Lezen

Chinese curryworsten

Veranderingen. Ik ben er geen fan van, eigenlijk nooit geweest. Ik wou eerst even stiekem zeggen maar... “Stiekem” probeer ik zo weinig nog te gebruiken. Ik heb er een beetje een degout van gekregen toen ik merkte dat Vitalski, de nachtburgemeester van Antwerpen, een tip van de week had voorgesteld op Azertyfactor... Het bleek niet te gaan om één van de vele literaire pronkstukken van mij, de essentiële Bart van Vlaanderen. Maar van een vrouwelijke beginneling. Wel dat is zonde Vitalski.   De site deelde blijkbaar mee dat de literaire wereld van het bekrompen platform Azertyfactor ook een verlofperiode inlast zoals justitie, bouwvakkers, scholen, doppers, vluchtelingen, bejaarden. Het beestenbos is boos en zijn boomchirurgen, bladblazers en insectenhoteluitbaters. Het bestuur van mijn geliefde voetbalclub Lierse. Ambtenaren, politiekers,... Zelfs de bibliotheek en op de koop nog aan toe de landelijke gilde die zich al fietsend naar Scherpenheuvel begeeft tussen 19juli en 23augustus.   Ik was ontzet, teleurgesteld, in tranen, om dan vervolgens aan de grond genageld te staan. Een schande was het. Niet de tranen, maar dat een bende naïeve linkse hippie’s de kans bij uitstek voorbij zich laten gaan om een tekst van de “essentiële Bart van Vlaanderen” niet mee te delen als “tip van de week”... “tip van het jaar” ... “tip van uw miezerig kutleven”...   Ik ging er vanuit dat er prompt elke woensdag wel een auteur of dergelijke zich met een pijp in de mond zou installeren in zijn veranda op zoek naar schrijvers die nooit schrijvers zullen worden. Om het allemaal eens te bestuderen als ze op hun tablet met hun dikke worstenvingertjes aan het scrollen zijn. Een leesbril op hun patattenneus, de vrouw aan de haard die al jaar en dag op de buurman touwtert, het stukje appeltaart en een tas gemberthee binnen handbereik,...   Ik zat er dus helemaal naast toen ik dacht dat Gandalf mijn teksten zou opmerken. Terwijl de grijze tovenaar en zijn leger dwergen op verlof waren werd de basis gelegd van wat een (r)evolutie zou ontketenen in Vlaanderen. Ik begin altijd klein, dus laat ik eerst maar Vlaanderen veroveren. Tenminste als ik een keer ontdekt word.   Ik ga het verboden woord nog één keer gebruiken in één van de volgende zinnen.   Blijkbaar had Vitalski zich nogal zeer gemakzuchtig opgesteld, en niet alle teksten gelezen die onder proza/kortverhalen te vinden zijn. De “tip van de week” die deze witte raaf koos betrof die van Hot Marijke S. Kan allemaal zeer mooi en romantisch verbloemd zijn wat deze asparant schrijfster neerpende, maar laten we eerlijk zijn? Als Vitalski zijn oog, net zoals dat van God, had laten vallen op mijn teksten?   ... Ja, euhm doei Marijke ...   Stiekem had zij haar tekst al lange tijd terug geschreven, begin augustus... Maar toen was het natuurlijk nog feest in Kos met DJ Gandalf, Frodo die op paddo’s een duister oog in de verte zag, een bende vluchtelingen die de appelcake van Sam probeerde te stelen,...   Maar omdat Azertyfactor en zijn partycruise pas terugkeerde op woensdag 23augustus, past zij nog snel haar tekst aan op deze dag om zeker in de picture te staan. Met succes dus.   Omstreden is dan weer geen verboden woord, net zoals Sandra Kim het Eurovisiesongfestival won in 1986. Daar was toch ook heel wat rond te doen, toen die Waalse kleuter werd ingezonden en de prestigieuze zangwedstrijd won. Een beetje versteld stonden de mensen die aan hun beeldbuis gekluisterd waren toen het uitkwam dat ze geen 15 maar 13jaar was. Ik deel die opinie, ik voel me ook een beetje raar, onwetend, overweldigd met de blindheid waar mensen als Vitalski bepaalde teksten lezen of niet lezen. Zeg het mij eens Vitalski?   Belachelijk is het als schrijvers hier nog snel hun teksten gaan veranderen om ontdekt te worden. Veranderingen. Miljaar. Ik ben er dus geen fan van, maar ik ben er nu ook niet extreem in. Hoewel?   Ik ben niet echt patriottisch gezind, maar een onafhankelijk Vlaanderen lijkt mij niet nodig. Ik ben geen moslimhater, maar als ik op straat iemand met een baard vol enthousiasme “Allahu Akbar!!!” hoor roepen zet ik het maar op een lopen. Ik ben geen atheïst, maar getuigen van Jehova moeten hier niet komen aankloppen. Ik ben modebewust als ik de trends van Bart Van de Peer volg, maar Philipp Plein is belachelijk. Ik sorteer mijn plastic flessen in de daarvoor bestemde blauwe PMD zak, maar ik dump ook wel eens rotzooi, zoals de schijterij die ik krijg als ik Vitalski zijn “tip van de week” voor ogen krijg, in de afvalcontainer van de lokale parochiezaal. Ik ben dan ook zeer milieubewust maar het groot licht boven mijn prachtig hoofd blijft wel altijd branden.   Er zijn echter bepaalde zaken in mijn dagelijks leven waar ik een uitgesproken menig over heb om “U!” tegen te zeggen. Zonder tegenspraak en andere overbodige invloeden wel te verstaan. Ik haat veel dingen, wat zeker geen verrassing is. Maar verdorie... Onze eigen Belgische frituren zijn niet meer zo Belgisch als de nostalgische tijd van weleer waar “Johan De Patattenman” goudkleurige frietjes bakte in ossewit.   Frituren met de meest zotte namen zoals “Frituur het pleintje”, welke gelegen waren aan een dorpsplein... Werden nog uitgebaat door Belgen die van hun gastronomische hobby hun beroep hadden gemaakt. Rijk, arm... Iedereen eet graag frietjes van het frituur. Maar tijden veranderen, en dat stoort mij enorm. En al zeker als ze aan onze frituren zitten.   Het lijkt wel of er een heuse hype heerst onder de Chinezen die zich hebben gesetteld in ons Belgenlandje. Toen ze vroeger in de jaren ’60 en ’70 hun thuisland hebben verlaten voor politieke en/of economische redenen, opende deze rijstboeren met hun bende waterbuffels hier Chinese restaurants die zich al snel populair maakte onder de Belgen. Je kon en kan er nog steeds voor relatief weinig geld grote porties gebakken rijst verorberen voor 2dagen. Chinezen nemen het niet zo nauw met bepaalde regels die betrekking hebben op de voedselveiligheid en tewerkstelling bijvoorbeeld. Dus de tijd dat ze maar wat opdeden en poen schepte alsof het niets was vervaagde wat... Ook het nieuwe is er wel wat af, tegenwoordig heeft elke boereknol wel een restaurantje geopend met een waaier van typische gerechtjes die het “beloofde land van oorsprong” vertegenwoordigen.   Nu die Chinezen zijn niet bij de pakken blijven zitten, stuk voor stuk zijn niet alleen wereld voetbalploegen als Lierse SK destijds gezwicht voor het Chinese geld. Maar tegenwoordig nemen die rotzakken ook al onze frituren over zonder pardon te zeggen! Het zou hen nog niet lukken... Heel flauw van mij trouwens...   “Johan De Patattenman” en tal van andere frituristen hebben hun zaak overgegeven aan een bende rijstkakkers die zich bemoeien in een keuken waar ze lak hebben aan de gastronomische regels van de kunst. Er zijn sommige Chinezen die er in slagen het zo naar de kloten kunnen doen om er een half Chinees aanbod aan te breien. Zo stond ik eens in een frituur uitgebaat door dat volk. Ik vond het maar niks, een heel familiezaak op poten gezet waar iedereen wel een taakje te vervullen heeft. Ik kan het nog niet aanzien als ze vriendelijk proberen te polsen naar mijn bestelling. Ik heb totaal geen problemen als er morgen een paar Slovenen een kebapzaak overnemen, of dat er Zweden zijn die een nachtwinkelimperium opstarten in België.   Maar van onze frituren? Daar blijfde met uw fikken af!   En dat geldt trouwens ook voor jou , ja jij daar... beginnend schrijvertje... Van een geschreven tekst blijfde met uw fikken af om u in de belangstelling te werken.  

Bart Van de Peer
0 0
Tip

Roodkapje

Moeders argwaan werd gewekt door een pak boterkoekjes dat ze vooraan in de provisiekast ontdekte. “Roodkapje?” Geen antwoord. “Roodkapje!” “Jahaa,” klonk het met tegenzin vanuit de woonkamer. Moeder stormde het huis door en vond haar dochter languit op de sofa. Als een musketier chargeerde ze met het pak koekjes in de richting van het meisje. “Ben jij naar oma geweest?” “Mja,” mompelde de tiener. “Niet liegen, jongedame! Dit zijn de koekjes die ik exact twee uur geleden heb ingepakt. En nu vind ik ze hier weer doodleuk in mijn eigen kast!” Roodkapje kwam zuchtend overeind. Ze trok een rieten mandje vanonder een bijzettafeltje vandaan en wees op de barkast. “Daar staat de wijn. En de melk heb ik weer in de koelkast gezet.” Moeder snoof verontwaardigd, trok het mandje uit Roodkapje´s handen en liep naar de keuken. Even later kwam ze weer de woonkamer in met een volle mand, en viste in het voorbijgaan een fles wijn uit de barkast. Voorzichtig maar gedecideerd zette ze de mand op de salontafel. “En nu ga je wél.” Roodkapje keek haar kwaad aan. “Ik wil niet.” “Je gaat.” “Waarom moet ik het altijd doen? Waarom ga je zelf niet?” Het klonk behoorlijk uitdagend en moeder moest haar best doen om kalm te blijven. “Ik moet de was nog ophangen,” antwoordde ze. “Jij wilt het ook niet doen!” riep haar dochter. “Geef het maar toe!” Maar moeder rechtte haar rug en stuurde Roodkapje de deur uit.   Met boze passen beende het meisje even later door de straten. Ze sloeg het bospad in en stampte verder tussen de bomen. In een recordtempo bereikte ze het huisje van haar grootmoeder, dat zich aan de andere kant van het bos bevond. Bij de voordeur gekomen, bleef ze even staan en probeerde zichzelf te kalmeren. Ze ademde diep in en uit. “Rustig blijven,” fluisterde ze. “Het is een oud mens, ze kan er zelf ook niks aan doen.” Toen klopte ze op de deur. Tot haar verbazing zwaaide die onder de druk van haar vuist vanzelf open. “Oma?” riep ze, terwijl ze voorzichtig naar binnen stapte. “Oma, waarom heb je de voordeur opengelaten?” Er kwam geen antwoord. Roodkapje sloot de deur achter zich en keek de kamer rond. Oma´s huisje was in feite een boshut: één grote ruimte, volledig opgetrokken uit hout, en in de hoogte opgedeeld door een mezzanine. Toen oma last begon te krijgen met het beklimmen van de trap, hadden ze haar bed van de mezzanine naar beneden gehaald. Het stond nu op de benedenverdieping achter een groot kamerscherm. Dat scherm was een prachtig zijden exemplaar met Japanse motieven dat geweldig vloekte met de Zwitserse koekoeksklok die ernaast hing en de enorme eettafel uit eikenhout die zo ongeveer de rest van de kamer innam. Vanachter het kamerscherm klonk onderdrukt gegiechel. “Oma, lig jij nog steeds in bed?” Roodkapje zette haar mand op de tafel en loerde achter het scherm. In het bed zag ze, verstopt onder de dekens, een grote bult die hikkende pretgeluidjes produceerde. Het meisje zuchtte weer en kwam dichterbij. “Oma, wil je iets eten?” vroeg ze, en legde haar hand op de bult. “Ik ga JOU opeten!” krijste oma en ze veerde op vanonder de dekens als een duivel uit een doosje, haar oude handen klauwend in de lucht en haar mond wijdopen gesperd. Roodkapje gilde. Ze kon net op tijd wegduiken om aan de grijpende nagels te ontsnappen, maar toen lanceerde grootmoeder zich vanaf het bed, wierp zich op haar kleindochter en plantte vampierengewijs haar vals gebit in Roodkapjes nek. Het meisje schreeuwde het uit en verloor haar evenwicht. In haar val trok ze het tafellaken mee, zodat de mand met zijn volledige inhoud op de grond terecht kwam. Roodkapje greep de fles wijn en sloeg oma ermee op het hoofd. Toen kroop ze zo snel ze kon onder het oude mens vandaan en rende naar de deur. Ergens onderweg kletterde het vals gebit op de grond.   Even later stormde Roodkapje haar eigen huis binnen, vond moeder in de woonkamer, en brulde haar in het gezicht: “Volgende keer ga je zélf!” Daarna liep ze bonkend de trap op en liet zich voor de rest van de dag niet meer zien.             (voor wie meer wil: sprookjeszoalszeechtgebeurdzijn.wordpress.com)

Kathleen Verbiest
194 14

De afslag gemist.

  Op het moment dat een mens dertig wordt, niet meer jong is, al probeert ze zich nog zo voor te doen, dan krijgt ze vaak het gevoel dat de tijd haar een gemene poets gebakken heeft. Waar zijn die tien jaar gebleven? Je wilde zo graag achttien zijn, je rijbewijs halen, studeren, een leuke baan vinden en ineens ben je geen tiener meer, niet eens meer een jongere en alle dromen en plannen hebben plaats gemaakt voor een lichtjes teleurstellende vaste baan en een berg stenen die afbetaald moet worden. Op sommige momenten komt deze situatie claustrofobisch over, de muren van het  structuurbehangen rijhuisje komen op je af in versgevoegde steen, de leitjes op het dak klepperen sardonisch maar na een tijdje vervlakt ook dat en komt er een ander gevoel voor in de plaats, een berustend gevoel, zo van: goed, dat zenuwachtige gedoe hebben we nu gehad. Is dat settelen? Is dat bezadigd worden? Of ben je in de drukte van je volwassen leven gewoon te moe om je druk te maken over gebroken dromen en versplinterde idealen. Hoe dan ook, zelfs dat gelaten gevoel gaat voorbij als je geconfronteerd wordt met iets dat nog veel erger is: aan al die sores  niet eens toekomen. Op weg naar huis kwam ik een ex- collega tegen, fietsend in tegengestelde richting en wankelend op de manier die aangeeft dat we niet close genoeg meer zijn om af te stappen, maar dat we toch ook niet gewoon kunnen doorrijden, riep hij me toe: 'O ja, Matthijs is dood.' Is Matthijs dood? Al word je bij het werken op een afdeling met oudere psychiatrische patiënten wel gewend aan het feit dat al die lichamen waarvan de houdbaarheidsdatum allang overschreden zijn, het leven ooit moeten opgeven, routine wordt het nooit. De vinnige maar volledig geschifte oude vrijster van bijna negentig die elke dag twee kiwi's tot zich nam als was het de heilige communie, de zestigjarige man met het syndroom van Down die weleens volstrekt onschuldig poedelnaakt door de gangen van de afdeling banjerde met een stapel stripverhalen onder de arm, de dementerende vrouw met de aan elkaar gegroeide tenen die elke argeloze voorbijganger willekeurig zwijgend trakteerde op een stevige handdruk of dito oorvijg, ik kan niet zeggen dat ik hen mis, maar hun verdwijnen heeft het leven een beetje minder kleurig gemaakt. Zo was het ook met Matthijs, één van de vele mensen die op het verkeerde moment aan de halte van een belangrijke gebeurtenis in het leven stonden en zo de bus niet één keer, maar vele keer misten. Niet dat dat zijn tamelijk megalomaan zelfbeeld of dagelijkse humeur ook maar iets in de weg stond, maar op een dag, een jaar voor zijn dood, zag hij mijn trouwring, één van de weinige persoonlijke kenmerken aan mijn in royaal gesneden uniform gestoken verschijning en zei, even ernstig en helder: 'Ja, een gezin, kinderen, dat had ik ook graag willen hebben.' Dat was één van de weinige momenten dat hij werkelijk besefte dat bepaalde kansen definitief verkeken waren en dat hij geen spaarpotje extra tijd had voor alle plannen die hij wilde verwezenlijken. Daarna gingen zijn gedachten direct weer met het grillige gefladder van een  bloeddronken mug naar de verbeterde versie die hij van het boekje van die mijnheer Tolkien zou gaan schrijven, het grootse feest dat hij zou geven als hij gepensioneerd was en de snode plannen die hij smeedde met de volstrekt onbetrouwbare Nadia in haar gemotoriseerde rolstoel en de meelijwekkend verloederde verkoopster van cosmeticaproducten in het rokershok. Het zou zinloos zijn te proberen de verschillende lichamelijke en psychologische aandoeningen te benoemen waaronder de anciens van het rokershok te lijden had. De oorzaken van hun toestand waren meervoudig en complex. De geheel lichamelijk afhankelijke Nadia durfde soms even op haar benen te gaan staan als ze dacht dat het niemand opviel. De cosmeticaverkoopster stond erop haar onverzorgde vette haar in een felle platinakleur te laten blonderen bij de kapper, maar daarna verprutste ze het effect door haar uitgezakte houding en onbesnutte uitspraken.  De symptomen van manische depressie en psychose gingen vaak naadloos over in die van het Korsakov syndroom en beginnende dementie. De uitkomst was altijd hetzelfde, stuurloze ruïnes van mensen, met een vervormd beeld van hoe het leven 'buiten' er tegenwoordig uit zag, en een gebrekkig besef van hoe ze daar zouden overleven zonder de begeleiding die ze vaak hartgrondig verfoeiden. Natuurlijk ontmoette ik hen altijd op een moment van neergang in hun leven, als alle stormen en aardbevingen die hun levens hadden verwoest, waren uitgewoed en alleen nog het platgeregende braakland overbleef. Soms werd het hopeloze van hun toestand hen even duidelijk en dat uitte zich dan in depressie, agressieve uitvallen van opstandigheid, gevolgd door buien van lethargie. Eigenlijk was ik blij als er iemand huilde, omdat dat één van de weinige natuurlijke reacties was, al draaide mijn maag vaak om van die zeldzame momenten van helder besef, waar geen verzachting mogelijk is. Na een jaar ging ik op een andere afdeling werken en omdat ik het personeelslid was dat weleens met hem schaakte, stond Matthijs erop een toespraakje te houden. Niet alleen kwam hij niet uit zijn woorden en raakte hij verschillende keren zijn draad kwijt, hij kon ook zijn notities niet meer ontcijferen. Een andere patiënt completeerde deze pijnlijke situatie door hem halverwege te onderbreken en me te zeggen: 'Ga je weg? Ik zal je missen. Mag dan nu de TV op?' daarmee glashelder de algemene tendens vertolkend. Matthijs stond verslagen aan zijn solitaire eettafel, tegen de muur geschoven om ruzie met zijn medebewoners te vermijden. Het boek dat hij me aanbood uit zijn verzameling, heb ik toen maar aangenomen, om hem in zijn waarde te laten als iemand die iets te geven heeft. Dat was helaas één van de laatste natuurlijke menselijke interacties die er tussen ons waren, als ik hem later voorbij fietste op weg naar mijn nieuwe afdeling, dan moest ik vaak vluchten van zijn incoherente spraakwaterval, omdat hij het concept 'op tijd zijn' niet meer belangrijk vond. Op gemeenschappelijke activiteiten waar ik verantwoordelijk was voor de bewoners van mijn afdeling vervloekte ik vaak mijn ex-collega's die het vuurtje opstookten, in plaats mijn door hem geïdealiseerde beeld in zijn warrige brein gewoon te laten opgaan in de vochtige mist van gebeurtenissen die voorbij zijn. En dan dat ene zinnetje. Matthijs is dood. O. En het gesettelde leven waar hij nooit aan toegekomen is slorpt je aandacht weer op.  

iacintho
0 0

Temidden van opgravingen

Pit De droge wind stuift het dunne zand tussen de poten van de kamelen en mensen houden hun camera’s zo veel mogelijk naar de grond gericht om de lens te behoeden voor krassende korrels, of gebruiken een beschermkapje als ze een foto willen maken. Een vrouw kijkt door een kodakcamera terwijl het zand tegen haar op waait en tussen de knoppen van het toestel blijft zitten. Ze maakt een foto van iets en wil het rolletje doorspoelen, maar dat gaat niet; het mechanisme zit vast. Ze duwt hard tegen het wieltje tot ze iets hoort kraken. De foto is afgedrukt op het negatief, maar het is de laatste foto die ze met het rolletje en met de camera kan maken, tenzij ze de volgende foto over de laatste heen afdrukt.Er is de vrouw met een borstel die een opgraving doet. Boven haar staat de olijfboom waar alleen nog maar pitten aan hangen. Ze zit op haar knieën in een rechthoekige kuil. Een tseetseevlieg stuurt gif haar aderen in. Ze borstelt zand en gruis van een dijbeen af. Rondom haar liggen spullen: een rode schep en een gele emmer, allebei van plastic. Haar handen zijn vies. Ze stelt zich voor dat het haar eigen dijbeen is dat ze schoonmaakt en hoe het zou zijn als ze archeoloog van haar eigen lichaam was. Ze graaft zich niet de wereld in. Ze graaft de wereld. De vrouw is archeoloog, maar in haar hoofd is ze bezig met het schrijven van een sollicitatiebrief om astronaut te worden. Ze telde van kindsbeen af ook al vaak van 10 naar 1 en ook dan was iedereen verdwenen. DijbeenDe vrouw zakt van vermoeidheid voorover met haar borsten op het dijbeen van een dode dinosaurus. Wie zal het steengruis van háár dijbeen vegen, denkt ze. De klemtonen liggen mooi verdeeld over haar gedachte. Soms, als zij haar ogen sluit, dan ziet ze de myriaden draden, zwarte kronkels die door elkaar lopen. Ze weet niet waar het vandaan komt en niet waarom ze er bang voor is. Ze weet ook niet zeker of ze het wel echt ziet. Misschien is er eerst het gevoel en maakt iets in haar brein er vervolgens een beeld bij. Soms denkt ze dat het de dood is die in haar begraven ligt en die zo nu en dan naar buiten sijpelt. De dood als het gekras van een pen om te testen of de pen het wel doet.Niets van al wat in ons zit kleurt altijd binnen de lijntjes. Misschien zijn het gewoon de zwarte krullen voor haar ogen, de kronkels van haar hersenen die zich door haar hoofdhuid hebben geprikt. Maar toch herinnert ze zich hoe ze zich als kind, destijds met minder haar, bang had gevoeld voor hetzelfde, al was de angst toen dieper, grondiger. Nu analyseert ze alles tot ze zich verveelt of tot de ene gedachte tot een andere leidt die niets meer met het voorval te maken heeft.De vrouw met de borsten en de borstel in de kuil ontwaakt met een gebroken dijbeen. Ze blijft nog even liggen op de premoderne tijd. Wat Rilke zei is waar. Je zit in je werk als een pit in zijn vrucht. Dit is dood, denkt ze. Dood, dood, dood.   Einde De vrouw gaat even zitten onder de olijfboom en masseert haar hoofd met een massagespin. Omdat de dinosaurus een bijzondere vondst was, zijn er nu meer mensen met borstels en kwasten bezig bij de olijfboom. Er is ook iemand die een nieuwe greppel maakt, een paar meter naast de oude. Het gaat niet heel snel, want er is maar één schep. Bovendien zullen er nog veel meer van zulke putten bij komen. Een man probeert tevergeefs om over het gat te springen. Hij valt met zijn rug op een stukje wervelkolom of spaakbeen en zijn bloed stroomt eruit. Zij is die man, denkt ze. Het wordt een spel wie als eerste over de sleuf kan springen.De vrouw anticipeert alvast op haar sollicitatie, bedenkt zich dat ze een brief ontvangt dat ze niet is aangenomen als astronaut, omdat ze een eigen vervoersmiddel ontbeert, maar dat ze haar wel willen hebben voor in het observatiecentrum. Ze mag informatie bestuderen die satellieten verzamelen om zo natuurrampen op Aarde te voorspellen. In het koepelvormige gebouw wordt ze verwelkomd door haar begeleider. Er zijn nergens computers of telescopen. Al op de eerste dag voorspelt ze het einde van de wereld, met meteorietinslagen en aardbevingen. Ze maakt er grote gebaren bij, alsof ze iets in zichzelf heeft opengetrokken en iets anders in haar is neergestort. Complex   De vrouw met de krullen ligt onder het zand. De andere leden van de groep graven haar in. Je kunt alleen haar hoofd nog zien uitsteken. Ze imiteert een dinosaurus en duwt haar lichaam naar boven, maar het lukt niet. Ook haar armen zitten vast onder een dikke laag woestijnzand. Ze ligt te diep en dat voelt als een dwangbuis. Haar mond en tong zijn droog. Ze maakt een geluid en het klinkt verrassend dierlijk. Als ze haar willen uitgraven, merken ze dat de rode schep kwijt is. Iemand besluit de schedel van de dinosaurus te gebruiken. Iemand anders gaat vragen of ze een nieuwe schep mogen. Ze krijgen een graafmachine. Terwijl de vrouw wordt uitgegraven, kijkt ze naar de zon. Ze knijpt haar ogen tot eclipsen, probeert overal een lijn omheen te zien, maar alles gaat in elkaar over. In het observatiecentrum voorspelt de vrouw een paar lawines en een hoge golf. De hoge golf is geen ramp, zegt haar begeleider, Het vormt geen gevaar voor de plaatselijke bevolking, Je bent zelf geen ramp, riposteert ze mokkend. Ze zou aan zijn tong willen trekken zodat hij alleen nog niet-talige geluiden kan maken. Hij is vast jaloers omdat ze het einde van de wereld had voorspeld en hij niet. Zou er een natuurramp kunnen ontstaan in dit koepelvormige complex? Een ruzie die groter is dan zijzelf zijn?Tijdens de pauze gaan ze in een kring zitten op de binnenplaats, onder de dennenboom. Ze voeren een functioneringsgesprek. Er valt een dennenappel uit de boom. Een vrouw schrikt en rent weg, waardoor ze de cirkel verbreekt en iedereen maar wat gaat lopen en gaat voorspellen. Er worden stormen voorspeld, vulkaanuitbarstingen en aardbevingen. Iedereen praat door elkaar en iemand van buiten het instituut zou er geen logica in kunnen vinden.Wiel De vrouw wordt uitgegraven door de dinosaurus en ze houdt haar ogen dicht voor het felle licht van de zon. Ze denkt na over het nadenken zelf. Ze ziet het gekras, de warrige draden, en het beeld is realistischer dan haar droom, maar minder echt dan hetgeen ze om haar heen ziet. Als het werkelijk de dood is die doorsijpelt naar haar zintuigen, en het ziet eruit als iets dat in de war is, is de dood dan iets dat niet klopt en de draden met elkaar verbindt tot een Gordiaanse knoop?Het wiel in haar hoofd draait op zijn schaduwzijde, dus vindt ze het wiel opnieuw uit. Dat doet ze door haar gedachte af te breken. Haar gedachten zijn kronkels, omwegen. Als ze moedwillig kortsluiting maakt, breekt ze het oude wiel in twee. Misschien bestaat het leven uit het maken van kortsluitingen, het nemen van paden die korter lijken, totdat je per ongeluk toch een omweg neemt. De levensomweg, denkt ze. Lang nadenken kan ze niet, diep wel.Als dit een strand is, is het wel een heel groot strand zonder schelpen. Je kunt heel ver kijken, maar dan zie je alleen nog maar de overkant van het strand. Aan de horizon zou het begin van het water kunnen zijn. Ze gooit nog een schep zand in haar emmer. Ze gaat liggen op haar buik en kijkt naar een ontbloot stukje van de schedel en de lege oogkas in het midden. Zou er as in het oog van dit beest zijn gevallen nadat de meteoriet was ingeslagen en zou hij dan gehuild moeten hebben? Of zou hij zijn ogen dichtgeknepen hebben en werd hij toen opgegeten door een grotere? Ze breekt het wiel in twee.DonkerDe dinosaurus is in zijn geheel uitgegraven en wordt in grote lakens naar het museum gebracht. Daar gaat haar werk verder. Ze moet een reconstructie maken van hoe de buitenkant, de vacht, er uit moet hebben gezien. Dit vreemde lichaam, denkt ze, is nu het lichaam van haar denken. Het is dierlijk, symmetrisch, in tegenstelling tot haar eigen lichaam, dat zoals bij alle mensen fundamenteel asymmetrisch is. Eén oog kijkt naar buiten, één oog kijkt naar binnen. Eén oog kijkt naar haar handschoen, berekent hoe dik de vacht, hoe lang de staart moet zijn geweest. Eén oog is al lang afgedwaald en is geïsoleerd van de rest van de wereld, bevindt zich in het instituut voor satellietobservatie, ziet de meteorietinslag, hoe de schubben van zijn lijf rechtop gingen staan, hoe het schrok van de klap en op de vlucht ging. ‘Incubatie, excavatie’, mijmert ze hardop. ‘Inhalatie, escalatie’, echoot een andere vrouw met handschoenen naast haar.Het doet pijn op haar rug. Zou het - Haar gedachte wordt afgebroken door een nieuwe, sterkere pijnscheut. Een man komt de vrouwen wat te drinken brengen. Het is de beloning voor hun werk. Ze drinkt een slok van een glas donkere limonade en voelt zich een beetje beneveld worden. Ze loopt een stuk, waarbij het net lijkt alsof ze een kruiwagen vol met water of een andere vloeistof vervoert. Dan breekt het wiel.

Antoine
0 0