Lezen

Brief aan mijn baasje

Liefste baasje,   Met dit briefje wil ik je laten weten dat ik je ontzettend dankbaar ben omdat je me adopteerde. Je bent het liefste baasje van de wereld. Hoe mijn vorig baasje in Spanje eruit zag, ben ik vergeten.  Ik herinner me nog wel de laatste dag dat ik hem zag. We gingen wandelen in een bos en hij bond me vast aan een boom. Hij zei dat hij er spijt van had en dat ik daar moest blijven. Ik dacht dat het een spelletje was, dus ben ik braaf op hem blijven wachten. Maar het werd donker en hij kwam niet terug. Ik denk dat hij me vergeten was. Ik werd bang en begon te janken. Gelukkig had een mevrouw me gehoord. Ze zei wel mijn naam verkeerd want ze noemde mij ‘arm dier’. Ik was opgelucht want ze maakte me los en ik mocht met haar mee. Ik vroeg haar of ze me naar mijn baasje wilde brengen maar dat deed ze niet. Ik was er zeker van dat hem iets was overkomen. Ik kan me niet voorstellen dat iemand zijn trouwe hondje alleen achterlaat. De lieve mevrouw bracht me naar een plaats waar nog andere honden zaten, die ook hun baasje niet meer terugvonden. Niettegenstaande dat de verzorgers heel lief voor me waren, wilde ik toch naar huis. Ik weet niet hoelang ik in het asiel, zoals ze het noemden, ben gebleven maar op een dag vertelden ze me dat ik geluk had. Dat ik naar een nieuw baasje mocht gaan. Ze hebben me samen met mijn speeltje in een kooi gezet. Ze brachten me naar een grote ijzeren vogel. Zijn buik ging open en hij liet me met hem meevliegen. Toen ik uit de vogel kwam, stond je te wachten en je nam me mee naar mijn nieuwe huis. Ik was blij want ik zag meteen aan je ogen dat jij mij nooit in een bos zou achterlaten.   Jouw hondje, Phoebe

Johnny
287 0

Wat niet weet, niet deert

Proloog ‘Je bent de eerste’ zegt Ewoud als ik wat aarzelend ‘De erfzonde’ binnenstap. Instinctmatig buig ik lichtjes het hoofd als ik de drempel over ga. Bovenaan, op de steilste helling van de Brugstraat lijken de huizen zo klein. Ik ga alvast aan één van de tafeltjes zitten met uitzicht op de straat, zo kan ik iedereen zien aankomen. ‘Kan ik je al iets te drinken brengen?’ ‘Het komt nog van de gezamenlijke rekening’, knipoogt Ewoud. Wat zou ik kunnen drinken om die harde knoop in mijn maag te verzachten. Het liefst sloeg ik nu een paar borrels achterover maar ik wil mijn neef niet verontrusten met die bestelling om tien uur ’s morgens.  En een dubbele tong is wel het laatste wat ik nu nodig heb. “Een glaasje water graag’, bestel ik. Dat zal helpen tegen de droge mond. Waarom moest ik het mezelf zo moeilijk maken. Ik had in alle gemoedsrust naar hier kunnen rijden, en er van kunnen genieten om iedereen nog eens terug te zien. Eén glaasje water zal niet volstaan, voel ik, maar meer is ook niet aan te raden. Daar moet je van plassen.  Ik verwonder me over de toenemende spanning in mijn maag. Ik voel me licht misselijk worden. Ik dacht dat ik dit ondertussen allang onder de knie had.   Langzaam druppelen ze binnen. Ik blijf uiteindelijk recht staan want telkens komt er weer een familielid binnen die ik moet begroeten.  ’Lang geleden dat we elkaar zagen, hoe gaat het ondertussen met je?’ herhaal ik verschillende keren. Het leidt wat af, al blijft het gevoel in mijn maag zeuren. Daar zijn ook mijn kinderen. Ze lijken groot in deze kleine ruimte. De volgende generatie in volle wasdom, midden in het leven, mooi en sterk. Ik heb hen de fakkel niet doorgegeven. Soms kan ik niet geloven dat het me gelukt is.  ‘ Zal het lukken, mam’, vraagt Marieke bezorgd. Ik glimlach geruststellend naar haar. Het koffiehuisje raakt stilaan vol. Iedereen is er ongeveer. We moeten vertrekken, willen we op tijd zijn voor de dienst.   Ik zit vooraan tussen mijn broers en zussen, in de rug gesteund door mijn kinderen. ‘Je kan mailen met de voorganger’ had Ingrid, mijn schoonzus me laten weten. Voorganger, zo heet blijkbaar de man die de dienst leidt. Ik wilde zeker zijn dat er een lezenaar stond en dat er een goeie micro voorhanden was. Mijn stem heeft niet de draagkracht om een hele kerk te bedienen.   De voorganger leest een tekst uit De Korintiërs. Het gaat over sterke vrouwen. Hij had de tekst niet slechter kunnen kiezen. De opeenvolgende rituele handelingen zijn vertrouwd en tegelijk vreemd. Wierook en wijwater. Het duurt allemaal te lang. Dan hoor ik mijn naam. Ik sta recht en loop naar voor. Alle ogen zijn op mij gericht. De lezenaar biedt een welkome steun. Ik kijk de kerk rond. Ik sta in haar schoenen.  Zo moet zij zich gevoeld hebben, vijftig jaar geleden. Voor mij op de lezenaar ligt de tekst die ik gisteravond moeizaam bij elkaar schreef. Ik adem diep in en met de kracht die me nog rest, richt ik mij tot de aanwezigen in de kerk.    Beste familie en vrienden,  Onlangs was ik op bezoek bij mijn moeder. Het was in de vooravond. Zij lag al in bed. Ik schoof een stoel bij.  Ze praatte over de oorlog. De tocht met de tram door Aalst naar hun huis dat ze in puin aantrof.  De herinnering aan de onzekerheid of haar moeder en een paar broers het overleefd hadden, verbleekte bij die van haar pop die in het bombardement bleef. ‘Vader vond dat ik te oud geworden was voor een nieuwe pop’, zei ze, na zoveel jaren nog steeds verongelijkt. Ze was vijftien. De glazen kast vol poppen in haar woonkamer kon dat verlies nooit goedmaken. Ze haalde anekdotes op, sommige had ik al meerdere keren gehoord, andere leken nieuw of was ik ze misschien vergeten? Ze lachte bij de herinnering hoe nonkel Iwein hun tante Ella altijd nadeed als die op bezoek kwam. Haar broer, nonkel Iwein was de animator en imitator van de familie. Ze vertelde over de trouwfeesten van haar broers en zussen. Ik begreep dat die nogal eens thuis gevierd werden en dat mijn moeder dan gewoonlijk in de keuken te vinden was, ver weg van het feestgedruis. We haalden herinneringen op over tante Madeleine en het huis in de Vredestraat. Wij, een gezin met zeven puberende kinderen, trokken in bij de alleenstaande zus van mijn grootvader. Een hele uitdaging voor beide partijen. Iedereen noemde mijn moeder, naast moeken zoals wij haar noemden, Bea of Beken. We lachten bij de herinnering hoe, dit keer mijn broer  Maarten, tante Madeleine vaak nadeed en van Beatrijs, zoals ze mijn moeder altijd aansprak, Treabijs maakte. Doorheen al die verhalen ging de vooravond ongemerkt over in de avond. ‘Het wordt laat’, zei ik, ‘Ik stap maar eens op’. Maar zij was nog niet moe en vreemd uitzonderlijk in een praatgrage bui. Het ene verhaal riep het andere op, en niet altijd in logische volgorde. Mijn moeder benadrukte dat haar rol in al die verhalen er bij voorkeur altijd één geweest was achter de coulissen. En toen vertelde ze over de enige keren in haar leven dat ze, weliswaar niet van harte, toch vanachter de coulissen gekomen was en in de schijnwerpers gestaan had. Al kwam het licht dan vooral van de kerkkaarsen. Mijn broers en zussen zullen het zich nog herinneren dat onze ouders, in het laatste jaar dat we in Melsele woonden, lid waren van  een bezinningsgroep. Deze ‘gezinsgroep’ zoals ze dat noemden, stond onder leiding van de onderpastoor. Zijn naam ben ik vergeten. In vergelijking met haar dorpsgenoten had mijn moeder een mooie taal en een goeie uitspraak. Er werd in haar ouderlijk huis, zoals ook bij ons thuis, AN gesproken - toen heette dat nog ABN - wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Omwille van die mooie uitspraak stelde de onderpastoor mijn moeder voor om elke week voor te lezen in de mis. Mijn moeder was als de dood om dat te doen maar het kwam niet in haar op - en het was in die tijd ook niet gebruikelijk - om nee te zeggen tegen een pastoor of een onderpastoor.  Daar is gelukkig verandering in gekomen.   Ik pauzeer even, er wordt hier en daar wat gegniffeld. De voorganger staat schuin rechts voor me. Ik zie hoe zijn wenkbrauwen even de hoogte inschieten. Ik ontspan mijn schouders, verplaats even mijn voeten en vervolg:   Elke week stierf mijn moeder duizend doden als ze vooraan in de kerk haar tekst voorlas. De spanning kondigde zich al aan halverwege de week en nam gestaag toe richting zondag. Het wende nooit en ze repte er ook nooit met één woord over. Ik zag als kind mijn moeder daar staan, totaal onwetend van de beproeving die ze doorstond vooraan in de kerk, met alle ogen op zich gericht. Aan deze voorleeszondagen kwam er abrupt een einde met de grote tragedie die ons gezin trof. We verhuisden naar Geraardsbergen en daar was geen pastoor of onderpastoor die mijn moeder ertoe verleidde om die plek vooraan in de kerk terug in te nemen en jammer, er deden zich ook geen gelegenheden meer voor die haar er toe bewogen om zich nog eens op het voorplan te begeven. Bescheiden. Het staat terecht op haar rouwbrief want deze kwaliteit heeft mijn moeder haar hele leven tot in de finesse gecultiveerd en zelfs tot kunst verheven.  Vandaag zijn we hier om afscheid te nemen van mijn moeder, om haar, even nog eens, in de schijnwerpers te zetten. Daarom sta ik hier vooraan in de kerk op de plek  waar zij zoveel jaar geleden zichzelf overtrof om zondag na zondag haar veilige plek achter de coulissen te verlaten om zich in het licht te wagen. Ik wens haar toe dat ze zich nu in het licht mag vermeien, eindelijk bevrijd van alle schroom en angst.   Ik kijk de kerk rond. Ik voel opnieuw hoe alle ogen op mij gericht zijn. Het heeft nu iets geruststellend. Ik sta terug in mijn eigen schoenen. Deze plaats hoort mij toe. Langzaam loop ik terug naar mijn stoel. Ik zie de opluchting in de ogen van de familieleden op de eerste rijen. Ze kennen de strijd. Ze vreesden een onverbloemd portret. Het is niet wat ze denken: ‘Over de doden niets dan goeds’.  Het was de juiste symbolische handeling: ik raapte de draad op, vergeten op de oude kerkvloer. De draad die ook richting gegeven heeft aan mijn eigen leven.   Mijn moeder beleeft in haar laatste levensjaren de gelukkigste van haar leven. Niets moet meer. Ze is niet meer goed te been en ze heeft de ziekte van Ménière, die het risico op vallen verhoogt. Het biedt haar een uitstekend excuus om zich niet meer buiten de deur te begeven. Haar wereld is gekrompen tot dertig vierkante meter. Ik vraag haar of ze het niet mist, de wereld daarbuiten en of ze geen zin heeft om zich eens te laten rondrijden. ‘Oh nee, daar heb ik geen behoefte aan’, haast ze zich te zeggen, ‘Ik heb genoeg aan mijn boeken en aan mijn kruiswoordraadsels. Ik verveel mij nooit.’ Mijn moeder leest bij voorkeur thrillers en detectiveverhalen, al gaat het lezen steeds moeizamer. ‘De dokter heeft gezegd dat het heel goed is dat ik mijn geest blijf trainen en dat ik zo goed blijf bewegen’, zegt ze trots, terwijl ze enkel wat over en weer schuifelt op haar dertig vierkante meter. Ze wil graag de dokter ter wille zijn. Gezagsgetrouw blijft ze tot haar laatste snik. ‘Als ik iets nodig heb, haal ik het zelf uit de kast’, zegt ze. ‘Mij niet gezien dat ik me laat dienen!’ Mijn moeder houdt er stiekem van om zich te laten dienen. Elke dag staat er een team klaar om haar te helpen. Haar eten wordt  gebracht, haar kinderen doen de boodschappen en onderhouden de tuin, waar ze trouwens zelden in komt. De dames van Familiehulp helpen haar met het dagelijkse toilet en met de schoonmaak. Ik gun haar deze luxe. Ze staat in schril contrast met de levensomstandigheden in haar jonge jaren waar ze moest zorgen voor een groot gezin in een huis zonder de gemakken die nu vanzelfsprekend zijn. Een huis zonder badkamer, zonder wasmachine en met enkel een buiten-wc. Ik zie nog het beeld van mijn moeder op haar knieën, gebogen voor de kachel in de woonkamer, de enige verwarming in het huis. Elke ochtend maakte ze eerst de kachel leeg en schoon om hem daarna met papier en hout terug aan te steken en vervolgens de hele dag met kolen brandend te houden. Later kwam de continu-kachel die ’s nachts heel licht bleef smeulen. ’s Morgens moest dan enkel de asla geledigd, de kachel opgerakeld en opnieuw met kolen gevuld worden. De koperen kolenkit, die regelmatig in de kelder bijgevuld werd, stond altijd klaar naast de kachel. Mijn moeder geniet op haar oude dag van een voor haar luxueuze situatie, met als belangrijkste element dat ze gevrijwaard is van alle sociale verplichtingen. En voor mijn moeder zijn alle sociale contacten, verplichtingen.   Dat was altijd al zo. Als ik tien jaar ben en mijn moeder bevraag over haar vriendinnen vroeger, zegt ze heel beslist: ‘Ik had geen vriendinnen’. ‘Met wie speelde je dan?’ vraag ik verwonderd. ‘Ik speelde met mijn pop’, zegt mijn moeder. ‘En met je broers en zussen dan?’, probeer ik nog. ‘Nee’, zegt mijn moeder, ‘Die speelden te wild. Ik breide poppenkleertjes en soms ook een trui’. Ze vertelt opnieuw het verhaal van de mooie trui die ze gebreid had en die ze vervolgens aan haar zus gaf omdat die de trui zo mooi vond. ‘Maar jij had daar al dat werk aan gedaan!’, zeg ik. ‘En dan’, zegt mijn moeder.   Mijn moeder praat bij voorkeur niet over zichzelf. Ze heeft het liever over haar familie. Niet over haar kinderen en kleinkinderen maar over de mensen uit haar ouderlijk huis. Ze is trots dat ze deel uitmaakt van deze familie. Ook al voelt ze zich de minste, iets van de mythische glans, die ze haar familieleden toebedeelt, straalt ook op haar af, denkt ze. Als mijn moeder anekdotes vertelt over haar vader en moeder en over haar broers en zussen, zit er dezelfde ondertoon in haar stem als in de stem van zuster Remigia, als ze de verhalen vertelt over de Heilige Familie: Maria, Jozef, en Jezus.   Als ik tien jaar ben kan ik mij niet voorstellen dat mijn neven en nichten gewoon naar school gaan en de dagelijkse dingen doen die wij doen. Alsof ze in een ander, verheven universum leven.   Het fotoalbum Mijn broer Olav verzamelt foto’s en documenten over de familie. Ik ben op bezoek om zijn jongste kleindochtertje Mona te bewonderen. ‘Neem het fotoalbum gerust mee’, zegt hij, wijzend op het dikke, in rood leer gebonden boek dat op de tafel ligt. ‘We komen het in de zomer wel ophalen’, zegt Ingrid, ‘ Dan geraken we eens in Leuven.’   Het rood lederen fotoalbum is in twee delen opgesplitst. Het eerste deel is gewijd aan de familie van mijn vader, het tweede deel aan die van mijn moeder. Daar start ik mee. Ik bekijk zorgvuldig de foto’s van mijn jonge moeder, op zoek naar oude sporen van het extreme gedrag dat haar later zo kenmerkt.   De zwartwit foto, tweeëntwintig op zestien cm, is genomen in de tuin van haar ouderlijk huis in de Albert Liénartstraat in Aalst. Het huis dat niet lang daarna zal gebombardeerd worden. De tuin is een typische ommuurde stadstuin met gesnoeide boompjes die langs de muren opgroeien. Vooraan, op een tapijt in het gras, zitten vier jongere broers en zussen van mijn moeder. Centraal op de foto staat een tuinbank. Aan de rechterkant zit mijn grootmoeder met haar jongste kind op schoot. Ik zie een mooie, fijngebouwde jonge vrouw. Het is haar niet aan te zien dat ze al tien kinderen gebaard heeft. Ze staan allemaal op deze foto. Naast haar zit haar oudste dochter, glimlachend naar haar jongste zusje op haar moeders schoot. Op de uiterste linkerkant van de tuinbank zit mijn moeder. Ik schat haar twaalf jaar. Ze laat een grote ruimte op de bank tussen haar en haar oudste zus, alsof ze zich wat distantieert. Dit effect wordt nog versterkt door de licht gebogen schouders. Ze heeft een donker kleedje aan met geruite kraag en manchetten. Haar handen rusten in haar schoot. Het hoofd met het donkere kroeshaar, uit haar gezicht gehouden met twee speldjes, is licht gebogen. Vanuit deze schuwe positie kijkt ze voorzichtig glimlachend in de lens. Achter de tuinbank staat mijn grootvader met zijn gezicht in de richting van de twee rechtstaande oudste zonen. Hij kijkt glimlachend naar zijn jongste zoontje dat op de leuning van de tuinbank staat, gesteund door de oudste broer. Daardoor staat mijn grootvader in profiel. Op deze en ook op andere foto’s lijkt hij sprekend op Freud.   In het fotoalbum vind ik een paar vergeelde krantenknipsels uit 1982, naar aanleiding van het overlijden van mijn grootvader op 93 jarige leeftijd. ‘Patriarch van Vlaanderen overleden’.   De journalisten bespreken uitvoerig zijn levensloop als advocaat, zijn verdiensten als politiek activist – hij zette zich in voor de Vlaamse zaak – en zijn journalistieke carrière als lid van de politieke redactie van De Standaard. Mijn grootvader had alle kwaliteiten van een patriarch, zowel thuis als in zijn publieke leven.   Dertig jaar later Langzaam dunt de generatie uit. Mijn moeder was de vierde van de tien broers en zussen die overleed. Na haar volgden snel twee oudere zussen. Ze werden allemaal negentig en meer. Ik woon opnieuw een rouwdienst bij, deze keer van mijn tante Haddie. ‘We zijn hier samen om afscheid te nemen van Haddie’. Ze is de enige naamgenoot die ik ken. Het is vreemd om mijn naam zo veelvuldig, en dan nog in deze context, te horen noemen.   Ik zit in de kerk naast mijn nicht Vina. Ze was altijd een haantje de voorste en niet op haar mondje gevallen. Het lijkt me een eeuwigheid geleden dat ik haar nog sprak. ‘Hij kon zijn handen niet thuishouden’ zegt ze. Ze heeft het over onze grootvader. Ik ben verbaasd dat ze, in de korte tijd dat we daar samen zitten, erin slaagt het gesprek op dit onderwerp te brengen. Hoe groot het taboe was in de generatie van onze ouders, des te groter blijkt het genoegen bij de generatie erna om er omstandig over uit te wijden. ‘En als dat zo was bij zijn kleindochters, zal dat ook wel zo geweest zijn bij zijn dochters’, voegt ze er nog aan toe. Vina heeft haar hele jeugd in de Kasteelstraat gewoond, de straat waar ook onze grootouders woonden.   Voor ons gezin waren de ouders van mijn moeder verre figuren met een heiligenstatus. De weinige keren dat ze op bezoek waren heerste er spanning in huis. We hielden ons gedeisd. Mijn moeder liep zenuwachtig rond en sloofde zich uit om het hen naar de zin te maken. Ze had iets goed te maken. Een vrouw was maar zo goed als ze van haar huwelijk een succes wist te maken en om precies te zijn, een materieel succes met de nodige aanzien.   ‘Hij kan nog promotie maken in die verzekeringsmaatschappij’, had mijn grootvader geoordeeld over mijn vader. Mijn grootvader was niet alleen ambitieus voor zichzelf maar ook voor zijn kinderen. Zijn vijf dochters moesten een goede partij huwen en dat vereiste wel wat koppelvaardigheden. In vergelijking met de huwelijkskandidaten voor haar zussen was de kandidaat voor mijn moeder minder hoog gegrepen. In vergelijking met zijn schoonbroers stond mijn vader op de laagste sport van de maatschappelijke ladder. Maar mijn grootouders waren al blij dat mijn moeder onder de pannen was en het vooruitzicht op de promotie gaf toch een zeker perspectief. Een perspectief dat mijn vader nooit waarmaakte.   Het oude huis in Melsele Op de sepiafoto zie ik een tuin met op de voorgrond rozelaars. Het gebouw links op de foto doet me denken aan de Zweedse houten huizen. Op de achtergrond over bijna de hele breedte van de foto staat een volière. Als ik inzoom ontwaar ik takken waar ik vogels op vermoed. Centraal op de foto staat een smeedijzeren carrousel hoog uitlopend op een spits torentje. Op het ronde vlak hangen acht klokjes. In het midden van de carrousel, voor een hoge  takkenconstructie, staat mijn vader -  ik schat hem zo’n twaalf jaar – samen met een meisje dat iets jonger is. Ik veronderstel een buurmeisje, mijn vader had geen broers  of zussen. Als ik op mijn beurt twaalf jaar ben, is deze paradijselijke plek vervallen. Er is geen spoor meer van de rozelaars. Het gebouw links op de foto, staat er vervallen bij. De volière is afgebroken. Het torentje staat er triest bij. Er hangen maar twee klokjes meer onderaan de grote klok en ook die dreigen er af te vallen. De tuin -  twee boomgaarden, een groenten en bloementuin, een kriekengaard en een voortuin, alles tezamen zo’n 70 are groot - is langzaam verwilderd. Mijn vader werkt niet in de tuin. Hij ligt boven op bed. Ik breng hem een bord met een peer die mijn moeder geschild heeft. Hij staart wat uit het raam. Ik kom even bij hem liggen terwijl hij de peer opeet. Daarna kan ik het bord terug naar beneden brengen.  Hij is ziek maar we weten niet wat hij heeft. We hebben geleerd niks te vragen. Wat we moeten weten - zo weinig mogelijk - zal ons verteld worden. Vragen worden vaak op ongeduld en irritatie onthaald. We voelen snel feilloos aan wanneer een vraag niet gepast is. En een vraag blijkt bijna nooit gepast in mijn moeders wereld.     Mijn kleindochtertje is anderhalf. Ze zit in de kinderstoel en houdt haar handjes voor haar ogen. Ze ziet niemand meer en ze denkt dat niemand haar ziet. ‘Waar is Finneke nu toch’ vraagt mijn dochter Marieke gespeeld bezorgd. Dan haalt ze haar handjes weg en kraait van plezier. Daar is ze terug! Ze had haar oogjes toe en was er van overtuigd dat niemand haar zag. Finneke is twee en ze begint te beseffen dat alleen haar oogjes sluiten niet voldoende is om niet gezien te worden. Mijn moeder was een expert in haar ogen sluiten. Ze behield haar hele leven het kinderlijk magisch geloof dat, als ze er niks van wist, het ook niet bestond. En, wat niet weet, niet deert. Mijn moeder gaat er prat op dat ze niet nieuwsgierig is. De meest elementaire vraag: ’Hoe gaat het?’ heb ik haar nooit weten stellen. Als ik op bezoek kom en ik op mijn beurt wèl vraag hoe het met haar gaat, is haar antwoord er gewoonlijk een in de pluralis majestatis en een variant op: ‘We mogen niet klagen. We laten het hoofd niet hangen. We houden er de moed in.’   Mijn moeder is in de voorbije dertig jaar welgeteld twee keer bij mij thuis geweest. Ze bracht haar kruiswoordpuzzels mee en zat wat ongemakkelijk in de zetel te wachten tot ze terug naar huis kon. Ik nam haar mee naar de winkelstraat waar ze in hoog tempo door beende. Af en toe bleef ik staan voor een winkel waar ik inschatte dat de uitgestalde waar haar zou kunnen interesseren. ‘Ik heb niks nodig’, zei ze, zonder een blik te werpen op de etalage en stapte verder. Ik gaf het op om haar uit te nodigen. Het was voor ons beiden een beproeving. Ze belde me ook enkel als ze een praktische mededeling had. Praktische mededelingen, die ons beiden aangingen, waren schaars.   Op een dag krijg ik telefoon van mijn moeder. Het is een paar maanden geleden dat we elkaar nog hoorden. Het gaat slecht met mij en dan is mijn moeder het slechts denkbare gezelschap. Als ik de stem van mijn moeder hoor, heb ik spijt dat ik de telefoon opgenomen heb. Ze valt meteen met de deur in huis. ‘Ik  heb een nieuw telefoonnummer’ zegt ze ‘schrijf je het even op. Ik werd de afgelopen maanden regelmatig opgebeld en dan hoorde ik niks aan de andere kant van de lijn. Ik was er toch niet gerust in’ vervolgt ze, ‘Katrien heeft er voor gezorgd dat ik een nieuw nummer heb.’ Het blijft even stil. Ik heb een krop in mijn keel, ik kan niet vermijden dat er een snik in mijn stem zit. Ik kom niet uit mijn woorden. Ze haakt onmiddellijk in. Ik merk in de week daarna dat ze 50€ op mijn rekening gestort heeft. Daarmee is voor haar de kwestie afgesloten. Er wordt nooit meer op terug gekomen. Wat niet weet, niet deert.   ‘Hoe ging ze om met de problemen van mijn vader?’, vraag ik me af. Vele jaren later peil ik er voorzichtig naar maar ze ontkent in alle toonaarden dat er wat aan de hand zou geweest zijn met mijn vader. Ze maakt van mijn vader een heilige en plaatst hem onbereikbaar hoog op een voetstuk. Het woord depressie voelt in haar bijzijn belachelijk misplaatst en ongewenst.   Mijn broer komt erachter dat mijn vader jarenlang patiënt was bij een psychiater. Hij zoekt hem op. Hij blijkt ondertussen overleden. De dossiers zijn vernietigd.     ‘We leven in een maatschappij met meer taboes dan een tijd geleden, de jaren van de vrijheid zijn voorbij’, zegt Rik Torfs in een interview in Humo.* Hij heeft mijn moeder niet gekend. Wij,  Beatrijs, de koningin der taboes.     * Humo nr.4035/01 van 2/1/2018       Op die vooravond, aan de rand van haar bed, deed de pijnstillende morfine zijn werk. Ze maakte mijn moeder uitzonderlijk praatgraag. Ze antwoordde me verrassend gewillig op vragen die vroeger onbeantwoord bleven.   Het is onbegonnen werk om op te sommen waar met mijn moeder niet over gepraat kon worden. Uiteindelijk bleef over: het weer, haar familie, de gezondheidsklachten - enkel de hare en zolang ze niet te intiem waren -  het ophemelen van haar huishoudhulp en afkeurende commentaar op het gedrag van anderen en in het bijzonder op het gedrag van mijn oudste zus.   Mijn oudste zus Behalve mijn broers Olav en Maarten hebben we allemaal plechtige namen. Mijn oudste zus heet Katharina. Ze wordt Kaatje genoemd, een naam die ze op haar zestien belachelijk vindt. Ze wil voortaan aangesproken worden met Katy, naar de hit van het moment van Marc Aryan. Na een tijdje vindt ze ook Katy te kinderachtig. Ze kiest uiteindelijk voor Katrien. Het duurt een tijd voor iedereen er aan gewend is. Maar als we haar met haar oude naam aanspreken, antwoordt ze niet. Mijn oudste zus krijgt voor haar zestiende verjaardag een dichtbundel met de titel ‘Mijn moeder was een heilige vrouw’, naar een gedicht van René de Clercq.   Mijn moeder was een heilige vrouw - o daar ligt blijdschap in dien rouw - mijn moeder was heilig, en rein, en zoet als de melk van haar borst... O mijn moeder was  goed! En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar  wang, haar oogen al ziel en haar woorden al zang!  … Ze is verontwaardigd over zo’n ouderwets en stom cadeau. Ze droomt van heel andere dingen maar ze moet naar de bijeenkomsten van het katholieke Marialegioen. Ze valt er theatraal flauw. Tegen ons, haar jongere broers en zussen, wijdt ze omstandig uit over de pijn van het langdurig bidden op de knieën en over de misselijkmakende geur van wierook. Ze hoopt dat dit haar vrijstelling geeft voor toekomstige bijeenkomsten van het Marialegioen. Mijn zus heeft weinig op met de devotie van mijn moeder en diens pogingen om haar te behoeden voor de verlokkingen van het leven. Mijn zus wil leven en lachen, en voordragen. ‘Langzaam gaat de trage man door de straten waar de matte stralen van de maan vallen.’ Ze leert ons, haar jongere broers en zussen, hoe het moet. De korte a moeten we uitspreken als o. ‘Longzaam gaat de trage mon longs de straten …’. Wij oefenen graag mee. Mijn moeder vindt het maar niks dat voordragen en ook niet het babbelgrage van mijn zus, die iedereen in het dorp kent en hen aanspreekt in de Waaslandse tongval. Misprijzend noemt mijn moeder haar ‘de gazet van het dorp’. Het verschil tussen moeder en dochter kan niet groter zijn. Mijn zus belichaamt alles wat mijn moeder niet kan, durft en wil zijn. Ze gaat daarmee in tegen mijn moeders devies: ‘Hou je onopvallend op de achtergrond’. De plaats op de voorgrond is enkel voorbehouden aan de mensen van haar familie. Onze plek is, samen met haar, op de achtergrond, in de milde schaduw van haar ouders en andere, in haar ogen gezaghebbende familieleden.   Het gebeurt niet vaak dat er volk over de vloer komt in ons huis in Melsele. Pascal is bij iedereen een graag geziene gast. Hij brengt kleur in ons vlakke bestaan. Hij is fotograaf. Hij legt ons leven vast in zwart en wit. Hij komt voor mijn oudste zus. Mijn moeder is er blij mee, ze ziet in hem de gedroomde partij voor haar oudste dochter. Ze hoopt dat hij de geest wel terug in de fles krijgt. Pascal heeft flaporen. Het was ons niet opgevallen, maar mijn zus wel. Ze gruwt ervan. Ze behandelt hem heel koel. Ze heeft een vrijer in het dorp.   ‘Naar het volgende kerstfeest zal ik niet alleen komen’, vertrouwt mijn oudste zus me, veel jaren later, wat geheimzinnig toe. Ze doet haar uiterste best om de woorden van mijn moeder niet waar te maken. ‘Die geraakt nooit van de straat’, zegt mijn moeder terugkerend als mijn zus opnieuw komt aanzetten met een man die niet kan rekenen op haar goedkeuring. Het kerstfeest gaat door in de Gasthuisstraat waar mijn moeder naar verhuisd is na de dood van tante Madeleine. ‘Dit is Jean-Pierre’ stelt mijn zus trots haar vriend aan me voor. Ik zie het al bij de eerste oogopslag maar ik wil de triomfantelijke overmoed van mijn zus niet kelderen dat ze kan ontsnappen aan de herhalingsdwang en aan de bepaaldheid van mijn moeders woorden.   Een paar maanden later ben ik op bezoek bij mijn moeder. ‘Katrien is terug alleen?’, vraag ik aan mijn moeder. ‘Ja, eindelijk. Ik begrijp niet, dat ze daar zo lang bij gebleven is’, zegt mijn moeder op die welbekende afkeurende toon, ‘Als een man je zo behandelt’. ‘Ik begrijp dat wel’, zeg ik. Mijn moeder schuift onrustig op haar stoel. Ik houd mij niet aan de regels van het spel en ondertussen weet ze dat ze me dit niet meer kan verbieden. Ik ben een spelbreker. Dit gesprek had als volgt moeten verlopen; Mijn moeder: ‘Dat begrijp ik niet, enz.’ Ik: ‘Ja, t‘ is niet te verstaan’. Mijn moeder: ‘Dan moet ze achteraf ook niet komen klagen.’ Ik probeer mijn moeder duidelijk te maken dat menselijk gedrag soms door andere drijfveren dan de rede gestuurd wordt, dat relaties vaak bepaald worden door je verleden. We bevinden ons op drijfzand. ‘Het gebeurt me ook altijd opnieuw dat ik verliefd word op een man die me niks te bieden heeft en waar ik terug afscheid moet van nemen, net als van mijn vader’, waag ik eraan toe te voegen. Mijn moeder is een afwerende, gestolde, zwijgende massa geworden.  De lucht tussen ons verdicht zich en slorpen de woorden op die in het bijzijn van mijn moeder volkomen misplaatst zijn. ‘Verliefd’ is zo’n woord en, ‘mijn vader’. Vermits ze lang geleden gestopt is iets te drinken aan te bieden als er iemand op bezoek komt, kan ze dit niet als vluchtweg aangrijpen. De winkelbel gaat. Mijn moeder woont in de Gasthuisstraat in een voormalig winkelpand. De winkelruimte vooraan gebruikt ze niet en heeft ze wat opgesmukt met zelf gebreide dieren en prullaria. Deze verder lege ruimte zonder bestemming vormt een buffer tussen de buitenwereld en haar leefruimte. Het is de gracht voor de burcht. De ophaalbrug kan desgewenst opgehaald, maar bij voorkeur neergelaten worden. Mijn broer komt binnen, de verlosser van het moment. Mijn moeder kan terug opgelucht ademhalen. ‘En, alles goed hier?, vraagt hij, terwijl hij ons onderzoekend aankijkt. ‘We mogen niet klagen’, antwoordt mijn moeder, nog voor ik iets heb kunnen zeggen.   Ik ben niet de enige van de broers en zussen die af en toe probeert de burcht te betreden. Mijn broer Maarten neemt de moed in beide handen en vraagt mijn moeder wat er nu precies met onze vader gebeurd is. Het is een mooie dag en de deur naar de tuin staat open. Na een lange pijnlijke stilte waarin alleen de vogels in de tuin te horen zijn zegt mijn moeder uiteindelijk: ‘Het zijn dezelfde vogels van verleden jaar, ze zijn terug gekomen.’   De familie van mijn vader Het huis in Melsele, mijn geboortehuis en het huis waar ik tot mijn dertiende woonde, was het voorste gedeelte van een grote boerenhoeve. Daar woonden vroeger mijn grootouders, Jules Geerts en Elodie De Coninck samen met hun enige zoon Louis, mijn vader. In het achterste gedeelte woonde nonkel Jef, de broer van mijn grootmoeder met zijn vrouw, tante Alice en hun twee dochters, Louise en Lucie.  Mijn grootvader Jules overleed op drieënvijftigjarige leeftijd. Twaalf jaar later, twee jaar voor mijn geboorte, stierf ook mijn grootmoeder. Als enige zoon, erfde mijn vader het huis met de grote tuin.   In het fotoalbum bekijk ik andere, nog oudere foto’s van het huis en de tuin in Melsele. Het woord ‘lusttuin’ komt in me op als ik de oude sepiafoto’s van de toenmalige tuin nauwkeurig bekijk. Het geeft me een nostalgisch gevoel ook al heb ik die tuin nooit in deze paradijselijke staat gekend. Ik pak er het vergrootglas bij. Op verschillende foto’s staan jaartallen geschreven, van 1922 tot 1924. Mijn vader is een blond jongetje op de arm van zijn vader. Ik zie details die me vroeger niet opgevallen waren. Mijn vader in een wit matrozenpakje. Voor zijn voeten staat een houten paardje op wieltjes dat nu in een antiquariaat een hoge prijs zou halen. Mijn vader houdt het touwtje vast om het voort te trekken. In gedachten zie ik hem rondlopen op de keurig onderhouden paadjes tussen de struiken en kleurrijke bloemperken, het paardje achter zich aan. Op één van de foto’s staat aan de zijkant een man op klompen. Ik vermoed de tuinman, als ik zie hoe mooi en keurig verzorgd deze lusttuin oogt. De ouders van mijn vader moeten welstellend geweest zijn. Daar blijft later helaas niets meer van over.   Het paard van nonkel Jef Nonkel Jef is een boer. Ik zie hem vaak met paard en kar het erf afrijden naar een veld een eind verderop. Soms staat het paard bij ons om de boomgaarden af te grazen. Eén boomgaard ligt naast het huis, de andere is het verste stuk van onze tuin. Behalve dat het paard de boomgaard afgraast en nonkel Jef af en toe met de zeis onze voormalige groenten en bloementuin afmaait, gebeurt er verder geen onderhoud in onze tuin. Bij stormweer waait er al eens een boom om. De bomen blijven liggen en worden voor ons een paard, een evenwichtsbalk, deel van een kamp, al naargelang het spel van het moment. Ik zit met mijn broer Maarten op een omgevallen boomstam in de achterste boomgaard. Het paard van nonkel Jef staat een eind van ons rustig te grazen. We zijn geen van beiden op ons gemak. We willen naar huis. ‘Als we heel rustig naast elkaar naar het hek stappen, zal het paard wel gewoon blijven grazen’, zeg ik geruststellend. ‘Denk je?’, vraagt mijn broer wat angstig. Hij is twee jaar jonger dan ik. Langzaam stappen we richting het hek. Plots, als een pijl uit een boog, spurt mijn broer de boomgaard over. In een reflex ga ik hem achterna. Het paard heft de kop op, krijgt ons in het vizier en stuift dan onze richting uit. ‘Snel, snel,’ gil ik terwijl ik mijn broer bij de hand pak. We horen het roffelende geluid van de hoeven steeds dichterbij komen.  Op het laatste nippertje schuiven we allebei onder de prikkeldraad door. Ik hoor het geluid van scheurend textiel.  We staan allebei te trillen op onze benen. Dan zie ik het. Een scheur over de hele breedte van het hemdje van mijn broer.   Wat me pas veel jaren later opvalt. We stonden even doodsangsten uit maar ik sla mijn armen niet om mijn trillende broertje hoewel ik bezorgd om hem ben en opgelucht dat we veilig zijn.  We rennen niet naar onze moeder om te vertellen wat er gebeurd is. We sluipen het huis in. Mijn broer verstopt zijn hemdje in een hoekje van zijn kast en doet een ander aan. Mijn moeder moet achteraf dit hemdje gevonden hebben. Ze heeft er nooit over gesproken, net zomin als mijn broer en ik. Wat niet weet, niet deert.    Mijn ijsman In de verte weerklinkt het vrolijk deuntje van de ijskar. Op slag laat ik mijn pop vallen wiens haren ik net nog zo zorgvuldig aan het borstelen was. Ons huis, met vooraan de symmetrische houtconstructie, in het midden oplopend naar een punt, ligt zo’n twintig meter dieper dan de straat. De voortuin en de boomgaard ernaast zijn omzoomd met een haag. Van de voordeur tot aan de straat loopt een paadje dat uitkomt op een hek.  Ik snel het paadje af naar de straat. Het is een rustige straat. Verkeer kennen we nog niet. Zelf hebben we geen auto en slechts een paar buren hebben al een auto op de oprijlaan. Soms gaan we naar de hoek van onze straat die uitkomt op de Schoolstraat, de hoofdstraat van het dorp. We wachten geduldig en roepen dan: ‘Daar is er weer één!’ en  schrijven de nummerplaat op van de auto die voorbij rijdt.  Het kan wel even duren voor ons blaadje vol is. Zelden draait een van deze auto’s onze straat in.   Het tingelende muziekje klinkt steeds harder en dwingender. De ijskar rijdt heel langzaam onze straat door om iedereen de tijd te geven de werkzaamheden even te staken, de portemonnee te pakken en de straat op te lopen. Ik zie de bovenkant van de ijskar al opdoemen boven de haag. Ik open het hek – het is gelukkig niet op slot - en zonder te kijken storm ik de straat op. Met gierende banden komt de camionette van de brouwer, vanuit de andere richting, in de sloot voor ons huis tot stilstand.   De therapeute noemde het een geleide fantasieoefening. We moesten onze ogen sluiten en de ogen van onze moeder zoeken. Ik vond ze niet. Geen enkele situatie kwam me voor de geest waarin ik haar ogen op me gericht wist. Er kwamen me wel andere ogen voor de geest: de buurvrouw van een tante waar ik logeerde en die meer deed dan alleen mijn gekneusde knie verzorgen. ‘Ach, die jongens kunnen zo wild zijn’ zegt ze vriendelijk. De ogen van Claire, de monitrice. Ze draagt me in haar armen. Er zitten splinters in mijn voet van het houten podium. Ze neemt de tijd om ze voorzichtig één voor een met een pincet uit te trekken. De pijn deert me niet. De vriendelijke ogen van de ijsman. Ook als ik geen ijs koop mag ik in zijn ijskar klimmen. Hij heeft zwart haar en een snor. Hij is altijd vrolijk en vertelt verhalen. Af en toe krijg ik een kartonnen reclamebord van Ola. Ik ben de koning te rijk. Hij is mijn ijsman.   Ik zit samen met mijn broers en zussen in de speelkamer als de deur openzwaait. De imposante verschijning van de brouwer vult de deuropening. ‘Wie was dat stoute kind dat voor mijn auto sprong zodat ik bijna verongelukte?’, vraagt hij terwijl hij ons één voor één streng aankijkt. Ik wil in het kleinste hoekje kruipen maar ik kan me niet bewegen. Hij speculeert nog wat over een mogelijke straf voor dit stoute kind. Dan zegt hij:  ‘De volgende keer, eerst goed links en rechts kijken voor je naar je ijsman snelt.’ Hij knipoogt naar mijn moeder. Ze lachen. Iedereen lacht. Ik voel mijn wangen warm worden.  Het hek zal wel weer op slot gaan.   Ik kom van school en ben op weg naar huis. Opeens hoor ik het bekende tingelmuziekje. Uit de andere richting nadert de ijskar. Ik durf niet op te kijken maar vang toch nog een glimp op van de man achter het stuur. Een oude, norse man zonder snor. Mijn ijsman komt niet meer naar onze straat. Hij zal wel boos op me zijn.     Het zesde leerjaar Ik zie ze nog allemaal voor me, de juffen van de lagere school. In het vijfde leerjaar is onze juf een non. Zuster Remigia heeft een lief, blozend gezicht.  Halverwege het jaar verlaat ze ons. De directrice van de lagere school, die we Moeder Overste noemen, komt in onze klas. Ze vertelt dat zuster Remigia ziek is en herstelt in een ander klooster. De aanwezigheid van Moeder Overste is zo imponerend dat niemand een vraag durft te stellen, bijvoorbeeld welke ziekte ze heeft en of ze dit jaar nog terug naar onze klas komt. Zuster Remigia komt niet meer terug naar onze klas.  Ze schrijft een brief waarin ze voor ieder van ons een attent woordje heeft. Een paar maanden later weet een meisje uit de hogere klas te vertellen dat zuster Remigia uit het klooster getreden is.   Juffrouw Thérèse is de onderwijzeres van het zesde leerjaar. De vrouwen van haar generatie moesten stoppen met lesgeven als ze trouwden. De oudere onderwijzeressen in onze school zijn ofwel nonnen ofwel ongehuwde dames. Jonge dochters worden ze genoemd. Juffrouw Thérèse is een jonge dochter op leeftijd. Als ze voor de klas staat zijn haar wenkbrauwen altijd gefronst. Haar rechter boventand staat ingedrukt op haar onderste lip. Het geeft haar iets verbetens. De hoofdtonen van juffrouw Thérèse zijn grijs en bruin, ook al zijn de aanbevolen kleuren van de school blauw en wit, de kleuren van de maagd Maria, die ons tot voorbeeld moet strekken. Onze schorten zijn blauw en wit geruit,  onze plooirokken zijn donkerblauw, net als onze blazers, jassen en truien. De bloezen en kousen mogen wit zijn. Er zijn twee zesde klassen. Juffrouw Rosa leidt de andere klas. Ze is van dezelfde leeftijd als juffrouw Thérèse. Haar hoofdkleur is oudroze. Als we in de rij staan te wachten om naar onze klas te gaan, spreken ze Frans met elkaar. In hun jonge jaren was het onderwijs Franstalig. In het boerendorp waar we wonen is dit de enige mogelijkheid om deze vaardigheid te oefenen. Dat wij hen dan niet begrijpen, is mooi meegenomen.   Juffrouw Thérèse heeft zich tot missie gesteld om de jeugd te behoeden voor ijdelheid en zelfoverschatting.  Ze gebruikt graag het woord ‘hovaardigheid’. Daar zal ze ons van verlossen. Daarvoor neemt ze elke gelegenheid te baat om ons eraan te herinneren dat we niks voorstellen, niks kunnen en niks weten, ‘ook al zitten jullie nu al in het zesde leerjaar’, voegt ze er aan toe. Het komt niet in ons op om haar er op te wijzen dat haar onderwijs dan wel jammerlijk gefaald heeft.   Er is een uitstap gepland: met de bus naar het zwembad in Sint-Niklaas. Ik kan niet zwemmen en ik heb ook geen badpak dus ik blijf samen met nog een paar meisjes, die elk hun eigen reden hebben om niet mee te gaan naar het zwembad, achter bij juffrouw Thérèse in de klas. We krijgen rekenoefeningen. Ik had gehoopt op iets vrolijker, iets wat meer in de lijn van het zwemuitstapje. Ik krijg mijn aandacht niet op de rekensommen gericht. Ik stel me voor hoe mijn klasgenootjes zich vermaken. Eerst in de bus – naast wie zou Linda zitten? -  daarna spelend in het water en daarna met een flesje chocolademelk in de hand. Het rekenblad blijft onaangeroerd. Juffrouw Thérèse kloft door de klas. Haar schoenen lijken een maat te groot. Bij elke stap dreigen ze uit te vallen. Ze ziet mijn leeg rekenblad. Zelfs zonder naar haar te kijken weet ik hoe ze kijkt. De gefronste wenkbrauwen, de tand die wat dieper boort in de onderlip. Ik ben geen held. Ik ben opgevoed  tot strikte gehoorzaamheid, een grote deugd volgens mijn moeder en volgens juffrouw Thérèse.  Mijn oudste zus wordt thuis dagelijks opgevoerd als voorbeeld hoe het niet moet. In onze klas is het Rita Verstappen die deze niet benijdenswaardige rol speelt. Soms moet ze helemaal alleen achteraan in de klas gaan zitten, soms vooraan op haar knieën op de trede met een boek op haar hoofd. Om te leren stil zitten. Dat leidt tot hilarisch taferelen waarbij sommige meisjes hun lach niet kunnen inhouden en juffrouw Thérèse steeds bozer wordt. Juffrouw Thérèse staat naast mijn bank. Juffrouw Godelieve van het vierde leerjaar rook naar eau de cologne. Juffrouw Thérèse ruikt muf en vreugdeloos. Er is een kortsluiting in mijn hoofd. De cijfers dansen en springen op en neer, ze zwemmen! ‘Komt er nog wat van’, klinkt het naast me. Ik kan niet geloven dat ik mezelf hoor zeggen: ‘Nee’.  Als door een wesp gestoken springt Juffrouw Thérèse op. ‘Alsof je deze extra oefeningen niet nodig hebt. Deze hovaardij zal ik je wel eens afleren!’, roept ze door de klas. Het komt vanuit mijn middenrif in schokkende bewegingen. Ik kan het niet tegenhouden. Ik slik en slik, ik trek mijn spieren samen, ik buig naar voor, ik probeer mijn adem in te houden. Het helpt niet, mijn hele lichaam schokt. ‘Ga naast je bank staan en je mag pas terug gaan zitten als je gestopt bent met deze belachelijke vertoning’, zegt ze. Ze kijkt me koud en kwaad aan. Ik sta lang naast de schoolbank. De andere meisjes zijn doodstil en buigen het hoofd boven de rekensommen. Juffrouw Thérèse is oppermachtig, ze wint de strijd. Ik krijg, na een bovenmenselijke inspanning, het uitstulpende verdriet ingeslikt en afgegrendeld. Het wordt een levenswerk om dat middenrif terug ontgrendeld te krijgen.   Een jaar later Elke ochtend als we nog aan de ontbijttafel zitten, vertrekt mijn vader met de fiets naar de Grote Baan. Daar neemt hij de bus naar Antwerpen. Mijn vader werkt in Securitas, een verzekeringsmaatschappij. Zoals elk jaar gaat ook dit jaar het hele  gezin met een grote taxi naar het sinterklaasfeest in Antwerpen. Ik kijk er naar uit, ook al word ik misselijk achteraan in de auto en in de lange tunnel. Op het feest krijgt elk kind tot twaalf jaar een mooi cadeau van sinterklaas. Het is de laatste keer dat ik een cadeau krijg. De vorige jaren was het speelgoed. Voor de twaalfjarigen is het een passer in een lederen etui. We eten rozijnenbrood en drinken chocolademelk. Mijn vader neemt ons mee naar zijn werkplek. Met de bureaustoelen op wieltjes rijden we langs de grote donkerbruine houten bureaus. We klimmen op de ladders langs de hoge muren met de archiefkasten.  Mijn broer zit aan het eerste bureau en ik aan het laatste. Elk met een donkergroen vilt op het bureaublad. Mijn vader toont hoe we elkaar kunnen opbellen. Ik hoor de stem van mijn broer dicht aan mijn oor. We kunnen er niet genoeg van krijgen maar we moeten nog naar de voorstelling. Er komt een goochelaar.   Een maand later Het hele dorp loopt uit, de kerk zit vol. Er wordt gefluisterd en gefezeld. Iedereen wil een glimp opvangen van de weduwe achter de zwarte voile, omringd door haar kinderen. Er gebeurt niet veel in het dorp. Een drama brengt leven in de brouwerij en zorgt voor gespreksstof. Ik ben voorzanger in het koor van pastoor Sabot. Onlangs nog zongen we in de rouwdienst van het kleine blonde jongetje. Drie jaar was hij net geworden. Hij stak de straat over. Zijn vader zag hoe de aankomende auto hem dodelijk trof. De grote, zware man zat op zijn knieën voor het kistje en huilde hartverscheurend. Het raakte me diep. Nu voel ik vooral de priemende ogen van mijn dorpsgenoten. We weten dat er iets mis is met het ongeval van onze vader. Verdronken in de Schelde op een koude, mistige maandagochtend in januari. Er wordt gekletst in het dorp. Ze hebben hun oordeel klaar. Er was discussie over de begrafenis. Het was niet zeker of hij in de gewijde grond van de begraafplaats mocht liggen.   Een verzorgde mevrouw in mantelpak komt bij ons thuis onze maten nemen. Na de dood van mijn vader zal de verzekeringsmaatschappij ons allemaal in het nieuw steken. Voor de meisjes  een donkerblauwe rok en blazer en een witte bloes. Voor de jongens een donkerblauwe broek en blazer en een wit hemd. ‘Maak het maar op de groei’, zegt mijn moeder. Een tijd later krijgt mijn moeder een brief. ‘Tot onze spijt kan de levering van de kleding niet doorgaan.’  De verzekeringsmaatschappij heeft geoordeeld dat het niet om een bedrijfsongeval gaat. Mijn vader was te ver afgeweken van de dagelijkse route naar zijn werk. Mijn moeder blijft haar hele leven angstvallig vasthouden aan de versie van een ongeluk. Maar er wordt bij voorkeur nooit meer over gesproken. Een nieuw groot taboe doet zijn intrede in ons leven.   Het verblijf bij tante Lieve Een paar maanden na de dood van mijn vader blijft mijn moeder overdag in bed liggen. Dat is nog nooit gebeurd. We weten niet wat er scheelt. Mijn oudste zus zegt dat het iets met de zenuwen te maken heeft. We begrijpen niet wat ze daarmee bedoelt. We weten ook niet of dat ernstig is. Mijn moeder keert voor een tijd terug naar haar ouderlijk huis. De zeven kinderen worden verdeeld tussen de huishoudens van haar broers en zussen.   Mijn zus is een jaar ouder dan ik. Anna-Maria staat er op haar identiteitskaart. We noemen haar Annemien. Later valt de laatste n van haar naam weg. We komen samen terecht bij de oudste zus van onze moeder. Tante Lieve is vriendelijk en welwillend maar wij zijn onbereikbaar. We weten nog altijd niet zeker wat er precies met onze vader gebeurd is. We vrezen dat hij iets slecht gedaan heeft. We schamen ons diep. Hij is dood en wij zwijgen hem dood. We weten niet wat er met onze moeder aan de hand is. We weten niet hoelang we bij tante Lieve moeten blijven. We vragen niks. We wachten. We schuilen in de boeken die we meegenomen hebben. ’s Avonds liggen we in bed. Ik hoor Annemien zachtjes huilen. Ik huil stil met haar mee. We troosten elkaar niet. Dit verdriet bestaat niet. De twee dochters van tante Lieve zijn een paar jaar ouder dan wij. Ze zijn heel zelfbewust en maken zich mooi. Ze laten ons duidelijk voelen dat we twee oninteressante en saaie huisgenoten zijn. We doen niets om dit beeld te veranderen. Het liefst willen we, net als onze vader altijd deed, op bed liggen, door het raam staren of lezen, of stilletjes huilen als niemand het hoort of ziet.   Op een dag mag iedereen terug naar huis. Er is een belangrijk besluit genomen waar mijn moeder beter van wordt. Ze gaat terug naar haar geboorteplek, in Geraardsbergen. We krijgen een nieuw huis waar niemand weet heeft van ons grote geheim.    Nonkel Herman, de broer van mijn moeder, heeft een brandstapel gemaakt in onze tuin in Melsele. Het vuur laait hoog op. Alles wat we niet meenemen naar het nieuwe huis wordt verbrand. ‘Eén pop mogen jullie houden’, zegt mijn moeder tegen mijn zus en mij. Ik kan niet kiezen. ‘Toch niet die met dat afgeknipte haar en nog maar een oog’, zegt mijn moeder. De pop komt op de brandstapel terecht. Ze brandt niet, ze smelt langzaam weg.   Eerste buitenlandse reis Met elk onze kartonnen valies in de hand zet nonkel Herman mijn zus en mij af bij de trein. Het is onze eerste treinreis en onze eerste buitenlandse reis. We gaan tien dagen naar Zwitserland  De mutualiteit organiseert elk jaar een reis voor de veertienjarigen. Ik ben nog maar dertien maar ik mag mee met mijn veertienjarige zus. Terwijl wij in Zwitserland zijn, zal de verhuis doorgaan.   In de barak in Melchtal slapen we in stapelbedden. De tweede nacht krijg ik een bloedneus. Het stopt maar niet. ‘Dat komt door de hoogte’, zegt de dokter. Ik krijg dikke watten in mijn neus. ‘Zonder de toestemming van de ouders mogen we het niet dichtbranden’, zegt hij. Mijn moeder is onbereikbaar. Ze is aan het verhuizen, naar het nieuwe huis. We hebben nog geen telefoon. Die zal pas een paar jaar later zijn intrede doen in ons huis. Als hij bij uitzondering al eens rinkelt durft niemand de hoorn op te nemen. De rest van de dagen breng ik door op bed in de ziekenboeg. Ik probeer af en toe iets mee te doen maar na elke inspanning wordt de bloeding erger. Ik krijg bezoek van de monitrice, mijn zus en een paar meisjes van mijn groep. Ik vind het best. Ik lees en droom van het nieuwe huis terwijl ik door het raam naar de besneeuwde bergtoppen kijk. Het zal klaar zijn als we terug naar huis moeten.   Behalve mijn zus zal niemand thuis ooit weten dat ik mijn eerste buitenlandse vakantie doorbracht op bed met dikke proppen watten in mijn neus. Niemand vraagt iets, wij vertellen niets. Wat niet weet, niet deert.   Het nieuwe huis Het nieuwe huis is donker en vochtig. Alle lichte beelden die ik droomde in Zwitserland verdwijnen als sneeuw voor de zon. Het huis is van tante Madeleine, de ongetrouwde zus van mijn grootvader. Ze is mager en benig. Elke avond daalt ze de trappen af van de tweede verdieping helemaal naar de kelder. Ze heeft dan haar haar, dat anders in een knot gedraaid achter op haar hoofd zit, in een lange grijze vlecht. Haar kleren zijn op verschillende plaatsen netjes versteld met stukjes stof, soms in een iets andere kleur als ze blijkbaar geen stofje kon vinden in dezelfde kleur. In de kelder schept ze op haar knieën water uit de waterput. Nu zouden we dit milieubewust noemen maar tante Madeleine is vooral zuinig. Ze had vroeger een kruidenierszaak in dit huis. Nu woont ze op de tweede verdieping van haar eigen huis. Wij wonen beneden en slapen op de eerste verdieping. Een kamer voor de drie jongens, een kamer voor de drie meisjes en een kamer voor mijn moeder en onze kleinste zus, die pas vier is. De jongenskamer is klein. Met de twee bedden en een commodekast staat ze propvol. De grauwe, vochtige muren worden doorheen de jaren volledig bedekt met de posters uit het poptijdschrift ‘Salut les Copains’. De meisjesslaapkamer is de grootste. In de plompe, donkerbruine houten kleerkast hangen voor elk van ons een paar zondagse kleren. Ze hangen wat verloren in de grote kast. Tegenover de kast staat een eenpersoonsbed voor mijn oudste zus en daar tegenover een tweepersoonsbed voor mij en Annemien, die ondertussen Annemie geworden is. Mijn oudste zus is er niet blij mee. Ze had in het oude huis een eigen klein kamertje. Nu moet ze de kamer met ons delen. Ze hangt een laken tussen onze bedden. Zo kan ze zich weer even in haar kleine kamertje in het grote, oude huis wanen.   Voor het eerst in ons leven hebben we een ligbad. Beter gezegd, tante Madeleine heeft een ligbad en wij mogen er gebruik van maken. Ik vind het zalig om in het bad te drijven. Ik kan er niet genoeg van krijgen maar het moet vlug gaan. Eén na één moeten we op zaterdag in bad. We mogen tante Madeleine niet teveel storen, dus we doen het snel en mijn moeder zorgt ervoor dat de badkamer schoon blijft na die zaterdagse invasie. Het helpt niet. Op een dag komt tante Madeleine naar beneden. ‘Beatrijs’ galmt het door de lange gang. Mijn moeder zucht. ‘Die kinderen maken zoveel lawaai’ klaagt tante Madeleine, ‘Ik kom op zaterdag niet meer aan mijn middagdutje toe.’ Het zaterdagse badritueel verplaatst zich van dan af naar de keuken. De gordijnen gaan toe, de deur gaat op slot. Er worden doorlopend grote potten water op het gasfornuis gewarmd. Op de keukentafel staat het plastic kinderbadje waar mijn jongste zus ondertussen uitgegroeid is. Ik droom van het ligbad op de tweede verdieping. Pas als tante Madeleine overleden is, een paar jaar later, mogen we terug in bad. Ik loop even haar woonkamer in. In de ligstoel waar ze haar dagelijks dutje deed, liggen twee kussens en een dekentje netjes opgevouwen. De kachel die ze elke dag oprakelde met welgeteld zeven bewegingen over en weer, is koud. De badkamer heeft zijn glans verloren.   Een nieuwe school Behalve mijn oudste zus die het laatste jaar van haar middelbare school op internaat gaat in haar oude school, moeten we allemaal naar een nieuwe school. Ik sta op de speelplaats. Ik kijk naar de spelende meisjes in hun hemelsblauwe schorten. Ik denk aan mijn oude school. Daar waren onze schorten blauw en wit geruit.  Ik voel me niet thuis in dat hemelsblauwe. Een meisje komt naar me toe. ‘Hoe heet je’, vraagt ze. Ik twijfel wat ik moet zeggen. Thuis heet ik Haddie. Op school ben ik Hadewijch. Welke naam ik ook zeg, ik moet hem altijd verschillende keren herhalen. Ik zwijg. ‘Weet je niet hoe je heet?’, lacht ze. Het is ongewoon dat er zomaar in het tweede jaar van de middelbare school iemand nieuw in de klas komt. Geraardsbergen is een klein provinciestadje zonder noemenswaardige industrie, buiten dan de Union Allumettière, in de volksmond, de stekskesfabriek. Ze is nieuwsgierig wat ons gezin naar deze plek brengt. ‘Wat doet je vader?’ vraagt ze belangstellend. Ik verstar. Ik heb me niet voorbereid op die vraag. En zelfs als ik er me probeer op voor te bereiden krijg ik het antwoord niet geformuleerd. Maar ik wen langzaam, ook al is deze school strenger dan mijn oude school. Als we op onze knieën op een stoel zitten moet onze rok het zitvlak van de stoel raken. Ik zie een meisje op de speelplaats met een strook papier onderaan haar rok gespeld tot op de juiste lengte. Ze doorstond de stoeltest niet. Ze zorgt er wel voor dat ze de volgende dag een andere rok aan heeft, om niet uitgelachen te worden. Broeken zijn niet toegestaan. Enkel als het ’s winters heel koud is mogen sommige meisjes, die van ver komen met de fiets, boven hun collant een broek aantrekken. Die moet dan wel bij aankomst in de school, terug uit. Om geen aanstoot te geven. Deze en andere kledingvoorschriften deren me niet. Ik heb ondertussen twee vriendinnen, Hélène en Chantal. Ik kom regelmatig bij hen thuis. Hélène haar moeder gaat uit werken. Als ik na school met haar mee naar huis ga, is haar moeder nog niet thuis en kijken we samen tv. Thuis hebben we nog geen televisie. Die komt er pas een aantal jaar later, als ik het ouderlijk huis al verlaten heb. Met Chantal ga ik de hele zomer fietsen. Er is een nieuwe rage: de minifiets. Als bij wonder hebben we er één, de enige fiets die we ooit bezaten. Behalve dan de fiets van mijn vader. Die fiets is niet mee verhuisd naar het nieuwe huis. Ik vraag me af waar hij gebleven is. Maar dat kan ik niemand vragen.   Opnieuw een nieuwe school In de nonnenschool waar Annemie in het derde en ik in het tweede jaar van de middelbare school zit is er een probleem met de punten van mijn zus. In plaats van dit uit te praten besluit mijn moeder zonder overleg om mijn zus en mij naar een andere school te sturen. Ik wil niet weg uit de school waar ik me, na een moeilijke start, eindelijk thuis voel en ik vriendinnen heb. Maar het besluit is al genomen dat we de vier volgende jaren in het Lyceum zullen doorbrengen. Annemie doet haar derde jaar over zodat we in dezelfde klas zitten. Het lyceum is een cultuurshock. Alle meisjes spreken plat dialect. De tweede dag spreekt Myriam, één van onze klasgenoten, mijn zus en mij aan: ‘Zorg er maar voor dat jullie zo snel mogelijk normaal gaan spreken. Hier spreken we niet in dat bekakte Nederlands’,  zegt ze in haar platste dialect. In de nonnenschool waren er ook meisjes die dialect spraken maar de voertaal was algemeen Nederlands. De eerste weken zwijgen we tot we beginnen te begrijpen hoe we de klanken moeten vervormen. Maar zwijgen is voor ons geen probleem. We zijn erin getraind. Spreken is zilver, zwijgen is goud.   Mijn moeder heeft haar eigen problemen. Ze moet het huishouden draaiende houden met het kindergeld en een overlevingspensioen. En ze moet voortdurend rekening houden met de bemoeienissen van tante Madeleine. Ze heeft dan ook wel wat anders aan haar hoofd dan ons te vragen hoe het gaat op de nieuwe school. We vertellen weinig. Nochtans komen we elke middag thuis eten. Heel vaak is het pasta of rijst met een rode saus erbij en gehaktballen of koteletten van de slager die een paar huizen verderop woont. Ik vind het niet erg want ik heb geen honger. Ik heb opnieuw een krop in de keel. Ik slik veel, soms tot de tranen me in de ogen schieten. Elke avond schommel ik mezelf in slaap.   Ik weet nog niet dat mijn hechtingsstijl *, die al in de eerste drie levensjaren gevormd werd, me in de weg zit om me gemakkelijk aan te passen aan veranderende omstandigheden. Ik weet nog niet dat de boodschap van mijn moeder, ‘je onopvallend op de achtergrond te houden’, geen goede ingesteldheid is om me in de buitenwereld te begeven.      * A secure Base John Bolwby   Ik ben het vierde kind van mijn ouders in vijf jaar tijd. Na mijn geboorte adviseerde de dokter om het bij vier kinderen te houden. Er kwamen nog drie kinderen na. Als ik twee jaar ben is er geen plaats op de schoot van mijn moeder. Mijn jongste broertje is pas geboren. Hij ligt aan de borst. Na dat zesde kind is mijn moeder uitgeput. Mijn andere broertje dat elf maanden jonger is dan ik, begint net wat schommelend te lopen. Ik vind troost op het schommelpaardje waar ik zelf op en af kan kruipen en waar ik mezelf in slaap schommel. Ik heb niemand nodig voor troost en veiligheid.   Het duurt lang maar ook in het lyceum maken mijn zus en ik uiteindelijk vriendinnen en we leren stilaan de finesses van de plaatselijke taal.   Verliefd Ik ben 16 jaar. Ik ben verliefd op een jongen die een paar straten verder woont.  Als ik van school kom loopt hij vaak met een paar vrienden voor mij uit naar huis. Soms blijven ze ergens staan dan vertraag ik mijn pas om ze niet voorbij te moeten steken. Soms steek ik de straat over. Ik kijk hem nooit aan. Ik spreek ook met niemand over deze verliefdheid en niemand merkt wat aan mij hoewel het vaak pijn doet aan mijn hart. Het is een opluchting als het gevoel langzaam slijt en op een dag helemaal weg is. Ik hoop dat dit gevoel me nooit meer in de greep krijgt. Het geeft me enkel onrust, angst, schaamte en pijn.   Ik ben 17 jaar. Ik ben verwonderd dat Hugo verliefd op me is. Hij wordt mijn eerste vriendje. Hij kiest dat, niet ik. Dat is veiliger. Ik hou me op de vlakte. Ik ben de perfecte kopie van mijn moeder. Ik blijf onopvallend op de achtergrond. Als iemand me in die achtergrond opmerkt, ben ik verwonderd en onwennig.   Als iemand me op dat moment zou vertellen dat ik me op een dag vanuit die achtergrond op de voorgrond zal werken om voor een groep te staan, zou ik vol ongeloof het hoofd schudden. Op dat moment ben ik nog lichtjaren verwijderd van deze toekomst.   Dertig jaar later sta ik in het ondertussen vertrouwde opleidingslokaal van de bank in de Kreupelenstraat in Brussel. Twaalf deelnemers heb ik deze keer. Zoals gewoonlijk zijn er meer vrouwen dan mannen die ingeschreven hebben op de opleiding sociale vaardigheden. Vaak zijn het de mensen in de kantoren. De druk op de mensen in de bank is groot. Een tweedaagse is te kort maar ik geef ze zoveel mogelijk praktische bagage mee. Al de vaardigheden en hulpmiddelen die ik zelf moeizaam verworven heb, verwerk ik er in. ‘Dat kan ik met mijn puberzoon ook gebruiken’ zegt een vrouw opgelucht als we het territoriummodel bespreken en oefenen met de principes van geweldloze communicatie.  Ik kijk naar de naamkaartjes. Rita, haar gezicht komt me bekend voor. Ze lacht me vriendelijk toe. In de pauze komt ze naar me toe. ‘Ken je me niet meer?’ vraagt ze. Rita Liekens. We volgden twintig jaar geleden samen een bijscholingscursus. Ze is wat ouder geworden, maar ze heeft nog altijd hetzelfde vriendelijke gezicht. We lunchen samen. ‘Ik ben verbijsterd, zegt ze ‘Waar is het verlegen meisje van 20 jaar geleden gebleven?’ ‘Je sprak niet’, herinnert ze zich,’ ‘Hoe ben je ooit zover gekomen?’ vraagt ze oprecht verwonderd. Het is een lang verhaal. Zelfs met twee lunchpauzes hebben we niet genoeg. Ze verzorgt nog steeds liefdevol haar man die na een ongeval in een rolstoel belandde.   Na elke opleiding moet elke deelnemer een evaluatieformulier invullen en op verschillende items punten geven. Ze geeft overal tienen met een uitroepteken. ‘Ik kan het nog steeds niet geloven’, zegt ze bij het afscheid, ‘Je doet dit fantastisch, maar ik had het nooit kunnen denken. Het is onvoorstelbaar. Blijf dit vooral doen!’ Ze omhelst me krachtig.   Verder studeren Na vier jaar zijn voor mijn zus en mij de lyceumjaren voorbij. We zijn geen briljante studenten maar we halen met weinig inspanning de eindmeet. Ik denk terug aan het vijfde leerjaar hoe ik op een dag thuis kwam met mijn rapport. Mijn moeder zette het op de schouw bij de rapporten van mijn broers en zussen, voor mijn vader om ze te tekenen als hij thuis kwam van het werk. Ik keek stiekem naar de cijfers in de andere rapporten. Mijn ouders zouden nu wel merken dat ik echt hoge cijfers had. ’s Morgens lagen de rapporten ondertekend klaar om terug mee naar school te nemen.  ‘Steek maar in de boekentas’, zei mijn moeder, zonder verder commentaar. Schoolresultaten waren niet belangrijk. Er is niets om je best voor te doen.   Er wordt in het lyceum gepraat over de studierichting die we moeten kiezen. Mijn zus en ik weten het niet. We hebben geen ambities. Thuis is het geen onderwerp van gesprek. We maken uiteindelijk toch een keuze. Mijn zus gaat binnenhuisarchitectuur doen en ik schrijf me in in de sociale hogeschool. We gaan samen op kot in Gent.   Het studentenkot ligt in de kelder. Vanuit ons bed zien we voeten en benen tot aan de knie passeren en af en toe fietswielen, die ook vaak voor het kleine getraliede raam blijven staan. De lamp boven de tafel, die ook dienst doet als bureau, brandt de hele dag en dan nog wordt het nooit helemaal licht.   We verlaten deze schuilplaats steeds minder. Zonder het uit te spreken weet ik dat Annemie, net als ik, niet kan aarden in de nieuwe school. We praten niet. We zijn een zwijgend verbond.  Veertig jaar later praten we wel. We hebben niet veel tijd meer. We klinken op onze laatste gezamenlijke verjaardag. We schelen een jaar en een dag. Mijn zus krijgt thuis palliatieve zorgen. Haar krachten nemen snel af. R

Haddie
0 0

Een afgewerkt verhaal?

Ledeberg, 28 mei 2018 Dag Lus, Toeval bestaat inderdaad niet. De titel die ik eerst voor brief 7 in gedachten had, was… vragen staat vrij! Ik was deze week ook op zoek naar een boek om mijn kennissen die net hun zoon verloren hebben een hart mee onder de riem te steken. Ik kwam uit bij het boek dat Guillaume Vanderstighelen schreef na de dood van zijn zoon. Hij noemde ook Mathias, ontdekte ik toen. Straf, hé. Hoewel, als would be boeddhist wist ik dat al: de Dalai Lama gelooft ook niet in toeval. Fijn te lezen dat we heel wat gemeenschappelijke kenmerken hebben! Hopelijk bevestigt deze brief dat nog een beetje. Je hoort van mij graag de ultieme tip om het schrijven vol te houden. Wellicht ben ik de minst relevante persoon aan wie je dat vraagt, Lus, want ik ben de koningin van de onafgewerkte verhalen. Tips heb ik in de loop van de jaren wel verzameld, ze toepassen is iets anders. * De tip van de Meester himself, Tom Lanoye, zoals ik in brief 1 schreef: ‘Maak het af!’. Een fulltime job, 3 kinderen, zich vanzelf opstapelende was en afwas, … ik kom er gewoon niet toe. Ik geef echter toe, het zijn ook excuses. Tijd heb je niet, tijd maak je en voor dat laatste is er best nog wat speling. Het is eerder faalangst en perfectionisme dat me dwarsboomt. * Wat voor mij wel werkt, zijn deadlines, op voorwaarde dat ze niet té strikt zijn want dan haak ik vroeg of laat ook af. Ik zit al jaren in een schrijfclubje met vriendinnen, de deadline om iets binnen te leveren is om de 5 weken en als je een keertje overslaat, is dat ook niet erg. Als ik die deadlines efficiënt zou gebruiken om aan 1 verhaal door te werken, zou ik goed bezig zijn. Meestal schrijf ik echter over wat me op dat moment bezighoudt en tegen de volgende deadline is dat weer iets anders dus ja, zo kom ik aan die schuif vol onafgewerkte verhalen…* Een nieuwe tip - zelf uitgevonden - is om in de slipstream van een gedisciplineerde schrijver kruipen. Een van mijn schrijfvriendinnen is net aan haar tweede boek begonnen. Ik ga haar tempo proberen te volgen om een langer verhaal af te werken. Tot mislukken gedoemd, zij is gepensioneerd dus heeft zeeën van tijd. * Een streepje Sartre ter inspiratie? Seuls les actes décident de ce qu'on a voulu. * ‘The line’ vind ik een van de beste tips die ik ooit gehoord heb, maar ik heb hem ook niet volgehouden. Het komt er op neer dat je het schrijfproces – de lijn – niet onderbreekt. Al doe je je computer maar 10 minuten open om 3 woorden neer te pennen, schrijf élke dag. *** Bestaat er een zelfhulpgroep voor verstrooide mensen?, vroeg je me. Ik heb het even aan Mr Google gevraagd en hij antwoordde van niet. Ik heb wel info gevonden over hoe je zelf een zelfhulpgroep kan opstarten, dan word ik je eerste lid! Ach, is verstrooidheid geen teken van creativiteit? *** Ik ben wel coach maar om je van je chocoladeverslaving af te helpen, is me een brug te ver. Waarom zou ik? Ik kan zelf niet zonder chocolade een en ben helemaal niet gemotiveerd om dit aan te pakken, laat staan dat ik anderen zou willen overtuigen. Wat ik wel probeer,  is zo veel mogelijk voor de ‘goede’ chocolade te kiezen, namelijk de pure vanaf 70% cacao of chocolade met stevia. Zal ik je eens meenemen naar de chocoladebar in Gent? Mmm… *** ‘Mijn bureauschuif puilt stilaan uit van de onafgewerkte verhalen’Je wilde ook graag weten welke verhalen ik zeker wil afwerken. In de eerste plaats een fictieverhaal omdat ik meestal reisverhalen schrijf en dit verhaal tot mijn verbazing eigenlijk veel vlotter uit mijn pen rolt. Jaren geleden ben ik begonnen aan een verhaal over Frida Kahlo, dat moet ook eens afgeraken. En op mijn laatste reis naar Mexico heb ik zo iets wonderlijks meegemaakt tijdens Día de Muertos, dat moet ook echt op papier. Mijn probleem is dat ik goed ben in titels en het verzinnen van het begin en het einde van een verhaal. Maar het eigenlijke verhaal… zucht. Maar… in mijn bureauschuif ligt ook wel een bundeltje met – afgewerkte! – reisverhalen!*** Dit brengt me automatisch naar Mexico met je vraag over San Miguel de Allende en het koloniale huis. Heb je naar De Mol gekeken op tv? Ze hebben een heel stuk van de route van mijn laatste Mexico-reis gevolgd. San Miguel de Allende is een prachtig koloniaal stadje in Centraal-Mexico. Mijn goede vriend Dirk, die al meer dan 20 jaar in Mexico woont, heeft er een winkel geopend en hij woont nu deels daar en deels in zijn schitterende, koloniale huis in Mexico City. Hij is een fabelachtig interieurarchitect, ik vind het telkens een voorrecht om in zijn huis en in zijn gezelschap te mogen vertoeven. Kom, ik neem je even mee naar Mexico City. *** Ik ben het helemaal met je eens over omgaan met verdriet. ‘Dood ben ik pas als jij me bent vergeten’ van Bram Vermeulen zegt het helemaal. Daarom zijn de dodenherdenkingen in Mexico zo mooi, zij geloven oprecht dat hun dierbare overledenen 1 keer per jaar terug naar de aarde keren om bij hun familie te zijn. De familie maakt altaren met hun foto, favoriete voedsel en spullen, ze waken de hele nacht bij het graf op het kerkhof en er is een overvloed aan bloemen, kaarsen, muziek, … *** Ik ben wel een knuffelaar, vooral met mijn zonen, ook al zijn die intussen, 11, 14 en 16. Lang voor ik hen kreeg, verbaasde ik me er al over hoe braaf Mexicaanse kinderen zijn. Op urenlange busreizen zitten ze soms met z’n vieren op een bankje van twee, zonder speelgoed, en ze geven geen kik. Een van de redenen is volgens mij dat ze van kleinsaf gedragen worden en heel veel geknuffeld. Kinderen zijn god in Mexico. De laatste jaren zie ik buggy’s verschijnen en voor het eerst hoorde ik al eens een kleine krijsen, wat ik vroeger nooit heb meegemaakt. In elk geval heb ik mijn kinderen ‘Mexicaans’ opgevoed door hen zo lang mogelijk te dragen (ik was wellicht een van de eerste draagdoekmoeders in Gent) en elke dag te knuffelen. Ik heb erg brave, rustige kinderen gekregen. Ook wel kleine macho’s, moet ik toegeven, dus een Mexicaanse opvoeding heeft toch zijn neveneffecten…   Ik zal er op de Schrijfdag helaas niet bij zijn, Lus. Oprecht jammer, zeker met een ‘thuismatch’ maar volgend weekend doet een van mijn metekindjes haar communie. Dat is op zondag maar mijn broer woont met zijn gezin in Wenen, dus ik vertrek al eerder. Mijn vriend zal er wel zijn, passeer zaterdag zeker eens langs zijn kraampjevan met handgebonden schriften en boekjes, aan de ingang van de bib. Hopelijk kunnen we elkaar op een ander moment in Gent, Dendermonde of ergens tussenin eens ontmoeten? Want dit verhaal is toch nog niet af? Knuffel, Tinetineschrijft@hotmail.com (ik zou er beter ‘tineschrijftsoms’ van maken…) PS Ik ben geen geboren Gentse, maar ja, ik ken de Ledebirds!

Ambrozijn
0 0

De ninja mag mee

Donderdagnacht De bondscoach neuriet een triomfantelijke melodie terwijl hij in zijn tricolore cabriolet over de donkere snelweg rijdt. Vannacht hebben de hoge heren van de voetbalbond zijn contract met twee jaar verlengd tijdens een copieuze maaltijd in het duurste restaurant van het land. Het is een onverwacht teken van vertrouwen en geeft hem de ruggensteun die hij nodig zal hebben wanneer hij over een paar dagen zijn selectie voor het levensbelangrijke toernooi in Rusland zal bekend maken. Hij zweet een beetje en er komt een ongemakkelijk gevoel op in zijn buik. Die Coupe Brésilienne als afsluiter van het diner was een overmoedige keuze. Terwijl de zoetigheid pruttelend begint te gisten in zijn maag, komen ook in zijn hoofd de zorgen bovendrijven. Hij mag dan wel blij zijn met zijn nieuwe contract. Door een groot en luidruchtig gedeelte van de publieke opinie zal het nieuws minder enthousiast onthaald worden. Als Spanjaard is hij nooit populair geweest bij de supporters van de Rode Duivels. De Belgen zijn van nature achterdochtig tegenover elkaar, maar meer nog tegenover buitenlanders. Van zijn vrouw mag hij de commentaren op sociale media niet lezen, maar hij doet het toch. Elke trainer doet dat, gelooft hij. Het is één aspect van het martelaarschap dat bij de job hoort. Het is je plicht de vlaag op te vangen. Je offert je persoonlijke rust op voor de glorie van je club. Of je land. Of, zoals in zijn geval, een ander land dat wil betalen. Daar zullen morgen weer honderden giftige reacties op alluderen: op dat betalen. Dat het toch ongehoord is, één miljoen. Voor een Spaanse toerist die er niets van bakt. Dat de man in de straat het voor een honderdste van dat bedrag twee keer zo goed zou doen. De bondscoach huivert al bij de gedachte aan de verwensingen die hij een paar dagen later ongetwijfeld over zich heen zal krijgen wanneer hij de selectie bekendmaakt. Dan zal hij de man in de straat pas echt op de lange tenen trappen. Hij heeft immers beslist dat de ninja niet meegaat. De ninja is de populairste speler onder de fans. Het is geen slechte voetballer, maar de bondscoach kan hem niet luchten en daar heeft hij goede redenen voor. De ninja komt steevast te laat aan op training, werd al verschillende keren betrapt toen hij in een verborgen hoek van het stadium stiekem stond te roken en heeft de vervelende gewoonte om elke zin die hij uitspreekt met een knallende wind te besluiten. Een gestampte boer. Daar houdt de bondscoach niet van en daarom gaat hij niet mee naar Rusland. De fans zullen woest zijn en hij zou veel krediet winnen door hem wel mee te nemen, maar zijn besluit staat vast. De bondscoach wil geen flatulentie in het team.   Een slokje water en de koele wind over zijn kale schedel verdrijven de misselijkheid. Op de radio begint een nummer van The Clash dat herinneringen oproept aan zijn tijd in Engeland. De bondscoach draait het volume luider. Go straight to hell, boy lipt hij dromerig mee tijdens het refrein. De muziek brengt hem in een meditatieve toestand waaruit hij bruusk wordt weggerukt door het naderende geluid van sirenes. Een combi scheert langs zijn linkerflank. Aan de andere kant wordt hij bijna geramd door een slingerende bestelwagen. Er klinkt een schot. De kogel zoeft net voor zijn neus en boort zich door het raam van de bestelwagen. De coach gaat vol in de remmen. Tientallen dolle politiewagens razen met gierende banden langs weerszijden van zijn gedeukte sportwagen voorbij en rijden zich even verder tegen elkaar te pletter. De bondscoach haalt adem. Hij is ongedeerd. 'There ain't no asylum here. King Solomon, he never lived around here. Go straight to hell boy.' klinkt het net voor hij de contactsleutel omdraait en verbouwereerd uit de wagen stapt.De agent die op hem afkomt trekt grote ogen wanneer hij ziet wie hij voor zich heeft. In Jommekesspaans verontschuldigt hij zich voor de situatie waarin de trainer van de nationale voetbalploeg is terechtgekomen en hij gaat verder in het Vlaams. 'Stel je voor: Frank had je bijna neergeknald. Het scheelde geen haar, maar hij heeft niets geraakt. Dat was ook niet de bedoeling, zegt hij. Het ging per ongeluk. De kogel is zoek. Verdwaald als het ware.' De man is helemaal van de kaart, net als zijn collega's die over de breedte van de rijbaan verspreid staan. Enkele van hen halen een groepje mensen uit de bestelwagen. Het zijn vluchtelingen uit het Midden-Oosten. Plots ontstaat er commotie. Er wordt geroepen en gevochten. Een gepijnigde oerkreet maakt iedereen stil. De bondscoach kijkt naar de bestelwagen en ziet een jonge vrouw met een bloedend kind in de armen. Ze schreeuwt haar onmacht uit. Een agent neemt het kind af. Een andere houdt de huilende vrouw op afstand. De vluchtelingen worden geboeid naar een bestelwagen van de politie overgebracht. In trance gaat de bondscoach dichterbij. De wild om zich heen slaande moeder wordt als laatste in de combi geduwd. Hij ziet nog hoe ze beide armen uitstrekt en hem smekend aankijkt voor de deur met een brutale klap wordt dichtgegooid en de wagen met loeiende sirenes vertrekt. De agent die het kind in de armen houdt, weet zich geen raad meer. Hij geeft het kleine, slappe lijfje door aan de bondscoach. 'Hou jij dit even vast? Ik kan maar beter een ambulance oproepen. Miserie, miserie.' Het is een meisje. Haar kleedje is besmeurd met bloed. De helft van haar gezicht is aan flarden geschoten. Ze maakt geen geluid. Ze ademt niet. De bondscoach omhelst het dode lichaam, drukt het met al zijn kracht tegen zijn borst en laat zich op de knieën vallen. Hij laat zijn tranen de vrije loop, wil schreeuwen, maar er komt geen geluid. Wanneer de ambulance het lijkje komt ophalen is de bondscoach een andere man geworden. Zijn plannen zijn gewijzigd. Zijn missie is bijgesteld.     Maandagmiddag De persconferentie begint met het geruststellen van de journalisten: de ninja gaat mee. Een zucht van opluchting gaat door de kamer. Maar wanneer de bondscoach de andere tweeëntwintig namen opsomt reageert de zaal onthutst. Het zijn een voor een namen die ze nog nooit gehoord hebben. 'Wie? Waar speelt die?' Er ontstaat onrust in de zaal. De journalisten begrijpen er geen snars van, maar dan legt de bondscoach het uit: 'Dit zijn niet de namen van professionele voetballers, maar van mannen die hun land ontvlucht zijn en in het asielcentrum bang wachten op nieuws. Geen van deze spelers heeft op dit moment de Belgische nationaliteit, maar de minister heeft me beloofd dit zo snel mogelijk in orde te brengen, zodat ze samen met jullie geliefde ninja de eer van ons land kunnen verdedigen op het wereldkampioenschap. Ik weet het. Er zullen jongens teleurgesteld zijn. Ik kon kiezen uit honderden fitte gasten die hopen op een kans. De volgende keer neem ik tweeëntwintig andere jongens mee. De ninja zal er dan uiteraard ook weer bij zijn. Die kan ik niet laten vallen. Dames en heren van de pers: ik dank u.' Met een korte knik neemt de bondscoach afscheid. Zonder omkijken verlaat hij de perszaal. De stortvloed aan vragen klinkt als een ver en onbelangrijk geruis.   24-27/05/'18    

tijl
0 0

Penvriendin

Beste Inge,   Nog een laatste spurt. De eindmeet is in zicht. Het doel is bereikt. Acht brieven hebben jij en ik naar elkaar geschreven. Binnen enkele weken volgt de prijsuitreiking. Een beker of trofee verwacht ik niet. Daar heb ik hoegenaamd geen behoefte aan. Het enige wat ik wil is de bestemmeling en ontvanger van mijn brieven ontmoeten en uiteraard ook mijn nog “onbekende collega’s”.   De datum is al geprikt. Het festival van de letteren, ook wel de Schrijfdag, vindt plaats op 2 juni in Bibliotheek De Krook in Gent. De kers op de taart, de architecturale verpakking rond hongerige cursisten op zoek naar inspirerende workshops, schrijfbegeleiding en wisselwerking tussen gelijkgestemden. Spannend, we zullen elkaar daar voor het eerst ontmoeten.   Ik voel aan de toon van je laatste brief dat ik je wat teleurgesteld hebt. “Mea Culpa”. Feedback is inderdaad belangrijk in een creatief proces. Je wil gelezen worden, waardering krijgen. Door te veel hooi op mijn vork, heb ik te weinig aandacht besteed aan de terugkoppeling.   Je weet dat onze coach vanuit Creatief Schrijven, Marc is. Zijn respons op mijn schrijfsels is terecht. Ik zondig aan te lange zinnen. Eigenlijk weet ik het maar al te goed, want in mijn opleiding “commentaarteksten schrijven voor videomontages” verkondigde ik maar al te graag dat de afwisseling tussen korte en lange zinnen, de tekst luchtig houdt en ritme brengt. Ik noemde dat de worst- en gehaktconstructie, een ezelsbruggetje.   Uiteraard schrijf ik graag, anders had ik me niet ingeschreven. Een van de leukste opdrachten vond ik de eerste, een beschrijving van onze leefomgeving geven met nog een paar extra elementen. Het was een hele uitdaging en ook een overwinning om je teksten toe te vertrouwen aan een derde.   Vanaf we meer voeling met elkaar kregen en ontdekten dat er toch wel enkele raakvlakken tussen ons waren, genoot ik meer van het schrijven en vooral van het lezen. Het was net zoals vroeger. Afwachten tot je de klep van de brievenbus hoort dichtklappen. De omslag openscheuren om dan in een verdoken hoekje de brief te lezen.   Wat we zeker gemeen hebben is dat we liever onze gedachten toevertrouwen aan het papier. Zelf ben ik ook geen grote prater en in een groep zal ik al snel naar de achtergrond verdwijnen. Ik heb er aan proberen werken en gedeeltelijk is dat wel gelukt. Zoals Inge het zo mooi heeft verwoord, mijn rugzak loopt ook niet over van zelfvertrouwen. Verbaal communiceren is een aandachtspunt. In een gesprek komen mijn woorden vaak harder aan dan bedoeld. Ik gruwel van mensen die eindeloos kunnen converseren zonder een boodschap.   Wat mij ook stoort zijn mensen die beweren spiritueel te zijn, maar gefrustreerd blijven rondlopen omdat ze niet kunnen relativeren. Dingen gebeuren om een reden. Ik ben niet zweverig, maar ik geloof net als jou Inge, dat er hogere krachten zijn. Soms geven deze een teken. Als ik een parkeerplaats nodig heb, dan vraag ik aan mijn gids om er al eentje te reserveren ;-) Meestal lukt dat wel. Ik hou er dan ook aan hem daarna te bedanken.   Het feit dat ik geen kinderen heb, kan ik in dezelfde context plaatsen. Lange tijd was ik boos op mezelf, op anderen die naar mijn mening niet goed genoeg voor hun kinderen zorgden, op de wereld. Nu heb ik dat een plaats gegevens. Eerlijk gezegd, ik snak nu naar rust. De kinderen van mijn broer komen soms op bezoek. De oudste is zestien, de jongste vijf. Een super lief kind, maar vooral wat overenthousiast. Genieten doe ik met volle teugen als ze er is, maar nog meer geniet ik van de rust in huis als “mijn klein patéke” terug naar huis is. Over eten gesproken. Ik eet ondertussen al meer dan een yoghurt als ontbijt en een appel als lunch, met de extra kilo’s tot gevolg. Verwacht zaterdag dus geen bonenstaak. Voor alle zekerheid zal ik een foto meebrengen. Ik zal uitkijken naar dat bang wezeltje, dat spichtig uit haar oogjes kijkt.   Tot zaterdag, Liefs, Fabienne, uw inmiddels meer bekende

Elise Legrande
0 0

Fatal Error: Call to undefined function: hateProgrammers();

Mensen hebben een hekel aan programmeurs. ‘Programmeurs’, vraag je misschien, wat zijn dat? Programmeurs zijn degenen die bandjes en toneelgezelschappen boeken door ze op het ‘programma’ te zetten. Er zijn ook programmeurs die computers vertellen wat ze moeten doen; ze maken ‘software’. Over die tweede categorie wil ik het hebben.   De softwareprogrammeur is een variant van de menselijke soort die rond de jaren vijftig ontstond, decennia niet werd opgemerkt en nauwelijks enige status had, maar sinds de intrede van de personal computer in ons dagelijks leven en de komst van internet enorm belangrijk is geworden. Wat een langdradige zin, denk je. Inderdaad, ik moet me verontschuldigen. Word niet meteen boos vanuit de verwachting dat dit een verhaal wordt over iemand met wie je je niet kan identificeren. Dit is juist het punt dat ik onder de aandacht breng, de programmeur roept een afwerende reactie op. Maar oppervlakkig beschouwd is daar geen reden voor. Kom je in het voorbijgaan op straat een software programmeur tegen, of zit er een naast je in een wachtkamer, dan is er niets aan de hand. Fysiek zijn programmeurs ongevaarlijk. Meestal zijn ze niet indrukwekkend; ze zijn klein, mager of juist dik. Ze krijgen onmiddellijk een verklaring van goed gedrag. Programmeurs met een strafblad zijn zeldzaam, en als ze dat al hebben, zijn ze de bak in gedraaid vanwege een hack bij een bank, en zeker niet vanwege een roofmoord. Ook op feestjes zal de software programmeur geen ergernis opwekken. In tegendeel, hij vormt een welkom contrast met de extraverte alfa-mannetjes. Omdat programmeurs geen succes bij de vrouwen hebben, zoeken ze elkaar op om over het nieuwste software framework te praten, of de voor- en nadelen van de ene computertaal met de andere te vergelijken. Mocht een programmeur wel een vriendin hebben, dan is hij daar zo opgelucht over dat hij niet met andere vrouwen flirt, uit angst zijn kostbare schat voor het hoofd te stoten. De programmeur schittert in zijn bijdrage aan de economische groei. Als er één soort mens is dat zijn arbeidsloon dubbel en dwars terugverdient, is hij het wel. De programmeur maakt hordes werknemers overbodig, zodat het bespaarde salaris van de uitgestotenen weer ten goede komt aan het bedrijf waarvoor hij zijn kunsten verricht. Nu komen we dan toch bij het heikele punt waar ik op aanstuur. Mensen hebben een hekel aan programmeurs. Ik herhaal het nog maar even. Dan weet je zeker dat je het goed hebt gelezen. Aan wie heb jij een hekel? Waarschijnlijk haat je de politieagent die je bekeurt omdat je verkeerd geparkeerd staat en die niet luistert naar je tegenwerping dat er nergens in deze wijk voldoende parkeerruimte is, dat de gemeente rekening moet houden met de bewoners, dat… enz. Nee, niks mee te maken, de agent geeft je een bon en wenst je daarna nog een prettige dag. Vooral dat laatste; om uit je vel te springen. Wat denkt zo’n kerel. Dat je dag nog prettig kan zijn? Om dezelfde reden hebben mensen een hekel aan software programmeurs. Niet hun fysieke gestalte is daarvan de oorzaak, niet hun gedrag in het dagelijks leven of op feestjes, nee, het is de macht die de programmeur via zijn kunsten uitoefent, en die jou, normaal mens, je onvermogen doet beseffen. Zodra je op je werk komt en je de computer aanzet, begint de ellende. Het is alsof je door een doolhof van benauwde straatjes met rare hoekjes en doodlopende steegjes ploegt, door een netwerk van mijngangen en kloven dat de programmeurs voor je hebben bedacht. Elke zoveel minuten zoek je naar de volgende afslag, moet je je weer terug-klikken op je schreden of rondvragen op Google, hopend op antwoord van een andere, tijdelijk verlichte, medegebruiker. De vorige keer kwam je er nog, en nu wil dat ene weggetje, die ene combinatie die de deur opent, je niet meer te binnenschieten. Ondertussen draait je horloge door. Elke dag begeef je je opnieuw in dat digitale doolhof en de dood komt steeds dichterbij. Het zandlopertje dat je vertelt dat de computer het moeilijk heeft, omdat de programmeur hem teveel werk geeft, benadrukt dat nog eens. Telkens raak je stukjes van je leven kwijt die anders besteed veel zinvoller waren geweest. En opeens zijn dan onverhoeds de schermen veranderd, omdat een of andere programmeur aan de andere kant van de wereld het tijd vond voor een ‘update’. Zodra die update de computers bereikt, verliest de wereld tienduizenden mensuren aan gezoek naar de knop om een woord cursief te maken. De computer zuigt je leven op. Neem dat maar letterlijk.   De software programmeurs hebben zich de afgelopen jaren als insecten vermenigvuldigd, en vormen inmiddels een plaag die de samenleving van binnenuit leegvreet. Straks hebben alleen programmeurs nog een baan, en staan de niet-programmeurs toe te kijken hoe de programmeurs de maatschappij overnemen. De haat is wederzijds; de programmeur heeft ook aan zijn prooi, de gebruiker, een hekel, maar dan vaak onbewust. Van jongs af aan als sukkelige nerd genegeerd door meisjes, in wandrek en klimtouwen door gymleraren gemarteld en altijd als laatste gekozen bij teamsporten, neemt de programmeur nu wraak. Geen wraak wordt zo koud gegeten, en zo langdurig genoten als de wraak van de nerd. Er zijn films over gemaakt die uitgebreid uit de doeken doen hoe het lelijke eendje in een zwaan verandert. De nerd trekt heden ten dage aan het langste eind, omdat hij een nieuw stadium in de evolutie vormt; de afronding van het Darwinistische project; de complete overwinning van het intellect op de spierkracht. Toch heeft de ‘broeifase’, zo noemen we het maar even, – de ellendige periode tussen kindertijd en volwassenheid -, onze nerd zo onzeker gemaakt dat dit motief zijn verdere leven volledig beheerst. Eenmaal tot programmeur verpopt, is de oorspronkelijke nerdlarve nog volop aanwezig. Inmiddels gepanserd met een ondoordringbare maliënkolder van variabelen, classes, multidimensionale arrays, booleans, if-elsen, while-loops, for-loops en encapsulated strings, injecteert de programmeur zijn slachtoffers met een verlammend gif, genaamd: ‘onbegrip’. Zijn slachtoffers – de directe slachtoffers noemt de programmeur ‘klanten’ -, hakkelen tegen de programmeur hun ideeën. Hij komt mondjesmaat tegemoet aan die wensen die hij ‘user stories’ noemt, want gewoon Nederlands verstaat en schrijft de programmeur nog slechts met moeite. Onderwijl spint hij de klant in in een web van programmeercode waaruit niet meer te ontsnappen valt. Hij is uiteindelijk de enige die de software begrijpt waar de klant volledig van afhankelijk is. Tot het uiterste getergd zoekt de klant soms zijn heil bij een concurrerende programmeur. Die doet het werk van zijn concurrent onmiddellijk af als rotzooi, en dwingt de klant opnieuw te beginnen met een systeem dat zo mogelijk uit nog meer spaghetti bestaat dan dat van zijn voorganger. Tijdens dit uitmelkproces is de programmeur zelf niet onkwetsbaar. Ook wespen die hun eieren in een spin leggen komen er niet vanaf zonder vleugelscheuren. Soms laat de programmeur een steek vallen. Een geniepig regeltje code gaat dwarsliggen en opeens is er een complete database in het niets opgelost, liggen er duizenden privégegevens voor het grijpen, kan niemand meer inloggen of wordt er een miljoen op willekeurige bankrekeningen gestort. Op zo’n moment heeft de programmeur hartkloppingen en staat de doodsangst op zijn gezicht. Zodra hij zijn fout in de gaten krijgt, begint hij met het verzinnen van een alibi. Omdat niemand anders begrijpt wat het probleem heeft veroorzaakt, komt de programmeur er eenvoudig mee weg. Dagenlang ligt een bedrijfsnetwerk plat door een foute doorverwijzing, een raket ontploft omdat een nul eigenlijk een één had moeten zijn, maar niemand sleept de programmeur voor de rechter. Een bankmedewerker die miljoenen verliest staat een wreder lot te wachten dan de programmeur die gelijke schade veroorzaakt.   Je zal gemerkt hebben dat ik tot nog toe over de programmeur in de ‘hij’-vorm heb gesproken. Maar er zijn toch ook vrouwelijke programmeurs, merk je op. In zo’n geëmancipeerde samenleving als de onze kan het niet anders dan dat ook veel vrouwen dit ‘eerzame’ beroep uitoefenen. Ik moet je helaas teleurstellen. Vrouwen voelen zich niet aangetrokken tot dit vak. Het oplossen van logische problemen ervaart de mannelijke programmeur als de ultieme uitdaging, maar fascinatie met logica is niet het ding van vrouwen; misschien bestaat dit idee zelfs niet voor hen. Ga eens op een afdeling met programmeurs kijken, en je hoort enkel het geklak van toetsenborden. Maar steek je hoofd om de hoek van de kamer ernaast, waar de secretaresses zich ophouden; het gekwetter van een volière valt erbij vergeleken in het niet. Over groepsgedrag gesproken; ik wekte de indruk dat de programmeur een individualist is die altijd solitair zijn ding doet. Dat geldt voor de oudere programmeurs, maar niet voor de jonkies. Veel bedrijven houden er nesten jonge programmeurs op na, die zoet worden gehouden met bedrijfslunches, laptops van de zaak, leaseauto’s en veel schermen op hun bureau. De sfeer van een cultus wordt zorgvuldig gekoesterd (‘hier werken wij met de coolste nieuwe technieken’), zodat de programmeurs worden bevestigd in het idee dat ze helemaal hip en stoer zijn. Dankzij deze hersenspoeling is hun geest volledig bedrijfsbezit en wordt met hun software flinke winst gemaakt. Is de programmeur uiteindelijk, na een lang uitgerekte adolescentiefase, toch volwassen geworden (rond het 45ste levensjaar), dan past hij niet meer in dit soort nesten. De programmeur heeft het niet meer kunnen bijhouden, al die coole nieuwe technieken, en wordt dagelijks bedreigd door jonge mannetjes die zijn alfa-positie als ‘senior’ proberen weg te snaaien. Net als oude gorilla’s verlaat hij zijn roedel om de rest van zijn leven als free-lancer solitair zwervend door te brengen. Het samenleven is onmogelijk geworden met de jonge honden die op de meest kinderachtige manieren naar de nesten werden gelokt middels vacatures als: Dagelijks verzorgde rijk uitgeruste gezamenlijke lunch met vers brood, beleg en diverse salades. Sportieve buitenactiviteiten en een wekelijkse borrel! Onze in-huis BierBot zorgt dat we dit nooit vergeten! Is coderen jouw middle name? Heb jij een passie voor innovatie? Wij zijn op zoek naar een Absolute ontwikkel eindbaas! Wil jij hier deel van uitmaken? Grijp nu je kans! De hoeveelheid uitroeptekens in programmeur-vacatures spreekt boekdelen. Daar wil jij ook bijhoren!   Ja, bijzonder zijn ze, die software-programmeurs. Als een geruisloze invasie van buitenaardse wezens, zo hebben ze zich onder ons begeven, en ontplooien ze nu hun schimmige activiteiten, met als doel de wereld voor de aardbewoners permanent onbewoonbaar te maken.

Vincent Baumgart
33 0

De engel en het meisje

        Een engel heeft je uit de hemel geplukt. Je was trilling, louter klank. In de kom van zijn handen warmde de engel je op en brak je open. Eeuwenlang lag je klank te zijn in de grote stilte. Tot er een god voorbij kwam die het licht in je aanstak. Twee anderen waren dagenlang in de weer daarrond alle delen van je lichaam aan te brengen. Uiteindelijk wikkelden ze alles zorgvuldig in je natte huid. Het licht begon te glanzen in je ogen, je huid trilde. Bijna was je klaar. God riep je bij zich en fluisterde je iets in. Je fronste. Hij knipoogde: ga nu maar. Zo ga je. Net voor de poort was de engel er weer, hij legde zacht een vinger op je lippen. Stil nu maar.                   Ze wil niet. ‘Laat haar nog even’, zeg ik, ‘geef haar nog wat tijd om zich voor te bereiden’. ‘Nee’, antwoord je, ‘je moet haar een duw geven, het zal haar anders niet lukken en we hebben niet eindeloos de tijd: er zijn er nog die klaar staan om geboren te worden’. Ik zucht, het doet pijn aan m’n hart haar te laten gaan. Geruisloos leg ik m’n hand op haar schouder. Ze sputtert niet tegen, haar gezicht ontspant in een glimlach, alsof ze erop aan het wachten was. Ik weet nu al dat ze me nodig zal hebben daar beneden, ze zal zich pijn doen, zo gaat dat met dit soort. En ik zal machteloos toekijken, zo is nu eenmaal het lot van ons engelen. ‘Nog even en dan ga je, meisje’, ik bereid me voor op het duwtje, ze glimlacht nog steeds, ‘insj’allah’, prevel ik en jij kijkt me aan met een brede grijns. Ik geef haar een duw, zij volgt, gewillig, het hoofd opgeheven. Jij houdt haar nog even tegen, kijkt haar één ogenblik doordringend aan en drukt je vinger op haar lippen. Ze begrijpt het. Net voor een mens geboren wordt, leggen we hem het zwijgen op, hij moet alles vergeten voor hij op de aarde komt, hoe kan hij anders ooit geloven? Ze is een tikje roekeloos in de keuze van haar ouders, lang denkt ze niet na, alsof ze al het getalm van daarnet wil goedmaken. Het is een jong koppel, nog niet zolang geleden getrouwd in ribfluweel, niet eens een kleedje, niet eens een ruiker. Haar moeder komt uit een beenhouwersgezin. Met 5 kinderen woonden ze achter en boven de winkel, een rijhuis aan een steenweg net buiten de stad. Om te spelen moest ze onder tafel kruipen. Ze heeft altijd het bed gedeeld met haar jongste zus. Plek om te studeren was er niet in huis, maar ze deed het toch. Op het trouwfeest aten de gasten koude schotel met vlees van de beenhouwerij. Zelf was haar moeder vegetariër, niet omdat ze daar veel over had nagedacht, ze had als klein meisje een afschuw gekregen van het vlees dat ze te zien en te eten kreeg. Er was daar nooit veel over gesproken bij haar thuis, de dingen werden in stilte gezegd, met af en toe een extra bord karnemelkpap. Dat was anders bij haar vader thuis, daar waren woorden het uitgelezen middel om de wereld te veranderen. Haar oma zat in het bestuur van KAV, Ziekenzorg en de parochie, haar grootvader had een grote moestuin met andijvie, tomaten en de grootste stekelbessen van het land, hij maakte kombucha toen iedereen dat nog vies vond, hield bijen en was actief bij Velt, de vereniging voor ecologisch leven en telen. Hij was voor velen een voorbeeld, maar in huis regeerde hij met ijzeren hand, hij sloeg zijn kinderen.   ‘Wat heeft dat er nu mee te maken? Ga je nu weer de psycholoog spelen?’ Ik schud mijn hoofd. Jou kan dat niet zoveel schelen, dat weet ik, maar ik krimp ineen bij elke slag. Zulke wonden hebben eeuwen nodig om te genezen.   Op een koude en grijze winterdag worden deze twee mensen de ouders van een klein zwartharig meisje. ‘We zeggen JA tegen het leven’ stempelen ze met de letters van een stempeldoos, alsof ze haar er nog van willen overtuigen dat ze de wereld in moet. Op de voorkant van het geboortekaartje komt een bloem. Het is een gestileerde bloem, eentje zonder naam. Wanneer haar moeder enkele maanden later stopt met borstvoeding organiseert ze haar eerste protestactie: ze staat vol met rode vlekken, het is geen zicht. ‘Eczema’ is de naam van één van haar verzetsvormen tegen de vele indrukken van de wereld. Maar ze koos een lieve moeke, met een mooie stem. In het begin hebben woorden geen betekenis, het zijn louter klanken. Haar moeke omringt haar met zachte klanken, het meisje zuigt die allemaal gretig in zich op. Haar moeke leest voor. Ik kijk over hun schouders mee, stiekem, want ik weet dat jij je daaraan zou ergeren. Ze lezen ‘Kleine Koen in de tuin’. Prachtig vindt ze het, alsmaar opnieuw wil ze het horen. In de tuin van kleine Koen dragen de erwtenmeisjes hun kindertjes in een peul op hun rug, vrouw Appel speelt op haar luit zittend op een tak in de appelboom, op een heuvel woont de wilde aardbeifamilie, September zingt er zijn lied voor vrouw Aster en vrouw Dahlia en alle andere bloemen. Het kleine meisje maakt ook vrienden in de tuin, ze verzint ze en geeft ze namen, ze heten Ilda en Olda, samen krijgen ze een kind Odrata, later zal ook nog Ekstra geboren worden. Ik moet lachen als ik haar vol overtuiging de naam van de verzonnen boorling hoor uitspreken, jij schudt je hoofd, een meisje dat bezoekjes brengt aan haar zelf verzonnen vrienden in de tuin, wat moet daarvan worden? Maar ik ben het niet met je eens, die verzonnen vrienden helpen haar evenveel, ja zelfs meer dan wij kunnen doen. Wij kijken maar toe, zij delen met haar hun leven, leiden haar de tuin in. Zoals het dreumesje in een van de gedichten die haar moeke zo vaak las. ‘Dreumesje dribbelt door het tuintje, tot ver aan het hek in de heg. Daar staat hij te reiken te reiken, om over de spijltjes te kijken’. Het meisje kijkt met grote ogen naar de wereld, op de foto’s van die tijd zie je haar vaak met de blik in de verte, of naar de wolken. ‘Want achter het hek ligt een weitje en achter het weitje een rij van bloeiende bloeiende bomen’. In de tuin bij het baksteenrode huurhuis aan de steenweg is een bloemperkje met bloeiende stuikheide en daarachter een sparrenbos. ‘En wat daarachter nog zal komen? De hemel denkt dreumesje blij’. Ook zij is er dan nog gerust in. Meer en meer woorden sijpelen haar wereld binnen, ze drinkt ze op. Woorden kan je proeven, er zijn van die zinnen die je een lekkere smaak in je mond bezorgen terwijl je ze leest. Haar moeke werkt in de bibliotheek, ze houdt van boeken zonder ze te lezen. Het meisje leert lezen als vanzelf, daar in de bibliotheek staan zoveel boeken te popelen. Ze plukt bosbessen met de kinderen van Bolderburen tot haar vingers er paars van zijn, bakt pannenkoeken in Villa Kakelbont, laat haar lentekreet door de bossen klinken samen met Ronja de Roversdochter. Ze wordt stapelverliefd op Ridder Tiuri en nog meer op zijn maatje Piak. Ze ontpopt zich tot Gods Vlindertje en trekt met een huifkar door Frankrijk om muziek en troost te brengen in dorpen en kastelen. Met een papieren kleedje wordt ze door een boze stiefmoeder de sneeuw in gestuurd met een stuk oud brood en een mandje, want ze moet aardbeien gaan plukken. Maar ze deelt haar brood met een dwerg en die weet aardbeien voor haar te vinden. Ze past een nieuwe groene jurk net als Laura uit het kleine huis op de prairie, maar heeft jammer genoeg niet het koperkleurig haar dat daar zo mooi bij is. Jij zou ongeduldig van haar worden, ‘wat een dromertje’ zou je zeggen, ‘daar heeft de wereld niet veel aan’. Maar ik kan het niet laten haar van nabij te volgen. Toegegeven, je moet er je tijd voor nemen, op het eerste zicht is het gewoon een meisje dat wat tekent en knutselt en in fantasiespel is verwikkeld, als ze tenminste niet met haar neus in de boeken zit. Ze verhuizen. Hun nieuwe huis is gemaakt van beton, ijzer en steen. De tuin rekt zich uit tot aan de rij populieren. De linde en de notelaar staan er nog te wennen aan hun nieuwe plek. In een hoek groef haar vader een kuip als een soort vijvertje, daarnaast groeit nu gele lis, net als op de poster boven haar bed. De struiken hebben zich nog niet verenigd. De vlier is de enige die er al was, de anderen zoeken het nog uit. Vlierbessen eet je beter niet rauw. Boerenjasmijn geurt zoet, ribes stinkt naar kattenpis. De muren van de hangar die er vroeger stond zijn nu tuinmuren geworden, de klimop baant zijn weg naar boven. En al doet die hard zijn best, er zijn nog veel lege plekken. De drie kinderen hebben een doos met gekleurd krijt gekregen. Ze tekenen op de muur. Kleine broer stopt er al snel mee, hij verandert liever het houten speeltuig in een machine. Iedereen vindt hem schattig, die kleine ingenieur met z’n blonde krullen. Haar zusje is ook klaar met tekenen, ze zit op de schommel en zingt een liedje voor zich uit. Zie eens hoe ons meisje opgaat in haar werk. Het krijt wordt snel kleiner, met een klein stompje tekenen is moeilijk en de muur is ruw, ze doet de knokkels van haar vingers pijn, maar dat vindt ze niet erg. Op de tuinmuur verschijnt een huis, haar eigen huis. Het heeft een art déco-gevel met veel bogen en krullen, bovenaan in het midden is een rond raampje, op de eerste verdieping een terras met smeedwerk. Het is klein, er groeien rozen tegen de gevel, zonnebloemen naast de deur en de deur staat open. Voor ze verhuisden naar het nieuwbouwhuis woonden ze enkele jaren in de Rozenlaan, zo heette hun wijk. Vanuit een kantoor in de grote stad schikte iemand er de huizen als identieke blokjes naast en tegen elkaar. Maar de deuren stonden er vaak open, kinderen liepen er bij elkaar binnen. Daar woonde de tweeling Nancy en Veronique die zelf al een spiegelei kon bakken, daar zaten ze samen naar televisie te kijken -zwart-wit was toen genoeg, ze hadden nog een hoofd vol kleuren-,  daar in de kleine tuin voor het huis peulden ze emmers vol erwten uit de volkstuin van haar vader, durfden ze niet praten met de stoere jongens van de buren, trokken naar het biezenveldje om bloemenkronen te vlechten en leerden er fietsen op straat, want auto’s kwamen er nauwelijks. Nu wonen ze tussen twee dorpen aan een gevaarlijke grote baan, het fietspad is aan de overkant. Ze rijden met de fiets naar school. Maar tot ze 12 zijn mogen ze niet alleen oversteken. ‘Is ze nu nog steeds aan het tekenen?’ Wat ben jij ongeduldig. Maar wees gerust, het krijt is bijna op. Het interesseert je vast meer wat ze er op school van terecht brengt. Ze draagt de ribfluwelen broeken uit de fabriek waar haar grootvader werkt, of een schots rokje dat nog van haar nichtje was. Mooi zijn is iets voor in de boeken, of voor andere kinderen. De banken in de klas van het meisje staan in een U, vooraan in de bank is een gleuf, daarin ligt haar vulpen, naast die gleuf is een gat, dat is van toen de inkt nog uit een inktpot kwam, toen schreven ze met een ganzenveer. Nu moet je je pen niet in de inkt doppen, maar af en toe de vulling vervangen. Sommige andere meisjes van de klas, bewaren in één vulling de ‘bolletjes’ van de gebruikte vullingen, dat zijn de dekseltjes die je naar binnen prikt als je een nieuwe vulling begint, zij doet dat niet, ze schenkt haar bolletjes aan anderen. Daar zit ze, zie je haar? Aan het venster, derde van rechts. De juf stelt net een vraag , de vingers van wel tien kinderen gaan omhoog, ‘juf, juf, juf’ smeken ze. Zij bijt op haar lip, kijkt naar haar pen in de gleuf en denkt: ik wou dat ik niet hoefde te spreken, dan schreef ik alleen nog maar briefjes en hoefde ik niet de aandacht te trekken. Er was eens een land waar iedereen altijd sprak. Praten was er de manier om te laten horen dat je bestond. Enkel ’s nachts viel de stilte even. En dan nog waren er altijd die prevelden in hun slaap. In dat land woonde ook een kind dat luisterde en keek en maar heel weinig gezegd kreeg. Op een dag stond het besluit van het kind vast: ze zou enkel nog schrijven. Ze schreef aan haar moeder in haar mooiste handschrift, aan haar broer op kleine briefjes of hij mee wou komen spelen. Ze schreef aan de juf wat het ware antwoord was op haar vraag, ze schreef aan de buurman dat de merels een nest hadden gebouwd in de hazelaar in zijn tuin, aan de vrouw van de bakker dat de hemel vanochtend eindeloos blauw was en dat ze een brood wou met zonnebloempitten. En telkens werd het even stil: de mensen lazen en glimlachten. ‘Ach wat, wie zou haar nu willen lezen?’ Je schudt je hoofd.  ‘Stop nu toch eens met haar zo te volgen, dat kind moet leren wat belangrijk is in de wereld, anders haalt ze het niet, hoe kan ze ooit enige vechtlust ontwikkelen, en geloof me, die is nodig daar beneden, al weet ik dat jij daartegen bent’. Je hebt gelijk, ik blijf maar vasthouden aan de gedachte dat de mensen beter wat meer zonnebloemen zouden zaaien en gedichten lezen, in plaats van elkaar en zichzelf altijd maar voorbij te hollen, die druktemakers. Moet ik dan ophouden mijn hoop in haar te stellen?  Er is alleen nog maar grijs, de dagen klitten aan elkaar. Diep vanbinnen klinkt nog wat muziek, er is nauwelijks iemand die het hoort. Ze staat in een kring met meisjes van haar klas, ze praten over kleren en jongens. De speelplaats is een vlakte van vierkante stoeptegels, daarop zijn met witte verf twee voetbalvelden geschilderd, daarbinnen spelen de jongens. Er zijn een drietal banken, die zijn altijd bezet. Lezen mag niet op de speelplaats. Ze is al blij dat ze bij dat groepje mag staan, ze heeft nooit iets te zeggen. Stomverbaasd is ze als ze op haar verjaardag kaartjes voor haar schrijven en samenleggen voor een cadeautje, het is een ring met een blauwe steen en een zeemonster zoals die rondzwommen in de verre zeeën toen de cartografen nog maar net begonnen waren de wereld te tekenen. Ze begrijpt er niets van. Alleen op haar kamer speelt ze blokfluit alsof haar leven ervan afhangt. Niemand weet dat zo’n fluitje van niks ook kan zuchten en fladderen, smeken en verlangen. Was ze maar muzikant geworden. Maar haar zus heeft betere punten voor notenleer en die zit uren en uren te repeteren op haar gitaar, doet mee aan wedstrijden. Zij repeteert te weinig, vergist zich altijd bij het tellen. Ze trilt zo mee met de klank dat ze vergeet op tijd de volgende te spelen. Dat is niet wat er staat, meisje.  Ze vergeet op het blaadje van een overhoring haar naam te schrijven, in vele gevallen verschijnt er dan een groot rood vraagteken en als je pech hebt wordt er ook nog een punt afgetrokken. Maar de leerkracht Grieks, een vriendelijke man met een bril, schrijft met inkt in zijn regelmatige handschrift op het daartoe voorziene lijntje: ‘First female member of the Dead Poets Society’. Haar vader zit achter zijn bureau verdiept in één van zijn grote engagementen, hij ziet niets. Haar moeder is bang, zij zegt niets. Daar in dat huis langs de steenweg zijn de dingen vanzelfsprekend. Een goed rapport hebben, helpen in het huishouden, elke maand op familiebezoek gaan, de wereld proberen redden. Vanbuiten is ze gewoon een verlegen meisje, vanbinnen groeit een zwart en bodemloos gat. Ze luistert liever naar Bach dan naar Studio Brussel, gaat liever op haar eentje wandelen dan naar een fuif. Ze doet allerlei verwoede pogingen om een normaal mens te worden: op zondagochtend naar de Afrekening luisteren, zich inschrijven in een groep meisjesscouts, maar het helpt niet, het lukt niet. De dagen in haar schoolagenda staan vol lessen en huiswerk, tussendoor komt ze naar beneden, ze kijkt naar het nieuws, vlucht naar boven zodat niemand haar tranen kan zien. Ze wil graag iets zeggen, vindt geen woorden, en er is toch niemand die luistert. Als er dan al eens even iets mag, krijgt ze als commentaar ‘te poëtisch en te vaag, niet 100% wat ik vraag’. Want het moest een verhandeling zijn, geen verhaal. Jij grinnikt. Ik durf niet meer te kijken. De brug bestaat uit lange lijnen die reiken tot boven, naarmate je boven komt, zie je dat ze verder reiken, ze krommen zich tot de andere kant, waar de straat in een straatdorp verandert. Dat weet ik, want je ziet het niet, daarvoor is er teveel mist. Naast het fietspad is een pechstrook, daarnaast twee brede rijstroken. Aan de andere kant een smal verhoogd voetpad en de reling. Daar beneden ligt de vaart. Er vaart geen boot op de vaart en er dobberen ook geen eenden. De ochtend dempt alle geluid, je ziet niet waar de lucht eindigt, niet waar het water begint. Alles gaat in alles over. Een meisjessilhouet op een donkergrijze damesfiets beweegt de brug op, ze gebruikt de versnellingen niet want die trappen door. Boven staat ze stil. Haar wimpers zijn nat van de vochtige lucht, ze spert haar ogen wijd open en kijkt naar beneden. Nu beweegt niets meer. Ze houdt haar adem in. De lucht zal bewegen, er zal een rimpeling zijn en die zal uitdeinen tot ook haar silhouet zal zijn opgelost, en zij zal zijn veranderd in alleen maar stilte. Maar net voor dat moment breekt het zonlicht door de mist, de mist wordt van goud, het goud raakt haar huid. Ze ademt diep in, schudt haar hoofd en stapt terug op de fiets. Als ze even later met het brood in haar fietstas terug de brug op rijdt, is de mist verdwenen. De ochtendzon voelen op je huid, kan jij je dat inbeelden? Ik hoorde eens iemand de zon aanprijzen als beste minnaar ooit. Oei. Je snuift minachtend en verdwijnt zonder me nog een blik te gunnen. Ik had nog willen zeggen dat ik eigenlijk ook graag zou te weten komen hoe de liefde voelt.   Met de liefde is het net als met mooie kleedjes, het is iets voor de anderen. Hier en daar merkt ze wel een jongen op met zachte ogen. Maar het is te vroeg. De jongens dragen stoere harnassen en om haar heen is de mist nog dicht. Ze wil trouwens helemaal geen ridder en ze verlangt er ook niet naar om een prinses te zijn. Wat dan? In vervlogen tijden zou ze in de keuken gewerkt hebben van een klooster, ze zou er brood hebben gebakken en voor de kruiden zorgen in de tuin, zij is het die de gerechten versiert met paarse viooltjes en zevenblad. En als ze even tijd heeft, glipt ze naar de bibliotheek en verdiept zich in de boeken en oude manuscripten, ze schrijft briefjes en verstopt die tussen de bladzijden voor de man in wiens ogen de hemel zichtbaar is. Het klooster heeft een grote oude tuin, de linde staat in bloei. Daar zouden ze afspreken. In de laatste jaren van de middelbare school zie je haar steeds vaker met een groepje jongens in gesprek. Ze hebben elkaar gevonden dankzij een taak voor Nederlands over Kafka. Maar het is toch vooral de leraar Frans door wie ze zich bereidwillig in de war laten brengen, een groot deel van de klas beschouwt hem als een gefrustreerde pessimist, zij laven zich aan zijn lessen. Hij is een tengere man met smalle handen. Als hij met krijt op het bord schrijft zijn de letters doorschijnend. Maar hij spreekt alsof hij duizend levens heeft geleefd . en misschien is dat ook wel zo, ik zou het eens kunnen opzoeken. ‘Le pari’ lees ik in de linkerbovenhoek van het bord, de letters zijn ijl. Ze lezen een uittreksel uit ‘Pensées’ van Pascal. Ze tekent de twee bergen na die de leraar heeft getekend, die staan voor twee werelden. Aan de ene kant bevindt zich de microkosmos, het rijk van het onzichtbaar kleine, aan de andere kant is de macrokosmos, het oneindig grote universum. Er ligt een plank die de beide bergtoppen verbindt, daarop balanceert de mens. Hij is ofwel de olifant in de porseleinwinkel, ofwel de speld in de hooiberg, maar nergens is hij thuis. En past hij niet op dan valt hij in de afgrond tussen beide werelden. Ze ademt opgelucht, dit biedt tenminste enige houvast. ‘Houvast?!’ Je hoongelach klinkt luider dan ooit, ‘het is pure inbeelding van dat kind!’ ‘Ja inderdaad, maar daar is ze wel goed in, ondanks al jouw lobbywerk’. Je ogen bliksemen. ‘En jij dan?’ grom je. Ik schud mijn hoofd. ‘Ik bescherm haar niet, hoe zou ik dat kunnen? Dat ik haar van zo nabij volg, is mijn zaak. En laat me nu met rust.’ Er is een oudleerlingenavond op school, ze ruimt de glazen af en luistert even mee naar het gesprek aan tafel bij de lerares geschiedenis. Een jongen met blauwe ogen kijkt haar aan en glimlacht. Kom je er even bijzitten? Ze gebaart naar de plateau vol glazen en keert terug naar de afwas. Er is veel afwas, ze ziet hem niet meer terug. Een tijdlang hoopt ze nog voortdurend hem tegen te komen: in de bibliotheek, aan het station, op straat. Het duurt maanden voor ze stopt met hopen. Ze blijft verlangen. Haar Franse lief verschijnt pas een jaar later op het toneel. Groene ogen, een brede glimlach, 10 jaar ouder, in elk oor een ring. Hij durft haar hand nemen en ze trekt niet terug. Zijn stem is altijd hees en opgewekt, maar hij kan ook prachtig zwijgen. Als ze wandelen zeggen ze niet veel. In het Frans kent ze de namen van de vogels niet, dus wijst ze hen aan en fluistert. Hij herhaalt ze één voor één, als een kind dat voor het eerst een woord uitspreekt. Fuut. Zwaan. Blauwe reiger. Pimpelmees. Ze wandelen veel, vaak ’s avonds als de zon aan het ondergaan is. Of ’s nachts als de maan er is. Zoals nu. Het eerste jaar na hun ontmoeting overwintert hij in een zomerhuisje in haar mistige land. Ze hebben gekookt in de keuken in het schuurtje waar het berenkoud is, maar gegeten in de chalet bij de warmte en de rook van de kachel, die heeft hij enkele maanden geleden zelf geïnstalleerd. Het is een heldere winternacht, de maan is vol en het heeft gesneeuwd, ze kunnen niet anders dan naar buiten gaan. Dat was te voorspellen. Ze wandelen eerst een eind langs de lange rechte baan die het dorp verbindt met het volgende dorp, dan slaan ze rechtsaf, dalen af langs het pad dat leidt naar de kleiputten, ooit door mensen gegraven, nu volgelopen en verlaten. Overdag zie je wel eens vissers, soms een wandelaar. Nu is er niemand in deze verzonken wereld. De vogels zwijgen. De meerkoeten die meestal piepend op het water dobberen, blijven vannacht anoniem, hun zwemwater is bevroren. De sneeuw knerpt onder hun voetstappen. Hun silhouetten bewegen hand in hand door de stilte. De nacht is licht, een licht dat ze nooit eerder heeft gezien. De sneeuw zuigt het maanlicht in zich op, maakt het zacht en weerkaatst het. Maar de vijver, de plassen en de poelen zijn transparant. Meestal verbergen die angstvallig hun diepten onder de waterspiegel, nu valt het maanlicht er dwars doorheen en kan je tot de bodem kijken. Ze kijken. De tijd valt stil, de aarde vergeet rond de zon te draaien en zij vergeten dat ze mensen zijn.  Jij weer? Nee, niet nu. Blijf jij nog maar even uit de buurt. Want er zijn nog van die vreemde scènes in haar leven. Zoals die zomer toen ze afstudeerde en zuidwaarts vertrok om daar met haar Franse lief een leven te delen. Ze staan er op de markt in een badplaatsje aan de oceaan. Hun kraampje is opgesteld, de spullen zijn uitgestald, die ochtend hebben ze een goede plaats kunnen krijgen in een van de centrale gangen. Ze verkopen handgeschilderde doosjes, haar vriendje heeft die gekocht in India en naar Frankrijk verstuurd. Door een staking van de post waren ze te laat aangekomen voor de eindejaarsperiode, het zouden mooie kerstcadeautjes geweest zijn. Maar als ze die nu verkopen hebben ze een klein beetje startkapitaal, dan kunnen ze daarna ergens een huisje huren. Wat zijn ze naïef. ‘Ik ben even weg’, zegt ze. Het strand is groot en leeg, het is te vroeg voor de mensen. De lucht is nog puur, alleen de marktkramers zijn al wakker, ze drinken koffie, gaan in elkaars kraam rondhangen, roken en wachten. Het zal nog enkele uren duren voor de toeristen komen. Een stoffige brede straat leidt naar het strand, aan weerskanten ervan zijn bars, restaurants en winkels waar je vliegers, hoeden en postkaartjes kan kopen. Hier en daar ruikt het naar bier en urine. Alles is nog toe. Waar de straat stopt dalen enkele brede betonnen treden af naar het strand, de eerste honderd meters is het zand mul, warm en omgewoeld. Er liggen sigarettenpeuken. Verderop wordt het zand langzaam vochtiger en koeler. De oceaan heeft de sporen van gisteren weggewist, het strand is met een schone lei begonnen. Een voetspoor tekent zich af en leidt naar het silhouet van een vrouw in de verte. Ze draagt haar sandalen in een hand en loopt recht de oceaan in. De oceaan is rustig voor haar doen, de surfers slapen nog. Ze loopt een heel eind het water in, de golven spelen met de zoom van haar jurk, ze staat stil. Lichtblauw is de lucht, grijsblauw het water, de zon is overal, later op de dag zal die opdringerig warm worden, nu werpt ze haar licht nog helder en vriendelijk op het water. Alles lijkt doorschijnend. De jonge vrouw houdt haar adem in, sluit haar ogen. Haar tranen kunnen nog net door de ooghoeken naar buiten. Ze wil niet. Ze wil niet meer terug daarheen, het is zo moeilijk allemaal. Ze zal verdwijnen, zich overgeven aan de armen van een vriendelijke golf die haar meeneemt, opgaan in de oceaan van licht. Deze keer is het een spelletje dat haar aan deze kant houdt, geleerd op de animatorcursus die ze volgde toen ze 16 was.  Ik zal het je uitleggen. Je richt je blik zo dat je de zee ziet -of een wei vol pinksterbloemen, of een heuvellandschap, een wolkenveld-, dan doe je je ogen toe, je beeldt je in dat je heel lang slaapt en je vergeet alles wat je ooit zag. Als je zover bent, doe je je ogen terug open alsof het de allereerste keer is. Je kan het ook met twee spelen, dan druk je op de knop door te tikken op de schouder van de persoon die zijn ogen heeft gesloten. Die is de camera en maakt met zijn blik een foto. Ze moet het gevoeld hebben. Even raak ik haar schouder aan. Ze opent haar ogen. Het licht schittert, in de verte hoort ze een kind iets roepen. Heel diep ademt ze in, daarna keert ze zich om. De eerste toeristen zullen zo meteen langzaam beginnen rondslenteren op de markt. Elke dag is het markt in Montalivet, je kan er proeven en passen, een hangmat testen, een kleedje uitproberen van een stof die met indigo werd geverfd door een Chinese minderheid. Je kan er mooie handgemaakte spullen kopen van over de hele wereld. Je ruikt er paëlla, verse focaccia, Baskische worst, wierook, leder, olijven, lavendelzeep, zweet en zonnecrème. Of je kan doen als een antropoloog – was dat niet hetgeen ze studeerde?- en er het bont allegaartje van reizigers, artiesten, alternatievelingen bestuderen. Een vreedzame gemeenschap is dit niet. Er zijn clans van mensen die elkaar elke ochtend groeten, maar evengoed mensen waartegen niets gezegd wordt, omdat ze concurrenten zijn, omdat er veten zijn die al vele zomers meegaan. Er zijn er die een goede plaats hebben gekregen in een van de brede middengangen. Het gerucht gaat de ronde dat ze daartoe de ‘placier’ omkochten, er zijn de vele kleintjes die bang zijn betrapt te worden omdat ze niet ingeschreven staan. Het opzetten en afbreken van zo’n markt is een dagelijks huzarenstukje: eerst moeten de kramen aan de binnenkant zich installeren, pas daarna daarbuiten. Bij het inpakken is de volgorde omgekeerd. Op een ochtend hoort ze de man van de hangmatten vloeken en tieren, hij slaat woest de deur van zijn bestelwagen toe, hij kijkt altijd stuurs, zijn vrouw draagt altijd rood, ze staan bekend als licht ontvlambaar en ze hebben de beste plaats van heel de markt. Tegenover hen staat Madame Tabouleh in haar blauwe kraampje, als mama van de markt ziet zij alles, levert onophoudelijk commentaar terwijl ze zoete muntthee schenkt in kleine glaasjes met een gouden rand. Haar man heeft mooie droeve ogen. En dan heb je Hartmut, die maakt en verkoopt Romeinse sandalen uit één stuk en beurzen uit leer. Als er geen klanten zijn, snijdt hij het leer en naait hij, hij drinkt niet, dwaalt niet rond bij de andere kramen, vloekt in het Duits en spaart om naar Canada te kunnen emigreren. Patrick en Alice verkopen juwelen en panfluiten, daarna keren ze terug naar de sloppenwijken in Brazilië, het zijn clowns, ze maken straattheater, maar ze worden door iedereen als zeer serieus beschouwd, want ze feesten niet en staan op een rustige camping in het binnenland. Verderop zijn er Titi en Roland en de hele kliek. Niet zo’n goede verkopers, eigenlijk zijn ze nogal verlegen, maar na de eerste joint lukt het wel. Ze verkopen kledij, sieraden en artisanaat uit India, Nepal, Guatemala. Ze hebben het leven naar hun hand gezet: in de zomer staan ze elke dag op de markt, de rest van het jaar brengen ze door in verre landen waar het warm is en niets doen niet veel kost. In afwachting van de toeristen spelen ze schaak. Rond 10 uur beginnen ze te aperitieven. In de Médoc mag op de markten wel alcohol geschonken worden, bij wijze van degustatie. Van alle smaken zal ze zich vooral de braambessen herinneren in de duinen toen de zomer ten einde liep, de toeristen naar huis waren en de bramen op hun eentje in de volle zon rijpten. Zoeter dan toen waren ze nooit meer. Ze vinden geen huis, hij vindt geen werk. En zij houdt het niet uit in het huis van zijn moeder waar hij maar voor de televisie hangt, zo kent ze hem niet. Een maand lang werken ze op een biologische boerderij van Vlamingen in de buurt, ze plukken boontjes, sorteren appelen voor cider en verkoop, gaan mee naar de markt in Bordeaux, proeven het versgebakken brood van Dieter, de bakker die niet zonder wijn kan. De boer en de boerin spreken nauwelijks met elkaar. Ook zij wijzen elkaar de ochtendnevels niet die vanuit de bossen komen, en het ontgaat hen hoe de septemberzon daarna de dag verguldt. Zo gaat het niet. De boerin rijdt met de camionette naar België om de familie te bezoeken. Zij rijdt mee. Hij blijft daar.     Ze huurt een achterkamertje in Gent, schildert het geel en schrijft sollicitatiebrieven. Het is de koudste winter ooit, de leiding bevriest, een man met een roos staat voor haar deur, een andere maakt marsepein voor haar, ze valt flauw bij de bakker. Maar hij is gestopt met televisie kijken, het wordt nu lente en hij schrijft haar lange brieven in potlood. Kom je eens kijken? Dat doet ze. Er is plek voor haar in zijn nieuwe huis vlakbij het Bassin van Arcachon. Vanop het houten terras stap je zo de keuken en woonkamer binnen, van daaruit kijk je weer recht de tuin in. Meer is toch niet nodig? Hij wil groenten kweken. Pompoen en courgettes, dat is niet zo moeilijk. De vlier staat in bloei, ze zou vlierbloesemsiroop maken. Ik zie het al zo voor me: daar staat ze in een van die bloemenkleedjes die hij voor haar heeft meegebracht uit India, een kind op de arm, een vaas met seringen op tafel, de honing smelt op het brood dat net uit de oven komt. En ze leefden nog lang en gelukkig? Nee toch. Ze zit in de bus van Eurolines, morgenochtend zal ze terug in Gent zijn. Ze probeert niet te kijken naar de film, het is dezelfde als tijdens de heenreis, een vliegdekschip wordt langs alle kanten belaagd, ze hoort voortdurend schieten en schreeuwen. Vooraan in de bus zit een jongen van een jaar of tien, de buschauffeur kent hem goed, de jongen reist vaak heen en weer tussen zijn moeder in het Frankrijk en zijn vader in België. Daar ben jij, ik had je niet opgemerkt. Je moet alles mee gevolgd hebben. ‘Laat mij nu maar even m’n werk doen’, zeg je. Met enige tegenzin schuif ik een beetje op zodat je naast me kan komen zitten. ‘Zie je wel’, zeg je, ‘ze kan het niet. Ze moet stoppen met dromen. Stoppen met wenen. Geen job? Dat ze dan vrijwilligerswerk doet of zo. Blijf niet zo bij de pakken zitten, kind, wentel je niet in die muziek, ga niet steeds in de bossen dwalen, en nee, het is echt niet het moment om nu ook nog te beginnen tekenen, dat is het echte leven niet.’ Ze krimpt ineen. Soms is het een sprookje, soms een zootje. Op een blad twee kolommen: een voor Frankrijk en een voor België. Ze kiest voor het tweede. Dromen gaat beter in het Frans, maar eerst moet ze zelf nog wat meer werkelijkheid worden. Wat heb ik met dit kind te doen. We zijn een jaar en een man later. Het was niet de bedoeling. Tot het moment dat de dokter hen zegt dat ze zwanger is, dringt het niet tot haar door. Toch zijn ze samen naar de consultatie gegaan. Een jaar eerder hadden ze elkaar ontmoet. Deze zomer was ze hem achterna gereisd naar Calabrië. Daar proefde ze voor het eerst moerbeien. Ze plukten er druiven in een verlaten bergdorp en zagen elke avond de zon ondergaan boven Sicilië. Maar hij was liever alleen geweest. Daar staan ze nu op het plein vlakbij de groepspraktijk. Ze voelt een duizeling in haar hoofd van zoveel verandering op til. Het suist en tolt in haar hele lijf, maar één ding weet ze heel zeker: ze wil dit kind en is bereid hiertoe haar leven compleet op z’n kop te laten zetten. Hij is zacht en lief op dat moment. Hij wil geen kinderen, heeft hij altijd gezegd, dat is niets voor hem. Dat zegt hij nu niet. Hij blijft nog even bij haar op het plein staan en gaat dan naar z’n werk. Ze is graag zwanger. Ze voelt zich vereerd dat het leven haar uitgekozen heeft om een kind in te laten groeien. Bang om te bevallen is ze niet. De oerkracht die ze toen in zich gevoeld heeft. De oudste zoon komt een maand vroeger dan gedacht, hij weent veel, wat er scheelde zal ze nooit te weten komen. Het duurt jaren vooraleer hij de nacht doorslaapt. Als hij wakker wordt, voedt ze en slapen ze samen verder. Als hij moe is, bindt ze hem in een doek op haar buik en wandelt. Haar kind groeit dicht bij haar op, ze hebben het goed samen. Ze zoeken een plek om te wonen. Want waar ze zijn kunnen ze niet blijven, en ze willen ook niet als een gezinnetje in een huis wonen. Ze vinden een luchtkasteel.    ‘Een luchtkasteel, wat krijgen we nu weer?’ Je gezicht is vervormd tot één grote smalende grijns. Ik probeer me niet van de wijs te laten brengen, want dit is eigenlijk waar ik al zo lang van droom. De mensen kunnen het nog niet, dat besef ik wel, maar het is toch het proberen waard? Door de open deuren van de grote living kom je op het bordes terecht. Vandaaruit heb je een breed zicht, je ziet de zandbak, de schommel, het stenen pad naar de vuurplek en daarachter de rode beuk die koper kleurt in de zon. Zij zit daar op de bovenste van de brede treden, kinderen fladderen om haar heen, ze snijdt appeltjes en deelt uit. Samen met een tiental vaste bewoners, hun kinderen en altijd nog wel wat passanten woont ze in een oud klooster dat voorheen nog een kasteel is geweest. Haar tweede zoon is daar geboren. Ze hebben de klokken voor hem geluid, dat doen ze telkens er een kind geboren wordt. En als het Pasen is, dan verstoppen ze eieren in de tuin. In de tuin groeien de wingerd en de rozen op de ruïnes van de vroegere kerk. De heiligen zijn er van hun sokkels gehaald, de zusters Carmelitessen namen hen mee toen ze vertrokken. De strakke tuin werd een tuin van overvloed. Ze deelt het laatste stukje appel uit en werpt een blik op de zandbak onder de magnolia, haar kleine jongen rijdt er met een autootje door zijn woestijn en aan de andere kant roert een meisje in haar emmer met soep gemaakt van bloemblaadjes en zand. Haar grote zoon maakt deel uit van het geraas dat uit de openstaande deuren klinkt. Aan de andere kant van de grote living is de speelgang. Toen de zusters er nog woonden, blonken daar de blauwe stenen van de boenwas, het moet er stil, koel en rustig geweest zijn, met enkel het geluid van trage stappen. Nu is dit het terrein van driewielertoeristen, en tractorpiloten. De hoge plafonds en de booggewelven vermenigvuldigen elk geluid maal tien, de straat die ze met witte lijnen op de vloer tekenden, verandert spontaan in een autosnelweg. Hier komen volwassenen alleen als het echt nodig is. Ze blijft nog even zitten. Alsof ze weet dat ik toekijk en me het genot niet wil ontnemen dit tafereel te aanschouwen. De schommel piept en wiegt heen en weer, een kleine blonde jongen houdt de touwen vast en glimlacht als in een trance verzonken. Uit de boomgaard weerklinkt het gekibbel van de kippen. Een koe loeit in de verte. De steentjes knarsen, een fiets rijdt door de poort over de grindweg en komt de bocht om, wie zou het zijn? Hoe laat zou het trouwens zijn? Daarnet hebben de klokken 4 uur geslagen. De planken in de living kraken, een jongen op een driewieler komt razendsnel vanuit de living het bordes op gereden, net voor de traptreden stopt hij. Ze schrikt op. ‘Kom, we gaan melk halen bij de boer, dan kan je in de dreef fietsen’. Ze staat recht, haalt de lege flessen in de keuken, en verzamelt dan een vijftal kinderen, een buggy voor de kleinste en fietsjes voor de anderen. De tractor moet ook mee. Als ze terug zijn, blijven ze aan de andere kant van het gebouw. Daar is de moestuin en groeit de rabarber, daar hebben de kinderen een kamp gemaakt op de brede lage takken van de grote boom aan de ruïnes. Haar oudste is druk in de weer om kussens en dekens naar het kamp te slepen. Haar jongste zit in het gras. Zij plukt bosaardbeitjes en stopt die in zijn mond. Ze plukt er veel en rijgt ze op een grasspriet. ‘Voor jou.’ De ogen van haar jongen glinsteren terwijl zijn mollige handjes het kostbare geschenk aannemen.      ‘Eind goed al goed’, klinkt je stem triomfantelijk. ‘Wat bedoel je?’ Ik begrijp het niet. En ik had je alweer niet horen komen aanvliegen. ‘Welaan dan. Aardbeien, kinderen, een kasteel: ze is gelukkig en dus kan jij nu eindelijk stoppen met haar te volgen, want dat is niet meer interessant’. Ik begin je door te hebben: je wil aandacht, je bent gewoon jaloers. Maar mijn fascinatie voor haar wordt alsmaar groter. Ze heeft af en toe een vlaag van onbestemde heimwee, vleugelpijn noemt ze het. Had jij daar al van gehoord? Bij sommigen -meestal vrouwen, soms ook mannen- beginnen op een bepaald moment vleugels te groeien. Of het nu om een misgroei gaat bij hen die te weinig resultaten boeken, of het gevolg is van teveel dagdromen, dat hebben de onderzoeken nog niet uitgemaakt. Wel staat vast dat na verwijdering de patiënten in staat zijn tot een normaal leven, zij het met soms nog enige neiging tot melancholie. Het verwijderen van vleugels in een beginfase doet geen pijn, hebben ze haar gezegd. Ze heeft haar koffer gemaakt. Een lange busrit brengt haar tot de eindhalte in de heuvels, ze is even gaan zitten op de bank, wandelt dan de laan in, tot het huis. Ze zeggen niet veel, geven je een kamer en een glas wijn. Ze doen het terwijl je slaapt. Iemand moet het venster opengezet hebben, de ochtendlucht stroomt binnen, ze hoort duizend vogels zingen en voelt tranen nog voor ze haar ogen opendoet. De kamer hult zich in een waas van wit, boomkruinen fluisteren door het raam. Ze gaat rechtop zitten, voelt aan haar rug en weent de hele ochtend. Iemand brengt haar een kop thee en een boterham. ‘je mag nog enkele weken blijven’, zegt ze, ‘de meesten draaien nog even in de werkplaats mee vooraleer ze terugkeren’. Haar stem is warm en zacht. Ze blijft zolang het mag. De ruimte lijkt in niets op wat meestal een werkplaats is: hoge ramen waardoor licht overvloedig binnenvalt, houten vloer, gordijnen van wit  linnen. Elke vrouw zit op een stoel met voor zich een grote mand waarin het dons valt dat ze plukt uit een vleugel. Overal door de kamer warrelt dons en speelt het licht. De deuren aan de ene kant gaan open, een jongen brengt een nieuwe lading vleugels binnen.  Even later doet het geluid van een vrachtwagen op de oprit iedereen opkijken. Manden met dons worden ingeladen. De chauffeur heeft de radio laten aanstaan, reclame en nieuws denderen de werkplaats in. Van het dons worden hoofdkussens gemaakt die zeer prijzig en zeer in trek zijn bij de hogere middenklasse. 15 dagen en 15 vrachtwagens gaan voorbij, ze is bijna terug thuis. Ze voelt zich misselijk van de lange busrit, nog 2 straten te gaan. Hoe dichter ze haar huis nadert, hoe trager ze loopt. De sleutel past, de deur gaat open, de afwas staat op het aanrecht, er is nog niemand thuis. Wat krijgen we nu? Was jij hier de hele tijd aan het meekijken? Je schrikt op. Voor je je hoofd weer de andere kant opdraait, zie ik nog net een traan in je linkeroog blinken. Ik verwacht dat je er meteen weer vandoor zult gaan, maar nee, je blijft naast me zitten. Wat is er? Voorzichtig leg ik m’n hand op je schouder en voel hoe die zich langzaam ontspant. Je bent niet meer wie ik dacht dat je was. Intussen gaat het leven door. Kijk daar is weer zo’n scène, het lijken wel variaties op een thema. Ditmaal zijn ze op reis in Californië. De afdaling lijkt uren te duren, het woud is uitgestrekt, de weg vol bochten. Het lijkt alsof van achter elke boom een beer zou kunnen tevoorschijn komen, maar ze houden zich schuil, en ook de reeën wachten tot het avond is. Ze rijden tot het einde van de grintweg, daar laten ze de auto staan. Ze bindt de kleinste jongen op haar rug, neemt de grootste bij de hand. Ze wandelen langs hoge ceders, voorbij een kudde elanden die hen heel even aankijken en daarna onverstoorbaar verder grazen. De lucht is vochtig en ruist mee met de oceaan. Ze lopen het pad ten einde, daar is een rots, achter de rots is het kiezelstrand. Dit is de ‘Lost Coast’, hier eindigt de wereld. Metershoge golven spatten op de rotsen, roeren de kiezels om en keren dan terug naar de woeste zee. Zo moet de wereld hebben geklonken voor ze werd opgedeeld in aarde, lucht, water en vuur, in man en vrouw, goed en kwaad. Ze heeft tranen in haar ogen. De man kijkt naar haar, neemt een foto. Kom, we zijn weg. Ze ademt diep en vult haar longen met de vochtige lucht. Nog één keer kijkt ze. Hier kom ik ooit terug, dan blijven we kamperen. Hij antwoordt niet. Waarom nam hij niet even haar hand? Hij stond erbij, vond het mooi, maar was er niet bij. Hij was al in gedachten bij de lange klim terug naar boven, bang door het donker overvallen te worden. Jij schudt je hoofd. Ze beelden zich in dat het liefde is, maar het is angst. Soms heb je gelijk. Een vrouw werd verliefd op de bewaker van haar cel. Elke ochtend bracht hij haar water en brood, mompelde goeiemorgen. Ze had geantwoord. Zo was het begonnen. Sindsdien reikte hij het brood en de kan niet meer aan door het luik, maar zette ze neer op het kastje naast het gammele bed. De cel lag op het einde van een gang aan de oostkant van een groot en donker slot. Op de dag dat de slotheer had afgekondigd honderd gevangenen te zullen vrijlaten -hij trouwde en was in een genereuze bui -, merkte zij enkel onbekende stemmen in de verte, de stappen van de bewaker en een heleboel andere stappen; ze gingen de andere kant uit. Maar zij bleef waar ze was. Want haar kon hij niet laten, ze was zo mooi als een bos in de lente, haar bleef hij trouw. De jaren gingen voorbij. Haar ogen werden hol als haar cel, haar huid grijs als de stenen, de geur van bos woonde al lang niet meer in haar haren. Op een ochtend in mei scheen de zon door de bomen. Hij zag het, bukte zich, plukte een boeket blauwe boshyacinten. Die bracht hij haar met het brood en het water. Ze at niets, zette de hyacinten in het water. Hij kuste haar en toen hij even later de cel verliet, vergat hij de deur op slot te doen. De dag nadien stond de deur wijd open. Ze lag neer op het bed, naast haar bloeiden de hyacinten. De zon scheen door het raam in de gang, had de weg gevonden door de deur van de cel en beroerde haar lippen en wimpers. Even straalde ze. Hij haastte zich tot bij haar, durfde haar niet aanraken. ‘Sta nu maar op’, zei hij. Ditmaal gehoorzaamde ze niet. Die avond droeg hij haar lichaam het slot uit. In het bos heeft hij haar begraven, naast het pad waarlangs hij elke dag naar zijn werk gaat. Nee, zo zou het haar niet vergaan.   De zon is doorgebroken na een koude mistige ochtend, ze schijnt overvloedig door het raam van de trein, zij sluit haar ogen en wil ze tegelijk open houden om naar de hemel te kijken en naar de heuvels die daarbuiten net als zij van de zon genieten. Ze is onderweg naar Avioth, een klein stil dorp in de Gaume met een basiliek. De trein houdt halt, reizigers lopen de wagon binnen. Een van hen is een man met koperkleurig haar en een rugzak. In het zijzakje zit een pot notenpasta. Hij komt naast haar zitten. Ze kijken elkaar aan bij wijze van groet. Ze wendt haar blik weer af en probeert zich terug over te geven aan de mijmeringen en de zon. Het gaat niet. Ze kent deze man niet, maar hij voelt erg vertrouwd. Het verwart haar. Ze moet het verlangen bedwingen haar hoofd op zijn schouders te leggen en te huilen. Zomaar, om alles en niets. Je bent gek, zegt ze tegen zichzelf. Ze probeert of ze haar boek uit haar rugzak kan halen om haar blik en gedachten daarin te verbergen. Onmogelijk zonder de permissie van de twee oude mensen op de bank tegenover hen, die zitten daar al vanaf Brussel hand in hand. Help. Wat moet ze nu met een engel naast haar? Hij vraagt iets, een tikje schuchter. Zij antwoordt in het Frans, waarschijnlijk heeft hij Nederlands gesproken, maar heeft ze alleen de klank van zijn stem gehoord. Ze raken in gesprek, hun gezichten wenden zich naar elkaar. Het zijne is licht met heldere ogen en warme blik. Als de hemel daarbuiten. Zijn stem is zacht. Hij is onderweg naar een klooster in Normandië. Ze schrijft de naam van de plek op een briefje dat ze zal verliezen. Zijn naam vraagt ze niet. Ze weet niet wie hij is, wat voor leven hij leidt, hoe de binnenkant van zijn hand voelt. Ze slikken hun vragen in. Want minstens even mooi als de mogelijkheid om mens te worden is het om voor elkaar een engel te zijn. Je kijkt me aan. Er verschijnen pretlichtjes in je ogen. ‘L’ange qui passe. Was jij het?’ Ik bloos. Je hebt gelijk. Zij denkt dat ze mij heeft bedacht omdat ze me nodig had. Maar zo is het niet. Ik ben het die haar nodig heeft.        

Adinda
22 0

Einde en een begin?

Hallo Winny,   Ik zie mezelf als een dame met visie en voor de rest denk ik dat ik zowel elementen van binnen- als buitenkijkers in mezelf kan vinden. Ik ben dol op meegaan met de flow van mijn hersenkronkels, maar word ook gekriebeld door creatie(f) buitenshuis. Je merkt dat het speelvogel-element diep in mij zit, al zal je dat als je mij ontmoet niet direct kunnen spotten.   Ik heb inderdaad iets met Martin Luther King. Tijdens dictielessen heb ik ooit eens zijn speech van buiten geleerd, maar er is meer dan dat. King droomde dat hij blanke en zwarte kinderen hand en hand zou willen zien lopen; een wereld zonder racisme was zijn ideaal. Mijn dochters hebben een donkere huidskleur en hebben toen we nog in Brussel woonden vaak haatopmerkingen naar hun hoofd geslingerd gekregen. Vreemd of niet kwam dit meestal van Arabische kinderen die ook niet bepaald de zogenaamde ideale blanke huidskleur hebben. Ze leken een redenering te hebben van het genre “hoe donkerder, hoe lager op de sociale ladder van respect.” Onze hoofdstad zal altijd in mijn hart blijven zitten, maar het zogenaamde multiculturalisme bleek voor mij geen positieve meerwaarde. Ook op taalvlak was ik mezelf totaal kwijt. In Leuven worden Bona en Luna gewaardeerd als persoon en spreken ze weer zuiver Nederlands zonder zwaar Frans accent. Ze kennen overigens enkel de Belgische cultuur. Het verlies van hun vader zorgde ervoor dat hun opvoeding geen wereldse accenten kreeg.   In mijn verhaal over gele zielen heb ik er zeer bewust voor gekozen om het overlijden van mijn man slechts een druppeltje te laten zijn en geen vloedgolf aan emoties. Zijn dood heeft mijn leven wel getekend omdat ik jarenlang letterlijk gevangen zat in mijn verantwoordelijkheden. Met 2 kleine kinderen in huis ga je nergens naar toe als solo ouder; ofwel moet je ze meenemen ofwel een babysit zoeken en dat zijn allebei moeilijke scenario’s. Het blijft een objectief feit dat ik toch niets had kunnen veranderen aan een fatale ziekte, hoe machtig, rijk en alwetend ik ook geweest zou zijn. Ik heb in de poel van ellende een krachtbron gevonden die mij sterk en zelfstandig heeft gemaakt.   Ondertussen word ik enthousiast uitgezwaaid als ik de deur uitga. Zo kunnen mijn jongedames hun zin doen zonder mijn “gezeur.” Ik heb nu eindelijk de vrijheid om rust te zoeken. Ik houd vooral van sportlessen. Zwemmen is heel lang mijn grote liefde geweest, maar door andere passies te ontdekken vind ik dat nu iets minder dol-fijn. Op dit moment houd ik van BBB (vrij vertaald mijn Brains Body Boost), fitness en spinning (ook prima voor die hersenspinsels).   Ik ben inderdaad een microgolfmama. De interesse in culinaire ontdekkingsreizen is er gewoon niet. In deze mediawereld vol gastronomische impulsen lijk je je dan te moeten verontschuldigen, maar zoals ik in het begin zei ben ik een dame met een eigen visie en is het niet belangrijk wat anderen daarvan vinden. De laatste tijd begin ik meer en meer de kracht van pure voeding te ontdekken. Met gegrilde groenten en een waaier van vers fruit voel ik mij in mijn eigen aards paradijs. ‘Heaven is a place on earth’ zong Belinda Carlysle.   Over hemels gesproken, deze week stuurde een (b)engeltje onverwacht een berichtje; de Nieuwsbrief van Studio Sesam. Tja, ik hoef je zeker niet te vertellen welk mysterie daar voor mij onthuld werd. “Toeval bestaat niet” is zo’n zinnetje dat mij er toch aan laat twijfelen om een overtuigd “sinner” te zijn. Het zal dan toch niet zo toevallig zijn dat we elkaar binnenkort ontmoeten.   Ik ben benieuwd hoe deze reis van ons schrijfleven wordt vervolgd… Leona

Leona
0 0

Kopje onder

Dag DuikertjeDirk,     Dank je wel voor je fijne brief!   Wat een mooie uitnodiging is het, aan de oppervlakte zwemmen. Natuurlijk doe ik mee. De voorzichtigheid van je invitatie verlaagt de drempel al meteen. Ik zou er zo meteen in duiken…. ware het niet dat zwemmen ook niet mijn favorietje is. Ik ben geen vis, eerder een landdier, een ‘ontginner’. Geleidelijkheid voelt inderdaad veiliger, en die voorzie jij met zorg. Voor ik het weet zit ik in het diep. ;-)   Mijn pen is absoluut niet professioneel. Wel bezig gebruikt., voor mijn privé-collectie. Een vulpen met zwarte onuitwisbare inkt. Daar doe ik het mee. Je ziet de inkt glimmen , je hoort de pen op het papier. Die traagheid, echt, dat is het. Zo schrijft mijn lijf, het vloeit er handzaam uit. Dat heb jij helemaal zelf zo mooi aangegeven : mijn zintuigen stuwen de woorden van mijn hoofd naar mijn hand. Zo voelt dat ook. Levenservaring speelt mee. Die kan je niet zomaar deleten. En mmmja , een handgeschreven brief ’s morgens in de brievenbus…. nog beter dan een aardbeientaartje ( mijn lievelings!) is dat.   Van Gepetto heb ik nog niets gehoord. Misschien en hopelijk heeft hij wel iets laten weten aan Giovanni, de radeloze vader en briefschrijver. Dat vind ik net zo leuk aan schrijven, dat je gewoon eens even kan doen alsof je iemand anders bent, een ander hoofd opzetten en vreemde gedachten spinnen. Natuurlijk heb ik met mijn eigen kinderen ook wel de nodige ‘karpatsen’ beleefd. Pinokkio zelf die was uit pijnboomhout gemaakt. Letterlijk vertaald heet hij ‘stukje pijnboom’. Vandaar de titel van mijn brief.  Jij leest geen dingen die er niet zijn, integendeel, ik ervaar je als een fijngevoelig lezer en schrijver.   Voor de schrijfdag heb ik me nog niet kunen vrij maken. Hopelijk lukt het alsnog en vinden we mekaar daar. Van schrijven geniet ik, dat zie ik niet gauw veranderen. Maar jouw aanmoediging maakt mij echt blij. Bedankt ! Je was een heel fijne ‘pennevriend’.   Hartelijke groeten,    Marijke   PS dat van Zele heb ik je vergeven  ;-)

BERLIOZ
0 0

Laten we zacht zijn voor elkaar

Dag Tine, Ik heb met veel plezier je brieven gelezen. Ook je laatste brief waarin je schrijft dat je verbondenheid miste.  Ja, die heb ik ook gemist maar inderdaad door het concept van schrijfopdrachten was dat niet evident en zoals je ook wel zal gemerkt hebben ben ik ook wat afstandelijk gebleven.  Dat gaan we zaterdag goed maken met een stevige babbel. Van een billenbank had ik nog nooit gehoord! Tof gevonden. Ja, die onverschilligheid vind ik vandaag in zoveel dingen.  Ik vind dat mensen onzorgzaam ( niet bestaand woord, maar passend) met mekaar omgaan.  De eigen persoon wordt op de eerste plaats gesteld.  Als het voor mij maar goed is, de andere daar trek ik me niets van aan. Alleen nog rechten, geen plichten meer.  Mondigheid wordt zo dikwijls verward met onbeschoftheid. Ik ben mag ik wel zeggen nogal in de weer voor andere mensen. Probeer de noden te zien, te luisteren en te helpen.  Omgekeerd blijf ik al eens in de kou staan. Ik zie ook zoveel mensen constant op die gsm tokkelen, voor mij ook een vorm van onverschilligheid naar de ander. Oei dat klinkt nogal zwaar op de hand.  Ik ben niet verzuurd hoor, hou van feesten, zingen, folk muziek, film en boeken. Ik probeer elke dag te lezen. Ik vond het fantastisch om in jouw brief te lezen dat je naar Tom Lanoye bent gaan luisteren.  Ik heb hem ook al verschillende keren gehoord, een grandioos verteller. Zaterdag ga ik zeker luisteren. (35 jaar Herman Brusselmans laat ik aan mij voorbijgaan.) Ik heb net ‘Zuivering’ gelezen en vorig jaar ‘Gelukkige slaven’.  Samen met Louis Paul Boon en Erwin Mortier mijn favoriete schrijver.  Arthur Japin, Kader Abdolah, Joost Zwagerman om er nog een paar graag gelezen schrijvers te noemen. Lara Taveirne, Judi Zeh, Hanna Bervoets om zeker de vrouwen niet te vergeten.  Ja, Tine, en zo kan ik wel nog even doorgaan.  Gisteren ben ik begonnen in (wat een mooie titel)  ‘Ze zullen denken dat we engelen zijn’ van Bert Natter.  Ik had nog nooit van hem gehoord. Bij tijdsgebrek en ook wel eens uit luiheid, neem ik in de bib vlug iets van het aanbod ‘nieuwe boeken’.  Al mooie ontdekkingen gedaan. Onze narcissenberg is inderdaad een kleine bergje in de tuin die in het voorjaar vol narcissen staat en nu vol hosta.  De hangmat.  We hebben er twee.  Eentje voor twee, daar lig ik in te lezen en samen met mijn man naar de wolken en de sterren te kijken.  De tweede, dat zal je Belgo-Mexicaans hart plezier doen, is the mexican hammock gekocht op het folkfestival in Dranouter.  Ze biedt plaats aan vier personen maar de bomen in onze tuin staan eigenlijk te dicht bij elkaar om ze degelijk te kunnen ophangen! Naar de wolken kijken. Ik denk dat ik al mijn ganse leven naar de wolken kijk.  Ik ben opgegroeid langs de Schelde, ik heb uren aan haar oevers gezeten.  Kijkend naar de boten en de wolken.  Het gedicht ‘De wolken’ van Martinus Nijhoff is trouwens een van mijn lievelingsgedichten. Gisterenavond nog onder een prachtige wolkenhemel gaan fietsen in Bellebroek.  Door naar de wolken te kijken, voel ik mensen die aan de andere kant van de wereld wonen, even dichtbij. Wat ik met kerkhoven heb?  Kerkhoven zijn onlosmakelijk met mijn leven verbonden. Nadat mijn moeder gestorven was, ging ik elke zondagvoormiddag met mijn vader haar graf bezoeken.  Alle andere gestorven familieleden kregen ook een gebedje.  Ondertussen ben ik het bidden verleerd en zijn de graven van mijn moeder, mijn vader en de meeste familieleden verwijderd. Toch ga ik er nog elke keer als ik in de buurt ben een wandeling maken.  Altijd om mijn ouders te groeten maar ook om even stil te staan bij het graf van andere mensen uit onze wijk, aan wie ik mooie herinneringen bewaar. Op het kerkhof in onze straat, ontmoet ik levende en gestorven mensen van de stad waar ik nu woon.  Ik wandel gewoon graag op een kerkhof en vind er rust. Op vakantie bezoeken we altijd lokale kerkhoven.  Het mooiste is voor mij nog altijd dat van Cavtat. Ook dat van Auvers sur Oise. Lieke, is een juf van de muziekacademie.  Ik heb les gevolgd bij haar, op de schrijfzolder. Dat is ondertussen al een paar jaar geleden maar we zijn goede vrienden gebleven.  We gaan veel samen op stap naar theater en concerten. We zingen ook allebei in een solidariteitskoor. Ze woont dertig kilometers bij ons vandaan.  Ze is alleenstaand met weinig familie in de buurt.  Dus ben ik soms bezorgd om haar. Warme groetjes Lus

Lus Colpin
0 0

Rusthuis 'Welverdiend'

In rusthuis ‘Welverdiend’ heeft men van die dagen. Met zijn allen aan tafel, lusteloos in slappe koffie een lepeltje draaien, iets mompelen tegen de muren. ‘Waar is de suiker?’ Windstilte. Men moet besparen. Tijdens vergaderingen in bureelcontainers gebeurt nèt hetzelfde. Alleen schuift daar de dood mee aan.   Iemand tikt met een pen op tafel. Men gaat het hier eens gaan zeggen. Er wordt over en weer geschuifeld met stoelen, een slaafje raast rond met een dienblad, posities worden ingenomen en na wat schikken krijg je zoiets als ‘de Kruisdraging’ van Jheronimus Bosch. Er scheelt iets met de vrouw die tegenover mij zit. Haar mond trekt scheef, ze tokkelt zenuwachtig op tafel, zoekend naar een plaats in het schilderij. Het bleke licht aanwezig in de container bevalt haar niet. Het is wringen en wurmen. Men moét en zal de suggestie oproepen midden in de compositie te staan. Ik ken iemand die een volledig gezin heeft uitgemoord, om zo op de voorpagina van een de krant te belanden. Hij kreeg slechts een voetnoot. De krant belandde in de kattenbak.   Uiteindelijk neemt iemand het woord en de suiker. Het is die vrouw. Het is me een raadsel met welke gigantisch vermogen iemand kan raaskallen, maar het kan, want daar staat ze, klontjes plettend in de koffie. Ik vertrouw geen mensen die het woord nemen, uit de verpakking rukken en ermee smakken. Dat staat niet. Met het woord dien je voorzichtig om te gaan. Draai het eerbiedig uit het papiertje. Behandel het zoals nederige diensters  de Engelse kroonjuwelen in the Tower opblinken. Kniel. Kruip in het stof. Zij begint te kraaien. Ze gaat het hier eens gaan zeggen. Ik zet me schrap. Gewikkeld in een toga orakelt ze over het bezitten van gewichtige informatie ‘want ik heb een directe lijn met de onderzoeksrechter en die is àltijd vriendelijk tegen mij’. Ik dacht: ‘Hij zou beter je hoofd afslaan. Zou niet misstaan op een Bosch-schilderij.’   Ik verliet murw en plat geslagen de vergadering waar ik als oud-legionair was op uitgenodigd. Màànden eerder had ik, met respect voor het woord, gewichtige informatie op dezelfde tafel gegooid. Ik ben slechts een versleten soldaat. Men had alleen oog voor het slaafje en de koffiekoeken die ze aanbood. Het woord kwam onder tafel terecht en iemand schopte het in een hoek. Nadien is de poetsvrouw langs geweest.   Dat woord werd me halsreikend toegestopt door de kleine Sunny. Hij kan als geen ander praten en ik luisterde. Ik luisterde héél aandachtig. ‘Ik ben zo bang voor wat komen gaat, meester.’ Ik hakte zijn woord erin, als een slagzwaard. Het ketste af op de pantsers. Sinds negen april is de kleine Sunny verdwenen. Vanaf die dag heb ik mijn oud uniform van het Negende Legioen weer opgediept. Het knelt, snijdt in mijn adem en drukt op mijn stijve knoken en dat al tweeënveertig dagen lang. Ik ben niet om aan te zien, mijn plaats is in rusthuis ‘Welverdiend’. Maar, het Negende geeft zich nooit over en sterft staande. Ik zal een kaartje sturen van op het slagveld.   River 20 mei 2018

River
0 0

With love

                                                                                 Lier, 20, 21,22,23,24, 25 mei 2018 Beste Fabienne,   Mijn laatste brief komt moeilijk op gang. Ik vind niet de goede vorm en gewenste toon. Ik mis een vrolijke insteek. Ik heb gewacht. Ik heb gebroed maar tevergeefs. Here it comes, with all my heart anyway.   Het is verdrietig om te lezen dat jullie relatie momenteel moeilijk loopt en dat het onduidelijk is welke richting jullie uit moeten gaan. Communicatie is iets vreemd. Onvoorspelbaar. Een kunst, die ik zelf mondeling teleurstellend weinig beheers. Hierdoor lopen een aantal relaties in mijn leven ook niet zoals ik het wil. Op het werk ervaar ik frustratie omdat ik gedrag van anderen, waaraan ik me stoor, niet in groep kan benoemen. Vaak worden boodschappen te persoonlijk opgenomen. Collega’s beginnen te huilen. Ze worden plots ziek na een “confrontatie”. Waarom is het zo moeilijk om constructief een gesprek te voeren over pijnpunten?   De relatie met mijn vader kende ook al diepe dalen en zelfs een breuk van enkele jaren. Met een fameus schuldgevoel er boven op. In contact met hem blijf ik nu op de oppervlakte. Ik bezit het twijfelachtige talent om aan te voelen waar mogelijk een ruzie loert tijdens een ontmoeting met hem. Het is te gemakkelijk om te zeggen dat hij een moeilijk karakter heeft. (Mijn ouders zijn gescheiden na bijna 25 jaar huwelijk.) In een relatie, in een gesprek ben je met twee. De verantwoordelijkheid voor mijn relaties draag ik dus evenzeer. Dju! Papa en ik lijken mekaar te tolereren omwille van mijn kinderen, omwille van “het hoort goed te gaan tussen een vader en zijn enige kind”. Op zijn minst voor de buitenwereld. Tegelijk voel ik inwendig de drang, het verlangen om hem fier te maken. Mijn drijfveer is altijd van hem te horen dat ik het goed doe. Wat ik nooit lijk te horen. We botsen hier keihard op de essentie van mijn leven: de wens om anderen te horen zeggen dat ik het goed doe.   Ik hoop oprecht dat jij met je partner een weg kunnen vinden om elkaar weer in liefde te ontmoeten. Als het niet alleen lukt, misschien wel met een relatietherapeut. Hangt af van wat jij graag wil in jouw toekomst met hem.   Nog even een kanttekening: mijn moeke was mijn grootmoeder. De moeder van mijn papa. Zij is 94 jaar geworden en dat is een mooie leeftijd. Mijn eigen mama leeft nog. Mijn beide ouders hebben een nieuwe relatie.   Lege nest-angst heb ik (nog?) niet. Als kind was ik vaak alleen en nu voel ik dat ik graag alleen ben. Dus dat kan een voordeel zijn als ze het huis verlaten. Ik zie mijn kinderen graag en was hun eerste levensjaren griezelig sterk met elk van hen verbonden. Loopbaanonderbreking en een tijdje thuis zijn voor elk van hen, ik had het nooit anders gewild. Ook nu werk ik 4/5 in functie van de kinderen. Ik voel wel dat hun tienerkuren weer afstand brengen in onze symbiose. Misschien zijn die puberhormonen wel een goede zet van de natuur die het makkelijker maken je kinderen los te laten. “Mijn kinderen zijn mijn kinderen niet”, zei Kahlil Gibran ooit. Het zijn individuen die hun eigen weg zoeken in de wereld. Een gelukkige jeugd is het belangrijkste en meest onmisbare dat hen gegeven kan worden. Zonder dat wordt een gelukkige toekomst een pak moeilijker, volgens mij.   Angst voor liften of vliegtuigen heb ik niet maar wel voor andere dingen, als voor pijn. Tandartspijn. Ook angst voor onvoorspelbare contacten met mensen. Angst om domme dingen te zeggen, verkeerde beslissingen te nemen. Angst dat ik na dit leven weer aan een nieuw leven op aarde moet beginnen, in minder comfortabele omstandigheden. Angst voor zware ziektes. Angst om een onherstelbare fout te maken waardoor iedereen mij veroordeelt, angst om anderen teleur te stellen, angst om te kwetsen,… Eigenlijk kan heel deze opsomming samengevat worden in die eerste. Angst voor pijn.   Of ik van dingen spijt heb? Op het moment dat zaken anders lopen dan ik hoop, brengt dat mij uit mijn evenwicht. Het maakt me pessimistisch en zwaarmoedig. Maar brengt niet elke ervaring uiteindelijk de lessen die we nodig hebben, die bijdragen tot vorming en persoonlijke groei? Sommige duidelijker dan andere.   “Waarom lees en schrijf je graag?” vraag je ook. Eigenlijk lees ik tegenwoordig enkel non-fictie in functie van mijn job of hobby. Eerder functioneel niet zozeer ontspannend op zich. Schrijven doe ik tegenwoordig ook voornamelijk werkgerelateerd, deze schrijfworkshop even buiten beschouwing gelaten. Momenteel heb ik geen behoefte aan meer schrijfwerk.   Ik kom naar de Schrijfdag en ben benieuwd om jou daar te ontmoeten. We herkennen elkaar vast. Ik ben die ene, die een beetje angstig uit haar ogen kijkt. Ben jij dan die vrouw met haar prachtigste foto in de hand?   Groeten uit Lier   Inge

Joena C Bigs
0 0

Curieuzeneuze

                                                                                                 Kortrijk, 22 mei 2018   Dag Ingemar,   Reeds een zevental weken kruipen we allebei achter onze computer, en nog meer in ons hoofd en hart, om de opdrachten van ‘Brieven aan een onbekende’ tot een goed einde te brengen. Terwijl ik dit typ, staan alle deuren en ramen hier in huis wagenwijd open: de lente heeft intussen volop haar intrede gedaan en de zomer lonkt. Wat een contrast met die eerste brief; herinner je je het nog? Jij beschreef het toen zo mooi in die eerste alinea, waarbij je eindigde met: ‘het is lastig balanceren op die eindeloze uitlopers van de polar vortex’. Van bij het begin werd ik geïnspireerd door jouw heel poëtische, rijke taal en eigen(zinnige) kijk op de wereld. En hoe je met weinig woorden toch veel kan zeggen; iets wat voor mij dan weer een hele uitdaging is. Ging het schrijven vlot? Zo leek het jou althans wel af te gaan … De voorbije weken heb ik geprobeerd om mij een beeld te vormen van jou en van jouw leefwereld. Ik heb de ‘curieuzeneuze’ in mij bedwongen en jou niet gegoogeld of opgezocht op Facebook. Ik schat dat je een stukje jonger bent dan ik, zo eind de twintig. Dat je graag een portie cultuur meepikt en een scherp observatievermogen hebt. Dat jouw weekend pas echt begint met de weekendkrant (hier van hetzelfde)! En dat de paprika door jouw tot 'groente non grata' werd gebombardeerd. Daar heb ik dan weer smakelijk om moeten lachen, ondanks het verhaal van de algehele malaise.     Jouw derde brief heeft me het meest geraakt en vooral het laatste zinnetje is bij mij enorm binnengekomen. Het toonde jou op een andere manier, vond ik. En het deed me goed dat ook jij een herinnering omtrent jouw gezin had gedeeld, omdat dat een onderwerp is dat me na aan het hart ligt (en dan vooral mijn zus en die twee broers in het bijzonder). En tegelijk ligt het wel wat gevoelig, omwille van de complexiteit van de situatie vroeger en nu. Jij bent blijkbaar ook opgegroeid in een groot gezin: hoe heb jij dat ervaren? Heb je een goede band met jouw broers/zussen?   Wat jouw tweede brief betreft, zit ik wat op mijn ‘honger’ wie de persoon is van de ‘befaamde jambalaya’ en hoe jullie verbonden zijn met elkaar. Zal de Romereis er nog van komen en zou je dat graag hebben? Of heeft de ontmoeting met Sofie en de reis die deze zomer gepland staat dat doorkruist? Over die ontmoeting gesproken: Sofie heeft heel duidelijk een enorme indruk op jouw gemaakt. Ik gok dat je deze zomer een groepsreis zal doen (met Joker?) en dat je Sofie tijdens een kennismakingsmoment ontmoet hebt, klopt dat? Hoe stel jij je de reis voor; ben je zelf van plan om toenadering te zoeken als zij daar geen stappen in onderneemt? En vooral: wat is er in haar dat jou zo hard aanspreekt en wat raakt zij bij jou?  Spannende tijden dienen zich in ieder geval aan!   En om af te sluiten: zijn er zaken in het leven waar jij mee worstelt, waarin jij een manier zoekt om je ertoe te verhouden? Doorheen mijn schrijfsels zal je wel gemerkt hebben dat dat bij mij wel het geval is. En ontmoeten we elkaar op de schrijfdag de 2e juni? Vannacht heb ik er zelfs over gedroomd dat we elkaar ontmoetten. Ik herinner me alleen maar flarden, maar we moesten samen één of andere uitdaging aangaan (iets in de trant van ‘De Mol’) en het liep niet van een leien dakje, haha. Op een gegeven moment bevonden we ons zelfs ergens in een berglandschap. En wat later zaten we dan weer samen in een kleine rode auto op weg naar mijn werk; jij achter het stuur. Als ik het mij tenminste allemaal nog goed herinner. Welke associaties je ‘s nachts toch kan maken; dat was nog eens voer geweest voor die vierde opdracht. In elk geval, jij had blijkbaar nogal wat dromen die het daglicht niet mochten zien. Heb je intussen het hoofd van jouw collega Jozefien al op hol gebracht? Of durf je het aan om daar in jouw laatste brief een stukje van prijs te geven? Ik kijk er alvast naar uit!     Bedankt voor jouw brieven en misschien tot binnenkort, Zonnige groet,   Daphne

Daphne Muylle
0 0

Vragen staat vrij

Dendermonde, 25/05/2018 Dag Tine, Toeval bestaat niet zegt mijn zoon altijd. Daarom vind ik waarschijnlijk een aantal gemeenschappelijke kenmerken, ik citeer ‘De ultieme tip om het schrijven vol te houden’ Ja, ik heb geen zittend gat zoals we hier zeggen en het zitvlak is belangrijk. Ik hoor graag van jou dé tip.  ‘om maar te zeggen dat ik soms wat verstrooid kan zijn’ Verstrooidheid, welkom in mijn wereld Bij aankomst in Dublin, het adres van de B&B thuis vergeten.                                                                 Eieren in 1 uur laten hard koken in plaats van de gebruikelijke 10 minuten.(deze middag) ….  Bestaat er een zelfhulpgroep? ‘eten meer chocolade dan goed voor hen is’ Hoe kan jij me coachen om van mijn chocoladeverslaving af te raken? ‘mijn bureauschuif puilt stilaan uit van de onafgewerkte verhalen’ Welke verhalen wil/moet je zeker afwerken? Ik wil ze wel lezen. Dia de los Muertos, San Miguel de Allende, het koloniale huis. Ik droom al weg.  Vertel me meer ‘Hoe anders zou het geweest zijn als je hart was blijven kloppen. Een huwelijk dat die pijn kon dragen. Allemaal zullen ze vandaag hun kinderen extra knuffelen.’ Drie even mooie als beklijvende zinnen. Verlies hoort bij het leven.  Het verdriet dat daarmee samengaat, moet voor mij niet overgaan.  Het moet alleen een plaats krijgen. Wie gestorven is moet levend gehouden worden door uitgesproken herinneringen. Wat denk jij daarvan? Ik knuffel niet altijd genoeg.  Jij?   Groetjes Lus PS Je woont in Ledeberg, ken je de Ledebirds?

Lus Colpin
0 0