Lezen

Tip

De 500 rijkste personen werden 23% rijker & Uitnodiging Windsors aan de Obama’s zou de woede van Trump opwekken

de 500 rijkste personen en de woede van Trump : de 500 rijkste personen dragen hun woede discreterde woede van de Obama’s : de Obama’s dragen hun schuld discreterde woede van de Obama’s is 23% rijker dan die van Trumpde Windsors zijn de rijksten en het schuldigstde 23% rijkste personen zijn woedend op Trump en de Obama’sde woede van Trump zou schade aan de 500 rijksten opwekken, aan de duizend rijksten, de honderduizend, één miljoen en één, de Windsorsik heb buren die woedend zijn op Trump, de Obama’s, de rijken, de Windsors en de communistenmijn uitnodiging aan mijn buren wekte de woede van mijn burenmijn uitnodiging aan de Trumps wekte de woede van de communistende communisten schuwen de Windsorsde communisten schuwen de consumptiede buren van de Obama’s schuwen de consumptie nietmijn buren schuwen de consumptie de consumptie uit noodzaak, de consumptieis verboden      is toegestaan: tassen, regenjassen, paraplu’s     is verboden: hengels, ladders, vlaggenstokken het is verboden rijker te zijn dan Trump ; dit is niet discreethet is verboden verder te denken dan Trump ; dit is verbodenzo eindigt een verbod : het in zichzelf keren van het denken ja de 500 rijkste personen werden 23% rijkerde duizend rijkste twintigde honderdduizend tien enéén miljoen hier: één, en dommer nog — en ik zag mijn bestaan stilaan vergaanben opgestaan ; begon aan een idee, deed gedwee wat kon en verzoneen eind — besloot: trek het me niet aanik kan alleen met mijzelf bestaanObama, Trump, de Windsors, mijn buren en de communisten laten gaanhet werk hier is gedaanhet werk is het werk als een aandoeninglees de media erop nade bom, de barst, de kentering, het keren vande tijdrekeningis stilaaneen uitkeringin een tentvan kartoneen voedselbonde nacht, de holocaustvan wat begonde kogelde zon

Nils Geylen
20 0

HET MANNEKE OP DE MAAN

Er was eens een meisje dat héél erg nieuwsgierig was. Ze overdonderde haar mama en papa met vragen, de hele dag door, over van alles en nog wat: “Waarom hebben auto’s vier wielen?”, “Hoe ver is het naar de zon?”, “Waarom heeft een kameel twee bulten?”, “Waar wonen de Eskimo’s?”, “Wie is de slimste mens ter wereld?”, “Waarom kan je door een venster wél kijken en door een muur niet?”, enzovoort… Gelukkig waren de papa en de mama van het meisje erg slim, en zo konden ze op alle vragen van het meisje een antwoord geven. Al moesten ze soms toch eerst diep nadenken, want de vragen waren af en toe wel héél moeilijk!   Op een mooie avond keek het meisje naar de hemel, en zag de volle maan heel fel schijnen. En ze ontdekte duidelijk een gezicht met twee ogen en een neus en een mond: iemand was op de maan naar hen aan het kijken! En ze vroeg aan haar mama: “Mama, hoe heet dat manneke op de maan?” “Maar kleintje toch,” zei de mama, “er woont toch niemand op de maan!”. Het meisje hield vol: ze kon het toch immers met haar eigen ogen zien! En ze vroeg het ook aan de papa… maar die antwoordde precies hetzelfde. Hoewel het meisje meestal alles geloofde wat haar mama en papa haar vertelden, had ze nu toch haar twijfels: iedereen kon toch de ogen zien! En de neus! En de mond! Ja toch? Dus vroeg ze het ook aan de juffrouw op school. Maar die zei ook al precies hetzelfde, en het meisje was helemaal in de war. En ’s nacht kon ze de slaap niet goed vatten, en droomde over het manneke op de maan. De volgende dag vroeg ze het voor alle zekerheid nog eens… maar met het zelfde antwoord. Ze voelde zich meer en meer verward, en kon ’s nachts niet goed slapen. En ze bleef maar dromen over het manneke op de maan.   Op een nacht werd ze opeens wakker van lawaai in haar kamer. Ze opende haar ogen en zag een vreemd mannetje bij haar bed staan, gekleed in een glanzend plastieken ruimtepak, en met zijn hoofd in een soort omgekeerde visbokaal! Ze kon zijn gezicht niet goed zien, maar zag wel dat hij hele grote oren had, die een beetje verkreukeld opgevouwen zaten in zijn bokaal. “Wie ben jij?”, vroeg ze, “En waar kom je vandaan?”. “Ik heet ietie, en je hebt mij geroepen”, zei het mannetje. Het meisje begreep er niets van: “Heb ik je geroepen?” “Ik kom van het land van de dromenluisteraars”, verklaarde het mannetje. “Wij luisteren de hele tijd naar de dromen van de mensen. En als iemand héél dikwijls van hetzelfde droomt, dan worden wij geroepen om te komen helpen…” “Kan jij mijn dromen horen?”, vroeg het meisje verbaasd. “Natuurlijk!”, zei het mannetje. En ja, eigenlijk… met zo’n oren moest iemand wel héél goed kunnen horen! “En kan jij mij helpen?”, vroeg het meisje verder. “Natuurlijk!”, zei het mannetje. “Weet jij dan hoe het manneke op de maan heet?”, vroeg het meisje. “Nee,”, moest het ventje toegeven, “dat weet ik niet…” “Maar hoe kan je mij dan helpen?”, reageerde het meisje een beetje teleurgesteld. “Ik kan je ernaar toe brengen.”, antwoordde de dromenluisteraar, “En dan kan je het hem zélf vragen!” “Maar mijn mama en papa zeggen dat het manneke op de maan niet bestaat!”, zei het meisje een beetje beteuterd. “Oeps!”, reageerde het ventje onthutst. Maar hij herstelde zich snel: “Dan gaan we toch gewoon kijken! Als er geen manneke bestaat, dan weet je het. En als hij wel bestaat, dan vraag je zijn naam! Simpel toch?”   Het meisje vond dat een schitterend plan. Ze vroeg zich wel af hoe ze daar zouden geraken? Maar het ventje stelde haar gerust: “Mijn droom-mobiel staat buiten.” En hij zei dat ze zich dan maar gereed moest maken. Het meisje wist niet goed hoe ze zich moest klaarmaken voor een reis naar de maan. Zoiets had ze nog nooit gedaan. Naar de Gavers was ze al geweest, ja.. maar naar de maan? “Je moet vooral zorgen dat je genoeg eten mee hebt voor onderweg”, zei het mannetje, “want het is toch een eindje vliegen!” Dus ging het meisje naar de keuken, en pakte daar het verse brood dat mama pas gebakken had, en sneed er met het broodmes dikke boterhammen af. En uit de kast haalde ze de pot met chocopasta, en smeerde die in dikke lagen op haar boterhammen. En toen wikkelde ze haar boterhammen in aluminiumfolie, en stak het pak in haar Hello-Kitty rugzakje. “Ik ben klaar!”, zei ze. En samen met het mannetje stapte ze naar buiten. “Waar is je droom-mobiel?”, vroeg ze. “Hier!”, antwoordde de dromenluisteraar… en hij wees naar haar kinderfietsje. Hij ging op het stuur zitten, en zei haar om op het zadel van haar fietsje te gaan zitten.  “Houd je maar stevig vast!”, waarschuwde hij haar. Toen maakte hij enkele vreemde krullende gebaren met zijn handen, en opeens waren ze weg… de lucht in! Ze schoten met een reuze vaart omhoog, en het meisje vond het fantastisch: het was precies als op de kermis, maar nog véél leuker en véél spannender. Onderweg maakte het meisje het zich gemakkelijk, en af en toe at ze een boterham. En het mannetje keek haar elke keer een beetje jaloers aan. Hij had ook wel zo’n vers gebakken boterham gewild. Maar met je hoofd in zo’n visbokaal, is het moeilijk om te eten. Het is nu wel zo dat dromenluisteraars eigenlijk niet hoeven te eten, maar… het zag er zo lekker uit!   Na enige tijd waren ze bij de maan aangekomen. Ze vlogen de hele maan rond, heel dichtbij de bodem, over de putten en de bergen. En nergens was er een manneke te zien. Af en toe zette de dromenluisteraar zijn droom-mobiel op de maan neer… maar er was geen teken van leven te bespeuren. “Wat denk je?”, vroeg hij aan het meisje, dat er ondertussen al lang van overtuigd was dat er helemaal niemand op de maan woonde. Aan de ene kant voelde ze zich een beetje teleurgesteld, want ze was er zo zeker van geweest. Maar aan de andere kant was ze ook wel heel blij, want nu wist ze héél zeker dat haar papa en mama op al haar vragen het juiste antwoord kennen. “Laten we dan maar terugkeren.”, stelde het mannetje voor. Maar eerst raapte hij nog een klompje steen van de maan op. Het zag er een beetje uit als een stuk glas ofzo. “Als souvenir”, verklaarde hij. Ze stak het klompje in de zak van haar pyjamavest, en stapte weer op haar fietsje. “Hou je ogen maar stijf dicht", raadde het mannetje haar aan, “Want dit keer zal het heel erg snel gaan, en het zou pijn doen aan je ogen!” En het meisje kneep haar oogjes dicht, en voelde hoe ze pijlsnel van de maan weg vlogen.   Opeens hoorde ze een stem haar naam roepen, en toen ze haar ogen open deed, zag ze haar mama staan. Ze keek om zich heen, en merkte dat ze in haar bedje lag, in haar kamer. Had ze het allemaal maar gedroomd? “Opstaan, kleintje!”, zei de mama, “Je moet naar school, hee…” Het meisje maakte zich klaar voor de school, en ging toen naar de keuken voor het ontbijt. Daar zag ze haar mama ontsteld voor de keukenkast staan. “Het brood is allemaal op!”, stelde de mama geschrokken vast… “Ik had gisteren nog maar pas een vers gebakken?” Het meisje liep vlug terug naar haar slaapkamer, en tastte in de zak van haar pyjamajasje… en ze vond daar een blinkend klompje. Ze hield het omhoog, en zag hoe het schitterde in alle kleuren van de regenboog. Nu wist ze wel heel zeker dat ze niet gedroomd had!   Die avond zaten ze buiten op het terras te genieten van een mooie zomeravond bij volle maan. De papa keek omhoog naar de heldere maan, en merkte plagerig op: “Zie eens naar boven! Janneke-Maan kijkt naar ons…” Maar het meisje keek haar papa heel serieus aan, en zei toen streng: “Maar papa toch! Er woont helemaal niemand op de maan!” En de volgende nacht sliep ze als een roos… en droomde gewoon dat ze een prinsesje was.

Eric Kerkhove
113 0
Tip

Zitplaats

Ik ontmoette haar op de trein naar het werk. Ze was helemaal uit Oekraïne hierheen gekomen, vertelde ze, de liefde achterna. In hartje Kiev ligt een universiteit die niemand kent. Daar had ze gestudeerd, voor ze haar geliefde was gevolgd. Hier had hij haar meteen in de steek gelaten. Toch was ze gebleven en opnieuw beginnen studeren en nam ze elke dag de trein naar de universiteit.   De volgende ochtend zat ze er weer, maar ditmaal had ze zich vermomd. Nu zag ze eruit als een jonge vrouw uit Rwanda. Ze leerde me dat het in Rwanda uit den boze is om te eten op straat, en dat het er niet staat om te roken als vrouw. Ik wou meer te weten komen, maar ik moest uitstappen, terwijl zij nog één halte verder moest.   Ook de andere dagen toonde ze zich een meesteres van de maskerade. Nu eens had ze zich onherkenbaar gemaakt als een Armeense, die hier marketing studeerde om ooit het vodkaflessendoppenbedrijf van haar vader op de wereldkaart te zetten, dan zat ze er als een meisje uit de Centraal-Afrikaanse Republiek, ijverig pennend aan het scenario van haar eerste kortfilm. Telkens opnieuw wist ik haar te vinden en was de plaats naast haar nog vrij, zodat ik kon gaan zitten en haar verhalen kon horen. Nooit vertelde ze dat zij het was, maar stiekem wist ik het terwijl ik luisterde.   Toen was ze er plots niet meer. Drie keer liep ik het middenpad van de trein af, maar nergens viel ze te bekennen. Ook de volgende dagen zat ze er niet. Ik heb haar nooit weergezien.

Felix Sandon
45 1

De kattenvanger

Eerst waren er de katten. Daarmee begon het. Eerst eentje, dan tien, maar algauw een stuk of honderd. Iedereen in het dorp had er last van. Want het waren geen gecastreerde rustige dingen. Overdag schurkten ze tegen je benen voor een aaitje of miauwden ze om wat eten. Maar ‘s nachts leek het wel alsof ze in je kamer stonden te miauwen, zo luid was het op straat, en het stopte nooit. Na een week die herrie werd hij pas voor het eerst gezien. Een verfomfaaide zwerver, meer kon je er eigenlijk niet van maken. Jong nog ook. Net de twintig gepasseerd. Met lang zwart, vettig haar, vuile nagels en tanden, een afgedragen, kaki-groene backpack over zijn schouder en een zwart boek onder zijn arm. Het leek wel de bijbel of zo, maar dat was het niet. Niemand die de katten met hem in verband bracht. Niet in het begin althans. Ons dorp is een typisch klein middenstandsdorpje, waar buitenstaanders niet erg welkom zijn. Ik ben er geboren en ook mijn dochter woont er al heel haar leven… Woonde er heel haar leven. We zijn het soort dorp dat in de dorpskern elkaar begroet en vraagt hoe het gaat. Maar als vreemdeling kom je er moeilijk tussen. Layla, mijn dochter merkte hem eerder op dan ik. Hij zat op de fontein midden op het marktplein en streelde één van de katten die er duidelijk plezier in had. Altijd als ik hem zag werd hij omringd door een schare van die viervoeters. Ze merkte hem vooral op, denk ik, omdat Tristan, de commissaris, met een boze blik naar hem toeliep. Ik keek geamuseerd toe, heel goed wetend wat Tristan zou zeggen en vragen. Het was al moeilijk hier een thuisgevoel te krijgen als je huurde of kocht, althans dat zei mijn vrouw altijd voordat ze stierf. Voor de liefde was ze hier naartoe gekomen en het had jaren geduurd voordat ze eindelijk niet meer met wantrouwen werd bekeken. Zwervers of aanbelanden werden hier echter zo snel en zo pijnloos mogelijk buitengewerkt; ons dorp was een klein paradijsje, zonder criminaliteit – de kleine knul die een snoep stal en de tiener die eens spijbelde daargelaten – en dat wilden we koste wat het kost zo houden. Ik was advocaat, maar veel meer dan erfzaken en echtscheidingen deed ik niet. Als jonge knul kon ik niet snel genoeg weg uit dit gat. Ik heb dan ook in Leuven gestudeerd en net na mijn huwelijk zelfs een tijdje in Gent gewoond. Maar toen mijn ouders kort na elkaar overleden, en ik hun huis erfde, ben ik tezamen met Lize teruggekomen. En voordat die zwerver hier aanbeland was, kon ik me niet indenken ooit nog ergens anders te wonen. Ik wist hoe wantrouwend men was tegenover vreemden, Lize had er genoeg over geklaagd, maar als je er zelf niet mee geconfronteerd wordt dan gaat dat zo over je heen. Verder dacht ik altijd zelf niet zo te zijn, juist omdat ik niet alleen hier heb gewoond. En als je wel geaccepteerd werd, was het er ronduit zalig wonen. Tristan stak zijn hand op, terwijl hij naar de zwerver liep, en ik zwaaide terug. Ik had met Tristan nog op de basisschool gezeten. “Kom schat, het is niet netjes naar mensen te staren”, zei ik tegen mijn dochter en trok zacht aan haar hand. We waren trouwens al laat voor school. Die namiddag heb ik hem nog tweemaal gezien, vanuit het raam van mijn kantoor in de hoofdstraat. Ik herinner nog hoe ik glimlachend had gedacht: Goed zo, boze Tristan heeft je niet kunnen wegjagen. Maar algauw werd alles een stuk grimmiger. Irene, die een klas hoger zat dan onze Layla, verscheen de volgende morgen niet op school. In de loop van de ochtend werden haar ouders gebeld die de plaatselijke eettent open hielden, waar je vrij goedkoop elke middag een dagschotel kon eten… Maar Irene was niet ziek thuis, en toen ze rond 16 uur, wanneer de school ten einde was, ook niet thuis verscheen, begon men zich echt zorgen te maken. Tegen de volgende ochtend was heel het dorp op de hoogte van de verdwijning. Haar stappen werden zorgvuldig nagegaan, maar veel verder dan dat ze die morgen haar huis had verlaten om naar school te fietsen kwam men niet, dat vertelde haar vader. Er was niets aan de hand geweest die morgen. Veel plaats om iemand te verbergen was er in ons dorp niet, dus ze werd algauw gevonden; ze lag in de beek, halvelings in het water en halvelings op het betonnen uitsteeksel waar de jongens op stonden wanneer ze naar de kleine zeebaarsjes graaiden die in het water van de beek leefden. Ze was netjes aangekleed in een wit zomers jurkje dat ze voor school had aangedaan die morgen. Haar boekentas of fiets was nergens te vinden. Dat ze vermoord was, daar bestond geen twijfel over. Althans niet volgens de lijkschouder, die eigenlijk gewoon de huisarts van het dorp was. Volgens mij had het meisje ook gewoon een ongelukkige val kunnen gemaakt hebben. Ze had namelijk een schedelbreuk, een gezwollen lip en een blauw oog. Meer was er aan het kind niet te zien geweest. Je moet begrijpen dat er in ons dorp nog nooit een moord was gebeurd, laat staan op een kind. Iedereen kende nu eenmaal iedereen. En dan was er die ene vreemdeling. Adam was gewoon een gemakkelijke prooi. Of dat dacht ik toch in het begin. Die middag werd hij terug gezien bij de fontein terwijl hij de katten aaide. Het begon met gefluister in de straten dat algauw leidde naar nog meer wantrouwen tegenover die ene vreemdeling. Tegen de late middag kwam het dorp bij elkaar in het gemeentehuis om te bespreken wat ze met de situatie zouden doen. “Wie zou het anders kunnen gedaan hebben?” “Ja, ook wel toevallig… Een dag nadat die vent hier opduikt, wordt één van onze kinderen vermoord!” “We moeten ons van die vent ontdoen voordat er nog meer slachtoffers vallen!” Er werd luid instemmend gejoeld. “Mensen, mensen”, probeerde Tristan de meute te kalmeren. “Laat het gerecht zijn werk doen. Ik zal hem ondervragen en ik zweer jullie als hij er iets mee te maken heeft, dan kom ik dat te weten!” “Natuurlijk heeft hij er iets mee te maken, wie anders?” Woest stond een groep mannen op en begon door elkaar heen te schreeuwen. Ze liepen allemaal achter Tristan het gebouw uit naar het marktplein waar de man nog altijd zat. Ik volgde zwijgzaam. De zwerver leek noch verrast, noch bang, alsof hij het verwachtte. “Wat heb je met haar gedaan, pervert?” schreeuwde iemand, bijgestaan door het gejoel en geschreeuw van de anderen. Was Tristan er niet bij geweest dan hadden ze de vreemdeling waarschijnlijk daar ter plekke gelynchd. Ik zag hoe Tristan zich van de menigte losmaakte, hem zijn boek uit de handen sloeg en hem vrij hardhandig handboeien omdeed. De menigte volgde nog tot aan het politiebureau, net als verschillende van de katten trouwens, maar ging al snel uiteen wanneer ze zagen dat er geen verdere vonken meer te verwachten vielen. Ook ik ging naar huis, waar Layla met het avondeten wachtte. Spaghetti, het enige wat ze als tienjarig meisje kon klaarmaken. Ik tobde er de hele avond, en zelfs een stuk in de nacht over. Mijn advocatenhart bloedde bij het feit dat de man zo hard werd aangepakt en zonder rechtsbijstand werd verhoord, maar mijn verstand maande me aan me erbuiten te houden. Ik had het goed hier, en wilde dat zeker niet voor een vreemdeling zomaar op het spel zetten. De volgende morgen besloot ik mijn hart te volgen en net na negenen, net nadat ik Layla aan school had afgeleverd, stapte ik kordaat het politiebureau binnen. “Wat kom je doen, Evert?” Het was de eerste keer dat Tristan zo onvriendelijk tegen me deed. Het was niet de eerste keer dat ik daar kwam. “Heeft de man die je gisteren op het marktplein hebt gearresteerd al rechtsbijstand?” Ostentatief zuchtend liep Tristan me voor naar het verhoorkamertje waar de man op een stoel zat, Zijn handen waren met handboeien vastgemaakt aan de tafel. “Heeft hij hier heel de nacht gezeten?” “We weten allebei dat hij het heeft gedaan. Wie kan het anders zijn? Ik krijg die bekentenis heus wel uit hem!” “Ik zou graag even met hem onder vier ogen spreken.” Tristan zuchtte opnieuw en verliet de kamer. Ik stak vriendelijk glimlachend mijn hand naar de vreemdeling uit. Ik wilde bovenal niet overkomen als een van de meute de vorige dag. “Ik ben...” “Evert”, onderbrak hij me. Hij klonk zakelijk. “Hoe ken je mijn naam?” vroeg ik hem verbaasd. Hij glimlachte. Er leek niets vreemds aan die glimlach en toch jaagde het me de stuipen op het lijf. Geen enkele vorm van sympathie zat er in die glimlach, niets van warmte. Het was het soort alwetende glimlach van een psychopaat die op het punt stond zijn slachtoffer te doden. “Ik ben Adam… En ik ken al jullie namen.” “Nou goed”, zei ik, een beetje uit het lood geslagen, “maar je zit serieus in de problemen. Ze willen je namelijk van moord beschuldigen.” “Niet ik zit in de problemen, maar jullie.” Hij glimlachte opnieuw die vreselijke glimlach. “Moord is niet om mee te lachen, Adam… Nergens niet, maar zeker in een dorp als het onze niet. En ik denk dat je nu een advocaat wel goed zult kunnen gebruiken...” “Over enkele dagen zal ik jullie dorp verlaten, jullie zullen me smeken het te verlaten!” Tegen de tijd dat ik klaar was met de man te spreken, was het beetje sympathie dat ik voor hem had gevoeld, helemaal verdwenen. “Zo schuldig als wat, heb ik het niet gezegd? Het staat op zijn hele lijf geschreven!” kwamen de woorden van Tristan me tegemoet als ik de kamer uit kwam. Hij leunde nonchalant tegen zijn bureau. Ik klemde mijn lippen op elkaar en liep het politiekantoor uit, vastbesloten me er verder niet meer mee te bemoeien. Tristan had gelijk. Waarschijnlijk was die man schuldig, maar Tristan zou hem niet vast kunnen blijven houden. Er waren geen bewijzen, geen bekentenis. Niets. En voor zover ik wist stond er geen gevangenisstraf op het vreemdeling zijn. Wel hield ik mijn hart vast voor wat de meute zou doen wanneer Tristan hem vrijliet. De volgende ochtend was er echter weer een Hetze. Annabel was die nacht verdwenen. Annabel was een lief, blondharig meisje van negen. Haar bed was beslapen en zelfs haar pyjama werd onder de lakens gevonden. Maar van Annabel zelf was geen spoor. Eén van de katten was in de loop van de nacht het huis binnengedrongen of zo dachten we, en schurkte die morgen net zo lang tegen de benen van de moeder van Annabel tot die een bordje melk voor het aanrecht zette, maar de kat stopte maar niet met huilen. Die dag hebben we ons echt te pletter gezocht, maar Annabel leek wel in rook te zijn opgegaan. Die avond, kort voor zevenen ging ik terug naar het politiebureau. Tristan had de vreemdeling in de cel opgesloten en was bezig foto’s van Annabel naar de naburige dorpen te sturen. Hoe hij het deed wist ik niet, maar die vreemdeling moest iets te maken hebben met de verdwijning van Annabel. Daar was ik inmiddels zeker van. Zonder de toestemming van Tristan af te wachten, liep ik naar de cellen. “Wat wil je van ons,”, vroeg ik bot, de wanhoop nabij, want de volgende die verdween kon wel eens mijn Layla zijn. Ik deed geen enkele moeite meer om nog sympathiek over te komen Adam lag schijnbaar rustig op de brits naar het plafond te staren. Hij richtte zijn doordringende blik van het plafond op mijn gezicht. Geen enkele sympathie straalde hij uit. Zijn ogen waren ijskoud. Uiterst kalm antwoordde hij: “Mijn vrijheid voor jullie kinderen.” Snel en volledig in paniek liep ik terug naar het bureau van Tristan. “Waar zijn zijn spullen?” “In de kast daar...” Tristan keek me verbaasd aan terwijl ik de vermolmde backpack onderste boven hield. Niets maar dan ook niets van waarde zat erin. Ik griste het boek van de plank en begon zenuwachtig door de dikke pagina’s te bladeren. Het leek het logboek van een hotel wel; het stond vol namen, en op de laatste pagina vond ik het bewijs dat ik nodig had. Daar zwart op wit als laatste naam stond er: “Annabel Verstraete.” in een keurig mannenhandschrift met veel krullen. “Roep maar een paar kerels op. Vanavond eindigt deze zooi”, zei ik kalm tegen Tristan die over mijn schouders meekeek.   Die nacht hebben we hem vermoord. Het ging echt per ongeluk. Een slag teveel of misplaatst waarschijnlijk. In het tuintje achter het politiebureau hebben we hem tezamen met die backpack en dat rotboek van hem begraven. Zijn geheimen gingen met hem het graf in. Die nacht heb ik gewaakt bij het bed van Layla. Zonder dat ze het wist natuurlijk. Ze lag al te slapen toen ik terugkwam van het politiebureau. Maar niets kon baten. Tegen de volgende morgen was ze verdwenen, net als alle kinderen in het dorp, en vervangen door een huilende kat. Als we de volgende morgen het graf van de vreemdeling controleerden was ook die leeg. Tegen de avond van de volgende dag waren alle katten weggegaan. We zagen ze vertrekken. God wat heb ik geprobeerd de kat die Layla verving thuis te houden, maar ze leek steeds maar weer weg te kunnen glippen. Luid huilend, en soms omkijkend, alsof ze niet echt weg wilden, vertrokken ze, waarschijnlijk de vreemdeling achterna.   En Irene? Daar had de vreemdeling niets mee te maken. Thuis werd haar fiets in de garage gevonden en haar boekentas op haar kamer. Ze was die morgen nooit naar school vertrokken. Een half uur moest haar vader maar ondervraagd worden om te breken en te vertellen dat hij haar hard had geslagen waardoor ze ongelukkig tegen de hoek van een kast was gevallen.  

Malakh Ahavah
0 0

Zeewee

“Het begin is altijd het moeilijkst,” fluisterde hij in haar oor. Ze zaten elk met een halve bil op de leren pianostoel, hij met zijn handen op zijn knieën, zij liet de hare op de toetsen rusten. Haar wangen waren rood aangelopen en een lichte frons verraadde irritatie. Zijn ogen gleden van de rimpels in haar voorhoofd naar het puntje van de uitgestoken tong en hij glimlachte. Ze was mooi als ze gefrustreerd was. Hij las een vurige passie in haar lichaamsexpressie. “Probeer nog eens,” moedigde hij haar aan. Ze haalde adem, hief haar vingers op en liet ze met kracht weer neerkomen op de toetsen. Een paar maten lang geselde ze het instrument om tenslotte haar gekromde vingers met volle kracht in het midden van de toetsenrij neer te planten. Een zucht van ingehouden woede ontsnapte aan haar lippen. “Het lukt nooit”. En plots, geheel onverwacht, barstte ze in tranen uit. Haar handen trilden, haar schouders schokten. Een waterval aan klaaglijk gejammer stroomden uit haar longen, langs haar neus, keel, ogen de kamer in, overspoelden de restjes muziek, natrillend in zijn oren. Verbaasd staarde hij naar zoveel verdriet. Haar stem zwol aan, de tranen stroomden ononderbroken uit haar ogen. Haar haren plakten tegen de zijkant van haar wangen. De vrouw die zonet nog doelbewust haar armen en vingers over de piano had bewogen, was verdwenen. Ze had plaatsgemaakt voor een klein meisje dat haar knietjes had opengehaald aan de kiezels van de oprit en nu alleen en verloren met step in de hand in de voortuin stond te huilen. Het gierende gehuil ging over in een schril krijsen, de vuistjes sloegen beurtelings op de toetsen. Haar kleine hieltjes schopten tegen de pianokruk. Toen gooide ze zichzelf op de grond en schopte wild in het rond. Al die tijd sloeg hij zonder een woord de ongelooflijke metamorfose gade. Haar tranen vormden plasjes om haar heen, die ze voortdurend terug oplikte, tussen twee gierende snikken door. Als een dol geworden hondje kroop ze over het parket, haar kanten jurkje doorweekt, haar vlechtjes vormeloos. Toen het emotionele geweld tot bedaring kwam stond hij op van de piano en knielde bij het meisje neer. De snaren trilden nog na van het lawaai. Hij streek een lok haar uit haar roodgezwollen ogen en tilde haar op alsof ze een veertje was. Zachtjes drukte hij het kleine wezentje tegen zijn borst. “Stil maar,” fluisterde hij in haar oor, “morgen is een nieuwe dag”. Hij opende de klep van de piano. Voorzichtig legde hij haar op de snaren.

Cosi Perreth
0 0