Lezen

De kattenvanger

Eerst waren er de katten. Daarmee begon het. Eerst eentje, dan tien, maar algauw een stuk of honderd. Iedereen in het dorp had er last van. Want het waren geen gecastreerde rustige dingen. Overdag schurkten ze tegen je benen voor een aaitje of miauwden ze om wat eten. Maar ‘s nachts leek het wel alsof ze in je kamer stonden te miauwen, zo luid was het op straat, en het stopte nooit. Na een week die herrie werd hij pas voor het eerst gezien. Een verfomfaaide zwerver, meer kon je er eigenlijk niet van maken. Jong nog ook. Net de twintig gepasseerd. Met lang zwart, vettig haar, vuile nagels en tanden, een afgedragen, kaki-groene backpack over zijn schouder en een zwart boek onder zijn arm. Het leek wel de bijbel of zo, maar dat was het niet. Niemand die de katten met hem in verband bracht. Niet in het begin althans. Ons dorp is een typisch klein middenstandsdorpje, waar buitenstaanders niet erg welkom zijn. Ik ben er geboren en ook mijn dochter woont er al heel haar leven… Woonde er heel haar leven. We zijn het soort dorp dat in de dorpskern elkaar begroet en vraagt hoe het gaat. Maar als vreemdeling kom je er moeilijk tussen. Layla, mijn dochter merkte hem eerder op dan ik. Hij zat op de fontein midden op het marktplein en streelde één van de katten die er duidelijk plezier in had. Altijd als ik hem zag werd hij omringd door een schare van die viervoeters. Ze merkte hem vooral op, denk ik, omdat Tristan, de commissaris, met een boze blik naar hem toeliep. Ik keek geamuseerd toe, heel goed wetend wat Tristan zou zeggen en vragen. Het was al moeilijk hier een thuisgevoel te krijgen als je huurde of kocht, althans dat zei mijn vrouw altijd voordat ze stierf. Voor de liefde was ze hier naartoe gekomen en het had jaren geduurd voordat ze eindelijk niet meer met wantrouwen werd bekeken. Zwervers of aanbelanden werden hier echter zo snel en zo pijnloos mogelijk buitengewerkt; ons dorp was een klein paradijsje, zonder criminaliteit – de kleine knul die een snoep stal en de tiener die eens spijbelde daargelaten – en dat wilden we koste wat het kost zo houden. Ik was advocaat, maar veel meer dan erfzaken en echtscheidingen deed ik niet. Als jonge knul kon ik niet snel genoeg weg uit dit gat. Ik heb dan ook in Leuven gestudeerd en net na mijn huwelijk zelfs een tijdje in Gent gewoond. Maar toen mijn ouders kort na elkaar overleden, en ik hun huis erfde, ben ik tezamen met Lize teruggekomen. En voordat die zwerver hier aanbeland was, kon ik me niet indenken ooit nog ergens anders te wonen. Ik wist hoe wantrouwend men was tegenover vreemden, Lize had er genoeg over geklaagd, maar als je er zelf niet mee geconfronteerd wordt dan gaat dat zo over je heen. Verder dacht ik altijd zelf niet zo te zijn, juist omdat ik niet alleen hier heb gewoond. En als je wel geaccepteerd werd, was het er ronduit zalig wonen. Tristan stak zijn hand op, terwijl hij naar de zwerver liep, en ik zwaaide terug. Ik had met Tristan nog op de basisschool gezeten. “Kom schat, het is niet netjes naar mensen te staren”, zei ik tegen mijn dochter en trok zacht aan haar hand. We waren trouwens al laat voor school. Die namiddag heb ik hem nog tweemaal gezien, vanuit het raam van mijn kantoor in de hoofdstraat. Ik herinner nog hoe ik glimlachend had gedacht: Goed zo, boze Tristan heeft je niet kunnen wegjagen. Maar algauw werd alles een stuk grimmiger. Irene, die een klas hoger zat dan onze Layla, verscheen de volgende morgen niet op school. In de loop van de ochtend werden haar ouders gebeld die de plaatselijke eettent open hielden, waar je vrij goedkoop elke middag een dagschotel kon eten… Maar Irene was niet ziek thuis, en toen ze rond 16 uur, wanneer de school ten einde was, ook niet thuis verscheen, begon men zich echt zorgen te maken. Tegen de volgende ochtend was heel het dorp op de hoogte van de verdwijning. Haar stappen werden zorgvuldig nagegaan, maar veel verder dan dat ze die morgen haar huis had verlaten om naar school te fietsen kwam men niet, dat vertelde haar vader. Er was niets aan de hand geweest die morgen. Veel plaats om iemand te verbergen was er in ons dorp niet, dus ze werd algauw gevonden; ze lag in de beek, halvelings in het water en halvelings op het betonnen uitsteeksel waar de jongens op stonden wanneer ze naar de kleine zeebaarsjes graaiden die in het water van de beek leefden. Ze was netjes aangekleed in een wit zomers jurkje dat ze voor school had aangedaan die morgen. Haar boekentas of fiets was nergens te vinden. Dat ze vermoord was, daar bestond geen twijfel over. Althans niet volgens de lijkschouder, die eigenlijk gewoon de huisarts van het dorp was. Volgens mij had het meisje ook gewoon een ongelukkige val kunnen gemaakt hebben. Ze had namelijk een schedelbreuk, een gezwollen lip en een blauw oog. Meer was er aan het kind niet te zien geweest. Je moet begrijpen dat er in ons dorp nog nooit een moord was gebeurd, laat staan op een kind. Iedereen kende nu eenmaal iedereen. En dan was er die ene vreemdeling. Adam was gewoon een gemakkelijke prooi. Of dat dacht ik toch in het begin. Die middag werd hij terug gezien bij de fontein terwijl hij de katten aaide. Het begon met gefluister in de straten dat algauw leidde naar nog meer wantrouwen tegenover die ene vreemdeling. Tegen de late middag kwam het dorp bij elkaar in het gemeentehuis om te bespreken wat ze met de situatie zouden doen. “Wie zou het anders kunnen gedaan hebben?” “Ja, ook wel toevallig… Een dag nadat die vent hier opduikt, wordt één van onze kinderen vermoord!” “We moeten ons van die vent ontdoen voordat er nog meer slachtoffers vallen!” Er werd luid instemmend gejoeld. “Mensen, mensen”, probeerde Tristan de meute te kalmeren. “Laat het gerecht zijn werk doen. Ik zal hem ondervragen en ik zweer jullie als hij er iets mee te maken heeft, dan kom ik dat te weten!” “Natuurlijk heeft hij er iets mee te maken, wie anders?” Woest stond een groep mannen op en begon door elkaar heen te schreeuwen. Ze liepen allemaal achter Tristan het gebouw uit naar het marktplein waar de man nog altijd zat. Ik volgde zwijgzaam. De zwerver leek noch verrast, noch bang, alsof hij het verwachtte. “Wat heb je met haar gedaan, pervert?” schreeuwde iemand, bijgestaan door het gejoel en geschreeuw van de anderen. Was Tristan er niet bij geweest dan hadden ze de vreemdeling waarschijnlijk daar ter plekke gelynchd. Ik zag hoe Tristan zich van de menigte losmaakte, hem zijn boek uit de handen sloeg en hem vrij hardhandig handboeien omdeed. De menigte volgde nog tot aan het politiebureau, net als verschillende van de katten trouwens, maar ging al snel uiteen wanneer ze zagen dat er geen verdere vonken meer te verwachten vielen. Ook ik ging naar huis, waar Layla met het avondeten wachtte. Spaghetti, het enige wat ze als tienjarig meisje kon klaarmaken. Ik tobde er de hele avond, en zelfs een stuk in de nacht over. Mijn advocatenhart bloedde bij het feit dat de man zo hard werd aangepakt en zonder rechtsbijstand werd verhoord, maar mijn verstand maande me aan me erbuiten te houden. Ik had het goed hier, en wilde dat zeker niet voor een vreemdeling zomaar op het spel zetten. De volgende morgen besloot ik mijn hart te volgen en net na negenen, net nadat ik Layla aan school had afgeleverd, stapte ik kordaat het politiebureau binnen. “Wat kom je doen, Evert?” Het was de eerste keer dat Tristan zo onvriendelijk tegen me deed. Het was niet de eerste keer dat ik daar kwam. “Heeft de man die je gisteren op het marktplein hebt gearresteerd al rechtsbijstand?” Ostentatief zuchtend liep Tristan me voor naar het verhoorkamertje waar de man op een stoel zat, Zijn handen waren met handboeien vastgemaakt aan de tafel. “Heeft hij hier heel de nacht gezeten?” “We weten allebei dat hij het heeft gedaan. Wie kan het anders zijn? Ik krijg die bekentenis heus wel uit hem!” “Ik zou graag even met hem onder vier ogen spreken.” Tristan zuchtte opnieuw en verliet de kamer. Ik stak vriendelijk glimlachend mijn hand naar de vreemdeling uit. Ik wilde bovenal niet overkomen als een van de meute de vorige dag. “Ik ben...” “Evert”, onderbrak hij me. Hij klonk zakelijk. “Hoe ken je mijn naam?” vroeg ik hem verbaasd. Hij glimlachte. Er leek niets vreemds aan die glimlach en toch jaagde het me de stuipen op het lijf. Geen enkele vorm van sympathie zat er in die glimlach, niets van warmte. Het was het soort alwetende glimlach van een psychopaat die op het punt stond zijn slachtoffer te doden. “Ik ben Adam… En ik ken al jullie namen.” “Nou goed”, zei ik, een beetje uit het lood geslagen, “maar je zit serieus in de problemen. Ze willen je namelijk van moord beschuldigen.” “Niet ik zit in de problemen, maar jullie.” Hij glimlachte opnieuw die vreselijke glimlach. “Moord is niet om mee te lachen, Adam… Nergens niet, maar zeker in een dorp als het onze niet. En ik denk dat je nu een advocaat wel goed zult kunnen gebruiken...” “Over enkele dagen zal ik jullie dorp verlaten, jullie zullen me smeken het te verlaten!” Tegen de tijd dat ik klaar was met de man te spreken, was het beetje sympathie dat ik voor hem had gevoeld, helemaal verdwenen. “Zo schuldig als wat, heb ik het niet gezegd? Het staat op zijn hele lijf geschreven!” kwamen de woorden van Tristan me tegemoet als ik de kamer uit kwam. Hij leunde nonchalant tegen zijn bureau. Ik klemde mijn lippen op elkaar en liep het politiekantoor uit, vastbesloten me er verder niet meer mee te bemoeien. Tristan had gelijk. Waarschijnlijk was die man schuldig, maar Tristan zou hem niet vast kunnen blijven houden. Er waren geen bewijzen, geen bekentenis. Niets. En voor zover ik wist stond er geen gevangenisstraf op het vreemdeling zijn. Wel hield ik mijn hart vast voor wat de meute zou doen wanneer Tristan hem vrijliet. De volgende ochtend was er echter weer een Hetze. Annabel was die nacht verdwenen. Annabel was een lief, blondharig meisje van negen. Haar bed was beslapen en zelfs haar pyjama werd onder de lakens gevonden. Maar van Annabel zelf was geen spoor. Eén van de katten was in de loop van de nacht het huis binnengedrongen of zo dachten we, en schurkte die morgen net zo lang tegen de benen van de moeder van Annabel tot die een bordje melk voor het aanrecht zette, maar de kat stopte maar niet met huilen. Die dag hebben we ons echt te pletter gezocht, maar Annabel leek wel in rook te zijn opgegaan. Die avond, kort voor zevenen ging ik terug naar het politiebureau. Tristan had de vreemdeling in de cel opgesloten en was bezig foto’s van Annabel naar de naburige dorpen te sturen. Hoe hij het deed wist ik niet, maar die vreemdeling moest iets te maken hebben met de verdwijning van Annabel. Daar was ik inmiddels zeker van. Zonder de toestemming van Tristan af te wachten, liep ik naar de cellen. “Wat wil je van ons,”, vroeg ik bot, de wanhoop nabij, want de volgende die verdween kon wel eens mijn Layla zijn. Ik deed geen enkele moeite meer om nog sympathiek over te komen Adam lag schijnbaar rustig op de brits naar het plafond te staren. Hij richtte zijn doordringende blik van het plafond op mijn gezicht. Geen enkele sympathie straalde hij uit. Zijn ogen waren ijskoud. Uiterst kalm antwoordde hij: “Mijn vrijheid voor jullie kinderen.” Snel en volledig in paniek liep ik terug naar het bureau van Tristan. “Waar zijn zijn spullen?” “In de kast daar...” Tristan keek me verbaasd aan terwijl ik de vermolmde backpack onderste boven hield. Niets maar dan ook niets van waarde zat erin. Ik griste het boek van de plank en begon zenuwachtig door de dikke pagina’s te bladeren. Het leek het logboek van een hotel wel; het stond vol namen, en op de laatste pagina vond ik het bewijs dat ik nodig had. Daar zwart op wit als laatste naam stond er: “Annabel Verstraete.” in een keurig mannenhandschrift met veel krullen. “Roep maar een paar kerels op. Vanavond eindigt deze zooi”, zei ik kalm tegen Tristan die over mijn schouders meekeek.   Die nacht hebben we hem vermoord. Het ging echt per ongeluk. Een slag teveel of misplaatst waarschijnlijk. In het tuintje achter het politiebureau hebben we hem tezamen met die backpack en dat rotboek van hem begraven. Zijn geheimen gingen met hem het graf in. Die nacht heb ik gewaakt bij het bed van Layla. Zonder dat ze het wist natuurlijk. Ze lag al te slapen toen ik terugkwam van het politiebureau. Maar niets kon baten. Tegen de volgende morgen was ze verdwenen, net als alle kinderen in het dorp, en vervangen door een huilende kat. Als we de volgende morgen het graf van de vreemdeling controleerden was ook die leeg. Tegen de avond van de volgende dag waren alle katten weggegaan. We zagen ze vertrekken. God wat heb ik geprobeerd de kat die Layla verving thuis te houden, maar ze leek steeds maar weer weg te kunnen glippen. Luid huilend, en soms omkijkend, alsof ze niet echt weg wilden, vertrokken ze, waarschijnlijk de vreemdeling achterna.   En Irene? Daar had de vreemdeling niets mee te maken. Thuis werd haar fiets in de garage gevonden en haar boekentas op haar kamer. Ze was die morgen nooit naar school vertrokken. Een half uur moest haar vader maar ondervraagd worden om te breken en te vertellen dat hij haar hard had geslagen waardoor ze ongelukkig tegen de hoek van een kast was gevallen.  

Malakh Ahavah
0 0

Zeewee

“Het begin is altijd het moeilijkst,” fluisterde hij in haar oor. Ze zaten elk met een halve bil op de leren pianostoel, hij met zijn handen op zijn knieën, zij liet de hare op de toetsen rusten. Haar wangen waren rood aangelopen en een lichte frons verraadde irritatie. Zijn ogen gleden van de rimpels in haar voorhoofd naar het puntje van de uitgestoken tong en hij glimlachte. Ze was mooi als ze gefrustreerd was. Hij las een vurige passie in haar lichaamsexpressie. “Probeer nog eens,” moedigde hij haar aan. Ze haalde adem, hief haar vingers op en liet ze met kracht weer neerkomen op de toetsen. Een paar maten lang geselde ze het instrument om tenslotte haar gekromde vingers met volle kracht in het midden van de toetsenrij neer te planten. Een zucht van ingehouden woede ontsnapte aan haar lippen. “Het lukt nooit”. En plots, geheel onverwacht, barstte ze in tranen uit. Haar handen trilden, haar schouders schokten. Een waterval aan klaaglijk gejammer stroomden uit haar longen, langs haar neus, keel, ogen de kamer in, overspoelden de restjes muziek, natrillend in zijn oren. Verbaasd staarde hij naar zoveel verdriet. Haar stem zwol aan, de tranen stroomden ononderbroken uit haar ogen. Haar haren plakten tegen de zijkant van haar wangen. De vrouw die zonet nog doelbewust haar armen en vingers over de piano had bewogen, was verdwenen. Ze had plaatsgemaakt voor een klein meisje dat haar knietjes had opengehaald aan de kiezels van de oprit en nu alleen en verloren met step in de hand in de voortuin stond te huilen. Het gierende gehuil ging over in een schril krijsen, de vuistjes sloegen beurtelings op de toetsen. Haar kleine hieltjes schopten tegen de pianokruk. Toen gooide ze zichzelf op de grond en schopte wild in het rond. Al die tijd sloeg hij zonder een woord de ongelooflijke metamorfose gade. Haar tranen vormden plasjes om haar heen, die ze voortdurend terug oplikte, tussen twee gierende snikken door. Als een dol geworden hondje kroop ze over het parket, haar kanten jurkje doorweekt, haar vlechtjes vormeloos. Toen het emotionele geweld tot bedaring kwam stond hij op van de piano en knielde bij het meisje neer. De snaren trilden nog na van het lawaai. Hij streek een lok haar uit haar roodgezwollen ogen en tilde haar op alsof ze een veertje was. Zachtjes drukte hij het kleine wezentje tegen zijn borst. “Stil maar,” fluisterde hij in haar oor, “morgen is een nieuwe dag”. Hij opende de klep van de piano. Voorzichtig legde hij haar op de snaren.

Cosi Perreth
0 0

Single bells

Single bells… Kerstmis, de leukste tijd van het jaar… Voor wie een gezin heeft of een gezellige familie om dit mee te vieren. Als alleenstaande, kinderloze dertiger staat er geen aspergeroomsoep met balletjes en steengrill op het menu, maar de fles bubbels wordt gelijkmatig verdeeld over de eenzame kerstavond tijdens een serie op Netflix. Dit jaar had ik me door een man laten overhalen om op kerstavond op date te gaan. Alle restaurants zouden zich hullen in een uitgelaten sfeer met gezelligheid troef. Alle restaurants, behalve datgene waar wij die avond terechtkwamen. Wij en twee andere koppels zaten aan somber gedekte tafeltjes. De sfeer was ver te zoeken. De kerstboom was duidelijk van plastiek en het leek of de versieringen waren aangebracht door een kleuter van 5. Afgaand op de familiefoto die boven de bar hing, zat ik er niet ver naast. Mijn date was een grote slanke man met een aanstekelijke lach. Hij had zich niet speciaal opgedoft, maar zijn kontje kwam goed uit in zijn strakke jeansbroek. Dat gaf me een beetje hoop op een aangename avond. Ik had plaats genomen tegenover hem aan het tafeltje. Gehuld in mijn veel te strakke groene jurk en een rode bombastische strik in mijn haar. De kerstboom in het restaurant was er niks tegen. Ik nipte van mijn cocktail. De alcohol kreeg een beetje grip op mijn zenuwen. Mijn date zijn ogen hadden zich gefixeerd op het punt waar mijn borsten samen komen. Ik bekeek hem nauwkeurig, tot mijn blik op zijn schoot rustte. Ik zag zijn geslacht groeien, samen met mijn angst op een faliekante afloop. Ik leunde een beetje verder voorover om het wat beter te kunnen bekijken, waarbij ik per ongeluk een duw tegen het tafeltje gaf en zijn vol glas bier in zijn schoot belandde. Hij sprong op van zijn stoel, maar het kwaad was al geschiedt. Mijn woordenstroom van excuses kon de krimpende bobbel in zijn spannende jeansbroek niet meer tegengaan. Ik rekende onze drankjes af en nam afscheid van mijn date met zijn natte broek. Heel de weg naar huis had ik de slappe lach. Oh wat was ik blij met mijn fles bubbels en Netflix in de zetel. En gelukkig maar, dat ik lasagne had uitgezet. Je weet maar nooit op kerstavond!

RVP
0 0

Appel

Appel   Daar zat ze dan. Helemaal alleen op een bankje in een zo goed als verlaten stadspark. Het was nochtans nog niet zo laat. Of ja, misschien niet, ik wist het niet meer zo goed. Ik was haar al zo lang aan het volgen. Tijd werd een zinloos begrip. Ik kon niets anders dan staren. Staren en hopen dat ze niet zou ontdekken dat ik haar al uren volgde. Uren? Nee, het moesten al dagen zijn ondertussen.   Ze at langzaam van een sappige, rode appel. Het rood stak prachtig af tegen haar blonde haren. Ik spande me zo hard in als ik kon om elk detail in me op te nemen. Ik kon elke knapperige hap horen en keek toe met een flauwe glimlach hoe ze zich een weg baande naar het klokhuis. Er liep een druppeltje sap langs haar kin naar beneden. Hoe graag had ik die druppel met een veeg van mijn duim weggevaagd om zo haar goeddunken te kunnen verdienen. Hoe graag was ik naar daar gegaan en was ik een gesprek met haar begonnen. Iets simpels, iets in de trant van; ‘ Gho, toch weinig volk hier vandaag hé?’ Dezelfde roemloze onzin waar anderen de welbekende paringsdans mee in gang zetten. Maar ik kon het niet. Ik kon mezelf niet overtuigen mijn schuilplaats te verlaten om een zinloze actie in gang te zetten, die toch de enormiteit van mijn gevoelens niet zou kunnen overbrengen. Er moest een andere manier zijn. Een andere manier om te vertolken wat voor warboel ze in mijn hoofd teweeg bracht.   Nu ik er aan terugdenk, was het moment waarop ik het echt besloten had, denk ik. Echt bewust de beslissing gemaakt dat ze van mij moest zijn. Worden. Geweest zijn? Ik denk het.   Toen ze klaar was met de appel, gooide ze het klokkenhuis achteloos in de struiken. In plaats van dat het stuk fruit op de grond zou vallen, waar het na verloop van tijd zou kunnen vergaan, bleef het halsstarrig tussen de takken hangen. Ze stond op en gooide haar rugzak over een enkele schouder. Haar lange haren wapperden lichtjes in de zachte lentebries terwijl ze zich omdraaide om de andere richting op te wandelen. God, wat was ze mooi. Ze liep mijn kant op. Had ze me gezien? Wou ik dat ze me gezien had? Was het gezien worden de ideale eerste stap om samen voor altijd iets te kunnen hebben? Zou ze me eerder al gezien hebben? Zou ze weten dat ik haar al een tijdje volgde? Zou ze me komen uitschelden, wegjagen, mijn enige kans op een aanknopingsgesprek verbranden? Was ik dit aan het overdenken? Gho, wat overdenk ik niet. Al deze gedachten denderden door mijn hoofd als een bende op hol geslagen buffels, achtervolgd door een troep leeuwen. Ze had me niet gezien. Ze liep voorbij de struik waar ik al dan niet subtiel mijn observatiekamp had opgeslagen voor de afgelopen tien minuten. Ze gunde me niet eens een blik.   Waarom keek ze niet? Waarom gunde ze me niet eens het genot van in haar ogen te kunnen kijken, zelfs al was het maar een enkel ogenblik, een enkele halve seconde. Dat ene ogenblik had mijn hele wezen kunnen vullen met een ultiem genot. Maar neen. Ze liep me straal voorbij. Alsof ik niks was. Alsof mijn hele bestaan op die plaats helemaal niet bestond. Alsof ik het zelfs niet waard was op te merken. Wat dacht ze wel niet?! Mij negeren? Mij? Ik was haar grootste bewonderaar, haar prins op het witte paard, haar kaartje om weg te geraken uit deze horendolle samenleving, dit schijthol van een excuus voor een maatschappij. Mij zou ze gewoon zomaar negeren? Ik dacht het niet.   Ik volgde haar richting de uitgang van het park. Nu moest ik wel iets verzinnen om haar te kunnen aanspreken, iets, wat dan ook. Het was nu of nooit. Nooit een antwoord op alles wat ik haar wou vragen, wou zeggen, wou toefluisteren. Ik liep enkele meters achter haar, probeerde gezwind haar pas te volgen, zodat onze voeten gelijktijdig de aarde zouden raken en ze dus niet het geluid van een achtervolger kon opvangen. Ik probeerde telkens zo groot mogelijke passen te nemen, zodat ik toch korter bij haar kon raken, zonder dat ik mezelf verried.   Plots stond ik achter haar. Ik strekte mijn arm en greep die van haar beet. “Hey, ehm, ik denk dat je dit hebt laten vallen.” Ik viste snel een kleinood uit mijn zak en hield het omhoog, zodat ze het kon zien. “Nee hoor, dat is niet van mij, sorry.” Zei ze en ze maakte aanstalten om zich opnieuw om te draaien en verder te wandelen. Het enige wat ik toen kon denken, of nee, het enige wat ik toen kon voelen, was het gevoel dat ik op een afgrond stond. Als ze nog een stap van me weg zou zetten, zouden de laatste kiezels onder mijn ene voet die nog stevig op de richel stond, wegrollen en zou ik rechtstreeks en onomwonden te pletter storten. De paniek gierde door mijn ingewanden. De stress gierde door mijn lijf, maar zorgde er ook voor dat mijn zintuigen scherper leken te worden. Na enkele seconden van tergende angst, maakte alles plaats voor kalmte. Het was duidelijk, alles was opeens zo erg helder. Ik kon niet geloven dat ik al zo lang had zitten tobben en twijfelen, dat ik stress had gehad hierom. Ik wist wat me te doen stond.   Ik greep opnieuw haar arm en vroeg of ze me dan niet meer kende. We hadden immers het hele voorbije jaar samen in dezelfde stinkend hete aula gezeten.  Ze leek me nog steeds niet te herkennen, maar ze keek wel opeens vriendelijker. “Oh! Zat jij ook altijd in die saaie seminaries?” Het was nog wel logisch dat ze me niet kende. Van zodra ik haar de eerste keer gezien had in een les, was ik overdonderd. Ik besloot meer over haar te weten te komen en had mezelf telkens strategisch ergens achter haar gezet in diezelfde aula. Net kortbij genoeg, zodat ik kon horen wat ze zei en kon zien wat ze deed, net ver genoeg, zodat het niet zou opvallen. Zodat ik niet zou opvallen. “Ja, ja, elke week! Kom, laten we wat gaan drinken, dan kunnen we bijkletsen over die lessen, super leuk!” Het was een directe uitnodiging, iets wat ik voor de stilte in de storm in mijn hoofd, nooit had gedurfd. Nu kon ik het met zo veel vertrouwen zeggen. Het was niet eens een vraag. Van wat er daarna gebeurd is, weet ik niet meer zo veel.   We gingen wat drinken in een cafeetje niet zo heel ver van datzelfde stadspark. Het was fijn. We hebben er gepraat over de zinloosheid van de seminaries van het voorbije jaar, over de aangename sfeer van de stad, over dezelfde roemloze onzin waar alle anderen hun paringsdans mee in gang zetten. De hele nutteloze hoop. Ik vertelde een grap, zij lachte er mee. Het was fijn. God, wat had ze een prachtige lach. Dit was het, ik was eindelijk bij haar binnen gebroken, ik had eindelijk contact gelegd. Ik wou haar kussen, man, wat wou ik haar kussen. Toen onze drankjes gedronken waren en de nootjes niet veel meer waren dan een leeg glazen schaaltje, zag ik mijn kans schoon. We stapten naar buiten en stonden even stil. Ik greep haar bij de armen, zachtjes deze keer, en boog zachtjes naar voor, zoals ze dat in die romantische komedies doen. Een filmgenre dat me nooit veel heeft aangetrokken. “Wat doe je? Ik heb een vriendje, sorry.” Een vriendje. Ze had een vriendje. Ongetwijfeld een eikel ten midden van eikels. Een arrogante klootzak die het nodig vond om mijn meisje in te pikken. Wij hoorden samen! Als het ervoor nog niet duidelijk was, dan was het dat zeker wel na die avond. Ze hoorde bij mij. Bij mij alleen.   Als ik haar niet kon hebben, dan niemand.   Wanneer ik me probeer te bedenken wat er daarna gebeurd is, kan ik me eigenlijk alleen nog maar enkele flitsen voor de geest halen. Ik weet nog dat we samen terug het stadspark in liepen om zo naar onze respectievelijke koten te gaan. Een stadspark waar ondertussen niemand meer rondliep. Ik weet nog dat ze maar bleef praten over die lapzwans van een vriend en ik weet nog dat er ergens onderweg een grote zware tak was afgeknakt in de storm van de week ervoor. Wat er daarna gebeurd is, is een waas. Het enige beeld dat ik niet meer uit mijn hersenen krijg, is het beeld van hoe ze daar zo mooi lag. Zo vredig. Het leek wel alsof ze gewoon besloten had om een dutje te doen in het midden van het park. Gewoon, zomaar, eventjes rusten. Het rood complementeerde haar blonde haren zo mooi. Was ze ooit perfect, dan was ze dat nu nog meer.

David Kempeners
0 0

De Boodschap II

Een auto stopt voor een huis en tegelijkertijd gaat de voordeur open. De vrouw loopt uit het huis naar de auto. Het kind stapt uit. De vrouw strekt haar hand uit om de deur langs de bestuurderskant te openen, maar de auto rijdt al weg. Ze schrikt op en kijkt de auto fronsend na. Dan wendt ze zich tot haar zoon.   ‘Hoe was het?’ Ze knielt voor haar zoon neer en kijkt in zijn ogen. ‘Kijk, wat ik allemaal gekregen heb!’ roept hij. Hij wijst naar een zak vol cadeaus. ‘Wauw, wat mooi!’ zegt ze snel. ‘Maar hoe was het met hem?’ ‘Je moet niet boos op hem zijn, mama.’ Ze slaat haar ogen neer en aait hem door zijn haar. ‘Kom. Het vliegtuig mag niet zonder ons vertrekken hoor. Vanavond slapen we in ons nieuwe huis. Spannend he!’ Ze probeert enthousiast te klinken. ‘Mag ik dan een heel pakje kauwgom tegelijk in mijn mond steken?’ Zucht. ‘Ik denk dat dat vandaag wel kan, ja.’   In het vliegtuig valt haar zoon in slaap. Hij schokt twee keer voor hij inslaapt, net als zijn vader deed toen hij nog naast haar in bed sliep. Weer denkt ze aan die dag.   Die ochtend in april, de ijsbloemen kleefden op het raam, stond ze op met hoofdpijn. Ze had geen oog dichtgedaan. Hij was al vroeg vertrokken en zou laat terugkomen. Om een paar dingen te regelen, had hij gezegd. Ze stond in de badkamer en keek in de spiegel, die in de linkerhoek gebarsten was en door zwarte schimmelpunten werd omringd. Ze zag blauwe lijnen onder haar ogen. Nog in pyjama liep ze naar de keuken. Ze maakte ontbijt voor haar zoon en voor zichzelf. Ze sneed het fruit snel en zonder te kijken sneed ze in haar vingertop. Ze vloekte. Haar zoon had blijkbaar geen last van slapeloosheid deze nacht dus liet ze hem liggen. Ze zat aan tafel, bladerde door reclamefolders zonder ernaar te kijken. Het eten bleef onaangeroerd. Haar zoon liet van zich horen. Ze haalde hem uit zijn bed, knuffelde en kuste hem. Ze zette hem op het potje en prees hem omdat zijn luier weer droog was gebleven.   De rest van de dag was als in een waas aan haar voorbij gegaan, als een video die wordt doorgespoeld. Ze poetste de benedenverdieping, hoewel dat nog niet lang geleden was. Ze werkte de hele dag door, maar haar ogen dwaalden steeds af. Dan staarde ze door het raam. Terwijl ze met haar zoon speelde, keek ze te pas en te onpas op haar telefoon.   Toen ze rond zes uur stond te koken, rinkelde haar telefoon. Ze ademde diep in voor ze opnam. ‘Hallo?’ Haar ademhaling versnelde. Ze zakte neer op de keukenvloer. Ze sloot haar ogen terwijl ze haar hand voor haar gezicht hield. Ze kon niets uitbrengen. Uiteindelijk fluisterde ze: ‘Waarom?’ Haar ogen schoten naar de stapel onbetaalde facturen, hoog op de kast. Daar had zij ze gelegd, uit het zicht. Ze beet op haar lip, tot bloedens toe.   ‘Wanneer zie ik je?’   Een dag later liep ze gehaast door de straat. In de verte, aan haar rechterkant zag ze het arresthuis. Ze vertraagde. Toen ze aankwam, stopte ze. Het was er rustig. Ze keek naar de rode toegangsdeur terwijl ze haar rechteroorlel met haar vingers masseerde. Dat deed ze altijd als ze nerveus was. Zo bleef ze een poosje staan. Toen keerde ze bruusk om en wandelde haastig terug. Sindsdien is ze nooit meer in de buurt van de gevangenis gekomen.   Toen ze thuiskwam, haar zoon was bij haar moeder, liep ze naar de kast en nam een vel papier en een pen. Ze plofte neer aan de keukentafel. Haar ellenbogen leunden op tafel, haar hoofd op haar handen. Toen begon ze te schrijven. De woorden kwamen snel op het papier terecht.   Liefste, Ik wilde je vandaag bezoeken. Ik was het echt van plan. Ik stond voor de poort, op misschien enkele meters bij je vandaan. Maar ik kon het niet. Jij begrijpt waarschijnlijk beter dan ikzelf waarom niet. Ik wil je niet zien in de gevangenis. Ik wil me je herinneren als de goede vader die je bent, die zijn zoon een bad geeft. Als de man die me troost. Als de man die me met een oogopslag kan opwinden. Ons bed was deze morgen zo groot, zo koud. Het bed mist je ook. Je zoon heeft al minstens twintig keer naar je gevraagd. Hoe moet ik hem troosten? Dat was altijd al meer jouw ding. Het lijkt of ik alles opnieuw moet leren, maar dan alleen. Ik wacht op jou. Ik bid voor jou. Maar in de gevangenis zal je me niet zien. Veel liefs   Dit was de eerste brief. Ondertussen heeft ze 814 brieven voor hem geschreven. Een voor elke dag. Ze stuurt ze niet op.   Eindelijk landen ze. Buiten staat haar nieuwe vriend hen op te wachten. Hij lacht terwijl hij naar hen wuift. Ze beantwoordt hem met een korte glimlach. Haar zoon loopt naar hem toe en vliegt in zijn armen. Zij zoent hem.   In de auto vertelt hij over zijn job, die hem goed bevalt. Ze komen aan in hun nieuwe huis. In het echt lijkt het nog groter dan op de foto’s. Haar zoon loopt met grote ogen door de kamers. Na de rondleiding steekt ze een paar pizza’s in de oven. Ondertussen kijkt ze naar haar zoon en haar vriend die samen de gigantische palm in de hoek van het salon bewonderen. Ze glimlacht.     ’s Avonds pakt ze haar spullen uit. Ze legt haar kleren in de kast, en vindt onderaan in haar valies de stapel brieven. Ze neemt de papieren in haar hand. Ze loopt naar de vuilbak en opent hem. Ze houdt de brieven erboven. Ze laat ze niet vallen, sluit de vuilbak weer. Ze opent een schuif en legt de brieven erin, helemaal achteraan.    

Anneke
0 0

De Boodschap I

De man neemt een slok van het glas water dat voor hem staat. Naast hem ligt een grote zak vol cadeaus, ingepakt in felgekleurd papier. Hij kijkt naar de klok die aan de groen geverfde muur hangt. De deur gaat open. Een jongen van bijna vijf jaar komt binnen, gevolgd door zijn grootmoeder. De man staat op en de vrouw geeft hem een zoen op de wang. Ze praten op zachte toon tegen elkaar. Ondertussen schuifelt de jongen naar de tafel en blijft naast zijn stoel staan. Hij kijkt naar de grond. De man knielt neer voor het kind. Ze kijken elkaar een paar tellen aan. De man grijpt de jongen vast. Hij klemt zijn armen om hem heen. De jongen hangt roerloos tegen het lichaam aan.   Terwijl de man de jongen op de stoel zet, neemt de vrouw plaats aan de overkant van de tafel en bladert door een tijdschrift. Haar ogen schieten af en toe naar haar kleinzoon en zijn vader, waarbij haar mondhoeken omhoog krullen, maar haar ooghoeken niet. De man heeft de jongen op de stoel gezet. Hij geeft het eerste cadeau. Het kind opent het aarzelend, met een voorzichtige glimlach op zijn gezicht. Het is een vuurrode treinlocomotief. Ze spelen samen met de trein. De trein rijdt onder de tafelpoten door, langs de muur, tussen de benen van de man.   ‘Waar is mama?’ ‘Mama is wacht thuis op jou.’ ‘Waarom?’ ‘Mama wil even niet met papa praten.’ ‘Waarom?’ ‘Omdat ik stout ben geweest, lieverd.’ ‘Wat heb jij dan gedaan?’ Het rechteroog van de man trekt samen. ‘Dat zal ik je later wel eens uitleggen.’ Hij kijkt naar de vrouw. De vrouw kijkt naar het tijdschrift. Hij staat op en neemt een tweede cadeau uit de zak.   ‘Ik heb ook iets voor jou. Dit is van mama’ zegt het jongetje. De man neemt het briefje met bevende handen aan. Het kind pakt intussen het tweede cadeau uit. Er zitten vijf knalgele knikkers in. De man leest het briefje. Zijn ogen worden groter terwijl zijn gezicht wit weg trekt. Het kind rolt de knikkers over de vloer. De man staart voor zich uit.   ‘Wist jij hier al van?’ Hij geeft het briefje aan de vrouw. Ze leest het en haar gezicht betrekt. Voor ze kan antwoorden komt een man in uniform de kamer in. De vader neemt de jongen in zijn armen. Hij slikt luid terwijl hij iets in het oor van het kind fluistert. De bewaker trekt de man omhoog. Ze verlaten de kamer. De jongen en de vrouw lopen met de bewaker naar links, de man loopt met een andere bewaker naar recht. Hij ademt zwaar in en uit, al zijn spieren gespannen. Net voor hij door de poort loopt, draait hij zich om. Hij kijkt naar zijn kind, voor het laatst in een waarschijnlijk lange tijd. In zijn cel slaat hij zijn handen kapot op de muur. Meer kan hij niet doen. De waarheid blijft onveranderd, hard als staal.   Het was april maar ijskoud. Er waren weinig mensen op straat. Hij zat in zijn auto, onder de schaduw van een eik verscholen, langs de kant van de weg. Hij veegde bruusk de zweetdruppels van zijn bovenlip. Dit was niet de eerste keer, en toch begon zijn rechterbeen weer te wiebelen. Hij legde zijn armen gekruist over het stuur en leunde er met zijn hoofd tegenaan. Zo bleef hij een paar tellen roerloos zitten. Hij schoot recht, trok handschoenen aan en opende het portier. Hij haalde een metalen kist uit de kofferbak. Hij liep naar het huis waarvan de deur verstopt lag achter een grote vlinderstruik. Een kennis had hem over dit huis getipt. Er woonde een plastisch chirurg met zijn weelderige vrouw. Er zouden zeker waardevolle spullen te vinden zijn. Hij had het huis gedurende twee weken begluurd. Telkens tussen 16 uur en 18 uur was het huis verlaten geweest. De vrouw vertrok met haar zwarte poedel aan de hand.   Het was half vijf, er was geen ziel te bespeuren. Binnen komen was geen probleem meer. Hij sloot de deur en begaf zich naar de slaapkamer. Al snel vond hij de gouden juwelen van de vrouw, bezet met verschillende dure stenen. Hoewel hij haastig te werk ging, probeerde hij zo weinig mogelijk rommel te maken. Hij vond nog een I-phone en een I-pad, maar aan de juwelen had hij al een mooie buit. Tijd om te gaan. Nog geen tien minuten was hij binnen geweest. Hij stak alles in de kist. De koevoet paste er niet meer in. Die nam hij in de hand. Hij keek door het raam. Niemand. Hij opende de voordeur. Pal voor hem stond een man die net de bel in wilde duwen. Oog in oog met de inbreker bevroor zijn hand ter hoogte van de bel en hij bleef versteend staan. De hand van de inbreker vloog samen met de koevoet de lucht in. De koevoet kwam op het hoofd van de man terecht. Hij zakte ineen.   Zonder aarzelen stormde hij naar zijn auto. Daarbij liep hij bijna tegen een meisje, dat hem met grote ogen aankeek. Hij sprong zijn auto in en schoot weg. Zijn handen trilden. Hij klemde zijn vingers rond het stuur waardoor zijn knokels wit werden. Hij duwde het gaspedaal volledig in. Zijn tanden knarsten en hij zag zwarte vlekken voor zijn ogen dansen. Hij moest stoppen. Hij reed een parking op. Hij parkeerde tussen twee lege auto’s in. Terwijl hij met zijn vuisten op het stuur sloeg, brulde hij zijn longen leeg.   Zijn proces was een catastrofe geweest. Even daarvoor had hij de brief gekregen met de melding dat zijn slachtoffer na een lange strijd het leven had gelaten. De slag had een hersenbloeding veroorzaakt, en de man met een zwakke gezondheid had weinig kans op herstel. De rechter had de inbreker vijftien jaar gegeven voor slagen en verwondingen met de dood tot gevolg en inbraak. Hij zal de kinderjaren van zijn zoon missen. Hij zal hem niet kunnen opvoeden. Nog twaalf jaar te gaan. Dan zal zijn zoon zeventien zijn. Hij zal hem niet meer herkennen.   Hij staart naar de bloedvlekjes die zijn knokels op de muur hebben achtergelaten. Hij moet zich op een strafvermindering concentreren, zich goed gedragen. Hij brult de hele gang bijeen. Een cipier komt naar zijn cel. Hij snauwt de cipier af. Hij gooit zijn eten door de cel waardoor hij een laatste waarschuwing krijgt. Als hij zich nu niet herpakt, steken ze hem in het cachot. Dat zou in zijn dossier terechtkomen. Hij staat met zijn rug tegen de muur.   De dag wordt nacht. Zijn schreeuwen en slagen nemen af in kracht. Hij neemt pen en papier en begint te schrijven. Vroeger schreef hij al naar haar. Hij is er nooit mee gestopt. Schrijven werkt beter dan de weinige therapieën die hij krijgt. Hij steekt het briefje bij de andere, die verstopt zitten onder een losse tegel. Hij stuurt ze niet op. Elke avond neemt hij ze mee naar bed. Hij leest ze niet, dat is niet meer nodig.

Anneke
0 0

Werken aan herinneringen

Op de trein naar huis werk ik aan mijn herinneringen. Ik weet dat herinneringen er normaal gezien gewoon zijn en dat je er niet aan hoeft te werken, maar bij mij vlot het niet altijd zo goed. Niet dat ik me dingen niet kan herinneren, integendeel. Ik schrik soms van mijn geheugencapaciteit. Hebben al die faits divers en zielenroerselen echt plaats daarboven? Soms denk ik dat er een dag komt waarop ik geen nieuwe zinnen meer zal kunnen formuleren, omdat mijn memoires het hebben overgenomen. Daarom werk ik aan mijn herinneringen, op de trein.   Ik kijk nu naar buiten, peinzend, en terwijl ben ik me ervan bewust dat ik peinzend naar buiten kijk. Wanneer ik dat doe, voel ik me altijd de hoofdrolspeelster in een goeie film. Je weet wel, zo’n film die je bij je haren grijpt en je met vragende tranen achterlaat. Maar goed, ik kijk dus naar buiten, peinzend. Veel zie ik niet meer om eerlijk te zijn. Het is winter en dus donker, op welk uur van de dag je ook vertrekt. De geneugten des levens. Dat werken aan mijn herinneren lukt de ene dag al beter dan de andere. Ik probeer het wel, ordenen, de juiste volgorde bepalen, de genante dingen verwisselen voor de mooie. Alleen raak ik nogal snel afgeleid, door andere herinneringen en door toekomstige mijmeringen. Zo blijf ik bezig natuurlijk.    Ik zit nog steeds op de trein. Twee keer per dag, van Nevele naar Brugge en terug. Je leert ook iets over jezelf tijdens zo’n rit. Ik leer bijvoorbeeld dagelijks dat ik niet zo hou van lawaai. Ook niet van kinderen met profileringsdrang, wat dat betreft. En elke keer ik een ritje maak, denk ik opnieuw aan deze gedachte. Dat is ook werken aan herinneringen, toch? Waarom ik dit doe? Ik wil soms gewoon de chaos in mijn hoofd tot stilte manen. Het is moeilijk om te luisteren naar anderen, wanneer er voortdurend lijstjes worden afgerammeld door de stem in je hoofd. Zo is het ook moeilijk om nieuwe herinneringen te maken natuurlijk. Als ik dat piekeren nu eens zou kunnen laten. Dat hele gedoe weggooien als overtollig gewicht. Dat zou geweldig zijn. Misschien moet ik daar tijdens de volgende rit eens over nadenken.

Annelies
2 0