Lezen

Ontspoord

Nacht. Een treinstation. Stilte. Enkel het geluid van een kapotte tl-lamp die aan en uit flikkert als een leven dat niet vooruit kan gaan. Vier personen wachten op een trein. Onbekend voor elkaar. Een student markeert in zijn cursus. Hij probeert de nota’s rond Ecce homo van Friedrich Nietzsche te vatten. Geeuwend draait hij de pagina’s om. Sluiks kijkt hij naar een jonge vrouw, overdreven geschminkt, zeer kort gekleed. Haar borsten nauwelijks bedekt. Haar benen overeen geslagen wiebelt zij constant met haar rechtervoet op de maat van haar kauwende mond. Een hoertje, amper negentien, ontvangt de blik van de student, die onmiddellijk terug in zijn cursus duikt. Op haar gezicht verschijnt een glimlach. Een man met de gebroken neus mijmert voor zich uit, denkend aan vroegere overwinningen in de boksring. Nu verlaten door vriend en vijand, ouder geworden, maar nog krachtig, hopend op een comeback. Hij tuurt in de verte zonder echt iets te zien, alleen met zijn gedachten. Wat afgezonderd zit een ontslagen directeur, met zijn handen om zijn hoofd, voorovergebogen. Hij haalt de ontslagbrief uit zijn aktentas en leest nogmaals tekst alsof hij het niet wil geloven. Na een geslaagde carrière van vijfentwintig jaar heeft een drankprobleem hem de das omgedaan. Aan de basis hiervan ligt zijn vrouw, die eruit getrokken is met een jonge minnaar. De student, het hoertje, de ex-bokser en de directeur wachten elk in hun eigen wereldje op de trein. Geen van hen heeft zin om een gesprek aan te knopen. Plots buldert een stem in de verte. “Eindelijk heb ik je gevonden!” Het hoertje krimpt ineen. De stem komt dichterbij. “Wat dacht je? Ik kan in stilte vertrekken. Verdomme, ik heb nog geld van jou te goed.” Het hoertje, starend naar de grond, beschermt zich tegen haar pooier met de armen gekruist. Deze is echter zo kwaad dat hij haar bij de haren vastgrijpt en haar hoofd naar zich toe draait. Hij heft zijn andere hand op en wil haar in het gezicht slaan. De toegesnelde student probeert dit te verhinderen. De pooier keert zich nu tegen de student. Een rake vuistslag legt de jongen tegen de grond. “Sukkel,” tiert de pooier. Nu is het de beurt aan de directeur die met zijn aktentas het hoofd probeert te raken. Een zijdelingse trap van de pooier op de borst is het antwoord. De directeur valt achterover op de grond. De pooier heeft het hoertje bij de keel. “Vuile hoer! Niemand ontsnapt bij mij! Je blijft je lichaam verkopen. Ik ga je plaatsen in een keet waar de klanten iets extremer willen.” Hij sleurt haar recht en sleept haar mee. De ex-bokser verspert hem de weg. “Wat is er, ouwe? Stoer doen?”, tiert de pooier. De ex-bokser haalt uit met zijn linkse, recht op de kin. De pooier laat het meisje los en wankelt. Na een nieuwe vuistslag op zijn rechterwang valt hij met zijn hoofd tegen de betonnen bank. Nog een stuiptrekking en de pooier is dood. De student, de directeur, de ex-bokser en het hoertje kijken elkaar aan. De directeur neemt als eerste het woord: “We moeten het lichaam laten verdwijnen.” “We kunnen hem daar leggen,” roept de student en wijst naar het spoor. Met zijn vieren nemen zij het lijk op en gooien het op de rails, in de nacht onzichtbaar voor de machinisten. In stilte gaan ze terug op hun plaatsen zitten. De tijd verstrijkt en ze horen in de verte de trein naderen. Als de trein stilstaat, stappen de vier personen op, elk naar hun bestemming. Onbekend voor elkaar, maar met een gezamenlijk verleden.

Ludo Herwijn
60 0

Geest, bent u daar?

In de zomermaanden mochten Rob en Jozefien kamperen in een tent die de ouders van het meisje met de sproetjes in hun tuin voor hen opstelden. Met het geluid van de krekels op de achtergrond wrongen ze zich in hun kleine slaapzakjes. Ze maakten er een spelletje van het tentzeil met een zaklantaarn te beschijnen en op die manier figuren te vormen. De ene moest dan raden wat de andere al lichtend had getekend. Soms probeerden ze om samen in één slaapzak te kruipen, maar al snel gaven ze er toch weer de voorkeur aan voldoende ruimte rond hun lichaam te hebben.   Jozefien klom graag in bomen. Ze had het voorrecht dat er een paar grote exemplaren in haar tuin stonden. De takken van de bomen wenkten haar meermaals in hun richting. Vooral de grote wilg riep regelmatig haar naam op het ritme van de wind. Hij vroeg haar zich te nestelen hoog in zijn kruin zodat hij haar kon wiegen en haar lieve woordjes toe kon fluisteren. Lenig als een kat beklom ze zijn takken. Lieflijk als een elfje praatte ze met haar grote vriend en ze fluisterde hem al haar geheimen toe.   Ze waren twee handen op één buik, Jozefien en Rob. Zij met haar vrolijke oogjes en rustige uitstraling, hij met zijn rond brilletje en spierwitte krulletjes. Wanneer ze elkaar een paar dagen niet zagen, voelden ze zich rusteloos, opgelaten, en hadden ze een enorme behoefte om elkaar weer te zien.   Wanneer er andere kinderen uit de buurt meespeelden, hielden ze ervan geesten op te roepen. Een groot blad papier met daarop in een cirkel alle letters van het alfabet werd op een tafel gelegd. In het midden werd een omgekeerd glas geplaatst en twee papiertjes met daarop ‘ja’ en ‘nee’. Iedereen legde de wijsvinger op het glas. Vervolgens werden de geesten aangeroepen door iemand: ‘Geest, bent u daar? Als u daar bent, ga dan naar ja.’ Soms moest deze vraag een aantal keren herhaald worden vooraleer er enige reactie kwam. Iedereen moest zich erg hard concentreren en lachen was uit den boze. Met geesten diende immers niet gesold te worden. Na enige tijd bewoog het glas zich langzaam richting ‘ja’. ‘Bent u een goede geest?’ Indien het glas zich dan naar ‘nee’ bewoog, werd de verbinding abrupt verbroken. Indien het glas zich naar ‘ja’ bewoog en het een goede geest betrof, kon elk kind een vraag stellen aan de geest waarop de geest kon antwoorden door het glas van letter naar letter te bewegen. Om te verhinderen dat één van de kinderen stiekem voor geest speelde en het glas moedwillig in een bepaalde richting stuurde, moest iedereen om de beurt zijn vinger even van het glas halen. Als de geest dan nog steeds antwoord gaf op de vragen, hadden de kinderen te maken met een echte geest. Indien het glas plots stopte met bewegen nadat één kind zijn vinger ervan had gehaald, werd dat kind ontmaskerd als valse geest en saboteur en werd het door Jozefien, die dit alles erg serieus nam, de les gespeld.   Toen ze op een keer Rob ontmaskerde als valsspeler, was Jozefien erg ontgoocheld en sprak ze gedurende een week niet meer tegen hem. Het duurde tot Rob zijn welgemeende excuses aanbood en haar beloofde vanaf dan nooit meer zo’n ongehoord gedrag te stellen. Toen één van de geesten op een keer ‘ja’ had geantwoord op de vraag ‘Kan je door onze kleren heen kijken?’, ze vervolgens een nieuwe beter gemanierde geest hadden opgeroepen en deze telkens opnieuw het woord ‘dood’ vormde, hadden een aantal kinderen de schrik zo hevig te pakken gekregen dat de pogingen van Jozefien om na dat incident nog opnieuw geesten op te roepen allemaal tevergeefs waren. De kinderen uit de buurt kozen voortaan voor andere spelletjes, zoals ‘één twee drie piano’ of ‘schipper mag ik overvaren’, omdat deze veiliger en minder griezelig waren. Ook de twee oudere buurmeisjes die vaak de spelletjes leidden op het grasveld op de hoek van de straat waren gekant tegen het oproepen van geesten. Niet omdat het griezelig en onveilig was, maar omdat het heidens was. De twee oudere buurmeisjes waren immers erg gelovig. Ze geloofden in de leer van Jezus Christus en geloofden dat er maar één Heilige Geest bestond. Die Heilige Geest kon niet opgeroepen worden. Je kon Hem enkel indachtig zijn in je gebeden.

Aline
27 0

Persephone

De ontmoeting   De liefde is een bijna onvindbare plaats. Ze ketent je vast aan een ijzeren kabel in de leegte van de tijd. Waar je zwierde als de aardbol aan de sterkste ketting in een ruimte van zwaartekracht en onuitputtelijke schoonheid. Het stond in de Griekse sterren geschreven:dat twee liefdes zich zouden vermenigvuldigen in de eenzaamheid van de ruimte die tussen hen in zat.Zij was godin van de gewassen en zijn zoveelste minnares.Hij een oppergod die heerste vanaf de berg Olympus.Samen brachten zijn een perfecte uitkomst op aarde: Persephone.   De ontvoering   Bloedlijnen vermenigvuldigen zich tot een eindeloze zee van intriges en chaos.De eenzaamheid knaagde aan de god van de onderwereld, Hades.Hij zonk dieper weg in zijn hebzucht en zijn trots, maar verloor de lust van macht.Hij wou vrouwenvlees tussen zijn handen.De warmte van hun bloed.Hun huid kneden en hun lippen voelen tussen zijn tanden. Dus zat hij daar in zijn schimmenrijk onderhuids te rotten.Maar heel hoog hoorde hij gezang. Zijn nichtje danste op goudgele zonnestralen.Hij werd verliefd op haar fluwelen stem en wachten op dit moment al zo lang.Toen ze een pioenroos plukte liet hij de aarde openscheuren en trok haar mee.Daar maakte hij haar tot zijn vrouw die niets kon zeggen.Vooral geen nee.Want zij was de onschuld die bemind werd door de keizer van de hel.    De schoonheid van de gruwwel    Demeter huilde tranen van kristal. Hades tranen van ijzer.Zij droomde van het weerzien van haar dochter.Hij van het vrouwenvlees.Liefde is een vindbare plaats, maar het houd je vast en verzwelgt je.Het stond overal geschreven dat hij de drager zou zijn van haar onuitputtelijke schoonheid.Dat zij zich zouden vermenigvuldigen als priemgetallen, omdat er teveel plaats tussen hen in zat.Zij was de godin geworden van het dodenrijk, en hij haar man.   De vogelkooi   Haar moeder smeekte en bad. De flora stierf, de fauna leed.Haar vader ging praten. En Hades gaf de voorwaarde, dat als ze de granaatappel die hij als geschenk gaf niet zou eten, dat ze nooit terug zou keren boven aarde en bij hem zou blijven in het paleis met zuilen van Basalt, bedienden als halfmenselijke reptielen en een leger van ratten soldaten. En dus at ze als een beest snel de hele vrucht en zijn sappige vruchtenvlees. Maar het was een list.De vrucht was betoverd.Nu zat ze vast als een naiëve vogel in een vogelkooi.Want nu was ze door Hades veroverd.   De gevangenschap van terugkeren   Wanneer de pioenrozen weer groeiden, de aarde weer kneedbaar was en wanneer je terug onder de hemel kon slapen van de hitte was de tijd van de lente aangebroken.Het was nu tijd voor moeder en dochter, want die hadden elkaar al lang niet meer gezien of gesproken.De lente en zomermaanden waren voor hen, maar wanneer de bladeren verkleuren en neerdaalden op de donkerkleurige aarde van ijzer moest ze terug.En elke keer wanneer Demeter huilde, regende het op aarde harder.En soms tussen het geruis van de kletterende regen hoorde je haar wenen.

Andrea Derese
92 0