Lezen

Het pashokje

Kent u Mr. Bean nog? Dat onhandig personage van tv. Het leek alsof hij stom was, want hij zei geen woord. Bovendien haalde hij stomme stoten uit. In de kerk viel hij tegen iemand in slaap en toen hij een buiging wilde maken voor de koningin, gaf hij haar een kopstoot. Zijn ene stoot was al wat geloofwaardiger dan de andere. Maar het was een typetje. Alles wordt dan nogal uitvergroot. Net voor Kerstmis beleefde ik mijn eigen Mr. Bean moment. In de kledingwinkel vond ik een trui die me aanstond. Een blauwe met witte strepen. Soms heb ik het idee dat horizontale strepen een afslankend effect hebben, maar ik kan me vergissen. Optische illusie of zo. Je kan een trui natuurlijk in de winkel passen, maar daar pas ik meestal voor. Daarom moest ik het pashokje in. Deze winkel had er slechts twee, elk door een gordijn gescheiden. Was het onhandigheid van mijn kant? Verstrooidheid? Of kwam het door de drukte? Ik weet het niet, maar het gebeurde. Ik trok aan het gordijn van mijn pashokje en op de één of andere manier - vraag me niet hoe - trok ik het gordijn van het andere pashokje weg. Daar stond iemand te passen. Ik hoorde een gil en ik besefte meteen dat die mevrouw er wel eens zonder kleren zou kunnen staan. Ik zei meteen iets van ‘oei’ en ‘sorry’ en meende het gordijn terug te geven, maar dan zou ik moeten kijken, dus dat deed ik maar niet. Ook mijn vrouw had het gehoord en vroeg wat ik allemaal aan het doen was. De mevrouw naast me had ondertussen haar gordijn teruggeschoven en zei dat ze gelukkig kleren aan had. Waarna ze hoorbaar lachte. Mijn vrouw zei even later dat het typisch iets voor mij was. Zou het?   

Rudi Lavreysen
8 0

Herfstzondag 2017

Zondag middag. Iets na 12. Ik zit in de eetkamer, aan tafel. De regen valt zacht op het raam. Heerlijk, deze dag. Dit gevoel van tijd. Ik ben alleen thuis. Door het venster zie ik de kleurige herfstbomen. De hoge berken laten hun lange takken laag hangen en slingeren traag met hun mooie gele blaadje op het ritme van de wind. Wat verderop, een eenzame boom die staat te schitteren met al z’n roestige kleuren. Het landschap krijgt iets heel dramatisch met een achtergrond van donkergrijze wolken. Ik blader door een kookboek met tips voor een geslaagde picknick. Met post-its markeer ik de pagina’s die ik lekker vind. Roze rozen op tafel staan er verwelkt bij. In de fruitmand liggen mandarijnen en appels. De wasmachine beneden begint te zwieren. Jacky ligt opgerold in zijn mand te slapen. De kinderen zijn bij hun vader. Voor even. Deze tijd is kostbaar. Geen gezeur, geruzie, geroep, gescheld. Hier moet eens dringend gekuist en opgeruimd. Maar nu niet. Dat denk ik al zo lang. Deze troep, dit huis waarin we leven. De waterkoker borrelt en slaat af. Ik neem een 2e kop thee. Hoe zou ik het eigenlijk volhouden zonder een pauze. Overeind blijven in de chaos. De poes krabt aan het raam. Ik doe open en laat ze binnen. Ze miauwt goedkeurend. Ik geef haar een aai. Dit moment, waar ik regelmatig van droom, fantaseer, wat ik allemaal kan doen, met deze tijd. Die is er nu gewoon. En hij verstrijkt. Hier stopt het al, mijn rust. Want ik begin na te denken, heb tijd nu. Mijn werk, de toekomst van mijn kinderen, het gemis in onze familie. De strijd. De waanzin. Toen je hier nog was.   Je bent er vanaf. Dit leven. Weet je, toen je wegging, heb je me nog zoveel kracht kunnen geven, dat heb ik goed gevoeld. Dat was prachtig, wat ik nog kon ontvangen van jou. Hoe verder de tijd gaat, hoe meer ik je er gewoon bij denk, bij alles wat ik doe, zeg, wens. Ik heb je nog vast, ik sta met de helft aan de andere kant. Daar zie ik jou, kan ik je volgen, heb ik contact.  

Hemelszoet
0 0

De kerstborrel

Ik kreeg een drankje aangeboden in de broodjeszaak. “Een borrel voor Kerstmis”, zei de uitbater vriendelijk. “Daar krijg je het warm van”. Al viel er over de temperatuur in zijn zaak niet te klagen. Plots zag ik een meisje van pakweg twaalf jaar naar me kijken. Ik herkende haar niet meteen, maar ik hoorde ze tegen haar mama zeggen dat ik op die meneer leek, die vroeger wel eens verhaaltjes voorlas in de bib. Ik lachte vriendelijk terug. Het klopte wat ze vertelde. Maar het leek een eeuwigheid geleden. Plots moest ik opnieuw aan die ene rondleiding denken. Het was een klasbezoek zoals vele anderen. We lazen verhaaltjes voor en we speelden boekenspellen. Eén van de prentenboeken was ‘De jongen en de zee’. Over de jongen die vanuit zijn bed naar de zee kijkt, maar het einde van de zee niet kon zien. “Kennen jullie nog iets wat oneindig lijkt?”, gooide ik in de kleutergroep. “De lucht”, antwoordde een meisje meteen. Een ander meisje stak ook haar vinger op. Mijn collega en ik hadden haar antwoord niet zien aankomen. “Ons mama haar achterste”, zei ze. “Want onze papa zegt altijd dat het zo dik is dat er geen einde aan komt.” We wisten geen van allen niet waar kijken. Ik zag een jongetje proesten, met zijn hand voor zijn mond. Ik meende te zeggen dat haar papa wel eens zijn mond mocht spoelen, maar op de een of andere manier wist ik niets beter te verzinnen dan de vraag of er nog iemand een voorbeeld had. Maar dan echt.  In de broodjeszaak kon ik ondertussen -net als de jongen- een licht geproest niet onderdrukken, toen de anekdote opnieuw naar boven kwam. Al dachten de mensen die me op mijn eentje zagen gniffelen wellicht dat het de kerstborrel was, die al naar boven kwam.

Rudi Lavreysen
0 0