Lezen

Hoe gaat het nu met je?

Dag Kristien,   Wat fijn dat je ervan uitgaat dat ik lief ben. Jij gaat de mensheid met liefde en vertrouwen tegemoet, dat is duidelijk. Ik probeer me jou voor te stellen, in jouw gezellige nest. Yoga en versierde, handgeschreven brieven, mooie spullen die het leven kleuren. De abondance van je interieur reflecteert in je zonnige, levenslustige extraversie. Maar het is natuurlijk omgekeerd. Speel je nog steeds scrabble met piloot Kristof? Of is hij met de noorderzon verdwenen, want je schrijft: “Alleen voel ik dat het vanavond een beetje pikt. Na 17 jaar roken en 1 jaar gestopt te zijn, heb ik plots zin in een sigaret. Dan weet ik dat de leegte vanbinnen knaagt.” Daarmee kreeg jouw brief een heel andere wending. Je benoemt de leegte maar analyseert ze niet verder. Onder dat blije karakter schuilt er dus toch heel wat verdriet... Kan je daar bij iemand mee terecht? Jij bent een vrouw die graag en goed voor anderen zorgt. “Ik, rondhuppelend als een kip zonder kop om het legertje aan helpers gelukkig te houden.” Dergelijke persoonlijkheden hebben het soms moeilijk warme aandacht van anderen toe te laten. Net als ik heb jij geen kinderen. “Een moederklok heb ik nooit horen tikken, maar mijn tantekes-klok draait overuren!” Jij leeft je wel uit in de rol van super-tante. Wat een weelde voor jouw neefjes en nichtjes! Knap dat je dat kan.   Lieve Kristien, ik wens je toe dat het geluk zich naar jou keert en je overgiet met tonnen warmte en liefdevolle aandacht. Jij verdient dat, meer dan wie ook! Tot morgen?   Hartelijke groet, Geert

Geert Moons
0 0

vervolg Er Zijn (Jan Loogman)

Tussen de C en A-tjes van Verlaan en Van Tuyll glanst het Van Gilspak van de oude provo. Hij heeft er daar meer dan één van, en zelfs Johan vraagt zich af waar het allemaal van betaalt.   Legwaard is de eerste die zich weer naar de tafel draait. “Nou, dan kan je beginnen,” zegt hij tegen Brakel. “Johan is er.” “Nee, Arno,” roept Johan vanuit de deuropening, “eerst koffie.” Weg is hij weer, hij hoort hoe de anderen hun stoel achteruitschuiven. Ze komen achter hem aan naar de koffieautomaat, ganzen achter hun aanvoerder.   Een uur lang laat hij de bespreking zijn gang gaan. Van Tuyll en Van den Hoop hebben van de week verschillende uitvoeringskantoren bezocht om over de voorgenomen wetswijziging te praten. Volstrekt onuitvoerbaar is de conclusie en ze brengen hem met veel gesteun over tafel. Verlaan merkt op dat het ministerie daar geen oor voor zal hebben, maar verliest zich op zijn beurt in geneuzel over begripsomschrijvingen in het wetsvoorstel. Legwaard zegt om de paar minuten dat Brakel stelling moet nemen tegenover die bureaugeleerden. Daar bedoelt hij de medewerkers van het ministerie mee. Als het zo doorgaat, gaan ze zonder plan naar het overleg met het ministerie. Dat lijkt Brakel zich nu ook te realiseren. Hij slaat op de tafel, pure nervositeit natuurlijk. Het gekakel valt stil. Johan kijkt om zich heen, dit is zijn moment, hij schraapt zijn keel, Brakel en de anderen kijken hem verwachtingsvol aan. “If you can’t beat them, join them,”zegt Johan, hij leunt achterover, alsof daarmee alles gezegd is. Nee, hij neemt toch de moeite door te praten.   “Ik heb gisteravond zitten klaverjassen,” zegt hij. “Oude vrienden, vroeger speelden we elke week. Alle drie hebben ze op het Museumplein gestaan, prima vind ik dat. Maar wij in dit pieplandje kunnen de bewapeningswedloop natuurlijk niet stoppen. Het spel wordt gespeeld tussen de grote landen, wij zijn geen deelnemer, dus waarom zou een van hen naar ons luisteren? We kunnen de Amerikanen niet dwingen, we moeten met hen meebuigen. Misschien luisteren ze dan een keer naar ons. Dat is wat ik bedoel.” Hij stopt met praten, alsof hij een reactie verwacht, begrip, iemand die de lijn oppakt, die hij heeft ingezet, maar het blijft stil. Brakel knikt, misschien teleurgesteld. Is dit Johan, de man van de klare lijn?   Maar Johan is niet uit het veld geslagen. “Die begripsomschrijvingen, dat is een goed punt,” zegt hij. Hij voelt hoe Verlaan hem stomverbaasd aankijkt, maar hij gaat door. “Dat het wetsvoorstel onuitvoerbaar is, zoals Van Tuyll beweert, klopt ook. En toch, daar kunnen we allemaal niet mee aankomen bij het ministerie. We moeten het anders aanpakken. Het ministerie moet de wet wijzigen, dat wil de politiek, niemand wil van ons bezwaren horen. Tegen de wind in pissen, dat lukt nooit. Daarom: If you can’t beat them, join them. Zij willen zo snel mogelijk de wet wijzigen, wij gaan laten zien hoe het sneller en effectiever kan.“ Hij kijkt naar Brakel. “Nou, zullen we maar vertrekken?”   Het is lang geleden, de bebouwing op het VVA-terrein is zijn nieuwe glans al jaren kwijt. In de verte staat het aquarium er onttakeld bij. Even hoort hij de stem van Dorien: “Denk eens aan de talenten die je hebt verspild.” Na zijn carrièreswitch, want zo noemt hij het tegenwoordig, in 1994, heeft hij mensen op posities zien komen, die voor hem bestemd waren geweest. Vaak genoeg waren dat mensen die hij niet erg hoog inschatte. Ze kunnen tenminste één ding beter dan jij, houdt hij zichzelf telkens weer voor, ze slapen ’s nachts. Ze hebben een talent dat jij mist, een dikke huid. Als lyceist kon hij de hoge stem van Jacques van der Made al niet verdragen, de woede van zijn vader drong rechtstreeks tot hem door. Toch, als hij indertijd zijn huid niet zelf had opengekrabd, zou hij dan een doorgaande route naar de top hebben gehad, zou hij dan zijn talenten beter hebben benut dan hij nu heeft gedaan? Hij denkt aan zijn vroegere collega Abdoel, een Hindoestaan die op zijn dertigste in pole-position klaarstond. Ergens tijdens de race heeft Abdoel zichzelf overvraagd en nu, twintig jaar na zijn burn-out, beklaagt hij zich nog altijd over de tegenslag die hij heeft gehad. Een keuze voor het ongeluk, vindt hij Abdoels leven. Zelf heeft hij een andere route gekozen. Een stap terug toen de last hem teveel werd, ook al begreep hij niet wat er met hem aan de hand was. Een intuïtieve keuze, lang voordat hij Jo leerde kennen die zijn intuïtie zo krachtig noemt.   Hij zou naar huis willen, haar zien, maar hij stapt uit de metro, loopt naar zijn tijdelijke collega’s.  Ze tonen zich benieuwd. Heeft hij hun standpunt verdedigd? Natuurlijk, zegt hij. “Jullie dossiers zijn mijn uitdaging!” Ze lachen. “Is het gelukt?” vragen ze. “O, ja,” zegt hij, “Appeltje-eitje.”   5. 1974 Hij fietst tegen de hoge brug bij Carré op. Niet alleen de helling werkt hem tegen, ook de wind lijkt hem terug naar huis te willen waaien. Bijna valt hij met fiets en al om. Bovenaan houdt hij de pedalen stil, even in volmaakt evenwicht voordat zijn vaart door de afdaling vanzelf zou toenemen. In dat ogenblik kijkt hij vooruit. Vanaf de Sarphatistraat komt zij aangelopen, het meisje dat hem in de studiezaal telkens weer opvalt. Ze draagt haar beige houtje-touwtje jas. Zijn fiets versnelt, hij vliegt naar haar toe. Ze kijkt op en lacht als hij voorbijsnelt.   Een week later treffen ze elkaar in de rij voor de koffie in de pauze van het college. De ontmoeting bij de brug is een gemakkelijk onderwerp. Hij heeft intussen aan de open plek in het zangkoortje gedacht. “Kun je zingen,” vraagt hij. Er verschijnen kuiltjes in haar wangen, ze lacht. “Hoog en laag,” zegt ze en ze zet meteen in. “Wacht even,” zegt hij en ze lopen naar buiten. Tussen de boekenstalletjes van de Oudemanhuispoort zingt ze zuiver als een lijster.   Een paar weken later zijn ze een stel. Na een van de koorrepetities gaat hij met haar mee naar haar kamer. De puinhoop daar treft hem onverwacht. Haar melodieuze stem, de goed verzorgde medeklinkers, de open klinkers, de degelijke jas en ook het rokje dat zij droeg, hij heeft een netjes opgeruimde kamer verwacht, niet deze ruimte waar een mens niet zomaar kan binnenstappen. “Een blind paard zou hier zeker schade kunnen aanrichten,” zegt zij als zij hem ziet aarzelen. Plantjes op kweek in kleine potten, tubes verf liggen zonder dop uit te drogen, overal kleren, een ezel in het midden van de kamer. “Schuif maar wat opzij,” zegt ze. Na die avond blijft hij vaker slapen, zij schuift wat spullen opzij, hij schroeft dopjes op verftubes. “Maak je geen zorgen,” zegt zij als hij wakker ligt omdat hij de volgende dag als student-assistent gaat solliciteren. Ze zingt een Beatle-liedje voor hem: “Blackbird singing in the dead of night / Take these broken wings and learn to fly / All your life / You were only waiting for this moment to arise.”   Een paar weken later neemt ze hem mee naar haar ouders. Op het treinperron in Ede staat een lange, magere man hen op te wachten. Hij draagt ook al een houtje-touwtje jas, een donkerblauwe. Vader en dochter kussen elkaar, en daarna schudden de twee mannen elkaar de hand. In de auto zit Johan alleen achterin, maar de vader betrekt hem in het gesprek. Gewoon, over de reis, geen moeilijke onderwerpen. Haar broers zijn gelukkig niet thuis, dat had hij zo’n eerste keer misschien wat veel gevonden. Nu trekt haar moeder de deur voor hen open, een kleine vrouw met een brilletje met van die halve glazen op haar neus. Ze draagt een broek en gymschoenen. “Ik zit al aan de borrel,“ zegt ze. “Wat drink jij?”                                                                        * Sindsdien komt hij er regelmatig. In de herfst zijn er gepofte kastanjes en brandt de open haard. De moeder drinkt sherry, de fles heeft ze naast zich op de grond staan. De vader beheert de jeneverfles, hij schenkt Johan en Sacha regelmatig bij. Dit stel, zo overduidelijk behorend tot de betere standen, pakt de kastanjes gewoon met hun hand, halen hem even door de boter, en smikkelen maar. Natuurlijk, er ligt altijd een servet in je buurt, zodat je even je handen kunt afvegen. Of je mond. Op een keer zitten ze aan het avondeten, zuurkool met klapstuk en worst. Ze schenken er witte wijn bij, in mooie, lichtgroene glazen. Ineens zegt Sacha’s moeder: “O, Johan, heb ik jou geen servet gegeven?” Verbaasd kijkt hij haar aan, want naast zijn bord ligt het wit servet, dat ziet zij toch ook wel? Hij houdt het even omhoog, ze knikt, een beetje beschaamd lijkt het. Als hij weer een slok uit zijn glas wil nemen, ziet hij de vetvlekken op de rand en dan valt bij hem het kwartje. Even is hij toch de jongen uit de mindere standen geweest. Maar zij, Sacha’s moeder? Ja, eigenlijk was zij even haar goede manieren kwijt geweest, uit verwarring waarschijnlijk, denkt hij. Ze heeft zich niet kunnen voorstellen dat hij niet wist dat je je mond even afveegt voordat je drinkt.   Maar toch, hij is bij hen op zijn gemak. Wat hij eerder niet kende, dat is een gesprek in de huiskamer dat niet over de plaatselijke voetbalclub gaat. Een gesprek waarin andere mensen genoemd kunnen worden zonder te spotten over hun afkomst, hun uiterlijk, hun accent. Over zijn studie en zijn werk als student-assistent stellen Sacha’s ouders vragen zonder angst of het hem wel zal lukken, of hij wel zal slagen. Van de week hebben Sacha en hij hen verteld dat ze een kind verwachten. Vier zoenen krijgt hij, twee van haar moeder en twee van haar vader. Er glinsteren tranen achter de brillenglazen, maar wat ze zeggen, is: “Daar drinken we een borrel op!” Alle vertrouwen hebben ze in hem, en ook Sacha gaat ervan uit dat hij slaagt in wat hij aanpakt. Als hij aan zichzelf twijfelt, is ze boos: “Houd toch op!”   6. Overhead Value Analysis, 1991 “Mijn vader was een schillenboer,” hoe graag zou hij zijn presentatie met deze zin beginnen. Zouden de blazers en de mantelpakjes opkijken? Zouden ze hem serieus nemen? Nemen ze hem nu serieus? Hij wijst naar het projectiescherm waarop de eerste dia oplicht. “Twintig gesprekken met keuringsartsen” staat er. “Overhead Value Analysis,” zegt hij, “de methode om bijdragen van staf – en adviesdiensten in organisaties te meten. Goed toepasbaar op uw werk, u bent immers geen keuringsartsen, u doet niet zelf het werk waarmee ons bedrijf zijn geld verdient.“   “Jij toch ook niet,” hoort hij roepen. Hij kijkt rond. Een snor in een uitgezakte jasje. “Heel juist opgemerkt,” zegt hij, “en als goed opgeleide academici weet u dat spelen op de man in de argumentatieleer niet telt.” Het is nu zaak helder te blijven, hij moet het beter doen dan gisteravond. Sacha zei letterlijk hetzelfde als die uitgezakte snor. “Jij toch ook niet,” wierp ze hem voor de voeten toen hij haar verweet zich niet volledig in te zetten voor hun huwelijk. “Wat zoek jij bij al die vriendinnen?” Met zijn stomme kop vertelde hij haar dat dat precies de vraag was die een van zijn vriendinnen hem ook gesteld had. “Ik wil het niet horen,” riep ze. Jammer, hij zou het antwoord wel willen weten.   “Ik ben geen arts,” zegt hij, “maar ik heb met keuringsartsen gesproken, twintig gesprekken in de laatste twee maanden.” Hij wijst naar de tweede dia: “En daarnaast gesprekken met  twaalf van u. Ik heb bovendien de cijfers erbij gehaald. Van mij mag u denken wat u wilt, al is het geen nieuws dat ik geen arts ben en u wel. Ik schrijf nergens dat u overbodig bent. Ik neem geen besluiten over uw functie. “ Even hoort hij de man naast zich schuiven op zijn stoel, maar hij wijst niet naar hem, hij praat gewoon door. “Ik schrijf dat u als adviserend chirurgen in vijf procent van de keuringszaken wordt ingeschakeld, dat het gemiddeld zes weken duurt voor uw advies er is, en dat dit advies in vier/vijfde van die zaken gelijk is aan de voorlopige conclusie van de keuringsarts. Verder heb ik de kosten van uw werk in beeld gebracht. Wat daarna de vraag is, of de organisatie deze tamelijk hoge kosten over heeft voor uw bijdrage. Dat is Overhead Value Analysis en om die uit te voeren hoef je geen arts te zijn.”   Het zweet loopt over zijn rug. Hoe komt het dat hij voor een zaal van vijftig boze artsen een strak betoog weet te houden en dat dit hem gisterenavond tegenover Sacha niet lukte? “Waarom ben ik niet genoeg voor jou?” vroeg ze, en hij was dom genoeg om met veel omhaal van woorden naar een antwoord te gaan zoeken. Terwijl haar vraag al een antwoord is. Dat had hij moeten zeggen, natuurlijk, het antwoord op de vraag of ons huwelijk toekomst heeft. “Het gaat niet over mij,” had hij moeten zeggen, “het gaat over ons.” Nu heeft hij dat wel helder, hij kijkt nog eens naar de blazers en de mantelpakjes. “Ik begrijp heel goed dat het een hard verhaal is voor u,” zegt hij, “en het lijkt me verstandig als u er voluit op reageert. Maar het is niet handig als u het alleen maar over mij heeft. Het gaat niet om mij, het gaat om u.” Hij heeft zijn werk gedaan, het is nu aan de man naast hem om besluiten te gaan nemen. Hij doet maar, denkt Johan, ik wil naar huis. Samen met Sacha de meisjes gaan zeggen dat we apart gaan wonen. Misschien zullen ze naar de reden vragen. Sacha kan beginnen over zijn vriendinnen, maar hij – wat kan hij zeggen? Het is de wraak van de zoon van de schillenboer op de dochter van de professor. Het is de wens alleen mijn leven te leiden – “samen met jullie natuurlijk,” zal hij er haastig aan toevoegen, “maar zonder een andere volwassene.” Ze zullen het niet begrijpen. Waar komt die wens vandaan?   7.      Een kom voor in de keuken Wie een handgranaat naar zijn hoofd krijgt, stelt beter geen vragen. Anders volgt er misschien nog een. Toch, hij moet zich bedwingen om stil te blijven. Hoe kan het? Maar hij stelt de vraag niet, hij beseft het vrijwel meteen, het moment dat ze zei dat het veilig was. Ze telde haar dagen altijd. Hij is in de val getrapt. Vrijen op het ritme van de natuur. Schijnheilige sodemieter. Hij staat op, ongetwijfeld kijkt ze nu naar hem, speurend naar zijn reactie. Nou, vooruit dan. Hij schopt de buitendeur open en vertrekt.   De eerste keer dat hij op bezoek kwam, heeft hij verdomd lang moeten zoeken voordat hij het toegangshekje zag. “Het gaat op in de natuur,” zei zij even later, nadat hij het toch gevonden had en het houten huis tussen de duintjes had bereikt. Zo moeizaam als hij de weg vond, zo gemakkelijk bleek het om te blijven. Je kunt hier de zee horen ruisen, de wind door de duintoppen horen waaien. Als hij hier is, voelt hij zich deel van de natuur. Hij is bevrijd van de moeizame gedachten over ouderschap, co-ouderschap, verdeling van boeken, platen, planten. Is het verstandig dat Sacha en hij dezelfde advocaat nemen, moeten zij nu juist niet de loopgraven betrekken, elkaar zwart gaan maken, elkaar het leven zuur maken? Hier is de verwarring ver van hem, hier is een vrijplaats. Hij kent intussen de weg en fietst tegenwoordig rechtstreeks op het toegangshekje af, soepel slaat hij zijn been achter zich over de lastdrager en begint te steppen, van het pad af, een duw met het voorwiel tegen het hekje dat meegeeft, opengaat. In het zand smoort zijn vaart. Hij zet zijn fiets tegen de berk.   Voordat hij de deur kan openen, is zij er al. De haren, halflang tot op haar schouders, hij haalt zijn handen erdoor; licht- verglijdt in donkerblond. Ze drukt zich tegen hem aan en hij is stil. Zo staan, niet bewegen, niet naar voren, evenmin achteruit. Alleen dit moment waarin hij alle sores kan vergeten. Geen gedachten aan de kinderen, geen gedachten aan Sacha. Alleen dit moment.   Maar vandaag stapt zij naar achteren en gaat het huis in, de krappe hal die ook als keuken dienst doet. Hij volgt haar. Valt hij voorover, dan ligt hij op bed. Het is de beste keuze, het is waar hij voor komt, en ook, verbeeldt hij zich, waarom zij wil dat hij hier komt. Maar zij gaat die kant niet op, en ook hij beweegt naar links, achter haar aan, de kamer in. Wat is er aan de hand? Waarom koerst zij naar de woonkamer? Pas als ze gaat zitten op het tweezitsbankje, draait ze zich naar hem om. Ze slaat met haar hand op de plek naast zich. “Kom zitten.” Hij is niet gek, hij kent de theorie rond slecht – en goed nieuwsgesprekken, hij herkent de signalen. Slecht nieuws vertel je het best meteen, en dat is wat ze nu gaat doen. Nou ja, einde van een leuke relatie, een fijne afleiding, hij heeft ervan genoten. Misschien verwachtte zij er meer van dan hij, hij heeft het wel gehoord, dat ze de vier woorden zei: “Ik hou van jou.” Vorige week nog, toen ze bij hem in bed lagen. Zelf heeft hij ze zorgvuldig vermeden. Hij zal haar teleurgesteld hebben. Hoe kon hij anders, een vrijplaats is een illusie. Maar hij zal de gepaste tegenwerpingen maken, het is niet nodig haar te kwetsen door te laten merken dat het hem niet veel uitmaakt, al is het natuurlijk jammer van de omgeving, dat zei ze goed die eerste keer. Het gaat hier op in de natuur, heerlijk is dat. Maar voor haar een ander, of niemand. Misschien is dat het beste, vrouwen verwachten altijd weer iets van je. Mooi is ze wel, wat dat betreft is het jammer. Maar schoonheid, hoe zei Lucebert het ook alweer: “In deze tijd heeft schoonheid haar gezicht verbrand.” Inderdaad, ze heeft haar neus gestoten. Goed dat ze op tijd inziet dat er geen echte relatie inzit, tussen hen. Ze wacht trouwens wel erg lang, mist hij iets? Och ja, het spel moet gespeeld worden, hij moet haar aankijken, dan zal ze het zeggen.   Maar als hij haar in het gezicht kijkt, zegt ze: “Ik ben zwanger.”   Hij antwoordt niet. Wat heeft het voor zin? Hij weet dat ze kijkt, schopt de buitendeur open en is vertrokken. Een begrijpelijke reactie zal ze denken. Ze zal denken dat het nieuws hem overvalt. Wat natuurlijk ook zo is. Zei ze dat zojuist al niet? “Neem je tijd om je ervoor open te stellen,” hij weet zeker dat hij haar dat heeft horen zeggen. Dat is waarom de trap tegen de deur hem geen moeite kostte. Maar “zich openstellen”? Ammehoela.   Wanneer hij thuiskomt, een uur later, op de agenebbisj verdieping die hij nog twee maanden lang zijn huis moet noemen, loopt hij naar de vensterbank en pakt de aardewerken kom op. Wist zij het al, toen zij hem de kom gaf? Hij had haar van de trein gehaald, een eeuwigheid geleden, ver voor de handgranaat. Vorige week woensdag. Ze was naar haar vader geweest, een bezoek dat hem verbaasd had en dat hij nu in een ander licht ziet. Wilde zij de man blij maken? Toen ze terugkwam, had hij op het station geïnformeerd hoe het bezoek verlopen was. “Ach, het blijft een vreemde man,” had ze gezegd. Hij had niet verder gevraagd, voorlopig hoefde hij niets van mogelijke schoonfamilie te weten. Sterker nog, hij had geen behoefte aan schoonfamilie. Als die er was, dan was er een relatie en daar tekende hij voorlopig niet voor. “Waarom wil je scheiden,” had Sacha gevraagd en hij had niets anders kunnen bedenken dan dat hij alleen wilde leven. “Wel met de kinderen, natuurlijk,” had hij snel toegevoegd. Maar zonder vrouw die hij verdriet kon bezorgen en die hem verdriet kon geven. Zijn schoonvader en schoonmoeder had hij wel willen behouden, maar zij waren haar ouders, zij moesten haar kant kiezen.   Toen ze van het station bij hem thuis waren gekomen, had ze opgemerkt dat hij het vet in de keuken weg had geschrobd. “Nu de slaapkamer nog,” had zij gezegd, maar hij had gelachen en haar op bed getrokken. Schoonmaken deed hij wel als hij alleen was. En trouwens, zo lang ging hij hier niet blijven. Hij heeft een mooie etage aan de Oosterlaan gekocht. Samen met Sacha is hij er gaan kijken. Het is dichtbij de Beukenlaan waar zij blijft wonen. Ideaal, vond Sacha de etage. Hier kunnen de kinderen zich thuis voelen, zei ze. Hij ziet ernaar uit om daar te gaan wonen, weg van deze klerezooi. Alleen de keuken heeft hij hier schoongepoetst, hij wil een beetje behoorlijk kunnen eten.   Daar zijn ze vorige week gaan zitten, in de schone keuken. Vlak nadat zij in bed haar liefdesverklaring in zijn oor had gefluisterd. Stiekeme huichelaar. Ze heeft hem een cadeau gegeven. Een handgebakken aardewerken schaaltje, zag hij toen hij het uit het papier had gepakt. Hij luisterde niet naar het verhaal dat ze erbij vertelde. Hij had geen behoefte aan schoonfamilie en evenmin aan gedeelde huiselijkheid. Hij had het kommetje in de vensterbank gezet en voorgesteld naar haar huis te gaan.   Nu heeft hij de kom in handen en kijkt om zich heen. De vaste vloerbedekking met de aangekoekte vlekken in de kamer, het gladde zeil in de keuken, hij keurt ze af en opent de deur naar de hal. De betonnen vloer zonder enige bedekking bevalt hem. Hij stapt de hal in, heft de kom hoog boven zich. De afstand tot de betonnen vloer is maximaal. Hier zal hij in duizend stukken vallen, een kwetsbaar maaksel dat stukslaat op de betonnen werkelijkheid. Hij laat zijn armen weer zakken, hij heeft de kom nog steeds in zijn beide handen. Hij opent de deur naar de meterkast en plaatst de kom op de plank, naast het stoffer en blik. Het heeft geen zin scherven te veroorzaken die je zelf op moet ruimen.   De volgende ochtend is het zaterdag. Meteen na zijn ontbijt trekt hij zijn jas aan, sluit de deur achter zich en fietst naar het huis in de Beukenlaan, waar hij tot voor kort woonde. Coby wacht al op hem, een plastic tas in haar hand. “Mijn judospullen heb ik al ingepakt,” zegt ze. “Kun je de houdgreep nog?” vraagt hij. Op de fiets voelt hij haar handen in zijn zij. Op de Oosterlaan wijst hij naar links. “Daar ga ik over een paar weken wonen, “zegt hij. “Dan krijgen Mickey en jij daar ook een kamer. Er is een grote woonkamer en dan kun je de houdgreep op me oefenen.” “Ik houd je gemakkelijk,” zegt ze.   Tijdens de judoles wandelt hij naar de Hema en koopt een kaart van Jip en Janneke. Hij gaat zitten bij het Gulden Vlies, bestelt een koffie verkeerd en vraagt om een pen. “Volgende maand ben ik officieel gescheiden,” schrijft hij. “Ik ga goed voor mijn kinderen zorgen. Samen met mijn ex-vrouw. Wie weet, ben ik ooit toe aan een nieuwe relatie, een nieuw kind. Nu niet. Waar ik zeker niet van houd, is erin geluisd te worden. Wat jij doet, is jouw verantwoordelijkheid. Niet de mijne.” Hij stopt de kaart in zijn binnenzak. Vanmiddag zal hij de kom inpakken en met de kaart aan haar versturen. Nu gaat hij Coby ophalen. First things first.   8.  1995 Na vier maten inzetten, timing is altijd lastig, maar hij voelt de tegendraadse stuwing, het ska-ritme van de muziek en zet in. Geen aarzeling, heeft Iris gezegd, de band volgt jou, de zaal gelooft jou. “Voor de tover in je ogen, voor de klik van dit moment, voor de noodzaak van het dansen, voor het voelen wie je bent,” ja, hij is in het ritme, in de maat, hij voelt het vertrouwen van de band en het nummer verdient zijn hoogste inzet. “Voor het water op je lippen, voor het broeien van het laag, voor het schreeuwen uit de kelen, voor de hunker naar het graag.”   “Geen bandleider, een Sologitarist, een zanger,” zo lang geleden is het nog niet dat iemand dat over hem heeft gezegd. Goed gezien, denkt hij, zelfs mijn vader zag het indertijd misschien wel goed. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen.” Het was misschien niets dan een uiting van machteloosheid van een man die zijn zoon zijn talenten gunde. In de zaal ziet hij bekende gezichten, natuurlijk is Helga er, zijn dochters zijn er. Achterin staan een paar van zijn collega’s, een glas in de hand. Dat hij zich met mensen van zijn werk zo vertrouwd voelt dat hij hen durft uitnodigen. Dat ze dan ook nog op komen dagen. Blijkbaar hebben ze zelfs plezier in zijn optreden. Hij ziet Robert meezingen in het refrein: “ben ik hier gekomen / en ga ik hier niet weg / voor het me gelukt is / jou te zingen wat ik zeg.”   Terwijl het applaus nog klinkt, kijkt hij naar Stef, de pianist. Hij heeft de mensen geraakt, ze zijn rijp voor het nummer over de radelozen. Stef begrijpt hem en begint te spelen. Hij laat een paar maten lopen, het applaus sterft weg. Dan zet hij in, zo zacht mogelijk. “Heb je het zelf geschreven?” vraagt het meisje achter de bar na afloop. Moet hij haar vertellen dat hij het Verdronkenoord voor zich ziet, als hij het nummer ziet? Het gedeelte bij de Platte Steenenbrug waar het water aantrekkelijk kan glinsteren? De kleine stap die nodig is, van de brug af? Maar dat hij zich op tijd in veiligheid heeft gebracht? Hij is de edele die zijn verantwoordelijkheid neemt, maar zich niet hoeft te schamen dat hij niet alle verantwoordelijkheid  aan kan. Mickey en Coby trekken aan zijn mouw, ze gaan naar huis, naar Sacha. Over een paar dagen ziet hij ze weer. Hij geeft ze een kus en blijft aan de bar staan. Om hem heen praten de mensen, hij drinkt zijn bier. Helga komt naar hem toe en vraagt of hij straks naar haar toe komt. Dit is de aantrekkingskracht van succes, denkt hij. Of is het de openheid die hij getoond heeft, de emoties die hij vertolkt heeft? Hij slaat haar uitnodiging af.   ’s Avonds ligt hij languit op het dikke vloerkleed dat hij ooit vanuit de Bijenkorf dwars door Amsterdam op de fiets heeft vervoerd, naar de flat die Sacha en hij pas betrokken hadden. Mickey heeft erop gelegen als baby, later Coby. Dat was al in Alkmaar. Bij de scheiding heeft hij het meegenomen, een stuk huisraad dat hem en de kinderen vertrouwd is. Het stevig donkerbruin komt hier mooi uit tegen de witgeverfde vloer. De enige die er tegenwoordig nog op ligt, is hij zelf. Op zijn rug, starend naar het plafond met de gestucte tierelantijnen die niets verbeelden en toch zijn aandacht bezig kunnen houden: gaat die buiging nu naar links of eindigt hij daar? Het antwoord doet er niet toe, hij mijmert over van alles en nog wat. Vanavond zijn het zijn collega’s, zijn werk. Wat een mazzel heeft hij gehad met zijn stap naar het juridische werk bij Piet Baars, hij is er terecht gekomen in een jong team. Mensen die nog niet lang en breed gesetteld zijn, voor het eerst samenwonen, in hun eerste serieuze baan zitten. Eerst vonden ze hem een vreemde eend, zijn aureool van hooggeplaatste manager was blijkbaar van Amsterdam naar Alkmaar doorgeseind. Maar hij is mee gaan doen aan de voetbaltoto’s, de vrijdagborrel, het gezamenlijk lunchen en vanzelf werd het contact gemakkelijk. Dat hij goed bleek in het werk en niet te beroerd is anderen te helpen, heeft zeker meegeholpen. Ze nodigen hem uit op hun feestjes, ze zien hem graag, en al heeft hij nog geen van hen thuis uitgenodigd, hij durfde het aan hen voor zijn optreden van vanmiddag uit te nodigen. Ze wisten al dat hij af en toe optreedt met een pianist, en nu hij eens met een band optrad, leek hem dit de gelegenheid hen te vragen.   “Voor de tover in je ogen…” zingt Robert de volgende dag op de gang. Johan lacht. “Geen tijd,” zegt hij, “ik ga naar de rechtbank.” Goed dat hij gisteren niet te lang is blijven napraten, tijdens het mijmeren op het vloerkleed is de adrenaline uit zijn lijf verdwenen, hij heeft zelfs goed kunnen slapen en is nu fris voor de ingewikkelde zitting van vanmiddag. De rechtbank heeft vorige week laten weten dat hij vragen kan verwachten over de toepasselijkheid van de Faillisementswet. Twee dagen heeft hij zich opgesloten in de bibliotheek, alleen voor de lunch kwam hij naar buiten. Hij heeft zijn betoog klaar.   Een paar uur later heeft hij alweer een adrenalinekick te pakken. Collega’s verzamelen zich rond zijn bureau. “Hoe ging het? Wat vroeg Stevens? En Vermaat, had hij wat terug te zeggen?” Even opgewonden als zij geeft hij antwoord. “Een gefundeerd betoog! Zo noemde Stevens mijn pleidooi. “Wat is uw reactie,” vroeg hij Vermaat. “Uw tegenpartij houdt een gefundeerd betoog en daar moet u toch op reageren.” Niets! Niets had hij ertegenin te brengen. Kat in het bakkie, gewonnen zaak, streep aan de balk.” Ineens hoort hij zichzelf praten. “Nou ja,” zegt hij, “we zullen zien. Ik ga vroeg naar huis. Doodop.”   Het verkeerde woord weet hij, als hij even later op weg naar huis is. Hij gaat via de binnenstad, een beetje breeduit loopt hij. Een man die een gefundeerd betoog heeft gehouden en nu moei is, voldaan. Niet doodop, dat is iets van een paar jaar geleden. Bij Slijterij Pels stapt hij naar binnen. Een Oude Vlek, het merk dat zijn vader vroeger al dronk. Met de fles onder zijn arm wandelt hij naar huis.   9.      Theatercafé, 1997   “Ga je mee iets drinken?” heeft zij gevraagd. “Het is de laatste keer tenslotte.” Vooruit maar. Sinds hij van werk veranderd is, kan hij door de week gaan stappen, hij is toch de volgende ochtend binnen vijf minuten op kantoor. En tegenwoordig slaapt hij weer goed, ook als hij een biertje of twee op heeft. Bovendien, het is de laatste keer, na vanavond ziet hij haar niet meer. Ze hebben elkaar tijdens de cursusavonden herhaaldelijk opgezocht als er in koppels een opdracht moest worden gedaan. Al op de eerste avond, toen ze een sprookje schreven, herkende hij haar als een goede schrijver. “Er was eens een prinses die altijd haast had,” hij vond het een sterk begin. Ja, met haar werkte hij graag samen. Maar zodra de sessie voorbij was, groette hij haar en verdween. Uit haar verhalen had hij begrepen dat ze zo oud was als ze eruitzag, een jonge vrouw, niets voor hem, hoe jong hij ook oogt. Maar vooruit, het is de laatste keer, welk risico loopt hij nu nog?   Even later zit hij in het theatercafé, hij kent het goed, vooral de plaatsen aan de bar of aan de stamtafel, maar zij heeft een tafeltje aan de zijkant gekozen, waar de muziek het gesprek niet kan overstemmen. Hij kijkt hoe ze aan de bar bestelt, ze komt er maar net bovenuit. In deze ruimte met het hoge plafond, de deuren waar een verhuiswagen onderdoor zou passen, valt hem voor het eerst op dat ze klein is. Ze heeft bruine ogen, ziet hij als ze proosten. Ze passen bij haar zwarte haar dat ze nu uit haar gezicht strijkt, misschien om hem goed te kunnen zien. Hij zou haar naam willen zeggen, horen hoe die uit zijn mond klinkt. Jo. Maar ze is hem voor, begint te praten. “We hebben nooit hoeven vertellen waarom we de cursus zijn gaan doen,” zegt ze. “Wat was jouw reden?” Hij stamelt, iets over taal en woorden, de beweging van een pen op wit papier, ontdekken van je eigen gedachten. Ze wil details horen, waar zit hij als hij schrijft? Hij vertelt over zijn tafel in de huiskamer, waarom noemt hij de kinderen die daar soms zitten? “Je hebt wel jong kinderen gekregen,” merkt ze op. Zal hij haar in de waan laten? Ach, eigenlijk kan hij haar gerust vertellen dat hij 45 is. Maar hij is er te laat mee, ze informeert naar zijn werk, lijkt geïmponeerd door zijn antwoord. Moeilijk werk, vindt ze. Hij moet lachen, denkt aan Dorien, zijn vroegere directeur. “Daar ben je toch veel te goed voor,” zei die toen hij voor dit werk wilde kiezen. “Het is wat ik goed kan,” zegt hij nu, “en wat ik bovendien goed kan verdragen.”   Als ze buiten naar haar auto lopen, zijn fiets onhandig tussen hen in, informeert ze of hij een relatie heeft. “En kinderen,” zegt ze na zijn antwoord, “zou je nog een keer aan kinderen willen beginnen?” Haar doortastendheid werkt aanstekelijk, hij aarzelt niet over zijn antwoord, al noemt hij eerst zijn leeftijd. Bij haar auto zet hij zijn fiets tegen een boom, hij voelt haar naast zich. Dan kijken ze elkaar aan.   10.      2000 “Dat moet je publiceren.” Johan hoort het de dichteres zeggen. Hij zit tussen de andere cursisten in de kring. Om de beurt lezen ze een gedicht voor dat ze sinds de vorige cursusdag thuis hebben geschreven. De attractie van de cursus is onder andere dat op de tweede dag de dichteres komt, een grote naam, juist vorige maand is de P.C. Hooftprijs aan haar toegekend. Misschien dat hij daarom extra zijn best heeft gedaan, altijd nog de jongen die wil laten zien dat hij tegenwoordig wel een goede spreekbeurt kan houden. Hij is ervoor op de zolderkamer gaan zitten, ’s avonds laat terwijl Jo slaapt en Leon in zijn bedje ligt te pruttelen. Hij houdt de deur open zodat hij de jongen kan horen, maar die heeft hem voldoende tijd gegund om aan de korte overzichtelijke regels te knutselen. Ze arriveert in de middag, leest voor, beantwoordt vragen. Mensen vragen naar de inhoud van haar werk, de betekenis van passages, maar het glijdt langs Johan heen totdat ze vertelt over haar werkwijze. Ineens ziet hij haar bezig. “Het gedicht moet op een systeemkaart passen. Dat komt omdat ik jarenlang bij de bibliotheek heb gewerkt, ik catalogiseerde boeken en daar gebruikten we systeemkaarten voor. Een rode lijn bovenaan en daaronder tien regels. Ik begon onder de rode lijn, eerst een witregel, dan vier regels, weer een witregel, en nog eens vier regels. Soms zette ik daarna een titel boven de rode lijn.” De beperking die het formaat van het kaartje oplegt, spreekt hem aan. Hij kan zich voorstellen dat hij naast Leons bed zit, met de ene hand houdt hij de fles in zijn mond, met de andere krabbelt hij een woord op een stevig kaartje. Bij het om de beurt voorlezen blijkt de dichteres een goede luisteraar te zijn, die prima feedback kan geven. “Die leren kap van de auto, heb je daar een bedoeling mee gehad,” vraagt ze en ineens zit de schrijver van het autogedicht met een wezenlijke vraag. “Leer is dode dierenhuid,” voegt ze toe, “je hoeft het er niet bij te denken, maar kijk eens wat je met die associatie kan.” Als Johan zijn gedicht heeft voorgelezen, zwijgt ze. Hij voelt al de teleurstelling: natuurlijk, de klankverbindingen zijn te opvallend, te gemakkelijk, het spelletje met de werkwoorden te voor de hand liggend. In de kring ziet hij de blikken, heeft de dichteres niets op te merken? Maar dan doet ze haar mond open: “Dat moet je publiceren.” Meteen betrapt hij zich op zijn gedachten: prijs niet de een de hemel in, dat maakt allicht de ander onzeker. Bouw je feedback op, houd het bij de taal en laat een oordeel zo lang mogelijk achterwege. Maar dan corrigeert hij zichzelf, dit gaat over zijn gedicht. Laat hij eens genieten van de lof, hij mag geprezen worden, wees toch verdomme niet zo verlegen! Maar wat hij vraagt is of zij kan uitleggen wat ze er goed aan vindt. Thuis zoekt hij de volgende dag het adres van het literair tijdschrift, stopt het gedicht in een enveloppe en voegt er nog een paar andere bij.   11.      2012 “Liefje,” staat er boven het briefje. “Ik ben met Leon en Micha naar het strand. Pastasalade mee. Er staan biertjes in de koelkast. Als je zin hebt, neem je ze dan mee? Onze vaste plek. Heb je geen zin, is het ook goed. Kus. “ Haar naam heeft Jo er niet onder geschreven. Hij trekt de koelkast open. Naast het bier nog een briefje. “In de schaal hierboven ook pastasalade. Vrije keuze.” Hij pakt een blikje, trekt het open en drinkt het in een paar teugen leeg. “Kunt u dit toelichten?” mompelt hij voor zich uit. Kom aan, er is een tijd voor woorden en er is een tijd voor daden. Tien minuten later zit hij in korte broek en met sandalen aan op zijn fiets. Oostenwind, het is alsof hij vanzelf vooruitgaat. Achter hem, op de bagagedrager, rammelen de bierblikjes. Hun vaste plek, hij hoopt dat ze er Bergen aan Zee mee bedoelt. Vroeger gingen ze voorbij Egmond naar het strand. Toen kenden ze elkaar nog niet lang. Ze praatten over hun werk. “Je bent scherp,” zei ze, “ analytisch. En je vindt altijd woorden.” Dat was zo, maar hij was blij dat ze hem tegen zich aantrok als hij eraan twijfelde.  Dat doet ze nog altijd. Tegenwoordig vinden ze het Egmondse strand voor een avondbezoek met de kinderen te ver fietsen. Ze zal bij Bergen zitten.  Bij de strandopgang Noord stalt hij zijn fiets. Hij klimt tegen de duin op, richting strand. Een stroom verbrande strandgangers komt hem tegemoet, er zal ruimte zijn op het strand. Op de top van de duin blijft hij staan en kijkt naar beneden. Helmgras kriebelt tussen zijn tenen. Ja, daar rechts, daar spelen Leon en Micha met een bal in het water. En kijk, daar zwemt Jo. Hij begint te rennen.   12.      Beloning voor goed gedrag, 2017 Zaterdag, de groene velden met de witte kalklijnen, bij voorkeur een zonnetje, een graad of achttien, een hooguit lichte bries. Hij ontbijt, haalt het dunne, zwarte jasje van de kapstok en voelt of de chronometer in het borstzakje zit. Hij staat even voor de spiegel, juist als zijn dochter roept dat ze vertrekt. In de spiegel ziet hij een man die nog wel een sprintje kan trekken. “Heb je je scheenbeschermers,” roept hij, maar hij hoort de deur al in het slot vallen. Het zal wel.   Wat later fietst hij op zijn gemak langs de brede vaart. Kleine rimpelingen in het water, het lijkt alsof het zonlicht opspringt en weer neerkomt. Achter de molens de polder vol ganzen. Een enkele kievit stuift op, een drieste vlucht recht omhoog, hoger, hoger, alle aandacht wil hij hebben, een salto, een duikvlucht. Opeens is hij verdwenen. Het is een dag waarop mensen gelukkig kunnen zijn. Toch voelt hij het knagen in zijn borst. Het is altijd zo geweest. Vroeger was het de zekerheid te kort te schieten. Nu herkent hij de kwetsbaarheid, de zelfverachting. Als het gevoel in zijn borst hem bevangt, heeft hij een mindere dag. Hij denkt en handelt, hij is actief, doet zijn plicht of wat hij graag doet, maar als hij stil is, voelt hij het knagen, zijn misprijzen. Het is niet slecht wat hij doet, maar het lijkt niet te tellen. Misschien is hij niet zo geboren. Zijn moeder vertelde hem dat zij na vier geboorten kort na elkaar geen vijfde wilde. Toen kwam jij, voegde ze eraan toe. Hij was het vijfde kind. Een jongen na vier meisjes bovendien, zoveel ongedurigheid was er in hem, ze sloot hem dikwijls op in de kast. Hij herinnert zich hoe donker het was en hoe het naar grondwater rook. Zijn vader wilde hem juist in het licht zetten en kon het niet verkroppen als hij ervoor terugschrok. Klappen leverde het op, scheldwoorden of zwijgen. Misschien hebben zij hem de zekerheid gegeven tekort te schieten.   Toch is er nu de lentedag. Bij molen C sjort de molenaar de kop met de wieken naar de zachte westenwind. Hard zullen ze niet draaien vandaag, maar alle beetjes zijn meegenomen. In de vaart slaan de riemen van de wedstrijdroeiers in het water. Het is het geluid dat zijn eigen peddel maakte, in het water van de ringvaart voor hun huis. Maandenlang hadden zijn zus en hij gespaard. Toen ze honderd gulden hadden, gingen ze kijken naar kano’s die te koop werden aangeboden. Steeds was hun bod te laag. Op een dag kwam papa thuis, het was in de tijd dat hij nog schillenman was. “Ik heb een kano voor jullie gekocht,” zei hij. “Geef mij jullie spaargeld, ik heb er honderd piek bovenop gedaan. Volgens mij is het een prachtding.” ’s Avonds had papa hen naar Halfweg gereden waar de kano lag. Hij was precies zoals ze hem wilden hebben, doorzichtige bruine glanslak, twee plaatsen achter elkaar. Dat je zo wiebelde als je erin stapte, daar hadden ze niet op gerekend. Misschien voelden ze zich ook ongemakkelijk omdat papa en de verkoper naar hen stonden te kijken. Toen ze eenmaal weg peddelden, voelde Johan zich prima.  Zijn zus had al gauw genoeg gekregen van de kano en meestal voer hij alleen de ringvaart af, elke slag bracht hem verder van huis. Hij voer helemaal tot aan het Nieuwe Meer. Daar was het water wilder. Hij stak de neus van de kano recht in de golven en liet zich drijven. Een sleepboot voer snel over het meer, de golfslag werd woest, nu moest hij de neus zeker goed op de golven houden. Of zou hij dwars gaan liggen, zich laten omslaan? Het water spatte over zijn lijf. Laat in de middag kwam hij doorweekt thuis, zijn moeder gaf hem op zijn kop, maar hij had niet het gevoel dat ze echt boos was. Zij hield ook van water. Ze had eens zijn plastic bootje uit het kanaal gered, toen hij als kleuter ermee op de steiger zat te spelen en het te ver van hem was weggedreven. Verdrietig om het verlies van het bootje was hij binnengekomen. Zij had zich snel omgekleed en was in het water gesprongen. Opgewekt stapte ze even later druipnat het huis weer binnen, zijn bootje in haar hand.   Hij zet aan en voegt zich in de stroom van jongens en meisjes met de zwarte sporttassen in hun fietsbak. Hij kan blijven zoeken naar woorden voor het gevoel van tekort, nooit zal hij eraan ontkomen. Het kan altijd in hem zijn geweest. Heel goed mogelijk dat zijn ouders het niet in hem hebben opgewekt. Wat maakt het uit? Je kunt jezelf niet veranderen, hoorde hij zeggen, maar wel je gedrag. Dus, wat maakt het uit waar de zekerheid  tekort te schieten vandaan komt, zolang hij er niet naar handelt? Gisterenavond riep zijn zoon zijn hulp in bij een werkstuk over de arbeidsmogelijkheden voor vluchtelingen. Wat weet hij ervan? Maar hij heeft gezwegen over zijn gebrek aan kennis, hij bleek de jongen te kunnen helpen. Louter zichzelf zijn, is misschien al genoeg. Being there.   Hij fietst onder de poort met het zwart-witte bord door, hij is aangekomen bij de groene velden, stalt zijn fiets en kijkt naar de vlaggetjes aan de cornerpalen, de netten die in de doelen schommelen. Echt weinig wind, altijd prettig voor de wedstrijd. In het wedstrijdsecretariaat zitten de mannen rond de koffietafel. Slechts een enkeling van hen vervult een taak, de anderen zitten er omdat hier een voetbalveld is, waar zij met andere mannen het eeuwige gesprek kunnen voeren. Ook zijn vader voerde vroeger dit gesprek, met mannen die de kleine Johan over zijn bol aaiden. “Kom op, naar buiten,” zei zijn vader dan. Hij had belangrijke kwesties te bespreken. Dat de scheids er vorige zondag weer helemaal niets van kon, dat hij in zijn tijd wel raad had geweten met die voorzet van de linksbuiten. Het zijn de kwesties waar het ook op deze lentedag nog over gaat. Johan luistert ernaar, maar praat nog steeds niet mee. Hij schudt Piet de hand en pakt een bal, twee vlaggetjes voor de grensrechters, een fluitje, een bloknootje en een pen. “Veld C,” roept Piet hem na.   Bal aan de voet, het schrijfgerei in een van de steekzakken van zijn jasje, het fluitje in de ene hand, de vlaggetjes in de andere loopt hij Veld C op. Voor het rechterdoel is het thuisteam aan het afwerken. De speelsters staan in een rij achter elkaar, ter hoogte van de middencirkel. Hij zwaait naar zijn dochter die gelukkig haar scheenbeschermers draagt. Aan de overzijde is de tegenstander nog bezig sprintjes te trekken. Hij blaast op zijn fluitje, schudt de handen van de coaches. Er melden zich twee grensrechters, hij geeft hen een vlaggetje. “Uitbal, achterbal, corner, buitenspel,” zegt hij, “voor een overtreding hoef je niet te vlaggen. Die beoordeel ik zelf.” Dan draait hij zich naar de beide aanvoerders die zich intussen in de middencirkel hebben gemeld. “Hebben jullie er zin in?” Na zijn beginsignaal volgt hij het spel op korte afstand. Hij vindt zich te oud om zelf nog te voetballen. Maar nu, met het gras onder zijn sportschoenen, is hij blij als een lange pass wordt gegeven, rennen moet hij dan, rennen om ter plekke te zijn als een duel volgt. Alert ook als de bal ineens in zijn richting wordt geschoten. Hij spreidt zijn benen, laat de bal passeren, het is alsof hij er niet stond, het spel gaat zonder onderbreking door. Eenmaal negeert hij een vlagsignaal van de grensrechter van de gasten. “Scheids,” hoort hij roepen. Hij laat het spel doorgaan, hij is benieuwd wat er gaat gebeuren als de aanval tot een doelpunt leidt. Maar de keeper vangt de zacht ingeschoten bal. Als ze in de rust het veld aflopen, komt de grensrechter naar hem toe. “Ik vlagde, scheids,” zegt hij. “Dat heb ik gezien,” zegt Johan,  “maar op het moment van spelen stond de aanvaller nog niet achter jullie achterste speelster. Geen buitenspel.” Hij ziet de man ademhalen, maar is hem voor. “Nou ja, wie weet, zag ik het verkeerd,” zegt hij, “of jij. Het werd in elk geval geen doelpunt.”   Na de wedstrijd brengt hij de spullen terug naar het wedstrijdsecretariaat. Dat is nu bijna leeg, op veld A speelt nu het selectieteam van jongens tot 19 jaar, daar staan de mannen ongetwijfeld langs de lijn. Alleen Piet zit nog aan tafel. Hij neemt de vlaggetjes van Johan aan, bergt de pen en het bloknootje op. De bal gaat in het ballennet. Samen vullen ze het wedstrijdformulier in: “1 – 1, geen bijzonderheden.” Piet geeft hem een consumptiebon. “Beloning voor goed gedrag,” zegt hij. “Daar doe ik het voor,” antwoordt Johan.   In de kantine wisselt hij de consumptiebon in voor een broodje bal. Eén hand aan het stuur fietst hij naar huis, het broodje in de andere hand, een snelle hap, de mosterd loopt langs zijn kin. In de vaart hebben de roeiers plaatsgemaakt voor kanovaarders. Geen vier in een boot, maar twee. Geen roeiers, maar peddelaars. Een andere aanpak maar ook deze boot scheert over het water. Misschien raken de peddelaars vermoeid, misschien raakt een van hen de slag kwijt, maar ze doen wat ze kunnen. Dat is genoeg.

Jan Loogman
0 0

Terras

Witte plastic stoelen die dit jaar nog niet gebruikt zijn, al is het toch al enkele weken warm. Er hangt een soort van krijt op, kalk bijna, zoals op glazen die uit een afwasmachine met goedkoop afwasmiddel komen. We gaan zitten aan een tafel die je vader nog gemaakt heeft, het hout is kromgetrokken door de zon, want schaduw komt hier nooit. Uit het open raam boven klinken kinderstemmen, de onze, het is al veel te laat, ze zouden al moeten slapen, morgen gaat de jongste op schoolreis. Het is een haperend gesprek, we draaien om wat dingen heen, bespreken eerst wat veilig is - het kamp in de zomer, de sandalen van de oudste, de auto die niet verkocht geraakt. Je hebt je haar anders, korter, het verwart me, je ziet er strenger uit, ouder ook. Je draagt kleren die ik nooit eerder heb gezien, kobaltblauw t-shirt, losse grijze broek, blote voeten. Je drinkt spuitwater met citroen. Je zegt dat aan dit huis geen geschiedenis zit. Ik denk dat de geschiedenis, de onze, hier bijna letterlijk uit elke baksteen spat. Ik zwijg. Je verwijt me dat ik klassiek geworden ben, ik slik, je weet als geen ander wat onder mijn vel kruipt. De kinderen blijven roepen, het is te warm boven, ze willen dat ik blijf, jij gaat boos naar boven, je blijft lang weg, ik staar wat naar de tuin, de heg die moet gesnoeid, het gras gemaaid. Het gesprek sukkelt voort, we struikelen over woorden, ze vallen tussen ons in op de tafel, jij snauwt. Ik voel iets van huilen aankomen, maar bijt het weg. Ik denk, waar ben jij gebleven? Waarschijnlijk denk jij net hetzelfde. De kinderen zijn het woelen in hun bed moe, ze hollen de tuin in, met hun blote billen op het ruwe hout van de schommel. Ik vertrek of ze gaan nooit meer slapen.  

Annelies
3 0

Ontmoetingen

Beste Kristien,   Ontmoeten wil zeggen: ‘toevallig tegenkomen’. Ik dacht eerst dat ik het moest zoeken in de buurt van ‘niet verplicht zijn’. Zo zie je maar dat een mens (of moet ik hier enkel over mezelf spreken) voortdurend woorden gebruikt die hij eigenlijk niet begrijpt.   Ontmoetingen dus. Er zijn er wel honderd die mijn leven een andere wending hebben gegeven. Ons leven hangt van toevalligheden aan elkaar en zo komen we af en toe iemand tegen met een weerhaakje. Maar wel één van de vriendelijke soort. Dat grijpt ons bij de lurven zodat we even stilstaan en die persoon aankijken, en luisteren naar zijn geheime, kosmische boodschap, die we soms decennia later pas echt begrijpen. Ik noem ze mijn reddende engelen.   Zo was er de moeder van een 6-jarig leeftijdgenootje die aan mijn ouders kwam vragen of ik niet mee naar haar school wou gaan. Rekruteren om zoveel mogelijk Vlaamse kinderen in die Vlaamse school in hartje Brussel te krijgen. Maar voor mij was het de redding. Anders zou ik wellicht in een Franstalig instituut zijn terecht gekomen. Ik mag er niet aan denken…   En er was “Madame Chocolat”, die telkens als ze in onze winkel kwam en mij zag drentelen in het deurgat voor mij een reep chocola kocht, Côte d’Or, Double Lait. Deze vrouw was gaan winkelen in de Innovation in de Brusselse Nieuwstraat op het verkeerde moment. Dat was eraan te zien. Haar gezicht lag helemaal overhoop met glimmende partijen die veel te strak stonden en die verbonden waren door vreemde, lange littekens. Maar doorheen dat alles keek zij mij steeds met een liefdevolle blik aan met haar piepkleine oogjes. Warmte is dubbel: soms leven-gevend, soms leven-nemend.   René noemden wij “de man met de hond”. Hij kwam vaak wandelen in onze doodlopende straat met zijn hondje. Statige man met een camera en oog voor schoonheid. Op zekere dag spraken wij hem aan en zo werden we vrienden. Maar het hondje stierf en René werd ouder. Hij geraakte niet meer tot bij ons. Jaren later zag ik hem bij de bushalte. Maar hij herkende mij niet meer en gaf afwijkende antwoorden op mijn vragen. Hij deed alsof ik niet goed bij mijn hoofd was terwijl de dementie toch vooral hem getroffen had.   En dan is er nog de virtuele ontmoeting met jou, via deze briefschrijven-cursus. Misschien zien we elkaar morgen, maar dat is dan geen echte ontmoeting meer, want met voorbedachten rade, aangezien we ons al een tijdje voor deze “Schrijfdag” hebben ingeschreven. En toch. Als we dat geen ontmoeting kunnen noemen, wat is het dan wel? Maar zal je wel komen? Ik vind al een hele tijd geen brieven meer van jou. Hopelijk ben je niet ziek of ten prooi aan ander onheil. Van hieruit wens ik je alvast sterkte en kracht. Kan nooit kwaad.   Hartelijke groet, Geert

Geert Moons
0 0
Tip

Stalkster

Verlies de controle. Omarm hem met heel je zijn. Google zijn naam. Daar verschijnt zijn foto. Klik. Zijn oprechte lach, alleen voor jou. Zijn ruwe krullen, waarvan de aanraking nog nazindert op je wang, uit de tijd dat je nog keuze had. Alsof je die ooit had. Zijn wit linnen hemd onder zijn beige linnen kostuum, dat een gesofisticeerde authenticiteit uitstraalt zoals alleen hij die heeft. Het is een stijl waar niemand mee weg komt, behalve hij. Alsof het uitmaakt wat hij draagt.   Klik. Hij doceert in Antwerpen, Leuven, Brussel, Amsterdam, Parijs. Parijs, waar hij gedichten schreef in Boulevard Jourdan. Alsof je wist dat ik die las. Parijs, waar jij jezelf verloor in Musée d’Orsay. Toen er nog te ontdekken viel.   Zijn thuisbasis blijft Gent. Gent, waar alle opties nog open lagen. Waar je naar hem verlangde in je kamertje. Waar je jezelf overwon en naar hem toe stapte. Hem sprak, minutenlang. Op de trappen van Blandynberg. Op de harde houten stoelen in de Universiteitsstraat. In de met mozaïeken betegelde gangen van Ledeganck. Aan de schuifdeuren van de supermarkt in Overpoort.   Gent, waar hij zijn arm om je sloeg, een minuut lang. Waar zijn lippen een seconde bereikbaar leken. Waar hij naar je zwaaide vanaf de overkant van de straat. Waar je jezelf geen houding wist te geven. Je hoofd draaide. Waar hij je geruststelde. Zei dat je je niet hoefde te schamen.   Maar de schaamte bleef. Was sterker dan jezelf. Overheerste je. Overmande je. “Hier scheiden onze wegen,” zei je gekscherend. Maar ik interpreteerde het letterlijk. Zelfs nadat je me opbelde, met een smoes over de titel van je thesis. Zelfs nadat je mijn naam riep aan Dampoort station.   Klik. Verlies de controle. Omarm hem met heel je zijn. Google zijn naam. Daar verschijnt zijn foto. Klik. Zijn oprechte lach, alleen voor jou. Druk zijn beeltenis af, bewaar ze in je portemonnee. Alsof hij altijd bij je is. Alsof het ooit anders zou uitdraaien.

het stille meisje
57 4

Weymouth - opdracht 8 Elisabeth Leysen

Hun huwelijksfeest was een feest met kerstbomen. Ze droeg een donkerbruine jurk, een dun wollen truitje en schoenen, bekleed met zijde. Ze was in de jurkenwinkel eerst naar wit gaan kijken, maar wit was niets voor haar, dat vond de verkoopster ook. Ze koos een jurk van Nicole Cadine. De jurken van Nicole Cadine deden haar denken aan de Russische romans die ze had gelezen toen ze nog studeerde en haar man had leren kennen. Haar man droeg een Palestijnse sjaal, bestudeerde Karl Marx en las El Pais. Dat vond ze heel indrukwekkend.   ***   Ze is een winterkind, geboren in december. Ze was nog maar een jaar oud en mocht al met de sneeuwman op de foto. Haar vader, de sneeuwman en zij, in de tuin van het oude huis van haar grootmoeder, waar ze woonden tot het nieuwe huis af was. De sneeuwman droeg een zwarte hoed. Binnen in het oude huis stond een grote kerstboom. De boom was een beetje kaal, maar dat was niet erg. Het was heerlijk stil in het oude huis met de sneeuwman. Buiten was het winter en binnen speelde ze met haar winkeltje. Het winkeltje had schuifjes en vakjes en doosjes. Soms kwam er iemand winkelen. Als er niemand kwam winkelen, dan schreef ze in een boekje. Na de winter kwam de zomer met een broertje. En nog twee winters later kwam de lente met een zusje. Kort voor het kerstfeest kwam Sinterklaas. Soms gingen ze kijken naar het nieuwe huis met de grote tuin. Haar vader plukte bloemetjes en plantte die op de hoge bergen zand die rond het huis lagen. Hij zette haar en haar kleine broer boven op een berg en dan gleden ze naar beneden. In de zomer was het nieuwe huis met de grote tuin klaar. Aan het eind van de tuin lag een pad en een grote weide. In de weide woonde een ezel. De ezel kon heel luid balken. De ezel is misschien een beetje eenzaam, zei haar vader. Als je achter de tuin het pad volgde en dan ook nog de rivier, dan was je heel ver weg van huis. Veel liever bouwde ze een kamp in de hoek van de tuin, tussen de eiken naast de grote den. Ze plukte madeliefjes en knoopte ze aan elkaar tot een halssnoer. In de zomer was er altijd een groot pannenkoekenfeest in de tuin van het nieuwe huis, met alle neefjes en nichtjes. De tantes bakten pannenkoeken en de nonkels maakten een groot kampvuur.   ***   Ze kon heel lang naar het donker kijken. Als ze maar lang genoeg keek, dan kwamen ze misschien, tante Martha en nonkel Marcel en nichtjes Conny en Maggy. Tante Martha was de jongste zus van haar moeder. Als tante Martha er was, werd iedereen vrolijk. Je kon haar in het hele huis horen praten en lachen. Tante Martha woonde in de Nieuwstraat, boven de supermarkt. Nonkel Marcel schilderde reclamepanelen. Hij schilderde dingen die je in de supermarkt kon kopen en schreef er dan in sierlijke cijfers de prijs bij. Toen ze haar eerste communie deed, had nonkel Marcel panelen geschilderd voor het feest, met de letters uit een liedje. Dank U voor deze nieuwe morgen, dank U voor deze nieuwe dag, dank U dat ik met al mijn zorgen bij U komen mag. Op een zondagavond in maart kwam een auto de oprit opgereden, maar het was niet die van tante Martha. Het was de auto van nonkel Roger, een van de broers van haar moeder en van tante Martha. Nonkel Roger maakte altijd grapjes. Nu maakte hij geen grapjes. Ze hoorde de grote mensen praten over gas in de badkamer en het roostertje in de deur dat was afgeplakt omdat het anders tochtte en hoe Conny was gaan kloppen op de badkamerdeur omdat nonkel Marcel zo lang in bad bleef en het was tijd om naar de mis te vertrekken. Op vrijdag werd nonkel Marcel begraven. Ze zag voor het eerst de andere oma van Conny en Maggy en de broer van nonkel Marcel. De broer van nonkel Marcel leek heel erg op nonkel Marcel. In de zomer huurde nonkel Roger een huis in Luxemburg, helemaal speciaal voor tante Martha en voor Conny en Maggy. Het was een groot huis, met genoeg plaats voor de hele familie. Vlakbij was een groot woud en als je daar ging wandelen als het donker was, dan kon je everzwijnen horen ritselen.   ***   Haar man groeide op in een huis zonder kerstbomen. Er moeten ooit wel kerstbomen zijn geweest, maar dan lang geleden. Voor een kerstboom moet je genoeg plaats hebben. Je moet opruimen en plaats maken. Er werd nauwelijks opgeruimd in het huis waar haar man opgroeide. Het was er dof en het rook er naar schimmel. Er was een kachel, maar die kon maar één kamer verwarmen. In de andere kamers was het koud en vochtig. Weinig plaats voor een mooi gedekte tafel en weinig plaats voor blije gesprekken. Ze hoorde vooral verwijten. En toch heeft haar man mooie verhalen verteld bij de uitvaart van zijn ouders. Hij vertelde over de tijd dat het huis nog glansde en over de tafel die zijn grootvader had gemaakt en waaraan de grote Camille Huysmans ooit had gezeten.   Ze kreeg vaak verwittigingen in het huis vol verwijten. Dat ze nooit een cent van hen zou krijgen. Ze hadden geërfd en dat had hen achterdochtig gemaakt. En dat ze nooit een goede vrouw zou zijn voor hun zoon, want daarvoor was ze veel te feministisch. Toen zij en haar man plannen maakten om te trouwen, werden de verwijten zo ondraaglijk, dat ze beslisten om te wachten. Het wachten heeft dertien jaar lang geduurd. Als ze haar man wilde zien, dan moest ze naar het grauwe huis. Daar deed ze heel erg haar best om te doen wat van haar werd verwacht. En toch liep het mis, soms. Dan had ze hen beledigd, vonden ze, en de dagen nadien werd haar man daarvoor gestraft. Haar vader begreep niet waarom ze zo lang wilde wachten op een man die duidelijk niet van haar hield. Als hij jou echt graag ziet, waarom wacht hij dan zo lang? Haar vader had moeten vechten om te kunnen trouwen met de liefde van zijn leven. Mijn grootmoeder verhuurde kamers aan studenten die voor ingenieur studeerden. Dàt zijn geschikte kandidaten, vond haar grootmoeder, niet die staalarbeider zonder centen en zonder diploma.   ***   Alfie von Heikenstein, zo heette ze. Alfie had een boekje met haar naam in. Zo’n boekje moet je hebben, zei haar vader, want anders ben je niet zeker dat ze niet meteen ziek zal worden en doodgaan. Ze hadden al eens een hond gekocht op de dierenmarkt, maar dat dier was heel erg ziek geworden en doodgegaan. Op een dag zijn ze Alfie gaan kopen, met de auto, bij een meneer in Nederland. De meneer woonde in een straat met allemaal dezelfde huizen en in de tuin had hij een groot hok met honden. Ze mochten kiezen uit twee honden, Alfie en Daisy. Ze kozen voor Alfie. Jullie mogen Alfie nu wel meenemen, zei de meneer, maar op zekere dag kom ik kijken of jullie wel goed voor Alfie zorgen. En als jullie niet goed voor Alfie hebben gezorgd, dan neem ik haar gewoon weer mee. Ze zorgden heel goed voor Alfie en toch heeft Alfie in het begin gehuild, elke nacht, drie weken aan een stuk. Alfie is wel groot, maar toch is ze nog heel klein, zei haar vader. Ze waren bang dat de buren boos zouden worden en zeggen dat het zo echt niet meer verder kon, maar dat hebben ze niet gedaan. Alfie woonde in een groot hok in de tuin. Dat hok was te klein voor mensen, maar als ze heel verdrietig was, dan kroop ze toch mee in het hok. Dat mocht van Alfie. Als ze op avontuur gingen, naar het water met het eilandje achter de Zandstraat, dan ging Alfie mee. Op zekere dag is Alfie heel erg ziek geworden en moest haar vader met Alfie naar de dierenarts. Toen haar vader terug was van de dierenarts, heeft hij heel lang bij het lege hok gezeten, tot het donker was. Na Alfie hebben ze nooit nog een hond gekocht, ook niet een hond met een boekje.   ***   Vijf jongemannen zitten aan een tafeltje met gekrulde poten en een marmeren blad. Op de vloer ligt een groot tapijt, achter hen is een muur met gestucte laurierkransen en zwanen. Er is veel licht in de kamer. De man in het midden zit achterstevoren op zijn stoel. In de ene hand houdt hij een sigaret, de andere hand raakt een stuk op het speelbord dat voor hem op het tafeltje ligt. De man rechts van hem houdt ook een stuk in de hand. De andere mannen kijken toe, een hand elegant ter hoogte van de kin, de andere hand losjes op een knie. Ze dragen een driedelig pak met witte stijve boord en een das. Hun haar ligt glad, met een zijscheiding en een golf. Op de achterkant van de foto ziet ze het handschrift van haar moeder. Hubert Caers, staat er. Dat is haar grootvader. En Afgestudeerden Normaalschool Lier? Haar grootvader was hoofdonderwijzer in de jongensschool aan de Rijnstraat. Het gezin Caers woonde in het huis bij de school. Meester Caers was een strenge meester. Als kinderen in de buurt niet gehoorzaamden, dan dreigden de ouders steevast dat ze naar meester Caers zouden worden gestuurd. Dat verhaal werd keer op keer verteld door haar moeder. En door haar vader, want die had nog in het zesde leerjaar gezeten bij meester Caers. Ze ziet de foto nu voor het eerst, ze heeft hem gevonden in een kast in de kamer waar haar vader is overleden. Dit is een foto van haar grootvader als een jongeman, die zelfbewust voor de camera speelt dat hij een gezelschapsspel speelt. Het valt haar op hoezeer haar nonkels op haar jonge grootvader lijken. Haar nonkels studeerden theologie, wiskunde en filosofie en spraken vreemde talen. Ze hielden van feestjes en van discussiëren, over gelijk wat, ze vonden alles interessant. Ze hielden van andere culturen en van snel rijden. Haar vader hield niet van andere culturen en van snel rijden, maar de nonkels deelden zijn passie voor fotografie en hebben hem geholpen met zijn nieuwe huis.   Ze had tot dan alleen de foto gezien die bij haar ouders in de woonkamer hing. Haar grootvader als een wat oudere, vermoeid uitziende man, met zijn vrouw en hun acht kinderen, op een zomerse zondag in de tuin. Hij is niet veel later overleden, haar moeder was nog maar zeventien. Ze had biologie willen studeren, maar daar was geen geld meer voor. Regentaat kon nog wel. Haar moeder nam haar en haar kleine broertje en zusje mee op tocht naar de bossen en paadjes achter de tuin, nog verder dan de ezel, en leerde hen de namen van alle bloemetjes en bomen. Op het einde van de zomer namen ze een emmertje mee en gingen ze op zoek naar braambessen. Thuis maakten ze confituur. Een hele muur vol. Haar vader had lange smalle planken bevestigd tegen de muur boven de keldertrap en daar vond je de potten met etiketten. Rabarber, pruim, aardbei, braambes, kweepeer.     ***   Het huwelijksfeest was in december, in een oranjerie, midden in een groot park. Binnen stonden overal kerstbomen. Haar man had een tekst voorgelezen die hij voor haar had geschreven. Hoe zij had gewacht tot hij weg durfde uit het grauwe huis. Na het feest zijn ze op reis gegaan, naar de plekken waar hij als kind was geweest met zijn ouders. Ze liepen langs de hele hoge palmboom en langs de grote boulevard waar zijn moeder had gekeven, zo hard dat de hele wereld het had kunnen horen. En ze liepen langs het parkje in de buurt waar zijn ouders een appartement hadden gehuurd en waar zijn vader hem Franse woordjes had geleerd uit een boekje. Haar man houdt van Franse woordjes uit een boekje.   ***   Toen de ouders van haar man nog leefden, kocht ze elk jaar twee kerstbomen. Een grote voor het huis met de hoge plafonds waar ze woonde met haar man en een kleine voor het grauwe huis. Voor een kleine kerstboom was nog nét plaats. Ze moest even aandringen, want de ouders van haar man vonden een kerstboom te veel gedoe, maar als de lichtjes werden aangestoken, dan gingen hun ogen heel even glinsteren. Het grauwe huis ging er heel even van glimmen. En de verwijten gingen er heel even van verstommen. In de plaats van de verwijten kwamen de verhalen, de wonderlijke verhalen over een voorvader die met duizenden schapen helemaal van Friesland naar zijn bruid in de Rupelstreek was gekomen. Of over de treinrit van zijn vader die krijgsgevangen was genomen en een brood had gekregen van Duitse soldaten. Of hoe haar man nog een kind was en aan de hand van zijn grootvader naar het winkeltje mocht.   ***   Er groeit mos tussen de kasseien naast het huis van haar vader. Dikke stukken mos. Ze herinnert zich hoe haar moeder op haar knieën onkruid van tussen de kasseien schraapte. Zeker zestig vierkante meter kasseien. Het had ook met een product gekund. Product in een spuitbus, sproeien, even wachten en klaar. Dat moet de buurman zeker gedacht hebben, toen hij met zijn fiets voorbij reed en mijn moeder met haar knieën op een kussentje zag zitten. De buurman had product en spuitbus klaar, maar hij zweeg, want hij wist dat het toch geen zin had. Haar ouders waren tegen producten. Haar vader zit voor het raam in de keuken. Vier maanden na de dood van haar moeder kreeg haar vader een herseninfarct. Precies op vaderdag. Ze hadden nog samen pannenkoeken gegeten en toen haar zus en zij alweer weg waren, kreeg hij het infarct. Ze hebben hem pas de volgende dag gevonden. De dokters hadden voorspeld dat hij nooit meer naar huis zou kunnen, maar na vier maanden revalideren mocht hij weer naar huis. Sindsdien zit hij voor het raam in de keuken en slaapt. Eerst dachten ze nog dat ze hem moesten aanmoedigen om te bewegen, dingen te doen, maar daar werd haar vader heel ongelukkig van. Alsof hij een luierik was. Als je veel slaapt, dan is dat omdat jouw lichaam dat nodig heeft, had de neurologe vriendelijk gezegd en dat was het einde van de aanmoedigingen. Als haar vader niet slaapt, kijkt hij naar de tuin. Ze vermoedt dat hij het wel erg vindt, van het mos, maar hij zegt dat het hem niet kan schelen. Ze steekt een filmrolletje in de camera. Haar vader kijkt toe. Het is zijn camera. Meer dan vijftig jaar geleden had hij de camera gekocht, het invoerbriefje met de stempel van de douane zit nog in de fototas. Haar hele kindertijd is vastgelegd met die camera. Haar vader en zij in de tuin van het oude huis. Haar vader had net een sneeuwman gemaakt. Verjaardagstaarten met kaarsjes en vergenoegde kindergezichtjes. Alfie in haar nieuwe hok. Haar kleine zusje doodsbang op de slee die veel te snel de berg afgleed. Haar kleine broer en zij met de mutsen die haar moeder had gebreid. Zij, het oudste kind, is nu fotograaf geworden. Er woont een haas in de tuin, zegt haar vader. Hij heeft waarschijnlijk zijn leger onder de berg takken in de boomgaard achterin de tuin. Het is stil buiten. In de verte hoort ze de geluiden die ze al hoorde als kind. Het opgewekte zingen van de vinken. Suskewiet! Grote landbouwmachines die nog heel veel willen doen voor het donker wordt. De slaapvlucht van de kauwen. Ze heeft niet alleen foto’s, maar ook al enkele filmpjes gemaakt. Er is niet zo heel veel te zien op de filmpjes, je ziet alleen wat takken bewegen in de wind, maar je hoort de geluiden. Mijn vader heeft de foto voor haar laten afdrukken die ze vijf jaar geleden van haar moeder heeft gemaakt. Ze kan niet naar de foto kijken zonder heel verdrietig te worden. Ze maakt liever foto’s en filmpjes van de tuin. In de foto’s en de filmpjes gaat niets weg en blijft alles zoals het was.    

Elisabeth Leysen
0 0

keer je om, Orpheus- tweede deel

Zijn tante vertelt Hij wil zijn vader beter begrijpen en gaat bij diens oudste zuster, die kloosterzuster is. Laten we in de tuin gaan wandelen om daarover te spreken, Hendrik. De andere zusters moeten dat niet horen. Ze zijn vaak zo nieuwsgierig. Wat is de tuin klein geworden, tante. We speelden verstoppertje achter die bomen daar. Ja, waar is de tijd. Ge waart nog klein. En nu zo een grote man, zoals uw vader. Ik vraag me soms af  hoe het voor mijn vader was toen hij besliste om me aan de deur te zetten. Als oudste zus waart ge een vertrouwenspersoon voor hem. Uw vader was niet zo een gemakkelijke mens. Hij had zijn principes. En hij wou een goede opvoeding geven. Tot uw verkering met Marleen waart ge zijn trots. Ge studeerde goed en hij droomde ervan dat ge hem zoudt opvolgen. Hij had zelfs met de stichter van een verzekeringsmaatschappij afgesproken dat ge in Londen financiële wetenschappen mocht studeren op hun kosten. Dan zal het hem wel zijn tegen gevallen dat ik geneeskunde ging studeren. Ikzelf had het gevoel dat ik voor de verkering met Marleen  een marionet was in zijn handen, te laf om voor mezelf op te komen Ze lopen intussen over het bruggetje dat over de vijver ligt. Ze blijven staan om naar de vissen te kijken. Het water is diepte en hoogte tegelijk. Een spiegel om in de tijd terug te kijken. Ik heb met hem gesproken in de tijd van de breuk tussen u beiden. Hendrik dit is zeer vertrouwelijk, hé. Ik wil onze François niet tekort doen. Dat is niet de bedoeling, tante. Ik wil hem beter kunnen begrijpen. Ze stappen verder. Uw beeld van een marionet, Hendrik, ik denk niet dat het voor uw vader klopt. Hij zag u als een sterke zoon, die in de sporen van zijn sterke vader zou stappen. Ik weet hoe goed hij het bedoelde, maar hij kon zijn affectie niet tonen. Hij was altijd de eerste om familie in nood te helpen. Materieel. Hij vertelde hoe vreselijk hij was teleurgesteld in u. Hij had nog maar pas gehoord dat ge verkeerde zonder dat hij iets wist. Hij had tranen in de ogen. Hendrik. Ik heb uw vader niet vaak zien wenen. Het was een harde. Maar in die periode heb ik hem zien wenen. Hij begreep niet wat er was misgelopen met zijn oudste zoon. Haar spreken spit bedolven herinneringen naar boven. Het boort dieper in nooit ontgonnen lagen. In de crisis kwam hij voor een dilemma te staan. Ik denk dat hij zich voelde als een kapitein wiens schip in groot gevaar was. Hij ervoer uw gedrag als een vorm van muiterij. De spanning en het verdriet waren onhoudbaar, ook voor uw moeder. En dus hakte hij de knoop door. Bijna als een chirurg die zijn eigen arm amputeert. Met zeer veel pijn en spijt. Beter dan mijn marionettenbeeld pakt uw beeld van een schip het geheel van wat er toen gebeurde. Misschien heb ik dat altijd wel ergens gevoeld. Ik heb ook nooit echt rancune naar va gevoeld. Ze lopen onder enkele grote beuken. Hij slaat met zijn hand op de grootste beuk. En de eik en de beuk staan niet in elkaars schaduw.Tante glimlacht. Dat is variante op een vers van Kahlil Gibran, Hendrik, dat wel goed past bij u en uw vader. Wat ik toch nog niet goed begrijp waarom verkeren zo een muiterij was, tante. Ik wil proberen dat nog duidelijker te maken. Het is een aantal stappen stil. Ge hebt hem toen een brief geschreven. Hij heeft me die laten lezen. Een zeer eerlijke brief. Ge waart nog jong en ge deed het zeer hard. Ge wilde hem niet kwetsen, maar het kwetste hem heel erg. Ze botst  op een harde kern. Het doet pijn. Hij zucht diep en knippert met zijn ogen. Het is goed dat ze rondlopen. Dat ze in beweging blijven. Hij wil haar niet onderbreken want het is kostbaar materiaal dat nu naar boven komt. Op een bepaalde manier hebt ge daar de vinger op enkele pijnlijke plekken gelegd. Zijn seksuele moraal speelde sterk mee. Voor hem was langer verkeren dan een jaar onmogelijk. Hij was overtuigd dat er dan seksuele betrekkingen van komen. Dat was voor het huwelijk ontoelaatbaar voor hem. Dat wou hij absoluut voorkomen.  Hij vond u daarom een slecht voorbeeld voor de andere kinderen. Ik kende vooral  zijn zorg om de studies. Ikzelf wilde meer vrij zijn om met Marleen onze liefde te kunnen beleven. Dat het seksuele zo erg meespeelde, wist ik niet. Of misschien wel. Het werd niet uitgesproken. Wat ik niet begrijp is waarom hij zo principieel was. Er waren meer ouders in die tijd bezorgd over de voorhuwelijkse betrekkingen van hun kinderen. Maar die zetten hun kinderen toch niet op straat? Misschien ligt een verklaring in zijn jeugdjaren. Dat zult gij als psychiater beter kunnen uitleggen dan ik. Mijn vader dat weet ge, had een grote zwakte. Hij had een zeer goed hart en was een harde werker, maar alcohol…Ze zwijgt even. Als het te moeilijk is om daarover te spreken, moet het niet, hé tante.Ze herpakt zich. Uw vader als oudste en ik als oudste meisje moesten onze vader vaak uit het café gaan halen. En ik denk dat het op uw vader als jongen een grotere indruk heeft gemaakt dan op mij als meisje. Zou dat kunnen, wat ik nu zeg? Mijn moeder hield  het huishouden recht. Bedoel je de invloed van het rolmodel dat uw vader was, die eerder afwezig was als autoriteitsfiguur en dat mijn vader dit absoluut anders en beter wou doen. Dat denk ik. De scherven die nu naar boven zijn gespit, lagen op de straten van een verborgen stad, begraven onder het puin van het verleden. Ze keren zwijgend naar het klooster terug voor een tas koffie en stukje taart. De zusters krijgen na het weekend  van een bevriende patissier altijd een aantal taarten die niet verkocht zijn.                                                                                   ++++++ Mijn vader was onzeker over zijn vader zijn. Hij had geen goed rolmodel gehad. Ook ik vond mijn model niet goed en wilde het beter doen. Slaan van de kinderen heb ik moeten afleren. Als ik te veel spanning voelde, liet ik het aan Lieve over om op te treden. Zo kon ik mijn onzekerheid camoufleren. Vader heeft zijn onzekerheid ontkend en houvast gezocht in strakke regels en harde discipline. Zijn God was een strenge, straffende God. De God die de mens verdreef uit het paradijs. Een noodzakelijk stap in de menswording.                                                                                   ++++++ De gedachten zijn vrij De tijd dat hij machteloos achter het venster stond te brullen is voorbij. Zijn vader stond toen buiten, in de garage zijn broer op te wachten. Vader had zijn broeksriem rond zijn hand gedraaid en zou zijn broer afranselen. Die was tegen de zin van zijn vader naar een voetbalmatch van zijn klas. Zijn broer reed met zijn fiets de weg op naar de garage. Hij zag zijn broer achter het venster staan, glimlachte en wuifde. Hij had vader nog niet gezien. Hendrik maakte nog gebaren om het zijn broer duidelijk te maken. Te laat. Niets kon de opgekropte woede nog tegenhouden. Met gebalde vuisten. Als kanonskogels vlogen de scheldwoorden eruit. Smeerlap. GROTE SMEERLAP. Steeds opnieuw werd het kanon geladen. Smeerlap. Smeerlap. Zo luid dat hij er hees van werd. Het venster en de afstand verhinderden dat vader hem kon horen.  Vandaag is hij op weg als reactie op een telefoontje van zijn zus.Hendrik, va heeft ons allemaal verboden om nog met u contact te hebben. Wat? En waarom? Hij zegt dat je communist bent. Je wist niet welk uur de mis was in Holsbeek. Hij wil nooit nog bij een van zijn kinderen blijven slapen. Het voorbije weekend zijn va en moe bij hem komen logeren. Het was zaterdag in de vooravond. Hendrik woont samen met Lieve op een boerderijtje. Pica, de hond blaft als de auto van zijn vader op het erf rijdt. Hendrik gaat naar buiten om hen te verwelkomen. Dag va. Ze geven elkaar een hand. Dag Hendrik. Hij geeft zijn moeder drie zoenen. Dag moeke. Jullie wonen op een heuse boerderij en ze wijst naar de stallen en naar de rondscharrelende kippen. Ze kijkt omhoog naar de til waar de duiven zitten te roekoeën. En zelfs duiven zoals je opa. Hij had de beste reisduiven van Dokkum.Zijn vader is op weg naar de tuin. Allee, ge gaat uw grootouders achterna. Hij bukt zich bij een pompoen. En wat is dat voor iets? En waarvoor dient dat stro tussen de bedden? Om niet te moeten schoffelen? Jong volk, lui volk. Kom laten we binnen gaan. Lieve heeft konijn klaargemaakt. Zelf gekweekt. ’t Is konijn op zijn Vlaams. Leuven Vlaams, lacht zijn vader. Aan tafel. Na de tomatensoep met balletjes, komt al snel de politiek binnenwaaien. Vader blaast de eerste windstoot. Israël heeft dat weer goed aangepakt. Wil hij nu een confrontatie met mijn nieuwe politieke visie? Wat wilt ge zeggen, va?Volgt ge dan ’t nieuws niet? Ze hebben korte metten gemaakt met die vliegtuigkaping, ergens in Afrika.Ja, maar Israël heeft op illegale wijze massa’s Palestijnen verjaagd en die willen zich daartegen verzetten. Tijd voor het konijn! Lieve begint de soepborden af te ruimen. Het is wel Israël dat van de woestijn vruchtbare grond gemaakt heeft. Hij wil weer het laatste woord, godverdomme. Hendrik ademt diep in. De tegenwind komt eraan. Die wind zaait, zal storm oogsten.Ik versta niet dat de joden die zoveel ellende hebben gekend, nu hetzelfde doen. Een tijd geleden hebben ze nog met scherp geschoten op vreedzame betogers. Ik weet niet hoeveel doden. Die Arabieren die er woonden leefden in armoede omdat ze niets met het land deden. Ze kunnen er nu mee van profiteren, als ze willen. François, ga je nu ophouden met die discussies. Proef liever hoe lekker Lieve gekookt heeft. Moeder legt de wind stil.Ja, dat is waar. Vader steekt nog een stuk sappig bruin vlees in zijn mond. De saus drupt van zijn lip. Na het eten, in de zithoek.Hendrik, om wat uur is de Mis morgen? Even valt de stilte als een rotsblok uit de ruimte in het midden van de kamer. Een schokgolf. Brokstukken vliegen in het rond, door het hoofd van Hendrik. Het ontbreekt hem aan tijd of inspiratie om een stuk ruwe steen wat te polijsten of er iets creatiefs in uit te kappen.Dat weet ik het niet, va. Hoopt hij hiermee de zaak te sluiten?Lieve, wanneer zijn de missen in Holsbeek? Lieve is intussen voorbereid. Als we naar de mis gaan, is dat in de universitaire parochie in Leuven. Dat is om 10u30. Prachtig gevonden. Daar gaat hij toch niet naartoe, naar iets van de studenten. Thuis gekomen, sprak vader zijn fatwa uit. Na het telefoontje van zijn zus. Hoe durft hij. Met welk recht. De smeerlap. Plots staat hij weer achter het venster te roepen. 15 jaar oud. En dan staat hij op een kussen te kloppen. Een therapeut moedigt hem aan. Hij is in het psychodrama van zijn kindertijd terecht gekomen. Hij slaat vanuit zijn machteloze woede van vele jaren. Hij schreeuwt zoals toen. Maar nu met open venster. Een tegenspeler geeft tegenwind. Ge zult luisteren. Ik ben uw vader. Ge zijt nog een snotjong. De wind wordt een orkaan die alles door elkaar gooit, de lucht inslingert. Kort maar hevig. De orkaan verliest kracht. De wind verzwakt en valt stil. Al wat rondvloog, valt naar beneden en vindt een nieuwe plaats op de grond van zijn ziel. Nadien staat hij voor een lege stoel. Hij spreekt op een rustige manier tegen zijn vader en zegt dat hij nu geen snotjong meer is. Dat hij vanaf nu zijn eigen leven leidt. Hij neemt de telefoon en belt zijn vader.Va, ik wil eens afkomen om met u te spreken. Dat is goed jongen. Dan kom ik nu af. Hij gaat naar zijn boekenkast en bladert door enkele boeken over omgaan met agressie. Geen angst voor agressie. Woede helpt! Hou op! Je maakt met gek. De prijs voor de verdringing van agressie. Ik ben OK- Jij bent OK.Bij zijn platen valt zijn aandacht op Oh freedom, oh freedom. Hij leest de tekst en neuriet mee. And before I ‘ ll be a slave, I ‘ ll be buried in my grave, and go home to my lord and be free. Hij zingt het intussen luidop. AND BE FREE. Hij wil proberen duidelijk te zijn maar rustig te blijven. In de autorit blijft het lied zich opdringen. Oh freedom, oh freedom over me…and be free. Er voegen zich nog enkele andere liederen in de optocht. Leuven Vlaams stapt mee op. Er komen andere tijden. En we shall overcome. We walk hand in hand. We are not afraid.Hij glimlacht. Hij voelt zich solidair met alle onderdrukten. Eeuwenlang. Vast besloten om daar nu een stap in te zetten. De god die zijn kwaadheid blokkeerde, is dood. Kwaadheid over onrecht bevrijdt. Die Gedachten sind frei. Bij zijn vader. Vader ligt helemaal achteruit in zijn relaxzetel, de voeten op de kachel. Hij geeft hem de hand. Hij zet zich aan de andere kant van de tafel. Op veilige afstand.Va, ik ben daar niet mee akkoord dat mijn broers en zussen geen contact met mij mogen hebben. Ge weet wel waarom. Het begin van wat pingpong.Ik heb dat gehoord. Ge zijt een slecht voorbeeld. Het pingpongballetje wordt zwaarder.Wie geeft hier het slechte voorbeeld! Ge hebt dat recht niet! Ik ben hier nog altijd de baas. Een dictator, ja. Komt ge daarvoor?Hij zit hier niet voor een lege stoel. Het pingpongballetje wordt een steen; een ongepolijste. En de steen wordt… Ineens grijpt hij in zijn colère de schaar op tafel en gooit ze naar zijn vader. In een laatste reflex trekt iets of iemand zijn arm naar beneden. De schaar ploft in het midden van de kamer op het zachte vloerkleed. Zonder veel lawaai, in de vorm van een kruis. Oef. Terug in de auto, bedankt hij God. Een klein jaar later wordt Bram, zijn eerste zoon geboren. Ze gaan hem voor het eerst bij zijn ouders voorstellen. De kersverse oma, nonkels en tantes komen rond zijn draagmand staan. Wat een mooi kereltje. En een grote. Hij trekt op zijn vader. Neen, op zijn moeder. De nieuwe opa komt ook kijken. Va, zoudt gij graag peter willen zijn. Ja, jongen natuurlijk.De zachte wind door de kamer is een zucht van verlichting. Na al de spanningen van de voorbije tijd. Het is de eerste keer dat ik peter word. Dat moeten we vieren. Hij gaat naar de kelder en komt met een fles wijn naar boven. Daar moeten we op klinken. En hij is op dezelfde dag als ik geboren, roept een jonge oom. Op een familiefeest 15 jaar later. Bram draagt zijn haar in een paardenstaart. Op wat trekt dat nu. Als ge mijn zoon zoudt zijn, zoudt ge er zo niet bij lopen. Bram loopt in een wijde boog van zijn opa weg. Hendrik stelt zich recht en richt zich met duidelijke stem tot zijn vader.Va, Bram dat is mijne zoon en ge moet u daar niet mee bemoeien. Hij kijkt hem recht in de ogen. Even valt alles stil. Dan zet iemand een nieuw lied in en iedereen zingt mee.                                                                              ++++++Ik rijd met de fiets naar het werk. Lieve heeft daarnet bij het ontbijt gezegd dat ik er weer zo gespannen uitzie. Het ergerde me. Vooral dat woordje weer. Maar ze heeft godverdomme gelijk. Ik voel mijn nek en schouders. Een blok steen. Een rotsblok. Gebogen over mijn stuur trap ik stevig door. Ik zie niets. Blind voor de bloeiende Japanse kerselaars en de blauwe lucht, zie ik alleen wat er allemaal misloopt in de wereld. Niets hoor ik, doof voor de zangwedstrijd tussen merels. Ik hoor alleen mijn vloeken. Job die jammert: weg met de dag waarop ik werd geboren. Steeds stormachtiger worden de stromen van woorden. De zware steen op mijn schouders steeds onverdraaglijker. Ik wil niet langer als Sisyphus de rotsblok blijven naar boven duwen. Zo wil ik niet leven. Ik wil het niet. Het klinkt steeds luider. Lieve lijdt er ook onder. Waarom? Verzet. Protest. Maar tegen wie? De druk neemt toe. Een draaikolk trekt hem de diepte in. Het barst. Godverdomme, God. Laat mij met rust. Gij met al uw geboden en verboden. Met al uw verwachtingen. Ik kan de wereld niet redden. Godverdomme. Laat me los. Ik kom in een holle weg steil omhoog en schakel naar een lagere versnelling. In de schaduw van de bomen die de weg overdekken sleur ik mij de berg op. Ik vloek. Laat me los! Ik kan niet meer. Ik wil niet meer. De mond wijd open. Het zweet barst uit al mijn poriën. Binnenin slingert een orkaan alle heilige huisjes de lucht in. Hijgend, buiten adem kom ik boven. Ik schakel weer en kijk rond. Ik kom in een andere wereld. Mijn ogen gaan wijd open. Ik stop met trappen en laat mij uitbollen. Een uitgestrekte vlakte met velden en wijngaarden heet me welkom. Kraaien en eksters. En het lied van de merels. Mijn oren gaan open. Mijn adem wordt rustig. De zachte warmte van de zon. Hier hoeft niets. Tranen van vreugde om een herwonnen paradijs. Mijn nek en schouders vrij, dank ik God voor Zijn genade.                                                                            ++++++ Het lied van Oem. Hendrik loopt langs zijn boekenkast. Of liever zijn boekenkasten. De boeken trekken een spoor door zijn leven. Op sommige ligt stof. Alleen op de wereld. Bijbelatlas voor kinderen. Sprookjes van Grimm. Hij slentert langs die lang vervlogen kinderlijke paden. Op zoek naar…ja, naar wat? Een schab met enkele boeken van Marleen. Een glimlach. Maar hij loopt verder en komt op het pad van de sjamaan. Dik bezaaid met boeken, vol beelden van de sjamaan. Wat bezielt de sjamaan?  Het blijft een goede vraag. Maar plots struikelt hij over essai sur la transe. Dit is wel het eerste, denkt hij luidop. Je ontdekt nieuwe dingen door verloren te lopen en te struikelen. Wat hier als psychisch ziek wordt bestempeld, wordt in Afrika als de roeping van een nieuwe sjamaan gezien. Och. Carlos Castaneda. Een hele reeks. Wat heeft hij die verslonden. Zijn hart slaat een paar slagen sneller. Hij kan de verleiding niet weerstaan om enkele titels te lezen. Tales of power. De blik van de adelaar. The fire from within. En die psychedelische beelden op de omslagen! Onder een grote regenboog, één oog in het gerimpeld gelaat van een man dat door je lijkt heen te zien, omgeven door wolken en bloemen. Echt Salvador Dalí waardig. Hij maakt zich los. Hij voelt opnieuw in de opwinding van zijn lijf hoe aantrekkelijk deze weg is geweest en nog lijkt te zijn. Het verrast hem. Maar hij is definitief andere wegen ingeslagen. Hij steekt Castaneda terug op zijn plaats en schuift verder in de geschiedenis. De tijd van rondvliegen in de parapsychologie. Jammer dat ik niet in elk boek de datum heb geschreven wanneer ik het heb gekocht, denkt de autobiograaf anno 2017. Tenhaeff. Hendrik Van Praag. Professoren parapsychologie aan de universiteit van Utrecht.  Hans Bender prof in Duitsland. Hij zocht  een wetenschappelijk verantwoorde manier om hiermee bezig te zijn en wilde voorkomen om te gaan zweven in het luchtledige. Hij schudt het grijze hoofd. Sommige mensen leken over uitzonderlijke gaven te beschikken. Ene Croiset hielp door zijn helderziendheid onopgehelderde moordzaken oplossen. Hij kon voorspellen op welke stoel iemand zou gaan zitten. Alles onder strikt wetenschappelijk toezicht van een professor. Later bleek het enorme manipulatie. Was de prof verblind door zijn wetenschappelijke ambities? Maar zijn we dat niet allemaal? Poltergeisten. Nog zo iets. Hij doet het boek toe. Hier voelt hij niet langer de aantrekkingskracht van. Na het overgaan van Marleen was dat anders. Er leefde een onuitroeibaar geloof in hem dat als het mogelijk was om met geesten van overledenen te communiceren, hij dat zeker met Marleen zou kunnen. Daar stond hun liefde garant voor. Dat was zijn ambitie. Hij draait zich om en ziet zijn sjamanentrom staan. Hij glimlacht. Als hij op zijn kussen zit en begint te trommen en te zingen, vliegt hij door ruimte en tijd naar de voordeur van zijn leermeester. Hij belt aan. Het is een onopvallend huis in de rij. De deur gaat open en een vriendelijke vrouw heet hem welkom. Hij is verwacht. Achter haar verschijnt de man die hij een paar maand geleden heeft ontmoet. Een jonge zestiger. Lange grijze haren en een lange baard. Een paars, loshangend hemd en een wijde linnen pofbroek, gebroken wit. Een gezicht dat hij niet goed kan lezen. Volg me maar en kom mee naar boven, naar de tempel. Het klinkt als de kerkklok van zijn dorp. Een gewijde stilte in het kraken van de treden. Hij volgt hem op de smalle, steile trap. Door duisternis naar schemering. De tempel. Overal beelden en muziekinstrumenten. Trommen, rammelaars, sitars, triangels, gongs. De sjamaan wijst hem een kussentje waar hij mag gaan zitten. De leermeester zet zich tegenover hem, in kleermakerszit, achter een reeks klankschalen waar hij op begint te tokkelen. Wat ik kom doen? De trillingen van de schalen zegenen de ruimte zoals vroeger de rondvliegende stralen wijwater van de kwast van de pastoor de kerk zuiverden.Tijdens een studiereis in Malawi was ik te gast in het genezersdorp van Mluala. Daar ben ik als psychiater geïnteresseerd geraakt in de helende kracht van de trom.Hij bromt goedkeurend: Dat heb ik hier nog niet in mijn tempel gehad, ne psychiater. Hij neemt zijn trom. Een grote, platte trom met langs één kant een dierenvel beschilderd met allerlei symbolen. In het centrum van de trom staat een bruin rood hart. Het is tegelijk de kop en het lijf van een vogel wiens kleurrijke vleugels de hoogte ingaan. Op de rug van die hartvogel, een witte vredesduif, een blauwe maansikkel en een grote gele zon. De hartvogel staat met stevige poten in groene grond en op een hertenkop met een enorm gewei waarvan de vingers hoog de lucht ingaan. Hij klopt een vrij snel, eentonig ritme en zingt met een lang gerekte éé-klank. Het gaat op en neer, trager en sneller. Éééé. Soms klinkt iets van het gregoriaanse kyrie mee. Op zijn kussen laat Hendrik alles over zich komen en wacht af. Zijn ogen gaan dicht. Hij is terug in Malawi.  Een jaar geleden. Hij zit op een stoel samen met zijn collega in de grootste hut van het dorp. Ze zijn de enige blanken. De enige mensen die een stoel krijgen. In de hoek links van hen staan de drummers die er lustig op los trommen. Mluala gaat langs de zieken die in de half duistere hut verspreid op de grond zitten. Vlakbij de trommelaars is een soort dansvloer. Een paar vrouwen dansen. Op blote voeten. Hoe Afrikaanse vrouwen met de heupen wiegen. Hun kleurige kleren draaien rond. Ze dragen belletjes rond hun middel en rond de enkels en polsen. Ze genieten er duidelijk van om die te doen rinkelen. Ze schudden met hun billen, stampen met  hun voeten en draaien met hun armen door de lucht. Er wordt een man binnengebracht. Hij is ontmaskerd als heks in een conflict tussen buren en zal nu worden bevrijd. Hij draagt een bruine broek waarvan de pijpen tot op de knieën zijn opgestroopt. Een wit hemd. De vrouwen binden gewichten rond zijn middel. Hij krijgt ook belletjes om. Zijn gezicht is gespannen. Zware groeven in zijn zwarte huid. Zweetdruppels. Is er angst in zijn ogen te zien? Zijn dans begint erg houterig. De drummers versnellen hun ritme. Hij danst steeds sneller. De vrouwen wisselen elkaar af. Hij moet voort dansen. Plots wordt er geroepen. Trek zijn broek af. Hendrik krijgt een schok door zijn lijf. Na een kwartier, zet hij zijn trom naast zich neer en begint opnieuw op de klankschalen te tokkelen. Ik ben een scha maan en mijn artiestennaam is Shiva-Dji, zegt  hij met enige zelfspot. En welke vragen hebt ge voor mij als psychiater? Een lichte twinkeling in zijn ogen. In de psychiatrie zegt men dat emoties moeten verwoord worden, is het niet? Wel in het sjamanisme zegt men dat emoties moeten verklankt worden, dat is veel ouder dan het gebruik van woorden. Daarom werkt het veel sterker. Een eerste les in sjamanisme.Kwam ik in een soort trance en wat is het verschil met hypnose? vraagt Hendrik.Hypnose dringt zich op aan de patiënt. Hier gebeurt het vanzelf. In de ruimte tussen de klanken klinkt de waarheid.Dan stopt Shiva-Dji hem  een trom in de hand en hij zingt met hem mee. Een jaar later wijdt hij Hendrik in. Hij stopt een rituele schedel in zijn handen en vraagt wat hij voelt. Hendrik betast het ding maar er komt geen leven in. Tot de sjamaan begint te trommen en te zingen. Hij komt in het oude Egypte terecht. In een boom zit een gebochelde man die de voorbijgangers gadeslaat.Dat is uw beschermgeest. Hij zal u begeleiden op uw sjamanistische reizen. Door veel te zingen zult ge een eigen lied ontwikkelen, helemaal anders dan het mijne. Ge kunt ook zielen van overledenen helpen om los te komen van hun aardse banden. Wat moet ik me daarbij voorstellen? Het zal zich op uw weg voordoen, en ge zult weten wat ge moet doen.Een laatste waarschuwing. Als een sjamaan wordt ingewijd, grijpen er in zijn leven soms grote veranderingen plaats. Ik zeg u dat zodat ge niet verrast zult zijn. Dat zou Hendrik twee weken later zelf ondervinden. Tien jaar later. Maar laten we nu eerst tien jaar verder reizen. Vader is net gestorven. Hendrik is de voorbije nacht in zijn ouderlijk huis blijven slapen, zodat moeder niet alleen zou zijn. Vader ligt opgebaard in de voorste kamer. Mag ik wat trommen en zingen bij va? vraagt hij voorzichtig. Natuurlijk, jongen, doe maar, het is je vader.Hij zet zich aan de linker kant van het bed. De stilte is volkomen wit. Hij neemt zijn trom. Hij is door Shiva-Dji beschilderd met dezelfde motieven als de zijne. Met zijn linkerhand houdt hij de trom vast en met zijn rechter beroert hij zacht het strak gespannen vel. Trage, ritmische cirkels imiteren het ruisen van de zee. Een meeuw die meedrijft op de golven van het water. Tot hij zijn trommelstok neemt. Met een matige kracht, beaufort vier laat hij het hertenvel trillen. De meeuw vliegt op en duikt in de diepte. De witte stilte wordt doorbroken. De golven volgen elkaar op. Ze kleuren de hele ruimte. Zijn lied wordt het lied van OEM, een lang gerekt OE oe OE oe MMM. OE oe OE M M M. De beaufort gaat op en neer. Moeder komt erbij zitten. Rechts van haar man. Het verhaal van oem duikt verder de geschiedenis in, dieper in de emotionele zee. Het is mooi, zing maar verder als je wil. De broers en zussen komen binnen en zetten zich rond het bed. Over een half uur komt de begrafenisondernemer. Het hele gezin is volledig. Samen met hun moeder zijn de negen kinderen verzameld rond het dode lichaam. De lucht ademt hun geschiedenis. De ruimte tussen de klanken zuigt de emoties uit hun ingewanden. Gesnotter. Gebalde vuisten. Ontspannen. OE oe OE oe M M M. OE oe Oe oe M M M. Een beeld duikt op en vader verschijnt. Hij gaat zwijgend een berg op. Het is een zonnige dag. Er is weinig begroeiing in het dorre landschap. De weg wordt rotsachtig en kronkelt omhoog. Hij nadert de top en draait zich om. Hij wuift. Hij komt op de kim. Een laatste keer keert hij zich om. Ga maar verder vader, ga maar. Hij daalt af naar waar we hem niet meer kunnen volgen. Het lied van oem gaat verder. De begrafenisondernemer belt aan. Het zingen en trommen gaat door. Tot op de straat. De begrafenisauto rijdt weg. Buren komen kijken. De trom gaat naar binnen. Hij klinkt zachter. Bij het lege bed wordt de trommelstok vervangen door de hand die ritmisch over het hertenvel glijdt. Het geluid van de aanrollende golven van de zee, het geluid van de wind. De wind gaat liggen. De stilte neemt nu alle ruimte. De leegte. Het Niets. Niemand die iets zegt. In    de    L  E  E  G  T  E    tussen    de    klanken,    weerklinkt    de     waarheid. Heeft iemand zin in een tas koffie? brengt hen allen terug van de lege bergtop. Ze omhelzen elkaar. Zonder woorden worden spanningen vergeten. Ze waren altijd een gezin waar veel gezongen werd.                                                                                 ++++++ Ik droom.…tot we plots kop tegen kop staan de armen met wapens in de hand zakken langzaam en ontspannen heel langzaam ontwapen ik ik heb u uitgedaagd vader Ja, daarom ben je ook mijn zoon          aarzelend nog, twijfelend of ik hem wel mag vertrouwen vallen de wapens op de grond      ook die van hem Ook ik heb je uitgedaagd, zoon ja, vader, daarom ben je ook mijn vader kop aan kop blijven we lang genoeg staan om helemaal te ontspannen en de kracht en de waarde van de ander dankbaar te erkennen kop tegen kop                                                                                               ++++++                                   Keer je om! Hij trekt zijn stapschoenen aan en zet zijn groen petje op als bescherming tegen de zon. In zijn bruin lederen rugzakje uit Tunesië steekt hij zijn schrijfblok en een boek. Zijn twee wandelstokken zijn vaste gezellen sinds hij de camino naar Compostela liep. De vogels fluiten. Hij kijkt rond op de straat en ziet dat hij alleen is. Hij begint ook te fluiten. Hij komt in een veldweg en stapt op de brug over de wingebeek.Orpheus liet de hele natuur meezingen met zijn lied. Hij komt in een donkere holle weg. Hier komt minder zonlicht en hij moet zijn weg zoeken tussen de modder. Op depressieve momenten is hij vaak langs hier afgezakt. Naar een bank op het einde van dit donkere pad.Na de dood van zijn geliefde daalde Orpheus af naar de onderwereld. Hij zocht steeds hoe zijn depressiviteit te verbinden met God. Lectuur, schrijven en mediteren waren de ladders om omhoog te klimmen. Of was het om af te dalen in de diepte? Het boek dat hij laatst bij zich had, was De hemel begint in jezelf. Dan moesten de ladders helemaal niet groot zijn. Hij wil vandaag mediteren bij zijn geliefde Marleen.Orpheus zoekt de goden op. Hij wil zijn geliefde Eurydice zien.Op zijn bank begint hij te mediteren. Op het ritme van zijn ademhaling zegt hij als mantra de lettergrepen van het woord Maranatha, het Aramese woord voor Kom, Heer, Kom. De laatste tijd is hij diep in zijn verleden afgedaald. Hij heeft al de brieven gelezen die ze elkaar hebben geschreven en hun beider dagboeken uit die tijd. Enkele weken geleden liep hij in een beukenbos tussen enorme beuken die de ruimte vormden waar zijn verloren ziel in kon rondvliegen. Hij begon erbarmelijk te wenen. Hartverscheurend. Uit de diepte van het graf. En tegelijk riep een andere stem Het mag. Het mag. Naarmate hij harder huilde. HET MAG HET MAG HET MAG. Hij werd er helemaal rustig van. Hij heeft altijd gezocht naar de alchemie van dit proces. De formule blijft hem een geheim.Orpheus zingt zijn treurigste lied en overtuigt de goden dat hij niet geïnteresseerd is in de kwellingen in de onderwereld: Sisyphus, Tantalus, Prometheus, die de goden hebben uitgedaagd. Dat het enkel om zijn geliefde gaat. Ma ra na tha. Ma ra  na tha. Op weg naar de stilte duiken kwelgeesten op. Ben ik haar toch niet ontrouw geweest? Verdriet en schuldgevoelens. Hij stuurt er warmte naartoe. Dat is gemakkelijk om warmte te sturen. Je zou haar eeuwig liefhebben en hoe vaak denk je aan haar? Hij verzet zich op de bank en herneemt zijn maranatha. Ma ra na tha. Plots begint hij te wenen. Hij klemt zich vast aan zijn mantra en laat de tranen en de snikken hun weg zoeken. Ma ra na tha. Zijn adem wordt weer rustiger. Hij daalt dieper af en daar is ze! Zijn Marleen. Een warmte stroomt door zijn maranatha. De liefde!Orpheus overtuigt de goden van zijn grote liefde en Hij mag zijn Eurydice meenemen. Maar ze spannen ook een val.Maranatha. Marleentje. Ma ra na tha. Haar beeld wordt vager en tegelijk vervuld van licht. Licht in de vorm van een mandorla. Het schittert. Eén groot licht. Er klinkt een stem. Het is haar stem.Liefste, staar je niet blind op het licht dat ik voor je ben. Keer je om en ik zal jouw weg verlichten. Ga naar de wereld om te getuigen van onze liefde. We zijn toch geen mossel waarvan de twee schelpen aan elkaar geklonken zijn met in het midden het vruchtvlees van hun liefde? Keer je om en ga!Maranathamaranathamaranatha. Zijn adem versnelt. Dat beeld van een mossel. Plots verschijnt er een glimlach. Ze heeft nog steeds haar humor. Ma ra na tha herneemt haar rustige ritme op weg naar een diepe stilte. Daar zwijgen de demonen in zijn hoofd. Vol vrede, voorbij de onderwereld van Orpheus. Gedachteloos in het grote Niets, waar geen goden kunnen komen. Even toch, in het korte moment dat de alchemie werkt. Orpheus verliest zijn Eurydice een tweede keer en definitief. Hij wil niet meer verder leven. Hij wijst het leven af en wordt vermoord door de kansen die zich aanbieden.Ma ra na tha.  Zijn meditatiewoord dringt weer helder door. Op het ritme van zijn in- en uitademen. Een vogel roept hem uit de diepte naar boven. Hij knippert met de ogen. Hij zit intussen in de zon. Hij staat op. Daar is dat schitterende licht waarin Marleen veranderde. Hij glimlacht. Alles begint in hem te zingen terwijl hij terugkeert naar de bewoonde wereld. Kom zing een vredeslied en leer het aan je broeder. Ja, zing een vredeslied, zoek in elkaar het goede.Hij springt over de plassen, niet bang voor de modder. En ineens moet hij aan die mossel denken. Hij lacht. Misschien moet ik wel eerst voldoende gekookt zijn, voordat de mensen kunnen genieten van het lekkere mosselvlees. Hij zingt verder. Sluit vriendschap voor het leven, strooi liefde om je heen. Eén van de liederen in hun huwelijksmis.15 mei 2018. Hendrik Van Moorter          

Hendrik Van Moorter
52 0

Wat niet weet, niet deert deel 2

Regelmatig moet ze even gaan liggen. In de kostbare uren die ons nog resten halen we herinneringen op over ons gezamenlijk en over ons gescheiden leven.   We staan versteld van het gelijklopende traject dat we later doorlopen hebben, in dat leven zonder elkaar. We begrijpen niet wat er in elk van ons gevaren is dat we dit allebei, los van elkaar, aangevat en doorgezet hebben. ‘Waar haalden we opeens die ambitie, dat doorzettingsvermogen?’, vragen we ons af, ‘Waar kwam opeens die levensdrift vandaan?’   We kijken naar de twee levenloze meisjes in die donkere kelderkamer die alleen maar wilden slapen en verdwijnen. Nu pas kunnen we uitspreken wat we al die tijd van elkaar wisten. Hoe verloren we ons voelden, hoe slecht we ons konden aanpassen, hoe angstig en onzeker we waren. We praten over onze moeder. ‘Ze vroeg nooit hoe het met ons ging in Gent’, zegt mijn zus, ‘Zelfs nu kan ze zich er niet toe brengen om te informeren hoe het met me gaat’, zucht ze. Dansen bleek mijn zus haar natuur en werd haar passie. Beetje bij beetje moet ze loslaten wat ze beetje bij beetje opgebouwd heeft, haar dansschool. Ook als ze uitgenodigd wordt, komt mijn moeder niet kijken naar haar dansende dochter. Opnieuw een dochter die de onuitgesproken gedragscode ‘onopvallend op de achtergrond blijven’ doorbreekt. Daar wil mijn moeder geen getuige van zijn. Wat niet weet, niet deert.    Mijn huwelijk Mijn huwelijk is een schuilplaats waar ik me onopvallend op de achtergrond kan houden, maar de controle op mijn middenrif verzwakt. Ik heb drie kinderen. Ik probeer de moeder te zijn die mijn moeder niet was. Voor het eerst lees ik niet de boeken uit de uitgebreide bibliotheek van mijn man. In de openbare bibliotheek ontdek ik andere boeken. Over opvoeding. Ik lees ze gretig maar ze brengen ook onrust. Over mijn eigen verleden. Wat altijd vanzelfsprekend was, is het niet meer. Het drama van het begaafde kind.*   * Het drama van het begaafde kind. Alice Miller   Ik sta in de woonkamer van ons hoge herenhuis. Ik kijk naar buiten. Groepjes studenten in het stadspark lopen af en aan. Gelach, gebabbel, fietsgerinkel, leven. Het voelt alsof ik van hen gescheiden ben door een dikke glaswand. Mijn handen en voeten zijn geboeid. Ik begin te beseffen dat ik door de glaswand moet breken en dat ik mij moet bevrijden van de boeien. Ik heb geen idee hoe en of me dat ooit zal lukken. Het liefst zou ik op bed liggen en door het raam staren, net als mijn vader. En wachten tot het allemaal overgaat.   In het programma ‘De wandeling’ * zegt schrijfster, Yvonne Keuls tegen de interviewer, Joris Linssen : “Een van onze grootste opdrachten is onze eigen natuur volgen’. Ze lopen in een park waar ze een boom zoekt die ze tien jaar geleden gered heeft. Werkmannen stonden op het punt om hem om te hakken. ‘Geef hem een kans’, overtuigde ze hen, ‘Hij doet zo zo’n best.’ Met zichtbaar genoegen kijkt Yvonne Keuls naar het boompje dat nu een boom geworden is. ‘Kijk, hoe hij aan zijn natuur beantwoordt’. Ze spreidt haar armen wijd uit en staat daar even met open armen te stralen naast de boom, met zijn takken wijd gespreid.   * NCRV programma ‘De Wandeling’ 30 december 2017   Ik ben dertig jaar en mijlenver verwijderd van mijn natuur. Er zijn steeds meer momenten dat dit besef doorbreekt.   Op een avond kom ik samen met mijn man terug van een concert. We zaten tussen mensen die hun natuur volgden en er plezier aan beleefden. Dit besef is als een gifpijl binnen gekomen. Op het voetpad ga ik door de knieën. Ik kan en wil geen stap meer verder. Ik wil hier ter plekke doodgaan. Ik sla mijn hoofd tegen de trottoirtegels. Vanuit mijn middenrif komt een diep verdriet omhoog. De schaamte achteraf zorgt dat ik het terug probeer in het slikken. Het lukt me steeds minder goed om het allemaal weggeslikt te krijgen.   Er begint iets te veranderen. Ik droom dat ik me samen met mijn man in een grote ruimte bevind. Ik neem slechts een klein hoekje van de ruimte in. Het is vanzelfsprekend dat de rest van de ruimte hem toebehoort.  In mijn droom kom ik in opstand. Het duurt nog even voor ik dat in het werkelijke leven ook doe. De incidenten zijn niet sterk genoeg om me uit de oude doctrine los te rukken. Daar is een aardschok voor nodig.   Vakantie in Zuid-Engeland Het is zachtjes beginnen regenen. We kwamen aan met regen. We vertrekken opnieuw met regen. Daar tussen liggen, als een oase, veertien zonnige dagen. Mike zwaait ons uit. We blijven elkaar aankijken tot hij een wazige vlek geworden is. We zullen elkaar nooit meer terugzien. Hij weet het niet, en ik begrijp ook niet hoe hij het gedaan heeft, maar hij heeft bewerkstelligd waar ik zelf niet toe in staat was. Hij heeft me bevrijd van de demonen die mijn leven tot een hel maakten.   Nooit was ik er meer aan toe om even weg te zijn uit de vertrouwde omgeving. ‘Away from everything’ staat er in de aankondiging van het vakantiehuisje dat we, in het begin van de zomer, met het hele gezin huren. Everything is de man die mijn leven binnengedrongen is.   ‘Let it please be him oh dear God it must be him, it must be him,or I shall die’’   zingt Vikki Carr gepassioneerd en ik met haar, terwijl ik tegelijk bid en smeek om me te verlossen van deze gesel, van de onweerstaanbare drang om bij deze man te zijn, door hem bemind te worden. Mijn verstand weet dat het een verloren zaak is. Ik wil mijn veilige haven niet in gevaar brengen voor een man die enkel wil spelen, een man die ik even begeerlijk als weerzinwekkend vind. Het verlangen drijft me naar buiten, uit de schulp waar ik me al jaren veilig schuil houd. De afkeer, de schaamte en de angst drijven me telkens terug, maar ik vind geen rust meer in mijn schuilplaats.   Mijn man slaapt gewoonlijk tot de middag. Hij is onwetend van de uitzichtloze strijd die ik dagelijks eenzaam voer tegen de monsterlijke verliefdheid waar ik me diep over schaam. Mijn man heeft geen idee dat ik me soms voel alsof ik langzaam aan het sterven ben, dat ik voortdurend een krop in de keel heb die het slikken moeilijk maakt. Hij merkt niet dat ik kilo na kilo verlies, net zoals mijn moeder het ook niet merkte in dat eerste jaar na de dood van mijn vader. In het eerste jaar van het Lyceum. In het eerste jaar in Gent.   Ik was altijd ‘a master in disguise’. Maar het lukt me steeds minder goed. De onmogelijkheid en onwenselijkheid van de verliefdheid brengen de goed weggestoken gevoelens rond de dood van mijn vader naar de oppervlakte. Ik herken het oude verdriet, de angst en de schaamte. De oude onderdrukkingsmechanismen falen. Ik ben een vogel voor de kat.   Een vakantie in Engeland, ver weg van de man die mijn leven op zijn kop zette, zal me een rustpauze geven en de nodige afstand om terug op krachten te komen.    Mike, onze gastheer, werkt in Londen maar woont op zijn landgoed in Zuid Engeland waar wij deze zonnige zomer een paar kamers huren, die hij de flat noemt. Hij houdt van het buitenleven, van zijn honden, van het leven in zijn vijver. Mike  is veertig jaar. Hij kan niet geloven dat hij al zo oud is. Hij zegt het vrolijk. Elke ochtend maakt hij thee met melk en suiker en praten we in zijn keuken over het leven. Mijn man slaapt. De kinderen spelen in de tuin en met de honden en ik zit bij Mike in de keuken met de opengeslagen deuren. Doorheen de dagen kom ik stilaan terug tot leven. Ik bind een roze strik in mijn haar. De zon schijnt. We lachen en de laatste dag blijf ik achter om de flat schoon te maken voor ons vertrek. In plaats daarvan bedrijven we de liefde. De eerste en de laatste keer. “My darling”, zegt hij ‘I don’t want to be rough but we have to dress up’.   Ik moet terug naar mijn leven. Ik ben voorlopig genezen. Deze keer heeft Mike me bevrijd van de demonen. De volgende keer zal ik het zelf moeten doen. Tien jaar later zal een nieuwe fatale verliefdheid me opnieuw in de greep krijgen. Gelukkig zal ik dan al een stuk weerbaarder zijn.     Mijn man volgt wel zijn natuur. Hij gaat er vanzelfsprekend van uit dat zijn natuur mijn natuur is en ik spreek hem niet tegen. Ik weet nog niet wat mijn natuur is. Ik ben getraind om mij aan te passen. Dat doe ik met verve. Dat deed ik in mijn relatie al van bij de aanvang. Mijn lief, die later mijn man zal worden, is Mr. Higgins*. Ik lees alle boeken die hij me aanreikt. Ik ben volgzamer en gedweeër dan Elisa Dolittle*, maar een even goede leerling. Hij kleurt de lege ruimte in en ik laat mij inkleuren met een kleur die niet de mijne is. Ik heb geen kleur. Ik ga hoofdzakelijk in het zwart gekleed. Vele jaren later ontdek ik, met mijn natuur, ook vele andere kleuren en alle tinten blauw. Er is nu in mijn kleerkast bijna geen zwart meer te vinden.   *Georges Berhard Shaw, Pygmalion   In die laatste levensdagen vertelt mijn zus Annemie me dat haar man haar in hun eerste huwelijksjaren, leerde praten. We waren opgevoed tot zwijgen. Daar waren we allebei meesterlijk in geworden. Mijn man praat voor mij mee. Terugkijkend overvalt me het verkillend gevoel van schaamte bij diverse taferelen waar hij me meeneemt bij belangrijke kunstenaars en schrijvers. Mijn man voert breedsprakerig het woord en ik zit er zwijgend bij. Nog steeds als ik hem zie kan deze verkilling me overvallen.   We beseffen niet hoe deze herhaalde, voor mij vernederende taferelen, onze relatie diepgaand aantasten. ‘Waarom kwam ik niet in actie?’ vraag ik mezelf later terugkerend af. Het is moeilijk mijn doorgedreven passiviteit te accepteren en om mezelf gevangen te zien in die strakke doctrine van mij onopvallend en zwijgend op de achtergrond te houden.   Veel jaren later zal ik mijn brood verdienen met praten. ‘Dat jij zo’n hele dag zo natuurlijk aan elkaar kunt praten’, zegt één van de deelnemers aan een infodag ‘voorbereiding op pensioen’, ‘Ik zou het niet kunnen’. ‘Ik heb dat ook moeten leren’, zeg ik, zonder er dieper op in te gaan.   Eindelijk in actie We rijden de meer dan tweehonderd kilometer terug van Amsterdam naar huis. Ik heb stekende hoofdpijn, pijnlijk koude voeten, ik voel me misselijk en totaal uitgeput. Ook al kom ik elke keer in deze staat terug thuis, toch rijd ik vijf jaar lang, samen met Simone elke maand een weekend naar Amsterdam. We zijn de twee Belgen tussen de Nederlanders, dus carpoolen we samen naar onze bestemming. Emancipatoire ontwikkelingstherapie noemen ze het. Het is een intense combinatie van opleiding, studie en therapie. Er gaat een nieuwe, boeiende wereld voor me open maar tegelijk kan ik niet meer ontsnappen aan mijn eigen, zich langzaam ontsluitende binnenwereld.     We zijn tegenpolen. Voor Simone is het leven één groot feest. Ze beweegt zich lichtvoetig door het leven. Elke stap die ik naar buiten zet, weegt loodzwaar. Elke millimeter winst in de veroveringstocht tegen het oude dogma van je gedeisd houden, moet bevochten worden. Ik weet dat ik op weg ben mijn natuur te volgen, zoals Yvonne Keuls het zo mooi zegt, maar het voelt alsof ik tegen mijn natuur inga. Ik wil het leven ontdekken maar tegelijk wil ik me voortdurend verstoppen. In mijzelf gaan er voortdurend oude alarmbellen af.   In therapie Erica is mijn therapeute. Ze herspeelt de rol van mijn moeder. Dat doet ze goed, maar uiteindelijk te goed. Ze vergat eerst de fundamenten te versterken. De weerbaarheid op te bouwen. Een noodzaak om overeind te blijven, want de doos van Pandora is geopend. Ik word meegesleurd in een stroom van emoties. Soms lijkt het of de zwaartekracht geen vat meer heeft op mijn lichaam. De angst om alle controle te verliezen neemt soms psychotische vormen aan.   Vijf jaar eerder ben ik op bezoek bij Elga. Ze is opgenomen in een psychiatrische inrichting. We zijn even oud en hebben allebei drie kinderen. Onze mannen zijn bevriend. Ze zit apathisch op de sofa in de bezoekersruimte. Kettingrokend, zoals de meeste andere aanwezige jonge vrouwen. Door de medicatie zijn haar gebaren vertraagd. Het zorgt voor een bevreemdend, robotachtig effect. Ze praat nauwelijks en enkel over het eten dat niet lekker is. Na een tijdje komen haar man en kinderen binnen. Ze reageert er flauw op. Als ik terug buiten sta, stromen de tranen me over de wangen. Ik ben in shock, alsof ik net een luguber toekomstbeeld zag. ‘Nooit, maar dan ook nooit mag ik hier terecht komen’, herhaal ik voortdurend in mezelf, ‘Hier mogen mijn kinderen me nooit komen opzoeken.’ Als een bezwering blijf ik dit door mijn tranen heen voor me uit prevelen. Dit verontrustende tafereel blijft op mijn netvlies gebrand. Het beeld van de vertraagde bewegingen en de uitdrukkingsloze gezichten van de rokende vrouwen, duikt daarna regelmatig op in mijn dromen. Daar denk ik vijf jaar later aan terug. Het beeld werkt als een afweerschild tegen het verlangen om het op te geven, de regie uit handen te geven, te slapen en nooit meer wakker te worden.   Gelukkig ben ik erin getraind te functioneren, ook al ga ik vanbinnen dood. Ik wil niet, net als mijn vader, op bed gaan liggen en verdwijnen, ook al begrijp ik hem steeds beter en voelen zijn voetsporen aanlokkelijk vertrouwd. Ik wil de fakkel niet doorgeven. Ik wacht om in te storten tot ik alleen ben.   In een interview met Adriaan Van Dis* vertelt Stephen Fry over een documentaire die hij maakte over bipolaire stoornis, een aandoening waarop hij zelf al op zijn veertiende gediagnostiseerd werd. Hij vertelt:   ‘Ik sprak met een voormalige kapitein-luitenant ter zee. Hij deed een zelfmoordpoging door onder een grote vrachtwagen te lopen. Die verbrijzelden zijn benen. Hij heeft me de littekens laten zien. Het was gruwelijk. Tweeën een half jaar lang werden zijn benen voortdurend terug gebroken door de orthopedist om ze dan met pinnen terug vast te zetten. Deze kapitein-luitenant ter zee keek in de camera en zei: ik wil dat je lezers en kijkers goed beseffen dat de pijn in mijn benen die ik na mijn zelfmoordpoging drie jaar lang doorstond, niets was in vergelijking met de pijn die me ertoe gedreven had een eind aan mijn leven te maken’    * DWDD NPO1 8 maart 2018  'Hier is Adriaan Van Dis'   Ik bevind me op een waterlijn. Er is een constante kracht die me onder de waterlijn dreigt te trekken. Ik moet alles op alles zetten om dit te verhinderen. Onder de waterlijn ben ik weerloos ten prooi aan demonische angsten en duistere wanhoop. Alle lectuur van de afgelopen jaren studie en ontdekking haal ik uit mijn boekenkast. Ik voel bij elke zin die ik lees of hij me onder of boven de waterlijn brengt. Wat me eronder duwt, stop ik onmiddellijk. De zinnen die me erboven halen, schrijf ik op. Zo maak ik stilaan korte teksten. Bezweringsformules die ik voortdurend herschrijf en aanpas. Ik lees en herlees ze op elke vrije moment van de dag. Ze zitten in kleine briefjes in de zakken van mijn jassen, broeken en alles wat zakken heeft. Ik lees en herlees ze als ik onder de waterlijn dreig te geraken of er al onder zit. Soms moet ik een zin, waarvan ik weet dat hij helpt, tien keer herhalen tot hij binnen geraakt en ik terug boven de lijn uit kom. Ik maak de teksten steeds persoonlijker en directer.   Voor ik naar het restaurant vertrek, steek ik een ondersteunend briefje in de zakken van mijn donkerblauwe uniformrok. Ik moet opletten dat het niet uit mijn zak valt. Het zou me in verlegenheid brengen. Naast de opleiding die ik in Amsterdam volg, werk ik in een restaurant. Ik moet voor mezelf en voor mijn kinderen zorgen. Er moet brood op de plank komen.   In het restaurant Ik steek mijn hoofd om de hoek. Waar ik altijd al bevreesd voor was. Daar zitten ze, met zijn vieren gezellig babbelend, midden in zaal een. Zo noemen ze dat hier: de zalen. Zaal een als er niet veel volk is, zaal twee, als er meer volk verwacht wordt. In het weekend, als ze met hele families komen aanzetten, wordt ook zaal drie in gebruik genomen. Vandaag moeten we zaal een en twee bedienen. We zijn met drie vandaag, Thérèse, Liliane en ik, om het buffet aan te vullen, de borden af te ruimen, de dranken te bedienen. Ondertussen ken ik de belangrijkste wijnen en kan ik ze ook aanbevelen bij de juiste gerechten. Côte du Rhone, Côte de Baune, Sancerre, Matheus, enz. Ik heb ze ook allemaal geproefd. Regelmatig blijven er restjes in de fles achter.   De vier mensen in zaal een. Ik ken ze niet goed maar ze behoren tot de entourage van het leven dat ik achter me gelaten heb. Ik kan de zaal niet ingaan. Ik kijk naar mezelf in mijn uniform: de donkerblauwe smalle rok, de bloemetjesbloes met het blauw strikje. Natuurlijk zullen ze me herkennen. Ik zal ook al over de tong gegaan zijn. Een vrouw die geen reden had om zo’n goeie man in de steek te laten. Een gevallen vrouw die haar status verloren is. Het zweet breekt me uit. De koelkast van het restaurant is een kamer met schappen vol etenswaren. Ik vind er even verkoeling. Misschien kan ik mij ziek melden. Ik ben ziek van schaamte. Daarvoor kan ik niet bij de dokter terecht.   ‘Zit er al veel volk?’ Francis, als een engel doemt ze voor me op, ‘Ik heb mijn dienst gewisseld met Thérèse’, zegt ze. ‘Ik heb een feestje morgen’. ‘Ik ben nog nooit zo blij geweest je te zien’, zeg ik. ‘Nou, ik vind het ook fijn om je te zien’, lacht Francis, ’Wat is er aan de hand?’. ‘In zaal één’, zeg ik, ’Daar zitten ze. Ik kan ze niet bedienen.’ ‘Geen probleem’, zegt ze, ‘Ik zorg voor dekking. Doe jij maar de andere kant van zaal twee. Ik zorg wel dat ze snel buiten zijn’, lacht ze. ‘Maak je maar geen zorgen.’   Ze heeft niet veel woorden nodig om te begrijpen. Die woorden hebben we al uitgebreid gewisseld. Na de late shiften, als alles opgeruimd en opgekuist was, als we alle lege flessen in de glasbak gekeild hadden, als we de drankkasten terug aangevuld hadden en we verse tafellakens gedekt hadden voor het ontbijt de volgende dag. Er zijn weinig gezellige tafeltjes in dit grote restaurant. Eentje dat daar het dichtste bij aanleunt dekken we niet voor het ontbijt. We doven de grote lichten. Een klant stuurde me daarstraks terug met de fles Cabernet Sauvignon die ik net voor hem ontkurkt had. Hij beweerde een kurksmaak te proeven. Wij proeven er niks verkeerd aan. We klinken op een mooie toekomst, ook al ziet die er op dit moment voor ons beiden hoogst onzeker uit. Er valt veel te vertellen. We zijn twee drenkelingen aangespoeld op een vreemd eiland.   Francis komt uit Nederland.  Haar vriend is een Engelsman. Ze hadden samen een pub in Dublin. Toen die failliet ging kwamen ze in België terecht. Ondertussen heeft haar vriend haar verlaten. Ik vertaal  voor haar het sappige taaltje van vooral Angèle, die in haar enthousiasme altijd weer vergeet hoe onverstaanbaar haar zwaar Tienens dialect klinkt in de Hollandse oren. Het restaurant is voor ons beiden een transitzone. Francis zal terugkeren naar Nederland. Later zal ik haar bezoeken op de woonboot. Ik zal vanuit de donkere achtergrond voor het voetlicht treden.   Mijn eerste stappen voor het voetlicht Tien mensen zitten me afwachtend aan te kijken. Ik doe mijn kurkdroge mond open. Er komt geen geluid uit. De paniek neemt toe. Ik weet niks meer. Ik kijk naar de deur. Een vluchtweg die me trekt. Ik hou mijzelf op mijn plaats. Ik slik, en dan heel langzaam begin ik te praten. Alles wat ik zorgvuldig voorbereid had komt stilaan terug. Ik ontspan een klein beetje. Ik doorsta de sessie. De mensen kijken uit naar de volgende. Het thema ‘Van overlevingspatronen naar levenspatronen’ heeft gevoelige snaren geraakt. Ik ben zelf bezig dit in mijn eigen leven te leren. Het gaat niet vanzelf. Er moet heel wat overwonnen worden. Als ik thuis kom ga ik recht naar bed. De gordijnen moeten toe. Ik verdraag geen licht en geen geluid. Pijnstillers en ontspanningsoefeningen moeten helpen om mijn bonkende hoofd rust te geven. ‘Hoe lang ga ik dat volhouden?’, vraag ik me af. Maar er is geen weg terug. Ik heb een glimp opgevangen van mijn natuur en nu heeft ze me in de greep. ‘Waarom maak ik het mezelf zo moeilijk?’, vraag ik me bij herhaling af. Elke stap voor het voetlicht triggert diepe angsten: ‘Wie ben ik om…’, ‘Ze zullen me buitendragen’ en het voelt als, ‘Ze zullen me lynchen’. Keer op keer moet ik terug de arena in. Ze lynchen me niet en ik leer de angst te overwinnen en met deze ervaring leer ik, jaren later, anderen hetzelfde te doen.   Tien jaar later De deelnemers moeten op het einde van het leertraject een presentatie geven. Mijn collega’s en ik begeleiden het hele jaar drie groepen bankmedewerkers die allemaal op één of andere manier wat op een zijspoor terecht zijn gekomen. Soms was het een reorganisatie, soms was het een ziekte, soms een slechte relatie met het diensthoofd die hen op een zijspoor zette. Ieder heeft zijn eigen verhaal waarom ze deelnemen aan dit een jaar durende leertraject. Sonja brengt hen inzicht in belangrijke economische principes, Laura spijkert hen bij in de IT en Anita en ik helpen hen in het herstel van hun zelfvertrouwen en in de versterking van hun communicatievaardigheden. Ik begeleid hen ook naar de presentatie die ze op het einde moeten geven. ‘Voor een groep staan, over mijn lijk’, zegt Nathalie kordaat. ‘Dat durf ik nooit’, zegt Francine. ‘Een presentatie geven voor een groep. Het zweet breekt me nu al uit’. Allemaal hebben ze hun eigen argumenten om dit nooit te durven. Ik begrijp ze, ik ken elke variatie van plankenkoorts. Ik leer er hen stilaan mee omgaan en het belangrijkste wat ik zelf ook leerde: angst is geen reden om iets niet te doen.  En elk jaar opnieuw staan ze daar op het podium. En al trilt de stem en wordt er veel geslikt, ze doorstaan de test iedere keer. En wij, de trotse leraren zitten op de eerste rij naar onze leerlingen te kijken. En iedere keer opnieuw herinner ik mij de talloze keren dat ik er ook stond, soms terwijl de zenuwen door mijn lijf gierden. Ik leer mijn leerlingen: de angst wordt nooit zo door de anderen opgemerkt als ze door jou gevoeld wordt.     Steeds meer mensen vragen een persoonlijke begeleiding. Wat mij boven de waterlijn hielp, blijkt ook te werken bij anderen. Ik luister aandachtig naar vele verhalen. Ik schrijf ze uit, met ondersteunende teksten. Ik schrijf voor het leven, om op terug te vallen als ze terug onder de lijn dreigen te geraken. Ik schrijf hele boekwerken vol en leer mensen hun eigen hulpteksten te schrijven. Regelmatig moet ik ook voor mezelf opnieuw aan het schrijven. Als de oude angsten me weer eens in de greep dreigen te krijgen.     Afscheid van het oude huis Ik moet afscheid nemen van het hoge herenhuis. Ik moet mijn veilige schuilplaats verlaten. Ik kom eindelijk in opstand tegen de tweederangspositie in mijn eigen leven. Ik slaag er niet meer in om, net als mijn moeder, tevreden te zijn met een figurantenrol. Ik kan geen verlengstuk meer zijn van iemand anders. Ik moet mijn eigen natuur ontdekken.   Ik droom dat ik op een platgebrande vlakte sta. Als ik omkijk zie ik in de verte de stad met de warme lichtjes. Maar de poorten zijn gesloten. Het verleden biedt geen schuilplaats meer, de toekomst is versluierd. Ik moet mijn woonst opbouwen op de kale vlakte die zich voor me uitstrekt. Ik strijd tussen het gevoel van bevrijding en ontmoediging. Ik heb zelfs geen schop om een put te graven. Ik zal het met mijn blote handen moeten doen.   Nooit heb ik een moment spijt van de beslissing om mijn eigen leven te gaan leven. Nooit had ik gedacht dat het verlies van de veiligheid mij zo zwaar zou vallen. Alle energie is nodig om het heden te overleven, om stand te houden. Ik ben door het glas heen gebroken. De scherven haalden mijn huid open. De wonden bloeden nog. Ik beweeg me langzaam strompelend voorwaarts.   Er zijn nog meer intense dromen. In de droom zie ik kinderen spelen in een mooi vredig landschap, een groene wei met madeliefjes. De zon schijnt, hoge wolkjes aan de blauwe hemel. In de verte bergruggen met besneeuwde bergtoppen. De ouders zitten op een rood-wit geblokt doek met de resten van de picknick. Ze kijken glimlachend naar hun spelende kroost. Het besef dat ik een bom moet gooien op dit vredig tafereel, vervult me met afschuw.   Mijn constante zorg is dat het goed gaat met mijn kinderen maar ik kan niet vermijden dat er een barst komt in hun veilige basis.   De liefde De liefde blijft een moeilijk te bevaren zee. Als het gevoel aan het roer staat is het storm op zee en worden de oude scenario’s herspeeld. De herhalingsdwang blijkt zeer hardnekkig. Als het verstand stuurt is er geen wind in de zeilen.   Jan is twee jaar ouder dan ik en ook gescheiden. Hij heeft een vriendelijk gezicht en een goede inborst. Hij spreekt met liefde over zijn drie zonen. We fietsen samen in de zon en gaan ‘s avonds dansen op het plein. Ik weet het, maar ik wil het niet toegeven. Ik heb de regie aan mijn verstand gegeven. Jan zal me geen pijn doen. We kunnen samen wandelen en naar de film gaan. We zitten op het plein. Het is mooi weer. Zo wil ik het houden. Hij wil praten. Ik vrees wat hij wil zeggen. Ik probeer het kaartenhuis recht te houden. ‘Het is leuk samen’, zegt Jan, ‘we komen ook goed met elkaar overeen’. Ik bevestig het gretig. ‘Maar,’ vervolgt hij, ‘we zijn niet verliefd op elkaar.’ ‘Dat gaat problemen geven als één van beiden op iemand verliefd wordt’, zegt hij verstandig. Hij heeft gelijk maar ik wil hem geen gelijk geven. Ik dacht de herhalingsdwang te omzeilen en zo de oude demonen te slim af te zijn. Ik had opnieuw een veilige schuilplaats gevonden. Ik weet dat ik ze terug moet opgeven   Epiloog Ik hoor mensen vaak beweren: ‘Als ik mijn leven zou herdoen, zou ik net hetzelfde doen als ik gedaan heb’, ‘Als ik mijn leven zou herdoen, zou ik het totaal anders doen’, is mijn eerste reactie. Maar dan weet ik, met de identieke ingrediënten, zou ik misschien wel hetzelfde handelen.   Ik zou mijn leven onder geen beding willen herdoen. Ik kan enkel opgelucht ademhalen dat ik aanbeland ben op het punt waar ik me nu bevind. Op geen enkel punt in het verleden zou ik me terug willen bevinden. Misschien wil ik me ook in geen enkel ander ‘nu’ bevinden al had ik dat ‘nu’ graag langs meer zonnige en vrolijke paden bereikt, maar misschien is dat nu juist het resultaat van het bewandelen van de vele duistere paden. Ik herinner me diverse momenten waarop een doodlopend roemloos eindpunt schemerde maar gelukkig kwam het nooit zo ver. Ik heb dan toch, na veel dwaalwegen, mijn natuur gevonden en geleefd. En met ontelbare mensen, wiens pad ik kruiste in de voorbije twintig jaar, ben ik het pad een eind meegelopen, als gids, op de weg naar hun eigen natuur. Soms in groep, soms alleen.   Ik ben een gids geworden. En mijn kompas is het woord. Geschreven en gesproken.   In den beginne was het woord.   Ik maakte van zwijgen zilver en van spreken goud. Ik leerde de kracht van woorden. The Power of Words *   *  https://www.youtube.com/watch?v=Hzgzim5m7oU                                                                                                           Leuven, 21 mei 2018          

Haddie
0 0

Opdracht 8 - Dingen die niet overgaan - Veerle Schaltin

Dingen die niet overgaan     We zijn nooit voorbereid op wat we verwachten. James Michener           Dites, quel est le pas Des milles pas qui vont et passent Sur les grand’routes de l’espace Dites, quel est le pas Qui doucement, un soir, devant ma porte basse s’arrètera?   Emile Verhaeren     ©Veerle Schaltin 30 mei 2018             & 26 mei 1917   De nacht heb ik in een weide, geleund tegen een dode koe, doorgebracht. Dum-dum kogels schuifelden en ontploften langs alle kanten. De koe beschutte me tegen de schrapnels. Toen het geschut verminderde, krijste een koppel raven, aangetrokken door de lijkgeur boven mijn kop. Verderop waar kapotgeschoten huizen staan, kermden katten. Mijn gedachten tolden wilder rond dan de muggen rond mijn oren die wreed in mijn handen en gezicht beten. Nu strompel ik door het slijk van het ene naar het andere lichaam met opengesperde ogen en mond. Een dof gebrom van kanonnen in de verte vertelt me dat er nog leven is. Soms zak ik tot aan mijn knieën in de modder. Ik moet hem vinden. Ik moet. Ik steek mijn laatste sigaret aan en speur het hele gebied af. Een dik mistdeken bemoeilijkt dat. Maar ik moet hem vinden. Ik moet. Ik klauter over een lege loopgracht en hompel tot aan de spoorlijn.  Ernaast is een obusput waar dode Duitsers in liggen. Tussen de Duitse kleuren herken ik een Belgisch uniform. Ik spring op de levenloze moffen, schuif armen en benen opzij en draai het uniform om. Zijn lede ogen staren me aan. Het bloed rond het gat in zijn kop is opgedroogd. Ik leg mijn vingers erop alsof ze de wond alsnog kunnen stelpen. Ik druk hem stevig tegen me aan en jank. Ik jank zoals ik sinds mijn kindertijd niet meer heb gejankt.  Zo vergaan uren. De gevechten komen dichterbij. Ik hijs zijn lijk uit de put en tors hem op mijn schouders. Hij weegt als een kanon. Ik ben midden op een voetbrug als Duitse schuifelaars fluiten. Ik spring om uit het gevaar te zijn. Mijn bottine blijft hierbij achter een boomwortel haken en ik val languit voorover, met mijn gezicht vlak op de grond. Zijn lichaam kwakt naast me neer. Ik krijg een hele klodder drek binnen.  Met mijn handen veeg ik het grootste deel weg, de rest hoest ik naar buiten. Bruine fluimen vliegen in het rond. Plat op de grond kruip ik verder, zijn dode lijf als een zak op mijn rug, mijn hoofd onder hem geborgen. Als ik bij onze abri aankom, is die leeg. Ik leg hem neer en scheur zijn natte uniform vol bloed open. Dan wring ik zijn opgesteven lijf in een schoon kostuum. Alle tranen, die waarschijnlijk voor de rest van mijn leven waren bedoeld, gutsen er nu uit. Achter de abri graaf ik een put. Daar smijt ik stro waar we ons ’s nachts mee bedekken in. Ik leg hem zacht op het stro neer en gooi de put weer toe. Van takken maak ik een kruis en plaats dit op het graf. Ik kniel en wil bidden, maar de enige woorden die ik over mijn lippen krijg, zijn: ‘Ik had in deze put moeten liggen. Ik had hier moeten liggen.’                                                 h Stille strepen   De krantenpaginagrote tekening ligt tussen hen in op de gebloemde toile cirée. Farahildes hand gaat snel op en neer. Met fijne, haast onzichtbare streepjes kleurt ze de boomkruinen. Zijn hand beweegt trager. Als hij een stuk lucht heeft opgevuld, wrijft hij er in cirkels met een watje over. Zo krijgt ze levensechte schakeringen. Tussendoor grijpt zijn vrije hand regelmatig naar de Jupiler voor hem. De tekening is nog niet voor de helft ingekleurd als Farahilde blaast. ‘We krijgen dit nooit af!’ ‘Maar jawel!’ Nonkel Marcel legt zijn arm om haar schouder. ‘Al zullen we er nog uren zoet mee zijn.’ Ze rekt zich uit en springt overeind. ‘Ik heb dorst.’ Op Moékes sloefen met bolletjes die bij elke stap vrolijk tegen elkaar kletsen, huppelt ze naar de gang waar de cola fris staat. ‘Breng voor mij nog een pint mee,’ roept nonkel Marcel. Met twee flesjes keert ze terug. Het bier zet ze voor zijn neus. Zelf gaat ze met de cola aan de andere kant van de tafel zitten. Het moet duidelijk zijn dat ze voorlopig niet meer mee kleurt. Nonkel Marcel kapt zijn Jupiler binnen en komt met de nieuwe pils naar haar toe. ‘Misschien ben je al wat groot om nog te kleuren. Misschien moet je grote meisjesdingen doen.’ Hij laat zich op de stoel naast haar zakken. ‘Ik weet iets plezant.’ Zijn troebele ogen kijken haar anders dan anders aan. Vanzelf kruipt ze wat naar achter. Hij glimlacht en schuift dichterbij. Hij brengt zijn lippen naar haar oor. ‘Echte grote meisjesdingen!’ Even raakt zijn hand haar wang. Dan glijdt ze naar beneden en duwt haar kleed omhoog. Farahilde wil de hand wegduwen, maar ze is sterk. De hand streelt de rand van haar onderbroek. Zijn vingers met hun lange bruine nagels klauwen achter de rand en trekken de broek omlaag. Ze strelen tussen haar benen en dan kruipt een vinger in haar spleet. Hij duwt zijn vinger dieper in haar en beweegt hem heen en weer. Hij glimlacht nog steeds. ‘Is het plezant?’ Ze heeft haar lippen stevig op elkaar geklemd en schudt ‘nee’. ‘Als later je lief dat doet, zal je het wel plezant vinden.’   De keukendeur knarst. Moéke en Luc komen vanuit de tuin binnen. ‘Doeme!’ Hij trekt haar kleed snel op zijn plaats, giet zijn bier achterover en haast zich met het lege glas naar de tekenprent. Moéke blijft in de keuken, maar Luc stapt haast meteen de kamer in. Hij loopt door naar de gang om er een cola voor zichzelf te halen. Zo onopvallend mogelijk probeert Farahilde haar onderbroek terug op de juiste plaats te krijgen. Dan zet ze zich ook opnieuw aan de tekening en kleurt verder. ‘We zullen straks nog eens proberen,’ fluistert nonkel Marcel ‘Als ik ga slapen, kom ik wel bij je bed kijken.’ Ze buigt zich dieper over de prent en krast grove strepen. In de keuken draait Moéke een blik open en steekt het gasfornuis aan. Even later waait de geur van gesmolten boter die wel bruin wordt, maar net niet aanbrandt de kamer binnen. Een biefstuk knispert in de pan. ‘Ruimen jullie op?’ roept Moéke. Nog nooit lagen Farahildes kleurpotloden zo snel in de doos. Uit de lichtroze geschilderde kast neemt ze borden en bestek. Terwijl het vlees zacht sist, komt Moéke met een rieten onderlegger en een dampende pot patatten de kamer binnen. Ze lacht als ze ziet dat Farahilde al zo flink aan het helpen is. Dan haalt ze de biefstuk en de erwten met wortelen. Ze schept de borden goed vol. Farahilde schrokt alles naar binnen. Ze vult haar bord nog eens en nog eens, tot er maar één patat meer rest. Die prikt ze op haar vork. Daarmee sopt ze de laatste saus uit de vleespan. ‘Is er dessert?’ Moéke geeft haar een potje Saroma-pudding. In een mum van tijd is het leeg. ‘Mag ik nog een koek?’ Terwijl Moéke in de keuken water pompt en een moor op het vuur zet, verorbert Farahilde alle koeken uit het pak. Daarna helpt ze afdrogen. Voor elk kopje of bord dat ze in de kast zet, steekt ze een borstbol uit het blik op het snoepschab er vlak boven in haar mond.   Reusachtige vingers dansen op het plafond. Bij een windvlaag worden ze lang en smal en klauwen ze naar kleine meisjes. Farahilde draait haar hoofd weg. Ze ziet de contouren van Moéke en Luc die in de twijfelaar een paar meter verder slapen. Moéke ronkt. Beneden is er af en toe een gestommel. Dan knijpt Farahilde haar ogen dicht, maar houdt haar oren gespitst tot ze zeker weet dat de geluiden niet haar kant opkomen. Waarom moesten jullie naar dat stomme Parijs, Moeke en Vake? Waarom kon ik niet gewoon thuis blijven slapen? Haar ogen flitsen van de vingers op het plafond naar de slapende hopen naast haar en terug. Ze draait en keert.  Bij nieuw gerommel houdt ze haar adem in. Een streep licht onder de deur. Ze spint zichzelf een cocon. Voetstappen op de trap. De deur draait op een kier. De cocon smelt samen met het bed. Voeten schuiven naar de rand van het bed. ‘Psst, ik ben hier…’ Een geruis vlakbij. ‘Oh,… je slaapt al… Dat is spijtig…’ Het duurt eeuwen tot de voeten terug naar de deur schuifelen. Het hoofd dat bij de voeten hoort,  blijft in de deuropening hangen. Het duurt opnieuw eeuwen tot het verdwijnt en de deur zich sluit. En nog eens eeuwen voor ze haar ogen weer durft open te doen. De wind is gaan liggen. De vingers boven haar zijn stille strepen.   Poing. Pom. Poing. Pom. Uren aan een stuk al klopt Farahilde op de straat voor hun huis met haar raket tegen de tennisbal van haar jokari. De bal kaatst aan het elastiek weg en komt terug. Weg. Terug. Bij elke poing flitst een beeld door haar hoofd, alsof ze naar dia’s kijkt zoals op familiefeesten. Het kleuren van de krantenpagina. Nonkel Marcels grote meisjesspel, waarvan ze wel zeker weet dat ze het nooit plezant zal vinden, ook niet later met haar lief. De plafondvingers die haar die hele nacht wakker hielden. De prijsuitreiking gisterenavond.   Groepjes kinderen lopen rond tussen het speelgoed in de grote Christiaensens-winkel. Hun ouders praten met elkaar, met een drankje in de hand. Farahilde past rolschaatsen als iemand in haar arm knijpt. ‘Kiekeboe!’ Het is Jurgen, die in hun straat woont. Ze kijkt hem met grote ogen aan. ‘Heb jij ook met de wedstrijd meegedaan?’ Jurgen blinkt. ‘Ik denk dat ik hem misschien win.’ Farahilde heft haar schouders. Tussen de rekken spelen ze verstoppertje tot een microstem de laureaten op het podium roept. Ze zet zich naast Jurgen op de achterste rij. Haar ouders staan samen met de andere toeschouwers in een halve cirkel voor hen. Een meneer van de krant praat lang. Daarna komt de baas van Christiaensens aan het woord en dan de burgemeester. Farahilde bijt op haar lip als hij met een envelop zwaait. ‘Hierin zitten de namen van de winnaars.’ Hij opent de envelop. ‘Alle tekeningen waren prachtig, maar één sprong er uit. De winnaar is… Farahilde…’ Ze kijkt naar de grond. Dit kan toch niet? Na… na… heb ik niet meer gekleurd. Nonkel Marcel heeft de prent afgewerkt. ‘… lucht … levensecht.’ Ze hoort het nauwelijks. Jurgen stoot haar aan. ‘Je moet naar voor gaan.’ Ze strompelt het podium af. De baard van de krantenman prikt als hij haar het gewonnen boekenpakket met drie kussen overhandigt. Ze moet op de foto en vergeet te lachen. Ze krijgt looza en morst op haar kleed. Als iedereen al lang weg is, laten haar ouders hun glas nog eens bijvullen. Aan een tafel waarop nootjes staan, bladert ze in haar nieuwe boeken. Ze grabbelt de laatste nootjes uit de schaal. Als ze eindelijk naar huis gaan, klemt ze de boeken stevig onder haar arm.   Poing. Pom. Poing. Pom.  Plots staat iemand onder de plataan op het plein vlak naast Farahilde. Als Farahilde haar aankijkt, waggelt ze op haar korte benen naar haar toe. Haar petieterige armen zwieren hevig heen en weer. Gretige ogen en een hemelsbrede lach vullen haar te grote gezicht. ‘Wat doe je? Wie ben je? Waar woon je?’ De vragen spatten als zeepbellen uit haar mond. Voor Farahilde kan antwoorden, gaat het verder: ‘Je hebt me nog nooit gezien, he. Ik ben Sonja, het nichtje van Koen van achter de hoek. Ik logeer hier twee weken. Mag ik meespelen?’ Farahilde steekt de tennisraket naar haar uit. Ze toont hoe je die moet vasthouden en hoe je tegen de bal slaagt. De raket is echter te groot en te zwaar voor Sonja. ‘Die weegt zoveel als een koe!’ Ze kletst met haar handen op haar dijen, stampt met haar voeten op de grond. Farahilde haalt haar autoped. Maar ook daarbij kan Sonja amper met haar handen aan het stuur. Bovendien is ze na een halve toer rond het plein al doodmoe. Ze zetten zich neer in het gras. Sonja tatert erop los. Farahilde heeft nog nooit met iemand zoveel gelachen. Als Sonja toch even stilvalt, zegt ze: ‘Ik sta in de krant.’ ‘Een overval gepleegd?’ ‘Nee, een kleurwedstrijd gewonnen.’ ‘Wauw!’ ‘Eigenlijk heb ik zelf niet zoveel gekleurd. Mijn nonkel heeft het grootste deel gedaan.’ ‘Wat heb jij een toffe nonkel!’                                                     Luchtgitaar   Pas als de bel van de Williams door de straat weergalmt, zwaait de garagepoort bij Jurgen open en stormen Yves, Peter, Guy en Jurgen recht op de ijskar af.  Ze drummen Annick en Farahilde, die aan het hinkelen waren en het snelst bij de ijswagen stonden, opzij. ‘Wij hebben de hele dag gerepeteerd. Wij verdienen onze crème het eerst.’ De meisjes draaien met hun ogen. Ze schuiven achter de jongens in de rij aan.  Uit bijna alle huizen komen mensen gelopen die ijs willen kopen. Als het haar beurt is, haalt Farahilde vijf frank voor een chocoladefrisco uit haar broekzak. De volwassenen blijven op het plein praten over de voorbije dag. De kinderen lopen naar de andere kant van de straat. De jongens zetten zich op het betonnen hek van meneer Pannekoek neer. Annick gaat naast hen op de stoep zitten en Farahilde kruipt op de lantaarnpaal. Haar poep past net op de rand waar de iets bredere basis overgaat in een slanke mast. Ze likt aan haar frisco die snel smelt. ‘Spelen we sebiet potteke stamp?’ Peter zucht. ‘Wij hebben de hele dag gerepeteerd, he.’ ‘We moeten trouwens nog enkele nummers kiezen.’ Yves tokkelt op een luchtgitaar.  ‘En beslissen welke kleren we aandoen. Het optreden is volgende week al.’ De jongens drammen door. Farahilde laat zich van de paal zakken en zet zich naast Annick op de grond. Ze knikkert kiezeltjes die in de goot liggen de straat op. Hoeveel plezanter waren de vorige zomervakanties toen de jongens zich niet dag in dag uit in die stomme garage opsloten, maar we koersen organiseerden en rolschaatswedstrijden. Kampen bouwden en sprinkhanen vingen… en samen speelden tot we eigenlijk al lang in ons bed hadden moeten liggen… ‘Jullie moeten de tickets verkopen.’ Ze schrikt op uit haar dromerijen. Tickets verkopen… het is alleszins iets anders dan touwtje springen of met de barbies spelen…   De volgende dag knipt ze bij Annick in de woonkamer rechthoeken uit gekleurd papier. Ze schrijft er ‘OPTREDEN’ en ‘2 frank’ op, en tekent er nog een gitaar bij. Met deze kaarten schuimen ze de omliggende straten af. Een week later hangen de meisjes lichtjes op de in de garage bij Yves. Ze zetten drie rijen stoelen klaar en een tafel aan de zijkant. Annick plaatst er bekertjes met chips op. Farahilde legt er gebakjes bij die ze thuis met Petit Beurres, Smarties en suikerglazuur heeft gemaakt. Ze halen ook flessen cola aan. Voor de garage klappen ze een picknicktafeltje open. Hierop installeren ze de kassa, een eenvoudige schoendoos waar ze het geld instoppen. Als iedereen er is, sluiten ze de poort. In het pikdonker komen de jongens binnen. Ze tokkelen wild op hun gitaar. Keiharde rockmuziek vult de garage. Zodra Yves begint te zingen, knipt Annick het licht aan. Guy’s armen wapperen op en neer,  zodat iedereen gaat rechtstaan. De kinderen dansen voor of zelfs op hun stoel. Farahilde dwingt haar voeten mee te springen. Op het einde zwaaien Peter en Jurgen hun gitaren in de lucht, en gooit Guy zijn drumstokken weg. De vier pakken elkaar stevig vast. Iedereen applaudisseert luid. Alleen Farahilde vindt het juiste klapritme niet. Als het publiek weg is, zeuren de jongens over hoe goed en tof het is geweest. Annick en Farahilde ruimen ondertussen alles op.   Sneller dan anders fietst Farahilde na school naar huis. De garagepoort kan niet vlug genoeg open zijn. Ze zwiert haar fiets tegen de muur en dendert de trap op. Met de livingdeur nog in haar hand juicht ze: ‘Moeke, er is een muziekschool waar je kan leren gitaar spelen zonder eerst zeven jaar notenleer te moeten studeren!’ Ze grist het briefje van Jeugd en Muziek uit haar boekentas en geeft het aan haar moeder. ‘Mag ik dat doen? Toe?’ Natuurlijk mag het. Haar hart maakt een schroefsalto als ze even later de trap naar haar kamer op holt. Ze zal leren gitaar spelen zonder saaie muzieknoten. Als ze dat kan, repeteert ze volgende zomer met de jongens mee.   Op zaterdagmorgen gaat het hele gezin naar de markt. Terwijl hun vader bij de Sels op hen wacht, slenteren Luc, Farahilde en hun moeder langs de kramen.  Met een heleboel zakken in hun handen stappen ze uiteindelijk ook het café binnen. Als het volgens Farahildes moeder hoog tijd is om naar huis te gaan, smeekt haar vader: ‘Nog eentje?’ Staf schuift dan snel de zoveelste pint naar hem toe. Luc en Farahilde krijgen chips en cola. Farahilde speelt nog maar een spelletje op de flipperkast. Haar moeder roert woest met haar lepel in haar koffie rond. Farahilde kiest nog maar een plaatje in de jukebox. In de auto op weg naar huis vliegt haar moeder uit: ‘Hoe moet dat nu met de muziekschool?’ Thuis brult ze zo hard dat het drie huizen verder te horen is. Zonder eten klaar te maken gaat ze in haar bed liggen huilen. Farahilde schuift de koud geworden kip van de markt in de oven. Ze zet water op voor rijst en lost currysauspoeder uit een zakje op in melk. Als het klaar is, slikt ze alles met grote happen weg. Haar moeder komt niet aan tafel.   Haar vader zegt geen woord als hij haar naar de muziekschool brengt. Het is al gebeld als ze de speelplaats op stapt. Ze kan nog net als laatste de klas binnenglippen. Ze ploft neer op de enige lege stoel, die naast Jenny. Jenny trekt haar neus op. ‘Geen kattengejank naast mij, he.’ De meisjes achter hen gniffelen. Farahilde schuift haar stoel zover mogelijk van Jenny weg en kijkt strak voor zich uit. Op het bord heeft de meester vijf lijnen getekend. Erop staan muzieknoten. ‘Si si, la la,’ zingt hij. Hij wijst de noten met een stok aan. De kinderen zingen hem na. Farahilde prevelt de klanken mee. Jenny zucht. Tijdens de speeltijd priemt ze haar vingers in Farahildes rug. ‘Miauw, miauw, miauw!’ krijst ze. De andere kinderen gaan in een kring rond hen staan. ‘Miauw, miauw, miauw!’ apen ze Jenny na. Farahilde trekt zich los. Ze rent de speelplaats over en duwt de eerste de beste deur open. Daarachter is een trap naar beneden. De kinderen volgen tot aan de deur. Ze holt de trap af. Ze hoort de kinderen lachen. Ze loopt door een lange gang. ‘Miauw, miauw, miauw,’ echoot het in haar oor. Een nieuwe deur. Ze stapt de ruimte erachter binnen.  Een geur van schimmel en zweetvoeten overvalt haar. Langs de kant zijn dozen gestapeld. Sommige zijn kapotgebeten. Links staat een oude piano. Farahilde laat zich op de kruk ervoor vallen. Is dit nu die muziekschool zonder noten? Waarom moeten we dan noten zingen? En waarom krijgen we pas volgend jaar een gitaar? Ze legt haar hand op de pianotoetsen. Ze schrikt op als er een doffe toon weerklinkt. Ze schuift de kruk verder van de piano weg. Enkele jaren geleden bevond ze zich op een plek die rook als hier.   ‘I’m singing in the rain, just singing in the rain…’ De muziek is nauwelijks hoorbaar in de kelder, maar Farahilde hoort hem wel, tussen het geroezemoes van de grote meisjes verderop aan de toog, het gejoel van de jongens die tussen en over de bergen kleren die overal verspreid liggen springen, en het herhaaldelijke ‘Stt…’ en ‘Zit stil!’ van de turnjuffen.  Helemaal alleen zit ze op de bank vlak aan het luik naar de zaal, op blote voeten en in een blauw maillot. Op wat brandende spotjes na is het pikdonker. Niemand merkt haar op. Ze bibbert. ‘What a glorious feeling…’ Ze zou boven moeten zijn en mee dansen. Wekenlang heeft ze elke woensdagmiddag geoefend. Ze kent nu alle passen en danst ook in de maat. En ze laat de paraplu, als Wilfried die naar haar gooit, haast nooit meer vallen. In het begin deed ze dat wel. Wilfried lachte haar dan uit. Dat deed hij ook als ze moest tuimelen en zo scheef rolde dat ze tegen hem aanbotste. Maar ondertussen heeft ze veel geoefend thuis in de tuin, en ze weet wel zeker dat ze vandaag recht zou rollen. Alleen die kus onder de paraplu op het allerlaatst, daar had ze nog tegenop gezien. Wilfried lachte dan altijd zo raar. Stiekem had ze liever met Dirk gekust. Maar die danste met Ann. Al weet ze niet wie vandaag met wie danst. Toen ze zich daarnet, toen het bijna hun beurt was, op twee rijen voor de trap naar de zaal moesten klaarzetten, ontdekte de juf dat er een meisje te veel was. ‘Da’s waar ook,’ verzuchtte ze, ‘Marc is ziek.’ Ze duwde alle meisjes een plaats vooruit, tot ze bij Farahilde kwam. Die nam ze bij haar schouder vast en drukte ze neer op de Zweedse bank. ‘Blijf jij maar hier.’ Het luik was opengegaan. De jongens marcheerden de zaal in met hun paraplu’s over hun schouder en de meisjes huppelden er achteraan. Farahilde bleef achter op de bank waar ze nog steeds zit. Piepkleine beestjes, net luizen, tuimelen rond in haar buik. Dat is vervelender dan in haar haren, want in haar buik kan ze niet eens krabben. Ze trekt haar benen op, grijpt haar knieën stevig vast en wiegt zacht heen en weer. Moeke en Vake zitten in de zaal. Vragen zij zich af waar ik nu ben? Ze staat op en slentert naar haar jas die helemaal aan de andere kant van de kelder hangt. Uit de binnenzak diept ze een bonnetje op. Aan de toog steekt ze het in de lucht. Het komt maar net boven de tapkast uit. Het duurt dan ook even voor iemand het ziet. ‘Paprikachips alstublieft.’ Met de chips zet ze zich weer op de bank. Ze opent het zakje. ‘A smile on my face…’ De chips kraakt tussen haar tanden. Hij kruipt in de spleten en holtes in haar mond. Hij smaakt een beetje naar de zweetvoeten waar heel deze kelder naar ruikt. ‘I’m dancing and singing in the rain.’ Als het applaus tot in de kelder doordringt, laat ze de chips nog harder kraken. Het luik gaat open. ‘Ik heb het goed gedaan!’ ‘En ik de paraplu niet laten vallen…’ ‘Dat was plezant!’ ‘Ik heb ons mama gezien!’ ‘Mijn mama zat op de eerste rij!’ ‘Mijn zus en mijn broer ook!’ ‘Mijn zus applaudisseerde het hardst!’ ‘Stt!’, sist de juf, ‘Jullie hebben het heel goed gedaan, maar ze mogen ons boven niet horen.’ Farahilde gooit haar zakje in de vuilbak. Ze neemt een tweede bonnetje uit haar jas en koopt nieuwe chips. En dan nog en nog.   Haar buik grolt. Nu heeft ze geen chips. In haar tas in het klaslokaal zit een pakje Cent Wafers. Pas als ze de bel hoort, komt ze los van de pianokruk. Ze snelt de lange gang opnieuw door. Buiten adem zwaait ze de klasdeur open. Alleen de meester is er nog. Hij fronst zijn gezicht. ‘Gaat het beter nu?’ Ze grabbelt naar haar tas. ‘Je had toch buikpijn?’ ‘Ja… buikpijn… ik zat op het toilet.’ In de auto terug naar huis is alleen het gekraak van het pak koeken nu en dan te horen. Thuis zit haar moeder te lezen alsof er niets is gebeurd. Haar vader pakt een pint. Farahilde neemt haar boek van ‘De vijf’ van het schab en zet zich mee op de bank. Als ze ergens mee begint, moet ze het van haar ouders minstens een jaar volhouden. Dus gaat ze een jaar lang elke week opnieuw naar de muziekschool. De chips en de cola van bij de Sels liggen elke week zwaarder op haar maag. Af en toe ontsnapt ze naar de kelder. Ze leert nooit gitaar spelen.                   De lijst   Mo drukt zich dichter tegen haar aan. Hij legt zijn donkere hand op haar bleke. ‘Il y a du cognac dans ma tente,’ fluistert hij in haar oor. Zij schuift wat van hem weg op de skai bank, wrikt haar hand los en pakt het glas Pisang van het tafeltje. ‘Ik vind de Pisang oké.’ Ze zuigt extra hard aan het rietje. Haar ogen speuren de rokerige ruimte af. Overal staan of zitten groepjes mensen. Ze lachen, praten, flirten, dansen. Zij zijn de enigen die daar maar met twee zitten. Waarom is An niet gewoon meegekomen? Ze doet al heel de vakantie ambetant. Als we niet op Jefke en Marieke moeten passen, komt ze haar tent niet uit. Af en toe naar ’t strand, ja. Maar ik wil ook nog wel eens iets anders zien. Ik ben niet alleen om te babysitten naar hier gekomen. Mo had hààr trouwens uitgevraagd. Op het terras daarstraks was ’t toch gezellig? Maar toen hij van een dancing sprak, was ze ineens moe. En nu zit ik hier alleen met Mo… meer dan twintig kilometer van onze camping vandaan. Hij buigt zich weer naar haar toe. ‘C’est du bon cognac!’ ‘Gaan we dansen?’ Ze staat recht, strijkt haar rok glad en strekt haar arm naar hem uit. Hij drukt zijn sigaret uit in de asbak, staat ook op, maar negeert haar hand. Ze loopt naar de dansvloer. Hij beent naar de uitgang. Als ze voelt dat hij haar niet is gevolgd, draait ze zich om en ziet hem nog net naar buiten stappen. ‘Mo,’ vormen haar lippen en dan valt alles een seconde stil. Eén seconde maar, want meteen lijkt het alsof iets haar opwindt en danst ze als een ballerina in een doosje rond. Papa Chico you’re the sun… Nog voor het eind van het nummer valt de ballerina stil. Ze keert terug naar het tafeltje, pakt de Pisang en giet hem in een teug naar binnen. Dan laat ze zich op de bank zakken, maar veert haast meteen weer recht. Ze loopt naar de bar. ‘Pisang Ambon, s’il-vous-plaît.’ Met het nieuwe glas in haar handen leunt ze tegen de toog.  Haar blik dwaalt naar de ingang. Telkens als de deur opengaat, hoopt ze dat er een zwarte binnenkomt.  Maar Mo laat zich niet meer zien. Ze kijkt almaar vaker naar de dansvloer waar vrolijke mensen swingen. Als ik hier met een vriendin was, zou ik nogal uit de bol gaan.  …seems like yesterday not far away, this is where I long to be… la Isla Bonita… Zacht lipt ze met Madonna mee. Voorzichtig bewegen ook haar heupen. Je bent hier nu, zegt ze tegen zichzelf, amuseer je! Een blonde jongen bestelt vlak naast haar tien pinten. Als hij met het grootste deel ervan naar zijn vrienden stapt, botst hij met zijn ellenboog tegen haar borst. ‘Excusez-moi!’ Zijn grote blauwe ogen schitteren. Als hij terugkomt om de rest op te halen, vraagt hij: ‘Tu es toute seule içi?’ ‘Oui… Depuis quinze minutes…’ ‘Raconte.’ ‘Dat is een te lang verhaal,’ wimpelt ze hem af. Hij troont haar mee naar zijn kameraden. ‘Je vous propose…’ ‘Farahilde.’ ‘Farrahilde,’ herhaalt hij met een ‘r’ die ze nog nooit zo schattig heeft horen rollen. Daartegenover komt de ‘r’ van Patrice, zijn naam, maar zuinigjes uit haar mond. De vrienden schuiven wat op en zo kan ze half op Patrices schoot net mee op de bank. De jongens drinken de ene pint na de andere. Zij houdt het bij haar Pisang. Ze lacht uitbundig om hun grappen, al begrijpt ze die maar half. Als ze op de klanken van Bon Jovi opspringt, volgen Patrice en de anderen haar naar de dansvloer. Ze hotsen van hier naar ginder, zwaaien met hun armen in de lucht. Take my hand and we’ll make it, I swear. Oooohhh… livin’ on a prayer… Bij de bamba kiest Patrice haar zoveel mogelijk uit. Hij moet snel zijn, want zijn fameuze vrienden proberen haar van hem af te snoepen. Eerst zoenen ze nog op de wang, dan drukken ze hun lippen zacht opeen. Tijdens de slow die erop volgt glippen hun tongen elkaars mond binnen. Ze zetten zich weer op de bank, zij helemaal op zijn schoot nu. Patrices vrienden laten hen met rust. De discotheek loopt langzaam leeg. Ook de vrienden zoeken een voor een hun slaapzak op. Ze vertelt Patrice nu toch hoe ze hier alleen is terechtgekomen. ‘Waar logeer je eigenlijk?’ ‘Op een camping in Lacanau-Océan.’ Zijn ogen worden nog groter als hij hoort hoe ver weg dat is. Hij streelt haar haren. ‘Ik zorg wel dat je er geraakt.’ Ze gaan naar buiten. Hij vraagt haar bij de uitgang te wachten. Net als ze denkt dat hij haar ook laat stikken, rijdt hij een 2PK’tje met open dak voor. ‘Sorry, ik moest onderhandelen met Maxime, dit is zijn auto.’ Patrice heeft geen idee waar Lacanau ligt. Zij wijst de weg waarlangs ze denkt dat ze met Mo is gekomen. Hij loopt langs de kust. Bij een duinbosje vertraagt de auto. ‘Is het goed als we hier even stoppen?’ Ze knikt. Patrice parkeert de wagen zoveel mogelijk achter de bomen. Zodra de motor stil ligt, verdwijnt zijn hand onder haar bloes en de hare in zijn broek. Als hij na een poos een condoom tevoorschijn haalt, wringt ze zich los uit zijn armen. Hij is verrast. ‘Toch niet zo vlug,’ stamelt ze, ‘Ik heb het nog nooit gedaan…’ Zijn ogen worden iets doffer. Hij steekt het condoom weer weg. Op hun rug liggen ze naast elkaar in de wagen. Alleen de haartjes op hun handen raken elkaar nog. Ontelbare sterren zijn getuige van hun ongemakkelijk liggen en zwijgen. Als het te fris wordt, rolt Patrice het dak dicht en rijden ze verder. Farahilde merkt haast meteen een wegwijzer naar de camping op. Blijkbaar waren ze de hele tijd al vlak in de buurt. De Renault draait de parking op. Hun lippen zoeken elkaar weer. ‘Vind je de weg terug in het donker wel? Anders,’ Farahilde aarzelt,’ kan je blijven slapen.’ ‘Vindt je vriendin dat goed?’ ‘Ze moet wel. Het is allemaal haar schuld.’ Ze verheft haar stem. Samen wandelen ze naar de tent. Als Farahilde het zeildoek openritst, schrikt An wakker. ‘Weet je wel hoe laat het is?’ ‘Weet je wel dat Mo me zomaar heeft achtergelaten? Wees blij dat je me nog levend ziet.’ Ze wijst naar Patrice. ‘Hij blijft hier slapen.’ An springt overeind. Voor ze iets kan zeggen sleept Farahilde haar luchtmatras naar de voortent. ‘Er is niet veel plaats,’ gebaart ze naar Patrice. Hij glimlacht. Met hun kleren aan vallen ze te dicht bij elkaar in slaap.   Als ze ook na haar tweede brief geen post uit Lyon ontvangt, weet Farahilde dat haar Franse romance voorbij is. ‘Patrice,’ schrijft ze onderaan de lijst op de laatste bladzijde in haar dagboek. Ze voelt zich een stuk speelgoed dat voor de zoveelste keer achteloos is weggegooid. Eén naam ontbreekt op haar lijst. Of liever: hij ontbreekt niet.   ‘Stoppen we om te eten?’ roept Dirk. ‘Is over tien minuutjes goed?’ Farahilde veegt het zweet van haar voorhoofd. ‘Ik heb nog een beetje mortel dat ik eerst op wil werken.’ Ze schept wat voegspecie uit de kom en strijkt het met haar ijzer tussen de bakstenen. Het teveel aan mortel schraapt ze weg. Dirk kijkt over haar schouder. ‘We dekken de tafel al ondertussen.’ Met enkele vrijwilligers verbouwen ze de kleedkamer van de turnkring. Vera en zij zijn de enige meisjes.  Normaal is ze niet zo’n doe-het-zelver, maar om bij Dirk in de buurt te zijn doet ze al wat meer. Terwijl zij aan haar muur verder werkt, zetten de anderen zich aan de tafel op de koer. Farahilde hoort hen schaterlachen. Ze smijt de specie wat onstuimiger in de voegen. Ze krabt de resten ook niet meer zo zorgvuldig weg. Als ze bij de tafel komt, hebben de anderen al een halve schaal  koffiekoeken naar binnen gespeeld. Ze pakt een stoel en schuift aan vlak naast Dirk. Als ze zich naar de koeken uitstrekt, wrijft haar heup tegen de zijne.  Ze slaat haar ogen neer. Onder de tafel raken hun knieën elkaar. Dirk trekt zijn knie niet weg. ‘Als we goed verder werken, zijn we morgenavond klaar.’ ‘Dat moeten we vieren!’ zegt Vera. ‘Zaterdag zijn mijn ouders niet thuis. Komen jullie dan naar ons?’ De jongens storten zich weer op hun karweien. Vera ruimt de tafel af. Farahilde blijft zitten met de koffiekoeken die over zijn voor haar. Pas als de laatste op is, slentert ze terug naar haar muur. De klodders mortel die ze daarnet niet goed heeft afgeveegd zijn hard geworden. Met een beitel klopt ze de stukken weg. Dan helpt Dirk haar nieuwe mortel maken. Ze snuift zijn zweetgeur op. Het is de heerlijkste zweetgeur ooit.   Die zaterdag is ze als eerste bij Vera. Terwijl Vera iets anders aantrekt, maakt ze kaasprikkers en schikt ze bloemkoolroosjes en wortelstaafjes in een schaal. Ik kan niet wachten tot Dirk er is. ’t Was zo plezant deze week. Ik denk dat hij me nu eindelijk wel zal willen. Hij is met alle andere meisjes van de turnkring al mee geweest. Alleen niet met Hilde. Maar ja, wie wil nu met Hilde? Vanavond wordt onze avond. Ik hoop maar dat hij mijn legging mooi vindt en mijn nieuwe schoenen. Telkens als de bel gaat, kijkt ze vol verwachting naar de deur, alsof ze een kind is op Sinterklaasavond. Maar telkens is het Dirk niet. Het is niet zijn gewoonte zo laat te komen. Hij zal toch niks voorgehad hebben. De anderen lijken zich geen zorgen te maken. Ze babbelen en lachen en drinken en smullen van de hapjes. Farahilde zuigt zuinig op haar rietje. Pas rond half tien rinkelt de bel opnieuw. Hij is er eindelijk. Samen met hem stapt een meisje met lange bruine haren en fonkelende blauwe ogen de living binnen. Ze lacht Farahilde breed toe.   Farahilde begrijpt niet dat ze jaren geleden zo naïef kon zijn. Ze begrijpt niet dat ze nog steeds zo naïef is. De naam die op de lijst ontbreekt of net niet. Hoopt ze nu nog altijd dat ze iets met Dirk krijgt? Ze turnt zelf niet meer, gaat ook niet meer met de mensen van de turnkring uit. Ze ziet hem alleen nog af en toe op een vergadering.  Ze leest alle namen. Waarom houdt ze hier eigenlijk een lijst van bij? Ze neemt de bladzijde tussen twee vingers en scheurt ze uit het dagboek. Dan versnippert ze ze in honderden stukjes. Ze wil niet langer speelgoed zijn.   ‘Hoe was je vakantie?’ vraagt Walter als ze samen in de Tom Tom Club op hun vrienden wachten. ‘Ging wel.’ Farahilde trekt een grimas. ‘Alleen deed An ambetant. Ze had nergens goesting in.’ ‘Ik heb ervan gehoord.’ Hij lacht. ‘Maar er was wel een koene ridder die je van een verkrachting redde.’ ‘Dat klopt niet helemaal,’ wuift ze zijn woorden weg. ‘Het is trouwens al voorbij. Ik hoor niks meer van hem. Ik heb het nu wel gehad met relaties. Altijd dat verdriet als ze je laten stikken…’ Walter kijkt verbaasd. ‘Echt, ik heb niemand meer nodig. Ik voel me goed alleen.’ ‘Daar zullen we dan maar ene op drinken.’ Hij loopt naar de toog en komt terug met twee pintjes.               & 23 november 1918   Soms laat ik me ophitsen door het geroep van de mensen langs de kant van de weg en dan marcheer ik met opgeheven hoofd en mijn borst vooruit door de dorpen. Maar als ik ook maar even terugdenk aan die ene nacht krimp ik vanbinnen helemaal ineen en zou ik het liefst onder de kasseien willen verdwijnen. De mannen brengen de avond in een kroeg door. Ik ben het rumoer ontvlucht en zit beschut onder de wortels van een omvergeschoten boom. Het miezert. De regendruppels vallen niet dik genoeg om het vuur dat ik heb gemaakt te doven. Op amper een uur en half lopen hiervandaan staat het huis van mijn lieve ouders, die ik vier jaar niet meer heb gezien. Als we veel vooruitgang maakten, droomde ik regelmatig van de dag dat ik weer op de drempel van hun woonstede zou staan. Mijn vader, oude krijger van 1870, met tranen van fierheid in zijn ogen. Mijn moeder met haar armen rond mijn hals zonder iets te kunnen zeggen, blijdschapstranen op haar wangen. De andere mannen zoeken hun familie op als we op loopafstand van de plek waar ze geboren zijn passeren. Maar ik kan het niet. Ik mag het niet. Ik haal mijn carnet uit mijn zak en blader door mijn aantekeningen.   … Koude voeten? … Dan nam ik een muziekje en speelde dat men leute had. Al de oude straatdeuntjes kwamen voor de pinnen en rap was onze tent in een danszaal herschapen. Men draaide en danste en zo had men geen koude voeten meer…   Ik had mijn voeten die avond in een deken gerold, herinner ik me. Hij moest daar zo hard om lachen.  ‘Ik bibber, ik bibber! Ik ben een oude grotemoe. Ik bibber!’ Toen ik dat muziekje aan mijn mond zette, was hij als eerste recht gesprongen.   …In de loop van de dag mag men zich niet tonen, dus moet men zijn plan trekken als men zijn behoefte moet doen. Hij kruipt toch naar buiten. Hij hief zijn hoofd nauwelijks boven de tranchée. Dadelijk floot er een dum-dum kogel naast  zijn oor. Ziehier wat ik deed: ik trok een zakje onder mij en… de mitrailleuse werkte!!...   Hij had toen geluk gehad. Maar waarom? Al wat ik lees gaat over hem alsof deze hele rotoorlog alleen uit hem bestaat. Ik steek de ene sigaret met de andere aan.   …Patrouilleurs zijn tot in onze abri geweest. Hoe de voorpost die heeft laten doorgaan weten wij niet… De verkenners waren viervoetig met een lange staart. In zijn musette hadden ze een schietgat geboord en daarna een half brood binnengespeeld…   Dan kom ik bij mijn nota’s over die nacht. Mijn maag draait om. Ik smijt mijn half opgerookte sigaret in het vuur.  De patatten die ik vanmiddag gegeten heb komen eruit. Ik scheur de bladzijden met deze gebeurtenissen uit het carnet en smijt ze achter de sigaret aan. De vlammen laaien hoog op. Ik wil naar huis. Naar mijn moeder. Naar mijn vader. Ik kan het niet. Ik mag het niet.                         h Dozen   De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog rondslingerende paperassen. Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze liefst zo hoog mogelijk klom. Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen toch niet meer bewegen.  Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen. Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af. Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dit huis past haar niet. Het heeft ook nooit gepast. Ze ploft in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu.   Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht. Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’ Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt. ‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant. Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc heeft zijn vuisten gebald. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats. Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.   Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel. Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’ Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt. De laatste keer. De laatste keer dat ik hier kom. Zou Ronny in zijn garage zijn? De poort staat open, het licht brandt… niemand te zien… Hij zal ze ook missen. Nu zitten ze daar in die stomme dure serviceflat. Tussen de bomen waar ze hun hele leven van gedroomd hebben. Ze zien geeneens bomen langs hun kant. Nu moet ons vader daar sterven waar hij niemand kent. Sterven… het woord dat niet uitgesproken mag worden. Ik wil afronden, maar hoe kan dat als iedereen doet alsof het allemaal gewoon doorgaat? Ik wil dingen vragen. Over vroeger. Over het begin. Hoe was het toen ik er plots aankwam? Hebben ze abortus overwogen? Waren ze zoveel weg omdat ze nooit jong hadden kunnen zijn? Geven ze mij daar de schuld van? Als we over zijn dood konden praten, zou dat misschien ook lukken over het begin. Maar nee, potjes toe, doen alsof alles goed gaat. Hij leeft nog jaaaaren…   Haar handen zijn klam als ze de oprit voor haar eigen huis oprijdt. Walter neemt de boeken van haar over. Binnen legt hij ze op tafel naast de rommel die er als onkruid groeit. ‘Het was een zware dag, he.’ Hij slaat zijn armen om haar heen. Ze drukt haar hoofd tegen zijn borstkas. ‘Johannes was weer aan het gamen toen ik thuiskwam. Ik hoop dat hij ook wat gestudeerd heeft vandaag.’ ‘Waarom moet dit ook allemaal zo vlak voor de examens gebeuren?’ Ze schenkt zich een glas water in en neemt wortelen, paprika’s, courgetten en paddenstoelen uit de koelkast. Ze bereidt iets met veel vitaminen. Dat geeft hem misschien de nodige energie voor achter zijn studieboeken. Voor ze de groenten fijnhakt, pakt ze een reep biochocolade. Tijdens het snijden steekt ze er regelmatig een brok van in haar mond tot ze helemaal op is. Dan valt ze aan op de biokaas. Hoe stom ben ik? Dure en gezonde producten kopen en ze dan zonder smaak opschrokken? Maar het is me ook allemaal te veel. Kon ik de klok maar terugdraaien. Tot voor dat stomme feest drie weken geleden. Tot voor hun grote nieuws. En voor ze ons zouden vragen borg te staan. Hoe hadden ze het lef? En dan nog kwaad zijn, omdat we dat niet wilden. Na al wat zij voor ons gedaan hadden. Wat hebben ze dan gedaan misschien? Op Johannes gepast. Ja, ze hebben veel op Johannes gepast, dat vonden ze plezant. Ook alleen maar als het hen uitkwam, he. Met de trouw van Annelies hebben ze ons schoon laten stikken. Ze hadden het beloofd. We hadden al toegezegd. En toen konden we hem naar oma brengen die nog een papfles wilde klaarmaken. Hij was al tien. En verder? Bij onze bouw? In ons huis? Met mijn rugoperatie? Het was zelfs te veel om een paar weken voor ons te strijken. Dat kon niet met haar schouder. Ocharme. Ze kwamen me wel alle dagen bezoeken.  En ze brachten rotte druiven mee. Zot werd ik ervan. En onze Luc nu maar de engel spelen. Hij regelde de verhuis. Hij zorgt voor een housewarming. En hij blijft rustig bij die vraag om geld. Ik ben de slechte. De geldwolf. De duivel. ‘Laat het los!’ zegt Walter als ze er na de spaghetti weer over begint. Ze vult de vaatwasmachine en laat haar gedachten dwalen naar toen ze zelf pas waren verhuisd.   Een ijzingwekkende gil weergalmt door hun nog bijna lege huis als Farahilde de kreeft in het kokendhete water onderdompelt. Meteen daarop rinkelt de telefoon. ‘Alles oké?’ vraagt Walter als hij haar schorre stem hoort. ‘Ik heb net een moord gepleegd, verder alles oké!’ ‘De kreeft?’ ‘Het beest hield zich koest, maar ik denk dat de buren mij konden horen. Ik maak nooit nog kreeft!’ ‘Als het maar lekker is,’ lacht Walter, ‘Ik zal over een uur thuis zijn.’ Farahilde werkt de kreeftensla af. Daarna trekt ze zich terug in de badkamer onder een wolk schuim. Toen ze het huurcontract van hun rijtjeswoning opzegden, hadden ze over het hoofd gezien dat ze de vloerverwarming in hun nieuwe huis niet meteen mochten opstarten. Dat mocht pas een maand nadat de tegels waren gelegd. Overmorgen is het zover. Ondertussen wonen ze in de keuken waar ze het met bijzetkacheltjes warm proberen te krijgen. Maar de thermometer wijst amper zestien graden aan. Gelukkig kunnen ze af en toe naar de badkamer vluchten. Een extra radiator verspreidt daar wel een zalige warmte. Ze wrijft zich met een zachte handdoek droog. Haar huid gloeit. Dan smeert ze haar hele lijf in met lichaamsmelk en brengt ze make-up aan. Ze kiest haar frivoolste lingerie uit, trekt er een strakke jeans over en wel drie truien. Een bloemensjaaltje en grote parelmoeren oorbellen zorgen voor de finishing touch. Ze voelt zich een eskimo in feestkledij, maar ze mag gezien worden. Uit een kartonnen doos, diept ze hun trouwservies op en schikt het op de keukentafel. Naar de wijnglazen moet ze lang zoeken. Ze werkt de tafel af met papieren servetten vol harten en theelichtjes. Als ze het laatste kaarsje aansteekt, draait de achterdeur open en staat haar liefste daar met een grote bos rode rozen. Hij kust haar in haar nek.  ‘Fijne Valentijn!’ Terwijl hij snel een douche neemt, en zijn maatpak wisselt voor een warme fleece, legt ze de laatste hand aan de aperitiefhapjes. Walter zet Vaya con Dios op en ontkurkt de champagne. Farahilde tovert het ene exquise gerecht na het andere op tafel. ‘Dat verdient hier een Michelinster,’ paait Walter haar. ‘Als je niet naar de vuile afwas op het aanrecht kijkt’. Naarmate er meer wijn vloeit, vergeten ze de kilte in huis, en kunnen de kale witte muren, de vele dozen die nog moeten uitgepakt worden en al wat ze nog moeten afwerken hen niet meer deren. Als Farahilde de ‘flensjes  Cupido’ opdient en ze er de laatste fles voor vanavond bij kraken, kruipen ze dichter bij elkaar. Even later verdwijnen ze naar boven. Onder de dikke dons pellen ze langzaam hun vele lagen kleren af. Eerst knuffelen ze kalmpjes. Algauw wordt hun bed een vulkanisch landschap met wel erg veel geothermische activiteit. Uiteindelijk dommelen ze in mekaars armen in.   Vanavond is er geen vulkaanuitbarsting.             Benevelde velden   Haar vader zit met zijn ogen gesloten in de relaxzetel bij het raam.  De vingers van zijn linkerhand liggen dichtgevouwen op zijn buik, zijn duim gestrekt erbovenop. Al weken houdt hij zijn hand zo. Op het tafeltje naast hem staat een tas koffie. ‘Hij heeft soep met een boterham gegeten,’ zegt haar moeder, ‘Maar de korsten krijgt hij niet meer binnen.’ Ze staat aan de eettafel en propt papieren in haar handtas. ‘Ik hoop dat hij nog wat drinkt.’ Farahilde loopt haar voorbij. ‘Ik zal het hem vragen.’ Ze buigt zich naar haar vader toe en drukt een zoen op zijn koude wang. Hij slaat zijn ogen naar haar op. Haar moeder neemt haar jas. ‘Hij heeft bijna de hele voormiddag geslapen.’ ‘Dan zal hij nu wel uitgerust zijn. Dan kunnen we goed babbelen, he, Va.’ Haar moeder staat al in de deuropening. ‘Ik moet naar de notaris. Het kan dus zijn dat ik lang wegblijf.’ Ze trekt de deur toe. Farahilde doet haar jas uit en zet zich op de sofa vlak naast haar vader. ‘Heb je dorst?’ ‘Nee. Maar ik zal maar drinken of ze wordt kwaad. Ze is altijd kwaad tegenwoordig.’ Zijn hand graait naar de tas. Farahilde houdt ze voor hem vast en brengt ze naar zijn lippen. Hij nipt eraan. ‘ ’t Smaakt niet. Niks smaakt nog.’ ‘Amai, en gij die zo graag gegeten hebt. Dat moet erg zijn.’ Hij duwt de tas weg. … ’t Is schoon weer, he?’ Hij probeert zich naar het raam te draaien. Zijn gezicht vertrekt. ‘Ik zie er niet veel van.’ … ‘Is er nog bezoek geweest?’ ‘Ja, Greet met haar hond. Hoe heet die weer?’ ‘Jules.’ ‘Ja, Jules, maar die is niet binnen geweest.’ … Hij hangt half uit de zetel. Zijn gezicht vertoont een grijns. ‘Zit je nog wel goed?’ Ze gaat naast hem staan en probeert hem rechter te zetten. Hoe ze ook sleurt, het lukt haar niet hem in een comfortabele houding te brengen. … Zijn ogen vallen telkens opnieuw dicht. De dingen die nog gezegd moeten worden, maken de lucht rondom hen zwaar als beton. Haar hersenen kronkelen tegen lichtsnelheid om een manier te verzinnen om ze uitgesproken te krijgen. Uiteindelijk waagt ze het erop. ‘Heb je er nooit aan gedacht je levensverhaal op te schrijven?’ ‘Gedacht wel. Maar ik zou niet weten hoe ik moet beginnen.’ ‘Waarom heb je het niet aan mij gevraagd?’ ‘Je weet niet hoe moeilijk dat is, zeker, al wat je uitgestoken hebt aan je eigen dochter vertellen?’ ‘Er zijn toch ook goede dingen?’ ‘Ach...’ ‘Ik heb anders wel vragen.’ Hij spert zijn ogen wijd open. ‘Ge zijt kwaad op nonkel Marcel. Waarom?’ ‘Nonkel Marcel is dood. Daar moeten we niet meer over praten.’ ‘Maar ik wil het wel weten.’ Hij zucht. ‘Hij heeft mijn ouders heel veel verdriet gedaan. Meer zeg ik niet.’ Zelf heeft ze ook wel iets over nonkel Marcel te vertellen. Maar kan ze hem dat in zijn laatste weken nog aandoen? Dan wordt hij nog kwader. Moet hij daar nu nog zijn energie in steken? Ze twijfelt, maar zwijgt ook. … ‘Hoe heb je ons moeder leren kennen?’ ‘Mijn vriend was zot van haar vriendin. Toen we hen op de bus naar Mechelen zagen zitten, zijn we ze achternagelopen. Tussen mijn vriend en die vriendin is het nooit iets geworden. Maar tussen mij en haar dus wel.’ ‘Kende je haar al lang toen ze zwanger werd?’ Hij denkt diep na. ‘Een half jaar ofzo.’ ‘Hoe kwam dat dan?’ ‘Ik wilde ook eens iets doen. Ik wist niet dat je daar kinderen van kon krijgen.’ Farahildes mond valt open. Waren ze in de jaren zestig nog zo achterlijk? ‘Heb je dan geen abortus willen laten doen?’ ‘Nee.’ Voor het eerst deze namiddag klinkt hij vastberaden. ‘Nooit.’ Het dubbele kan de leugen niet verbergen. Tegen beter weten in vraagt Farahilde: ‘Heb je dan geen spijt?’ ‘Nee. Helemaal niet.’ Hij wijst naar zijn koffie. ‘Die is koud geworden.’ ‘Geeft niet.’ Farahilde houdt de tas tegen zijn mond. Hij slurpt ze helemaal leeg. Daarna valt hij in slaap. Ze bekijkt hem van top tot teen. Zijn huid is vaal alsof er een laag was over ligt. Wat zou hij echt gedacht hebben toen hij onverwachts vader werd? Zij heeft haar kind bewust gewild. Ze was ervan overtuigd dat ze het allemaal ook veel beter dan haar ouders zou doen.   ‘Weet dat je wordt bemind en gesteund op deze reis,’ fluistert Farahilde tegen het kind dat Walter in haar armen legt. Ze drukt hem dicht tegen haar borst, streelt zijn bolle wangen en de haartjes op zijn hoofd, en glimlacht. ‘Welkom, Johannes!’ Nu pas valt het mistdeken, dat haar de voorbije uren omwikkelde, af en beseft ze dat dit kind het hare is. Dat zij hem op de wereld heeft gezet en de rest van haar dagen voor hem zal zorgen.   Rond half zes wordt ze wakker door een immense plas water die uit haar vagina gutst. Ze stoot Walter aan. ‘Lap, het is van dat!’ Het duurt even voor hij zijn ogen open krijgt. Dan springt hij uit bed en haalt meteen het beddengoed af. Terwijl zij onder de douche staat, dweilt hij de slaapkamer. Ze nemen de koffer die ze pas gisterenavond heeft klaargezet en rijden langs benevelde velden en lege straten naar het ziekenhuis. ‘Goeiemorgen. Mijn water is gebroken,’ zegt ze tegen de receptionist. ‘Ik heb gebeld,’ vult Walter aan, ‘Het is voor een keizersnede.’ ‘Waarschijnlijk toch. Eergisteren lag ons kindje nog dwars. Ik heb hem nog voelen bewegen, maar of hij genoeg gedraaid is om gewoon te kunnen bevallen…’ ‘Wacht hier even. De verpleegster haalt jullie zo meteen op.’ Een vrouw in een wit pak brengt hen naar de verloskamer. Farahilde krijgt een riem om haar bolle buik. Zodra die met de monitor verbonden is, zien ze hun kind op het scherm. ‘Het hartje klopt normaal,’ stelt de verpleegster hen gerust. ‘Er is ook nog voldoende vocht in de vruchtzak. Maar ik denk niet dat hij gedraaid is. De dokter zal straks uitsluitsel geven. Zij is nog niet aanwezig. Heb je weeën?’ Farahilde schudt haar hoofd. Dan valt de blik van de verpleegster op Farahildes handen. ‘Jij hebt rode nagels! We moeten de huidskleur onder je nagels kunnen zien.’ Ze loopt weg en komt terug met een pot aceton en een pak watten. Terwijl ze op de gynaecoloog wachten, verwijdert Farahilde het rode kleurtje. De baby ligt inderdaad nog steeds dwars. Farahilde wordt naar de operatiezaal gereden. Walter loopt er achteraan. Eerst moet ze op haar zij gaan liggen en krijgt ze een spuit in haar rug. Dan zetten ze een hoge tafel met een groen tafellaken over haar buik. Die beneemt haar alle zicht. Walter houdt haar hand stevig vast. Plots komt een straal pipi boven de tafel uit. De dokter en haar assistent lachen. ‘Proficiat, mevrouw!’ Een verpleegster toont een kind in een doek. Farahilde strijkt met een vinger langs zijn gezichtje. Dan is de verpleegster alweer weg. ‘Kom maar mee, papa!’ Walter volgt haar tot achter een glazen wand. ‘Drie kilo honderdnegentig,’ roept iemand, ‘achtenveertig centimeter, apgarscore tien-tien-tien.’ ‘We gaan al naar de kamer,’ komt Walter zeggen. Hij zoent Farahilde. Een vertwijfelde blik. ‘Tot gauw.’ De dokters trekken en duwen aan en in haar buik. Dan rollen ze haar de recoveryroom in. Naast haar staan twee bedden met slapende mensen. Voor haar hangt een klok met wijzers die abnormaal traag tikken. Ze probeert ze met haar ogen te verschuiven. Pas na uren brengt een verpleegster haar naar de kamer waar Walter met de baby op haar wacht.   Ze drukt het kind nog dichter naar zich toe. Walter kruipt tegen haar aan. Hij schuift zijn vinger in het vuistje van de baby. Zo zitten ze daar een hele tijd met drie in één cocon. Een verpleegster verstoort de stilte. ‘Heb je de baby al aangelegd?’ ‘Hij slaapt.’ ‘Hij moet toch eten. Hoe sneller je hem aanlegt, hoe beter voor de melkproductie.’ Walter verhuist naar de stoel aan het raam. De verpleegster maakt het operatieschort los en trekt het naar beneden. Ze verschuift het kind zodat zijn lippen de moedertepel raken. Er gebeurt niets. De verpleegster neemt de borst in haar handen en duwt ze in de kindermond. ‘Ondersteun ze zelf met je vrije hand.’ Zacht tikt ze enkele keren tegen de wang van de baby. De jongen sabbelt even. Haast meteen valt hij weer in slaap. ‘Blijf tikjes geven,’ spoort ze Farahilde aan. ‘Als hij een beetje heeft gedronken, probeer je de andere borst.’ Ze verlaat de kamer. Johannes dommelt meteen weer in. Farahilde probeert hem met tikjes te wekken.  Ze duwt haar tepel naar zijn mond toe. Walter komt weer dichterbij zitten. Als hij over de wang van de jongen wrijft, tuit die even zijn lippen. Veel melk krijgt hij echter niet binnen. Na een poosje proberen ze de andere kant. Ze krijgen het kind niet goed gelegd en hij vindt de tepel niet. ‘Ik kan het niet,’ zucht Farahilde. Uiteindelijk bellen ze om hulp. De verpleegster legt een kussen onder Farahildes arm. Enkele tikjes op de wang en de baby zuigt. De verpleegster lacht. ‘Maak je geen zorgen. Als hij niet genoeg drinkt, geven we hem straks wel suikerwater.’ Farahilde trekt grote ogen. Ze hoort de moor fluiten en de lepel, waarmee Moéke de suiker onder het kokende water roerde, in het glas rinkelen. Speeksel vormt zich net als toen in haar mond. Het was lang wachten tot het water weer wat afgekoeld was en haar mierzoete troost kon brengen. Een voorrecht dat je alleen ten deel viel als je ziek was. Haar kersverse kind is niet ziek. Hij is moe. En zijzelf is te stom om hem te kunnen voeden. ‘Dat wil ik niet,’ zegt ze. De verpleegster heeft de deurklink al vast. Ze fronst haar voorhoofd. ‘Hij heeft toch iets nodig om aan te sterken.’ Om beurten duwen Farahilde en Walter de tepel tussen de lippen van de jongen. Na een poos neemt Walter zijn zoon over en legt hem in het plexiglazen bedje naast het raam.  ‘We proberen het straks wel opnieuw. Hij is te moe nu.’ ‘Ik wil niet dat hij met suiker groot wordt.’ Wat later verschijnt het hoofd van de verpleegster in de deuropening. ‘Is het gelukt?’ ‘Ja!’ knikken Farahilde en Walter gelijktijdig.   Haar vader kreunt. Ze probeert hem weer gemakkelijker te zetten. Hij houdt zijn ogen gesloten. Jij gaf Johannes wel suiker. Maar ook verhalen en fantasie. En jullie moesten altijd zo hard lachen samen. Je hebt hem meer gegeven dan ik zelf had gekund. Ze legt haar hand op de zijne. ‘Je was de beste grootvader die we ons maar hadden kunnen dromen.’                                           & 14 december 1964   Amai, wat ben ik moe van dat kort stukske van ’t Rerum tot hier! Gelukkig heeft de onderpastoor aan de doeken gedacht. Zo moet ik niet meer rondhossen om ze op tijd in de zaal te krijgen. Ik schenk een tas koffie uit en zak neer in mijn zetel. De Vrouwengilde zal content zijn met het toneeltje dat ik morgen opvoer op hun feest. Ik steek een sigaret aan. Tiens, ze smaakt me niet. Dat is ook de eerste keer. Ik druk ze weer uit. Mijn borst doet zeer. ’t Is alsof het schuldgevoel dat ik al zo lang meesleur er tien keer zo hard op drukt als anders. Geen mens die daar een gedacht van heeft. Mijn moeder zaliger, ja, die voelde dat er iets was. Iets anders dan de gruwelen die alle soldaten aan het front hebben meegemaakt. Ze was ambetant omdat ik niet wilde zeggen wat er scheelde. Maar wat had ik kunnen zeggen? Ze had het toch niet kunnen begrijpen. Kan ooit iemand het begrijpen? Zal ooit iemand snappen dat ik niet ben wie de mensen zeggen dat ik ben? De jongeman die missionaris zou worden, maar na de oorlog niet naar het missiehuis is teruggekeerd. De zoon die met zijn zuurverdiende oorlogscenten een woning voor zijn ouders kocht. De ijverige ambtenaar bij de Spoorwegen. De knaap die met ‘Moeder Maria’ uit de processie is getrouwd.  De brave familievader die vanuit zijn zetel aan het raam zijn kroost stil in de gaten hield. De vrome man die zijn gat vanonder zijn lijf liep voor de pastoor en de kerkfabriek. Het manusje-van-alles in de vele verenigingen van het dorp. Zal ooit iemand de man kennen die ik echt ben en die ik nooit heb willen zijn?  De man die niet eens had mogen bestaan. In de keuken rammelt ons moe met potten en pannen. De geur van  gesmolten boter die wel bruin wordt, maar net niet aanbrandt, komt de kamer binnen. Terwijl ik dat anders zo graag riek, word ik er nu mottig van. De zeer in mijn borst wordt ook erger. Ik moet overgeven. Ons moe komt afgestoven. Ik zie nog de paniek in haar ogen. En dan valt het doek.   h Haar eigen paar   Zodra ze de kamer binnenstapt, voelt ze dat Rebecca en zijzelf hier niet alleen zijn. De lucht is dens alsof een onzichtbare nevel de ruimte vult. ‘Ik heb je voorouders al uitgenodigd’, zegt Rebecca terwijl ze een kop thee inschenkt. Farahilde tuit haar lippen. Ze wil iets zeggen, maar de woorden stokken in haar keel. Haar hele leven al morrelt ze maar wat aan. Ze heeft het gevoel dat ze met een rem op leeft. Dat wil ze niet langer. Ze heeft al zoveel geprobeerd… Ze heeft al zoveel geleerd…, maar slaagt er niet in er echt iets mee te doen. Rebecca had haar aangeraden haar voorouders om hulp te vragen door erover te schrijven. Elke ochtend heeft ze trouw haar schrift genomen en drie pagina’s vol gepend. ‘Lieve voorouders, weten jullie waarom ik zo vastzit?...’ Ze begreep geen snars van de antwoorden die haar voorouders haar stuurden. Hopelijk kan Rebecca helpen om het duidelijk te maken. Ze neemt een slok van haar thee. ‘Je wil dus weten waarom je voortdurend remt,’ begint Rebecca. Farahilde wipt van haar ene been op haar andere.

veerle schaltin
8 0

Zomer, herfst, winter, lente en opnieuw..

Beste Jasmien,   Ik had er wel al eens over gehoord. Ik was er nog nooit langs geweest. Ik passeer er nooit. Eerlijk gezegd is het niet zo heel ver vanwaar ik woon. Toch, het vraagt een inspanning. De laatste kilometer is de baan smal. Hoffelijke chauffeurs stoppen waar er een inham is. De openingsuren zijn beperkt, het aanbod onzeker. Maar het is het waard. Ik heb het over de Seizoenschuur. Een boer en boerin met lef. Jeroen en Delfien, een jong koppel, startten een aantal jaar geleden een landbouwbedrijf op, met bijhorende hoevewinkel. Het woord -landbouwbedrijf-  vat het niet naar mijn gevoel. Helaas vind ik ook geen passender woord. Voor sommige concepten schieten woorden dan ook te kort. Ik doe een poging om de ervaring met je te delen. Via een wekelijkse nieuwsbrief schrijven ze over de stiel en de taken die ermee gepaard gaan. Ze wieden, zaaien, oogsten dag in dag uit. Ze laten de ooien grazen, de kippen scharrelen. Ze duimen voor juiste weersomstandigheden. En dan staan ze vol enthousiasme in hun winkeltje.  Ze verkopen met trots de seizoensgroenten en geven met plezier nog wat uitleg erbij. Ik geraak er niet zo vlug. Maar ik ga er zo graag heen. Als ik me wat somber voel, kom ik er gegarandeerd blij van terug. En als ik er blij heen ga, kom ik er buiten met vleugels. Ze geven aan mij veel meer dan enkel groenten. Tussen de bloemkool en de warmoes zit een halve kilo energie. Tussen de tomaten en de sla zit er een bussel kracht. Zomaar. Een weerkerende ontmoeting, zo nu en dan, die mijn dagen op deze wereldbol kleuren. Zo heb ik ze graag. Ik koester ze en zoek ze op. Als de keukenprinses in mij niet in slaap gevallen is. Katrijn

Trijn
1 0

Zoeken naar woorden - opdracht 8 - Marieke

Inhoud   In de prille lentezon       2016.  Aan de Schoolpoort & bovenop het stapelbed        1981. 5 Onder de moerbeiboom             2014. 8 Achter de boeken                           1985. 12 Onder de torens            1988. 14 Tussen de dekens           1997. 16 Langs de kustlijn          2015. 19 Dwars door de keuken        1998 – 2008 -2018. 22 Aan het meertje (to do)         2016 juni 27 Pal voor het bed (to do)        2001. 27 In de plaaster (to do)       2016 dec. 27 Aan zee (to do – herinnering van anderen)   1981. 27 Door de muren (to do)        2017 - 2011. 27 In de spiegel (To do)        2018. 27     Met dank aan Creatief Schrijven, Erik Vanhee en Mieke De Veuster voor de leerrijke masterclass Autobiografisch schrijven. Met dank aan mijn medeschrijvers voor het meeleven en -lezen en de feedback: Hendrik, Jan, Haddie, Kristien, Vera, Ludo, Elisabeth, Veerle, Sabine, Esther en Tamara. En in het bijzonder aan Adinda voor de tussentijdse aanmoedigingen en verdiepende gesprekken. Ook dank aan de vrienden die mee naar de woorden zochten en wilden nalezen. In het bijzonder: Ellen, Isabel en Barbara. Tot slot ook dank aan wie mee mijn levensverhaal schreef, maar er tot nu toe nog niets van te lezen kreeg: mijn ouders, mijn stiefouders, mijn volle-, half- en stiefbroers en mijn stiefzus. Ook mensen die er niet meer zijn: mijn grootouders en Sin. Denis ben ik dankbaar voor de manier waarop we nu apart maar samen onze kinderen opvoeden. Het grootste stuk dankbaarheid gaat uit naar Zoë en Tibbe, mijn prachtige kinderen. Zij zijn mijn inspiratie, spiegel, stressmeter, energiebron en twee zonnetjes in mijn leven. Borgerhout, mei 2018       In de prille lentezon                                                                  2016   Ze hadden hem samen tot in kamer 159 gebracht, zijn valies helpen uitladen en zijn tandenborstel in het bekertje gezet. Zij had zich bij het afscheid op de achtergrond gehouden, de kinderen een duwtje in de rug gegeven. Hij had hen allebei heftig tegen zijn borst aangedrukt. Met zijn blik op haar gericht. Smekend. Op de terugweg had zij de kinderen bij vriendjes afgezet, om hen de afleiding en zichzelf wat rust te gunnen. De stilte overvalt haar als ze weer thuiskomt, omhult haar als een deken en smoort haar onrust. Geen kinderstemmen, geen radio, geen geroep of gehuil. Hoe lang was dat geleden? Ze voelt de vermoeidheid van haar voeten tot in haar hoofd kruipen. Loopt meteen door naar de slaapkamer. Ze zet de dubbele terrasdeuren wijd open om licht en lucht overvloedig binnen te laten stromen, trekt de lakens van het bed en gooit die in de wasmand. Met een oude keukenhanddoek veegt ze het mosgroen laagje van de ligzetel op het dakterras. Ze legt zich languit in de prille lentezon en sluit de ogen. Het suist in haar oren, de beelden van de vorige dagen flitsen voorbij. Een loodzwaar gewicht van de afgelopen periode drukt haar op de zetel neer. Het was een slopende aanloop naar de moeilijkste beslissing uit haar leven geweest. De bittere noot was gekraakt. Ze kon niet anders, wist dat het moest gebeuren. Al zou ze het op haar manier doen. Ze zucht. De spanning heeft zich vastgezet in haar lichaam. Als ze voorzichtig rondjes draait met haar schouders, trekken de spieren stram tot waar haar nek haar schedel raakt. Haar schouderbladen kraken. Zodra de zon haar huid zachtjes warm likt, voelt ze het gewicht langzaam van zich afglijden. Ze ademt diep in en laat de lucht voorzichtig langs haar lippen stromen. Alsof ze nog niet helemaal durft uit te ademen. Een behoedzame glimlach verschijnt op haar gezicht. Straks zal ze voor het eerst sinds vele nachten terug in haar eigen bed slapen. Van alle scenario’s die er lagen, lijkt het best denkbare zich nu te ontplooien. Al die nachten kamperen in de living heeft dan toch iets opgebracht. Die ochtend tien dagen geleden, hoorde ze voetjes van de kinderkamer trippelen naar hun bed aan de andere kant van de gang. Daarna de paniek in zijn stem terwijl hij terugliep naar hun stapelbed en zijn zus wekte: ‘Mama is er niet!’. Haar geruststellende woorden: ‘Misschien is ze beneden, ik hoorde hen gisterenavond nog’. Gehaast maar voorzichtig zette hij zijn blote voeten op de koude trap. Hij kon niet wachten tot hij beneden was, boog zich voorover en tuurde tussen de metalen treden door, de living in. Zo keken moeder en zoon elkaar in de ogen. Opgelucht rende hij de trap af, sloeg zijn armen om haar heen en kroop mee in de slaapzak. Op een geïmproviseerd bed van twee grote kussens had ze een bijna slapeloze nacht doorgebracht. Ook zijn zus was snel beneden en schoof zo goed en zo kwaad als het ging mee bij hen aan op de kussens. Met haar twee kinderen in de armen, dicht tegen zich aan, zocht ze de woorden om hen te vertellen wat er hun gezin te wachten stond. Haar tienjarig meisje had het al voelen aankomen. Had er voorheen zelf naar gevraagd en een oprecht antwoord gekregen. Ze had zelfs begrip getoond. Bij haar zoontje drong het bericht die ochtend voor het eerst duidelijk door. Een zucht, meer van opluchting dan van verdriet, ontsnapte hem. Alsof hij toen ineens begreep wat hij al zo lang aanvoelde maar geen woorden kon geven: de echte reden van zijn onverklaarbare woedeaanvallen, de spanning die hij voelde trillen in huis maar niet kon duiden. ‘We zijn al met zo veel kinderen van gescheiden ouders in de klas.’ Hij telde luidop, kwam aan tien vingers. ‘We zouden een praatgroepje hierover moeten hebben! Dan leren we van elkaar.’ En zo werd de kiem gelegd van het groepje met een tiental tweedeklassers. Samen zouden ze hun ervaringen zouden over twee huizen, bezoekregelingen, ruzies en wisselmomenten. De dagen die volgden zwalpte hun vader als een wrak in huis rond. Zij hield het roer in handen. Zo kon dit niet blijven duren. Ze ging met de kinderen op stap en zag de bloesemknoppen paraat om open te barsten. Keek rond naar huurhuizen, al wist ze dat het geen haalbare kaart zou zijn om een dubbel huishouden met enkel haar loon te onderhouden. Ze vond een leuk plekje via Airbnb aan het plein voor de school. Dat zou korte termijn soelaas kunnen bieden. En toch wilde ze haar kinderen niet uit hun vertrouwde huis wegrukken en kon ze hen in deze toestand niet alleen bij hem laten. Zij slikte, slikte nog eens maar hield zich recht. Voor de middag kwam hij, zoals gewoonlijk, niet uit zijn bed. De rest van de dag hing hij als luie Wanja tegen de verwarming aan, snikkend, smorend, snotterend met af en toe luide uithalen van verdriet. Het kwam dubbel bij haar binnen: dat schuldgevoel ook naar haar kinderen, die ze dit soort scènes wilden besparen.   Die avond, toen ze al vijf dagen op de kussens sliep, had ze de kinderen in bed gelegd en zich uit huis aan een goed gesprek met een vriendin gelaafd. Ze geneerde zich voor de onverwachte zweetaanvallen die haar deze dagen parten speelden. Dan liep haar gezicht en hals helemaal rood aan en voelde ze de natte kringen in haar T-shirt groeien. Een onbekende ervaring die op café tamelijk vervelend kon zijn, ze voelde zich dan bekeken. Wat zouden de mensen van haar denken? Ze wilde op zulke momenten helemaal verdwijnen. Later terug thuis, liep ze meteen door naar de badkamer, gepoetst en opgefrist trok ze een vers gewassen pyjama aan en kroop in de living in haar slaapzak. Hij knielde neer en zette zich naast haar tijdelijk nest, hij smeekte om weer naar boven in bed te komen. Wat moest hij doen om haar weer voor zich te winnen? Die vraag kwam te laat. Hij strekte zijn hand naar haar uit om een haarlok uit haar gezicht te vegen. Maar zij weerde dit gebaar af. ‘Laat je helpen’ was het enige wat ze op dat moment nog aan hem kon meegeven. Hij droop af. Ze had geen illusies meer. Deze boodschap had ze al zo vaak gegeven. Maar deze keer drong het door. Hij besprak het met zijn psychiater en samen waren ze er snel uit. Hij kon enkele dagen later terecht in de PAAZ, bij hun kinderen beter gekend als ‘de spoed voor mensen die ziek zijn in hun kop’. ‘Ik laat me opnemen. Maar geef me dan nog een kans’ zei hij vlak voor zijn vertrek. ‘Ik kan niets beloven’ was haar oprechte antwoord, meer dan dat kon ze op toen niet zeggen. Ze moest nog leren voelen wat er kon en wat niet meer. Daarnet hebben ze hem in het ziekenhuis afgezet. Nu laat ze de zorg over aan professionelen. Voor even is er een oplossing, dat geeft ademruimte. Ze blokt de onoverkomelijke gedachte nog af, dat hij snel de weekends vrij zal krijgen en weer voor de deur zal staan. Hoe zullen ze dan leven in datzelfde huis? Even is zij, voor het eerst sinds lang, alleen in huis. Haar thuis waar ze de laatste jaren van wegliep, vluchtend in werk en engagement. Ze ademt weer, ze bekomt, nu geniet ze. Straks legt ze verse lakens en slaapt verfrist in haar eigen bed. Alleen.     Aan de Schoolpoort & bovenop het stapelbed                                             1981   Aan de schoolpoort                                                                                                        –            de vader Een grote man staat vrijdagnamiddag te wachten aan de schoolpoort. Zijn vriendelijke gezicht is omrand met een getrimde baard en snor. Hij draait zijn hoofd weg van de mensen en kijkt naar zijn voeten. Boze blikken prikken in zijn rug, hij hoort gefluister achter zijn schouders. De poort opent en de ouders stromen naar de speelplaats door. Het schoolgebouw is een statige herenwoning met een grote tuin, waar achterin twee barakken als kleuterklassen dienstdoen. Wanneer de deur van de klas op een kier wordt gezet, herkent hij meteen de licht hese roep van zijn zoon. Ongeduldig staat die te trappelen om de speelplaats op te rennen. Maar de juffrouw maant hem tot kalmte en schudt rustig elk kind een voor een de hand ten afscheid. Zodra hij buitenkomt stormt de kleuter op zijn vader af. Die pakt hem op en gooit hem in de lucht. De jongen krijst van opwinding als zijn vader hem weer opvangt. Als hij landt, loopt het kind de tuin weer in en klimt meteen met zijn vriendje op een breed vertakte boom. De kleuterjuf passeert, kijkt de vader met een verwijtende blik aan en loopt hem voorbij zonder groeten. Opgewonden stemmen klinken intussen uit het grote gebouw waar de schooldag nu ook eindigt voor de vierde klas. De vader kijkt zoekend naar de jongens en meisjes die druppelsgewijs de brede trap aflopen. Een meisje in een blauwwit gestreepte salopette tuurt geconcentreerd naar haar voeten terwijl ze op één been, trede per trede naar beneden springt. Zodra hij haar blik kan vangen, vergeet ze het spel, gaan haar ogen stralen en breekt een glimlach haar gezicht open. Ze loopt op hem toe. Hij pakt haar op en wang aan wang houden ze elkaar stevig vast. Even lijken zij in een zeepbel te leven, weg te zweven van de wereld rondom hen. Een vriendinnetje roept haar naam, ze draait haar hoofd en de blonde staartjes zwiepen langs zijn baard. De bel spat uiteen, hij staat weer alleen op de speelplaats. Met aan elke hand een van zijn kinderen wandelt de man even later de schoolpoort uit.  Als ze andere ouders passeren, draaien de hoofden mee met het trio. De vader moet het jongentje stevig vasthouden om te voorkomen dat die in zijn enthousiasme de straat oploopt. Het meisje hinkelt tussen de lijnen van de stoeptegels door. Zo kent hij zijn dochter: ze wil het helemaal onder de knie krijgen, zoals bij elk nieuw spel dat op de speelplaats zijn intrede doet. Hij neemt hen mee naar zijn nieuwe woonst, waar hij naartoe had moeten vluchten. Het was niet zijn keuze geweest. Maar eenmaal daar had hij de opluchting gevoeld. Hier konden zijn nieuwe leven en liefde een plek krijgen. Hij neemt zich voor het gemis van zijn kinderen ruimschoots en met onverdeelde aandacht in te halen.   Bovenop het stapelbed                                                                                                 -             zijn dochter Als ze aankomen in de onbekende straat haalt haar vader een mooie blinkende sleutel boven. Hij moet trekken en duwen aan de afgebladderde voordeur om ze open te krijgen. De kinderen volgen hem in de donkere gang. Drie brievenbussen klepperen nog na als ze de trap opgaan. Zodra de deur van het appartement op de eerste verdieping opent, worden ze verblind door het licht dat uit de voorkamer binnenvalt. De zon staat daar pal op het hoekraam. Witgeschilderde muren en vloeren. Een blankhouten tafel met vier stoelen. Er hangt een scherpe geur van dat gevaarlijke product waar haar vader zijn verfborstels in zet. White spirit. Ooit heeft haar broertje ervan gedronken. Ze herinnert zich nog de paniek, de sirenes van de ziekenwagen voor de deur. En dan het eeuwige wachten, alleen in de auto op de parking van het ziekenhuis -want kinderen mochten niet binnen in de intensieve afdeling. Dan was ze naar haar grootouders gebracht. Waar ze samen hadden gewacht tot het nieuws kwam dat alles goed zou komen. Aan de andere kant van de woonkamer staat een ezel met een leeg doek dat op een kader is gespannen. Als ze beter kijkt, ziet ze al enkele dunne lijntjes van het schilderij dat nog moet ontstaan. Er ligt een schilderspalet op een kruk. De mengelmoes van kleuren trekt haar aandacht. Ze kan het niet laten er even aan te voelen. Verder is er in de kamer niets. Zelfs geen gordijnen. De overburen kunnen zo naar binnen loeren. Vanuit het raam kijken ze uit op de grote bladeren in de vorm van harten. Er hangen perfect ronde bolsters in met scherpe piekjes. De stam is afgebladderd, gevlekt. Zoals een camouflagepak van het leger. Daaronder beweegt het voortdurend op de Leien. Ramen openen gaat niet, door het lawaai en de stank van het drukke autoverkeer. Als vieruurtje proeven ze een koffiekoek van de bakker hieronder, op de gelijkvloers van dit huis. Een koek met chocoladedakje, gevuld met pudding. Ze drinken een glas heel zoet, goudgeel appelsap. Dan vraagt haar vader om hem te volgen. Het enige kamertje dat niet aan de drukke Leien grenst, zal hun slaapkamer worden. De kinderen helpen een vers pakket van Ikea openscheuren. Ze houden de rode metalen spaken recht, terwijl hun vader met schroeven en sleutels in de weer is. Twee lattenbodems worden boven elkaar in het frame gehangen, matrassen uit hun plastieken cover gehaald, lakens, kussens en slopen opgeschud en gedrapeerd. ‘Ik wil boven’ roept het jongentje enthousiast, nog voor de ladder stevig staat gemonteerd, is hij er al op gekropen. ‘Neen ikke!’ zegt zijn zus. Ze bekvechten over wie waar zal slapen. ‘Ssst, geen geruzie, jullie kunnen om beurt’ sust hun vader. ‘En dan in haar vuile lakens moeten slapen?’ Het broertje knijpt zijn neus tussen duim en wijsvinger en maakt er een grimas bij. Zijn zus trekt haar schouders op en legt zich op het onderste bed. Alles ruikt naar nieuw. ‘Slaapwel’ zegt ze. Op klaarlichte dag draait ze zich op haar zij. Vanop het bed boven haar klinkt dezelfde boodschap in echo. Ze snurken om ter luidst en proesten het uit. Met een luide geeuw strekt het negenjarige meisje haar armen. ‘Ik heb zo wa-wa-wa-waanzinnig gedroomd’ zingt ze uit volle borst. ‘Ik werd door ka-ka-ka- kadoo’s overstroomd’ valt haar broertje in. ‘hihihi, kaka!’ Hij klautert de ladder af. De geur van gebakken vlees lokt hen naar de keuken. Ze gaan samen kijken naar hun vader die intussen achter de potten staat. Er is een groot raam, maar toch dringt er zelfs op deze zonnige dag amper licht in deze ruimte door. Op nog geen twee meter van het venster begint de muur van het huis ernaast. Als ze het raam opent, om door de smalle koker naar boven kijken, ontwaart ze met moeite een stukje blauwe lucht. Op het koertje een verdieping lager hoort ze geritsel. In een flits ziet ze een rattestaart tussen de stapels dozen en vuilzakken verdwijnen. ‘De tafel mag gedekt worden’ zegt de vader, terwijl hij naar de keukenkast wijst ‘daar staan de borden en in hier ligt het bestek.’ De kartonnen doos van dit Number One starterspakket voor de keuken zet hij bij de rest van het oud papier in de gang.  Het meisje neemt voorzichtig het witte servies uit de kast en plaatst de borden op tafel. Twee naast elkaar en eentje ertegenover. Zoals altijd moet ze even nadenken, waar ze nu weer het mes en de lepel moet leggen. Haar tong glijdt langs de binnenkant over haar tanden. Daar waar die ene boventand naar achter zit. Dat is links, waar de vorken komen. Ze zet een stap achteruit en kijkt. Schud haar hoofd. Er klopt iets niet, ze mist iets. Ze verzet een stoel naar de kop van de tafel en verschuift de borden totdat ze een mooie gelijkzijdige driehoek vormen.     Onder de moerbeiboom                                                                             2014   Vandaag zal het de laatste keer zijn, dat de mol vrij spel krijgt in onze achtertuin. Deze middag heeft Liv overlegd met de arts. Geflankeerd door haar zoon heeft ze gevraagd om de pijn verder te bestrijden.  De medicatie zal opgevoerd worden. Wij weten allemaal, met haar steeds verzwakkende toestand, dat deze verhoging wel eens de laatste kan zijn. Of het nu een kwestie van uren of van dagen is, in ieder geval komt er snel een einde aan het verblijf van deze bijzondere gaste. Bij de diagnose had ze ervoor gekozen om zich niet verder te laten behandelen. Chemo en bestraling hadden haar leven misschien nog iets kunnen rekken, maar konden geen oplossing bieden. Deze ‘giftige’ ingrepen zou ze sowieso nooit hebben toegelaten. Zelfs bij minder noodlottige prognoses had ze die geweigerd, dat wist ze me te vertellen op een van die vele momenten dat ik haar kwam verplegen.   Toen ze iets meer dan twee maand geleden toekwam, moest ze het nog leren: ‘zich laten verzorgen’. Ze was een taaie en koppige dame die al jaren alleen woonde en gewoon was haar plan te trekken, zich te harden en eindeloos op zichzelf te bezuinigen. Met een verbeten, lichtjes verbitterd trekje rond haar mond probeerde ze zich toen zelf recht te zetten, op te staan en naar de wc te gaan. Ze weigerde hulp te vragen. Maar al heel snel kwam er verandering in haar houding. De groene omgeving deed haar weer ademen. Hoe meer ze onze zorg toeliet, hoe zachter de trekken in haar gezicht werden. Hoe zwakker haar lichaam werd, hoe stralender haar lach en haar ogen. Het was een intense ervaring om haar op korte tijd zo te zien evolueren naar iemand die gelukkig haar einde tegemoet trad. Het zijn er maar enkelen per jaar die nog zo helder van geest zijn als ze hier toekomen, die tijdens hun verblijf in onze hospice nog een mooi slotstuk aan hun leven kunnen breien. De meeste van de gasten komen pas als de medische wereld hen geen sprankeltje hoop meer kan bieden. Ze hebben vaak nog maar enkele dagen te leven en zijn soms amper bij bewustzijn. Aanvaarden dat het einde nabij is, blijft voor velen erg moeilijk. Slechts enkelen durven hun lot in de ogen te kijken en te spreken over wat er gaat komen. Nog zeldzamer zijn de naasten die dit gesprek ook durven aangaan. Liv bloeide op tijdens haar verblijf. Ze genoot met volle teugen van dat laatste slokje leven, alsof ze nu pas ontdekte hoe lekker het was. Zin in een stukje oude kaas? Ze durfde het te vragen en haar kinderen zorgden dat het in orde kwam. Een kopje advocaat én een stukje pure chocolade bij de koffie? Mosselen gaan eten op restaurant?  Voor haar was het pure luxe. Dat was meer dan twintig jaar geleden wist ze me te vertellen. Deze zomer wilde ze het allemaal nog meemaken. Oude bekenden, vrienden en familie kwamen op audiëntie terwijl zij als een koningin op haar favoriete plekje onder de moerbeiboom zat. De verweerde planken van de ronde tafel lagen verstopt onder blikken koekjesdozen, kaartjes, schaaltjes met pralines, fotoalbums, fruitsap en bloemen. Oude herinneringen werden opgerakeld en nieuwe ter plekke gesmeed. Er werden banden aangehaald en andere definitief verfoeid. Ze stond midden in het leven, net nu iedereen wist dat het voor haar snel zou afronden. Liv werd ook gevierd. Op een natte zomerdag omringde een groep intimi haar met muziek en woord. Een afscheid voor de dood. Samen. Ze zag er moe maar stralend zijn. Ik mocht erbij zijn. Op die korte tijd durfde ik me al vriend van de familie noemen. Vooral met de schoondochter smeedde ik een hechte band. Ik voelde tijdens de viering het meeslepende ritme van de taiko-drums en werd geraakt door de kwetsbare stem van haar negenjarige kleindochter. Ik kon het me amper voorstellen toen Liv vertelde dat ze zo alleen had geleefd. Ver van mensen, in verbinding met de natuur. Hoewel ze samen een intense band hadden, verliep het contact met haar beide kinderen niet altijd zonder conflict. Ze was dan ook een vrouw met een sterke mening en dat durfde wel te botsen met haar zoon en dochter. Ook tussen haar twee volwassen kinderen kon het heftig ontvlammen. Ooit moest ik tussenbeide komen in een ruzie omdat hun geroep tot in de ziekenkamers reikte. Deze zomer stond voor hen beiden honderd procent in het teken van zo veel mogelijk met hun moeder samenzijn. Dagelijks kwam minstens een van hen op bezoek. Haar zoon had met zijn vrouw en beide kinderen een stacaravan in een nabijgelegen camping gehuurd. Dit was hun vakantie. Ze waren hier kind aan huis. Vooral zijn jongste zoon had het soms moeilijk om de nodige rust in ons verblijf te respecteren. De zesjarige jongen bruiste van energie en had zijn beweging nodig. Als grootmoeder en kleinzoon samen plannetjes bekokstoofden dan zag je de vonken tussen hen beiden flikkeren. Hun pretoogjes spraken boekdelen. Zo ben ik ervan overtuigd dat zij degene was die hem had ingefluisterd dat die mollevallen nood hadden aan een grondige sabotage. Want dierenleed raakte haar meer dan gelijk welke onheil de mensheid overkwam. Onder het goedkeurend oog van zijn grootmoeder deed hij dagelijks zijn tour langs het grasveld om met een stok val per val te laten dichtklappen. Geduldig zette onze tuinman de vallen de volgende keer weer gebruiksklaar. Het groeiende aantal aardebruine bergjes op ons gazon toonde wie er in deze strijd aan de winnende hand was. In die dagen ontstond mijn vriendschap met de schoondochter. Het was er een van weinig woorden. Zij was toen vooral onzichtbaar. Ze nam haar rollen als moeder, vrouw en schoondochter voorbeeldig op. Haar drukke job als onderneemster had ze voor deze vakantie even achter zich gelaten. Maar hun tijdelijke woonst op de camping in de buurt bezorgde haar geen plezier. Ze werd van kop tot teen gekeurd door de permanente campingbewoners die vanaf het middaguur aan de bar hingen. Die brachten hun dagen door met bier, platte grappen en karaoke. In tegenstelling tot haar man die vlot met iedereen een babbeltje deed, trok zij zich achter haar boeken terug. Bij ons in de hospice voelde ze zich beter thuis. Maar ik merkte dat er binnenin iets woelde. In een droom die haar deze nachten bleef bezoeken, werd ze gewillig geschaakt. Het schuldgevoel droop van haar af toen ze die fantasie aan me opbiechtte. Ze had als kind al geleerd om in verbeelding te vluchten. Dit vertrouwde vangnet van fictie had ze voor zichzelf uitgespreid.    Vandaag is het schooljaar alweer enkele weken bezig en heeft dit gezin er een weekenduitstap van gemaakt. Ze plannen om vannacht een laatste keer in de caravan te slapen. De nachtelijke kou dringt diep binnen door de dunne wanden. Maar de zon schijnt voor de tijd van het jaar uitbundig. Na het gesprek met de dokter hebben ze zich weer geïnstalleerd onder de moerbeiboom. Naast haar stoel staat de rollator die dienstdoet als mobiel tafeltje voor haar vaste attributen: het doosje met sigaartjes, een turquoise aansteker met assenbakje, haar gsm en een klein snoeptrommetje gevuld met zoetigheid voor de kinderen. Binnen handbereik staat altijd een groot glas water, afgedekt met een siliconen groen lapje in de vorm van een blad met een bijtje op. De kleinzoon heeft zijn rondje langs de mollenvallen gedaan. Tot maandagochtend zijn die diertjes weer gered. Als ik aan de vooravond buiten kom om een andere patiënt op het aanliggende terras te verzorgen, valt me op hoe moeizaam Liv beweegt. Uitgeput draait ze haar hoofd op het steunkussen en zoekt een houding die haar minder pijn doet. ‘Zal ik de leuning naar achter doen?’ vraagt haar schoondochter. Liv knikt en sluit haar ogen. Mijn vriendin springt recht en kantelt voorzichtig de rugleuning van de rolstoel. ‘Rust maar even terwijl de kinderen weg zijn.’ De warme septemberwind doet de bladeren van de moerbeiboom ritselen, zonnevlekken dansen op haar broze huid. De schoondochter zet zich weer aan de tafel en verdiept zich in haar boek. Ze genieten allebei van de stilte nu de kinderen even weg zijn met hun vader.  Straks weer het rumoer, dan staan ze terug hier, om samen spaghetti te eten.  Liv reikt met haar dunne arm naar de vrouw en heft haar hoofd op. ‘Ik zeg het nog eens: als hij niet drastisch aan zichzelf gaat werken,’ zegt ze duidelijk, al is haar stem niet meer dan een zucht ‘moet jij voor jezelf én voor de kinderen een beslissing nemen en van hem weggaan.’ De vrouw kijkt op, zegt niets, maar knikt dat ze haar begrijpt. Ze ademt diep in, houdt de lucht even in haar longen vast, om ze dan gecontroleerd weer te laten ontsnappen. Het is alsof ze een groot verdriet wegdrukt, groter dan het nakend verlies van Liv. Het is alsof ze de consequenties van deze boodschap niet durft laten doordringen, omdat die haar hele wereld op zijn kop zullen smijten. Maar ze heeft het gehoord. Ik ben benieuwd of ze deze morele steun zal toelaten en of die haar de moed zal geven om de stap te zetten. Het is niet de eerste keer dat Liv dit zegt, vertelde ze me eerder. Wel de laatste keer. Ook aan haar zoon gaf ze meermaals dezelfde boodschap. Hoe hard moet dit niet voor een moeder zijn? Te zien dat haar zoon zijn gezin aan het verliezen is. Maar Liv kijkt verder vooruit naar het leven dat ze niet meer zal meemaken, ze kiest voor het welzijn van haar kleinkinderen.   Straks, na het eten zal Liv helemaal uitgeput zijn. Ze zullen haar naar haar kamer brengen, nog instoppen en warm afscheid nemen. Zij beseffen het niet, maar de kans is groot dat ze haar niet meer bewust terugzien, dat ze, geholpen door de medicatie, langzaam uit zal doven. Dan zal er rouw volgen. Gemis. Van haar sonate zal nu de coda weerklinken. Voor haar nageslacht begint er een nieuwe melodie.     Achter de boeken                                                                                          1985   Het is bijna vakantie. De laatste loodjes wegen zwaar voor haar moeder. Zoals elk jaar. Er wordt door de school weer gretig gebruik gemaakt van haar talenten om te tekenen én om geen neen te kunnen zeggen. In het Steineronderwijs is het de traditie om rapporten voor elke leerling persoonlijk te maken. Zonder punten maar in woord en beeld. Wat natuurlijk een bijzonder geschenk is voor elk kind en diens ouders, maar een gigantische berg werk voor de leerkrachten. Zo’n dag is het voor het meisje, helemaal aan de staart van haar eerste schooljaar in het middelbaar onderwijs. Ze trekt zich niet veel aan van de drukte. Want zij heeft weer een mooie buit in de bibliotheek verzameld, ze kan zich in zeven onbekende werelden onderdompelen. Sinds ze met de lidkaart van haar vader de volwassenafdeling literatuur mag verkennen, is er een nieuw universum bereikbaar. Op de jeugdafdeling en in de huisbibliotheek heeft ze nog weinig nieuws te ontdekken. Ze worden vandaag mee op sleeptouw genomen, zij en haar broertje, naar een bel-etagewoning in een andere wijk van de stad. Daar waar die populaire leerkracht wiskunde woont met zijn kinderen. Als ze toekomen worden ze hartelijk door hem onthaald. Haar kinderen krijgen een kus op de wang, bij de mond van hun moeder blijft zijn mond iets langer hangen. Hij nodigt hen naar boven uit, ze mogen meteen aanschuiven aan de grote tafel bij het gezin. ‘Allez, zeg eens beleefd goeiendag tegen iedereen’ hun moeder port haar aan. Licht blozend geeft het meisje de drie grote zonen en dochter een klam handje en slaat dan snel de ogen neer. Een dampende ovenschotel wordt geserveerd, pasta met vegetarische groentesaus. Sinds hij weduwnaar is, kookt een dame uit de buurt voor hem en zijn kinderen. ‘Neen, toch niet weer van dat konijneneten’ klaagt een van de puberzonen. ‘Geen gezeur, we moeten blij zijn met wat de pot schaft’ reageert hun vader.  Maar de honger overtroeft hun kieskeurigheid en al snel wordt elk restje uit de schotel geschraapt. Ook de borden worden vakkundig leeggemaakt. Hier en daar helpt een tong om elke verspilling te vermijden. Gelukkig komt er nog een dessert: een grote kom vanillepudding sluit de maaltijd af. Dan verdwijnen de jongeren naar hun kamers of naar de straat en valt de stilte in de woonkamer.  Zodra de tafel is afgeruimd, wordt die helemaal ingepalmd voor de eindsprint. Ze ligt bedekt met papieren. Er wordt geschreven, getekend, geteld, geordend, lijsten gecheckt. Want morgen de getuigschriften uitdelen. Het meisje nestelt zich in een zetel in de hoek en vertrekt naar een kleurrijke magische wereld in Latijns-Amerika. Haar broertje volgt een van de grote jongens die een elektrisch treinspoor voor hem bovenhaalt. Ze laat zich meezuigen in liefdesverhalen ten tijde van cholera. Als ze opkijkt ziet ze amper wat er zich vlak voor haar neus afspeelt. Haar moeder straalt weer, lacht, geniet. Die laat zich welwillend charmeren. Wat een contrast met de jaren van verdriet die zij achter zich heeft. En de jaren van zoeken naar de juiste man. De kinderen zagen al enkele kandidaten passeren. Maar de voorgangers van deze wiskundeleraar waren nooit goed genoeg. ‘Ik ben weg hé vake’ De jongste zoon des huizes ziet er blits uit met een fluogele trui, een nektapijt en een zwart potloodrandje onder zijn ogen. Hij trekt de deur luid achter zich dicht. De examens zijn achter de rug, leerlingen vrij. De leraars werken naarstig maar goed gezind verder. Op de achtergrond speelt de radio een vioolconcerto. Een heruitzending van de onderbroken Koningin Elisabethwedstrijd, waar een maand eerder het geweld op de Heizel de aandacht van de muziek had afgeleid. Het meisje leest, haar broertje speelt aan haar voeten met de treinen. Het wordt laat en de berg getuigschriften is nog maar half gevorderd. ‘We gaan er niet geraken’ zegt hun moeder lichtjes panikerend. ‘Toch wel. Maar het zal nachtwerk worden.’ zegt de leraar met een brede glimlach. ‘Jullie blijven toch gewoon hier slapen!’ Het meisje mag logeren in het grote bed bij haar toekomstige zus. De enige zus in een wereld vol broers. Op haar kamer legt ze haar boek even aan de kant en bladert in de Flair. Zo maakt ze kennis met lectuur over mode, verliefdheid en make-up. De dag die volgt zal de laatste zijn voor beide ouders in dezelfde school. Hun werkplekken zullen scheiden, maar hun levens verder samenvallen. Diezelfde zomervakantie gaan ze op zoek gaan naar een nieuwe woning. Want noch zijn bel-etage noch haar rijwoning volstaan voor het nieuwe gezin met zes kinderen. Die herfst, vlak voor de veertiende verjaardag van het lezende meisje, verhuizen ze naar de boerderij te midden van de velden. Ver weg van de stad, pendelen naar school en vriendinnen, maar met een bessentuin, kamers voor ieder kind en katten die jaarlijks nestjes bouwen.   Onder de torens                                                                                      1988   Zodra de deuren met een zucht openschuiven, valt de massa als een reeks dominostenen op het perron uiteen. Het meisje met de koffer wacht haar beurt af en kijkt met grote ogen naar de stroom ongeduldige pendelaars. Sinds ze zich in Gare du Nord door de roltrap naar beneden liet voeren, was ze overspoeld door het ondergrondse leven in de wereldstad. Het was druk in het metrotoestel, maar ze had toch een zitplaats kunnen bemachtigen. Van hieruit kon ze haar medepassagiers stuk voor stuk ongegeneerd observeren. Het parfum van twee kleurrijk geklede jongedames prikte in haar neus. Ze wisselden druk gebarend de laatste nieuwtjes uit in een mengelmoes van Frans en een onbekende Afrikaanse taal. Tot de clochard was opgestapt. Hij had met zijn walm van wekenlang ongewassen kleren, zurige goedkope wijn en sigaretten de massa doen wijken. Ondanks het plaatsgebrek had iedereen rondom hem het rechtstaand reizen verkozen boven zijn odeur, waardoor hij snel een stoel te pakken kreeg. Of drie, want niemand wilde naast hem zitten. Het meisje stelde zich de baardige man voor, terwijl hij onder het gewelf van een brug op een stuk karton afgelopen nacht had proberen te slapen. Dat laatste blijkbaar zonder succes, want nog voor de metro weer vertrokken was, viel zijn kin op zijn borst en ontsnapte een rochelend gesnurkt zijn lippen. Het handvat van de koffer snijdt in haar handpalm terwijl ze door de betegelde gangen de pijlen naar Île de la cité volgt. Als ze de vrolijke tonen van een Russisch volkslied hoort, wijkt ze van haar route af en volgt de klanken tot bij een groep muzikanten. Ze glimlacht als de accordeonist haar in de ogen kijkt en een wervelende solo neerzet. Ze zoekt haar Franse francs om in de openstaande vioolkist te werpen. Haar mond valt open als de oma van het gezelschap haar krachtige stem verheft. Met haar voet tikt ze het ritme mee en laat de drukte langs zich heenglijden. Bovengronds struint ze rustig langs de historische gebouwen. Met de kin in de lucht kijkt ze naar de wolken, de versierde gevels en dakranden. Het scheelt geen haar of ze botst tegen een gids die met opgestoken paraplu een groep Japanners meetroont. Op het plein, onder de torens van de Nôtre Dame vindt ze een lege bank. Ze nestelt zich, kijkt op haar horloge en haalt opgelucht adem. Ze ziet dat ze nog een zee van tijd voor zich heeft, voor ze in Gare de Lyon de trein naar haar vriendin in het zuiden moet halen. Met een dubbele klik opent ze de sloten van haar koffer, ze tilt het kartonnen deksel op dat met imitatieriet is bekleed. Ze rommelt tussen haar kleren en boeken en haalt een fles water boven, samen met een reep van drie lagen krokante sesamkoekjes. Het wolkendek breekt open, eerst toont zich een blauwe vlek tussen het grijs, dan komt de zon over de oplichtende randen kijken. Het meisje trekt haar jas goed dicht, zet haar kraag op tegen de wind, sluit de ogen en laat de zon haar wangen strelen. Het gekrijs van meeuwen, die vechten om de restjes aan het kraam met ‘Crêpes de Bretagne’, rukt haar uit haar gemijmer. Het geluid doet haar denken aan haar klasgenoten, samengetroept voor de spiegel in de toiletten van een donkere fuifzaal waar net een knappe jongen is verschenen. Vriendinnen voor wie deze stad gelijkstaat aan catwalks en de nieuwste modetrends. Ze kijkt omhoog en bestudeert de waterspuwers op de gevel van de kathedraal. Ze gaat op zoek naar de verhalen achter de beelden maar moet toegeven dat haar kennis van de Bijbelse mythologie onvoldoende is. Haar vader had bij het afscheid nog op het hart gedrukt om zeker de kleurrijke glasramen van binnenuit te bezien. Van haar moeder had ze de raad gekregen om vooral goed op haar portefeuille te letten. En zich warm genoeg te kleden. Maar ze gaat niet naar binnen, voorlopig zit ze daar goed, het zestienjarig meisje met haar koffer. Een warm gevoel borrelt op vanuit haar buik. ‘Wow, wat is dit heerlijk! Ik kan hier eindeloos rondkijken. Ik zou dit nooit beu worden. De wereld is zo groot en ik wil er nog veel meer van zien. Ontdekken. Reizen. Mensen van andere landen leren kennen. En zien hoe zij leven. Niemand die iets van me wil. Niks moet. Hier wil ik meer van. Dit is vrijheid!’      Tussen de dekens                                                                                                 1997   Het is nooit haar favoriete periode van het jaar geweest, die dagen tussen Kerst en Nieuw. Het ijzige, grijze winterweer doet er nog een schep bovenop. Ze had het ontstaan van de ijsbloemen op het slaapkamerraam aandachtig bestudeerd. Het is daar zo koud dat de kamer tijdelijk onbewoonbaar is en ze haar matras naar de living heeft verhuisd. Om te voorkomen dat de leiding zou dichtvriezen moet ze een paar keer per dag de wc doorspoelen. Ze dekt de bril af met een doek zodat haar billen niet vastplakken aan het ijs. Omringd door donsdekens, kussens en met een warmwaterkruik aan haar voeten, brengt ze de dag lezend door. Is het de vertering van kerstdiners die ze bij beide kanten van haar familie weer voorbeeldig heeft doorstaan? Is het de leemte tussen familie, werk en de vrienden met wie ze oudjaar zal vieren? De feestdis bij haar tante aan vaderskant is dit jaar zonder noemenswaardige incidenten gepasseerd. Een stoel en stiefmoeder minder weliswaar. Daardoor zeker wat gênante scènes bespaard, maar verder de traditionele ingrediënten van kalkoen en Bob Dylan, van kerststronk -die oma essentieel vond maar niemand lekker - tot heftige discussies over maatschappelijke thema’s onder semi-gelijkgestemden door de wijn in positie gebracht. Ondanks de opluchting die hij verwoord had, was haar vader dit feest aan de stille kant. Het viel op dat de frons op zijn voorhoofd sinds zijn vlucht naar het lege appartement aan de Schelde niet verdwenen was. Ook zij maakte zich zorgen. Vooral over haar negenjarig halfbroertje. Gelukkig had zijn moeder toegestaan dat hij er op het familiefeest bij mocht zijn. Zijn andere halfbroer, intussen haar ex-stiefbroer, ontbrak. Hij zou pas jaren later weer aansluiten bij de kerstfeesten. ‘Hoe is het thuis?’ had ze de jongen gevraagd toen hij op haar schoot was gekropen. ‘Niet leuk, ik moet mama altijd helpen’, hij trommelde met zijn vingers op de rand van de zetel. ‘Wat moet je dan doen? De afwas?’ Ze aaide hem over zijn haar en probeerde zijn blik te vangen. ‘Ze ligt dan in bad en roept me uit bed.’ ‘Waarom?’ ‘Ik moet haar handtas voor haar opendoen en met twee briefjes van honderd frank naar de nachtwinkel’ Hij prutste aan een losse draad aan zijn trui. ‘Wat moet je dan gaan kopen?’ ‘Sigaretten en zo’n kleine fles whisky,’ hij keek zijn grote zus amper aan, maar vertrouwde haar meer toe dan hij aan hun vader vertelde. ‘Die man mag dat helemaal niet aan een kind meegeven!’ ‘Maar hij weet dat het voor mama is.’ Ze voelt zich hulpeloos als ze aan dit gesprek terugdenkt. Ze kent de wegen niet om haar broertje te helpen. Haar eerdere poging om zijn moeder tot rede aan te manen was abrupt afgebroken toen die de telefoon op de haak had gegooid. Meer dan er voor hem zijn en te luisteren kan ze niet bieden. Ze duwt zich rechtop, stapt uit haar bed, zet een pot kruidenthee en vergewist zich er voor de zoveelste keer van, of de gaskachel wel degelijk op de maximumstand staat. Haar boek, waarin het Groenlandse personage gespecialiseerd is in soorten sneeuw, zorgt ook niet voor de nodige warmte. In navolging van die onderzoekster die op de besneeuwde dakrand staat te roken, neemt zij haar pakje tabak en rolt een dunne sigaret. Ze leegt de volle asbak, spoelt hem uit en niest bij de geur van natte as. Zachtjes laat ze haar vingers glijden over het appelblauwzeegroene sjaaltje dat ze vorige week heeft cadeau gekregen. Te mooi om te dragen. Ze wilt het zorgvuldig bewaren. Tweemaal per week had ze de Chinese vrouw, die door haar hoogtechnologisch bedrijf tijdelijk naar België was gehaald, Engelse les gegeven. Een mooie bijverdienste, naast haar eerste inhoudelijk volwaardige maar wel deeltijdse job. Extra centjes die ze zou sparen voor een nieuwe reis. Samen hadden ze kortverhalen van Roald Dahl gelezen. Uit de bespreking waren boeiende gesprekken ontsproten. Het Engels van de Chinese bleek van hoog niveau, het was haar verlegenheid die een rem op haar taalgebruik zette. ‘Dank je voor de lessen en de vriendschap’ zei de vrouw bij de laatste les, toen ze de doos met de zijden sjaal overhandigde. ‘Wat mooi! Hoe lang blijf je hier nog?’ ‘Ik vlieg terug op Oudejaarsavond. Ik moet maar tot Kerstmis werken. Heb je nog tips? Wat moet ik hier nog zeker zien?’ ‘Weet je? Ik kom je een dagje aan je hotel ophalen en toon je de stad. Of we maken een uitstapje naar Gent en Brugge!’ ‘Fijn’ zei ze en ze hadden zo afscheid genomen met het vooruitzicht op een weerzien. Maar ze komt er niet toe die belofte waar te maken. Verder dan de bakker achter de hoek is ze deze dagen niet geraakt. Met de hoorn in de hand had ze meer dan eens klaargestaan om een vriendin te bellen. Maar ze heeft uiteindelijk geen enkele van die telefoonnummers ingetikt. Ze kon de woorden niet vinden. Haar huisgenote, die een verdieping lager woont, heeft afstand genomen sinds ze doorheeft dat zij niet altijd die ondernemende en positief ingestelde vrouw is, waarmee ze tot voor kort goed bevriend was en samen avontuurlijke reizen ondernam. De enige stem die ze vandaag hoort, is van de radiopresentator. En haar eigen hoestbuien. De saliethee kleurt felgeel. Ze zet de theepot op de kachel en warmt haar vingers aan de kleurrijke kop. Ze kruipt weer onder de dekens om opnieuw in haar boek te verdrinken, om op te gaan in de zoektocht van haar hoofdpersoon naar identiteit en zin in het leven. Het sjaaltje heeft ze voor één keer om haar hals gedrapeerd.     Langs de kustlijn                                                                          2015   ‘Zet me daar in het dorpje maar af’ had ze tot hun verbazing gezegd ‘Ik loop wel en zie jullie daar.’ De kinderen waren dit niet gewoon van hun moeder, haar man fronste maar sloeg van de hoofdbaan af en reed door de dorpskern tot aan het strand. Ze wuift hen uit als de auto weer vertrekt, zet zich neer op het betonnen overblijfsel van een bunker en trekt haar schoenen en sokken uit. Het is rustig op het strand. Een vrouw met een hond, een jong gezin, een koppel hand in hand. In de verte ziet ze de vage contouren van de rotsen die haar einddoel markeren. Bij eb had de zee een weidse ruimte aan de wandelaars geschonken, maar gestaag komt ze die terug opeisen. Het zeewater voelt warm aan voor deze tijd van het jaar. Met opgetrokken broekspijpen, haar schoenen met de nestels aan elkaar gebonden over haar schouders geslagen, loopt ze waar water en zand elkaar raken. Een grote hond duikt rakelings langs haar het water in en spettert haar kuiten nat. ‘Excusez moi’ mompelt de oude man met bakkebaarden. Ze lacht en stelt hem gerust. Hoe verder ze de badplaats achter zich laat, hoe zeldzamer de wandelaars.   ‘Ik ben ermee gestopt. Ik heb mijn boeken thuis laten liggen,’ meldde haar man droog toen ze enkele dagen geleden goed en wel vertrokken waren. ‘Wat? Zomaar ineens? En het is al beslist?’ In haar buik voelde ze een krop groeien, ze slikte zo hard dat haar oren even dichtklapten. ‘Ja, het is gewoon te veel. Ik wil van deze vakantie genieten. Ik haal die examens volgende week toch nooit.’ Ze hoorde zijn opluchting. ‘En jij beslist dat zomaar even zonder dat met mij te bespreken?’ Haar stem maakte een sprong. ‘Het was niet haalbaar. Te hoog gegrepen. Ik heb het in de bijles beslist. Mijn leraar gaf me gelijk’ Het klonk te luchtig. Intussen probeerde hij zich te concentreren op het drukke vrijdagavondverkeer richting kust. ‘Alsof die keuze geen effect heeft op mijn leven!’ Zij leek meer ontgoocheld dan boos. ‘Mama, papa, geen ruzie maken!’ kwam het streng vanop de achterbank.   De golven klotsen over haar voeten. Met haar hielen duwt ze putjes in het natte zand. Sporen die door de eerste vloed weer worden afgevlakt, om bij de volgende golf volledig te verdwijnen. Ze ziet de witte rotsen voor zich steeds scherper opdoemen. “Hèhè, even tijd voor mezelf. Dat was nodig! Mijn verjaardagscadeautje aan mezelf. Want echt ontspannend was deze vakantie niet. De kop in het zand steken, daar is hij goed in. Hij wordt boos als ik het nog maar durf aan te raken. Zo komen we geen stap vooruit. Alsof ik niets gedaan heb om zijn studies mogelijk te maken? En dan, zonder boe of bah ermee stoppen! En ik dan? Ik ben weer naïef geweest. Ik heb me weeral eens in zijn zotte plannen laten meeslepen. Mijn hele schema overhoopgegooid om ervoor te zorgen dat hij kon studeren. Ik draaide nu weer voor alles op met de kinderen en in het huis, naast mijn zaak. Zodat mijnheertje kon studeren. In de week én in het weekend. Ik deed het omdat ik hem wou steunen in zijn plan. Typisch dat hij er weer even snel mee stopt als hij ermee begonnen is. Hoe vaak kan ik uit een leeg potje hoop blijven schrapen? Wanneer is de bodem bereikt? Dit hou ik gewoon niet vol. Wat gaat hij nu doen? Die studie opgeven is één ding, maar die hele dagen weer niks om handen hebben, dat vind ik nog het ergste. Smoren en surfen op zijn gsm. Meer doet hij niet. Ik wil rust na een volle werkdag, maar hij is al een derde kind, alle aandacht opeisen en amper helpen in het huis. Als ik dan moe thuiskom overspoelt hij me.” Zonder dat ze het gemerkt heeft, is het iele herfstzonnetje achter een dik pak grijze wolken verdwenen. Een stevige wind zorgt voor witte schuimkoppen langs de kust. Bij de hoge rotsen aangekomen, is de zee al zo genaderd dat ze haar broek tot over haar knieën moet optrekken. Klauterend en struikelend vervolgt ze haar route. “Hoe ver zou het nog zijn tot aan de kaap? Misschien moet ik teruggaan en het pad over de rotsen volgen. Maar dit is wel veel korter. De oude waterlijn komt tot aan mijn borst, in het slechtste geval ben ik tot daar nat. Maar zo hard snel zal het toch niet gaan? Ik haal het wel8 Ah, hier is nog een stukje strand vrij. Zie, het is nog niet overal zo hoog. Hier loopt het eventjes zachter. Oef. Ik moet iets doen, want ik geraak er zo niet uit. Mijn vriendin had gelijk: als ik het niet kan accepteren dan moet ik iets ondernemen. Zijn moeder zij het al. Hoe lang hou ik dit nog uit? Ik wil het mijn kinderen niet aandoen. Maar ik moet er met iemand over praten. Ik ben al bang om het woord te zeggen. Ik moet durven toegeven dat ik dit niet meer volhou. Hulp vragen. Als we straks thuis zijn, bel ik mijn vriendin. En ik mail mijn therapeute voor een afspraak. Ik pak de gesprekken weer op en we zien wel waar ik uitkom. Auw, de rotsen zijn scherp hier. Het water blijft stijgen. Oppassen dat mijn schoenen droog blijven! Maar daar is de trap al, ik zie mensen op de rotsen staan. Ben er bijna.”  ‘Mama, eindelijk, daar ben je!’ haar dochter staat van opwinding te springen op de trappen. ‘Wat heb je gedaan? Je broek is helemaal nat!’ ‘Mama! Kijk! Ik heb wel drie fossielen gevonden.’ Terwijl het jongentje haar tegemoet klautert, spat een golf op het rotsblok uiteen en gulpt in zijn rechter regenlaars. Even kijkt hij geschrokken naar zijn voet, dan klimt hij vastberaden voort en vliegt zijn moeder in de armen. Iets verderaf struint hun vader, geconcentreerd turend naar de bodem tussen de rotsen. Hopend op dé grote vondst op het laatste stukje vrije strand. Nog even. Dan beukt de zee tegen de klippen.     Dwars door de keuken                                                                1998 – 2008 -2018   Thuis is de plek waar je ophoudt weg te lopen[1]   1998 De avondzon pakt haar, zoals ze daar door de keuken tot ver in de living een warmgeel tapijt werpt. De jonge vrouw ziet wat kan zijn. Op slag verliefd op potentieel. Buiten de lichtkegel is alles donker. Ze is verblind. ‘Ik word je buurman’ sms’te haar broer enkele weken voorheen. Letterlijk om de hoek van waar ze woonde had hij een appartement gehuurd. Grondig als hij in alles was, ging hij op zoek naar de authentieke plankenvloer die onder lagen vinyl was verstopt. Hij had de hulp van zijn familie ingeroepen om zijn droom te realiseren. Toen ze daarnet in haar bestofte werkkledij bij haar broer stond te schuren, werd er op de deur geklopt. Een bejaarde man, in overall maar met zijn arm in de plaaster en schrammen op zijn gezicht wandelde de kamer binnen. ‘Hoe loopt het hier?’ zijn strenge blik speurde de ruimte af. ‘Hmm, ça va. Wat vindt ge hiervan?’ vroeg haar broer. Hij toonde de hoek waar al enkele planken blank zijn geschuurd. ‘Ek z’n goeste’ fronste hij, waarmee hij in het West-Vlaams aangaf dat smaken verschillen. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg haar broer en wees op de arm van de man. ‘’Ik ben van de stelling gevallen. Ik was de isolatie op de muur aan ‘t boren en ben met zo’n plaat op mij tegen de grond gegaan’  ‘Oei, gebroken? En verder alles oké?’ ‘Ja, ik heb nog geluk gehad. Maar nu heb ik het wel gehad. Ik verkoop het huis. Heb je geen interesse?’ ‘Euhhh, neen’ hij keek zijn zus aan en lachte. Net afgestudeerd aan de toneelschool was hij nog niet aan huizen kopen toe. ‘Het is nochtans interessant hoor, ‘zei de man. Hij haalde een stoffen zakdoek uit zijn broek en snoot luidruchtig zijn neus. ‘Met de huurinkomsten van de vier appartementen heb je meer dan je aan de bank moet afbetalen.’ ‘Is dat niet iets voor jullie om samen te doen?’ komt hun moeder in het gesprek tussen. Zij had meegeluisterd vanuit de keuken, waar ze met vod en schuurspons de verkommerde pompbak een nieuw leven gaf. ‘Dat zou jij wel leuk vinden, hé moeke?’ zei de broer. ‘Ik huur liever nog even. En trouwens de bank zou me nooit een lening geven nu.’ Zijn zus knikte begrijpend, zij had aandachtig geluisterd. In haar hoofd maakte ze de rekensom en liet de gedachte toe.  Nu staat ze hier aan de grond genageld bij de deur van het gelijkvloers appartement. ‘Hoe zou het zijn om hier te wonen? Zou een huis kopen me beperken in mijn vrijheid om te reizen? Wil ik me wel binden aan een stuk grond en bakstenen? Ik ken de buurt en weet dat ik hier graag woon. De wereld woont hier in de straat. Maar kan ik dat wel maken? Helemaal alleen zo’n groot huis? Er zal werk aan zijn, dat is zeker.’ Een grijze wolk schuift voor de zon, contrasten vervagen en de rest van de ruimte komt in beeld. Nu pas ziet ze de vermolmde keukenkast, de lekkende kraan en de vierkante gootsteen van gebarsten porselein. Ze is gecharmeerd door de glazen deur met rechthoekige ruitjes. Als ze dichterbij komt, voelt ze de herfstwind door kieren waaien. De dubbele deur knelt en piept als zij ze opent. Het stadstuintje ligt er verfomfaaid bij. Een rommelkot palmt een groot stuk van de ruimte in. Langzaam draait ze rond haar as en neemt vanuit elke hoek het huis en de tuin in zich op. Ze droomt van groen maar ziet vooral veel grijs. Dan breekt de zon weer door het wolkendek. Ze glimlacht. ‘Hier kan iets groeien! Dit appartement is onbewoonbaar, keuken en badkamer moeten vernieuwd worden. Maar de andere drie zijn verhuurd. Dus die zullen dan toch nog leefbaar zijn. Hier zou ik de nieuwe keuken zetten, met een toog aan de deur om van de avondzon te genieten! En de badkamer die kan hier achter de hoek. Daar heb je minder daglicht nodig. Maandag ga ik met de bank spreken. Eens horen of dit überhaupt een optie is.’   2008 ‘Eindelijk. Ik moet even zitten.’ Ze zijgt neer in een stoel op het spiksplinternieuwe terras en sluit haar ogen. Met beide handen wrijft ze over haar buik. Van binnenuit krijgt ze een stevige stamp. Liefdevol beantwoordt ze de begroeting. ‘Zoetje, kom eens voelen?’ Het kleine meisje kruipt bij haar moeder op schoot. Haar blonde steile haren vallen als een waaier over de bolling. Ze probeert met een toeter aan haar oor de hartslag op te vangen. ‘Wanneer komt ie?’ vragend kijkt het kind haar moeder aan met grote donkere ogen. ‘Nog enkele weken meisje’ zegt de vrouw ‘Mama moet nog een week werken en dan maken we alles klaar voor de baby.’ Ze denkt aan haar team dat ze in de steek zal laten in deze moeilijke tijden, ze kan zich niet ontdoen van enig schuldgevoel. Ze schudt snel haar hoofd en daarmee de gedachten aan het werk weer weg. Haar man is in de weer met het uitrollen van verse grasmatten in hun tuintje. Zij mag niet meer helpen. De bouwwerf verandert in een mum van tijd. Buiten de rozenstruik heeft ze niet veel van haar planten kunnen redden. Maar de tuin zal een tweede leven krijgen. De groene matten doen wonderen. De overschotten rolt hij voorlopig uit over de berg zand die achteraan ligt. Deze ronding is een spelparadijs voor kleuters. Hij pauzeert even, rolt een jointje. Hij zet zich rokend naast zijn vrouw en kijkt tevreden naar het resultaat. Het zijn de laatste loodjes voor het feest van straks. Zijn veertigste verjaardag en de housewarming in een keer. Gelukkig brengt elke gast een eigen schotel voor het buffet mee. Ze verwachten heel wat volk. ‘Jullie zijn zot’ hadden de mensen gezegd toen ze aan de grondige verbouwing begonnen. Ze hadden hun dromen uitgetekend en goed doordacht. Ze waren getrouwd zodat het project ook echt van hun beiden werd. Het was voorheen een oud huis waar zwammen hun tentakels in hout en tussen stenen hadden genesteld. Waar bouwsels en bijgebouwen met koppige smakeloosheid waren toegevoegd. Maar zij hadden een droom. Ze overleefden stofwolken en drilboren, kamperen zonder sanitair, een winter zonder ramen in de achtergevel. Juist als ze hun kinderwens even waren vergeten, werd hun dochter verwekt. Net voor hun meisje daar ter plekke in het water ter wereld kwam, was hun appartement bewoonbaar gemaakt. Sindsdien werden vijf verdiepingen vernieuwd, drie keukens en badkamers, zeven dubbele deuren om de avondzon binnen te laten, vijf terrassen langs de westkant, twintig centimeter isolatie in muren en dak. En nu, drie jaar later waren ze weer naar beneden verhuisd. Nog niet afgewerkt, maar meer dan leefbaar en tenslotte op hun definitieve plek.    2018 Hier zit ze dan. De avondzon doet haar donkerblonde haren oplichten. De dubbele deur staat wijd open en een briesje trekt langs haar ontblote armen. Op de witte muur achter haar dansen donkere vlekken. Ze hoort de boom ritselen telkens er een vlaag passeert. Dan zwiepen de schaduwvlekken.   Het is zo’n avond waar het in de tuin iets te fris is, maar het verlangen naar het buitenzijn gestild kan worden met open deuren en zicht op heldergroen. De takken van de druivelaar schieten alle kanten uit. De eerste minuscule trosjes zijn verschenen. Ze moet weldra snoeien zodat er eetbare vruchten uit kunnen ontstaan. De rozen zijn weer opengebarsten. De dieprode bloemen zijn zo groot als een opengesperde hand. Deze tint rood vindt ze uniek. Een gelijke is ze nog nergens tegengekomen. Bijna twintig jaar geleden vond ze een zielig takje op de grond in het verwaarloosde tuintje. Ze is blij dat ze er toen een rozenstruik in zag, in plaats van hem met de rest van de rommel op een hoop te smijten. Ze had hem helpen klimmen. Tot hij uit eigen kracht rechtop kon blijven staan. Sindsdien biedt hij haar jaarlijks in mei en nog eens in augustus een uitbundig schouwspel met meer dan dertig simultaan bloeiende rozen. Zachtjes wiebelt ze heen en weer, haar zomers kleedje wappert mee. Ze heeft zich comfortabel geïnstalleerd, haar voeten gekruist op de zitbank, een glas fruitsap op het tafeltje naast zich. In deze schommelstoel, gevonden in een zolderkamertje van dit huis, zoekt ze naar woorden. Laptop op de schoot, blik in de verte. “Straks ben ik weer alleen eigenaar van het hele huis. Dan tekenen we definitief de papieren. Hij zal er een mooie som voor krijgen, ik kan weer plannen maken. Afwerken wat jarenlang bleef liggen. Zijn deze bakstenen een rem geweest op mijn beslissing? Die droom heeft me geholpen. Ik herinner me hem nog zo scherp: het hele huis stond op een vlot? Het lag langs de kade aan een dok. Het vlot begon te zinken en het huis verdween verdiep per verdiep in het water. Daar stond ik en keek toe. Met aan elk hand een van mijn kinderen. Ik voelde vooral opluchting: wij zijn veilig. Ik begreep dat ik ook van een andere plek een thuis zou kunnen maken. Een plek waar ik niet meer weg hoef te lopen. Dat idee gaf me moed om de stap te zetten. En zie, nu kunnen we hier toch blijven wonen.” Ze mijmert en doet een poging om verder te schrijven. Over de kinderen moet ze zich vanavond niet druk maken. Die kan ze intussen vol vertrouwen bij hun vader laten. Zij geniet van de avonden op zichzelf. Maar haar gedachten schieten zo vaak alle kanten uit. De korte brokken tijd die ze kan vrijmaken worden zo niet optimaal gebruikt. Waardoor het nog trager gaat. Ze wroet met woorden, voelt dat ze er nog lang niet is. Er is nog een hele weg te gaan. Ze scrolt weer naar boven, herleest, verandert hier en daar een woord. Ze past de tijd aan, voegt een gebaar toe, schrapt een overbodig woord, ziet nog een beeld, zet het in een actieve vorm. “Dagelijks ben ik bezig om anderen te helpen de juiste woorden te vinden. Ik ga samen met hen op zoek naar hun kern. Via verhalen zoeken we naar woorden die hen de weg kunnen wijzen in hun werk. Hoe komt het dan, dat ik hier zo worstel als het over mijn eigen leven gaat? Ben ik dan zo veel op anderen en zo weinig op mezelf ingesteld?”  Ze staart zich blind op haar eigen teksten. Ze zuigt de feedback van anderen op maar die brengt haar ook in de war. Ze kan het nog niet, of is het gebrek aan durven? Als ze de woorden vindt en die kan delen, dan kan ze het gevoel pas toelaten. ‘Vreemd’ zei een vriendin, ‘bij mij is het omgekeerd.’ Zij wordt telkens overspoeld door gevoel en zoekt daar dan de woorden voor. Ze schrijven vaak samen. Elk apart, in een andere taal. Maar samen. In haar tuin of elders.  ‘Het is wat het is’ zegt ze luidop. Onaf. Niet eenvoudig voor haar om te accepteren. Het flinke kind in haar steekt nog vaak de kop op. Maar ze weet dat ze zich erbij moet neerleggen. Er zijn nog heel wat puzzelstukken te leggen voor ze er zal zijn. Er is nog een stuk dat ze steeds maar uit blijft stellen. Gesprekken die nog moeten plaatshebben. Woorden die misschien zullen kwetsen, misschien zullen helen. Ze zet de printer aan, voedt de lader met papier en checkt of de inkt zal volstaan. Ze kijkt op. De wind is gaan liggen. Diepblauw is de avondlucht intussen. Ze houdt van dit moment vlak voor de nacht intreedt. Ze staat op en slaat een trui over haar schouders. Zoekt een doosje lucifers. Een voor een ontsteekt ze de kaarsjes op de tuintafel. Ze zingt. ‘Summertime … when the living is easy’. Met haar vinger glijdt ze over het reliëf van de blauwe mozaïek in de tafel. Ze verkent de ruwe putjes waar steentjes ontbreken. Het is al te donker om het verschil te zien. Maar ze kan de littekens wel voelen. Deze tafel heeft geleefd.     ‘Ik was te druk bezig met leven. Miste de tijd om echt stil te staan. Het is wat het is en ik omarm het leven.’       Aan het meertje (to do)                                                                         2016 juni Een plekje voor mezelf– loswrikken – stap 2 scheiding - schrijfvriend Pal voor het bed (to do)                                                           2001 Kennismaking met mijn man In de plaaster (to do)                                                                2016 dec In de plaaster. Na de val op mijn gezicht. met samengesteld gezin van toen – stap 3 – apart wonen                          Aan zee (to do – herinnering van anderen)                         1981 Het overspoelend verdriet van de moeder – het besluit van het flinke meisje Door de muren (to do)                                                               2017 - 2011 Scènes in dialoog beschreven door de buurman: wat hoorde hij? Dagboek 2011 teruggevonden. Eerste opname in de psychiatrie en mijn beslissing ‘dit geen tweede keer’ In de spiegel (To do)                                                                    2018 Mijn oude zelf terug tegenkomen. Met het valiesje weer naar Parijs. Mildheid.   Het lijkt alsof je huilt, mama Is ook zo, ik ben een beetje verdrietig vandaag Ik word er droevig van als ik je zie huilen. Ik zal mijn best doen om niet meer te wenen, lieve jongen. Neen, je mag het laten gaan. Maar dat is moeilijk voor mij, dat is… …je zwakke plek Wat zeg je? Je zwakke plek! Je sterk houden en niet willen wenen. Je kent me goed precies!?! Ja, ik ben slim, en ik ken je al negen jaar. Maar wenen mag hoor mama. Vind je dan dat ik meer moet wenen? Ja dat moet! Of toch, als je wilt, het voelt, dan mag of moet je huilen. Soms wil ik wel huilen maar kan het niet. Het zit ergens vast in mijn lijf.     [1] Thuis, de zoektocht naar de plek waar we willen leven, Essay, Daniel Schreiber. Ambos, 2017  

Marieke Genard
0 0

Claustrofobie

‘Ben je zeker dat het hier is?’, vraagt Pieter aarzelend. ‘Ja hoor. Ga maar naar binnen.’ Haar geruststellende lach kan hem niet volledig overtuigen. Twijfelend stapt hij de verduisterde kamer binnen. ‘Ik zie geen hand voor..’ Met een klap slaat Claudia de deur dicht en doet ze op slot. ‘Hey,’ roept Pieter stomverbaasd, ‘wat doe je? Dit is niet grappig!’ Tastend vindt hij de deur. Hij wringt de deurknop wild op en neer. ‘Komaan Claudia, doe open.’ Geen antwoord. Paniek vult zijn hoofd. Zweetdruppels parelen aan zijn voorhoofd. Verdorie, ze weet toch dat ik bang ben in kleine ruimtes. Hij zoekt een lichtschakelaar. Niets. Mijn gsm, denkt hij, ik kan de zaklampfunctie van mijn mobiele telefoon gebruiken. Het licht schijnt op de stenen muren. Ongeduldig richt hij zijn telefoon op alle hoeken van de ruimte. Een afgedankte zetel. Een open kast met oude boeken. Aan de muur hangt een poster van Kate Bush. In haar open mond een sleutel, die ze met een kus wil doorgeven aan een man. Op de muur er tegenover dezelfde foto. Moet ik een sleutel vinden, vraagt hij zich angstig af. Nerveus begint hij te zoeken. In de zetel. Eronder. In de kast. Niets. In de hoek van de kamer ziet hij een pop. ‘Ja,’ roept hij opgelucht wanneer hij de sleutel in haar mond vindt. Bevend zoekt hij het sleutelgat.  Opluchting wanneer hij de deur opent. Met een knal vliegt de kurk uit de champagne fles. ‘Surprise! Gelukkige verjaardag, Pieter!’, roepen zijn vrienden in koor.

Johnny
0 0

De tijd laten verstrijken

We zitten te wachten. Of het nu op een bus, trein of vliegtuig is, vervelend is het altijd. Jezelf vervelen of een babbeltje slaan is dan meestal de enige optie. De tijd laten verstrijken en af en toe naar de klok in de wachtruimte kijken, hoe de wijzers stilletjes verder sluipen. Iedereen zit ermee. Ook de tien meiden. Ik schat ze 14 à 15 jaar. Ze praten met een Nederlandse tongval, maar het voorval waarvan we getuige zullen zijn, kan zich bij elke nationaliteit afspelen. Eerst blijft mijn blik nog even hangen op het jeansvest dat één van de meisjes draagt. Ze heeft er zowaar het logo van The Beatles op genaaid. Een groep van lang geleden. Dan gebeurt het. De hele groep meiden krijgt de slappe lach. Ze proesten het allemaal uit. Het is wellicht een weddenschap. Plots draait één van de dames zich om en ze begint de arm te masseren van de meneer die achter hun zit. De man kijkt het meisje vol ongeloof aan, maar trekt zijn arm niet weg. Het duurt amper dertig seconden. De man lacht min of meer schaapachtig, maar zegt niets. Het meisje stopt met masseren, ze draait zich opnieuw om en ze schateren het allemaal uit. De man schudt met zijn hoofd. Hij geneert zich wellicht een beetje. Het opzet van de dames is geslaagd. Uit verveling werden ze vervelend, maar het vond een uitweg.    Dan horen we omroepen dat ons vervoermiddel eindelijk is gearriveerd. De groep zet zich in beweging. Ook de meidenbende, die hun lol nog altijd niet op kunnen. Ik draai me nog even om en zie dat het ene  meisje op haar jeansvest nog een logo heeft staan. Van AC/DC zowaar. Het schiet door mijn hoofd dat deze trip wel eens een ‘Highway to hell’ kan worden.   

Rudi Lavreysen
0 0