Lezen

Een kom + Beloning voor goed gedrag, opdracht 6 Jan Loogman

Een kom voor in de keuken Wie een handgranaat naar zijn hoofd krijgt, stelt beter geen vragen. Anders volgt er misschien nog een. Toch, hij moet zich bedwingen om stil te blijven. Hoe kan het? Maar hij stelt de vraag niet, hij beseft het vrijwel meteen, het moment dat ze zei dat het veilig was. Ze telde haar dagen altijd. Hij is in de val getrapt. Vrijen op het ritme van de natuur. Schijnheilige sodemieter. Hij staat op, ongetwijfeld kijkt ze nu naar hem, speurend naar zijn reactie. Nou, vooruit dan. Hij schopt de buitendeur open en vertrekt.   De eerste keer dat hij op bezoek kwam, heeft hij verdomd lang moeten zoeken voordat hij het toegangshekje zag. “Het gaat op in de natuur,” zei zij even later, nadat hij het toch gevonden had en het houten huis tussen de duintjes had bereikt. Zo moeizaam als hij de weg vond, zo gemakkelijk bleek het om te blijven. Je kunt hier de zee horen ruisen, de wind door de duintoppen horen waaien. Als hij hier is, voelt hij zich deel van de natuur. Hij is bevrijd van de moeizame gedachten over ouderschap, co-ouderschap, verdeling van boeken, platen, planten. Is het verstandig dat Sacha en hij dezelfde advocaat nemen, moeten zij nu juist niet de loopgraven betrekken, elkaar zwart gaan maken, elkaar het leven zuur maken? Hier is de verwarring ver van hem, hier is een vrijplaats. Hij kent intussen de weg en fietst tegenwoordig rechtstreeks op het toegangshekje af, soepel slaat hij zijn been achter zich over de lastdrager en begint te steppen, van het pad af, een duw met het voorwiel tegen het hekje dat meegeeft, open gaat. In het zand smoort zijn vaart. Hij zet zijn fiets tegen de berk.   Voordat hij de deur kan openen, is zij er al. De haren, halflang tot op haar schouders, hij haalt zijn handen erdoor; licht- verglijdt in donkerblond. Ze drukt zich tegen hem aan en hij is stil. Zo staan, niet bewegen, niet naar voren, evenmin achteruit. Alleen dit moment waarin hij alle sores kan vergeten. Geen gedachten aan de kinderen, geen gedachten aan Sacha. Alleen dit moment.   Maar vandaag stapt zij naar achteren en gaat het huis in, de krappe hal die ook als keuken dienst doet. Hij volgt haar. Valt hij voorover, dan ligt hij op bed. Het is de beste keuze, het is waar hij voor komt, en ook, verbeeldt hij zich, waarom zij wil dat hij hier komt. Maar zij gaat die kant niet op, en ook hij beweegt naar links, achter haar aan, de kamer in. Wat is er aan de hand? Waarom koerst zij naar de woonkamer? Pas als ze gaat zitten op het tweezitsbankje, draait ze zich naar hem om. Ze slaat met haar hand op de plek naast zich. “Kom zitten.”   Hij is niet gek, hij kent de theorie rond slecht – en goed nieuwsgesprekken, hij herkent de signalen. Slecht nieuws vertel je het best meteen, en dat is wat ze nu gaat doen. Nou ja, einde van een leuke relatie, een fijne afleiding, hij heeft ervan genoten. Misschien verwachtte zij er meer van dan hij, hij heeft het wel gehoord, dat ze de vier woorden zei: “Ik hou van jou.” Vorige week nog, toen ze bij hem in bed lagen. Zelf heeft hij ze zorgvuldig vermeden. Hij zal haar teleurgesteld hebben. Hoe kon hij anders, een vrijplaats is een illusie. Maar hij zal de gepaste tegenwerpingen maken, het is niet nodig haar te kwetsen door te laten merken dat het hem niet veel uitmaakt, al is het natuurlijk jammer van de omgeving, dat zei ze goed die eerste keer. Het gaat hier op in de natuur, heerlijk is dat. Maar voor haar een ander, of niemand. Misschien is dat het beste, vrouwen verwachten altijd weer iets van je. Mooi is ze wel, wat dat betreft is het jammer. Maar schoonheid, hoe zei Lucebert het ook alweer: “In deze tijd heeft schoonheid haar gezicht verbrand.” Inderdaad, ze heeft haar neus gestoten. Goed dat ze op tijd inziet dat er geen echte relatie inzit, tussen hen. Ze wacht trouwens wel erg lang, mist hij iets? Och ja, het spel moet gespeeld worden, hij moet haar aankijken, dan zal ze het zeggen.   Maar als hij haar in het gezicht kijkt, zegt ze: “Ik ben zwanger.”   Hij antwoordt niet. Wat heeft het voor zin? Hij weet dat ze kijkt, schopt de buitendeur open en is vertrokken. Een begrijpelijke reactie zal ze denken. Ze zal denken dat het nieuws hem overvalt. Wat natuurlijk ook zo is. Zei ze dat zojuist al niet? “Neem je tijd om je ervoor open te stellen,” hij weet zeker dat hij haar dat heeft horen zeggen. Dat is waarom de trap tegen de deur hem geen moeite kostte. Maar “zich openstellen”? Ammehoela.   Wanneer hij thuiskomt, een uur later, op de agenebbisj verdieping die hij nog twee maanden lang zijn huis moet noemen, loopt hij naar de vensterbank en pakt de aardewerken kom op. Wist zij het al, toen zij hem de kom gaf? Hij had haar van de trein gehaald, een eeuwigheid geleden, ver voor de handgranaat. Vorige week woensdag. Ze was naar haar vader geweest, een bezoek dat hem verbaasd had en dat hij nu in een ander licht ziet. Wilde zij de man blij maken? Toen ze terugkwam, had hij op het station geïnformeerd hoe het bezoek verlopen was. “Ach, het blijft een vreemde man,” had ze gezegd. Hij had niet verder gevraagd, voorlopig hoefde hij niets van mogelijke schoonfamilie te weten. Sterker nog, hij had geen behoefte aan schoonfamilie. Als die er was, dan was er een relatie en daar tekende hij voorlopig niet voor. “Waarom wil je scheiden,” had Sacha gevraagd en hij had niets anders kunnen bedenken dan dat hij alleen wilde leven. “Wel met de kinderen, natuurlijk,” had hij snel toegevoegd. Maar zonder vrouw die hij verdriet kon bezorgen en die hem verdriet kon geven. Zijn schoonvader en schoonmoeder had hij wel willen behouden, zo welkom had hij zich altijd bij hen gevoeld, maar zij waren haar ouders, zij moesten haar kant kunnen kiezen.   Toen ze van het station bij hem thuis waren gekomen, had ze opgemerkt dat hij het vet in de keuken weg had geschrobd. “Nu de slaapkamer nog,” had zij gezegd, maar hij had gelachen en haar op bed getrokken. Schoonmaken deed hij wel als hij alleen was. En trouwens, zo lang ging hij hier niet blijven. Hij heeft een mooie etage aan de Oosterlaan gekocht. Samen met Sacha is hij er gaan kijken. Het is dichtbij de Beukenlaan waar zij blijft wonen. Ideaal, vond Sacha de etage. Hier kunnen de kinderen zich thuis voelen, zei ze. Hij ziet ernaar uit om daar te gaan wonen, weg van deze klerezooi. Alleen de keuken heeft hij hier schoongepoetst, hij wil een beetje behoorlijk kunnen eten.   Daar zijn ze vorige week gaan zitten, in de schone keuken. Vlak nadat zij in bed haar liefdesverklaring in zijn oor had gefluisterd. Stiekeme huichelaar. Ze heeft hem een cadeau gegeven. Een handgebakken aardewerken schaaltje, zag hij toen hij het uit het papier had gepakt. Hij luisterde niet naar het verhaal dat ze erbij vertelde. Hij had geen behoefte aan schoonfamilie en evenmin aan gedeelde huiselijkheid. Hij had het kommetje in de vensterbank gezet en voorgesteld naar haar huis te gaan.   Nu heeft hij de kom in handen en kijkt om zich heen. De vaste vloerbedekking met de aangekoekte vlekken in de kamer, het gladde zeil in de keuken, hij keurt ze af en opent de deur naar de hal. De betonnen vloer zonder enige bedekking bevalt hem. Hij stapt de hal in, heft de kom hoog boven zich. De afstand tot de betonnen vloer is maximaal. Hier zal hij in duizend stukken vallen, een kwetsbaar maaksel dat stukslaat op de betonnen werkelijkheid. Hij laat zijn armen weer zakken, hij heeft de kom nog steeds in zijn beide handen. Hij opent de deur naar de meterkast en plaatst de kom op de plank, naast het stoffer en blik. Het heeft geen zin scherven te veroorzaken die je zelf op moet ruimen.   De volgende ochtend is het zaterdag. Meteen na zijn ontbijt trekt hij zijn jas aan, sluit de deur achter zich en fietst naar het huis in de Beukenlaan, waar hij tot voor kort woonde. Coby wacht al op hem, een plastic tas in haar hand. “Mijn judospullen heb ik al ingepakt,” zegt ze. “Kun je de houdgreep nog?” vraagt hij. Op de fiets voelt hij haar handen in zijn zij. Op de Oosterlaan wijst hij naar links. “Daar ga ik over een paar weken wonen, “zegt hij. “Dan krijgen Maika en jij daar ook een kamer. Er is een grote woonkamer en dan kun je de houdgreep op me oefenen.” “Ik houd je gemakkelijk,” zegt ze.   Tijdens de judoles wandelt hij naar de Hema en koopt een kaart van Jip en Janneke. Hij gaat zitten bij het Gulden Vlies, bestelt een koffie verkeerd en vraagt om een pen. “Volgende maand ben ik officieel gescheiden,” schrijft hij. “Ik ga goed voor mijn kinderen zorgen. Samen met mijn ex-vrouw. Wie weet, ben ik ooit toe aan een nieuwe relatie, een nieuw kind. Nu niet. Waar ik zeker niet van houd, is erin geluisd te worden. Wat jij doet, is jouw verantwoordelijkheid. Niet de mijne.” Hij stopt de kaart in zijn binnenzak. Vanmiddag zal hij de kom inpakken en met de kaart aan haar versturen. Nu gaat hij Coby ophalen. First things first.   Beloning voor goed gedrag Zaterdag, de groene velden met de witte kalklijnen, bij voorkeur een zonnetje, een graad of achttien, een hooguit lichte bries. Hij ontbijt, haalt het dunne, zwarte jasje van de kapstok en voelt of de chronometer in het borstzakje zit. Hij staat even voor de spiegel, juist als zijn dochter roept dat ze vertrekt. In de spiegel ziet hij een man die nog wel een sprintje kan trekken. “Heb je je scheenbeschermers,” roept hij, maar hij hoort de deur al in het slot vallen. Het zal wel.   Wat later fietst hij op zijn gemak langs de brede vaart. Kleine rimpelingen in het water, het lijkt alsof het zonlicht opspringt en weer neerkomt. Aan de overkant de molens, daarachter de polder vol ganzen. Het is een dag waarop mensen gelukkig kunnen zijn. Toch voelt hij in zijn borst de zekerheid te kort te schieten. Het is altijd zo geweest. Kwetsbaar, vol zelfverachting, niets heeft hij er aan kunnen veranderen. Het gevoel in zijn borst kan tijdelijk verdwijnen. Hij denkt en handelt, hij is actief, doet zijn plicht of wat hij graag doet, maar als hij stil is, voelt hij het knagen, de leegte. Het is niet slecht wat hij doet,  maar het legt geen gewicht in de schaal. Hij kent zijn talenten en weet dat zij niet tellen.   Misschien is hij niet zo geboren. Zijn moeder vertelde hem dat zij na vier geboorten kort na elkaar geen vijfde wilde. Toen kwam jij, voegde ze eraan toe. Hij was het vijfde kind. Een jongen na vier meisjes bovendien, zoveel ongedurigheid was er in hem, ze sloot hem dikwijls op in  de kast. Hij herinnert zich hoe donker het was en hoe het naar grondwater rook. Zijn vader wilde hem juist in het licht zetten en kon het niet verkroppen als hij ervoor terugschrok. Klappen leverde het op, scheldwoorden of zwijgen. Misschien hebben zij hem de zekerheid gegeven tekort te schieten.   Toch is er nu de lentedag. Aan de overkant sjort de molenaar de kop met de wieken naar de zachte westenwind. Hard zullen ze niet draaien vandaag, maar alle beetjes zijn meegenomen. In de vaart slaan de riemen van de wedstrijdroeiers in het water. Het is het geluid dat zijn eigen peddel maakte, in het water van de ringvaart voor hun huis. Maandenlang hadden zijn zus en hij gespaard. Toen ze honderd gulden hadden, gingen ze kijken naar kano’s die te koop werden aangeboden. Steeds was hun bod te laag. Op een dag kwam papa thuis, het was in de tijd dat hij nog schillenman was. “Ik heb een kano voor jullie gekocht,” zei hij. “Geef mij jullie spaargeld, ik heb er honderd piek bovenop gedaan. Volgens mij is het een prachtding.” ’s Avonds had papa hen naar Halfweg gereden waar de kano lag. Hij was precies zoals ze hem wilden hebben, doorzichtige bruine glanslak, twee plaatsen achter elkaar. Dat je zo wiebelde als je erin stapte, daar hadden ze niet op gerekend. Misschien voelden ze zich ook ongemakkelijk omdat papa en de verkoper naar hen stonden te kijken. Toen ze eenmaal weg peddelden, voelde Johan  zich prima.  Zijn zus had al gauw genoeg gekregen van de kano en meestal voer hij alleen de ringvaart af, elke slag bracht hem verder van huis. Hij voer helemaal tot aan het Nieuwe Meer. Daar was het water wilder. Hij stak de neus van de kano recht in de golven en liet zich drijven. Een sleepboot voer snel over het meer, de golfslag werd woest, nu moest hij de neus zeker goed op de golven houden. Of zou hij dwars gaan liggen, zich laten omslaan? Het water spatte over zijn lijf. Laat in de middag kwam hij doorweekt thuis, zijn moeder gaf hem op zijn kop, maar hij had niet het gevoel dat ze echt boos was. Zij hield ook van water. Ze had eens zijn plastic bootje uit het kanaal gered, toen hij als kleuter ermee  op de steiger zat te spelen en het te ver van hem was weggedreven. Verdrietig om het verlies van het bootje was hij binnengekomen. Zij had zich snel omgekleed en was in het water gesprongen. Opgewekt stapte ze even later druipnat het huis weer binnen, zijn bootje in haar hand.   Hij zet aan en voegt zich in de stroom van jongens en meisjes met de zwarte sporttassen in hun fietsbak. Hij kan blijven zoeken naar woorden voor het gevoel van tekort, nooit zal hij eraan ontkomen. Het kan altijd in hem zijn geweest. Heel goed mogelijk dat zijn ouders het niet in hem hebben opgewekt. Wat maakt het uit? Je kunt jezelf niet veranderen, hoorde hij zeggen, maar wel je gedrag. Dus, wat maakt het uit waar de zekerheid  tekort te schieten vandaan komt, zolang hij er niet naar handelt?   Hij fietst onder de poort met het zwart-witte bord door, hij is aangekomen bij de groene velden, stalt zijn fiets en kijkt naar de vlaggetjes aan de cornerpalen, de netten die in de doelen schommelen. Echt weinig wind, altijd prettig voor de wedstrijd. In het wedstrijdsecretariaat  zitten de mannen rond de koffietafel. Slechts een enkeling van hen vervult een taak, de anderen zitten er omdat hier een voetbalveld is, waar zij met andere mannen het eeuwige gesprek kunnen voeren. Ook zijn vader voerde vroeger dit gesprek, met mannen die de kleine Johan over zijn bol aaiden. “Kom op, naar buiten,” zei zijn vader dan. Hij had belangrijke kwesties te bespreken. Dat de scheids er vorige zondag weer helemaal niets van kon, dat hij in zijn tijd wel raad had geweten met die voorzet van de linksbuiten. Het zijn de kwesties waar het ook op deze lentedag nog over gaat. Johan luistert ernaar, maar praat nog steeds niet mee. Hij schudt Piet de hand en pakt een bal, twee vlaggetjes voor de grensrechters, een fluitje, een bloknootje en een pen. “Veld C,” roept Piet hem na.   Bal aan de voet, het schrijfgerei in een van de steekzakken van zijn jasje, het fluitje in de ene hand, de vlaggetjes in de andere loopt hij Veld C op. Voor het rechterdoel is het thuisteam aan het afwerken. De speelsters staan in een rij achter elkaar, ter hoogte van de middencirkel. Hij zwaait naar zijn dochter die gelukkig haar scheenbeschermers draagt. Aan de overzijde is de tegenstander nog bezig sprintjes te trekken. Hij blaast op zijn fluitje, schudt de handen van de coaches. Er melden zich twee grensrechters, hij geeft hen een vlaggetje. “Uitbal, achterbal, corner, buitenspel,” zegt hij, “voor een overtreding hoef je niet te vlaggen. Die beoordeel ik zelf.” Dan draait hij zich naar de beide aanvoerders die zich intussen in de middencirkel hebben gemeld. “Hebben jullie er zin in?”   Na zijn beginsignaal volgt hij het spel op korte afstand. Hij vindt zich te oud om zelf nog te voetballen. Maar nu, met het gras onder zijn sportschoenen, is hij blij als een lange pass wordt gegeven, rennen moet hij dan, rennen om ter plekke te zijn als een duel volgt. Alert ook als de bal ineens in zijn richting wordt geschoten. Hij spreidt zijn benen, laat de bal passeren, het is alsof hij er niet stond, het spel gaat zonder onderbreking door. Eenmaal negeert hij een vlagsignaal van de grensrechter van de gasten. “Scheids,” hoort hij roepen. Hij laat het spel doorgaan, hij is benieuwd wat er gaat gebeuren als de aanval tot een doelpunt leidt. Maar de keeper vangt de zacht ingeschoten bal. Als ze in de rust het veld aflopen, komt de grensrechter naar hem toe. “Ik vlagde, scheids,” zegt hij. “Dat heb ik gezien,” zegt Johan,  “maar op het moment van spelen stond de aanvaller nog niet achter jullie achterste speelster. Geen buitenspel.” Hij ziet de man ademhalen, maar is hem voor. “Nou ja, wie weet, zag ik het verkeerd,” zegt hij, “of jij. Het werd in elk geval geen doelpunt.”   Na de wedstrijd brengt hij de spullen terug naar het wedstrijdsecretariaat. Dat is nu bijna leeg, op veld A speelt nu het selectieteam van jongens tot 19 jaar, daar staan de mannen ongetwijfeld langs de lijn. Alleen Piet zit nog aan tafel. Hij neemt de vlaggetjes van Johan aan, bergt de pen en het bloknootje op. De bal gaat in het ballennet. Samen vullen ze het wedstrijdformulier in: “1 – 1, geen bijzonderheden.” Piet geeft hem een consumptiebon. “Beloning voor goed gedrag,” zegt hij. “Daar doe ik het voor,” antwoordt Johan.   In de kantine wisselt hij de consumptiebon in voor een broodje bal. Eén hand aan het stuur fietst hij naar huis, het broodje in de andere hand, een snelle hap, de mosterd loopt langs zijn kin. In de vaart hebben de roeiers plaatsgemaakt voor kanovaarders. Geen vier in een boot, maar twee. Geen roeiers, maar peddelaars. Een andere aanpak maar ook deze boot scheert over het water. Misschien raken de peddelaars vermoeid, misschien raakt een van hen de slag kwijt, maar ze doen wat ze kunnen. Dat is genoeg.

Jan Loogman
0 0

Twee andere scènes (Adinda-opdracht 6)

1. Ik probeer me die smaak in te beelden. Heb jij wel eens het verlangen gevoeld om een braambes te proeven? Geen antwoord. Je kijkt me aan met een vernietigende blik en gaat ervan door zonder iets te zeggen. Ik had nog willen zeggen dat ik eigenlijk ook graag te weten zou komen hoe de liefde voelt.   Met de liefde is het net als met mooie kleedjes, denkt ze, het is iets voor de anderen. Hier en daar merkt ze wel een jongen op met zachte ogen. Maar het is te vroeg. De jongens dragen nog stoere harnassen en de mist om haar heen is nog te dicht. Ze wil trouwens helemaal geen ridder en ze verlangt er ook niet naar om een prinses te zijn. Wat dan? In vervlogen tijden zou ze in de keuken gewerkt hebben van een klooster, ze zou er brood hebben gebakken en voor de kruiden zorgen in de tuin, zij is het die de gerechten versiert met paarse viooltjes en zevenblad. En als ze even tijd heeft, glipt ze naar de bibliotheek en verdiept zich in de boeken en oude manuscripten, ze schrijft briefjes en verstopt die tussen de bladzijden voor de man in wiens ogen de hemel zichtbaar is. Het klooster heeft een grote oude tuin, de linde staat in bloei. Daar zouden ze afspreken. In de laatste jaren van de middelbare school zie je haar vaak vertoeven bij een groepje jongens. Een groot deel van de klas vindt de leraar Frans maar een gefrustreerde pessimist, maar zij laven zich aan zijn lessen. ‘Le défi’ is de titel van zo een les. Op het bord heeft hij twee bergen getekend, die staan voor twee werelden. Aan de ene kant de microkosmos, het rijk van het onzichtbaar kleine, aan de andere kant de macrokosmos, het oneindig grote universum. Er ligt een plank tussen de beide bergtoppen, daarop balanceert de mens: in geen van beide werelden is hij thuis. En als hij niet oppast valt hij in de afgrond ertussen. Ze ademt opgelucht, dit biedt tenminste enige houvast. ‘Houvast?!’, je hoongelach klinkt luider dan ooit, ‘het is pure inbeelding van dat kind!’ ‘Ja inderdaad, maar daar is ze wel goed in, ondanks al jouw lobbywerk’. Je ogen bliksemen. ‘En jij dan?’ grom je. Ik schud mijn hoofd. ‘Ik bescherm haar niet, hoe zou ik dat kunnen? Dat ik haar van zo nabij volg, is mijn zaak. En laat me nu met rust.’ Er is een oudleerlingenavond op school, ze ruimt de glazen af en luistert even mee naar het gesprek aan tafel bij de lerares geschiedenis. Een jongen met blauwe ogen kijkt haar aan en glimlacht. Kom je er even bijzitten? Ze gebaart naar de plateau vol glazen en keert terug naar de afwas. Er is veel afwas. Een tijdlang hoopt ze voortdurend hem tegen te komen, in de bibliotheek, aan het station, op straat. Het duurt maanden, dan stopt ze met hopen, maar blijft verlangen. Haar Franse lief verschijnt een jaar later op het toneel. Groene ogen, een brede glimlach, 10 jaar ouder, in elk oor een ring. Hij durft haar hand nemen, ze trekt niet terug. Zijn stem is altijd hees en opgewekt, maar hij kan ook prachtig zwijgen. Als ze wandelen zeggen ze niet veel. In het Frans kent ze de namen van de vogels niet, dus wijst ze en fluistert. Hij herhaalt ze één voor één, als een kind dat voor het eerst een woord uitspreekt. Fuut. Zwaan. Blauwe reiger. Ze wandelen veel, vaak ’s avonds als de zon aan het ondergaan is. Of ’s nachts als de maan er is. Zoals nu, tijdens deze heldere winternacht. De vogels zwijgen. Zelfs de meerkoeten die meestal piepend op het water dobberen, blijven vannacht liever anoniem, het water is bevroren. In de verzonken wereld knerpt de sneeuw onder hun voetstappen. Hun silhouetten bewegen hand in hand door de stilte. De aarde wordt verlicht door het maanlicht dat de sneeuw weerkaatst. De vijver, de plassen en de poelen zijn daarentegen transparant. Gewoonlijk verbergen zij hun diepten onder hun waterspiegel, nu schijnt het maanlicht er dwars doorheen. Soms is het een sprookje, soms een zootje. Enkele jaren nadien maakt ze op een blad twee kolommen: één voor Frankrijk en één voor België. Ze kiest voor het tweede. Dromen gaat beter in het Frans, maar eerst moet ze zelf nog wat meer werkelijkheid worden.     2. Het was niet de bedoeling. Tot het moment dat de dokter hen zegt dat ze zwanger is, dringt het niet tot haar door. Toch zijn ze samen naar de consultatie gegaan, zij en haar vriend. Daar staan ze nu op het plein vlakbij de groepspraktijk. Ze voelt een duizeling in haar hoofd van zoveel verandering op til. Het suist en tolt in haar hele lijf, maar een ding weet ze heel zeker: ik wil dit kind en ik ben bereid hiertoe m’n leven compleet op z’n kop te laten zetten. Haar vriend is zacht en lief op dat moment. Hij wil geen kinderen, heeft hij altijd gezegd, dat is niets voor hem. Dat zegt hij nu niet. Hij blijft even bij haar op het plein staan en gaat dan naar z’n werk. Ze is graag zwanger. Ze voelt zich vereerd dat het leven haar uitgekozen heeft om een kind in te laten groeien. Bang om te bevallen is ze niet. Nooit is ze het leven meer nabij dan tijdens zo’n bevalling. Ze zet twee kinderen op de wereld. De oudste zoon komt een maand vroeger dan verwacht, hij weent veel, en ook later zijn vele overgangen voor hem erg moeilijk. Met zachte hand en humor lukt het. De jongste zoon is altijd al gretiger, passioneler. Het duurt bij beide jongens jaren vooraleer ze de hele nacht slapen. Als ze wakker worden, voedt ze en slapen ze samen verder. Als ze moe zijn, bindt ze hen op haar rug en wandelt. Haar jongens groeien dicht bij haar op, ze hebben het goed samen. ‘Ziezo’. Ik schrik, ik had je niet horen komen aanvliegen. ‘Nu kan je eindelijk stoppen met haar te volgen’. Maar dat kan ik niet. Want ze heeft af en toe een vlaag van onbestemde heimwee, vleugelpijn noemt ze het. Had jij daar al van gehoord? Bij sommigen -meestal vrouwen, soms ook mannen-  beginnen op een bepaald moment vleugels te groeien. Of het nu om een misgroeiing gaat bij hen die te weinig resultaten boeken, of het gevolg is van teveel dagdromen, dat hebben de onderzoeken nog niet uitgemaakt. Wel staat vast dat na verwijdering de patiënten in staat zijn tot een normaal leven, zij het met soms nog enige neiging tot melancholie. Het verwijderen van vleugels in een beginfase doet geen pijn, hebben ze haar gezegd. Ze heeft haar koffer gemaakt. Een lange busrit brengt haar tot de eindhalte in de heuvels, ze is even gaan zitten op de bank, wandelt dan de laan in, tot het huis. Ze zeggen niet veel, geven je een kamer en een glas wijn. Ze doen het terwijl je slaapt. Iemand moet het venster opengezet hebben, de ochtendlucht stroomt binnen, ze hoort duizend vogels zingen en voelt tranen nog voor ze haar ogen opendoet. De kamer hult zich in een waas van wit, boomkruinen fluisteren door het raam. Ze gaat rechtop zitten, voelt aan haar rug en weent de hele ochtend. Iemand brengt haar een kop thee en een boterham. ‘je mag nog enkele weken blijven’, zegt ze, ‘de meesten draaien nog even in de werkplaats mee vooraleer ze terugkeren’. Haar stem is warm en zacht. Ze blijft zolang het mag. De ruimte lijkt in niets op wat meestal een werkplaats is: hoge ramen waardoor licht overvloedig binnenvalt, houten vloer, gordijnen van wit  linnen. Elke vrouw zit op een stoel met voor zich een grote mand waarin het dons valt dat ze plukt uit een vleugel. Overal door de kamer warrelt dons en speelt het licht. De deuren aan de ene kant gaan open, een jongen brengt een nieuwe lading vleugels binnen.   Even later doet het geluid van een vrachtwagen op de oprit iedereen opkijken. Manden met dons worden ingeladen. De chauffeur heeft de radio laten aanstaan, reclame en nieuws denderen de werkplaats in. Van het dons worden hoofdkussens gemaakt die zeer prijzig en zeer in trek zijn bij de hogere middenklasse. 15 dagen en 15 vrachtwagens gaan voorbij, ze is bijna terug thuis. Ze voelt zich misselijk van de lange busrit, nog 2 straten te gaan. Hoe dichter ze haar huis nadert, hoe trager ze loopt. De sleutel past, de deur gaat open, de afwas staat op het aanrecht, er is nog niemand thuis. Intussen gaat het leven door. Kijk daar is weer zo’n scène, het lijken wel variaties op een thema. Ditmaal zijn ze op reis in Californië. De afdaling lijkt uren te duren, het woud is uitgestrekt, de weg vol bochten, de beren houden zich schuil, de reeën wachten tot het avond is. Ze rijden tot het einde van de grintweg, daar beneden laten ze de auto staan. Ze bindt de kleinste jongen op haar rug, neemt de grootste bij de hand. Ze wandelen langs hoge ceders, voorbij een kudde elanden die hen heel even aankijken en daarna onverstoorbaar verder grazen. De lucht is vochtig en ruist mee met de oceaan. Ze lopen het pad ten einde, daar is een rots, achter de rots is het kiezelstrand. Dit is de ‘Lost Coast’, hier eindigt de wereld. Metershoge golven spatten op de rotsen, roeren de kiezels om en keren dan terug naar de woeste zee. Zo moet de wereld hebben geklonken voor ze werd opgedeeld in aarde, lucht, water en vuur, in man en vrouw, goed en kwaad. Ze heeft tranen in haar ogen. Haar man kijkt naar haar, neemt een foto. Kom, we zijn weg. Ze kijkt nog één keer. Hier kom ik ooit terug, dan blijven we kamperen. Hij antwoordt niet. Waarom nam hij niet even haar hand ? Nee, hij stond erbij, vond het mooi, maar was er niet bij. Hij was bezorgd om de lange klim naar boven, bang door het donker overvallen te worden. Jij gniffelt. Ze beelden zich in dat het liefde is, maar het is angst. Soms heb je gelijk.          

Adinda
6 0

Brieven aan Manon

 31 maart 2018   Lieve Manon,   Weet je nog toen je me zei dat je "met geld wel een hond kunt kopen maar dat je hem er niet mee kunt laten kwispelstaarten"? Ik denk dat dat ook voor katten geldt.   Toen ik gisteren Athos en Porthos vanachter het keukenraam de tuin in zag lopen, gelokt door een deugddoend voorjaarszonnetje, moest ik aan die woorden van jou terugdenken. Hun staarten schoten als de periscoop van een onderzeeër richting hemel, ze rekten en strekten zich zoals enkel katten dat kunnen om dan languit op de warme arduinen terrastegels te vallen en van puur kontentement de meest onmogelijke bochten te maken met hun elastieken lijf. Na dit ontwakingsritueel lonkte het avontuur. Een berg aarde is bedekt met ontluikende krokussen en narcissen, met tulpen en paasbloemen, enkel de meiklokjes laten nog op zich wachten. Langsheen de houten scheidingsmuur met de buren heb ik voor de winter appel- en perenboompjes neergepoot en er staat nu een tweede dakplataan op hangmatafstand van de andere die er al twintig jaar groeit en zonder veel zuchten een volwassen mannenlijf kan dragen. Aan een steunpaal heb ik tijdens de voorbije vriesperiode een voederkastje opgehangen. Het is nu een komen en gaan van mussen en merels, van meesjes, kwikstaartjes en heel af en toe zelfs een roodborstje. Het is alsof ze tegen mekaar gezegd hebben : "Daar moeten we zijn, daar is een feestje vandaag!". Sociale media in het dierenrijk. Net zoals bij mensen duiken ook hier profiteurs op die een graantje willen meepikken van deze nieuwe ontwikkelingen en met de noorderzon verdwijnen als het feest voorbij is. Ik geniet van al dit leven in mijn tuin. Athos en Porthos kijken er steeds weer met verwondering en, even maar, met argwaan op neer. Ze werden opgeschrikt door het gekir van Jinthe en Jolien, de buurmeisjes die nog even op de trampoline sprongen voor ze weer  naar school moesten. Ze zwaaien altijd vrolijk naar mij, gevolgd door een verlegen "hallo", meer niet. De klasjes van de lagere school zijn nog niets veranderd. Ik zie ons nog steeds tikkertje spelen en stickers van de smurfen omruilen op de speelplaats. De schoolbel klinkt nog net als toen, een uitgerokken ringtoon van een bakelieten telefoontoestel, in decibel enkel overstemd door het gebimbam van de kerktoren een beetje verderop. Het snoepwinkeltje van Joseeke van de bakker schuin tegenover de kerk is niet meer, Joseeke is nu met pensioen, en ook de kruidenierszaak van Geert en Els is inmiddels voltooid verleden tijd. Hun winkel werd na hun echtscheiding overgelaten aan de Turkse familie. Kun je je de reactie in het dorp voorstellen? "Ziede wel, die vreemdelingen nemen hier alles over, binnenkort is niets hier nog van ons!" Een kat besnuffelt en omarmt de angst voor vernieuwing, een dorpsmens denkt meteen dat hij ALLES zal kwijtspelen. De winkel is niet lang daarna opgeslokt door de pakjesdiensten van HelloFresh, Bpost en Post.NL. Vooruitgang noemen ze dat naar het schijnt, de oudjes van het dorp zitten met de gebakken peren. Athos en Porthos hadden na een halfuurtje genoeg nieuwe indrukken opgedaan en vonden van zichzelf dat ze hiermee weer minstens een halve dag slaap verdiend hadden. Ik heb nog een praatje gemaakt met Luc, je weet wel, de buurman met de twee naakthonden waarvan eentje in de zomer een roze pyjama droeg omdat hij een zonneallergie heeft. Je piste haast in je broek van het lachen toen je dat zag. Had ik al verteld dat Luc vrachtwagenchauffeur is? Ik vind het altijd een beetje lastig praten met hem. Het lijkt alsof we nooit echt verbinding maken, alsof er een muurtje tussen ons staat. In elk gesprek sluipt wel een distributieriem, een oliefilter, een bougie of een waterpomp binnen. Ik heb geen flauw idee waarvoor die dingen dienen. Als ik hem mag geloven, heeft hij al meermaals het leven van zijn camion verlengd enkel en alleen maar door goed te luisteren naar het geluid dat hij maakt (mensen zouden beter naar elkaar moeten luisteren). Zouden alle vrachtwagenchauffeurs zo zijn? Ik kan mij niet voorstellen om ganse dagen 'op de baan' te zijn. Zo zegt hij dat : "Ik ben op de baan geweest vandaag." En dan vertelt hij over zijn baas die achter zijn veren zit om zijn vracht zeker op tijd af te leveren, dag na dag, over de stress van het verkeer ("D'er rijdt wat op de baan tegenwoordig, zenne!") om dan een apart hoofdstukje te wijden aan het geluid dat zijn vrachtwagen maakte ("Hij klonk maar raar vandaag. Ik weet niet wat er scheelt."). Na die 'geluidsboodschap' ben ik altijd weer gelukkig dat ik gewoon met de fiets en de trein naar het werk kan, en op dat moment herinner ik mij doorgaans ook dat ik dringend naar binnen moet omdat er iets op het vuur staat te pruttelen.

Dirk Jacobs
0 0

Speciaal voor jou, wie je ook mag zijn.

Eerste brief , vrijdag 6 april 2018Lieve lezer van deze brief, ik schrijf "lieve" want ik wil er graag vanuit gaan dat je dat bent. Ik ben dat ook. Voor anderen heel gemakkelijk, voor mezelf niet altijd. Ik ben dan ook vierentwintig op zeven bij mij. Tja... dan vind je wel eens wat om over te sakkeren. Maar terug naar jou; als er een lieve ontvanger aan de andere zijde wacht, dan schrijven mijn brieven zich wat vlotter. Dus ga ik ervan uit dat je lief bent. Tot je mij het tegendeel kan bewijzen.  Ik vind het jammer dat ik jou deze brief niet per post kan laten bezorgen. Dan had ik hem sowieso versierd met kleuren en stickertjes. En van zodra ik jou een beetje leerde kennen, zou ik de decoratie helemaal verpersoonlijken. Mocht je bijvoorbeeld van dieren houden, kleefde ik er één in elke hoek. Zou paars je lievelingskleur zijn, dan zocht ik een violetkleurige briefomslag voor je uit. Fan van gouden lettertjes? Verwacht je naam en adres alvast in die stijl. Oh, oh, oh wat ben ik benieuwd naar jou! Op dit moment zit ik in de lievelingskamer van mijn nestje; mijn atelier. Ook wel eens in gedachten "mijn hemel" genoemd. Behalve de strijkplank -die voorlopig nog dienst doet als rommeltafel- staan hier alleen maar leuke dingen: mijn bureau-eiland om creatief te zijn alsook mijn portfolio in elkaar te pennen, een heerlijk comfortabel zeteltje in zonnekleur met een gerieflijk bankje voor de voeten, een manduka yoga mat in het midden van de kamer en een hokjeskast vol dozen met leuke spulletjes in. Een warme leeslamp, een paar eye-catchers aan de muur en verse bloemen iedere week. Ik ben hier graag - liever - liefst. Speciaal voor jou heb ik zonet alle trappen van mijn huurhuisje geteld. Het zijn er in totaal zevenenvijftig. Zevenenvijftig trappen die leiden naar zeven kamer(tje)s. Met een bescheiden dakterras als kers op de taart. Deze laatste is sinds vandaag mijn nieuwe lievelingsplek. Hoe dichter ik bij de zon kan zijn, hoe liever ik het heb. De zomer is ook híer dit jaar op een vrijdag begonnen. Zon, tevens veel wind, maar zon zon zon. Halleluia, éindelijk!! Mijn leukste ontdekking van de afgelopen paar weken is een man van 46 die een A330 bestuurt. Een piloot dus. Boeiende kerel. Tevens een taalvirtuoos die zinnen kan laten smaken naar aardbeien met chocolade. Een deugd voor iemand die zelf graag in het puntje van haar pen kruipt. Ik kwam Kristof tegen tijdens een online spelletje scrabble en sindsdien zijn we niet meer gestopt met woordjes leggen. En zinnen, die ook. Veel daarvan. Het fascineert me immers dat iemand zo'n grote stalen vogel door de lucht kan laten klieven, schijnbaar moeiteloos. Hij ontwaakt 's morgens in eigen bed en pakt 's avonds zijn koffer 6000 km verder uit. En tussendoor heeft hij de levens van zo'n slordige 350 mensen in handen gehad. Soms wel 400. Dat fascineert me. Mocht dit een brief zijn van de heer Pfeijffer (met dubbele f in het midden volgens mijn vriend Wikipedia), dan had hij er beslist op gewezen dat er wel meerdere beroepen zijn die mensenharten in handen houden. Denk bijvoorbeeld maar aan chirurgen, ambulanciers en lijkenwassers. De stiefmoeder die Assepoester met haar vergiftigde appel bijna de dood in joeg. De winkelier die euromillions verkoopt. De agent die slecht nieuws aan huis moet brengen. Don Juan en al zijn geschiedkundige kompanen.  Ilja had er vast nog een dozijn bij gevonden. Nu de zon begint te zakken, wil ik graag mijn huis nog stofzuigen. Ageeth is immers het hele weekend in Nederland voor haar cursus Kum Nyé, dus kan ik zorgeloos lawaai maken. Ik stoor haar niet graag, de lieverd. En ze hoort elke stap die ik zet op de eerste verdieping. Godzijdank komen we goed overeen. Het klopt wat het cliché zegt; beter een goeie buur dan een verre vriend. Ik ben gezegend met zowel een goede buur als dichtbij zijnde vrienden. En toch... ben ik vaak en graag op mezelf. Alleen voel ik dat het vanavond een beetje pikt. Na 17 jaar roken en 1 jaar gestopt te zijn, heb ik plots zin in een sigaret. Dan weet ik dat de leegte vanbinnen knaagt. Dus schrijf ik jou een eerste brief. Met een gin tonic erbij. Dat helpt een beetje. Tot gauw, vreemde-die-weldra-niet-meer-zo-vreemd-voor-me-zal-zijn. Ik groet je vanuit de stad waar ooit - per vergissing!! - de maan werd geblust. Kristien PS: Was jij ook zo dol op die eerste brief aan Gelya? Ik heb prompt het boek in de bibliotheek gereserveerd! Ik laat je nog weten of het vervolg net zo hemels is.

Kristien
21 0

Eerste tipje van de sluier

Brieven aan een onbekende Eerste brief                                                                  Singles-Auvergne Frankrijk, 4 april 2018   Lieve onbekende,   Ik bevind me vandaag in het buitenland. Ik ben enkele dagen op vakantie, een yoga – en schrijfvakantie. Aangezien ik me momenteel niet in de positie bevind om thuis de ramen open te gooien en te kijken wat er allemaal gebeurt, begeef ik me hier naar buiten om alles in me op te nemen. Het weer is momenteel erg wisselvallig. De zon heeft al geschenen, maar het heeft ook al wat geregend en de wind maakt het best koud. Ik ben daarnet gaan wandelen langs de prachtige rivier, die vandaag net wat onstuimiger stroomt dan gisteren, omwille van de regenval vannacht. Onderweg kwam ik een waterval tegen. De natuur blijft me verbazen en raken. Ik lijk weer volledig samen te vallen met mezelf. Het glooiende landschap, de ontelbare bomen, de roofvogels die de omgeving verkennen, het is hier paradijslijk.   Ik denk dat ik je al wel een goed beeld heb gegeven van ‘la douce France’. Ik zal je ook even inkijk geven in mijn leefomgeving. Ik woon op een verdieping van een oud herenhuis aan de rand van de stad Antwerpen, samen met mijn levensgezel, Cosmo de kat. Die ligt nu vast op zijn dekentje te spinnen, te dromen van mijn terugkomst. Aan de achterkant – vanuit de keuken en de slaapkamer – kijk ik uit op wat tuintjes. Aan de voorkant – vanuit de woonkamer – heb ik inkijk in de rustige straat, als ook in het appartement van tante Tilly. Af en toe zwaaien we naar elkaar, dat hebben we zo afgesproken toen we elkaar ontmoet hebben. Op donderdag wordt in onze straat het vuilnis opgehaald en nadien ligt alles bezaaid met papiertjes, plastic zakjes en dergelijke. Tante Tilly vindt dat absoluut niet kunnen en heeft dus een afvalgrijper bij de gemeente opgehaald. Ze vindt dat onze buurtbewoners hun vuilniszakken en kartonnen dozen beter zouden moeten afsluiten, maar hoe maak je ze dat wijs? Tot die dag ooit komt, zal je haar elke vrijdag gestaag zien rondlopen met haar afvalgrijper, dat is beter voor haar rug. Ik ontmoette haar toen ze een plastic zakje uit een boom probeerde te wrikken. Ik ben toen de ladder gaan halen en sindsdien mag ik haar tante Tilly noemen, wat een voorrecht! Je zou haar de titel kunnen geven van ‘assistent – vuilnisman’.    Vuilnismannen doen zo’n goed werk. Wij mensen blijven maar afval produceren en de vuilnisman in de straat blijft dat telkens afdragen. Hij belast er zijn rug mee, dus is het niet enkel in het belang van het milieu om minder afval te produceren, het is ook in het belang van de vuilnisman. Het lijkt zo’n ondankbaar beroep, op een vuilniswagen staan met een oranje fluohesje om dan kilo’s vuilnis in te laden. Daarna ’s avonds thuiskomen om dan te kreunen en te steunen omwille van een geblokkeerde rug. Daarenboven in bed wakker liggen en balen, omdat je weer zo vroeg op moet staan. En dat doet de vuilnisman elke dag opnieuw, omdat de mens een gewoontedier is, geen wereldverbeteraar. Wat we kennen schept een gevoel van veiligheid en daarom doen we er alles aan om de dingen krampachtig bij het oude te laten, ongeacht de gevolgen. Ondankbaar beroep of niet, ik ben deze kanjers geweldig dankbaar! Misschien doen alle vuilnismannen wel yoga, dat is erg weldadig voor de rug, als ook voor de rest van het lichaam. Ik kan het me al helemaal voorstellen: In de stad Antwerpen wordt speciaal een yogacursus georganiseerd voor vuilnismannen. Zij komen dan na hun werk – in een oranje fluohesje en een stretchbroek – naar de les en planten zich op hun matje neer in mooie rijtjes achter elkaar. Er vormt zich een mooie mix van mannen van verscheiden origine, al dan niet met bouwvakkersreet. Ze laten hun lichaamsgassen gretig vloeien en laten alle spanning los om dan na de les samen een pintje te gaan drinken. Dat lijkt me een fijne tegenhanger voor al dat zware werk.   Mijn interpretatie staat bol van de clichés, maar deze stereotypering uitmelken zorgt voor een humoristische toets en ik vind humor erg belangrijk. Ik ben van mening dat we humor nodig hebben om het leven wat luchtiger te maken, om wat extra ruimte te scheppen en van op een afstand te kijken naar onze beslommeringen. Het leven en onszelf niet te serieus nemen kan de druk wat van de ketel halen en zet de deur op een kier voor dankbaarheid. Dankbaar kunnen zijn voor wat we hebben en kunnen accepteren wie we zijn en wat er op onze weg komt is voor mij de sleutel tot tevredenheid, en misschien zelfs (af en toe) tot uitzinnig geluk. Veel dank dus voor de komieken, grapjassen, narren en onnozelaars binnen onze samenleving!              Het stemt me zeer gelukkig, beste onbekende, dat we de kans krijgen om elkaar op deze manier te leren kennen. Erg gemoedelijk, waarbij telkens een tipje van de sluier wordt opgelicht. Ik vind het erg fijn om mijn gedachten en hersenspinsels met jou te delen en kijk erg uit naar onze volgende briefwisseling. Ik wens je een sprankelende week toe, vol van inspiratie.   Tot genoegen!

Eva
0 0

Over Tom Lanoye, een fiesta tropical en eigenwijze konijnen

Dag onbekende (x/m/v) briefschrijver,    Zodra ik daarnet de deur naar ons stadstuintje openzette, tuimelde de lente binnen. Eindelijk!    Vóór het grote Barragan-raam naast de deur plooide ik zoals altijd de was. Jeansbroeken in 3 verschillende jongensmaten waren de vangst van vandaag.  Er was letterlijk noch figuurlijk geen kat te zien op het ‘gedooghoekje’ van de tafel. Onze 4 huisdiergenoten – een halflangharige zwarte kater, een zwart, een gestreept en een bonte-koe-kattinnetje weten dat het not done is op het fris geurende wasgoed een slaapplekje te zoeken. Met de lente in de neus zijn ze er nu wellicht op uit getrokken. Gevaar om op straat terecht te komen, is er niet. We wonen in een rechthoekig blok van rijhuizen en enkele handelszaken, de katten kunnen enkel op avontuur langs de aaneengesloten tuinmuren.    Is het door die muren dat onze tuin een kleine enclave van rust lijkt? De drukke steenweg waar tram 2 je tingelend in slechts 1 halte van deelgemeente naar de stad brengt, hoor je hier niet. Enkel de schrille sirene van de ambulance dringt soms door als typisch stadsgeluid.   Terwijl ik dit schrijf  hoor ik door de open deur de vijverfilter klaterend zijn werk doen. Zou Paddo, zoals de zonen het verdwaalde kikkertje noemden dat vorig jaar van god weet waar in ons waterpartijtje terechtkwam, de winter overleefd hebben?   Laat die lente nu maar echt ontluiken want over enkele weken plan ik mijn verjaardagsfeest en ik droom van een tropische fiesta in de tuin. Dat wordt nog onderhandelen, bedenk ik nu, want mijn oog valt op onze 2 dwergkonijnen die languit genieten van de eerste voorjaarsstralen. ‘Vrijheid, blijheid’ geldt in ons gezin, ze lopen vrij rond. Het enige nadeel is dat de konijnen de tuin nu als hun persoonlijke terrein beschouwen. Zodra je de intentie toont er langer te blijven dan strikt noodzakelijk om hen van korrels en verse groenten te voorzien, lopen ze je constant voor de voeten in de hoop dat je ervan afziet voortaan buiten te eten, te lezen of te luieren. Laat staan om een feestje te bouwen! Ik ben benieuwd of ze zich op het moment suprême zullen terugtrekken in het tuinhuis - óók geannexeerd - of voor de vlucht vooruit kiezen en de eerste de beste gast die zich in de tuin waagt in de tenen zullen bijten.   In mijn perfectionistische hoofd vormt zich al een ellenlange to do-lijst. Voor het feest moeten de ramen zeker gewassen worden. Hugo, de palmboom, moet van zijn bruine bladeren verlost zodat hij er op z’n best uitkomt. En ik ben er wéér niet in geslaagd de gardena’s te laten overwinteren, in de hoge - rabbit proof! - bloempotten hangen enkel nog een paar zieltogende bladeren. Welke kleur van bloemen zou ik deze keer kiezen? Het terras moet geschrobd en de klapstoeltjes afgewassen, de ladder op z’n plek en nieuwe, vrolijke lampjes aan de muur. Ik zie het feest al helemaal voor me. O ja, even strategisch denken, ik mag niet vergeten de buren uit te nodigen!     Ook in huis zal ik de lenteschoonmaak serieus moeten nemen.   Ik heb alvast het tafeltje naast de zetel opgeruimd. Alle schrijfgerei weer bij elkaar, verlopen reclamefolders in de vuilnisbak, de nog te lezen boeken op een keurig stapeltje. In mijn ene hand had ik Tom Lanoye, in de andere Isabel Allende. Ik stond even in dubio welk boek bovenaan mocht. Beide auteurs heb ik al vol vuur over hun boeken bezig gehoord, ik moest glimlachen bij de herinnering. Lanoye won, vorige week waren we in ons lokale bankkantoor uitgenodigd voor een lezing over zijn nieuwste boek. Toen we aankwamen, stonden we voor een potdichte deur. Had ik me toch niet van datum vergist! Mijn dierbare partner hield het bij een berustend hoofdschudden en bracht enkel fijntjes die keer in herinnering toen we vertrekkensklaar stonden voor een concert van Bryan Ferry en bleek dat ik toch geen tickets had gekocht. Om maar te zeggen dat ik ‘soms wat verstrooid’ kan zijn.    Toen de volgende avond Lanoye 3 kwartier te laat de zaal binnenstormde omdat hij zich van uur vergist had, kon mijn avond niet meer stuk. ‘Een echte schrijver herken je aan zijn verstrooidheid’, fluisterde ik mijn geliefde triomfantelijk in het oor. Hij liet me wijselijk in de waan.  Bij het signeren vroeg ik Lanoye de ultieme tip om het schrijven vol te houden want dat is mijn zwakke plek, mijn bureauschuif puilt stilaan uit van de onafgewerkte verhalen. Hij moest niet lang nadenken. ‘Voor Tine, maak het AF!!’ schreef hij in zwierig handschrift. Pas daarna vroeg hij waarom ik mijn verhalen niet afwerk.   “Euh, een fulltime job, 3 kinderen?”, opperde ik.  “Dat verklaart veel”, zei hij met een bedenkelijke blik. Ik heb zo het gevoel dat zijn tip me niet veel verder zal helpen J.   Ach, waarom kan ik wat ikzelf de hele dag met anderen doe niet op mezelf toepassen? Waarom kan je jezelf zo moeilijk coachen? Wat zou ik graag een eigen schrijfcoach hebben. Iemand die me persoonlijk mijn zetel uit jaagt elke keer als ik vind dat ik na de was en de plas lekker mag chillen. Nochtans, iedereen heeft een coach in zich. Motiveren, organiseren, inspireren, … ik zou het zelf moeten kunnen. Maar laat me je dit vertellen over coaches: ze weten het zelf soms ook niet meer, stellen zaken uit, verliezen de moed, gaan de mist in met hun goede voornemens, lopen tegen de lamp, eten meer chocolade den goed voor hen is, staan op de verkeerde dag voor de juiste deur en vice versa.   Ze kunnen zelfs geen brief schrijven zonder dringende deadline.    Zonnige groeten uit Gent,   Tine  

Ambrozijn
0 0

Calamiteiten te L - 7 april 2018

Gretige onbekende Het is zaterdagavond, het einde van de winter is in zicht. Drie jaar geleden kwam ik hier wonen, en alles is hier van mij. Ik mag nu gaten in de muren boren, ontiegelijk lelijke verf op de muren zetten als ik dat zou willen, huisdieren hebben, …. Geen huisbaas meer die na gebruik zal komen controleren of ik dit goed als een goede huisvader heb behandeld. Huisvader, huisvader? Ik had me niet aangesproken moeten voelen in mijn vrouwelijk lichaam. Toch respecteerde ik braaf de regels van het huurcontract destijds. Ik wen er niet snel aan dat dit voorbij is. Ik herhaal het voor mezelf eens om de zoveel maanden: ‘alles is hier van mij’. Een eenvoudig gegeven. Vreugde en rust. Ondanks het feit dat ik de gaten in de muren op mijn twee handen kan tellen, de muren wit zijn, het huisdier zich betamelijk gedraagt, de kinderen geen gaten in de deuren stampen wanneer zij puberaal boos zijn en er niets in mijn houding en gedrag getuigt van enige drang naar anarchie, lijkt alles toch anders, weg van het juk van huisvaders, huisbazen en gezinshoofden. Ik neem nu zelf al deze rollen op in het vrouwelijk zelfstandig enkelvoud. Dit huis heeft hoge plafonds en een hoog raam aan de voorkant. Het heeft licht in zijn kleinheid, het geeft adem in de hoogte. In huis is het klaarder dan op straat. Het is niet waar, dat lijkt alleen maar zo. Het raam aan de voorkant is niet gemaakt om door te kijken, tenzij ik vele jaren ouder zou zijn en dat raam mijn enige uitkant naar de wereld zou zijn. Nu nog niet, hoop van nooit. Ik ben nog in een fase waarin de wereld steeds groter mag worden. Dat is voor later. Hier en nu zijn er, wanneer ik toch door dat raam kijk, bakstenen te zien, stoep, asfalt, auto’s aan één kant. Een straat met eenrichtingsverkeer. Het is hier smal, alles is hier smal en het mist groen. De kleinste en minst groene deelgemeente van de stad. Ook al heeft dit stadsdeel zijn voordelen in de nabijheid van werk en studie voor de aanwezige studenten, het is mijn dagelijks gemis, dat groen met ruimte voor vogels en katten, het geruis van de wind. De openheid. Ik ben een kind van de zee en zal altijd openheid en een horizon missen. Het huis is niet gemaakt om met veel in te leven. Omstandigheden zorgden voor een extra mens in dit huis. Een meerwaardemens, in de vorm van het lief van de dochter, de student op kot bij zijn lief. Mijn schoonzoon, zeg maar. Een extra kind waar ik met graagte voor zorg, de nodige vrijheid gun en voor wie ik vooral niét de rol van de moeder vervul. Een hospita, als bijkomende rol. De drukte van een huishouden compenseer ik in taal, verwoorden van betekenissen in gevoel en relaties, stilte op een plekje, hier of elders. Daarnet kwam ik thuis van boodschappen in de stad. Het deemstert al. De middag gaat naar zijn einde, de avond nadert. De meeste buren staan buiten op de stoep. Dit is niet hun gewoonte, tenzij het zomert. Grote vrachtwagens, één met een graafmachine op, komen aangereden. Mannen in oranje fluo werkkledij springen uit de wagens. De werkmannen van de elektriciteitsmaatschappij lijken in goede doen. Calamiteiten, daar houden ze van, daar kozen ze voor, ze zijn de oplossers, de redders van licht en warmte. De straat wordt afgezet. Kleine paniek bij de omstaanders. Plots beginnen meer auto’s dan gewoonlijk samen te rijden. Die moeten straks nog weg, …en wat dan? Auto verplaatsen naar een nog vrije straat in de buurt, nu het nog kan. Er blijkt een elektriciteitsprobleem te zijn in een huis verderop. Ik ga naar de mannen en vraag wat er te verwachten is. Nog even hebben we elektriciteit. Straks zal alles uitvallen want het blijkt een groter probleem te zijn. Hoelang dit kan duren? Uren! “Uren?, krijst Lotte. Verontwaardiging kreeg nooit een duidelijker vertolking dan in de ogen van Lotte. Lotte en Wannes zijn mijn dichtste buren. Ze wonen achter de rechtermuur met hun twee kleintjes. De muren zijn hier dun. Wannes vertoont het decorum van een perfecte schoonzoon vanaf zijn huisdeur buitenwaarts en denkt dat ik hem niet hoor wanneer hij achter de binnenmuur vol overgave vloekt in reeksen wanneer het klussen hem parten speelt of wanneer hij zijn geduld verliest met een krijsende kroost. Als zijn gevloek mij niet doet opschrikken uit mijn gedachten, kan ik er om glimlachen. Lotte lijkt existentieel boos. Haar gezicht staat op een storm aan de dijk, altijd. Zelfs wanneer ze hem vluchtig kust op de stoep wanneer hij met de fiets naar het station vertrekt vroeg in de morgen. Dan blijft zij in hun huisje achter met twee kleintjes. Boos. Misschien is ze nog boos om het ontslag na haar zwangerschap. Ik begrijp dat. Lotte is zelfs boos op de wind. Eergisteren, in een niet zo erg uitgedraaide aangekondigde hevige storm, fietste ik toevallig een tweetal meter achter haar aan. Door een rukwind werden we beiden naar de huizen toe geduwd. We kwamen noodgedwongen samen en tegelijk tot stilstand. Ik, een beetje verward door zoveel plotse kracht, blij dat ik nog verticaal stond. Zij, boos omkijkend, naar mij, toevallige metgezel in de storm, alsof ik de verpersoonlijking van de wind was die het speciaal op haar gemunt had en waar zij boos op had te zijn. ‘Zeg, potverdorie, wat is dat hier, zeg, verdorie, dat is te gevaarlijk….’ ‘Ja, wablief, zeg, godverdomme, dat is nogal wat, hé, precies kermis in de hel….’, gaf ik haar terug, in een giechelbui om de wind en haar voor mij toch komische boosheid. Ja, dat is Lotte. Blij dat ik met haar boosheid niet getrouwd ben. Maar nu, terug naar hier en nu. Een bende buren op straat. Buiten is het ondertussen al donker. Binnen pak ik mijn boodschappen uit en help Kind 1 vertrekken naar een diner met vrienden. Ga, ga, lief kind…geniet van het leven en laat mij hier maar even alleen. Ik blijf te midden van zoveel relaties en levens graag even alleen op mezelf, al was het maar voor enkele uren. Het is een levensbehoefte, die allenigheid. Het laadt me op om later weer liefdevol aanwezig te zijn. Als muizen in hun hol, verdwijnen alle buren terug achter hun gevels. Buiten deddert de machine de straat open, het lawaai is oorverdovend. Mijn huisje trilt. Het kappen en klieven gaat nog even door. Ik hoor de mannen orders en informatie naar elkaar kelen. Dan gaat alle licht in huis uit. De stilte in huis is stiller, nu niets elektrisch nog zoemt. Buiten maakt het werken geen geluid meer. Ook de mannen zijn stil geworden. Het begint te sneeuwen. Met kaarsen maak ik voldoende licht om te lezen. De stilte, niemand om me heen die een appèl op me doet, de woorden die ik nog net voldoende zie op deze bladzijden, het verhaal waarin ik meega…. Het streelt me, sust me, ver-rust me, het vult een verlangen en behoefte…. Uit een donkere ijskast – altijd een soort verrassing als dat licht niet aanfloept – haal ik een nog frisse witte wijn. Later, geïntrigeerd door de stilte buiten trek ik mijn voordeur open, kijk naar rechts en zie twee mannen in een grote put staan. Voorovergebogen bezig in de grond. Lampen, verbonden met de wagen verderop die stilletjes ronkt, schijnen in de put. De mannen aan de zijkant geven aan, nemen aan, ze zijn op elkaar ingespeeld. Dat zie je. Rustig, kundig. Zonder woorden. Ze doen me denken aan chirurgen, gefocust op het lichaam en het oplossen van een probleem. We zijn zo afhankelijk van deze elektrische stroom voor ons dagelijks doen, willen en moeten en ik vraag me af waarom zij, de mannen in de put, minder aanzien genieten dan de chirurgen. Ik hoop dat de mannen in de put goed betaald worden. Ze zijn van wacht op een zaterdag, het is bijna nacht, het is hun job, het geeft hen energie. Net zoals de stilte, de rust en het boek bij kaarslicht en de vreugde hierom mij energie geeft. Het waard om hierover naar jou te schrijven. Hyacintha

Hyacintha
0 0

Jij een eitje?

                                                                                              Boedapest, 7 april 2018   Beste correspondent,    Hoewel we elkaar niet lijfelijk kennen, zelfs niet telepathisch of onderbewust (als dat al zou kunnen), elkaar eerder kennen op afbetaling of gegokt kennen (want wie heeft zich niet al een beeld gevormd van de vrouw of man aan de andere zijde?) hadden we stiekem een afspraak. In mijn uittekenen over hoe jij zou zijn en waar jij zenuwachtig van wordt en waar jij van houdt, zou ik het beslist in mijn eerste brief gaan hebben over de exotische, luxueuze omgeving waarin ik me nu hoopte te bevinden. In het sterrenhotel in Cascais bij Lissabon, de zon in pole position, mijn boek op schoot, het blauwe water sober en majestatisch rustend. Ter plaatse rust. Op die plek leerden mijn moeder en mijn dochter elkaar kennen, intussen een eeuwigheid geleden. Ze hadden eerder al notie van elkaar hoor, ze hadden elkaar al vaak ontmoet, welwillend naar elkaar geglimlacht. Toch was het pas in Lissabon, door de aardse daad van het samen slapen, het samen ontwaken, het nachtelijke wiegen en troosten wanneer dat nodig was, dat de band er plots was. De generatiewissel was beklonken, onze reis als een soort fakkelviering. Vieren viel daar wel aardig mee. Als het om sterrenhotels gaat, zijn wij, ik in het bijzonder, dol op twee dingen: infinity pools (op nummer één) en het grenzeloze, overdadige, ‘intercontinentale’ (moet er nog grandeur zijn?) ontbijt. Daar kan je je vast een voorstelling bij maken. Een grenzeloos reisontbijt is een begrip, niet? Ik weet dat je nu aan de roereitjes met bacon en worstjes denkt, geef toe! Die je nog heerlijk kan peperen en zouten. Of er nog een gegrilde champignon of schijfje courgette op leggen. Ik had me verlekkerd voorgenomen je vandaag te bekoren, niet alleen met vochtige roereitjes met paprika, maar ook met sappige fantasiekubusjes mango en ananas, en met het glas champagne dat zo merkwaardig past bij het bruine toastje waarop het mes krast en de boter smelt. Het IS dus niet zo. Ik waad helemaal niet gracieus door de infinity pool, ik ben in Boedapest. Lissabon zal nog maanden op zich laten wachten, zei mijn moeder, eerst moet meter leren sterven. Meter, de oudste langst levende fakkel in rang. Oké, mij best. Ik besloot Hedwig op te zoeken te midden van haar geadopteerd Hongaarse roots. Lukas ging er ook zijn. Altijd vrijwilligers. Hedwigs appartement is klein. Het ligt hoog, in een antiek, sovjetaandoend huis met traliewerk. De appartementen situeren zich rond een doodse binnenplaats, het is er verbazingwekkend stil tegenover het verkeerskabaal op straat. Hedwig woont op de derde verdieping, maar als je de trappen neemt, blijkt het 6 hoog te zijn. Op die hoogte doet de binnenplaats al serieuze mindgames met je. De gapende afgrond, met eenvoudige rails ervoor, in een vierkante vorm. Om bij de deur van het appartement te komen, moet ik de helft van het vierkant op. Links, rechtdoor, rechts, rechtdoor. Bij het stappen en keren, zwaait mijn blik panoramisch over traliewerk en afgrond. Onwillekeurig bedenk ik de ene na de andere situatie waarbij ik in no time beneden zou kunnen terechtkomen. Vooral het scenario van de impulsieve, zelf georkestreerde sprong na een ruzie of tijdens een overmoedige dronkenschap, jaagt me angst aan. Je hebt uiteindelijk niet zoveel nodig om… nee? Een misstap, een inschattingsfout, een gril: dagelijkse kost, toch? Gisteren zag ik twee militairen die in cirkelvorm rond een vlaggenmast stapten, en bléven stappen. In slow-mo-tempo. Met een zonnebril op en de lippen in een lijn. Ze bleken de vlag te bewaken, hoewel ze ettelijke meters hoger vrolijk en vredevol hing te wapperen. Los van de zinvolheid van dit ceremoniële stappen, volgden mijn ogen vooral de cirkel, werd ik er naartoe gezogen. Hebben zij ook angst om te wankelen? In het middelpunt te vallen, in een gril of onweerstaanbare drang?    Het ga je goed, correspondent! Ik hoop jou gauw te lezen. Fijne week,       

Ruddy
0 0

Die tijd van het jaar

                                                                                           ***, dinsdag 3 april 2018   Dag onbekende,   Terwijl ik deze zinnen typ, op deze troosteloze dinsdagnamiddag in de paasvakantie, bevind ik me op de eerste verdieping van ons huis. Meer bepaald in ons bureautje, of toch iets wat daarvoor moet doorgaan. Echt gezellig kan je het niet direct noemen, laat staan ‘pinterestwaardig’. Het is eerder functioneel ingericht, met een stevige en best wel mooie op maat gemaakte bureautafel, een degelijke bureaustoel en een witte boekenkast (de alom bekende ‘Expedit’ van IKEA). Wat wil een mens nog meer? Bovendien is ons kleine bureautje de voorbije periode één van mijn favoriete toevluchtsoorden geworden. Waar ik kan verdwijnen achter de laptop en waar tijd en ruimte voor even lijken te vervagen. Het is rustig in onze straat en er dringen nauwelijks geluiden van buiten ons huis binnen. Doorheen het raam rechts van mij vang ik een glimp op van de dikke grijze wolken, die traag over de daken van de huizen heen glijden. Al weken kijk ik reikhalzend uit naar de lente, naar blauwe lucht, zon en aangenamere temperaturen. Die eerste echte lentedagen, waarop je eindelijk die winterjas en sjaal aan de haak kan laten hangen, zalig toch. En waarop zelfs de belofte van de zomer al een klein beetje in de lucht hangt. Meer dan af en toe eens een teaser heeft de natuur ons tot nu toe nog niet gegund, tot mijn spijt. Mijn hoof en lijf snakken enorm naar de lente en ik vermoed dat dit niet enkel bij mij het geval is. Zelfs de statige herenhuizen in onze buurt geven een troosteloze aanblik onder die grauwe hemel. Ook zij lijken gebukt te gaan onder die eeuwigdurende kille weersomstandigheden. Enkel de prachtige Japanse kerselaar aan de overkant, met zijn zachte roze en witte bloesems, fleurt het straatbeeld op en geeft iets prijs van de aankomende lente. Telkens ik vanuit ons huis uit het raam kijk, maakt het zicht op die fantastische boom me helemaal zen. Nochtans had ik de boom niet opgemerkt toen we de eerste keer naar ons huis kwamen kijken, op een warme zomerdag in 2007. Jong en onbezonnen - en nog wat aan het bekomen van een heel korte nacht - had ik enkel oog voor die statige burgerwoning uit het jaar ’50. Ik was op slag verliefd. Dwars door de grote verbouwingsnood heen, zag ik het volle potentieel van deze woning. Dat potentieel, waar we nu, tien jaar en een veelvoud aan verbouwingswerken later, al een heel stuk dichter tegen aanleunen. Alsook tegen de realiteit. Het huis had al mijn aandacht getrokken en daardoor was de buurt me compleet ontgaan. Een buurt waar ik reeds al die tijd een haat – liefde verhouding mee heb. Prachtige en statige herenhuizen, op wandelafstand van de stad en met genoeg groen in de omliggende straten. Levendige en gezellige wijken in de nabije omgeving. En daartegenover staat onze straat, waar de burgerlijkheid en ook wel de perfecte façades (ook figuurlijk) de boventoon voeren. Veel ruimte voor diversiteit en eigenheid, of nog beter, voor een gezonde portie eigenzinnigheid, lijkt er niet te zijn. En dat heb ik pas ontdekt nadat we ons met hart en ziel in de verbouwingswerken hadden gestort. Het zal je dan waarschijnlijk ook niet verbazen dat we niet de beste contacten hebben in onze buurt. Goeiendag roepen of zwaaien naar elkaar op de momenten dat onze wegen elkaar kruisen, dat vat het sociale gebeuren in onze straat zo ongeveer samen. Op de jaarlijkse nieuwjaarsreceptie na. Alhoewel, nu de zomer eraan komt, verhoogt de kans op een obligaat beleefdheidspraatje met de nabije buren. Iets waar de man des huizes toch net iets beter in is dan ikzelf. Deze week maakten we zowaar wel een grappig voorval mee. We kwamen net thuis met de wagen en Roos, de kwieke gepensioneerde buurvrouw van twee huizen verderop, stapte met een stevige tred op onze auto af. Kordaat greep ze de klink vast en nam nog net niet plaats op de achterbank … tot ze besefte dat ze zich vergist had. Ze zou opgepikt worden door vrienden, die een auto met een gelijkaardige kleur hebben. Uitvoerige verontschuldigingen kwamen onze kant op, gevolgd door hilariteit alom bij haar. Alsook bij haar vrienden, tegen wie we haar een paar minuten later het relaas van haar misser zagen doen. Ach onbekende, misschien klink ik te negatief over mijn buurt en zijn bewoners. Eigenlijk is het best wel goed zoals het is. Ik hou er ook steeds meer van om mijn huis uit te stappen en in de omliggende straten en parken te struinen. Met een open blik en met mijn oren gespitst helemaal opgaan in het moment. Een manier om meer traagheid in mijn leven toe te laten en zo telkens opnieuw de buurt te (her)ontdekken. En er bijgevolg steeds meer van te gaan houden. Hetzelfde geldt voor mijn stad. Een stad die met het verstrijken van de jaren (alsook met stevige subsidies) een pak mooier en bruisender geworden is. Met hippe koffiebars en diverse andere leuke plekjes. Waaronder de alternatieve cinema in het hart van de stad, waar we heel graag naar afzakken voor een culturele mini – break. En hoezeer kijk ik ernaar uit om binnenkort plaats te nemen op de kersverse, supergladde, nog nauwelijks betreden trappen van de verlaagde leieboorden. Om de zon op mijn gezicht te voelen, gewoon te zijn en te kijken naar de stad en de mensen die voorbij flaneren. Ik ben dus fan van mijn stad, maar dat had je wellicht al door. Dat laatste kan ik evenwel niet zeggen van de jaarlijkse foor die zo’n tweetal kilometer verderop neergestreken is. Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik ben toch altijd weer opgelucht wanneer de tijd aangebroken is dat de foorkramers hun mastodonten van toestellen afbreken, hun hele hebben en houden inpakken en zich naar de volgende plek begeven. Gelukkig bereiken het gekrijs van de enthousiaste - of ietwat paniekerige - bezoekers, alsook dat drukke gedreun van die schreeuwerige kermisattracties, onze woning niet. Al heeft het ergens, op een bepaalde manier, ook wel een heel klein beetje charme, moet ik toegeven. En voor we het goed en wel beseffen, trekt de foorkaravaan weer verder en neemt de stad opnieuw haar gewone gedaante aan. En nu we het toch over die foor hebben, hoe zou het leven eigenlijk zijn voor de foorkramers en hun gezinnen? Dat lijkt zo ver van het mijne af te staan, dat ik mer er niet direct iets kan bij voorstellen. Zou ook bij hen de sleur langzaamaan binnensluipen en de passie voor hun beroep, die ooit hoog oplaaide, stilaan doven? Of krijgt sleur geen kans door hun nomadenbestaan en die massale hoeveelheid aan mensen en indrukken die hun dagen opvullen? Zouden de verblijde gezichten van de mensen en kinderen die plaatsnemen voor het ritje van hun leven - of om het leven heel even te vergeten - het vuur voor hun beroep brandende houden? Of is het hen meer te doen om de vrijheid? Je merkt het, veel vragen en veronderstellingen en ik vermoed dat ik er niet direct een antwoord op zal krijgen. Tenzij ik in een plotse vlaag van moed en nieuwsgierigheid naar de kermis trek en hen met mijn vragen bestook. Maar dat zie ik nog niet zo gauw gebeuren. En als ik heel eerlijk ben, lig ik op dit moment eigenlijk meer wakker van de vragen die ik mezelf stel aangaande mijn beroepsleven. Aan de andere kant, misschien zou het me wel een hoop inspiratie opleveren. Met een compleet nieuw en verfrissend perspectief op werk en leven als gevolg. Je weet dus maar nooit …     Ik kijk uit naar jouw schrijven,   Groeten,  

Daphne Muylle
2 0

Hallo,

Ik ken het gevoel van de zomer die nieuwe zuurstof door het huis stuurt. Het is hier lente wat wil zeggen dat het nog niet de echte warmt ven de zomer is maar toch, we zien de zon en voelen de frisse wind die er nu nog bijhoort. Mijn raam in de woonkamer geeft uit op straat, ik heb geen gordijnen maar fijne koorden hangen in verschillende soorten groen.  Het voordeel is, je kan alles zien maar omdat ik een voortuintje heb en een haag moeten voorbijganger al echt hun best doen om binnen te kijken.   Hier horen we zelden Klokkengeluid maar mijn man is een drummer dus dat compenseerd. Hem zien en horen spelen maakt mij vrolijk.    Dat je recht op een bouwwerf kijkt is best grappig want dat doe ik ook. Weliswaar geen school, hier zijn ze een appartements gebouw aan het zetten en als alles volgens plant gaat spreken we over drie appartementen.  Langzaam maar zeker krijgt het gebouw vorm. Weer meer werk voor mij en ik heb al 1200 brievenbussen op mijn ronde. Ach ja er zullen er nog wel een paar bijkunnen zeker!!   Inderdaad je hebt het goed geraden ik ben postbode in hart en nieren en dat al sinds 1 april ll 20 jaar, en dat is geen grap. Ik ben dus gehard door regen, wind, sneeuw maar ook opgewarmd door de vele zonnestralen.    Ik doe het wel graag maar het blijft een job, iets wat je niet tegen je zin doet maar wel om je leven aangenamer te maken en om te kunnen  doen wat je echt graag doet. In mijn geval is dat muziek, ik ben geen supertalent maar ik zou niet zonder kunnen.  Je kan mij wel elke dag aan mijn piano zien zitte, tenminste als je door de groene koordjes kijkt die aan het raam hangen. Ook klarinet speel ik wel eens, of gitaar en zing ik in een koor....... leuk toch?   Onlangs ben ik samen met de piano klas naar een optreden van de bekende pianist Leif Ove Andsness geweest. Ik heb hem na zijn optreden even gesproken en sta nu samen met hem op de foto, toch een unieke ontmoeting.   Volgende maand ga ik naar een concert van Martin Frost een steengoed klarinettist, hopelijk kan ik ook met hem op de foto.... zou mooi staan op mijn facebook.    tot dan.

de fakteur
0 0

Brieven aan een onbekende - brief 1

                Wetteren, 6 april 2018   Beste onbekende,   Mijn wekker loopt af, zoals elke ochtend te vroeg. Zoals elke ochtend duw ik op de repeat-alarmknop – en nog eens, en nog een laatste keer. Het moment dat de wekker mij wakker maakt, bekruipt mij een vervelend gevoel, een half uur lang, tot dat de wekker een laatste keer aanslaat, wordt afgeduwd en ik mijn bed alleen achterlaat. Elke ochtend hetzelfde patroon. Wakker worden en eraan denken te moeten opstaan is elke dag opnieuw een strijd. Ik win die elke dag. Hardnekkig blijft het elke dag wel terugkomen, de strijd is nooit helemaal gestreden. Zodra ik de badkamer binnenwandel is het gevoel verdwenen en ben ik al in de dag gesprongen. Met mijn hoofd weliswaar. Het denken voedt zich met allerhande activiteiten, wensen, verplichtingen. Tanden poetsen, douchen en aankleden gebeuren op automatische piloot. Het licht is kunstmatig, de gordijnen zijn nog dicht. Ik bekijk mezelf in de spiegel en werk af waar nodig. Dan is het tijd om het daglicht toe te laten op mijn gezicht en in de kamer.  Ik open de gordijnen en het raam. “Neusje”, de zwarte kat van de buren, kijkt me verschrikt aan vanaf het platte dak. Ze blijft rustig zitten. Ze weet ook wel dat ik te vertrouwen ben, we kennen mekaar al langer dan vandaag. Niet heel goed, enkel van mekaar aankijken vanop een paar meter afstand. Dichter dan dat komt ze niet. Ik ook niet, maar dat is omdat ze mij er niet de kans toe geeft.  Ik kijk over de kat heen naar mijn tuintje. Een klein stadstuintje ommuurd door grijze betonplaten. Daar loopt ze soms op, als een koorddanser beweegt ze vol vertrouwen over de smalle boord. Ik zie de tuinen van de buren en achtergevels van de huizen en appartementen van de evenwijdige straat. Ook daar is beweging te zien. Ook daar  zijn mensen die moeten opstaan om naar het werk te gaan, of niet. Ze zitten aan de ontbijttafel of smeren al staand boterhammen om de kinderen hun brooddoos mee te vullen. Dat is enkel een vermoeden want de afstand is te groot om deze handelingen te kunnen waarnemen. Het is mijn hoofd die de gaten van het zien opvult. Mijn hoofd die sinds ik wakker ben al heel hard aan het werken is. Vanwaar haalt het die arbeidsethiek, en dan vraagt het nog een extra inspanning om het in de rustmodus te krijgen. Ik snap er niks van. In de keuken maak ik mij een stevige tas koffie en eet een boterham in stilte. Deze wordt doorbroken door luide stemmen. De stemmen wachten niet op elkaar om te praten, ze proberen boven mekaar uit te komen. Het huis naast mij kent ook zijn ochtendpatroon. Het gezin met vijf kinderen vertoont een andere manier van de dag te beginnen. Het gaat er hevig en hard aan toe. Wat wil je met vijf ochtendhumeuren, denk ik dan. Ik neem mijn spullen en ben klaar om mijn werkdag te starten. Op weg naar de auto, die een eindje verderop geparkeerd staat, is de eerste persoon die ik tegenkom de postbode. Hij houdt zijn fiets in evenwicht door zijn benen lichtjes gespreid te houden, zijn voeten staan beiden op het trottoir. Hij is zijn grote vierkante tas vol brieven en folders aan het verkennen. Ik loop langs hem heen en zie ook enkele pakjes liggen. Ik wens hem goeiemorgen. Hij kijkt even op met een zoekende blik. Is de postbode zijn bestaan nog van lange duur? Verdwijnt de job in de nabije toekomst uit het straatbeeld? En wat dan met het woord – postbode, verdwijnt dat uit onze woordenschat, uit onze Dikke Van Dale? Bestaat die eigenlijk nog? De postbode hoort bij de ochtend, zoals koffie en choco. Zolang ik brieven schrijf, ze in een enveloppe stop en er een postzegel op kleef, moet de postbode blijven bestaan. Het ene kan niet zonder het andere, ze zijn onafscheidelijk. Nog voor ik mijn auto heb bereikt, is een nieuwe missie ontstaan: actief bijdragen aan het behoud van postbodes. Het geeft me een goed gevoel, een extra reden om op te staan en de dag te beginnen. Ik stap in, blijf even voor me uitstaren en vraag me af of de postbode iets in mijn brievenbus dropt. Dat zal ik vanavond ontdekken. Nu eerst aan het werk. En vanavond schrijf ik een brief.  

Trijn
0 0

Enkel glas

Dag,   Mocht de ananasplant op de vensterbank niet zo schaamteloos verdikt zijn, dan was het zicht op Maria prachtig. Zeker rond deze tijd van het jaar. Maria, mama van Jezus, woont al sinds 1988 in een glazen kastje tegen de kapelmuur recht tegenover ons huis. Dat jaartal heeft iemand met een sierlijk maar onstabiel handschrift op een bord onder het mariabeeld gehangen. Waar Maria voor 1988 woonde, dat weten we niet. Vlak voor de kapelmuur staat een Japanse kerselaar met daaronder een zitbankje. De kerselaar staat bijna in bloei. Ik beeld me in dat Maria dit ook de mooiste tijd van het jaar vindt, net als ik. Het bankje wordt dagelijks bezeten door mensen die een boodschap hebben aan of voor Maria. Meestal zijn ze alleen. Ze zetten zich neer, maken een kruisteken en buigen het hoofd. Onze straat is niet breed, het bankje staat op amper enkele meters van ons raam. Mochten de mensen luidop spreken, dan kon ik misschien horen hoe hun gebed klinkt. Maar ik hoor niks want onze ramen zijn driedubbel beglaasd. Over enkele dagen staat de kerselaar in volle bloei en dan doet zich elk jaar opnieuw hetzelfde tafereel voor. Een hoop fototoestellen met Japanse toeristen overspoelen de straat. En wij kijken samen met alle buren glimlachend toe vanachter onze geïsoleerde ramen. In de 11 jaar dat ik op deze plek woon, zag ik nog geen enkele buur een foto maken van de kerselaar.   In onze buurt woont een blinde man. Dikwijls zie ik hem bij de bakker, samen met zijn hond. De bakkersvrouw spreekt de blinde man aan bij zijn voornaam, zodat hij weet dat hij aan de beurt is. Mijn voornaam kent de bakkersvrouw niet. Dat vind ik niet erg, want ik vind haar zo onaardig dat ik liever op een zo laag mogelijk kennismakingsniveau blijf. Waarom ik haar niet aardig vind, daar moest ik zelf ook even over nadenken. Maar op een zondagochtend in de croissantrij wist ik het. Ze keurt mijn bestelling altijd af. Dat zegt ze niet letterlijk natuurlijk, maar ik zie het aan haar mimiek en ik hoor het aan haar stem. “2 pistolets en 2 chocoladebroodjes alstublieft”, zeg ik. En dan zie ik het meteen: dat vindt ze een slechte keuze. “Dat zou jij beter niet doen”, zie ik haar zeer duidelijk denken. Ze knikt niet, ze lacht niet, ze kijkt meteen weg en heel haar lichaam straalt een ongenoegen uit wanneer ze mijn broodzak vult. Ze gaat gewoonweg nooit akkoord met mijn keuze. Als ik het de zondag daarop probeer met 2 sandwiches en 2 crèmekoeken, reageert ze op exact dezelfde manier. Nee, dat komt niet meer goed.   En nochtans draag ik die warme bakker geen koud hart toe, integendeel. Onze straat bestaat uit huizen die aan elkaar kleven en de bakkerij vormt de eerste in de rij. Om 5u ’s ochtends gaan de deuren daar al open. Mensen die om 5u in de ochtend aan hun werkdag beginnen, die vind ik sowieso sympathiek. Die durven het aan om die lome ‘nine to five’ van antwoord te dienen. Gelijk hebben ze, want eigenlijk biedt die vroege dagstart alleen maar voordelen. Bijvoorbeeld: om 5u zijn er nog geen meningen. De radio speelt gewoon muziek, zonder onderbrekingen van commerciële of opiniërende aard. De vingers van de twitteraars zijn nog niet geactiveerd. Zeurende kinderen en bejaarden zitten nog in hun remslaap. Wat een heerlijk meningloos moment! Dat er zoveel mensen elke ochtend het zelfgekozen leed opzoeken door op hetzelfde piekmoment van meningen de dag te starten, dat vind ik enigszins merkwaardig. Zelf sta ik elke dag op om 5u25. Dat is al vrij laat voor iemand die liever niet overspoeld wordt door meningen. Maar eens de ochtendopiniefile alles blokkeert, zit ik al lang in een volgende dagdeel. Toch raad ik ook jou aan om vroeger op te staan. Probeer het gezeur en gemopper eens voor te zijn en je zal zien dat de dag compleet anders verloopt.   Het kastje van Maria is gemaakt van enkel glas. Dat stelde ik vast toen ik op een dag die bezienswaardigheid in onze straat eens van dichtbij wou bekijken. Op het moment dat ik met mijn neus tegen het glas geplakt stond, passeerde de blinde man met zijn hond. Uit angst dat ik de man zou doen schrikken, bleef ik stokstijf staan. Dat deed de hond natuurlijk ook. “Hallo?”, zei de blinde man licht aarzelend. “Dag Pieter”, zei ik, dankzij de bakkersvrouw. “Dag Maria”, zei Pieter, en hij stapte verder. Ik staarde het duo nog even na en keek dan naar ons huis aan de overkant van de straat. Mocht de ananasplant op de vensterbank niet zo gênant groot zijn, dan was het zicht op de vrouw in onze woonkamer prachtig.

mapla
8 0

Brief 1 - Krantenpartners

Leuven, 1 april 2018   Dag X,    Ik schrijf je op de eerste zondag na de volle maan. Er liggen geen eitjes in de tuin, waar het desalniettemin lente zal worden. Gisteren spotte ik de eerste hommel, maar die heeft nu vast gedesillusioneerd het loodje gelegd. De zon houdt zich alweer mokkend achter de wolken schuil. Pasen laat hem Siberisch koud. Mijn vader heeft naar eigen zeggen nog steeds de handen vol met de houtkachel en dat is heus niet alleen omdat hij stilaan tot de derde leeftijd behoort – als ik me tussen neus en lippen laat ontvallen dat het bij opa en oma ook altijd zo warm was, dan mag hij dat vooralsnog met een korreltje zout nemen. Het is lastig balanceren op de eindeloze uitlopers van de polar vortex.  Ach, tegen dat jij deze brief leest, blaast de merel als vanouds hoog van de toren en nip ik van mijn wekelijkse latte macchiato met de deur wagenwijd open. Je moet weten dat mijn weekend pas begint als men tegen een uur of half negen mijn klantenkaartje heeft afgestempeld en ik beslag heb kunnen leggen op de krant. Die telt ’s zaterdags gelukkig zoveel bijlagen dat je hem makkelijk kunt delen met een klant of drie. Het is zo dat ik Hilde en Dirk heb leren kennen. ‘Hilde en Dirk, ook met een i!’, zoals zij verrukt opmerkte toen ze het koffiemeisje naar mijn naam hoorde vragen. Wat we behalve die bijzondere letter en een zwak voor de juiste latte op de juiste plaats verder nog gemeen hebben, laat ik graag over aan de fantasie. Op een manier volstaat het dat we luisteren naar dezelfde Latin jazz en elkaar van lectuur voorzien. Een beetje zoals ik jou en jij mij van een brief.    Liefs,   Ingemar

Ingemar Spelmans
0 0

Voorstelling in vogelvlucht

Vrijdag, vrije vogeldag, 6 april 2018   Koekoek onbekende vogel en wie weet witte raaf,   Ik vlieg erop uit in de wereld vanuit mijn ravennest in de Ravenstraat. Dit ligt recht tegenover de Mussenstraat – neen gelukkig niet “in,” want ik wil niet graag de stempel van huismus opgeplakt krijgen. Ik pik liever een graantje mee van de velden rondom (of eigenlijk zijn het meer steengroeven alias betonnen blokken), zodat mijn hersenkronkeltjes vleugels krijgen en in hun eigen creatieve heelal een ster kunnen worden.   Vanuit mijn nest zie ik vaak rare vogels voorbijvliegen die amper de donsveren zijn ontgroeid. Ze snellen in 7 haasten en worden gevolgd door een koffer op wieltjes die hun vaart wat afremt. Op latere uren kan ik er getuige van zijn hoe de nachtraven hun vleugels uitslaan; vaak het een of ander lied krassend. Ze storen mij niet. Ze zorgen voor een vrolijke noot en huppelen altijd snel verder naar hun vogelkot. De slagzin dat er hier altijd wel wat te be-le(u)ven valt is vast en zeker gemaakt door een van de wijze uilen die hier in een van de universiteitstorens hokken. Zelf ben ik liever een vroege vogel. Ik houd van de stilte in dit nest als mijn niet meer zo kleine kuikentjes Bona en Luna van nestwarmte genieten en niet kakelen als haantje (hennetje) de voorste. Ik koester die kleine momenten om mijn mentaal ei uit te broeden.   Van echte eieren bakken geraak ik zelf de kluts kwijt. Voor mij is de microgolfoven de uitvinding van de eeuw. In de Ravenstraat heb je op culinair vlak de hoofdvogel afgeschoten als je bij mijn buurvrouw Miranda kunt langs gaan, die kookworkshops geeft. Samen met haar heb ik een bijzonder initiatief gebrouwen; het Ravennetwerk. Dit is een niet commerciële adviesraad waarbij ondernemers elkaar helpen. We willen uiteraard hoogvliegers worden en “the sky is the limit” heeft voor ons een heel andere betekenis dan dat ordinaire televisieprogramma. Ik ben blij dat ik de gouden kooi van een leven als bediende met een vast inkomen ben uitgevlogen. Zelfstandigen zweven in de vrije lucht. Ze zijn nooit zeker van een vlucht, maar ze zijn in ieder geval zo vrij als een vogel. Daarmee komen we bij degene die ik ben: een speelvogel die kan spellen – vermakelijk en een wijze uil die zich kan bewijzen – zakelijk. Vlieg je mee als reisduif op dit onbekende pad, met de spiedende arendsogen van een criticus langs de route?   Maak ruimte. Geef mij de ruimte. 5-4-3-2-1- raket naar onbekende hoogtepunten. Droom. Doe. Durf. Oogjes dicht, snaveltjes toe. Wordt vervolgd. Vlieg mee(r)!   Leona

Leona
0 0

Aprilgril

                                                                                                          Ergens , 1 april ‘18       Dag onbekende, elders,     Jij doet me ongewone dingen doen. Niet enkel heb ik het over woorden wisselen met iemand die ik niet ken. Het is evenmin een gewoonte van me om te gaan zitten in het midden van de dag, zoals nu, aan deze kleine tafel bij het grote raam. Het is nochthans een heerlijke plek. De stilte valt hier even mateloos naar binnen als het licht. Lentelicht. Het kan zo fel zijn. Of is het de weerkaatsing van het ontluikende lentegroen dat gelig lijkt naast die donkerbruine winternatte takken? Een winter zonder sneeuw en zonder einde…. Ik schrijf jou nu, deze zondag 1 april, meteen nadat de opdracht kwam. Het zal toch geen grap zijn? Een aprilse gril? Heb jij daar ook bij stil gestaan? Het tafeltje waar ik nu zit te schrijven heeft vele jaren vrede moeten nemen met het vochtige tuinhuis, onwetend wachtend op een bestemming. Nu staat het hier afgeborsteld tussen ander meubilair met familiegeschiedenis. Het kreeg als enige uitzicht op de diepe tuin. Mollen hebben voor reliëf gezorgd in het gazon, of beter : mostapijt. Men zegt van mos dat het zacht is, maar niets is minder waar. Mos is meedogenloos en achterbaks : het zet zich zomaar zonder ommezien ongegeneerd vast op bloempotten, terrastegels en muurtjes, op elk onbegane stukje wereld achter het huis. Als de lentezon promoveert tot haar zomerpositie zal het mos verschroeien. Daar wacht ik op. Op zondag, én als de wind goed zit, weerklinkt de beiaard uit de basiliektoren over de velden heen tot hier. De verstilde knotwilgen resideren roerloos in de grachten en zomen de weilanden zelfverzekerd af. Het lijkt wel of ze mee genieten van het klankspel. De beiaardier woont wat verderop in onze straat. Hij is een grote mooie man. Soms wandelt hij hier voorbij, de handen achter de rug gevouwen. Zijn buik is zo groot dat hij daar niet om heen kan. Hij heeft veel en wit golvend haar. Kan eigenlijk zo in de kleren van de kerstman stappen. Alleen de baard zou nep zijn. Ik probeer me voor te stellen hoe hij de torentrappen beklimt, plaats neemt op het bankje en met het samenspel van handen en voeten de klepels en hamers roert. Eigenlijk lijkt het geen beroep, veeleer een ambacht, een kunde, een kunst, een hobby of een vrijwilligerswerk. Maar zo is het niet. Ik vraag me af of het helemaal stil zal worden op zondag als hij met pensioen gaat. Andere dagen dan zondag is het hier minder stil. Meer gerij op straat, meer in-en uitgeloop in het huis, slaande deuren, kattengejank of grasmaaiende buren. Die zijn aan het zicht onttrokken door hoge hagen en wanden van klimop. Jammer genoeg geen geluidsmuren. Ooit stond de buurman onzichtbaar en onbeschaamd buiten te bellen. Eerst dacht ik : oei, ruzie in het huishouden. Het duurde even voor ik het door had. Ik hoorde maar 1 boze stem. Het ging over een bestelling die reeds afgeleverd was maar totaal niet correspondeerde met de verwachtingen van de teleurgestelde ontvanger. Zo leer je ongewild het temperament van je buren kennen. Ongevraagd ook. Ik doe liever aan stapsgewijze temperament-ontginning. Sinds dan hou ik de overgroeiende klimopranken zo goed en kwaad als kan binnen de perken. Ik draag graag bij aan Vredeseilanden in eigen straat. Aan de andere tuinzijde verbergt de hoge beukenhaag de moestuin van een lieve buurvrouw. Ze heeft een man en vijf kinderen opgevoed. Die zijn nu allen het huis uit, behalve dan de man. Ze zou er nooit meer een in huis halen, zei ze. In zomertijd, wanneer we beiden in onze tuinen schoffelen, komt het wel eens tot een gesprek door het dichte gebladerte heen. Ik zie haar dan maar vaag, enkel als ze beweegt, en we fezelen als waren we in een biechtstoel. Niet dat ik me daar ooit aan bezondigd heb. Ik ken biechtstoelen enkel van uit de film. Wat ze me toen over haar man vertelde gaf me nog meer biechtstoelgevoel. Ze zou dit nooit zeggen op een helder moment denk ik. Ja, vredig en stil is het hier wel op zondag in mijn kleine vertrouwde en bekende wereld, leunend op het wit geschilderde tafeltje, sabbelend op mijn pen, babbelend met een onbekende aprilgril. Gelukkig dat het nu echt lente wordt. Tenminste dat is zeker en bekend. Ik blijf nu hier, en jij daar. Zo ver zijn we.   Goede groeten!

BERLIOZ
0 0