet gelukt is, is op zich geen schande, alleen zijn de gevolgen nu wel héél groot, want niet slagen voor het examen betekent ontslag. Dus ben ik nu een vijftigplusser die de ultieme sprong wou wagen naar een job met inhoud én werkzekerheid tot aan zijn pensioen. Alleen bleek de kloof tussen droom en werkelijkheid te breed waardoor ik in de afgrond der werkloosheid beland ben. Maar goed, ik lik mijn wonden, sta stilaan weer recht en ga verder op zoek naar die ene job waarvoor ik destijds in de wieg gelegd ben. Zou ik ze na 53 jaar alsnog vinden? Wordt vervolgd!

Paul Dewilde
8 0

Slaapniegoenie

Halfdrie 's nachts probeer je nog eens de andere kant van het kussen uit. Dat voelt al evenveel als slapeloosheid aan. Sinds je om elf uur het bed in kroop zag je middernacht en kwart voor twee ook al flikkeren. Of je alles daartussen hebt geslapen is niet duidelijk, wel dat dit zeer vervelend is. Voor slaapproblemen geldt zowel figuurlijk als letterlijk: je gaat ermee slapen en je staat ermee op. Wekker Wees maar zeker dat je nét goed bent ingedommeld wanneer de wekker rond halfzeven afloopt. Iedereen maakt het eens mee en zelfs twintig procent van de bevolking sukkelt met de nachtrust. Het getokkel van regen op je raam wiegt je deze keer niet zachtjes in slaap. De viervoeterige huisgenootjes laten er hun slaap niet voor. Je hoort de ondeugende pootjes van je kat de trap aflopen en luistert aandachtig naar wat haar volgende activiteit wordt. De rest van de wereld slaapt en creëert een stilte waarin je zelfs hoort hoe lieve Zazou twee verdiepingen lager een plaatsje zoekt in haar kattenbak. Vervolgens hoor je het geknetter van haar korreltjes terwijl ze van een midnight snack geniet. Mijn kattin eet dus rond vier uur 's nachts. Dat weten we ook alweer. Chronische slapeloosheid was het resultaat van een zeer betrouwbare online-test. Dokter Google heeft alle antwoorden. Daarom slaap je sommige nachten slechts twee uur. Daarom is het geluid van je wekker de eerste en zwaarste marteling van de rest van je dag. Daarom zegt je polshorloge 's ochtends dat het geen idee heeft of je überhaupt wel sliep. Daarom telt je werkdag evenveel geeuwtjes als open geklikte e-mails. Daarom kijk je al je hele romantische leven met haatdragende ogen naar dat vriendinnetje van jou dat al slaapt nog voor al haar haartjes de matras raken. What now? Het gevoel constant moe te zijn behoort al sinds mijn puberteit tot mijn realiteit. De blauwe ringen onder mijn ogen zijn wellicht permanent in de huid getatoeëerd. De nachtelijke uurtjes MSN hebben destijds natuurlijk niet geholpen. De eerste zoektochtjes naar oplossingen leidden tot antwoorden van het wereldwijde web. Niet te laat eten, vermijd schermpjes voor het slapengaan of toestelletjes in de slaapkamer en ga op een regelmatig tijdstip slapen. Sindsdien eet ik op bejaarde tijdstippen en werd de slaapkamer verboden terrein voor de TV. Het gewenste effect bleef uit. What now, Google?  Probeer eens wat te lezen zei de ene. Lezen is te prikkelend, zei een ander. Nog wat scrollen dus. Blijf niet te lang liggen als je de slaap niet vat, leek me nog een goed idee. Eventjes naar de keuken om daar de vaatwasmachine leeg te maken. Wanneer je jezelf in de weerspiegeling van het raam ook nog eens aardappelen ziet schillen, is een welgemeende WTF niet zo verrassend. Ik wil geen nachtraaf worden die 's nachts bijklust en overdag als een zombie gaat werken. Thanks you, next. De volgende oplossing moest de medische wereld me maar aanreiken. Tic Tac  Slaappillen boezemen me angst in, afhankelijkheidsangst. Slapen is één ding, gewoon niet meer wakker worden is iets anders. Sedistress Sleep is een natuurlijk hulpmiddel en bijgevolg niet verslavend. Na twee weken werken die tabletjes nog niet. "Je moet ze lang genoeg nemen", luidt het dan. Dat zal wel kloppen. Als ik de rest van mijn leven elke dag zo'n Tic Tac met een teug water inneem, zal er wel eens een goeie nacht tussen zitten. Tegen beter weten in begon ik onlangs een nieuwe kuur. De tweede week kende een gemiddelde van vijf uur per nacht. Als weken drie en vier van hetzelfde niveau zijn bied ik ze te koop aan. Of zou ik er nog een nachtje over slapen? Probeer je fysiek eens uit te putten is nog zo'n devies. Dat klinkt best wel logisch, maar mijn bouwvallig tuinhuisje van een lichaam heeft soms lak aan dergelijke logica. Na een nacht van vijf uur slaap en een looptochtje van 25 kilometer zou je toch veronderstellen als een baby te slapen? Negentig minuten schapen tellen en een schamele zes uur maffen was het tegenvallende resultaat. Daar herstellen die spiertjes ook niet van.. En een slaapmutsje dan? Niet de letterlijke lap stof dat je hoofd warm moet houden, wel een borreltje alcohol. Drinken voor de gezondheid? Dat moest ik ook wel eens proberen! Doch andermaal niet met het gewenste effect. Drank maakt me eerder goedgemutst dan slaapgemutst. Podcast Mijn naam is Julian en ik ga je begeleiden bij deze slaapmeditatie, om in een diepe slaap te komen door middel van een vertraagde ademhaling. 't Zijn de eerste woorden van een zestienminuten-durende podcast van Somnox op Spotify. Toegegeven; ik heb het einde van zijn geratel niet altijd gehaald. Toch heb ik andere ambities dan die traagsprekende man elke nacht in mijn slaapkamer te horen. Jules zou misschien in een vrouwelijke collega kunnen investeren. Of liggen zij daar niet wakker van? Toen ik het vooral met Faithless kon meezingen was Insomnia nog een van mijn lievelingsliedjes. Sinds ik het meemaak klinkt "I can't get no sleep" vooral als zurige zelfspot. Wanneer slaaptekort bij leefteveel hoort, voelt dat aanvaardbaar en minder pijnlijk aan. Nu het een solocarrière uitbouwt vind ik de nieuwste hit Slaapniegoenie minder goed klinken. Poging elvendertig om dit aan te pakken wordt de slaapkliniek, na doorverwijzing van mevrouw doktoor. Mag ik nu dan op twee oren slapen?

Xrossmymind
30 1

Doorheen de verschillende lagen van het voelen

Ik ben een (over)denker. Van denken heb ik mijn specialiteit gemaakt. Ik hou ervan om dingen te analyseren, te wentelen in mijn hoofd en eventueel logica of verbanden te vinden. Het heeft me al best wat inzichten opgeleverd. Anderzijds ben ik ook een ‘gevoelsmens’. Wel ondervind ik enige weerstand tegenover dat woord. Misschien omdat ik het al vaak heb horen gebruiken zonder de ware betekenis ervan te kennen. De connotaties die ik eraan toeschrijf zijn ongetwijfeld het product van een rationele wereld die gevoel als ondergeschikt afdoet. Op school leert men kinderen hoe belangrijk het is om het denkvermogen te ontwikkelen. Maar het exploreren en hanteren van de uitgebreide gevoelswereld valt buiten het lessenpakket, ervan uitgaande dat dit wel in de privésfeer zal plaatsvinden. En dat is een gemiste kans. Het verloochenen van mijn gevoelswereld is mij duur komen te staan. Het negeren of verwaarlozen van een deel van jezelf kan nooit tot iets goed leiden. De heftige fysieke kwalen waaronder ik jarenlang gebukt ging, waren ongetwijfeld hiervan een gevolg. Als kind ging dat voelen allemaal zeer spontaan. Ik ging erin mee, speelde en creëerde in de rijke grond van mijn gevoel. Maar ergens in mijn pubertijd ging er iets verloren. Ik kroop steeds meer in mijn hoofd. Het ziektebeeld dat daardoor ontstond, heeft me gemotiveerd om het voelende kind in mezelf te herinneren en te eren. Zoals ik al vaker geconcludeerd heb, schieten woorden tekort. Wat wij collectief verstaan onder gevoel stelt niets voor in vergelijking met de weidsheid van de werkelijkheid. Een sluitende definitie die heel de lading dekt bestaat niet. Het is paradoxaal, maar de analist in mij heeft geprobeerd om de gevoelswereld onder te verdelen in categorieën of verschillende lagen. (Zie het schema in bijlage)Naar mijn mening/gevoel verwijzen we bij het algemeen gebruik van het woord gevoel vooral naar de eerste twee lagen, namelijk fysiek of emotioneel gevoel. Maar er is meer. Ik vond het niet evident om de laatste laag een naam te geven, wetende dat elk woord geoxideerd is door aangeleerde connotaties. Ik koos uiteindelijk voor het woord spiritueel, erop vertrouwend dat de lezer bereid is zich los te koppelen van eventuele vooringenomenheid tegenover dit woord. De verschillende gevoelslagen hebben invloed op elkaar, vullen elkaar aan. Zo kan een fysiek gevoel een emotie losmaken, wat vervolgens een spiritueel gevoel triggert. En ook omgekeerd. Elke laag is als het ware een perspectief van waaruit we de wereld kunnen ervaren. Tezamen vormen ze een multifunctionele toolbox waarmee we het leven en onszelf kunnen interpreteren. Gevoelens zijn het kompas dat ons steeds naar authenticiteit begeleidt, in het bijzonder de laatste laag. De eerste twee lagen kunnen gestoeld zijn op overtuigingen die, al dan niet uit zelfbescherming, beperkend werken. Zo weten we bijvoorbeeld dat het niet altijd aangeraden is om beslissingen te maken vanuit een prangende emotie. Maar het spirituele voelen daarentegen liegt nooit. De kunst is echter, zeker levend te midden van een wetenschappelijke rationele maatschappij, om je het voelen van die laatste laag meester te maken. Het is een mooie (dagelijkse) oefening om even een moment te nemen om bewust doorheen alle lagen te voelen. Beginnende met: wat voelt mijn lichaam? Welke emotie(s) herken ik? En ten slotte: welk spiritueel gevoel word ik gewaar? Heeft het een vorm of kleur? Voelt het puntig of eerder rond? Zacht of hard? Uitgestrekt of gecentreerd? De moeilijkheid ligt vooral in het feit dat het spirituele gevoel begint te vervagen wanneer je het probeert te vatten in woorden, gedachten of concrete vormen. Het vraagt om een interpretatie die geheel los staat van het denken en analyseren. Het brein zal elke ervaring altijd proberen te linken aan iets dat het reeds kent. De functie van het brein is dan ook om het leven te begrijpen. Het brein wil alles onderverdelen en klasseren. Het heeft een versnipperende werking, de neiging om alles in hokjes onder te verdelen. Op zich geen verkeerde of slechte eigenschap, anders zou ik ook niet in staat zijn om deze boodschap te communiceren. Maar het spiritueel voelen is gericht op eenheid. Het maakt geen onderscheid tussen binnen en buiten, ik en de ander, goed of slecht. Het spiritueel voelen proberen te herleiden naar een vorm of kleur is een hulpmiddel dat op een gegeven moment dient losgelaten te worden. Zoals bij zoveel dingen heb je niet meer nodig dan focus, intentie, oefening en vertrouwen om je het spiritueel voelen vloeiend eigen te maken. Om spiritueel te voelen heb je in essentie geen brein nodig. Daarom koos ik voor het woord ‘spiritueel’, omdat het geestelijkheid zonder materie impliceert. Ik weet dat het ontzettend moeilijk kan zijn om het brein even aan kant te zetten en zonder oordeel mee te gaan in de onafgebakende spirituele gevoelswereld. Zoals ik al zei, was ik er als kind erg goed in, maar heb ik het later opnieuw moeten integreren. Het enthousiasme tijdens dit leerproces heeft me ertoe aangezet om deze tekst te schrijven. De taal van het spirituele voelen is de collectieve moedertaal, de taal die elk wezen spreekt. Het gebeurt wel eens dat ik diep aan het opgaan ben in een spiritueel gevoel en dat mijn brein dan plots opdaagt met een oordeel of analyse. Wat er natuurlijk voor zorgt dat het gevoel oplost. Het is ook niet abnormaal dat spirituele gevoelens als vaag overkomen en om die reden dan ook niet serieus worden genomen. Omdat het brein geen concrete handvaten heeft, klasseert het daarom de gewaarwording als vaag en onbelangrijk. Maar wie bekend is met spiritueel voelen en het integreert in het dagelijkse leven zal beamen dat dit een prachtige eigenschap is die helaas schromelijk wordt onderschat.  Met deze tekst wil ik de schoonheid en rijkheid van het spiritueel voelen in de verf zetten. Onder de dikke laag van al het tastbare ligt de krachtige energetische motor van een spirituele gevoelswereld. Als creator, iets dat wij allemaal zijn, is het toch cruciaal om bewust te zijn van alle componenten waarmee we onze werkelijkheid kunnen scheppen.

KarolienDeman
7 1

Blauwe maandag

Elke ochtend komt er een moment waarop je weet dat de wekker binnen enkele minuten zal aflopen. Ook al hoop je op je veel te heldere telefoonschermpje een ander uur te zien, of voel je de adem van de ochtend nog niet in je nek. Ik weiger te kijken. Een bloot voetje, maat 28, doet herhaalde pogingen om mij uit het bed te schoppen. Er schijnt blauw licht door de kamer. Ik krijg het er benauwd van. Ik probeer te luisteren naar mijn ademhaling, iets wat ik vroeger vermeed omdat het mijn angst helemaal isoleerde. ‘Bij uw volgende angstaanval moet u zich concentreren op uw eigen ademhaling, dan ebt de paniek weg.’‘Dokter, dat is net hoe ik mijn angst beleef: alleen opgesloten zitten in de pulserende kamers van mijn longen.’ Als een dibboek kruipt het langs je benen omhoog naar je hals om zich in je gedachten te nestelen. Sinds het laatste bezoek aan een hopelijk laatste therapeut begrijp ik wat de dokter had bedoeld. Door de recent onder de knie gekregen kunst der respiratietechnieken kan ik het zwarte deken van me afwerpen nog voordat het mijn edele delen heeft bereikt. De vrees voor mijn angst is weg. Ik heb – samen met de therapeut – vakkundig een vierkant rond die cirkelredenering getrokken. Mijn ademhaling is niet de enige in de kamer. Ik probeer ze één voor één te onderscheiden. In die van mijn vrouw zit de suggestie van een snurk, in die van mijn dochter het piepend geluid zoals de ontsnappende lucht van een opblaaspomp. Die van mijn zoon kenmerkt zich door de sporadische onderbrekingen van een tikkend geluid van de tong tegen het verhemelte. Misschien leef ik in de waan van mijn eigen gedachten, maar mijn ademhaling is nauwelijks hoorbaar.In alle kamers waar ik ooit de nacht met anderen heb gespendeerd, ben ik geheid de stilste. Ik sta op als eerste. De dagen waarop dat gebeurt, kan ik op één hand tellen. Om vrouw en kinderen niet te wekken, stap ik zo voorzichtig mogelijk naar het venster. Het blauwe licht maakt me niet alleen angstig, maar ook nieuwsgierig. We hebben overal houten vloeren in huis. Dat is zeer authentiek maar ook vervelend als je je bijvoorbeeld ’s morgens heel stil wil verplaatsen. Elke plank klinkt als een knarsende kasteeldeur met piepende scharnieren. Gelukkig ken ik ondertussen mijn weg doorheen dit mijnenveld en manoeuvreer ik langs de planken die mijn voetzool al kennen. Ik schuif één gordijn open. De regen klettert oorverdovend als een machinegeweer tegen de ruiten en vertroebelt mijn zicht. Met moeite ontwaar ik drie voertuigen met zwaailichten. Het is nog te vroeg voor luide sirenes, en ik vind het haast hartverwarmend dat men daar rekening mee houdt bij de hulpdiensten.Ik voel me een wrede god, vanop een hoogte mensen in volle actie en paniek af en aan zien rennen terwijl ze roepen, schreeuwen, huilen of angstig toekijken vanuit de belendende gebouwen. En als soundtrack alleen machinegeweren. Een wirwar van menselijke emoties. Een futuristisch doek van Bruegel. Eén man speelt de hoofdrol in dit tableau. Met gestrekte armen richt hij zich jammerend naar de hemel als in een Grieks epos. Op het moment dat de draagbaar naar buiten wordt gereden, springen de straatlantaarns uit. Er heeft zich reeds een kleine file gevormd achter de ziekenwagen, die half balancerend op het trottoir een vlotte toegang tot het rondpunt voorkomt. De heer in de Audi A4, die achter de Citroën Berlingo geen blijf weet met zijn ochtendhumeur, gaat tekeer op zijn claxon alsof hij zijn eigen vrouw wil reanimeren. Hij heeft geen besef van wat er zich een aantal voertuigen voor het zijne afspeelt. Mijn straathoekbuurman is ontroostbaar en hoort niet wat de ambulancier hem zegt.Haar woorden waaien weg in de wind.Zijn verdriet gaat op in de regen.De regen en de wind proberen mijn slaapkamer en ziel binnen te dringen. Dan hoor ik wel een geluid achter me. Ze zijn wakker, de bengels. Ik verplaats mijn aandacht van de straat naar de nog niet zo wakkere ogen van mijn dochter. Terwijl ze met haar vuistjes het slaapzand eruit wrijft, weet ik wat ze gaat vragen. ‘Papa, moeten wij naar school vandaag?’ Een vraag die zij alleen stelt op een schooldag, nimmer in het weekend. Het doet me vermoeden dat zij een spelletje met me speelt wanneer ze niet weet welke dag van de week we zijn.‘Ja, het is maandag, de eerste dag van de week.’‘Mag ik ook kijken?’ Ze gaat op haar tippen staan om toch maar met haar ogen boven het vensterraam uit te komen.‘Kom, schat, we gaan onze tanden poetsen, het is al laat.’ Mijn zoon moet en zal als eerste beneden zijn. Daarom doe ik elke ochtend zo snel mogelijk mijn kleren aan. Het is de enige invloed die ik kan uitoefenen op hem. ’s Morgens doet hij maar al te graag dingen die tijdrovend zijn, zoals rondjes lopen in zijn adamskostuum, in het boek beginnen lezen waarin hij gisteren niet wilde lezen omdat het te veel tijd in beslag zou nemen of aan parkour doen met de weegschaal, de stoel en de badkamerkrukjes.‘Ik ben klaar’, laat ik hem weten, en ik toon hem mijn volledige outfit als bewijs. Hij schiet licht gepanikeerd twee versnellingen hoger en begint te worstelen met zijn broek. Ik keer terug naar de slaapkamer om de slaapgeur te verdrijven en de overige gordijnen te openen. Het lijkt zo’n dag te worden waarop kelders onderlopen. De ziekenwagen is uit het zicht verdwenen en van de rij auto’s is geen spoor meer. Twee snelheidsduivels kruisen elkaar: een man die volledig uit leder lijkt vervaardigd scheurt voorbij op een motorfiets en passeert in een splitseconde een jonge magere Marokkaan op een elektrische step, die, ondanks een stilaan ontluikende ochtendspits, geen oog heeft voor het verkeer om zich heen. Alle sporen van het accident zijn uitgewist. Nietsvermoedende fietsers, voetgangers en automobilisten bewegen zich voort over de weg en in hun gedachten. De meesten moeten ergens zijn. Liefst dringend. Sommigen willen graag snel af zijn van hun kinderen om te kunnen werken, om zich maatschappelijk verantwoord te voelen. Anderen strompelen naar de apotheker voor hun pillen of naar de bakker voor een brood. Zij hebben reeds gewerkt. Ze hebben deze nacht weer eens niet het geluk gehad te sterven in hun slaap. Ik luister opnieuw naar mijn ademhaling. Ik sluit mijn ogen en probeer het tempo te laten zakken. De regen is opgehouden en ik hoor een sirene in de verte. Ik laat mijn ademhaling zakken totdat inademen en uitademen samenvallen met de la en de re van de sirene.

Lennart Vanstaen
0 0

Beken(d) in Gent!

Een tijdje terug bezocht ik mijn goede vriend Pieter. Hij woont in Gent. We zouden daar iets doen wat menig mens heeft gedaan het afgelopen jaar: wandelen. We waren erg verheugd elkaar nog eens in volle glorie te mogen aanschouwen, en we kuierden keuvelend door de Gentse stadskern. Omdat Pieter om de haverklap verhuist, ben ik al bijna even bekend met Gent als met Antwerpen. Ik wist echter niet wat ons te wachten stond na zonsondergang… We hebben geluk met het weer. De imposante betoncentrale, die haar laatste rookpluimen al meer dan tien jaar geleden heeft uitgeblazen, baadt in het zonlicht. Het is een prachtig staaltje industriële architectuur. Het internet leert me dat men niet zo gek lang geleden rond deze mastodont nog een toekomst wilde bouwen, maar het plan om het gebouw een tweede leven te geven als bakermat van een nieuwe woonwijk, werd plots van de baan geschoven. Pieter vertelt me ook dat het gekraakt werd en nog steeds een geliefkoosd doek vormt voor vele graffitikunstenaars. Na een deugddoende wandeling van enkele uren, een meeneemkoffie en een warme maaltijd wordt het stilaan tijd dat ik huiswaarts keer. Het schemert al. Pieter vergezelt me nog even op mijn weg naar station Dampoort, kletsend over vervlogen tijden, waarin we ons nog niet hoefden te bekommeren over een avondklok. Frappant, dat woord. Er schuilt nog steeds dat beeld in van een luidende kerktoren, terwijl onze zuiderburen met couvre-feu eerder de suggestie krijgen de lichten te doven. We draaien een laatste straat in naar het station. Plots licht er een enkel zwaailicht op vlak bij ons en er stappen vier donkere figuren uit een al even donkere wagen. Ik voel mijn hartslag in mijn keel. Worden wij slachtoffers van een gewelddadige overval? Het is in ieder geval de uitgelezen plaats, zo rond tien uur ’s avonds in een duistere steeg nabij Dampoort. Een man vat post achter mij, een andere blokkeert de weg voor Pieter. Links loopt de Leie en aan de rechterkant staat de wagen. We kunnen geen kant op. Een derde man stapt op ons af en grijpt in zijn binnenzak. Hij toont zijn badge en voegt eraan toe dat hij een agent is. Iets in mij heeft er geen vertrouwen in. Ik ben namelijk al enkele keren in mijn leven belazerd door echte con men. Ik overhandig met een zekere onzekerheid mijn identiteitskaart. Pieter kribbelt zijn naam en adres neer – hij had zijn portemonnee niet bij zich. Uit mijn ooghoek merk ik dat de agent met de bril me zo streng mogelijk aankijkt. Dat lijkt me niet evident met een neusmondmasker en aangedampte brilglazen. “Wat doen jullie hier?” blaft hij. Pieter vertelt dat we op weg zijn naar het station.“Het station?”Er zit zoveel argwaan in zijn stem dat ik zelf ook begin te twijfelen aan mijn bestemming. Met de rigiditeit van een schoolprefect doet hij alsof hij ons op heterdaad heeft betrapt op een pertinente leugen.“Mannekes, het station is naar daar hé!”“Excuseer, meneer de agent, maar Dampoort is wel ginder hoor”, snijdt Pieter hem de pas af.“Ah, ja… Dampoort.”Ik zie hem denken: welke onverlaat neemt nu een trein in Dampoort? Dan volgt er een halve minuut pijnlijke stilte. “En wat doet u dan in Gent?” richt hij zich tegen mij, met de trofee in zijn hand waarop staat dat ik woonachtig ben te Antwerpen. Ik gun hem een karig antwoord.“Wandelen”. Het was niet eens gelogen.“Wándelen?” Hij had dit antwoord kennelijk niet verwacht. En nu lijkt het bij de man te dagen, hij verandert zijn toon. Zou het aan mijn zwoele stem gelegen hebben? Of misschien aan de trefzekere stijl van de één-woord-zin?“We gaan even controleren of u bekend bent met het gerecht. Dat duurt niet lang hoor, wanneer vertrekt uw trein?” Ik lieg dat ik m’n trein nog wel zal halen. Bijna laat ik me ontvallen dat ik redelijk bekend ben met het gerecht, maar dat ik absoluut nog kan bijleren. Gelukkig denk ik op tijd aan het feit dat ik een onnozelaar ben en hij een agent. Pieter en ik zoeken elkaars blik tussen muts en mondmasker. Daarin lees ik dat hij vooral bekend is met het vegetarisch gerecht. We knipogen in gedachten. De agent heeft inmiddels door met wat voor brave zielen hij hier te maken heeft. Hij voelt zich dan ook genoodzaakt wat duiding te geven bij dit alles.“Er gaat nogal wat drugs rond in deze buurt, zeker als het donker is. U moet dat begrijpen, met die mondmaskers en die mutsen… Zo zien wij het verschil niet goed hé.”Met ‘het verschil’ bekent hij zijn kleur nog voordat de radio van zijn collega ons heeft vrijgesproken. We zien er misschien uit als schimmige cocaïnedealers, we klinken helemaal anders.“Zeg, zijn er eigenlijk in Antwerpen veel controles?” wil de man van me weten. Ik haal m’n schouders op waarmee ik enerzijds bedoel dat ik het niet weet en anderzijds dat het mij niet kan bommen. Terwijl ik op mijn telefoon het uur raadpleeg, klinkt vanuit de dispatch eindelijk de bevrijding. Niet bekend met het gerecht. Ik voelde een zekere teleurstelling om niet bekend te zijn. Als zonderling in een vreemde stad verliet ik Gent. Ik was wel nog vóór het luiden van de klokken thuis.

Lennart Vanstaen
33 0

Het is honderd óf drie euro, wat kies je?

Mijn kinderen spelen winkeltje. Mijn dochter is de mevrouw die in de winkel komt kopen, mijn zoon is de eigenaar. Als valuta gebruiken ze wasspelden. De mevrouw krijgt bij binnenkomst meteen een keuze tussen drie onmisbare producten. Een regenboogbal – de winkelier is overduidelijk mee met de huidige maatschappelijke thema’s; één speelkaart – voor klanten die hun schoppen drie hebben kwijtgespeeld; en twee memorykaartjes – voor een héél kort spel of voor wanneer je niet tegen je verlies kan. Hij vermeldt dat alle producten honderd euro kosten. De mevrouw in de winkel telt met een bang hart de wasspelden in haar handje – het zijn er slechts drie en ze heeft schijnbaar alle moeite ze niet te laten vallen.‘Ik heb drie euro’ zegt ze, alsof ze de eigenaar van de boetiek met stelligheid wil laten aanvoelen wat échte armoede is.‘Spijtig, dan gaat ’t niet’ concludeert de eigenaar onverschillig. Totdat hij tot het besef komt dat hij daar ook niet mee is geholpen.‘Maar het is honderd óf drie euro, wat kies je?’ Het is bewonderenswaardig hoe ad rem deze winkelier is en hoe snel hij zijn verkoopstrategie weet aan te passen aan de noden van zijn cliënteel. Na de bal even te hebben geïnspecteerd overhandigt de mevrouw drie wasspelden aan de winkelier en neemt ze de bal mee. Wanneer zij aanstalten maakt het pand te verlaten en haar huisje binnen te gaan – dat zich amper dertig centimeter verder bevindt, wil de winkelier nog even alles uit de kast halen. Ook letterlijk, want hij haalt allerlei parafernalia uit de kast die blijkbaar onderdeel uitmaakt van zijn bescheiden warenhuis. Hij stalt razendsnel nog wat van deze hebbedingen uit op zijn geïmproviseerde toonbank: een jojo zonder touwtje, een rekker, een leeg rozijnendoosje en – erg opvallend – een broek voor jongens van ongeveer zes jaar. Zelf heeft de eigenaar geen broek aan, maar het lijkt me te vergezocht om hier een verband te zoeken. Waarom zou iemand zijn eigen broek verkopen, denk ik dan. Hij trekt nog snel haar aandacht: ‘Euh… wil je niet nog iets? Ik heb nog super veel dingen!’ Natuurlijk wil hij nog wat verkopen. Het zijn moeilijke tijden en de klanten zijn schaars. De mevrouw aarzelt.‘Maar ik heb toch geen centjes meer nu?’‘Ah’, beseft de eigenaar. ‘Wacht even.’ Hij neemt de wasspelden die hij zopas had ontvangen voor de bal weer uit zijn kassa en geeft ze aan de mevrouw. ‘Zo, nu kan je weer iets kopen. Wil je dit?’ Hij toont haar een autootje. De mevrouw reageert verontwaardigd: ‘Zeg! Dat is wel míjn auto hé!’Hier is een gewiekste handelaar aan het werk. Zoveel is zeker.

Lennart Vanstaen
2 1

Traan voor mijn lekkende kraan

Een vriendin die zich recent heeft ontpopt tot mindfulnesscoach – check Fee Floralis! – schotelde mij een schrijfopdracht voor van de dichteres-kunstenaar Rupi Kaur – bekend van Milk and honey. De opdracht luidde: schrijf een ode aan iets dat je elke dag ziet. Een alledaags object dus, waar je eens met andere ogen naar kijkt. Omdat positieve dingen zo voor de hand liggend zijn (mijn warme douche, heerlijk espressoapparaat of kwaliteitsvolle hoofdtelefoon), koos ik voor iets wat mij na aan het hart ligt maar waar mijn eega de pest aan heeft: onze wellicht door mij verkeerd gemonteerde keukenkraan. Toen ik anno 2019 merkte dat het water van onze keukenkraan niet alleen uit de straalbreker kwam, maar tevens onderaan ontsnapte en vervolgens het hele keukenblad in een keukenplas veranderde, kleurde mijn vermoeden even donkerbruin als de roestplek die het water inmiddels had achtergelaten op de kraan. Het was tijd voor een nieuwe. Eerst dacht ik het zelf nog te kunnen redden. Ik demonteerde het ding en concludeerde al snel dat het rommel was. Niet mijn schuld dus, de kraan kwam bij het huis. Dat was een van de vele voordelen. Ik was als zelfgediplomeerde loodgieter best trots op mijn afbraakwerk, dat aanvoelde alsof ik een steunmuur had gesloopt. Totdat het begon te dagen dat het werk niet stopte bij het metalen gat in de spoelbak waar ik op stond te gapen. Er moest effectief een nieuwe kraan in komen. En ík moest die gaan installeren, want de (mini)macho in mezelf weerhield me ervan iemand anders lastig te vallen. Zodra ik besefte dat ik me een kraan moest aanschaffen, maakte de minimacho plaats voor mijn immer aanwezige vrouwelijke kant: ik mocht een kraan kiezen! Met een zwaai griste ik mijn smartphone van het aanrecht en surfte ik naar doe-het-zelfwinkels als Gamma, Brico en consorten. Eerst selecteren op prijs – van hoog naar laag liefst, want ik wil die poepchique kranen zien die ik niet kan of mag kopen. Ik gil naar mijn vrouw dat ik een nieuwe kraan koop en vraag wat het budget is daarvoor. Wij beheren alle budgetten samen, maar mijn vrouw is nu eenmaal beter in die dingen inschatten. Ze antwoordt dat het zéker niet meer dan honderd euro moet zijn. Mijn interpretatie is: zo dicht mogelijk bij honderd euro. Ik filter alle kranen tussen tachtig en honderd euro. Dan kies ik voor een eengreepsexemplaar. Ecologische waterstraal? Ja, alstublieft! Na enkele filters te hebben aangeklikt, krijg ik één resultaat. Mijn neurose laat het zelden toe dit soort alledaagse openbaringen van het fatum in de wind te slaan. Zeker niet als het dan nog eens een designkraan betreft. Ik voeg de kraan toe aan mijn mandje en fiets richting Gamma. Op 2 april 2021 lekt de kraan nog steeds. Hoewel ik er verschillende YouTube-filmpjes op heb nageslagen en elke stap nauwkeurig heb gevolgd – ik ben misschien geen handige harry, maar excelleer vaak in prutswerk – klopt er iets niet. De kraan doet het prima, ze biedt me warm én koud water. Echter, zij lijkt een eigen leven te leiden. Af en toe, op totaal willekeurige momenten, lost zij water. Alsof zij moet braken. Volgens mijn vrouw ligt het aan de installatie. Leuk dat je dat woord op twee manieren kan interpreteren, maar ze refereert toch wel aan de installateur in kwestie. Als je het aan de installateur vraagt, is er iets mis met de kraan zelf – een fabricagefout. Gerichte zoekpogingen op het internet staan me bij. Het is een kraan met Downsyndroom. Ik voel mee met haar. In het voorbije jaar heb ik ontdekt dat zij alleen lekt als je haar iets te gretig naar links of rechts draait.‘Je moet haar behandelen met zachtheid, zoals de kapper je hoofd draait om de andere kant van je haardos te knippen’, probeerde ik meermaals. Maar het zal niet baten. In de nabije toekomst zal ik haar moeten vervangen. Het feit dat de door mij gekozen designkraan ook een sierlijke ronding heeft in de hoogte en daardoor het keukenraam niet opengaat, zal mij niet helpen in mijn pleidooi voor de lekkende zwaan. Mijn geld krijg ik ook niet terug. Dat is zo als je het bonnetje meteen in een opruimwoede wegsmijt. Ik vind bonnetjes iets van de jaren 90, maar met die these kon de kassière van Gamma niet veel. Trouwens, ik hoef mijn geld niet terug. Ik heb genoten van mijn kraan. Ze heeft me zo vaak verwarmd bij koud weer. Ze leste mijn dorst in de zomer. Zorgde voor vertier bij het samen afwassen. En ja: ze huilt af en toe een beetje water, maar wanneer zij uiteindelijk zal worden vervangen door een kraan met een attitude van kijk-naar-mij-ik-heb-nul-fabricagefouten zal ik ook om haar een traan laten.

Lennart Vanstaen
17 0

Spektakelslakken en schriftbinddildo’s

Heb ik u gepakt met mijn ietwat provocerende titel? Dat was uiteraard de bedoeling. Toch zijn het niet mijn woorden, maar die van mijn kinderen. Ere wie ere toekomt. Zij hebben deze woorden zelf geswipet op mijn telefoon. Oftewel: slepend getypt. En we hebben ons een kriek gelachen toen ik hen de resultaten voorlas. U gelooft me niet? Of u wil zelf dat u kinderen zich eens wagen aan schriftbinddildo’s? Lees dan vooral verder. Al meer dan een jaar proberen we ons de gezelligheid van een cafégesprek te herinneren, de geur van een cinemazaal en hebben we fantoomafdrukken op onze wangen van de kussen van een vreemde. Om deze ellende te bagatelliseren, moet een mens dingen doen. In onze welvarende westerse wereld bestaan er gelukkig vele uitlaatkleppen voor. Helaas zijn die kleppen dicht. Er is geen hol te doen, zeker met kinderen is het soms afzien wanneer de scholen gesloten zijn of april meer sneeuwstormen telt dan Belgische ministers van Volksgezondheid. Wat kan je dan wél doen? Misschien eens naar het park gaan? Dát is lang geleden! Of wat dacht je van een uitstap naar een museum? Drie uur een muilkorf dragen, niets mogen eten of drinken en het feit dat we twee weken geleden moesten gereserveerd hebben even terzijde. Of toch maar een heerlijk dagje thuis, zo met de kinderen? Wat is er zaliger dan de godganse dag naar Samson en Gert luisteren – hoofdzakelijk naar de mantra van Op op alles is op – van commentaar voorzien door een gillende zus en een tierende broer? Edoch! Treur niet, beste lezer. Vaak zijn het de kleine dingen des levens die onze dag maken of kraken. Bent u in het bezit van een Android telefoon die niet uit de prehistorie stamt? Dan heb ik een gouden tip voor u. Dolle pret voor de kinderen én uzelf verzekerd. Het Gboard (het standaard toetsenbord op een Android telefoon) gebruikt een versie van het in 2009 geïntroduceerde Swype. Het laat je ‘slepend‘ typen, dus zonder de afzonderlijke toetsen in te drukken, maar de woorden als het ware te swipen. Ik gebruik dit al jaren en ‘typ’ daardoor aan een supersonisch tempo. Helemaal heerlijk wordt het als je ermee begint te experimenteren. Draai bijvoorbeeld tien cirkeltjes achter elkaar en bekijk welke gekke woorden daaruit voortkomen. En vooral: laat je kroost erop los. Ik krijg nu soms de vraag: ‘Mag ik nog eens rare woordjes schrijven aan omi?’ Ik antwoord dan: ‘Natuurlijk, jongen’, omdat ík me niet alleen rijkelijk amuseer met de wonderen van deze taalcomputer, ook mijn kinderen liggen in een deuk wanneer ik voorlees wat ze hebben geswipet. Hieronder een bloemlezing. Delphine Lecompte kan er een puntje aan zuigen. stuk venkelzalfserieus Uitwaskwis Synchroonknuffel.Schaatsclinic wist ruik winkelkarretje zij scheefgeweiwitte spektakelslak schriftbinddildoRotterdam wordt ook stedelijke studiekeuzeautorutteScheer zelf zie erg attent en scheiding tussen down een Esther Studiegids drinkenhuis diffuustaalstrijder steeds echt duurt overmatig zelfsdie s eens zorggroep Francde suggestie maison dansje vrees ersurft stel MeisjesschildDag goedkope president Scheffer reserverensheet zette work doorsnee

Lennart Vanstaen
0 0