Lezen

zoeken

Dag Leona   Ben jij een ‘binnenkijker’ of een ‘buitenkijker’ ? Zo begon mijn eerste brief aan jou.                  Zeven brieven later is deze vraag voor mij nog niet éénduidig beantwoord. Ik zie buitenkijkelementen met af en toe een binnenkijkmoment. Ik ben heel benieuwd hoe jij het zelf ziet.   Ben jij een speelvogel in het leven zelf (en hoe merk je dat) ? Vanwaar komt de voorliefde voor Martin Luther King ? En in welke zin ben jij een ‘sinner’? Het valt op: deze woorden komen een paar keer voor in je brieven. Automatisch zie ik allerlei verhalen voor me, gaande van licht absurdistische tot bloedernstige taferelen... Vooraleer mijn fantasie helemaal op hol slaat, pols ik het graag bij jou.   Hoeveel gele zielen kan een mensenleven tellen ? Je ‘gele zielen’ brief heeft me geraakt. Het was een kwetsbare brief met druppels triestheid. Maar ook met hoop en schoonheid. Je woorden baadden in puurheid. En het zette mij aan het denken over de gele zielen in mijn leven. Dank om het te delen.   Waaruit haal je rust ? Gewiekst en gevat goochel je met woorden. Ik voel een enorme energie en snelheid in je brieven. Ik zie een heldere en analytische geest voor me. Een krachtige vrouw die met nauwgezetheid de meest uiteenlopende gedachtengangen en –kronkels bedenkt en neerschrijft. Vandaar deze vraag, als een soort tegenhanger voor het verbale vuurwerk.   Welk gerecht doet je watertanden ? Ik las dat de microgolfoven een trouwe metgezel is. Als allround lekkerbek, ben ik heel nieuwsgierig naar jouw culinaire geneugtes.   (Ik kan nog talloze vragen bedenken. Noem me gerust een voltijdse vragensteller, het ligt geheel in de lijn van mijn werk. Om toch een tipje van de sluier op te lichten.)     Vol verwachting,   Winny   PS An, nu maak je me wel heel nieuwsgierig. Laat me dan toch ook een vraag aan jou stellen: over welke periode in ons leven gaat het ? Dan kan ik beginnen graven. Want dit is zeker: ik heb geen naamgenoten in België.            

Yuko
0 0

Er Zijn (Jan Loogman)

Er zijn   Hoor je nog wie ik ben, ben ik het,deze zoekende woorden, deze dwalendestem in dit huis, hoor je nog waarik woon, luister je, en naar wie.(Uit: Rutger Kopland, Geduldig gereedschap) Met dank aan:Erik, Mieke, Hendrik, Veerle, Adinda, Marieke, Ludo, Kristien, Vera, Elisabeth, Haddie, Sabine en ook Esther en Tamara. © Jan Loogman, mei 2018 1. 1994 Nog voordat Johan het portier opent, slaat de motor van de BMW al aan. “Jij moet eens je rijbewijs halen,” hoort hij terwijl hij zich op de bijrijdersstoel laat zakken. “Ik heb jou toch,” antwoordt hij. Peike heeft zelf ook pas op zijn vijfenveertigste rijexamen gedaan. Moet je hem nu zien zitten, in deze grote bak. Studeerkamergeleerde poserend als geslaagd organisatieadviseur, dat krijg je met deze arbeidsmarktsituatie. Deze kar past hem niet. “Zelfbescherming,” zegt hij, “In een kleinere auto voel ik me te kwetsbaar. In deze durf ik te rijden.”   Ze koersen de stad uit, de smalle dijkjes richting Spaarndam op. “Ik ben naar Friesland geweest, kemphanen kijken, “vertelt Peike als hij de weilanden onder de dijk ziet. “Ze baltsen nu. Alle mannetjes op hetzelfde weiland, veren uit en elkaar de loef afsteken. Alles om de vrouwtjes te imponeren. Hoewel ze soms erg veel naar elkaar kijken. Alsof het alleen daarom gaat, mooier te zijn dan de ander.”   Ze zijn op weg naar de sluis in het Spaarne, waar het restaurant zit. Fantastisch eten daar, hebben ze gehoord. “Het kost wat, maar je krijgt er ook iets voor,” is hun gezegd. Sinds Johan vorig jaar de baan bij Dorien heeft aangenomen, hoeft hij voor de prijs niet terug te schrikken. Gek is dat, toen hij nog bij Peike werkte, kostte het Johan nota bene moeite hem te overtuigen dat hij beter moest betalen. Voor zichzelf niet zuinig, maar voor een ander de hand op de knip. Terwijl hij volledig zelfstandig werkte, wilde Peike hem als een aankomend adviseur blijven betalen. “Je doet het werk nog niet zo lang,” was zijn argument. Wat doet dat ertoe als je gebruik maakt van ervaring in andere functies en goed bent in je werk? Maar vooral had hij kemphanen als Paul en Tom willen laten zien dat hij van hetzelfde kaliber was als zij. Of was hij zelf ook weinig meer dan een showmannetje? Op een zeker moment had hij er genoeg van gehad, ook het advieswerk ging hem tegenstaan. “Als adviseur zit je altijd goed,” zei hij tegen Peike, “Als het anders loopt dan je verwacht had, maak je dat je weg komt naar de volgende klus. Ik wil weer de gevolgen van mijn handelen dragen.” Dorien wilde hem graag als manager van haar stafafdeling aantrekken. “De boel moet stevig opgeschud worden, er moet een andere stijl gevoerd worden, niet iedereen zal meekunnen. Ik denk dat jij geknipt bent voor de klus,” had ze gezegd. Zelf had hij zijn twijfels, maar ja, vond hij zelf niet dat bekwaamheid van ondergeschikt belang is in de carrière-race? Kijk maar naar Paul en Tom, ambitie is de doorslaggevende factor. Nu toonde hij die zelf ook maar eens, hij heeft het aanbod van Dorien aanvaard.   Met Peike, Adriaan en andere collega-adviseurs blijft hij omgaan. Dikke praat als ze elkaar ontmoeten, maar bij hem neemt de bluf af. Dagelijks ervaart hij nu dat bekwaamheid er toch wel toe doet. Het is bekwaamheid van een soort die hij niet goed in het oog heeft gehad. Het gaat er niet alleen maar om wat je kan, welke talenten je hebt en hoe je ze benut. Het belangrijkste wat je als manager moet kunnen, is gebeurtenissen buiten jezelf houden. Je moet vooral een dikke huid hebben. Je moet zaken van je rug af laten glijden. Hij twijfelt of hij dit vermogen bezit. Maar wie weet, bezitten anderen het evenmin, liggen zij net als hij wakker in de nacht en is het verschil toch louter ambitie die in hen vuriger brandt dan in hem. Nu ja, ook hij geniet graag het voordeel van een stevig inkomen. Het is handig, zeker als je graag dure eettentjes bezoekt.   “Weet je dat mijn opa hier heeft gewoond,” vraagt hij Peike. “Hij was een wedstrijdrijder op de kortebaan. Als er ijs lag, stond hij erop. Als er wedstrijden waren, deed hij mee. Er was prijzengeld. Soms kon je vijfentwintig gulden winnen, een mooi bedrag in die tijd. Ik heb het over 1900. Hij woonde even verderop, schaatste naar alle wedstrijden toe.” Zulke verhalen interesseren Peike soms, je weet nooit wat hij erop terug zal zeggen. “Jouw opa was toch schillenboer,” vraagt hij nu. “Nee, deze was een veehandelaar, maar geen goede. Hij gaf meer geld uit dan hij verdiende. Hij kleedde zich sjiek, hij dronk graag een goed borreltje. Hij is nog eens naar het buitenland gevlucht om aan zijn schuldeisers te ontkomen. Hij is gestorven toen mijn vader pas zeven jaar was. Mijn oma hertrouwde met een weduwnaar. Dat was de schillenboer. Zo is mijn vader dat ook geworden.”   “En nu zit jij hier, in een BMW, op weg naar een sterrenrestaurant. Proleet, pas maar op voor je schuldeisers.” Peike lacht erbij. Johan voelt eens of de kraag van zijn colbertje goed zit. Papa moet zijn voorkeur voor zijden sjaaltjes en kleurige jasjes van zijn echte vader hebben meegekregen, zijn stiefvader was in zijn ogen maar een minkukel. Een echt schillenboertje zou hij hem hebben genoemd, een type dat niet meetelt in de wereld. Maar dat kon hij niet zeggen, hij was zelf een schillenboer.   Henk en Adriaan zitten al op het terras van het restaurant bij de sluis. Ze vangen het laatste zonlicht op, Adriaan heeft er zijn zonnebril voor opgehouden. “En, hoe gaat het met onze manager?” vraagt hij Johan. “Voorlopig heb ik nog geen adviseur nodig,” antwoordt Johan. Liever dit antwoord dan de adviezen van Adriaan te moeten aanhoren. Ze hebben geregeld samengewerkt als adviseurs, maar hij heeft zich nooit helemaal prettig gevoeld bij diens adviesstijl. Betweterig, traag bovendien. Humor die je vanaf de overkant van de oceaan ziet aankomen. Nee, niet zijn stijl. Hij zou trouwens geen advies van een adviseur willen krijgen. Henk is al jaren directeur van een grote organisatie. Intelligent, door de wol geverfd, iemand die weet dat fouten onvermijdelijk zijn. Met zo’n man zou hij wel willen praten. Maar dit is niet de gelegenheid voor een gesprek over zijn werk, hij vergeet het nu liever. Laat hij genieten van het eten, van de drank niet te vergeten. Als aperitief bestelt hij een vijf jaar oude jenever.                                                             *De volgende ochtend heeft hij moeite om van huis weg te komen. Is het de drank van gisteren die hem parten speelt, de slapeloze nacht of ziet hij op tegen de begroeting door zijn medewerkers? Tellen ze al zijn dagen? Lopen er weddenschappen over het moment van zijn vertrek? De vorige manager heeft hier een jaar gezeten, willen ze hem nog eerder weg zien te krijgen? “Je bent echt goed bezig, man,” heeft Dorien hem tijdens de kerstborrel nog toegevoegd. Om hen heen werd gepraat, geflirt, een enkeling wilde een dansje wagen. De stemming was ontspannen. “Dat heb jij voor elkaar gekregen, moet je ze eens zien,” had zij gezegd. Maar zag zij het goed? Was de sfeer ontspannen door zijn toedoen of juist omdat de mensen al denken te weten dat ze binnenkort van hem geen last meer zullen hebben? Wordt er achter zijn rug over hem gepraat? Laat hem maar kletsen, een lichtgewicht die het hier niet lang zal maken. Misschien hebben ze het bij het rechte eind, de lofzangen van Dorien op zijn goede werken klinken hem te nadrukkelijk om gemeend te kunnen zijn. Bovendien verbindt ze aan haar prijzende woorden altijd weer eisen. Fantastisch, Johan, zoals je deze ontspoorde club weer in het gareel brengt, het werkplezier terugbrengt bij de medewerkers. “Maar de rotte appels moeten eruit, geen halve maatregelen.” Hij begrijpt het wel. Was het een ander die deed wat hij heeft gedaan, dan zou hij ook vinden dat hij goed bezig is. Eindelijk een man die niet terugdeinst, iemand die door durft te pakken. Maar past de rol hem wel? Tot een half jaar geleden was hij de man op de achtergrond, de acteur die zijn eigen momenten koos om te schitteren, de wijsneus die scherp uit de hoek kon komen en er daarna weer gauw in terugkeerde. Een adviseur. Nu heeft hij voor het volle licht gekozen. Hij, de jongen die op school geen spreekbeurt durfde te houden. Dat is wel veranderd, maar toch. Hij herinnert zich de opleiding tot organisatieadviseur die hij een paar jaar geleden doorliep. Hij was er een van de twaalf ambitieuze deelnemers. Wie is eigenlijk de leider in deze groep, vroeg in de vierde week de communicatietrainer die ze ook kenden als drummer in een hippe rockband. Stomverbaasd was Johan, toen de anderen hem aanwezen. Hij stuurt discussies een kant op zonder dat wij het doorhebben, zeiden ze. Hij komt met nieuwe ideeën. Ze vonden hem de leider. “Dat had mijn vader moeten horen,” zei hij. Maar de communicatietrainer vond het onzin. “Hij?” zei hij en wees naar Johan. “Hij is niet de leider van de band, hij is een Sologitarist, een zanger misschien. Een man die in het licht stapt, maar geen man die de zaak stuurt. Hij kan zomaar weer uit het licht stappen, hoor. Pas op.” Mooi gezegd, vond Johan, maar nu in deze baan is hij de baas van de muziek. Hij begrijpt hoe hij zijn baan aan moet pakken: denken als adviseur, handelen als de manager die hij nu is. Hij kan zijn snor niet drukken. Maar er is de kou die hem ’s nachts in bed overvalt. Is het de onzekerheid over zijn slagen of zijn het de tranen van Charlotte, die hij ’s middags de wacht heeft aangezet? Ligt hij wakker om de angst van Dick die zegt dat hij zonder zijn baan zijn hypotheek niet kan betalen? Of verdraagt hij doodgewoon niet dat een baas nooit eens even achteruit mag stappen? Is dat zijn eigen controledrang die daar spreekt? Wat het ook is, hij ligt als een strakgespannen snaar in bed, terwijl de kou via zijn voeten en handen in zijn lijf kruipt. Steeds vaker loopt hij ’s nachts naar de lege zolderkamers van zijn dochters om de dekbedden te halen die hij op zijn eigen bed opstapelt om er daarna onder te kruipen. Iets moet hem verwarmen.   Het liefste zou hij vanochtend thuisblijven. Vanmiddag komen zijn beide dochters, zijn deel van de week met hen is weer aangebroken. Ze hebben zelf de sleutel. Prima hoor, pap, heeft Mickey gezegd, ik zorg wel voor het eten op donderdag. Ze is veertien, Coby is amper elf. Hij wil hen zien binnenkomen, thee voor hen inschenken waar Mickey geen genoeg van kan krijgen, terwijl Coby zal vragen of hij geen cola heeft. In plaats daarvan rent hij naar de trein om op tijd op zijn werk te kunnen zijn. Eerste klas reist hij, dat dan weer wel.                                                                 *Er is tevoren coördinatie geweest, merkt hij tijdens het werkoverleg dat hij een uur later voorzit. “Waarom moet alles ineens anders?” klagen de mannen opnieuw. Het lijkt of ze allemaal dezelfde kleren dragen, een overhemd en daaronder een terlenkabroek. De vrouwen een twinset. Is dit een club die hij wil aanvoeren? Moet je hen horen morren. “We dansen naar de pijpen van Verschuur,” zegt Dick Houkes. Meteen is het stil, nu de naam van de belangrijkste klant genoemd is. Hebben Johan en Dorien hem in de hand, of maakt hij hier feitelijk de dienst uit? Beslist hij hoe hier gewerkt wordt, en – vooral – wie er mag blijven en wie zal moeten vertrekken? “Zeker,” hoort Johan zichzelf zeggen, ”hij heeft het geld, maar we laten onze interne processen niet door hem bepalen.” Hij hoort hoe de stilte blijft duren.   In de dagen daarna merkt hij dat hij de medewerkers niet heeft overtuigd. Natuurlijk zijn er, die zich aan de nieuwe procedures houden, maar Nico de Vries en Peter Blankaert melden zich op dinsdag absent, omdat zij namens Verschuur op een beurs moeten staan. Als hij er lucht van krijgt, wil hij optreden. “We hebben hier geen privé-winkeltjes,” zegt hij, maar op woensdag zijn de twee nog niet terug op de werkvloer. Die zijn bezig hun eigen toekomst veilig te stellen. Daar zien ze hem geen rol in spelen. Hij begrijpt het, maar zo kan er niet gewerkt worden. Hij besluit zelf bij Verschuur op bezoek te gaan. De oude man haalt de jeneverfles tevoorschijn en ze drinken samen. “Ik begrijp wat je wilt,” zegt Verschuur, “maar ik ga je niet helpen. Zie maar dat je het voor elkaar krijgt.” En dus blijven zijn medewerkers hun eigen gang gaan. De een vertrekt ’s middags om één uur van het werk om over de PR met Verschuur te overleggen, de ander komt ’s ochtends pas tegen lunchtijd op kantoor omdat hij de avond daarvoor op een beurs heeft gestaan om Verschuurs bedrijf te promoten. “Zo kunnen we niet werken,” zegt hij als hij eindelijk eens alle medewerkers bijeen heeft. “Voortaan loopt alles via mij.” Wat hij zich daarmee op zijn hals haalt, ontdekt hij al gauw. De een komt overleggen over haar zwangerschapsverlof, de ander over de inhoud van een willekeurige brief. “Ik wil jou niet passeren,” merken ze op als hij zijn ergernis uitspreekt over dit gemier.   Af en toe praat hij met Dorien, zij heeft hem tenslotte naar deze plek gelokt. Hij zegt niets over de transformatie die ze heeft ondergaan, al complimenteert hij haar op een dag wel met haar nieuwe kapsel. Ze kennen elkaar al lang. Als jonge collega’s gingen ze na het werk soms stappen en als zij met haar zware gewicht wel eens omviel, zette hij haar in een taxi. Maar tegenwoordig kan hij niet echt tot haar doordringen. Past dat strakke permanent wel bij haar? Ze eten nooit meer samen in het bedrijfsrestaurant, want vaak heeft zij zakenlunches met mensen die Verschuur op haar afstuurt. “Ik houd hem wel op afstand, Johan,” zegt ze als hij zich beklaagt dat Verschuur zich zelfs met hun interne bedrijfsvoering bemoeit. “Doe jij maar wat je nodig vindt.” Ze zal voluit achter hem staan, zegt ze, en dus zet hij de medewerkers op non-actief die teveel hun eigen gang gaan. Vijf dagen later stapt Verschuur onaangekondigd zijn kantoor binnen en begint te schelden. “Wie denk jij wel dat je bent? Kleine, miereneukerige klerk! Intellectueel van het jaar Nul! Bloemetjesoverhemd! Je neemt Blankaert onmiddellijk terug in actieve dienst, begrepen? En De Vries ook! Je weet wat er gebeurt als je het niet doet.”   Later, diezelfde middag, overlegt hij met Dorien. Ze is net terug van een van haar lunches, er hangt een lichte dranklucht in haar kamer, in gedachten ziet hij haar vallen bij een bushalte, maar tegenwoordig rijdt zij auto en als ze teveel gedronken heeft, laat zij zich door een directiechauffeur naar huis rijden. “Ik sta altijd achter je,” zegt ze. “Maar Verschuur kunnen we niet kwijtraken, we moeten hem tegemoetkomen.”   ’s Avonds thuis kookt hij snel een maaltijd, hij moet gezond blijven eten. Om zich te ontspannen drinkt hij tijdens het koken een glas rode wijn. Het eten schrokt hij naar binnen en als het glas leeg is, schenkt hij zich er nog een. Om elf uur ligt hij in bed, maar om twee uur schiet hij wakker en daarna woelt hij om het warm te krijgen, tot het tijd is om naar het werk te gaan.   Als op donderdagavond zijn dochters komen, vraagt hij naar hun schoolwerk en welke muziek ze instuderen. “Ik heb je toch al verteld van dat alto-bandje, pap?” zegt Mickey, en Coby herinnert hem eraan dat ze gestopt is met drumles. Op vrijdagochtend zet hij hun ontbijt klaar en maakt hen wakker voordat hij naar kantoor vertrekt. Op kantoor zit hij vooral in zijn kamer, hij loopt niet naar de medewerkers en zij zoeken hem ook niet op. Hij stelt zich voor dat Blankaert en De Vries thuis naast de telefoon zitten, wachtend tot hij belt dat ze weer hun gang kunnen gaan. Maar hij belt niet. Aan het einde van de middag is hij weer thuis en rolt een pizza die ze met zijn drieën beleggen met groenten, voor Coby leggen ze de salami in een hoekje. Laatst leefde zijn moeder tijdens zijn bezoek op toen hij het over zijn dochters had. “Missen ze hun moeder niet, als ze bij jou zijn?” vroeg ze. “Misschien wel,” heeft hij geantwoord, maar tijdens het garneren van de pizza lijkt geen van beiden aan Sacha te denken. Later op de avond, als ze met zijn drieën naar Medisch Centrum West kijken en griezelen om dokter Frank, voelt hij dat ze met elkaar een volledig gezin zijn. Die avond slaapt hij goed. De dag daarop gaat Coby met hem mee naar de markt. Eigenlijk voelt zij zich te oud om met haar vader door de stad te lopen, dat beseft hij wel. Nu doet ze iets wat ze zonder de scheiding niet zou hebben gedaan. Al is ze elf, ze neemt een blokje kaas bij de kaasboer en een warme stroopwafel bij de kraam even verderop. In de middag zitten Mickey en zij ieder op hun kamer, ze komen theedrinken als hij hen roept en later eten ze de warme maaltijd die hij heeft gekookt. Voordat ze weggaan, pakt hij een boek uit de kast en leest ze een gedicht voor, Jan Hanlo, “Het was half vijf ’s morgens in April / Ik liep en floot de St. Louis blues / Maar ik floot die op mijn eigen wijze / Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten / gelijken op de zang van de grote lijster…” Vooral Mickey geniet: “Pap, ik dacht dat je ermee opgehouden was, voorlezen aan ons.” Als het gedicht uit is, pakken ze hun tas. Hij kijkt door het raam hoe ze wegfietsen en pakt de telefoon. “Ze zijn bijna bij jou,” zegt hij.   Op maandagochtend belt hij naar kantoor en meldt zich ziek.   2. 1994Als hij de telefoon heeft neergelegd, kijkt hij naar het papier voor zich. Vier sterke lijnen in het midden, twee zwakke lijnen aan de buitenkant: Ta Kwo, het overwicht van het grote. Hij heeft de enige vraag gesteld, die er op dit moment toe doet: “Wat is er met mij aan de hand?” Toen hij daarna de muntjes gooide, verscheen dit beeld. “Een toestand die niet kan voortduren,” leest hij in de I Tjing, “daarvoor is het overwicht van het grote te excessief. De dragende balken kunnen de belasting niet aan. De edele moet zich uit de voeten maken. Het is bevorderlijk een plaats te hebben waar men heen kan gaan.” Even heeft hij moeite met de tekst, dan dringt tot hem door dat hij de edele is. “De edele treft geen blaam,” leest hij, hij doet er verstandig aan afstand te doen van de wereld en hoeft zich daarvoor niet te schamen. Dat is alvast mooi meegenomen.   Ze zullen gedacht hebben aan een griepaanval. Of een kater na een stevig gevierd weekend, misschien aan een heftige maandagochtendblues die hem de zin in de treinreis ontnam. Ze zullen hem morgen, of uiterlijk woensdag weer op het werk verwachten. Hij blijft maar horen wat Dorien hem tijdens de kerstborrel heeft gezegd. Hij doet het goed. Maar de kou ’s nachts is onverdraaglijk, en dan de voortdurende pijn in zijn schouders. Wil hij dit? Is zijn huid dik genoeg?   Later in de week pakt hij opnieuw de telefoon en belt Dorien. Ze spreken af ’s avonds te eten. In het restaurant kiest hij voor bier bij de maaltijd. “Ik stop ermee,” zegt hij even later. “Ik denk dat je een time out nodig hebt,” zegt zij. Heeft ze gehoord wat hij zei? “Ik heb het al met Van Weely, de hoofddirecteur, besproken,” gaat ze verder. “Toen je nog bij Peike werkte, heb jij voor Van Weely dat inrichtingsadvies geschreven, daar was hij erg van onder de indruk. Hij is over je te spreken. We zien jou als iemand die op termijn zijn plek kan innemen. Hij wil zuinig op je zijn. Ik mag een adviestraject voor je regelen. Volgende week belt Rutger van Sevenum je. Ken je hem?” Johan knikt. Die naam heeft hij gehoord, Van Sevenum thoe Lynden om precies te zijn. Een sjiek loopbaanadviesbureau, honderd procent Amsterdam Zuid.                                                                *Kijk hem zitten, de man uit Zuid. Zijn pak past hem even goed als zijn dubbele naam. Maar hij is van deze tijd, Johan mag hem gewoon Rutger noemen. Ongetwijfeld vernoemd naar zijn grootvader en reken maar dat de familienaam terug te vinden is in het blauwe adelsboekje. Of is het rood, dat boekje? Johan heeft het nooit gezien, maar dat hij in de laatste maanden nu al een aantal malen aan tafel heeft gezeten met deze chique vent, deze crème de la crème bevalt hem wel. In het begin moest hij wennen, de amicale omgang, alsof hij geen probleem was dat opgelost moest worden. Hij was toch de man die zijn baan niet aankon?   Maar de time out doet hem goed, hij is niet zomaar iemand die op de vlucht is geslagen, hij is de edele die zich uit de voeten maakt. Noblesse oblige, hij is het waard om zichzelf een goede plek te bezorgen. Dankzij de time out kan hij weer vrijuit denken. Hij zal weinig aan het advies van deze Rutger hebben. Een aardige kerel, maar zonder feeling voor een jongen als hij. Ze zullen ongeveer even oud zijn, maar reken maar dat Rutger op het hockeyveld stond, op de zaterdagen dat Johan voor zijn vader met de schillenzak liep. Hoe zou zo’n man hem kennen? Johan kan uittekenen hoe hij zijn situatie ziet. Privéproblemen, een scheiding, een nieuwe baan terwijl hij thuis geen stabiliteit vindt, een tijdelijk probleem. En dan weet hij nog niet eens het fijne van zijn privésituatie.   Moet je hem nu horen, in dit afsluitende gesprek. Van Weely, de hoofddirecteur, smult ervan, zelf ook zo’n geslaagde gozer. Johan had Rutgers tekst zo uit kunnen schrijven. Sensitief noemt hij Johan, communicatief, analytisch, verbaal getalenteerd. Wat had hij anders kunnen verwachten? Hoor hem oreren, blind voor Johans gebreken. Alsof ze elkaar niet hebben ontmoet. Blind voor de keerzijde van Johans talenten. Overgevoelig, vatbaar voor elke tegenspraak, geen man voor het front. Toch is het wonderlijk, zo’n duurbetaalde kerel die geen oog heeft voor Johans zwakke kanten. Ambitieus en onbekwaam, natuurlijk. Louter gewend aan succesvolle types, geen gevoel voor falen.   Hij realiseert zich dat het stil geworden is in de kamer. Van Sevenum heeft zijn conclusie geformuleerd, nu kijkt Van Weely verwachtingsvol naar Johan. Hij hoeft de voorzet maar in te koppen en volgende week zit hij weer op zijn oude plek, een groot talent op weg naar nog mooiere plekken in de organisatie. Geen dekbed zal onbetaalbaar voor hem zijn, de vijfjarige jenevers zal hij en gros kunnen inkopen. Maar nee, hier past geen afwachten meer, Johan kijkt even opzij naar Dorien die hij gisterenavond heeft opgebeld. Nauwkeurig heeft hij uitgelegd met welke conclusies Van Sevenum zou komen en waarom deze volledig de plank misslaan. “Ik wil die kant absoluut niet op,” heeft hij gezegd. Toen hij vertelde hoe hij zijn toekomst ziet, was ze even stil. “Dan heeft Verschuur gewonnen,” zei zij daarna. “Dat is het juist,” heeft hij geantwoord. “Als ik bleef, zou hij ook gewonnen hebben. Ik moet niet over hem denken, maar over mezelf. Wat wil ik?”   Nu is het aan hem net zo helder te zijn als hij over de telefoon is geweest, dan zal zij hem steunen. “Tja,” zegt Johan, “alles wat van Sevenum, Rutger, zegt, klopt als een bus. Alle talenten die hij mij toeschrijft, bezit ik.” Hij kijkt de tafel rond en glimlacht. “Dat is geen arrogantie. Tegelijkertijd zit hij er namelijk helemaal naast.” Helderheid, want nu is het tijd voor de edele om voor zichzelf op te komen. “Mijn zwakke kanten ontbreken volledig in zijn verhaal. Is u dat opgevallen?” Van Weely trekt zijn wenkbrauwen op. “Ik lijk geen zwakke kanten te hebben. Maar hoe kan het dan dat ik nu al vijf maanden thuis zit? Is dat luiigheid? En zo ja, is dat dan geen zwakke kant?”   Hij stopt met praten, Van Weely, Van Sevenum en ook Dorien lijken wat gegeneerd door zijn opmerkingen. Hebben ze hier een gemakzuchtige luiaard voor zich of iemand die hen in het ootje neemt? En komt hij niet te competent voor zichzelf op? Laat hij hun gevoeligheid niet overschatten, vooruit nu de juiste koers inslaan: “Ik bezit alle talenten die Rutger noemt. Jullie kennen me bovendien als een ijverige harde werker, geen luiaard. Maar ik mis ook belangrijke competenties. Ik ben geen man die beslissingen kan nemen en daarna louter vooruitkijkt, ik ben sensitief zoals Rutger zegt, misschien zelfs overgevoelig. Ik mis de hardheid die een manager nodig heeft. Ik kan nog meer gebreken noemen, controledrang die niet goed past bij iemand die de grote lijnen uitzet. Het ontbreken van het grote gebaar, een zekere losheid. Ik ga mezelf niet verder afbreken. De kern is: Rutger poetst het dubbeltje dat ik ben op tot een heel mooi kwartje, maar als ik dat zou willen zijn, ben ik mezelf niet meer. Ik kies ervoor gezond te willen blijven. Ik heb goed rondgekeken de laatste tijd, ik weet wat ik wil.”   Een vage afsluiting, maar Dorien herkent haar cue. “Het is tijd om conclusies te trekken,” zegt ze. Van Weely knikt.   Twee weken later belt Dorien. Haar stem is koel, de toon afstandelijk. “We zijn eruit. Je komt hier niet terug. Aan een dood paard gaan we niet trekken. Van Weely heeft Piet Baars gebeld. Die vacature die jij noemde, is er inderdaad. Hij heeft in Alkmaar een jurist nodig voor de vertegenwoordiging naar de rechtbank. Je hebt dan wel geen ervaring, maar Piet is bereid met je te praten. Succes.”“En de vertrekregeling?” vraagt Johan.“Die kun je vergeten. Jij kiest ervoor weg te gaan, wij wilden je houden. Je salaris bij Baars gaan wij niet aanvullen.” 3. Fietsvakantie, 1966Hard en scherp prikt het helmgras in zijn kuiten. Het zand kleeft aan zijn armen. Ze zouden beter kunnen opstaan en doorfietsen, maar hoe kan hij Jacques onderbreken, die naast hem zit en aan één stuk door praat? Dat ze straks bij zijn oom en tante zullen aankomen en dat hij de nichtjes zal ontmoeten. Leuke meisjes die bovendien bijna van hun eigen leeftijd zijn. Kon hij zijn oren maar sluiten voor die stem. Ook Jacques heeft nog steeds niet de baard in zijn keel. Of gewoon opstaan, Jacques bleef zitten en merkte niets, terwijl hij opstond en wegfietste, terug naar huis.   Het is verdomme zomervakantie, met de school dacht hij niets te maken te hebben. Gisteren kwam mama hem roepen dat er telefoon voor hem was. “Ene Jacques van der Made,” zei ze en ze gaf hem de hoorn. Hij hoorde de hoge stem aan de andere kant van de lijn en stelde zich voor hoe Jacques naar buiten keek, naar de auto’s die voorbijreden over de Weesperzijde. Jacques had hem een tijdje geleden weer gevraagd wat voor werk zijn vader deed. Na zijn antwoord (“veeboer”) had hij langs zijn lange, rechte neus omlaag gekeken. Had hij papa al eens met zijn stinkende wagen vol etensresten en schillen door Oost zien rijden? Dacht hij daarom dat hij hem thuis kon opbellen en voorstellen samen op fietsvakantie te gaan? Het woord stoorde hem. Tot drie keer toe moest hij Jacques vragen wat hij zei. Fietsvakantie. “Ik kom vanmiddag naar je toe, “ hoorde hij Jacques zeggen, “dan maken we een plan en kunnen we morgen vertrekken.” Hij had de hoorn op de haak willen gooien, de verbinding verbreken. Het was niet mogelijk dat Jacques bij hen thuis zou komen, natuurlijk zouden ze in de huiskamer gaan zitten, een atlas op tafel om de route te bekijken, en dan zou papa thuiskomen, stinkend naar zweet – hij herinnerde zich hoe hij als kleine jongen bij zijn vader op schoot was gesprongen, zijn vader liet hem paardjerijden en hij rook de geur die vanuit zijn oksels opsteeg, een dierlijke geur. Toen zat hij nog niet op het lyceum in de stad, alles was in orde geweest, niemand vroeg naar het beroep van zijn vader, iedereen kende hun gezin. Dat was meer dan drie jaar geleden. Stel je voor dat papa in zijn schillenpak, vette vlekken op de mouwen en de broek, op Jacques zou afstappen en hem de hand zou schudden, luid sprekend, en Jacques zou zijn neus in een kronkel laten schieten, om zijn weerzin te laten merken.   Waarom zei hij niet dat hij helemaal geen tijd had, dat hij uit logeren ging of dat hij moest werken? Het enige dat hij heeft weten te zeggen was dat hij vandaag geen tijd had, maar wat een leuk idee, een fietsvakantie, had hij gezegd. Stippel jij de route maar uit, we treffen elkaar morgen wel, op de Spaarndammerdijk.   Vanochtend stond Jacques daar al te wachten. Ze zijn in één keer naar de duinen gereden, steil omhoog bij Kraantje Lek en na de afdaling het helmgras in. “Tijd voor een eerste pauze,” heeft Jacques geroepen. Nu praat hij, hij legt de route uit, vertelt over zijn familie waar ze zullen logeren. Zijn wangen worden rood van opwinding.   De duinen kent hij. Hij kwam er als kleine jongen al. Papa reed op zondag de vrachtwagen voor, resten van vuil en vet nog in de laadbak. Zijn zussen kwamen met sop en borstels naar buiten en begonnen te boenen. Binnen smeerde mama de boterhammen die ze in de grote trommels opstapelde. Hij en zijn broers zochten in de kelder tussen de wasteil en het afvoerputje naar de bal. Als iedereen klaar was, kwam tante Cor. Ze droeg een hoed, “vorig jaar gekocht aan de Riviera “, een zonnebril, een strak truitje met een vest eroverheen en een ruimvallende rok. Terwijl papa en mama in de cabine stapten en de reiswieg met de baby tussen zich in plaatsten, dirigeerde Tante Cor hem en zijn broers en zussen de laadbak op, waar ze gingen zitten, hun rug tegen de cabine, stijf op elkaar. Zijn oudste zus moest aan de ene buitenkant van de rij gaan zitten en tenslotte klom Tante Cor zelf de laadbak in en wrong zich aan de andere buitenkant tussen de rij en de opstaande rand van de bak. Niemand kon zich nog bewegen. “Zo zitten we safe,” zei Tante Cor, “maar denk eraan: als je politie ziet, moet je duiken.” Dan vertrokken ze, door de polder, dwars door Haarlem en bij Bloemendaal de Zeeweg op. In Zandvoort liepen ze door de duinen naar het strand. Ze bleven op het pad. Alleen als de bal weg rolde, stapte een van hen het helmgras in. Dat kriebelde dan aan je voeten, niet dat geprik dat hij nu voelt.   Al sinds de eerste klas van het lyceum zoekt Jacques toenadering tot hem. Hij woont in Oost, aan de Weesperzijde, zijn vader is huisarts. De Weesperzijde is vanaf hun eigen dorp helemaal aan de andere kant van de stad en toch kent Johan hem wel. Soms moet hij zijn vader helpen met schillen ophalen en op die dagen verlangt hij vanaf de eerste minuut naar het einde van de dag. Dat ze op de terugweg naar huis zijn, dat hij heeft geholpen, met de juten zak op zijn rug heeft gelopen zonder dat iemand hem heeft gezien, iemand die hem kent. In de ochtenden ligt hun wijk in het hart van de oude stad. In de Nieuwmarktbuurt en op de Zeedijk komen de eerste mensen de straat op. Ze mopperen want ze zijn Amsterdammers. De vrouwen strijken hem over zijn haar. “Wat een lekkere knul. Is die van jou, schillenboer?” roepen ze. Hij glipt weg, onder hun handen vandaan, de juten zak op zijn rug. “Links de hoek om, nummer 36, tweehoog,” roept zijn vader hem na. “Gebruik je loper.” Even later staat hij op een donkere trap. Met de loper de deur openen, dat gaat hem tegenwoordig goed af, maar waar vindt hij hier de lichtknopjes? Hij struikelt naar tweehoog en tast op het portaal in het rond. Zijn vingers grijpen in natte derrie, zijn hand schrikt terug en zoekt opnieuw het licht. Zijn wijsvinger raakt een knopje en voor zich ziet hij de bak met groentenafval, een rest gekookte spinazie ligt bovenop. Voorzichtig veegt hij zijn vuile vingers af aan de juten zak. Hij probeert zijn kleren schoon te houden. ’s Middags rijden ze naar Oost, daar is de wijk veel overzichtelijker. Vrolikstraat, Pretoriusstraat, lange straten en iedereen is klant. Met de loper opent hij deur na deur en wandelt de ruime trappen op naar een-, twee- en driehoog. De bakjes staan klaar op de portalen, goed zichtbaar in het licht dat door de trapvensters valt. Voorbij de Wibautstraat komen ze niet. De Weesperzijde ligt buiten hun wijk. Daar komt een andere schillenboer. Maar als zij met de wagen de wijk uitrijden, de Ruyschstraat door, passeren ze de Weesperzijde. Misschien staat Jacques in de voorkamer. “Wat doet jouw vader?” heeft Jacques hem herhaaldelijk gevraagd. Eerst heeft hij geen antwoord gegeven. Het advies van zijn oudere zus om “veeboer” te zeggen, voelde als een doorzichtige leugen. Van één koe kun je niet leven.   Nu zit hij met Jacques tussen het helmgras. De hoge stem tettert in zijn oren. Gisteren rond deze tijd had Jacques net gebeld. Hij was naar zolder gelopen, het was er warm. Hij was door het nauwe raampje naar buiten geklommen, het dak op. Daar had hij gezeten, de zon scheen, er was bijna geen wind, niemand wist dat hij hier zat, niemand kon hem zien. Hij had voorover kunnen buigen, naar beneden vallen, zijn hoofd op de harde stenen van het plaatsje achter hun huis. Misschien vonden ze hem pas uren later, hij was al doodgebloed.   4. 2012Te vroeg, beseft hij, hij heeft te vroeg gejuicht. Maar ach, het was louter in zichzelf, hij heeft zijn pokerface bewaard. Hij kijkt om zich heen: een portret van de koning, rechters in hun toga’s met de witte beffen, een zittingszaal zoals zovelen. Links van hem de advocaat van de tegenpartij, eerder die ochtend nog volledig overtuigd van het gelijk van zijn cliënt. Nu twijfelt hij, dat is zeker. En ook de rechters zullen achter hun oren krabben, of toch niet? Heeft hij zijn hand overspeeld?   In de dagen hiervoor heeft hij moeite gehad zijn betoog te formuleren. Wat is dit voor een standpunt, heeft hij zijn collega’s gevraagd toen hij het dossier had doorgenomen. Sinds hun seniorjuristen zijn uitgevallen, neemt hij op dit Amsterdams kantoor tijdelijk de honneurs waar. Hij reist naar Utrecht, voor de zittingen van de Centrale Raad, en verdedigt daar met regelmaat standpunten die hij zelf niet zou hebben bedacht. Ook nu had het dossier hem verrast. Hij doet dit werk nu bijna twintig jaar en het liefst op het scherpst van de snede, maar hier vindt hij de redeneringen soms onnavolgbaar. Hoe zijn jullie hierbij gekomen, heeft hij gezegd, je kent toch de jurisprudentie? Dat was niet zo, heeft hij in de daarna volgende discussie moeten constateren. En toch hebben de collega’s van geen wijken geweten, ze bleven overtuigd van het ingenomen standpunt. Hij ging bewondering voelen voor hun vasthoudendheid, juristen van het jaar nul, maar kan hij hen dat verwijten? Harde werkers, hun inzet is een goed betoog waard. Nu ze de verdediging van dit vreemde standpunt aan hem hebben toevertrouwd, gaat hij de uitdaging aan, hij is tenslotte alleen verantwoordelijk voor zichzelf. Het lukt hem vast wel om met een goed verhaal te komen, hij laat zich graag voorstaan op zijn flexibele geest. Als de tegenpartij hier vanochtend een walk-over dacht te krijgen, heeft die buiten hem gerekend. Don Quichote de la Mancha, zojuist heeft hij die rol weer vertolkt, hij is in zijn eigen argumenten gaan geloven, misschien heeft hij de Raad wel overtuigd. Een heel goed betoog, vond hij tenslotte. Zorgvuldig heeft hij een zelfingenomen houding vermeden. Of heeft hij na zijn slotwoorden toch al te tevreden achterovergeleund? Nooit op een zege vooruitlopen, nooit een nederlaag te vroeg incasseren, met alles rekening houden, maar niets laten blijken. Zeker geen zelfingenomenheid. Dat is wat hij geleerd heeft in de loop der jaren.   Misschien is zijn achteroverleunen opgevallen, hij ziet de drie rechters op hun podium. Lagendijk, de voorzitter, is rood aangelopen. Hij heeft de naam een driftkop te zijn, iemand ook die gebrek aan kennis of intelligentie graag belachelijk maakt. Johan moet zich bedwingen om niet opnieuw het woord te nemen, op zijn betoog terug te komen, zijn excuses aan te bieden, toch het hoofd te buigen, zijn standpunt te wijzigen, maar het lukt hem, hij laat zijn gedachten dwalen.                                                                     *In het dorp stond, halfweg tussen de dijk en de kerk, de witgeschilderde frituurkraam van Lagendijk. Wanneer Don en hij tussen de middag uit school naar huis fietsten, stopten zij daar soms. Daan Lagendijk had de luiken net opengegooid, het vuur onder de pannen aangestoken. Don bestelde twee porties en betaalde ook. Zelf had Johan geen cent te makken, hij mocht van zijn moeder hier trouwens niet komen, je stond er met je zak patat gewoon op straat. Ordinair, zei zij en dus kwam hij hier stiekem en op kosten van Don. Als Lagendijk de zakken had volgegooid, veegde hij zijn handen af aan zijn witte jasje dat nog besmeurd was met de vegen van de dag ervoor. Het leek erop dat het jasje niet vaker dan eens per week verschoond werd. Nooit had hij hier van zijn moeder mogen eten. Het was niet alleen ordinair, het was ook onhygiënisch.   Als de voorzitter zijn stem verheft, bedenkt Johan dat deze Lagendijk van een heel andere tak in de familie moet afstammen. Zijn stem klinkt alsof de eerste prijs in welsprekendheid bij het Leids Studentencorps altijd weer zijn deel zal zijn, op de tafel voor hem ligt naast het glas water een witte zakdoek waarmee hij af en toe zijn voorhoofd dept zonder dat de doek vuil lijkt te worden. Het afvegen helpt trouwens niet tegen het rood dat zijn gezicht in de loop van Johans pleidooi is gaan kleuren. Zodra Johan klaar is met zijn betoog, en jammer genoeg leunt hij op dat moment tevreden achterover, kijkt Lagendijk naar rechts, waar zijn eerste bijzitter zijn handen vouwt en op de tafel laat rusten, niet van plan tot enige actie te komen. “Heeft u geen vragen?” sist hij hem toe. Misschien is dit het ogenblik waarop het rood in zijn gezicht tot paars verkleurt, het moment dat de bijzitter laat weten inderdaad geen vragen meer te hebben. Lagendijk keert zich met een ruk van hem af, richt zich tot Johan. Een stier die zich wendt naar de toreador, met het doel hem op de horens te nemen. Johan buigt voorover, wil de rode kaft van het dossier aan het oog van de voorzitter onttrekken, maar de stier dendert door. “Wilt u overweging 2.5. uit onze tussenuitspraak eens voorlezen?” zegt hij. Natuurlijk wil hij dat, geen ontkomen aan.                                                                    *Op de middelbare school ontkwam hij in de eerste klas op wonderbaarlijke wijze aan elke voordracht, elke boekbespreking, elke opdracht die een presentatie met zich kon brengen. Maar onontkoombaar was het dat hij een keer voor de klas moest komen. Bij Engels haalt de leraar hem naar voren, hij moet enkele woorden op het bord schrijven. Zodra hij een woord heeft genoteerd, hij weet nog welk woord het was, “Port”, vraagt de leraar hem dit nog eens te doen. “Ah, zo doe jij dat. Dat is een unieke manier van schrijven,” lacht hij, “Van welke dorpsschool kom jij eigenlijk?” Johan realiseert zich dat het een vraag is die hij niet hoeft te beantwoorden, de leraar stelt hem slechts voor zijn eigen plezier en dat van de klas, jongens uit de stad die zich vrolijk mogen maken om hem.   Nu mag hij de dodelijke overweging 2.5. nog eens voorlezen, zoals hij ooit de letter P nog eens op het bord mocht schrijven. Rustig leest hij de overweging voor. Als hij klaar is, kijkt hij op, de voorzitter ziet onverminderd paars. “Welke consequenties verbindt u aan deze passage?” blaast hij. Johan voelt de wind dwars door zijn witte overhemd blazen. Een beschermende stropdas was nu fijn geweest, maar die heeft hij sinds 1994 niet meer gedragen. Hij kijkt naar de twee bijzitters, naar de griffier, zoals hij ooit naar zijn klasgenoten keek die klaar waren om in spottend gelach uit te barsten bij elke grap die de Engelse leraar ten koste van hem zou willen maken. Zij zijn bang, ziet hij. Het is aan hem de stier te weerstaan. Hij gaat rechtop zitten, plaatst zijn voeten naast elkaar op de grond en opent zijn mond.                                                                      *Na het echec met de beurt voor het bord tijdens Engels is hij er tot in de derde klas in geslaagd elk optreden voor de klas te vermijden. Toen kwam de spreekbeurt. De leraar suggereerde een onderwerp, hij kwam toch uit de polder? Bij de buurvrouw ziet hij tijdens het tv-uurtje enkele boeken staan over de historie van hun polder, en hij mag deze lenen omdat het voor zijn school is. “Voor school mag je onze hele boekenkast leeghalen, Jean,” heeft de buurvrouw gezegd, die opgetogen is omdat hij op het lyceum zit en daar Franse les heeft. Ze dreigde hem beet te pakken, maar hij was te snel, te klein misschien ook, en is met de boeken naar huis verdwenen. De boeken brengen hem van alles dat hij in zijn spreekbeurt zal kunnen gebruiken. Al die schepen die ooit in het Haarlemmermeer zijn vergaan, al de plannen tot drooglegging en tenslotte de feitelijke drooglegging dankzij de inzet van de stoomgemalen, de Lijnden, de Cruquius en de Leeghwater. Toen de polder er eenmaal was, had in de negentiende eeuw vlak achter de dijk een modelboerderij gestaan, de grond achter hun huis had tot het land daarvan behoord. “Ja,” zei de buurvrouw, toen hij haar erover vertelde, “en van de verkoop van al dat land is die boer rijk geworden en daarna heeft hij zich tot burgemeester laten kiezen. Het gemeentewapen is door hem ontworpen, die korenaren die uit water oprijzen.”   Op zaterdag heeft hij de spreekbeurt gehouden. De nacht ervoor heeft hij gewoon geslapen. Toen was hij nog in staat zorgen opzij te zetten, te vergeten. Maar die ochtend, op weg naar school, heeft hij zich voorgesteld dat hij niet de Beethovenstraat insloeg, maar rechtdoor fietste, de Apollolaan in, God mocht weten waar hij terecht zou komen, wat kon het hem schelen? Hij heeft het niet gedaan, is op tijd op school gekomen en heeft in de eerste twee lesuren als een dode vogel achter zijn tafeltje gezeten. Niemand is iets aan hem opgevallen, hij gedroeg zich zoals ze hem kenden. In het derde uur begon de Nederlandse les zoals altijd, mijnheer Haenen deed joviaal en vertelde over het weekend waar hij zich op verheugde. Toen haalde hij het vel uit de la van zijn lessenaar. Johan wist wat erop stond, de lijst met namen voor de spreekbeurt. Hij vroeg zich af of hij zenuwen voelde. “Johan,” heeft Haenen gezegd, hij moet Johan hebben aangekeken en zijn opgestaan om plaats te maken, een spreekbeurt houd je vanachter de lessenaar van de leraar. Niets weet hij over het vervolg te vertellen. Hij zal met zijn papieren in de hand uit de bank zijn opgestaan, hij zal naar voren zijn gelopen. Hij heeft geen beeld van deze scène. Op het uitspreken van zijn naam door de leraar volgt in zijn hoofd onmiddellijk een ander beeld: hij legt zijn papieren neer, zegt “Dit was mijn spreekbeurt”, staat op en loopt terug naar zijn plaats. “Nee, nee,” zegt de leraar, “je moet nog vragen beantwoorden.” Hij loopt terug naar voren, gaat achter de lessenaar zitten, kijkt naar de jongens in de klas en zegt vrolijk: “Zijn er nog vragen?” In de tien minuten daarna doet hij zichzelf en de klas versteld staan, de vogel is herrezen, hij hoort de vragen, staat op van de lessenaar, neemt een krijtje, schetst het gemeentewapen op het bord. De golven arceert hij zorgvuldig, rug naar de klas die stil blijft. Vanuit de golven laat hij de korenaren ontspruiten. Dan keert hij zich om, vertelt over de burgemeester die zichzelf verrijkte door zijn grond te verkopen toen er plannen kwamen tot uitbreiding van het dorp. Hij is een vogel die voor het eerst vliegt boven de korenvelden. Hij heeft geen angst te worden gevangen. Hij beantwoordt vragen totdat de zoemer het einde van het lesuur aankondigt.   Nu herhaalt hij wat hij eerder heeft gezegd om het standpunt toe te lichten. “Misschien vindt u het een opmerkelijk standpunt,” voegt hij toe, en kijkt Lagendijk in het gezicht, dat nog donkerder paars is geworden, de voorzitter lijkt te barsten. “Ja, dat vind ik zeker,” stoot hij uit, “u kunt dit niet volhouden.” Nog kan hij zwichten, beseft Johan opnieuw, dit is het moment om plat te gaan liggen, afstand te nemen van het standpunt dat hij heeft verdedigd. Als hij dit doet, kan hij zijn kennis van de jurisprudentie ten toon spreiden, zijn intellect tonen door zijn eerdere overwegingen te ironiseren. Het is het moment waarop de toreador wijkt voor de stier. Hij zal zijn eigen gezicht redden, afstand nemen van de organisatie die hij vertegenwoordigt, hij kan deze te kakken zetten. Natuurlijk had hij dit van meet af aan kunnen doen op deze zitting. Maar hij heeft een andere keuze gemaakt, als een kamikazepiloot is hij het standpunt gaan verdedigen, dat zijn collega’s hebben ingenomen, een onhoudbaar standpunt leek het hem. Maar zijn collega’s hebben ervoor gekozen, ook al zijn zij misschien onvoldoende onderlegd. En bovendien, heeft die Leidse Corpsbal niet naar zijn betoog geluisterd? Waarom zou hij die man het gevoel geven dat hij hem kan koeioneren? Dit is geen arena voor stierengevechten, zelfs geen weiland voor kemphanen, dit is een rechtszaal. Hij begrijpt de regels hier, intimidatie hoort er niet bij. Hij haalt adem, ademt uit, zet zich met beide voeten af, klaar om te vliegen. “Ik wil het u nog een keer uitleggen, mijnheer de voorzitter,” zegt hij. Als het zou kunnen, ziet hij, zou Lagendijk verder van kleur veranderen, misschien zou hij even zwart worden als de te lang gebakken frietjes van zijn naamgenoot uit de frituurkraam. Maar hij is geschoold, hij beheerst zichzelf. “Nee, dank u,” zegt hij, “u bent voldoende aan het woord geweest.” Johan vindt het bijna jammer, graag had hij de vogel nog een salto laten maken.                                                                    *In de treincoupé op de terugweg naar Amsterdam blijft hij Lagendijk horen, boven het geroezemoes van de andere reizigers uit. “U kunt dit niet volhouden.” Hoe bekakt de stem ook klinkt, hij herkent de woede erin. Ook het rood aangelopen gezicht en de verwrongen trekken zijn hem vertrouwd. Zijn vader? Verschuur? Of is dit allemaal verbeelding? Komt het doordat de man hem zijn zin wilde opleggen. De mores van de rechtszaal zijn zijn bescherming geweest. Is het daarom dat hij dit werk is gaan doen?   Op verjaardagsfeestjes bij hen thuis stelden zijn zussen meteen na het avondeten de stoelen en tafeltjes op, in de voor- en achterkamer. Hij mocht hen helpen de bekers met sigaretten uit te stallen. “Nee, die moeten niet bij elkaar,” had Geertje hem gecorrigeerd, toen hij de Chief Whip bij de North State wilde zetten. Engelse – en Amerikaanse sigaretten mochten niet in dezelfde beker terecht komen, maar Chief Whip, waren die nou Engels of Amerikaans? En North State? Later op de avond kwamen alle broers en zussen van mama, behalve natuurlijk Heeroom en Zuster Edwarda. En Ome Kees Soll kwam vanzelfsprekend ook niet, die chagrijn. Zijn peetoom is er ook, oom Piet, de broer van papa met zijn zachte stem, even rustig als mama’s broers en zussen. Zijn zussen schenken borreltjes voor de mannen, een advocaatje voor de vrouwen. Het praten wordt wat luider. Boven iedereen uit zijn er twee te horen, tante Cor, papa’s zus, en papa zelf. “Die Fransen is gewoon een lulhannes,” zegt hij nu. Johan kijkt op de klok, misschien is het zijn bedtijd. Hij kent mijnheer Fransen wel, vorige week op de voetbaltraining heeft hij nog uitgelegd dat ze de bal het beste met links kunnen aannemen. Dan ligt hij in een keer goed voor de rechtervoet om te schieten of te passen. Een goede tip, maar nu hoort hij zijn vader over mijnheer Fransen praten. “Hij heeft niets te vertellen bij dat wijf van hem,” zegt hij. Nog eens kijkt Johan op de klok, ja, het is echt bedtijd. Hij staat op en wurmt zich tussen de stoelen, de knieën, de glazen, de handen door, in de richting van de deur naar de trap die naar de stille bovenverdieping voert. “Kom eens hier, Billy,” hoort hij in zijn linkeroor en zijn vader omvat hem met twee handen, trekt hem naar zich toe. “Vertel eens aan je ooms en tantes wat je van de week geleerd hebt van Dick Fransen?” Johan kijkt voorzichtig rond, hij ziet hoe oom Wim naar hem knipoogt. “Kom op, jongen, laat je eens horen. Vertel dan maar over de geschiedenisles op school, wanneer was de Slag bij Nieuwpoort?” Johan houdt zijn mond, iedereen weet dat toch? “Nou, doe je mond eens open. Je hebt toch een tong? Of niet soms?” Hij hoort hoe zijn vaders stem van klank verandert, duwt zichzelf weg, weg van die schoot. Een glas valt om. “Ik ga naar bed,” zegt hij, probeert hij te zeggen. In zijn rug krijgt hij een duw, een harde por, hij hoort zijn vader snuiven. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen,” schreeuwt hij. Nu is het stil in de kamer. Kijkt iedereen hoe hij langs oom Wim glipt, opnieuw op weg naar de trapdeur? Hij voelt een aai over zijn hoofd, vindt de klink van de deur, tante Rie geeft hem de ruimte om de deur te openen, hij sluit hem achter zich en staat in het trapportaal. Even gaat hij op de onderste trede zitten, meteen gaat de deur open, hij had beter naar boven door kunnen lopen. Nu staat mama voor hem. “Kun je papa nou niet even zijn zin geven?” vraagt ze.                                                               *Het liefst zou hij nu in de trein blijven zitten en doorgaan naar huis, kijken of Leon en Micha op het pleintje spelen, misschien een pizza voor hen rollen. Of even naar Mickey of Coby bellen, horen hoe het zijn kleinkinderen gaat. Maar hij moet nog langs kantoor, de collega’s zullen benieuwd zijn hoe de zitting is verlopen. Hij wil ze niet teleurstellen. Zijn eigen plezier in het werk doet hen goed. Ingeslapen club kreeg hij te horen toen hij hier als vervanger begon. Cynisch, werd gezegd. Zijn eigen beleving is anders. Je krijgt wat je geeft, denkt hij, en daarom is het de moeite waard nog even langs te gaan. Als de trein het Amstel Station binnenrolt, staat hij op. Op het perron haalt hij zijn pasje langs de gele paal om uit te checken en checkt onmiddellijk in bij de blauwe metropaal. Een goed geklede buitenlander, zo te zien op weg naar de Zuid-as, laat zijn ticket aan hem zien. Hij wijst hem de weg, als een goed functionerend lid van de samenleving, een man aan wie anderen vragen wat ze moeten doen, een man die er niet voor terugschrikt zijn positie te bepalen. Er staan er genoeg om hem heen die snel hun blik hebben afgewend toen ze de hulpeloze reiziger rond zagen kijken. Om uit de drukte te raken loopt hij een stuk over het perron totdat hij onder de overkapping van het station uit is. Tussen de kantoortorens door ziet hij in de verte een glimp van de Amstel. Toen de kolossen er nog niet stonden, was het uitzicht op de rivier beter. Hij is hier op zijn breedst.   Aanlokkelijk had hij het water gevonden, de eerste keer dat hij hier stond. Hij wachtte op de trein naar Den Bosch. Even later had hij zich door de om hem heen dringende jongens en meisjes naar binnen laten stuwen. Daar duurde de drukte voort, iedereen leek opgewekt, er werd gelachen, maar hij was stil, op zijn plek bij het raam. Zijn klasgenoot Wuk zat naast hem en zei ook niets. Buikpijn had hij gevoeld, waarom hadden de paters niet zoals alle eerdere jaren de eindexamenklas naar een klooster gestuurd, voor een stilteretraite? De tijden veranderden, hun leraar Nederlands, pater Lodeizen, was vorig jaar uit het klooster naast de school vertrokken en droeg geen priesterboordje meer, de langharigen op school werden door pater-prefect niet meer naar de kapper gestuurd, laatst was het schoolfeest door de schoolleiding onderbroken omdat er te intiem geschuifeld werd. Maar hielp het daartegen om de eindexamenleerlingen voor drie dagen naar Den Bosch te sturen? “Wat een vooruitzicht,” had Wuk gisteren gezegd. “Drie dagen en nachten in een groep waarin je niemand kent.”   Als hij terugkijkt naar het perron, ziet hij de metro staan. Hij heeft het binnenrijden ervan niet opgemerkt. Snel rent hij naar de geopende deuren en stapt de coupé binnen, juist voordat de deuren zich sluiten. Hij lacht naar de mensen die bij de deur staan te wachten. Tevergeefs natuurlijk, ze kijken voor zich uit. Nee, er is toch één jongen die teruglacht: “Op het nippertje,” zegt hij. Wat een communicatie, zomaar in de Amsterdamse metro. De jongen draait zich om en Johan kijkt naar buiten. De Spaklerweg raast voorbij, de Weespertrekvaart, het lijkt alsof ze door zullen suizen naar Den Bosch. Na de drukte van de trein was het in de Veemarkthallen in Den Bosch een nog verschrikkelijker gewoel geweest. Overal werden bordjes omhoog gehouden: “Kapittel 51”, “Kapittel 34”enzovoorts. Mensen om hem heen, rugzakken in zijn gezicht, een stap opzij en ineens was daar het bordje dat hij zocht: “Kapittel 33”. Wat jongens en meisjes in een kring, niemand die een mond opendoet, nu is iedereen tussen onbekenden, realiseert hij zich. Een jongeman tikt hem op de schouder en vraagt zijn naam. Hij vinkt hem af op een namenlijst en stelt zich daarna aan Johan voor. Vincent, de leider van het kapittel. De groep is compleet, zegt hij, ze kunnen de bus in. De bus rijdt hen veertig kilometer weg van de stad. In de komende dagen zullen zij er weer naar toe lopen, pelgrims op weg naar de kathedraal.   Ergens in de buurt van Oirschot stappen ze uit. Onder wat eikenbomen gaan ze in een kring zitten voor een voorstelrondje. Sommige stemmen zijn nog zachter dan die van Johan. “Wat wil jij het liefst veranderen, in de wereld, in je eigen omgeving, in jezelf?” vraagt Vincent, als iedereen zich heeft voorgesteld. Geen idee, denkt Johan, misschien dat ik eindelijk stop met knikkers te spelen. Wanneer ze even later in tweetallen samen oplopen, is hij blij met het meisje dat hij heeft getroffen. Lies heet ze, ze komt uit Goirle, bij Tilburg, en ze weet heel goed wat ze anders wil. Vrouwen moeten voortaan gelijk zijn aan mannen. Is dat dan niet zo, verbaast Johan zich. Bij zijn zussen heeft hij niets te vertellen. Voordat hij het zich realiseert, zijn Lies en hij in gesprek. Haar lange, zwarte haar waait in haar gezicht. Ze praten door en komen gelukkig niet toe aan zijn veranderingswens. Als hij even later naast Anne uit Heemstede loopt, vraagt zij hem wat hij het liefste anders heeft in de wereld. “Ik wil dat mannen en vrouwen gelijk zijn”, verklaart hij. Hij verbeeldt zich een haan te horen kraaien, maar het deert hem niet. “Emancipatie vind ik belangrijk,” zegt hij nog eens voor de zekerheid.   Hij ontdekt meer dingen die hij wil veranderen: Nederland moet uit de NATO, ouders moeten hun kinderen geen geloof opleggen, jongeren moeten stemrecht krijgen. Het Talenonderwijs op school moet meer gericht zijn op het leren spreken van een taal, “Vind jij het niet gek dat je in het buitenland niets durft te zeggen?” vraagt hij Anne op de tweede dag. Alsof hij ooit in het buitenland is geweest. Alsof hij ooit in Nederland iets heeft durven zeggen. Ergens onderweg leest Vincent een gedicht voor. “Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit/ het zacht maken van stenen/ het vuur maken uit water/ het regen maken uit dorst…”. - Gerrit Kouwenaar, zegt Anne. Het is een credo, legt Vincent uit, wat is jouw credo? Even later stelt Lies Johan die vraag, ze moet lachen om zijn reactie. “Praten en luisteren”, antwoordt geantwoord, “ik heb nooit naar iets anders getracht.” Anderen horen zijn toevoeging ook en lachen mee. Op zaterdagmiddag stromen ze de Bossche binnenstad in, op weg naar de Sint Jan. Duizenden jongeren reiken elkaar de hand en zingen: “Geef mij je hand / geef mij ze allebei…”. In het gewoel moet Johan loslaten, maar Anne rekt zich uit en steekt hem haar hand toe. Zonder te aarzelen strekt ook hij zich en grijpt haar hand.   Toen hij de maandag daarop op school was aangekomen, had hij zich een ander mens gevoeld. Toch droeg hij dezelfde kleren als vorige week. Alleen het zijden sjaaltje was anders. Hij had het tussen zijn vaders kleren uitgerist, toen hij donderdag naar de voettocht vertrok. Drie dagen lang is hij het blijven dragen en nu trotseert hij de blik van pater-prefect. Jazeker, hij draagt een sjaaltje, hij overtreedt de kledingvoorschriften binnen de school, maar wat zou het? Hij is zeventien jaar en the times, they are a‘changing.                                                                *Na het Nieuwe Meer rijdt de metro op de oude spoordijk, dwars door Nieuw West. Links ziet hij het flatgebouw waar Sacha en hij woonden toen ze Mickey kregen. Nu naar rechts kijken, het vroegere VVA-terrein waar ze met 2 – 1 de koploper versloegen. Nu is het volgebouwd, maar erachter gloeit – groen als altijd – het Aquarium. Daar strandde in 1994 zijn carrière, zou Dorien zeggen. Hij begrijpt haar, maar als hij het grote gebouw van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor ziet, denkt hij toch vooral aan de jaren vóór 1994. De jaren waarin hij zijn talenten ontdekte. Hij had in die tijd dikwijls dezelfde droom. Hij stond rechtop, zijn armen langs zijn lichaam, even ging hij door de knieën, een afzet met zijn voeten en hopsakee, hij zweefde door de lucht. Voldoende vaart om in de lucht te blijven, maar traag genoeg om goed zicht te hebben. In de verte zag hij bomen langs het water staan, hij zweeft erheen, met zijn armen stuurt hij bij. Als hij dichterbij komt, heeft het water zich getransformeerd in een groot, glazen gebouw, groen als een aquarium. Hij herkent de letters op het dak, het is het hoofdkantoor van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor.   “Hoe kun je daar gaan werken? “ vragen zijn vrienden. “Je laat je inkapselen.” Misschien zijn zij geen vrienden meer, denkt hij. Hij heeft ervan genoten met hen actie te voeren. In de demonstraties schreeuwde hij als een Amsterdamse schillenboer, verdwaald tussen deze jongens en meisjes uit de betere standen. Er liepen er trouwens genoeg tussen die uit het gewone volk kwamen. Misschien hoorde hij daar bij. Aan het einde van de actiedag verzamelt de hele club zich bij Tante Marie in de Westerstraat. Langzamerhand heeft hij genoeg gekregen van hun aanpak van de studie. Wat is het meer dan het telkens weer herlezen van Marx-citaten? Ook het zwoegen op zinnen van Duitse intellectuelen gaat hem tegenstaan. “Zijn we nu iets wijzer geworden,” begint hij steeds vaker te vragen. “Misschien moeten we eens boeken lezen die we begrijpen.” In de werkgroep Psychoanalyse en Marxisme leest hij op een ochtend een zin van Lorenzer voor en daagt de anderen uit er chocola van te maken. “Zo komen we nergens,” zegt Tineke Zuiderhout. “Wil je dit soort interventies voortaan achterwege laten?” Johan wil haar aankijken, maar ze heeft zich al van hem afgedraaid, Stalin die Boecharin negeert op het partijcongres, een doodvonnis. Hij staat op, pakt het fraaie, koningsblauw Lorenzer-boekje van tafel en gooit het in de prullenmand. Een theatraal gebaar, maar wat kan hem gebeuren. Dit is Moskou niet, dit is Amsterdam.   Later die maand heeft hij een idee voor zijn scriptie, met een voorstel gaat hij naar Maud, de doorgewinterde docente die verantwoordelijk is voor het vak Theoretische Opvoedkunde. Haar vriend is vorig jaar gestopt met zijn studie en in de fabriek gaan werken, bij Hoogovens. “Nee,” zegt zij, “dit ga ik niet begeleiden. Misschien kun je bij de buren terecht.” Een kamer verder op de gang zitten Pol en Huug, de docenten Historische Opvoedkunde, op het instituut bekend als de twee rechtse klootzakken. Aan Pol zie je dit gemakkelijk af, hij draagt een colbertje en daaronder een gestreken overhemd, maar Huug is minder gemakkelijk te categoriseren. Hij draagt zijn haren lang, zijn snor is flink en hij kleedt zich in een corduroy werkmansjasje. Ze geven Johan een flinke boekenlijst mee, titels die hij niet eerder heeft gelezen. Een ervan verbaast hem, “Politics and the English Language” van George Orwell, wat heeft die tekst met Pedagogiek te maken? “Niets,” zegt Pol, “maar je moet ook goed leren schrijven. En trouwens, om behoorlijk te denken heb je hier ook wat aan.”De schrijfregels van Orwell zijn een openbaring voor hem. “Gebruik nooit een lang woord waar een kort woord volstaat.” “Als je een uitdrukking regelmatig leest, gebruik die dan zelf niet.” Er zijn zes regels, ze hangen boven zijn bureau als hij later zijn scriptie schrijft. Voor het eerst is hij trots op zijn eigen werk. Hij heeft geen gedachten van anderen verwoord, hij heeft niet meer opgeschreven dan wat hij zelf denkt en begrijpt. De regels geven hem zelfvertrouwen, ook als hij later in het aquarium werkt, bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, waar de werkloosheidswet en de andere sociale verzekeringswetten worden uitgevoerd. “Dat is de gevestigde orde bij uitstek,” zeggen zijn vrienden. “Je dwaalt wel heel ver af.”                                                               *Het had hem zelf ook verbaasd, maar hij voelde zich als een vis in het water toen hij eenmaal begonnen was op de beleidsafdeling van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, in het moderne gebouw dat de buurtbewoners liefkozend het aquarium noemden. Heerlijk vond hij de kaders, ze leken zijn denken ruimte te geven. Vooral toen de lichting oudere medewerkers met pensioen was gegaan, benutte hij deze met zijn snelle verstand. Dat hij de neiging had buiten de groep te blijven, bleek ineens een voordeel, hij verraste zijn collega’s en zijn bazen met onverwachte standpunten.   “Waar blijft Johan?” Nu nog kan hij de vraag van Brakel horen, neuroot die hij was. Hij hoorde het in 1987 al vanaf de gang, hij was juist op weg naar Brakels kamer, het is de tijd van de grote wetswijzigingen in de sociale zekerheid. Nou, hier was hij toch? En op tijd ook, ondanks de trein en de bus. Hij gooit de deur open: “Tadaà!” Alle gezichten keren zich naar hem. Kijk ze zitten, jonge honden noemen zij zichzelf, maar hoe graag lopen ze in het gareel. Nadat Brakel van de week het overleg met het ministerie had aangekondigd, heeft hij ze de een na de ander bij hem zien binnenstappen. Allemaal een wit voetje halen, de baas helpen die het zo moeilijk zegt te hebben met dat overleg. Verlaan ging als eerste. Hij dacht onopvallend weg te sluipen van zijn bureau, maar zijn luide ademhaling verraadde hem. Bovendien struikelde hij over de slippers die hij op kantoor altijd draagt. Een ideetje, zal hij tegen Brakel gezegd hebben, een ideetje voor het overleg met het ministerie. De anderen maken zich er nijdig om, omdat Verlaan zijn ideetjes nooit van zichzelf heeft, hij gaat altijd met andermans denkwerk aan de haal. Johan kan het niets schelen. “Hij kan nu eenmaal beter verkopen dan wij,” zegt hij, “dat is ook een kwaliteit.” Later zag hij ook Van Tuyll en Van den Hoop bij Brakel op de kamer, ongetwijfeld met een ingewikkeld verhaal over wetswijzigingen en de onuitvoerbaarheid daarvan. Alsof Brakel daarmee kan aankomen bij het ministerie. Zelf heeft hij Brakel niet opgezocht, hij heeft zelfs de boot afgehouden, toen deze hem op de gang polste. “We gaan toch niet ’s ochtends vroeg al naar het ministerie,” zei hij. “We hebben toch eerst voorbereidend overleg bij jou op de kamer? Ik praat je dan wel bij. Tijd genoeg.” Hem bijpraten, hij hoorde het zichzelf zeggen. Wie is hier de baas, zou Brakel denken? Maar moet hij rekening houden met Brakels hang-ups? Hij verdomt het. Daarom komt hij nu, op de dag van het overleg, ook niet eerder dan negen uur binnenstappen. Dat zijn collega’s zich eerder hebben gemeld en dat zij zich stuk voor stuk in het pak hebben gestoken, zichtbaar klaar om als assistent van Brakel mee te gaan naar het overleg, het laat hem koud. Ze wachten toch op hem. Gelukkig voor hen is het helder weer vandaag, ze hebben kunnen genieten van het uitzicht over de Westelijke Tuinsteden en de rookpluimen van de Hoogovens in de verte. Arno Legwaard zit er ook, ongetwijfeld tot ergernis van Brakel die hem toch zelf aan heeft genomen. In het werk is hij een kruk gebleken en hij voelt dat zelf ook wel aan. Hij probeert zijn gezicht te redden met verhalen over vroeger. Hoe hij vooraan heeft gestaan, in 1966, bij de happenings van Provo op het Spui. Praten kan hij, maar er zit geen lijn in, hij is een kip zonder kop, en zo doet hij ook zijn werk. Het enige waar hij in uitblinkt, is zijn kleding. Tussen de C en A-tjes

Jan Loogman
0 0

Over mezelf, voor G. en J.

Brief over mezelf, voor G. en J. Als ik er over nadenk, zijn het niet ontmoetingen die mijn leven bepaald hebben maar wel gebeurtenissen. Dingen die me zijn overkomen, zonder dat ik er om gevraagd heb. Mijn leven is totaal veranderd de dag dat mijn moeder plots gestorven is. ’s Morgens had zij nog innig afscheid genomen van mijn vader die naar zijn werk vertrok.  Veertien uur later was ze overleden.  Ik bleef echter met een man die zo een verdriet nooit te boven is gekomen.  Als enig kind kreeg ik op mijn elfde een zware last op mijn schouders.  In de stilte van ons huis was ik getuige van de verwoestende kracht van verdriet. Voor mijn vader stopte het leven bij de dood van mijn moeder. Het was alleen nog overleven. Voor hem. Maar ik was jong, groeide op en wou wel leven. Ik wou vooral ook geen medelijden, want dat hadden mijn klasgenoten, de juf, de buren en de familie. Voor alles was ik op mezelf aangewezen.  Ik kon bij mijn vader niet terecht. Trekt uw plan, was altijd zijn antwoord. Dat heb ik gedaan.  Ik heb zelf keuzes gemaakt. Ik studeerde verder, trouwde met de man van mijn leven en liet mijn vader achter. Hij was nochtans een lieve, zachte man die de sterke vrouw naast hem altijd gemist heeft. Hij heeft mij altijd heel graag gezien maar wist niet hoe dat te tonen. Ik was te jong om er op de juiste manier mee om te gaan. Ik had te weinig begrip. Een paar jaar nadat ik uit huis ben gegaan is hij overleden.  Als ik nu terugkijk, heb ik hem teveel in de steek gelaten maar  kon toen niet overweg met wat ik zijn zwak karakter noemde.  Zelfmedelijden en zelfbeklag, zijn dingen waar je bij mij dan ook niet mee moet afkomen.  Je heb altijd de mogelijkheid om je situatie zelf in hand te nemen.  Dat is niet altijd even gemakkelijk, maar als je zelf keuzes maakt en daar dan achteraf geen spijt van hebt, dan heb je volgens mij de goede beslissing genomen.  Ik heb een hekel aan mensen die altijd verwijzen naar vroegere, ongelukkige gebeurtenissen om niets aan te vangen met hun leven.  Je leven dat maak je zelf. Een tweede gebeurtenis die mij veranderd heeft is de tumor die meer dan 10 jaar geleden in mijn lichaam geslopen is en gelukkig (tot nu toe) geen blijvende ravage heeft aangericht.  Ik waande me eerlijk gezegd on-ster-fe-lijk. Was nog nooit ziek geweest, mijn absentie op het werk kon je op één hand tellen.  En ja, toen kreeg ik een serieuze opdonder.  Maar vechter als ik ben heb ik me niet laten doen.  Na een paar maanden was het ergste achter de rug.  Tijdens dit ziekteproces, ben ik wel anders in het leven gaan staan.  Ik vind de dingen niet meer vanzelfsprekend. Ik ben ook nederiger geworden.  Ja, zo een woord van vroeger.  De wereld en wij allemaal hebben teveel pretentie. We wanen ons oppermachtig en rommelen maar wat aan.  Ik ga sindsdien niet altijd bewuster om met mezelf maar ook met de omgeving.  Minder auto, meer fiets.  Duurzame voeding van lokale producenten.  Zachter zijn voor de mensen rondom mij,  me meer in de plaats van de ander stellen.  Iedereen is verschillend en het is juist die diversiteit die het samenzijn boeiend maakt.  Dus neem de mensen zoals ze zijn, maar blijf vooral jezelf. Eerlijk zijn, altijd tegenover jezelf.  Mensen horen niet altijd graag de waarheid, de waarheid kwetst.  Als je dan toch een toegeving wil doen : een klein leugentje om bestwil maakt de omgang makkelijker en is een elegante oplossing. Dit heb ik tot mijn scha en schande gaandeweg ontdekt. Lus

Lus Colpin
0 0

Onderweg

Woorden moeten ooit makkelijk zijn geweest. “Eet smakelijk” bij het avondmaal. “Was de koffie straf genoeg?” Als grootvader naar bed ging, was hij te moe om na te denken. Was ik ook toen al een buitenstaander geweest? Het leek erop dat iedereen wist wat hem te doen stond. Toch hield niemand een agenda bij. Als peuter werd de wereld groter. Toch was het onmogelijk erin te verdwalen. Op een of andere manier vonden we steeds de weg naar huis terug. Al was het maar omdat moeder dat wou. We hoefden maar aan tafel te schuiven. Toen moesten we plots met een boterhammendoos naar school. Daar leerden we dat er soortgenoten waren. Het duurde niet lang vooraleer de eerste samenzweringen zich vormden, de eerste verliefde kleuters zich terugtrokken achter een struik. We moesten een vingertekening maken om later iets te bereiken in het leven. Daar waren de eerste voortekens van mijn uitstelgedrag. Ik bleef echter ijverig werken aan mijn verhaal, in die mate dat mijn persoonlijke vrienden meer en meer op stripfiguren leken. Ieder jaar kon ik met een perfect rapport naar huis, ik droeg het onder de arm als een volwaardig zakenman. Ik was behoorlijk tevreden, ook al hebben ouders de hardnekkige neiging daar een opmerking bij te maken. Gelukkig was er daar de vakantie. Ik trok me terug in grootmoeders schorten en de boerderij. Ik verbeeldde me graag dat er niets anders was dan dit, regenwormen verzamelen in een glazen bokaal. Toch rinkelde de bel opnieuw, ik trof mezelf achter een schoolbank met het uitzicht van een strenge leraar die me wederom de les moest wijzen. Ik staarde liever uit het raam, maar de tijd van dromen was voorbij. Ik had mijn tegel op de binnenkoer vooraleer ik me in de toiletten terugtrok. Het perfect rapport leek meer en meer op het verkreukeld papier dat mijn cursus was. Uiteindelijk brak ik als een potlood dat al te vaak met de grond in aanraking kwam. Sinds die dag werd er niets meer van mij gehoord. Op een nietsvermoedende dag verscheen ik weer op het theater. Het leek wel of ik veranderd was in de persoon die ik destijds wilde zijn. Vanbinnen was ik echter nog steeds een kwetsbaar stukje mens. Ik maakte een vingertekening van mezelf. Uiteindelijk ging het ook voorbij. Toen werd de wereld voor de tweede keer groter. Ik leerde wederom dat er soortgenoten waren, buitenstaanders als mezelf. Mijn nieuwsgierigheid werd groot. Mijn boeken verloerderden langzaam op hun plank. Bovenal leerde ik veel over mezelf, ook al kwam ik ook daaromtrend evenmin met een perfect rapport naar huis. Ik was behoorlijk tevreden. Later kwam het bewustzijn dat studies tot iets veel groters leiden. Ik trok me meermaals terug in bed om me te beschermen voor de samenleving. Ook toen dacht ik al te vaak terug aan mijn kindertijd. Ik verdronk mijn laatste leerkrediet bij voorkeur in de kroeg. De laatste keer dat ik er de zon zag ondergaan leek voor de anderen op een normale dag. Naarmate de dagen vorderden durfde ik meer en meer te dromen, maar eindelijk was ik tevreden gewoon mezelf te kunnen zijn. Niemand had durven voorspellen dat het potlood voor een derde keer zou breken. Toch werd ik de volgende dag wakker in een ziekenhuisbed. Er waren verpleegsters die betaald werden om vriendelijk te zijn.   Toen de deur voor de zoveelste keer openging, deed ik nog weinig inspanning op te kijken. In de schemer zag ik echter een vertrouwd gezicht uit het verleden. Daar zat ik dan tegenover mijn vader, woorden waren nooit moeilijker geweest. We staarden uit het raam maar waren vertrouwd met het zwijgen. Na jaren van uitstelgedrag werd het dan eens tijd voor een gesprek. Sinds kort ben ik terug onderweg.

Robijn Bodijn
22 0

Opheldering

Dag Marijke,   Ik zal je meteen een bekentenis doen. Ook ik heb best wel veel nagedacht over mijn vorige brief aan jou, over de vragen die ik je zou stellen. Zou dat te wijten zijn aan de voorliefde voor stapsgewijze temperamentontginning?   Ik probeer je het mechanisme van de cross-streets uit te leggen. In New York heb je dusdanig lange lanen, denk kilometerslang, dat je best weet tussen welke twee kruispunten een bepaald adres ligt, bijvoorbeeld je moet op Fifth Avenue 357 zijn, dan zeg je “Fifth Avenue between 7th and 8th Street” in de veronderstelling dat nummer 357 tussen die twee kruispunten ligt, zoniet weet niemand wat je bedoelt. Het is ook handig om te weten in welk metrostation je dient uit te stappen. Klinkt dat een beetje logisch? In mijn kleine dorp heb ik hoegenaamd geen last van dat soort toestanden, ik moet al met een vergrootglas zoeken naar één kruispunt die naam waardig. Dat argument heb ik ook ingeroepen ter mijner verdediging bij die lieve vrouw die mij een lift heeft gegeven. Ze zag er de humor wel van in. En dit brengt mij naadloos bij Sue die nu weer is waar ze thuishoort, in de private collectie waar ze deel van uitmaakt. Ik vind het wel leuk dat je mij hebt doorzien! “Sue” is de naam van een kunstwerk van Robert Rauschenberg uit 1950. Het ziet er net zo uit zoals ik het beschreven heb, als een heel bijzondere röntgenfoto waardoor ik meteen geïntrigeerd was. Ik draag Sue altijd mee op mijn slimme telefoon naast een heleboel andere foto’s van kunstwerken. Misschien kan je mij een cultuurstofzuiger noemen. Ik vind het trouwens knap dat jij met je zoon naar Auschwitz bent geweest. Ik kreeg het al een beetje benauwd in het achterhuis van Anne Frank als ik denk aan wat zich daar heeft afgespeeld.   Waar ik je ongewild wel mee heb misleid, is Zele. Dat is nooit mijn woonplaats geweest, wel de plaats waar ik gewerkt heb en van waaruit ik naar Brussel spoorde na mijn werkuren. Ik kan bevestigen noch ontkennen of daar nog apen of leeuwen ronddolen, ik kan je wel zeggen dat ik geen enkel exemplaar tegen het lijf ben gelopen. Grappig en bizar dat jij ook Shrek in gedachten had. Stel je voor dat we ons stukje allebei met “Beste Shrek” waren begonnen? Een mens zou van minder achterdochtig worden in deze tijden van de lamentabele bescherming van de private gedachten.   Ik ben inderdaad best tevreden in mijn huidige job, vooral omdat ik een tweetal jaar geleden nog een dappere beslissing heb genomen: 4/5 werken om meer vrije tijd te hebben, om tijd te hebben om creatief bezig te zijn zoals het schrijven van deze brieven. Ik denk dat je gelijk hebt, dat een schrijver net die lege tijd nodig heeft om te creëren, naast het nodige talent om te schrijven uiteraard. Mag ik je aanmoedigen om te blijven schrijven, Marijke? Je zet echt mooi dingen op papier, ik heb je brieven graag gelezen, maar bovenal wens ik je veel plezier bij het schrijven.   Misschien zien we mekaar op de Schrijfdag. Fijne groeten. Dirk   PS Athos en Porthos bestaan echt!!          

Dirk Jacobs
0 0

Oma denkt dat ik doof ben

  Inzending wedstrijd met opdracht : maak van een 6-woord een 500-woord verhaal.   Uitbundig vieren wij  haar verjaardag.   Vijfentachtig wordt ze.  De jonge dokter, die ze consulteert omdat hij ‘een zo knappe kerel is’, taxeert haar conditie op ruim vijftien jaar jonger.   Oma Lidy is nog een prompte dame.  Aan vrienden toonde ik haar jeugdfoto’s  bewerend dat zij mijn vriendin was. Dat is niet gelogen, want wij hebben  een zeer vriendschappelijke band.  Ze staat er op dat ik haar tutoyeer. In een boek over een adellijke familie las ze ooit dat grootouders zich in die kringen altijd met de voornaam laten aanspreken.  Zij gebruikt steevast  het troetelnaampje dat ze voor mij bedacht toen ik baby was: ‘Bobolino’.  Inmiddels bebaard met een nochtans zwarte kinbegroeiing  begroet ze mij steeds  met: ‘Bobolino amore, mio Barbarossa!’   Destijds rookte ze, niet voor het roken zelf, maar om te pronken met haar lange sigarethouder,  zoals Hepburn  in ‘Breakfast at Tiffany’fs’.   Net als Audrey  bezit Lidy die geïncarneerde elegantie. Ze is altijd welgezind, wat haar jeugdig voorkomen extra in de verf zet.   Glanzend hagelwit geworden zijn haar naar sprookjes refererende  ravenzwarte haren van weleer, voor deze gelegenheid opgestoken door een kapster: ‘je kan ook niet voor alles op jonge goden een beroep doen’.   Het kapsel past perfect bij de wijnrode fluwelen outfit die ze zich voor haar 85 lentes  heeft  aangeschaft.   “Het staat je beeldig, Lidy”, zeg ik. “De prix neggens voor begemmen ”, antwoordt ze. “Wat zei je nu?” vraag ik. “De prix neggens voor begemmen”, zegt ze opnieuw. “Oma, ik versta er echt niets van”, zeg ik. “Oh, gaan we het zo spelen.  Ben ik nu plots jouw oma omdat jij doof begint te worden”, zegt ze verbijsterd. “Sorry Lidy, maar ik versta je niet”, antwoord ik beteuterd. “Laat maar Bobolino , haal nog een drankje.”   Ik druip af op zoek naar een glaasje ‘ premier cru brut ’ die ze in de  supermarkt op de kop heeft getikt.  Met hangende oortjes overhandig ik haar de bubbels. “Echt, schat, je moet jouw oren laten nakijken”, zegt ze bezorgd. Dan ziet ze mijn bedrukt gezicht, heft haar glas en vraagt:  “Hoe vind je mijn nieuwe ontdekking? Du Champagne Veuve Hémard!” “Lekker”,  stamel ik. “En ken je de voornaam van de man zaliger van die weduwe?” vraagt Lidy. “Neen”, zeg ik. “Jean!  -  J’en ai marre!” schatert ze. Wij proesten het  uit en klinken samen op onze vriendschap.   Later doe ik in een hoorcentrum  mijn verhaal over een familielid dat mij aanraadde langs te komen. De test verloopt prima.  “Alles perfect,”  zegt de arts :  “ik stuur jouw huisarts een bericht. “ Toevallig doet een van mijn nichtjes haar doktersstage bij mijn huisarts.  Zij bezorgde mij het voorschrift en krijgt zo het resultaat te lezen van de test.   Wegens  beroepsgeheim delen dokters hun patiënten wel resultaten mee, maar nooit de commentaren.  Mijn nichtje kan  zich echter niet weerhouden voor te lezen:  ‘Patiënt zegt dat familielid beweert dat zijn gehoor slecht is. Naar mijn mening moet dat familielid zelf even bij ons langs komen!’  

Vic de Bourg
57 0

Tussen twee polen smelt men niet

  Dit verhaal kreeg een eervolle vermelding bij de wedstrijd: van 6 naar 500 woorden. Onderaan staat commentaar van de jury.     De zon brandt onverbiddelijk. Miranda rolt zich op haar grote stranddeken tot ze weer onder de parasol ligt. Gisteravond  was het nog redelijk koel geweest toen ze flaneerde onder de palmbomen. Het was haar opgevallen dat er veel minder Duits werd gesproken door de toeristen dan vroeger.  Al jaren was haar vaste vakantiestek vergeven van de Germanen, zoals ze zichzelf noemden als ze met hun vreselijk accent Engels met haar wilden praten. Tegenwoordig viel het op hoeveel Oost-Europese talen werden gesproken. Ze kende er geen maar kon wel het Russisch onderscheiden van de andere klanken.  De nieuwe rijke Russen waren ook het grootst in aantal, reden rond in peperdure cabrioletten en maakten grote sier. Voor haar vakantieliefdes had ze zich voorheen beperkt tot wat de lokale markt aan hunks te bieden had en dat was altijd best meegevallen.  Maar nu ze meer zicht kreeg op de mannenvoorraad uit het Oosten besloot ze haar kennis op dit vlak te verruimen. Zo viel haar oog op twee knappe kerels die iets van haar verwijderd in haar geliefde ‘Tratoria Alberto’ het erg goed met elkaar konden vinden.  Ze twijfelde even of de andere sekse hen überhaupt kon boeien tot ze merkte dat ze haar in het vizier kregen en afwisselend zwoele blikken haar richting uitstuurden. Een dame gaat uiteraard nooit in op de avances van vreemde mannen maar ze hield wel van dit spel en flirtte er danig op los. Glas vasthouden aan de steel en pink in de lucht: op de meest gracieuze wijze nipte zij aan de cocktail die Alberto voor haar had geshaket. Regelmatig gooide ze haar golvende haren naar achteren en streek ze met zorgvuldig gemanicuurde hand door haar nek. Tot na haar cannellonirolletjes hadden de twee hun testosteron in bedwang kunnen houden maar nu stapten ze resoluut naar haar met de vraag of ze voor het dessert mochten aanschuiven. “It is so much nicer to dine in good company”, zei de blonde blauwogige hunk.  “If you so desire, Madame”, voegde de zwartharige donkerogige tegenpool er aan toe in een al even onberispelijk Engels. Ze had het woord enkel gedacht, want ze wist niet hoe het in het Engels klonk maar schaterde het uit toen ze beiden uit Polen bleken afkomstig te zijn: Poolse tegenpolen. Hoe grappig. Wegens de gekozen voertaal, suggereerde ze als dessert een ‘Zuppa Inglese’.  De naam mag dan al verwarrend zijn, Piotr en Wojtek vonden de combinatie van custard met lange vingers goddelijk. Na de obligate grappa van Alberto werd de avond besloten met een fles Prosecco.  Daarna namen ze in stijl van elkaar afscheid met een kuise handkus. ‘ Niet te hard van stapel lopen’, dacht ze. Die morgen op het strand ziet ze langs weerszijden van haar parasol twee bruingebrande voeten verschijnen en herkent ze meteen de stem die vraagt of ze naast haar mogen plaats nemen. Ze knikt instemmend. ‘Het zal dan wel héél warm worden’, denkt ze: ‘maar tussen twee Polen smelt men niet.’   Feedback jury:   De ontknoping was hilarisch. Ik was de titel al even vergeten tijdens het lezen tot ik bij de laatste zin aankwam. Een heel originele manier om de zin te benaderen. Het verhaal leest erg vlot en zou zo in een zomereditie van Flair passen.

Vic de Bourg
67 1

Lieve Nora,

Drie uur in de namiddag. Langs mijn open raam sluipt een fris briesje binnen dat mijn gordijn licht laat golven. De zon prijkt in de blauwe hemel. Toen ik om zeven uur de rolluiken optrok, keek ik in een grijze morgen. Aan de overkant van onze wel zeer brede laan, hing mist tussen de bomen van het bos. Buiten, geen geluid. Ik miste het gekrijs van de kauwen, het roekoeën van de duiven. Ik stak mijn neus buiten en snoof. Geen stank vandaag noch gebulder afkomstig van onze buur. Die ligt aan de overzijde van de Schelde; de petrochemische industrie.   Ook op dit uur lijkt onze buurt een stiltegebied. Files kennen we niet, enkel die van een stoet rolstoelgebruikers die op wandeling vertrekt vanuit het woonzorgcentrum. Een enkele auto zoeft voorbij, een puffende dieselbus, een verdwaalde vrachtwagen dendert over de putten in het wegdek. Op het fietspad, tussen de rijen platanen, een eenzame fietser. In het grasveld twee waggelende woerden. Ieder jaar komen ze terug. Waar zit het vrouwtje? Slaapstad noemt men ons. Misschien is het gewoon uit jaloezie omwille van de ruimte en het groen waarin we wonen.   Voorbij mijn raam wandelen buren die hun hond uitlaten, terugkeren met boodschappen, joggers. Sporadisch waaien flarden van een gesprek mijn woonkamer binnen. Een extraatje van wonen op het gelijkvloers én ik ken bijna iedereen. Vanmorgen kwam ik Sofie nog tegen. Ik probeer haar te mijden. Zij is een beetje een roddeltante en criticaster. Wat zag ze er uit! Pleisters op haar voorhoofd, blauwe plekken in het gelaat, een gekneusde lip. "Gevallen?" Ze knikte. "Ik struikelde toen ik liep om de bus te halen." Dat het niet verstandig was, antwoordde ik, dat er vijftien minuten later toch een volgende bus aankwam. Daarna ging het over het lawaai afkomstig van de fabriek de dag voordien en hoe het tot 's nachts duurde. Ja, ik sliep  ook slecht.   Oh, daar heb je de pakjesman van Post NL weer. De bestelwagen houdt meerdere keren per dag stil voor ons gebouw. Ik benijd die man niet. Hij ziet er altijd zo vermoeid uit. Hij vindt het zelf geen leuke job dat vertelde hij onlangs toen ik een pakje aanam voor een buur. Ik doe het regelmatig uit medelijden met hem.  Ellenlange dagen, overvolle wegen, omleidingen, wegenwerken, agressie. Zijn route slibt steeds meer dicht. Verschrikkelijk. Kilometers vreten om pakjes te bestellen bij mensen die niet thuis zijn. De bel bij de naam zoeken wat op een belpaneel als het onze geen sinecure is. Wachten, een krabbel op het electronisch bakje en hop, naar het volgende adres. Een eenzaam beroep, echt contact is er niet. Natuurlijk bestaan er nog beroepen waarvoor je de baan op moet maar pakjes bestellen zou echt mijn laatste strohalm zijn.   Ik kijk uit naar ons weerzien volgende maand. Samen lekker eten en bijpraten. Hopelijk zijn mijn gezondheidsproblemen dan volledig van de baan   Liefs Mieke

mieke
0 0

Billenbank

Ledeberg, Pinkstermaandag 2018      Dag Lus,      In deze brief zet ik je op de billenbank. Dat klinkt als een straf, maar is het geenszins. De billenbank zijn de W-vragen, open vragen die ruimte laten voor de antwoorden. Als je alle W’s (wie, wat, waar, wanneer, waarom, welk) op een rijtje zit, krijg je een visuele billenbank, tenminste als je mooie, ronde W’s schrijft…    Ik heb zonet je brieven herlezen en er de zinnen uit geplukt waarbij ik bleef hangen.     In tijden van onverschilligheid kan een beetje lief zijn nooit kwaad.   Dit vind ik een hele mooie zin. En ook absoluut waar. Persoonlijk ervaar ik dit de laatste tijd in vriendschap. Iedereen heeft het altijd zo druk, het duurt soms maanden voor je met iemand kan afspreken. Zelfs als je aangeeft dat je het op dat moment moeilijk hebt, blijf je soms in de kou staan.     Ik weet niet waar jij precies op doelde met die zin, Lus.  Waar voel je dan die onverschilligheid?     ***  Ik kijk graag naar de wolken en de lucht.   Ik ben ook een wolkenliefhebber. De wijste les die ik ik in het middelbaar kreeg, kwam van mijn lerares chemie. Geen idee hoe we op dat onderwerp kwamen middenin een chemische proef – die trouwens altijd mislukten bij haar – maar zij zei ons: “Als je het later moeilijk in het leven krijgt, kijk dan naar de wolken.” Dat is me altijd bijgebleven.     Wanneer ben jij een wolkenkijker geworden, Lus?   ***    Alleen onze narcissenberg is ook nog de moeite.  Liefst lig ik in de hangmat te lezen.   Bij een narcissenberg kan ik me niet veel voorstellen. Ik zie een grote molshoop aarde vol narcissen voor me, maar ik weet niet of dit beeld klopt. Met die hangmat heb ik geen visueel probleem. Dat is veruit het enige Mexicaanse object dat hier ontbreekt, vermoed ik. Onze tuin is te klein voor 2 palmbomen en de muren zijn niet sterk genoeg dus die hangmat benijd ik je wel.     Welke boeken lees je graag, Lus? ***  Misschien hou jij niet zo van kerkhoven maar ik vertoef er graag.  Een beetje melancholie is mij niet vreemd en ik denk graag aan vroeger. Is dat ouder worden?   Neen, ik hou niet van kerkhoven, Lus. Tenzij het een Mexicaans kerkhof is. Was het je al duidelijk dat ik een beetje onstandvastig ben? Een kerkhof staat misschien een beetje symbool voor hoe verschillend onze en hun cultuur is. Hier vind ik vaak alles saai en grijs, ginds is alles bijzonder en kleurrijk. Dat merk je vooral bij Día de los Muertos wanneer zij hun doden gedenken. Ik heb dus meer op Mexicaanse kerkhoven rondgezworven dan hier.     Wat doe je dan op ‘jouw’ kerkhof, als ik vragen mag?    ***  Maar Lieke, als jou iets zou overkomen, hoe gaan wij dat hier weten?Ik zie ons dan weer terug op de zolder van de academie.   Je brieven naar Lieke intrigeren me, Lus. Hoe je haar precies hebt leren kennen en wat haar situatie is, blijft vaag.     Wie is die Lieke in jouw leven?     Waarom was er in deze briefwisseling niet meer verbondenheid tussen ons, Lus? Dat heb ik eigenlijk wel gemist. Nu, dat lag eerder aan het concept dan aan ons, volgens mij. Door de opdrachten konden we sommige brieven immers niet rechtstreeks aan elkaar richten.   En voor de rest pleit ik zelf zeker ook schuldig. Ik laat niet zo makkelijk in mijn ziel kijken, noch in stem, noch op papier.    Die laatste brief wordt wellicht het antwoord. Vuur je vragen dus maar af en lok me uit mijn tent…    Lieve groeten,    Tine   

Ambrozijn
0 0

Diepzeeduiken

Beste Marijke,   Na zes brieven richt ik mij een eerste keer rechtstreeks tot jou, een onbekende vrouw, nog steeds. Ook jij doet me ongewone dingen, maar je doet me evenzeer leuke dingen doen, deze brieven schrijven, lezen, stilstaan. De vorige opdrachten leenden er zich niet toe, een enkele keer deed een krinkel in mijn hoofd mij besluiten een omweg te maken, maar deze keer is er geen ontkomen aan, dit schrijfwerk wil in jou duiken. Maar wil jij dat wel? En wil ik zelf gaan diepzeeduiken met jou? "Ik doe liever aan stapsgewijze temperamentontginning." Dat zijn jouw woorden die ik enkel kan beamen. Ik verkies ook de weg van de geleidelijkheid, dat geeft me een veiliger gevoel. Laat ons dus eerst een eindje aan het oppervlak zwemmen. Ik ben trouwens niet zo een goede zwemmer, een korte afstand aan matige snelheid volstaat, dat even terzijde.   Jouw schrijfsels verraden een professionele pen of op zijn minst scherpe zintuigen die woorden van je hoofd naar je hand stuwen. Of zijn het jouw levenservaringen die de inkt doen vloeien? Geef jij ook de voorkeur aan de traagheid van een vulpen bij het schrijven, aan het ritueel van het beginnen, het zoeken en schrappen, het herbeginnen, aan het vinden van een handgeschreven brief 's ochtends in de brievenbus in plaats van het pinggeluid van de mailbox? Misschien word ik wel oud, of enkel maar een dagje ouder.   Ik vraag me af of je Gepetto al hebt kunnen spreken, en of hij je al goede raad heeft kunnen geven die de pijn een beetje doet milderen, de pijn van een moederhart bij het lijden van haar kind. Of overdrijf ik in mijn interpretatie van "Pijnboom"? Wat een contrast met "Ineens" dat mij ook aangreep maar dan op een andere manier, blijheid tegenover verdriet. Je verstaat alleszins de kunst om op een ludieke , ontwapenende wijze diepmenselijke gevoelens weer te geven. Nogmaals, dat is mijn interpretatie. Misschien lees ik wel dingen die er niet zijn?   En zo ben ik toch even in het diepe gedoken. Duik je mee?   Groeten. Dirk

Dirk Jacobs
0 0

Brief uit Belgenland

                                                                                                                            België    Sinksen 2018                      Hallo Leonie, Je bent veel schaarser met woorden dan ik, maar ze zijn zo  goed gekozen en accuraat, dat ik me een beetje overdonderd voel. Ik probeer er toch het beste van te maken.  Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. Je eerste brief was wel én niet aan mij gericht. Zoals je schreef noopte technische en organisatorische problemen de opdrachtgever tot rechtzettingen. Zo kwamen we met enige vertraging bij elkaar te recht. In je eerste brief schreef  je over de oceaan die zich niet laat temmen ,  dus had je het niet over België en moest ik mee op reis. Je vaderland is Nederland, maar ik lees ook ergens iets over Suriname. Je bent blond en dat associeer ik nu net niet met Suriname.  Mijn vader leerde me een liedje:” In het land van Suriname, zat een bladluis voor de rame . Oladi jee ola dijo! Wat zat die bladluis daar te kijken? Naar een olifant die stond te strijke.” Ik heb het nog nergens anders gehoord en is het misschien een verzinsel van hem. Wat brengt je soms naar Antwerpen of Gent? Waar logeer je dan en heb je  je eigen fiets bij? Het gevoel van  ‘Hier en Daar’ herkende ik meteen. Zuid-Afrika is wel heel ver weg! Erg duur om er te geraken. Gelukkig ligt mijn lievelingsland slechts een zeetje verder. Alweer een raak beeld van de beschrijving van het paringsgedrag van de eenden. Hoe dikwijls heb ik zelf al medelijden gehad met die arme vrouwtjes . In de mensenwereld zouden alle woerden de gevangenis invliegen voor zulk ongepast, brutaal en gewelddadig gedrag. ‘Nikki’ , een bijnaam ? Van waar komt ie?  Dat je ‘Lee’ wordt genoemd is verklaarbaar. Lief dat je een gedicht deelde, gericht aan je grote liefde. Als je gescheiden bent in 1980, leun je eerder tegen mijn leeftijd aan. Dat verbaasde me, want je klonk eerder als een  jonge vrouw . Was je lang gehuwd? Wie is Gibran? Heel delicaat zijn kinderwensen. Ik leerde dat pas kennen op mijn 39ste, terwijl ik al twee volwassen dochters had. Ik had veel geluk. Mijn zoon kwam zo snel als de internetbestellingen vandaag. Tenslotte ben ik heel benieuwd naar het soort werk dat je doet. Ik heb  geen enkel aanknopingspunt gevonden. Het is vast geen alledaagse job. Mag ik er wat meer over weten? Gent, daar zullen we elkaar hopelijk zien. Je zal de stad ongetwijfeld beter kennen dan ik. Kloosterbiertjes lust ik ook wel. Dan kunnen we toosten op de kennismaking. Liefs, Myriam

Myriam
0 0

Sunny en Jeanne d'Arc

Jeanne d’Arc had wel een en ander aan haar hoofd toen haar onderrok in brand stond. Kon zij, wilde boerendochter, vermoeden dat eeuwen later een tienjarig jongetje in haar verhalen zou opgaan? Waarschijnlijk schreeuwde ze in doodsangst gans Rouen bij elkaar, dus niet. Bradend op een volgelopen marktplein blijven er weinig opties. Nochtans, een vijfhonderd jaar later had de kleine Sunny kennis gemaakt met Jeanne d’Arc, de schapenhoedster die het schopte tot de Franse legertop. Sunny kon als geen ander de strategie van het Beleg van Orléans uit de doeken doen. ‘Hoe heette de koning geholpen door Jeanne, Sunny?’ Dààr ging die vingerknip: ‘Koning Karel VII!’ ‘Zeer juist, mijn vriend!’ Geboeid hing hij aan mijn lippen toen ik hem vertelde over de maagd, gestuurd door engelen, die als een ware hooligan de Engelsen  Frankrijk buiten ranselde. Zijn ellebogen steunend op tafel, zijn hoofd tussen zijn handen, neerkijkend op dezelfde tafel waar alle veldslagen van Jeanne tot leven kwamen. ‘Geschiedenis is leuk!’ riep hij zonder op te kijken. Het klonk als vrolijk pianogetokkel.   De dagen regen zich als kralen in een paternoster aan elkaar in een kasteel waar Sunny verbleef. Het decor zat goed, de pianoriedels bleven aanhouden. De kleine Sunny verdiepte zich verder in de avonturen van de maagd van Orléans terwijl hij tussendoor één en ander noteerde over Koning Arthur en diens beroemde zwaard Excalibur, dat vast zat in een rots. Zelf diende ik me bij te scholen want de vragen die hij me voorschotelde betreffende Jeanne waren niet eenvoudig. Ze hielden hem ’s nachts wakker. ‘Op welke manier stond Jeanne in contact met de geesten?’ (Engelen waren volgens Sunny geesten.) ‘Was dat met een gsm? En zo ja, welk merk?’ Ik  vertelde hem dat Jeanne in haar hoofd met de geesten praatte, een toestand die me zelf niet vreemd is, en stopte hem nogmaals in. Pas dan viel Sunny in slaap, al zwaaiend met Excalibur. Heel regelmatig vond je hem in zijn torenkamertje in een hoekje met een koekje en een tiendelige reeks ‘Wereldgeschiedenis’, zijn hoofd verscholen achter oude bladzijden, knabbelend op speculaas. Neil, zijn overbuur en beste vriend, had het niet zo met al die geschiedenislessen. Sunny trachtte daarom Neil enthousiast te maken voor treinen. Treinen stoppen nooit, al worden ze gegeseld, ze blijven àltijd rondjes rijden. En zo zaten ze dikwijls samen, gehurkt in dat kamertje in een kasteel, gebiologeerd naar rijdende speelgoedtreintjes te kijken. Er viel geen woord. Weg zijn wij. Pianomelodieën namen de plaats in van verhaaltjes voor het slapen gaan. Teneinde zijn carrière als lezer van geschiedenisboeken te volmaken vroeg Sunny me naar een bril. De kleine letters - zo belangrijk – werden onleesbaar. Daar had ik natuurlijk niet van terug. Mijn enige brilervaring heb ik ooit opgedaan in een marginale Stock Americain waar je die dingen haast gratis krijgt. Het is er aan te zien. Of, net niet. Gelukkig kon ik in deze rekenen op Fie wiens benen tot aan de grond reiken. Zij nam als geen ander Sunny op sleeptouw én de snelste weg naar professionele hulpverlening betreffende brillen. Piano valt terug in, zwierige deuntjes vullen de kamer. Vanaf dan waren de kleine letters zichtbaar en kon hij zich weer verstoppen achter oude bladzijden. Als vervanglectuur stopte ik af en toe een vintage ‘Suske en Wiske’ in zijn handen, want hedendaagse stripverhalen horen eigenlijk op het barbecuevuur. ‘Dit verhaaltje is geschreven in Oude Mensen Taal’, merkte hij op. De kleine Sunny confronteerde me met mijn eindigheid en viel nadien in slaap met ‘de Schat van Beersel’ in zijn armen en een knuffel van Fie als kers op de geschiedenisboeken. Voorzichtig nam ze zijn bril weg, plooide deze toe, en legde deze op het deel ‘de 100-jarige Oorlog’. Sunny was bijna elf.   En toen stopte de piano. Plots, onaangekondigd. De stemming sloeg volledig om en Sunny hulde zich in sombere gedachten. Ondertussen kende ik het merk van Jeanne’s gsm; Fie is expert inzake die dingen, maar zelfs daarmee kon ik zijn nieuwsgierigheid niet prikkelen. Ik ging te rade bij de geesten in mijn hoofd, maar daar: niemand thuis, zoals altijd. Dan maar de muren oplopen. Met kleine teugen begon Sunny kristalklare wijn te schenken omtrent zijn somberheid. En dan zette hij alle kanonnen bij. Hij tekende strategieën uit en ging in overleg met  generaals om zijn Orléans te bevrijden. Hij trachtte het zwaard uit de rots te wringen, hij schopte, sleurde, krijste gans de buurt bij elkaar ... het bleef onwrikbaar zitten. Er gebeurde niets, de generaals gingen tafelen en Sunny verdween in de plooien van hun oeverloze gesprekken. Zijn tiendelige reeks ‘Wereldgeschiedenis’ ligt onaangeroerd op zijn kamer, het treintje staat stil op de sporen. De horror van Jeanne d’Arc heb ik hem nooit verteld; de Inquisitie, het eindeloos proces waaraan een jonge boerendeerne  ten onder ging, vernederd door Bourgondische soldaten, Karel VII die haar dumpte als een vuile  zakdoek, de brandstapel waarop ze eindigde, haar hart dat men in de Seine kieperde ... Sunny was pas elf en onderging zijn persoonlijke gruwel. Een paar dagen geleden heb ik ‘Excalibur’ uit de rots getrokken ...   River 01.05.2018

River
0 0