Lezen

Koning Salomon

Ooit zijn er van die dagen die aanbreken die al veel langer en vroeger hadden moeten aanbreken, maar door omstandigheden zich wel 1000keer te laat hebben aangemeld... Als er ooit sprake mocht zijn van iets te laten weten had dit nog altijd een zeer, maar dan ook zeer onaangenaam gegeven geweest. Maar laten we een varken met lippenstift ook maar gewoon een varken noemen en zulke zaken niet verbloemen door er 3 pisbloemen bij te zetten.   Kortom ik zou beleefdheid stiekem op de 2de plaats willen schuiven door mijn geweten te sussen dat ik toch ooohzo beleefd ben geweest om iets... ooit te laten weten.. Ik heb een nog beter idee... Laat ik de kaart van beleefdheid maar helemaal trekken...   Diezelfde kaart die ik bewust bovenhaal als ik mijn buurvrouw tegenkom in de hal als ik naar mijn werk moet vertrekken bijvoorbeeld. Niets zo leuk dan even mee te draaien op de zweterige verhalen die de dag ons alles zullen doorweken... Zou zij het weten denk je? Dat ik me de avond/nacht ervoor nog in slaap heb mogen rukken met de gedachte dat ik een megalomane sekskoning ben die het vrouwelijk ras in extase kan brengen door orgasmes te geven bij de vleet? Ach die schaamte zijn we al wel even voorbij.   Erger nog, ik vervang mijn laag zelfbeeld voor een bui euforie en een onweer van impulsiviteit door mijn buurvrouw mee te vragen op reis.. “Liza...” zei ik. “Laten we dit apenland verlaten voor een avontuur op te zoeken in een ander apenland... Ga met mij mee Liza...”   Een zeer fragile en nog meer onthutsende stilte breekt aan, ik had dit scenario al zeker ingecalculeerd. Feiten zijn er genoeg om dit aanbod te weigeren van haar buurman, maar op feiten worden nu eenmaal geen avonturen gebouwd... Hoewel? Mss juist een fundering voor een brievenbus kan wel eens realisatie zijn als er dan toch gemixt kan worden met feiten en avontuur... Maar “de essentiële Bart van Vlaanderen” heeft hier natuurlijk geen boodschap aan...   De vele rimpels die deze roos kent vermenigvuldigen zich al snel rond haar gezicht, even twijfel ik om gewoon door te gaan... twijfels nemen zich zelf zo een gedaante aan dat ik al begin te denken of Liza mij überhaupt wel gehoord heeft. Maar net dan volgt er een antwoord waarvan ik dacht.. “Dat komt hier inorde Bartje”   “Bartje..” mompelde ze. “En onze Ludo dan?”... Fuck! Dat “moeder de gans syndroom” telt nog steeds mee op deze prestigieuze leeftijd.. “Ach Lizetje van mij, Ludo is 54jaar en kan zijne plan wel trekken, sterker nog hij zal zich alleen maar verheugen met het nieuws dat zijn moeder van 81jaar op reis gaat met een adonis van jewelste naar Israël” “Israël?!”antwoorde ze, het zicht van ons Liza werd nogmaals vertroebeld door de vele rimpels die zich rond haar oogkassen opstapelden. “Is dat niet het land van Jezus?” Terwijl ze snel een weesgegroetje doet is ze blijkbaar zeer up to date en weet ze mij met verstomming te doen slaan dat de Likoed partij van Netanyahu daar het nog steeds voor te zeggen heeft bijvoorbeeld... Of dat er naast joden, christenen, moslims ook nog een deligatie druzen zijn... Diezelfde druzen mogen blijkbaar ook  genieten van het bouwverlof dat de joodse bouwbedrijven in de maand Augustus inlassen als er nog maar eens een verlet opduikt om onze joodse vriendjes aan huisjes te helpen. Wapenstilstand voor de moslims is blijkbaar een totaal ander begrip voor de joodse buren.   “Daar zeggen ze niks van op het nieuws é Bartje?”... “Daar hoorde Ben Crabbé nog geen vraag over stellen tijdens Blokken é?” Terwijl ze zich verder focust op het wisselende decor van Blokken en de migraine die de soundtrack van Bent Van Looy veroorzaakt, ben ik vooral bezig om me uit de voeten te maken... Ik moet namelijk gaan werken... De focus van Liza is een marathon aan het afleggen en bevindt zich nu al bij de nieuwe afvalkalender van de gemeenste Ranst, ik besef eens te meer dat de tijd is aangebroken om mij vriendelijk te excuseren om mijn geplande filleleed te doorstaan op weg naar mijn werk. We spreken de dag erna af om 09h voor onze reis verder te bespreken en vooral toe te lichten waarom nu juist Israël. “Dat is goed Bartje...” een zachte streling over mijn rechterschouder is de bevestiging die ik krijg van mijn buurvrouw... Het gaat ons goed.   Onderweg naar mijn werk zijn mijn gedachten bij de reis, het grote avontuur, dat ons te wachten staat... Eens aangekomen op DE containerkaai van België onderneem ik dezelfde autistische routineuze handelingen om een dagje kuiperij te doorstaan... Ik zet me aan tafel in de refter, haal mijn iPhone boven en begin bepaalde thema’s op te zoeken voor onze reis. Niet zozeer praktische zaken als bepaalde visums die we nodig zullen hebben maar eerder luchtige zaken, laat ons het samenvatten onder het oog van God ziet alles, en dus ook details. “Hoe maak ik een geweldig blog aan”  “Een 2de account aanmaken voor instagram”  “Waarom vinden mensen joden vies?”  “Zijn joodse vrouwen echt zo vuil als we denken?”  “Zijn er tijdens de intifada stenen over de klaagmuur geraakt?”  “Moet je inkom betalen om te klagen daar?”  “CD knuffelrock vol.21 bestellen”  ... Mijn zoektocht wordt tot een einde gebracht  als mijn foreman zich tot mij wendt om er mij attent op te maken dat de geplande werkzaamheden gaan beginnen. De shift gaat voorbij, het vast en losmaken van containers op verschillende zeeschepen houdt mij fysiek bezig maar mijn gedachten zijn ergens anders... Vol ongeduld tel ik af naar morgenvroeg 09h.   En zo geschiede, klokslag 08h45 liep mijn wekker af. Zoals zo vaak stond ik pas op wnr het echt niet meer anders kon... 08h55 dus... Met de eeuwige belofte in mijn achterhoofd om de komende nacht eens op tijd te gaan slapen haaste ik me naar mijn buurvrouw om op de koffie te gaan. Niet dat ik bij het bepaalde type koffiedrinkers behoor maar we snappen allemaal wel wat ik bedoel? Eens aangekomen bij Liza hoef ik niet aan te kloppen of de deur gaat al open. Liza stond te wachten aan de deur en hoorde mij komen aanlopen. Het leek wel alsof het haar plicht was om op de uitkijk te staan wnr deze adonis kwam aankloppen. Weeral dezelfde zachte streling over mijn rechterschouder volgde, zoals een gentleman zich hoort te gedragen vroeg ik aan Liza of ik mijn schoenen moest uitdoen. Beredeneerd als ik was ging ik er van uit mijn schoenen te mogen aanhouden, puur wetende dat dezelfde stereotype antwoorden zich alleen maar zouden herhalen als ik deze vraag stel als ik bij iemand op visite kom. “Maar nee, ik moet morgen nog kuisen...” Maar dat telde echter niet voor Liza.. “Doe ze maar uit ventje.” Met een glimlach die je alleen maar op uw gezicht kan toveren als een oud vrouwtje u aankijkt, deed ik mijn schoenen uit en begaf me naar de living om mij er te ergeren aan de TV die veel te luid stond.   “Een tas koffie jonge snaak?” vroeg ze doodnormaal aan mij... “Nee bedankt Liza, doe mij maar een blik Monster Ultra Sunrise”  “Dat heb ik niet Bartje” antwoorde ze een beetje nerveus, en terecht trouwens... “Onze Ludo heeft hier gisteren het laatste blik Monster Ultra Sunrise meegenomen toen hij naar zijn  2de herkansing aquarellen moest in Boortmeerbeek...” Ik ben een man van vooroordelen net zoals de rest van de algemene opinie die onze wereld siert, maar eenmaal de kaart van beleefdheid getrokken vroeg ik haar oprecht.. “Ah Liza? Dat wist ik niet dat onze Ludo aan aquarellen deed... Zijn er hier geen werkjes aanwezig van uw zoon die te lelijk zijn voor in de living op te hangen?”  “Oohja hoor Bartje, ik heb in het WC zijn eerste werkje opgehangen, kom we zullen eens gaan zien..” Natuurlijk verwachte ik er niet veel van, kan ik eigenlijk wel iets verwachten van een 54jarge man die aan aquarellen doet? Maar de kaart van beleefdheid zal nu éénmaal getrokken worden zoals het hoort... Dus waagde ik mijn kans om het allemaal een beetje te ondergaan. Daar stonden we dan in het toilet van mijn buurvrouw, onwennig aan het staren naar een canvas, dezelde stilte brak aan zoals de dag voordien toen ik haar vroeg of ze met mij op reis wou gaan naar Israël... Ze hadden Ludo blijkbaar verteld tijdens zijn 1ste les dat hij zijn creativiteit helemaal moest benutten, zelfs een beetje buiten de lijnen denkend zou zeker een troef kunnen zijn voor de eventuele verdere carrière van deze asparant aquareller... Het resultaat mocht er zeker zijn, als we tenminste sarcasme en spot even hoog in het vaandel mochten dragen als beleefdheid... Een fucking microgolfoven was het resultaat, al een geluk was er nog Liza die me wist te vertellen dat het wel degelijk om een microgolfoven ging anders had ik het wss nooit geraden. Ik merkte aan Liza dat ze het eigenlijk stiekem ook maar niets vond maar uit respect voor haar zoon en het principe van “mijn kind, heilig kind” het allereerste kunstwerkje van haar zoon dan toch maar had opgehangen in het WC aan de binnenkant van de deur...   Eens we terug zijn in de living plofte ik me neer in de zetel, ik nam de afstandsbediening, zette de TV af, en keek vervolgens Liza aan met een blik waar van zelfs John Wayne het in zijn broek zou doen. “Liza..” zei ik.. “Ik wil u het 1 en al duidelijk maken voor we naar Israël gaan.” Ze knikte volmondig ja en werd tevens ook terecht nerveus... “Heb je ooit al gehoord van koning Salomon?” vroeg ik haar. “Natuurlijk Bartje, Salomonsoordeel is ons toch allen bekend? Niet?” Ik knikte ook even volmondig  ja maar ging ook even beredeneerd verder en vroeg haar of ze de steden wou bezoeken die de laatste koning van het verenigd koninkrijk van Israël had gebouwd, namelijk Jerusalem en Megiddo. “Waar en wnr stijgen we op Bartje?” vroeg de buurvrouw van mijn leven aan de knapperd die dezelfde naam draagt als ik. “Liza, tegenwoordig met al die tegen-en aanslagen op luchthavens en andere openbare plaatsen verkies ik liever de auto, de rolstoel bij uitstek van iedereen die zich in het bezit van een rijbewijs type B mag ontfermen, om onze eindbestemming te bereiken... Het wordt een lange tocht maar ik heb een vlekkeloze route in gedachten.” Oudere mensen kan je vanalles wijsmaken en zo dus ook Liza, ik zweeg over de grens van Turkije en Syrië, steden als Aleppo en Homs om dan via Beiroet de kustlijn te volgen naar Israël... Toegegeven bij eventuele fille had ik een alternatieve route in gedachten via Damascus. Net zoals God heb ik dus ook een oog voor details, bepaalde visoenen qua filleleed en andere ergernissen van wij, de mensen.. Het feit dat we oudere mensen vanalles kunnen wijsmaken is mss ook allemaal een beetje overoepen... Het zal wel allemaal wat geforceerd zijn bepaalde beelden en nieuwsberichten die op ons worden afgevuurd door verschillende mediakanalen over de verwoestende oorlog in Syrië, laat staan dat er zoveel partijen zijn bijbetrokken... “Het is allemaal wat opgeblazen Liza” zei ik.. “We gaan ons zeker niet laten kennen.”   Net zoals er gras op mijn terras groeit besluiten we even snel om meteen te vertrekken... De juiste woorden vinden plaats op de juiste momenten, het was een kwestie van tijd om Liza te doen overhalen om haar middagdutje te doen in mijn bolide. Easy breezy... Hupaké, bukake.. Bart en Liza zijn vertrokken zenne!   De tocht was lang, en het grote avontuur werd in tegenstelling van de geplande lange tocht even snel gecounterd door mijn buurvrouw zelf... Ter hoogte van de parking in Turnhout moest ik al eens stoppen voor een toilet bezoek. Ik ergerde mij aan Liza, nu al.. We hadden nog geen 30km afgelegd van de in totaal 3299km die we voor de boeg hadden of madam moest haar gedragen als een 81jarige bejaarde troela... Pfft. Het was volharding, een doel voor ogen hebben, pure wilskracht, die me later in Israël gebracht zouden hebben. Ik had berekend via google maps dat we er een kleine 35-40uur over zouden doen om onze eindbestemming te halen... Het eenige detail dat ik over het hoofd had gezien was bagage... Ik wou het avontuur helemaal, pur sang, tot zijn recht laten komen en had men koffer enkel gevuld met 60blikken Monster Ultra Sunrise. Liza kon mijn zak kussen met haar kleerkast vol Damartbrol en we waren hals overkop vertrokken. “My way or the highway Liza...” zei ik haar, waaronder valt te verstaan dat ik het echt meen... Liza verstaat geen Engels, en ze trok enkel maar een seniele kop als antwoord. Ik bevestigde dus door te zeggen “My way dus bi-atch”... Zo wat alles werd zo geregeld naar mijn zin, op de tonen van Still D.R.E. scheurden we met piepende banden hier weg... Kritiek of ik niet te veel sigaretten rookte werd de kop ingedrukt door te repliceren dat ik nog meer rook uit mijn grofgebekte mond blaas dan een schoorsteen in Auschwitz dat vroeger deed. Waarden en normen zoals beleefdheid vervaagden een beetje...veel...   Een lange reis werd het dus, dat kunnen jullie al wel voorstellen natuurlijk. Van fille werden we bespaard, het was een wonder, en ik dank God nog steeds voor die zegen die hij mij toen heeft gegeven... Ik ben nu sinds ik terug thuis ben gekomen bezig met het bingeluisteren van het liedje van Phil Collins en zen bescheten groepje Genesis... Jesus he knows me.. het simpele en satisferende refreintje zing ik vol uit de borst als ik hier sta te paraderen in mijn living. “Cause Jesus he knows me, and he knows I’m right... I’ve been talking to Jesus all my life. Oooh yes he knows me and he knows I’m right! Well he’s been telling me everything’s gonna be alright!!” We kunnen Israël eigenlijk kort besluiten hoor… Ik heb dan ook geen reet zin meer om verder te schrijven… Megiddo zijn slechts een hoopje stenen, kost een handvol Shekels om de site daar te mogen bezichtigen. Jeruzalem was een ramp, zat er bomvol met joden, en we moesten ook voor de klaagmuur de nodige Shekels op tafel leggen.   Betalen om te klagen.   Het is een beetje zoals een leuk einde verwachten van het befaamde hoofdstuk koning Salomon van de essentiële Bart van Vlaanderen.

Bart Van de Peer
0 0

Drie tramverhalen

1.Een groep voetballers stapte op de kusttram. Het was een uitgelaten voetbalbende, allemaal rond de twintig jaar oud. Geen profs, maar voetbalvrienden, die er tijdens hun voetbalkamp aan zee geen Spartaans leven op hadden nagehouden. Dat meende ik toch te kunnen vaststellen, gezien de verhalen die ik hoorde. Heel wat jaren geleden, toen ik zelf nog voetbalde, maakten we op 16-jarige leeftijd met de club een trip naar Duitsland. De combinatie van grote Duitse pinten en voetballen bleek niet zo succesvol. Eén van de jonge voetballers zette zich naast me en viel bijna meteen in slaap. Dezelfde combinatie wellicht. Na een paar haltes stapten ze af. De jongeman naast me lag nog te dutten. Geen enkele van zijn vrienden maakte hem wakker. Ik besloot hem toch maar stilletjes aan te stoten. “Uw maten stappen af hè”. Hij keek beduusd om zich heen. “Wat, oei, en die maken mij niet wakker? Fraai maten zijn dat”, waarna hij recht stond. “Merci hè”, riep hij nog na. We zagen hem nog samen met zijn vrienden naar de plaats van bestemming wandelen. Zijn bal al kunstig de lucht in gooiend. Duidelijk uitgerust voor een nieuwe avond in Oostende.   2. We hadden die dag een tentoonstelling bezocht in Oostende. Nog aan het nakeuvelend over de muurschilderingen die indruk hadden gemaakt, wachtten we op de tram aan het Marie-Joséplein, genoemd naar de dochter van Koning Albert I. Die Marie-José heeft trouwens het één en ander meegemaakt. Ze mocht ooit 33 dagen koningin van Italië zijn en ze had nog een affaire met Mussolini. Maar dat is een ander verhaal. We stonden er niet alleen. Drie wielertoeristen stapten samen met ons op. Hun racefiets ging mee de kuststram op. Bleek dat ze van Brussel naar Koksijde wilden fietsen, maar ze hadden beslist om dat laatste stukje toch maar gemotoriseerd af te leggen. Wegens totaal afgepeigerd. Eenmaal op de tram ging ik op een bank zitten waar nog drie, nu ja, oudere vrouwen zaten. De mevrouw naast me belde even met haar man op het thuisfront en vroeg wie de rit van de Tour gewonnen had. Omdat de verbinding tamelijk slecht was, kon ze haar echtgenoot nogal moeilijk verstaan. En moest ze vrij luid spreken. “Nee, laat maar”, zei ze in dat smakelijk West-Vlaams. “Ik kijk het straks wel op tv. Naar Vive Le Vélo.” Eén van de drie wielertoeristen keek om en glimlachte. Ik kon eenzelfde glimlach niet onderdrukken.   3.  We lazen de krant op de tram. Onze jongste had één katern vast, ik de andere. Tijdens de vakantie gaat de gazet door heel wat handen. Dan hebben we de tijd. De gesprekken die erop volgen zijn wellicht nog interessanter dan de artikels die we net gelezen hebben. Die papieren krant blijft toch altijd interessant. Je kan ze delen, maar je blijft ook gespaard van al de meningen en opmerkingen, die je op social media tegenkomt. Een man naast ons zat niet op een bank, maar op een verhoog waar je eigenlijk niet hoort te zitten. Maar och, veel kwaad kan het niet natuurlijk. Hij keek onze jongste aan. “Mag ik eens iets vragen?”, zei hij. Onze zoon knikte. “Gelooft ge alles wat daar in staat?”, vroeg hij, wijzend naar de krant. “Ik niet hoor”, voegde de man er zelf meteen aan toe. Ik meende nog te zeggen, ‘niet geloven wat hij zegt’, maar onze jongste gaf zelf het perfecte antwoord. “Het meeste toch”, antwoordde hij, lichtjes grijnzend. Ik meende er nog een ‘daar heb je niet van terug’ aan toe te voegen, maar besloot het er maar bij te laten. Soms kan zwijgen ook best slim zijn.  

Rudi Lavreysen
0 0

Oker

We zitten over de helft. Ongelooflijk dat alles al zo gemakkelijk en goed is verlopen. Het wordt me steeds meer en meer duidelijk en ik begin het wat te aanvaarden, dat hij echt goed bij me past. Dat dit de relatie is die ik wil en nodig heb. We zijn misschien slecht van start gegaan, waardoor ik me een maand geleden nog steeds niet helemaal zeker voelde bij hem. Ik merkte aan alles dat hij oprecht was, maar er wrong iets. Het is zo ingewikkeld begonnen en er is zo snel zo veel gebeurd dat ik geen tijd heb gehad om me te ontplooien. Dat ik geen tijd heb gehad om mezelf te leren zijn bij hem. Wat ik een maand geleden dus wel probeerde en dacht te zijn, maar eigenlijk niet helemaal was. Ik voelde me wel genoeg op mijn gemak om deze zorgen met hem te delen, wat in het begin niet zo een goed plan leek, maar waar ik nu dankbaar om ben. Hij trok het zich verschrikkelijk aan. Hij had het gevoel dat ik hem niet helemaal vertrouwde en volgens mij was dat gevoel correct. Ik kon niet aanvaarden dat hij me echt graag zag als hij dat nog nooit gezegd had, ik kon niet aanvaarden dat het hem niet enkel om seks te doen was als dat aan het begin, aan de basis van onze "relatie" lag.    Ik vond het verschrikkelijk hem dat gevoel te moeten geven, want ik zag dat hij er erg mee bezig was, dat hij niet wist wat te doen maar niets liever wou dan mijn onzekerheid wegnemen. Dat heeft alles veranderd. Zien hoe graag hij me wou bewijzen dat mijn gevoel onterecht was, dat hij daardoor zelfs begon te twijfelen of hij seks met me kon hebben zonder zich schuldig te voelen. Ik zag in zijn blik en hoorde in zijn woorden dat hij om me gaf, echt om me gaf. Dat gesprek heeft me onbewust echt geholpen. Meteen was alles beter. De euforie die ik zag toen hij merkte dat ik op mijn gemak was en de euforie die ik voelde toen hij voor het eerst echt zei dat hij me graag zag hebben alles zo perfect gemaakt, zoals het vandaag nog steeds is.    Zoals je misschien gemerkt hebt, was deze tekst rotslecht. Ik weet niet hoe ik kan verwoorden wat ik zag en voelde. Ik schrijf gewoon van me af waar ik mee bezig ben. Niets negatiefs, al maanden niet meer denk ik. Ik leef in een droom, eerlijk waar. Mijn angst gaat nooit weg, maar hij slaagt er als geen ander in ze niet te vaak aan het oppervlak te laten komen. Ik heb al meerdere relaties gehad. Twee voor deze. Ik voelde me daarin gelukkig, dacht ik, maar weende meer dan ik lachtte. Twijfelde meer dan ik genoot. Dat heeft Nick echt in me veranderd. Hij laat me genieten, laat me lachen. Hij kan met één zin zoveel meer in me losmaken dan de andere twee met een heel boek. Hoe dat komt? Hij meent wat hij zegt, hij voelt alles oprecht aan en brengt dat ook zo naar me over. De andere twee zeiden honderd keer per dag dat ze me graag zagen en me mistten, maar waarom? Ik vind nu dat je enkel moet zeggen dat je iemand graag ziet als je dat op het moment zelf beseft en voelt. Als je de persoon die je graag ziet in de ogen kijkt of omhelst, dan kan je hen zeggen wat je op dat moment voelt. Als je naar een gsm zit te staren en om de vijf minuten moet zeggen hoe graag je iemand ziet, dan maak je de ander en jezelf enkel iets wijs. Dan probeer je jezelf en de ander te bewijzen dat je gevoelens oprecht zijn en net daardoor zijn ze dat niet. Nick heeft me nog maar één keer verteld dat hij me graag ziet, maar die ene keer heeft me meer geraakt dan de honderden andere keren.    Nog 9 dagen te gaan om hem te missen, of beter gezegd, om er naar uit te kijken hem terug te zien. Ik ben nu ook eerlijker met mezelf en besef dat het best nog meevalt hoe "erg" ik hem mis. Ik kijk er gewoon naar uit weer bij hem te kunnen zijn. Missen heeft, voor mij, een negatieve bijklank. Missen gaat gepaard met tranen en ongelukkig zijn. De voorbije dagen was dat helemaal niet zo. De voorbije dagen waren gevuld met gelach en plezier, en met af en toe eens denken aan Nick en daar blij van worden. Want dat ben ik, blij, al voor een hele lange tijd. Dank je daarvoor.   Als je me al een beetje kent weet je dat ik erg kan overdrijven. Deze tekst is niet anders dan de vorigen. Weet dat alles wat ik schrijf wel oprecht aanvoelt.     

Layla Clarke
0 0

Het Rijk der Hemelen

    82 jaar was hij ondertussen geworden, mijn vroegere docent moraalfilosofie. Meer getaand, dat wel, maar nog steeds even gedreven, tijdens zijn lezing over het boek ' Jezus' van de beroemde  theoloog Hans Kung. In mijn ontdekkingsreis langs de verschillende godsdiensten, de ideale lezing, leek mij, om ook stil te staan bij mijn eigen roots, het Christendom.Zelden werd de essentie van het christelijk geloof zo duidelijk weergegeven. Elke poging tot samenvatting doet onrecht aan de uiteenzetting zelf, maar hierbij toch een poging: Iedere mens mag hopen op het Rijk der Hemelen, maar er is ook de  dringende oproep om een begin te maken van wereldverandering, die bij het einde der tijden zijn voltooing vind.Essentieel is is de  onvoorwaardelijke liefde voor de naaste, het onvoorwaardelijke vergeven ook. Ik bleef echter met een vraag zitten. Het was alsof de voorzienigheid zelf ermee gemoeid was.Daags nadien, wat voorheen nooit gebeurd was, kruisten onze wegen mekaar. 'Wat met de mensen die Jezus nooit gekend hebben, is er ook voor hen een Rijk der Hemelen?', vroeg ik hem op de man af. Hij leek even van slag, maar al snel had hij zijn antwoord klaar. 'Als men gelooft dat God het begin en einde is, gelooft men men ook dat God op het einde ter tijden een wereld creeert, een wereld die wij als mensen niet kunnen vatten, die alles omvattend is, ook voor de mensen die leefden voor Jezus'. Je gelooft het, of geloof het niet. Maar om tijdens een hittegolf, in de vlakke zon dan nog wel, een diepgaand theologisch gesprek  te voeren...je zou voor minder in hogere sferen terecht komen. Deze onverwachte ontmoeting vond plaats, alsof het zo moest zijn, aan de voordeur van de Mortselse dichter,de 89j Remi Tachelet, die in zijn ongepubliceerde bundel, 'de laatste Tien' mijmert over het Grote Vertrek.   laten we straks   laten we straks alles verbranden ook de woorden waarvan ik dacht  dat zij mooi waren de vele brieven veilig opgeborgen in een kartonnen doos   maar wat heb ik geluk gehad te geloven dat het mooi was maar... was het dat   nu hoop ik op iets moois dat nooit ophoudt   Ook dichters blijken mensen te zijn zoals jij en ik. Sommigen dromen ook, onder welke vorm dan ook... van een Rijk der Hemelen.     Geschreven op vrijdag 30 juni 2017

dirk adijns
1 0

Aurora

Uit alle ogen die haar aanstaarden, koos ze de zijne. Ze waren diepblauw met een kleine fonkeling. Alsof ze naar de hemel keek, wanneer de zon net onder was en een enkele heldere ster – Venus, godin van de liefde – het donkere gewelf sierde, al dan niet vergezeld door de maan. Vanaf het allereerste contact wilde ze alleen nog naar boven zweven, zichzelf verliezen in de prachtige nacht die hij uitstraalde. Ze zag, hoorde en voelde niets anders dan de lonkende roep van zijn irissen en baande zich een weg door de zee van mensen die tussen hen in stonden. Zodra hij haar plan in de gaten kreeg, zette hij eenzelfde beweging in en ergens in het midden ontmoetten ze elkaar. Pas op dat moment zag ze meer dan enkel de ogen die haar hierheen hadden gelokt. Ze moest zich inhouden om niet naar adem te happen. Het leek alsof de nacht zelf verscholen zat in een persoon. Zijn huid was bleek als de maan, zijn haren bijna zwart en zijn handen zo groot dat ze haar gezicht gemakkelijk konden omsluiten. Qua lichaamsbouw zag hij er doodnormaal uit. Niet opvallend groot noch bijzonder klein, niet breed noch smal, niet te dik en niet te dun. Als hij niet zulke prachtige ogen had gehad, zou hij haar wellicht niet eens opgevallen zijn. Hij toverde een charmante glimlach op zijn lippen en streek een goudblonde haarlok achter haar oren. “Zo mooi,” fluisterde hij. “De kleur van de zon.” Zijn stem was zwaar en zijn vingers voelden koud aan, maar toch gloeide ze vanbinnen. Meteen legde ze haar hand over de zijne. “Ik heb het nogal warm. Zullen we naar buiten gaan?” Hij knikte, pakte haar bij haar pols en trok haar mee door de mensenmassa tot ze uiteindelijk de deur bereikten en frisse lucht konden opsnuiven. De volle maan wierp haar licht over hen, Venus stond er niet ver vanaf en ze ontwaarde ook de Grote Beer. “Hoe heet je?” Ze keek opzij en knipperde met haar ogen. Het leek alsof het nu pas tot haar doordrong dat ze helemaal niets van hem wist. “Aurora. Jij?” Bijna onmerkbaar trok hij zijn neus op, maar ze had het wel gezien. “Dageraad,” vertaalde hij binnensmonds. Onmiddellijk daarna draaide hij zich weer naar haar toe en sprak wat luider. “Nox. Mijn naam is Nox.” “Nacht.” Het klonk meer als een ademhaling dan als een woord. Ze durfde het gewoonweg niet uitspreken. Op dat moment had ze het kunnen weten – had ze het móéten weten. Het leek wel voorbestemd. Hij gaf haar niet de kans om verder na te denken. “Nu je het zegt, je ziet er behoorlijk licht uit met je goudblonde haren en lichtblauwe ogen. Over je huid zal ik niets zeggen, want die is bijna even wit als de mijne.” Meer dan een glimlach en een hoofdknik kreeg hij niet als antwoord. Ze besefte toen voor de eerste keer dat haar irissen eigenlijk ook hemelsblauw zijn, dat van een zonnige dag aan het begin van de lente of van een mooie zonsopgang, maar lang niet zo diep als de zijne. “Stoort het je als ik een sigaret opsteek?” Spontaan trok ze een afkeurend gezicht. Ze vond roken een van de meest vieze gewoontes die iemand kan hebben en bovendien een heuse afknapper. “Als je ervoor zorgt dat ik er geen last van heb, niet.” Gelukkig stond de wind zo dat de rook niet in haar gezicht terecht zou komen en hij hield het brandende ding aan de andere kant van zijn hoofd. “Mijn naam is niet voor niets Nox, liefste Aurora. ‘s Nachts gebeuren er wel meer dingen die het daglicht niet mogen zien.” Ze snoof afkeurend, hij lachte. “Wat doet een meisje als jij hier eigenlijk alleen? Ik had je nog nooit gezien.” Een beetje onverschillig haalde ze haar schouders op. “Ik had zin om uit te gaan en dit is het dichtst bij huis. Trouwens, mijn broer is ergens daarbinnen.” Hij gooide nonchalant zijn sigaret op de grond, trapte erop en draaide zijn hoofd naar haar toe. Zijn ogen gleden over haar lijf. Ze huiverde. Het voelde alsof hij door haar heen kon kijken, recht in haar ziel. Op dat moment wilde ze niets liever dan hem kussen, zichzelf verliezen in zijn greep. Voorzichtig stak ze haar hand uit. Haar vingers streelden over zijn borstkas, bewogen als vanzelf naar zijn rug toe en voordat ze goed en wel besefte waar ze mee bezig was, stonden ze tegen elkaar in een innige omhelzing. Ze tilde haar hoofd een beetje op en keek naar zijn lippen. Donkerrood, mooi gevormd en zeer aanlokkelijk om de hare op te planten. Pas toen de geur van sigaretten haar neusgaten binnendrong, liet ze los. Het vooruitzicht van een kus met asbaksmaak vond ze net iets minder aangenaam en ze zette een stap achteruit. Hij trok een grimas dat nog het beste te omschrijven is als pijnlijk en haalde een doosje muntjes uit zijn broekzak. “Is dat beter?” Ze wachtte tot hij er eentje op had en drukte hem nog eens tegen zich aan in een subtiele poging om zijn adem te ruiken. Pas daarna bevestigde ze. “Ja, ik denk het wel.” Er was nog steeds een klein spoor van nicotine te bespeuren, maar de aanblik van zijn lippen deed haar dat vergeten. Zonder verder na te denken kuste ze hem. Natuurlijk proefde ze dat hij gerookt had. Het kon haar niet langer schelen, ze wilde alleen maar meer. Ze gingen in elkaar op tot ze bijna één geheel vormden. Haar linkerbeen hing om zijn middel, haar handen verkenden zijn rug. Op dat moment leek ze zich te realiseren wat ze aan het doen was en duwde ze hem voorzichtig een stukje van zich af. “Sorry,” mompelde hij. “Ik had je niet mogen kussen.” Ze keek hem niet-begrijpend aan. “Waarom niet? Ik wilde het ook, hoor, en het was nog niet eens zo slecht.” “Begrijp je het dan niet? Dit is geen toeval, lieveling. Jouw naam is Aurora, de mijne Nox. Jij ziet eruit als de hemel wanneer de vogels weer beginnen te fluiten, tooghangers het café inruilen voor hun bed en ochtendmensen opstaan. Ik ben net de nacht: donker en hard. Bijna iedereen voelt zich onbehaaglijk in mijn aanwezigheid.” “Ik niet.” Het was een fluistering, want ze besefte stilaan wat hij wilde zeggen. “Nee, jij niet. Dageraad kan niet bestaan zonder nacht. Als zij er niet was, bleef de aarde voor eeuwig onbelicht. We kunnen niet zonder elkaar, maar we zullen nooit samen zijn. Heb je al ooit dag en nacht op dezelfde plaats op hetzelfde moment gezien?” Ze begreep het niet helemaal. “Je bent een mens, Nox, en ik ook. Denk je nu echt dat wij niet samen kunnen zijn gewoon omdat de betekenis van onze namen niet bij elkaar past, dat we zelfs niet zouden mogen kussen?” “Ik denk het niet.” Hij pauzeerde, ze zag de flikkering in zijn ogen kort uitdoven. “Ik weet het zeker. Je broer zal zo dadelijk wel naar buiten komen. Zoek me niet, Aurora, je zult me niet vinden. Als de zon weer ondergaat en je Venus aan de hemel ziet verschijnen, weet dan dat ik over je waak en dat ik je altijd zal beschermen. Ooit snap je het wel, het is gewoon nog een klein beetje te vroeg. Vergeet me niet, alsjeblieft, ik zal jou ook nooit vergeten.” Ze kreeg niet de kans om nog iets te zeggen. Hij lachte een laatste keer naar haar, draaide zich om en stapte weg over de lange, lege straat voor hen. Achter haar kwam de zon op. Nog geen seconde later ging de deur open en stapte haar broer naar buiten. “Ha, zusje. We moeten naar huis.” Voordat ze hem volgde, wierp ze nog snel een blik over haar schouder. Nox was nergens te bekennen. “Wist je dat de zonnegod van de Inca’s dezelfde naam had als ik? Inti.” Hij keek even bedenkelijk en toen klaarde zijn gezicht op. “Zie je, ik ben echt goddelijk!” Glimlachend schudde ze haar hoofd en dacht aan de mysterieuze jongeman die ze vannacht ontmoet had. Misschien had hij gelijk en was het inderdaad allemaal geen toeval.

Marthe
0 2

Ik ben. Een vrouw.

https://adventuresfarawayfromhome.wordpress.com   Wauw. Onbeschrijflijk hoe mijn weekend was. Zucht, heerlijk. Hmm.Een weekend met als thema ‘vasthouden en loslaten’, een therapieweekend. Al voelde het meer als thuiskomen dan als therapie.Vasthouden en loslaten, wat eigenlijk hetzelfde is, en neerkomt op: laten zien, tonen.In plaats van je handen naar beneden, zodat alles er kan uitvallen als je ze opendoet, draai je uw palmen naar boven, naar het licht en de lucht en open je ze, alles blijft erop liggen, maar je opent ze, naar de liefde. Met de liefde. Hier is het, hier ben ik. BAM. Zoveel leerde ik. Zo weinig dacht ik. Zoveel deed ik. Zoveel liet ik zien. Woorden kunnen zo weinig uitdrukken wat ik voel en voelde. Het is het niet waard om te beschrijven wat we allemaal gedaan hebben, het doet te kort aan wat er ontstond. Het zou zowaar verdwijnen zodra ik dat probeer. Ik voel het gewoon, voel maar, het was fantastisch.Het bruist, het borrelt en het klutst. Ik wil meer! Bij deze vage woorden zal het blijven. Meer kan het niet worden, het is een diepgeworteld gevoel. Niet onder woorden te brengen. Ik geef het je graag, ik toon het met plezier als ik je zie, als ik je in het echt tegenkom.Het enige wat ik kan delen, is wat het met me deed, wat ik ben te weten gekomen. Ik weet nu, ik voel nu meer dan ooit: ik ben een vrouw. Ik ben een volwassen vrouw. Niet langer die jongen, ‘one of the guys’, niet langer het kleine meisje dat ik altijd zal blijven in de ogen van een moeder. Nee, ik ben een vrouw. Hallo! Hier ben ik dan; joehoe!Voor het eerst zie ik mezelf. Voor het eerst zie ik mezelf, echt. Ik ben een volwassen, mooie, super toffe vrouw. Ik durf het zelfs te zeggen, zonder dat ik me schaam. Het is gewoon zo. En ik heb energie voor duizend. In de eerste plaats voor mezelf en wat er over is, dat gebruik ik graag om met jullie te delen. Maar in de eerste plaats voor mezelf. “Wat jij voelt, kruipt ook in mijn kleren.Het pantser op de borst,Adem die stokt,Tranen die wegkruipen achter uw oogledenTrillend vertel je verderMijn handen klammenHeftig.Mijn hele lijf trilt mee.Verbaasd dat ik voel wat jij niet kan benoemen. Vroeger ging ik naar huis met jouw gevoel,nam ik het mee onder mijn arm en maakte het me eigenNu weet ik beteren zorgvuldig vouw ik uw uitgepakte cadeautje weer dicht.Bedankt.Ik geef het terug, het is van u. Cadeautje onder de arm stap je wegen kijk ik je na.Mijn lichaam terug het mijne.” (14 juli 2017, Kristien Maus) Oh, en ik speel zo graag! Ik speel. Ik spring in het rond, ik huppel, ik schreeuw. En ik speel! Schommelen, springen zo hoog op de trampoline, gewoon omdat ik er zin in heb een naakte plons in het koude vijverwater, als een aapje klouter ik in de bomen. Ha! Vrijer heb ik me nog niet eerder gevoeld.Ik zing, het hele weekend lang. Overal waar ik kom. Ik zing! Ik dans wat in het rond.Ik ben. Bedankt! Ik ben. Een vrouw.  

Kristien Maus
22 0

Waarnemingen

Jaren geleden was ik in Borneo. Voor het krieken van de dag, reden we naar een natuurcentrum aan de rand van het regenwoud om er de orang-oetans te gaan bekijken. De sympathieke rosse beesten werden gelokt met vers fruit. Vanachter een gecamoufleerde kijkwand zagen we hoe ze hun lange harige armen uitrekten en vervolgens knabbelden op de vruchten, terwijl ze nog wat versuft in het rond staarden, zich niet bewust van de groep toeristen die alles gade sloeg. Het tijdstip van de dag was niet toevallig, want later op de dag laten zij zich niet meer zien zo dicht bij de bebouwing.   Vanmorgen kwam ik toe in het provinciehuis. Niet op mijn gebruikelijke tijd, maar vandaag een uur vroeger. Het gebouw was nog half duister, de receptie nog niet bemand. Mijn stappen galmden door de gang. Terwijl de soort zich later op de dag graag verschuilt in zijn natuurlijke habitat van dossiermappen en archiefkasten, slaagde ik er op dit vroege uur wel in om enkele ambtenaren in volle beweging  te observeren.   Ik trof een eerste exemplaar bij de prikklok. Angstig keek hij in het rond toen de klok 8u03 aangaf. Kennelijk was het zijn bedoeling geweest om voor de klok van acht zijn werkplek te bereiken. Met een rotvaart schoot hij er vandoor in de richting van zijn vertrouwde nest, waarbij hij nog één keer achterom keek om toch zeker te zijn dat hij niet zou worden gegrepen door een teamleider, afdelingshoofd of ander roofdier. In die ene blik zag ik zijn doodsangst. Wat is de natuur toch mooi.   In de keuken, bij de koffiemachine, zag ik een prachtig ambtenarenwijfje. Ze was druk in de weer om het zwarte vocht te bereiden voor haarzelf en enkele groepsgenoten. In al haar drukte had ze niet gemerkt dat ik haar al genaderd was tot op enkele meters. Toen ze mij opmerkte, schrok ze op en begon hevig in het rond te fladderen. Ze krijste, graaide nog snel enkele speculoosjes mee en vloog weg. Ik liep verder door de gang. Door een openstaande deur zag ik een ouder exemplaar die driftig te keer ging met een dikke rode stift in de agenda die voor hem lag. Op mijn tenen sloop ik dichterbij. Van achter zijn schouder las ik, op het scherm voor hem: “Beslissing van de Bestendige Deputatie, in toepassing  van de rechtspositieregeling en na overleg met de vakorganisaties, houdende vastlegging van de bijkomende vakantiedagen voor het kalenderjaar 2017.”   Ik voelde me intens blij dat ik zoveel levenslust had mogen aanschouwen, zo vroeg op de dag. Intens blij, maar ook intens moe. De laatste meters naar mijn eigen kantoor leken eindeloos. Doodmoe leunde ik achterover in mijn bureaustoel en sloot mijn ogen. Dat had ik nu wel verdiend. 

Roel Nijleend
10 0

Genoegdoening - verslag van een onverkwikkelijke historie

Terwijl ik deze woorden schrijf vechten trots en bezorgdheid een verbeten strijd uit in mijn hart. Toen mijn kleinzoon zich vanochtend klaarmaakte om naar de militaire academie te vertrekken, was het mijn eigen verwachtingsvolle glimlach die ik op zijn gezicht zag verschijnen, las ik in zijn ogen de onbevangenheid van de jongeman die ik ooit was. Voor hij op de trein stapte heb ik hem omhelsd en de wens uitgesproken dat hij tijdens zijn opleiding even succesvol als voorzichtig mag zijn. En hopelijk zal hij, net als zijn grootvader zo veel jaren geleden, een moment meemaken waarop hij zich bewust wordt van zijn eigen feilbaarheid. Want pas dan is een man klaar voor het leven. Mij overkwam het tijdens de burgeroorlog, kort nadat generaal Sherman het bevel had gekregen over de troepen die zouden oprukken tegen Johnston. Ik was officier bij de artillerie. Een plichtsbewuste patriot, in mijn eigen ogen onkreukbaar, maar vooral jong en dom. Onder mijn leiding had ons regiment verdienstelijk gestreden in de bloedige slag om Chattanooga, en dat was mijn superieuren niet ontgaan. Daarom werden mijn batterijen toegevoegd aan het leger van de Cumberland. Zo kwam het dat ik op een mooie avond in mei van het jaar 1864 deel uitmaakte van een overleg tussen de hogere officieren van de tweede divisie, die werd aangevoerd door brigadegeneraal Jefferson C. Davis. Over deze man deden wilde verhalen de ronde, en eerlijk gezegd had ik hem liever niet als commandant gehad. Van hem kregen we onze laatste instructies vooraleer de honderdduizend man sterke troepenmacht zich in beweging zou zetten, in een ultieme poging om de zuidelijke rebellen in een wurggreep te krijgen. We bevonden ons even buiten Ringgold, in een landschap vol vruchtbare akkers en groene heuvels, waarvan de vreedzaamheid ruw werd verstoord doordat één van de grootste legers uit de geschiedenis er zijn kampen in opsloeg. De lentezon liet zich door zoveel machtsvertoon niet stuiten in haar jaarlijkse opmars en daarom hadden we buiten vergaderd, rechtstaand, met onze papieren verspreid over een paar inderhaast opgestelde schragentafels. Het kostte mij na afloop enige moeite om de kaarten en orders die mij toebehoorden terug te vinden en veilig op te bergen, waardoor ik als laatste van de officieren achterbleef bij generaal Davis. Hoewel ik tijdens de krijgsraad mijn uiterste best had gedaan om niets van mijn achterdocht te laten blijken, moet hij mijn nervositeit hebben opgemerkt. Als een Amerikaanse Bonaparte kwam hij naast me staan, zijn rechterhand onder zijn jas geschoven, wat zijn nochtans tengere gestalte een zekere grandeur verleende. Zijn mond zat verborgen achter een baard en een indrukwekkende snor, en zijn woeste bruine haren leken van zijn hoge voorhoofd te willen ontsnappen. Hij had iets ontembaars over zich, en tegelijk was zijn blik helder, vastberaden en ontspannen. Ik voelde me klein naast hem, terwijl ik in werkelijkheid misschien wel vijf inch groter was. ‘Een prachtige avond, nietwaar, kolonel?’ Ik knikte en mompelde instemmend, was niet op mijn gemak. Als een militair van die rang een gesprek over het weer aanknoopt met een ondergeschikte kan dat alleen een schijnmanoeuvre zijn. En inderdaad, net op het moment dat ik mijn spullen had verzameld en wilde terugkeren naar mijn tent, wond hij er niet langer doekjes om. ‘Probeer voor een oude rot als ik niet te verbergen dat je ergens mee verveeld zit, kolonel. Hou jezelf en vooral mij niet langer voor de gek en zeg mij wat er op je lever ligt.’ Ik was in de val gelokt. Vrijuit spreken zou tot een pijnlijke confrontatie leiden, zwijgen betekende dat ik voorgoed het recht verloor om mijn bedenkingen bij zijn reputatie kenbaar te maken. Ik durfde hem niet aan te kijken toen ik vroeg: ‘Generaal, is het waar wat er over jou verteld wordt?’ ‘Dat hangt af van wat er verteld wordt.’ Uiteraard wist hij heel goed waar ik op doelde. Wilde hij het mij werkelijk horen uitspreken? Ik besloot te zwijgen. Tenslotte was hij het die dit gesprek begonnen was. Ik fixeerde mijn blik op een groep kaartspelers iets verderop, als was het een uitzonderlijk schouwspel dat ze opvoerden, een grandioos spektakel dat ik niet mocht missen. Generaal Davis stoorde zich niet aan het uitblijven van mijn reactie en tot mijn verbazing nodigde hij mij uit in zijn eigen tent. ‘Zodat we de zaak rustig kunnen uitklaren,’ voegde hij eraan toe. Ik volgde hem tot in de tent, die ruimer was dan de mijne, maar sober ingericht. Ik zag een veldbed en een enorme koffer waarin hij kennelijk zijn gerief bewaarde, naast een tafeltje en twee stoelen, alsof hij mij had verwacht. Hij gebood mij plaats te nemen aan het tafeltje, waarop een bijbel lag. Ik schoof mijn stoel wat achteruit, op zekere afstand van de tafelrand. Generaal Davis opende de koffer om iets te zoeken. ‘Ondanks de droeve tijden die ons land doormaakt ben ik in het bezit gekomen van een uitstekende bourbon. Gun mij het plezier om samen het glas te heffen op de goede afloop van deze campagne.’ ‘Ik drink niet. Mijn excuses.’ Hij zuchtte. ‘Een geheelonthouder. Goed dan. Maar iets anders heb ik niet, vrees ik. Of ik moet iemand vragen voor koffie te zorgen.’ Van het smerige zwarte brouwsel dat in het leger voor koffie moest doorgaan had ik de afgelopen jaren al te veel door mijn geteisterde keel gegoten, en dus bedankte ik voor het aanbod. Nadat hij voor zichzelf had ingeschonken ging de generaal zitten. De vingers van zijn linkerhand speelden om het glas, zijn rechter liet hij op de bijbel rusten. ‘Louisville, Kentucky,’ zei hij. Hij keek klaar uit zijn ogen, zonder emotie. Ik wist niet of er iets van mij verwacht werd. ‘Daar wilde je het toch met mij over hebben, veronderstel ik?’ ‘Er zou zich een … incident hebben voorgedaan.’ Ik bleef bewust op de vlakte, wat aan hem een misprijzend lachje ontlokte. ‘Een incident. Zo zou je het kunnen noemen, inderdaad.’ Hij nam een stevige slok voor hij verderging. ‘Na Corinth was ik, om zo te zeggen, aan het eind van mijn Latijn. Was jij in Corinth? Nee, natuurlijk niet. Bijna twee jaar geleden is het. Deze vervloekte oorlog blijft maar duren. Maar goed, in de zomer van ’62 werd ik ziek. Mijn verzoek om verlof werd goedgekeurd en niet veel later zat ik thuis in Indiana. Een prachtige staat, trouwens. Ben je er al geweest, kolonel?’ ‘We zijn er ooit doorheen gemarcheerd. Ik herinner me vooral de snijdende wind.’ Ik weet niet wat ik probeerde te bereiken door neerbuigend over zijn thuisland te spreken. Hij was er in elk geval niet door aangedaan. ‘Waar kom jij vandaan, kolonel?’ ‘Ik ben geboren en opgegroeid in de mooie staat Ohio, meneer.’ ‘Dan zijn we eigenlijk buren. Kijk eens aan.’ Hij irriteerde me met zijn praatjes. Had hij mij uitgenodigd om het over geografie te hebben? ‘We zijn allebei ver van huis, jongeman, en dan nog uitgerekend om de Unie te vrijwaren en te zorgen dat ons huis het thuis blijft dat we gekend hebben voor onze vrienden uit het zuiden de kolder in de kop kregen. Maar waar was ik gebleven? O ja, mijn ziekteverlof. Het was fijn om mijn Marietta weer in de armen te sluiten, maar ik liep al snel tegen de muren op. En toen ik hoorde dat Bragg en Smith, die vervloekte heethoofden, naar het noorden oprukten, wist ik dat men mij nodig had.’ Hij pauzeerde even, liet het glas tussen zijn vingers schommelen en staarde naar een willekeurig punt op de grond. Alsof hij vergat dat hij midden in een gesprek zat. ‘En toen?’ vroeg ik dan maar. Net een kind dat zich door zijn moeder laat voorlezen en weet dat er een belangrijke wending in het verhaal zit aan te komen. ‘Ik ging naar Cincinnati, en van daaruit stuurde generaal Wright me naar Louisville. Ik kreeg opdracht mij te melden bij William Nelson.’ De naam was gevallen. Was het slechts een indruk, of omklemde hij de bijbel nu iets steviger? ‘Noemden ze hem niet de stier?’ ‘Bull Nelson, dat klopt. Driehonderd pond pure zelfgenoegzaamheid.’ Ik vond het aanmatigend, zoals hij over generaal Nelson sprak. De man had grote verdiensten in de strijd voor de Unie en was zelfs gewond geraakt in Shiloh. Toen ik Davis daarop attent maakte sloeg zijn toon om, klonk hij plots bitter. ‘En ik dan? Moet ik de veldslagen opnoemen waarin ik mij heb onderscheiden? Toch bestond het Nelson om mij te belasten met het bewapenen van de burgers van Louisville. De burgers!’ Hij schonk zichzelf bij, hoewel zijn glas nog niet leeg was. Na een nieuwe slok kalmeerde hij en ging bedaard verder. ‘Je begrijpt dat ik die inferieure taak zoveel mogelijk delegeerde aan ondergeschikten.’ Dat begreep ik niet, maar geen haar op mijn hoofd dacht eraan om dat toe te geven. ‘Na twee dagen was ik weer op Nelsons hoofdkwartier in het Galt House. Toen hij me vroeg hoever ik stond met de organisatie, en hoeveel regimenten en compagnies ik al op de been had gebracht, moest ik hem het antwoord schuldig blijven. Ik wist het niet en eerlijk gezegd interesseerde het mij ook nauwelijks.’ ‘Hoe reageerde hij?’ vroeg ik met oprechte belangstelling. Ik had het verhaal natuurlijk al gehoord, maar ik was benieuwd om het uit zijn eigen mond te horen. ‘Bull was niet geamuseerd. Ik ook niet trouwens. Daarom haalde ik er een getuige bij. Dokter Irwin had zijn kamer recht tegenover die van Nelson. In aanwezigheid van Irwin eiste ik van Bull dat hij mij zou behandelen met het respect dat iemand van mijn rang toekomt. Maar in plaats van een kalmere toon aan te slaan, ontsloeg hij mij op staande voet van mijn plichten en stuurde hij me weg. Wat hem betrof kon ik niet snel genoeg achter de Ohio verdwijnen. Ik was furieus. Hoe zou je zelf zijn?’ Hoe ik zelf zou zijn? In elk geval niet zo verdomde koppig, dacht ik. ‘Had één van beiden zich niet beter wat inschikkelijker opgesteld? Je had de verstandigste van de twee kunnen zijn.’ ‘Inschikkelijk? Verstandig? Moest ik dan mijn eigen rang en eer verloochenen door mij als een voetveeg te laten behandelen door die bullebak?’ Ik nam aan dat het een retorische vraag was, en dat was het ook, want hij ging meteen verder. ‘Ik dus terug naar Cincinnati. Maar intussen bereikte generaal Buell Louisville, en die stond, zoals je ongetwijfeld weet, hoger in de pikorde dan Nelson.’ ‘Waardoor er voor jou geen reden meer was om uit Kentucky weg te blijven.’ ‘Precies. En de negenentwintigste stond ik alweer in het Galt House, maar ik was de vernedering nog niet vergeten. Oh nee, helemaal niet!’ Zijn ogen fonkelden. Het leek wel of hij er schik in had. ‘Het was een drukte van jewelste in de grote hall. Ik ontmoette er verschillende bekenden van vroeger, waaronder mijn goede vriend gouverneur Morton. Alles ging prima eigenlijk, tot ik Nelson zag staan.’ Weer onderbrak hij zijn betoog. Een paar seconden lang sloot hij zijn ogen, ongetwijfeld om zich de exacte omstandigheden van toen voor de geest te halen. Ik zou er elke dollar in mijn zak voor verwed hebben dat hij in staat was om iedere persoon die zich op dat tijdstip in het hotel had bevonden niet alleen bij naam te noemen, maar ook nog eens uitvoerig te beschrijven. ‘Hoe moet ik dat aan een jongmens als jij uitleggen? Hoe Bull daar tegen de balie geleund stond in een vest dat veel te net en veel te wit over zijn dikke buik spande, uitdagend de zaal in kijkend met die geniepige oogjes en dat spottende grijnslachje van hem … Er knapte iets in mijn hoofd. Ik stormde op hem af, herinnerde hem aan zijn beledigingen en eiste genoegdoening.’ ‘Je zou iets in zijn gezicht gegooid hebben, heb ik gehoord.’ ‘Pas nadat hij mij opnieuw beledigd had. Ik moet in mijn nervositeit – ja, ik was zenuwachtig – een visitekaartje van de balie genomen hebben om het te verfrommelen. Het is idioot, maar ik moet altijd iets in mijn handen hebben, dat heb je misschien al gemerkt.’ Dat had ik inderdaad. De ganse duur van ons gesprek zat hij al aan zijn glas en aan het boek te prutsen. ‘Bull wilde mij daar weg, maar ik bleef bij mijn standpunt. Toen hij mij een vervloekte hond noemde en zei dat hij niks met mij te maken wilde hebben, mikte ik de prop in zijn gezicht. Heb jij als jongen geknikkerd, kolonel?’ ‘Af en toe.’ ‘Ik was er goed in. Nog steeds. Ik raakte hem precies in het oog. Maar toen haalde hij uit met zijn hand. Hij uitte eerst zijn ongenoegen bij de gouverneur, en stoof dan weg in de richting van de trappen.’ Ik was intussen voldoende op mijn gemak om te durven vragen hoe zijn eigen gemoedstoestand op dat moment was geweest. Het antwoord op die vraag kon mij helpen om een correct oordeel over de gebeurtenissen te vormen. ‘Ik was voor de tweede keer op rij diep vernederd, uiteraard, maar merkwaardig genoeg kwam er een soort rust over mij. Alsof ik een verdovend middel had gerookt, zoals de wilden soms doen. Hoe dan ook, er ontstond wat beroering in de hall. Het was uiteindelijk Thomas Gibson die mij van een wapen voorzag. Ik kende Gibson goed uit mijn tijd in Mexico. Een prima kerel.’ Ik vond dat hij er nogal licht over ging. Een vuurwapen is geen onschuldig voorwerp, zeker niet in het bezit van een vernederd man. ‘Ik baande mij een weg door de hall en vond Nelson onderaan de trap. Blijkbaar was hij teruggekeerd van zijn kamer, waarom weet ik niet.’ ‘Was hij gewapend?’ ‘Nee. Maar ik dus wel. Het pistool van Gibson lag in mijn hand alsof het nergens anders thuishoorde. Ik had de vinger al aan de trekker. Ik weet nog dat het wapen blonk. Het was net opgepoetst. Vreemd dat je daar op zo’n moment op let.’ ‘Zeiden jullie nog iets tegen elkaar?’ ‘Nee. Hij keek me gewoon aan. Zelfs met een pistool op hem gericht slaagde hij er niet in de arrogantie uit zijn gezicht te wissen. Had hij verschrikt gekeken, zoals ieder weldenkend mens in die situatie zou doen, had ik misschien niet geschoten.’ Mijn hart ging sneller slaan. Eindelijk kwam hij ter zake. ‘Maar je deed het toch.’ ‘Ik vuurde, en hoewel hij vlakbij stond was hij niet op slag dood. De kogel moet ergens in zijn vetlagen blijven steken zijn. Hij slaagde er nog in de trap op te klauteren. Ik was te verbaasd om het karwei af te maken. Boven in de gang zeeg hij dan toch neer, maar hij leefde nog steeds, en hij bloedde als een rund. Wat dat betreft had hij zijn bijnaam niet gestolen.’ Dat hij generaal Nelson afschilderde als een stuk vee dat het verdiende geslacht te worden vervulde mij met walging. Davis moet dat gezien hebben, want zijn ogen waren op mij gericht, maar hij vervolgde zijn verhaal zonder spoor van empathie voor zijn slachtoffer of voor mij, zijn gesprekspartner. ‘Plots was het een komen en gaan van mensen. Er werden een dominee en een dokter bij gehaald. Het mocht niet baten. Minder dan een uur later was Bull dood.’ ‘Wat gebeurde er met jou?’ ‘Ik werd gearresteerd door generaal Fry, nota bene een vriend van mij. Ik nam het hem niet kwalijk. Integendeel, het deed me goed om afgezonderd te worden en mijn versie van de feiten aan een vertrouwensman mee te delen.’ ‘Waarom ben je niet gevlucht?’ ‘Is dat wat jij zou doen, kolonel? Ik heb gedaan wat ik heb gedaan, en een man moet verantwoordelijkheid opnemen voor zijn daden. Niet wegvluchten als een bange wezel.’ Het nauwelijks verdoken verwijt stoorde me mateloos. Ik liet het echter niet merken, omdat ik het vervolg van deze onverkwikkelijke historie niet wilde missen. ‘Ben je veroordeeld voor de moord?’ ‘Nooit. Nochtans waren er genoeg die mij wilden zien hangen. Helaas voor hen waren er niet voldoende officieren beschikbaar om een krijgsraad in te stellen. Er is een poging gedaan om de zaak door Washington te laten regelen, maar daar moest men er niet van weten. Er konden gewoon geen competente bevelhebbers gemist worden, ook ikzelf niet. Na een week of twee werd ik vrijgelaten. Het was een chaotische tijd. Dat is het natuurlijk nog steeds. Niemand heeft de moeite genomen om mij binnen de wettelijke termijn officieel in beschuldiging te stellen. Zoveel vrienden had Nelson dus blijkbaar ook niet.’ Op dit punt aanbeland kon ik mijn ergernis niet langer verborgen houden. Ik greep de leuning van mijn stoel vast en boog voorover. ‘Maar dat is onvoorstelbaar! Je hebt in koelen bloede een ongewapende man vermoord, en je komt ermee weg!’ ‘Hoeveel mannen heb jij in deze oorlog al gedood, kolonel?’ Ik moest het antwoord schuldig blijven. Het waren er veel, misschien té veel, en als artillerist ben je nooit rechtstreeks getuige van de verwoesting die door je kanonnen wordt aangericht. ‘Dat waren vijandelijke soldaten, dat is iets anders. Jij hebt een kameraad gedood.’ ‘Een kameraad? Laat mij niet lachen. Wie treft meer schuld, kolonel? De zuidelijken die, weliswaar door dwaasheid gedreven, hun eigen huis en haard verdedigen, of zo’n opgeblazen kikker als Nelson die er plezier in schept zijn mede-officieren te vernederen?’ ‘Gesteld dat hij inderdaad een onaangenaam mens was, dan nog heb je ons leger van een bekwaam generaal beroofd.’ ‘Of ik heb plaats gemaakt voor iemand die nog beter is, en sympathieker bovendien. Toegegeven, ik had hem liever in een eerlijk duel gedood. Maar de omstandigheden beslisten er anders over.’ ‘De omstandigheden? Jij bent degene die naar een wapen heeft gegrepen.’ ‘Omdat ik het nodig dacht te hebben om mij te verdedigen. Ik wist niet anders of Bull zou zelf een wapen gedragen hebben wanneer ik hem terugzag.’ ‘Daarin heb je je dan vergist.’ ‘Ja, maar wat maakt het uit? Hij had mijn eer bezoedeld, mijn waardigheid aangetast, en dus had ik recht op genoegdoening. Het had allemaal wat eleganter kunnen verlopen, maar ik heb geen spijt dat ik geschoten heb.’ ‘Je spreekt over recht? Het recht dat je in eigen handen hebt genomen?’ ‘En het recht waarvoor ik ter beschikking stond na het fatale schot. Ik ben niet weggelopen. Ik zou elke rechtvaardig uitgesproken straf met opgeheven hoofd aanvaard hebben.’ Mijn bloed kookte. Die duivelse man had op alles een antwoord. Elk van mijn verbale aanvallen werd met een trefzeker weerwoord gepareerd. Ik verloor elk gevoel voor decorum, vergat de hiërarchische kloof die tussen hem en mij gaapte totaal. ‘Dat is makkelijk praten, nu je weet dat je op vrije voeten bent. De waarheid is dat het recht, waarnaar je zo ijdel refereert, nooit zijn beloop heeft gehad.’ Op dat moment nam hij de bijbel van tafel en begon er schijnbaar achteloos in te bladeren. ‘Het recht der mensen misschien niet,’ zei hij. ‘ De Almachtige daarentegen zal over mij oordelen wanneer de tijd rijp is, zoals hij dat over iedereen zal doen. En wie zegt dat het niet de Heer zelf is, die het pistool in mijn hand heeft gelegd?’ ‘Pardon?’ ‘Het boek der wijsheid. De Allerhoogste zal zijn schepselen wapenen tot wraak tegen de vijanden.’ ‘Ik dacht dat onze vijanden in het zuiden leefden. Hun president draagt dezelfde naam als jij: Jefferson Davis. Hoe toepasselijk.’ ‘Toepasselijk, inderdaad. Mijn ouders hebben mij vernoemd naar Jefferson, het verlichte brein achter onze grondwet, en naar Columbus, de ontdekker van dit wonderlijke continent. Een mooiere naam voor een patriot is ondenkbaar. Me dunkt dat het eerder die afvallige in Richmond is, die zijn naam gestolen heeft. Mijn naam!’ Buiten rukte de koele avond gestaag op, maar in de tent maakte de hitte van overdag nog steeds de dienst uit. Mijn huid werd aangevallen door een leger van kleverige zweetdruppels. Generaal Davis had minder last van de temperatuur. Niet gehinderd door enig protocol had hij zijn uniformjas losgeknoopt. Bovendien genoot hij van zijn drankje, terwijl ik al urenlang geen vocht meer had binnengekregen. ‘Ik begrijp niet hoe een eerzaam man zo rustig kan blijven na het stellen van een daad zo vreselijk als het vermoorden van een mede-officier. Hoe zijn geweten hem niet bezwaart. Hoe hij de slaap kan vatten.’ ‘Dat kan hij omdat hij ook maar de rol vervult die het lot hem heeft toebedeeld. Schat je jezelf hoger in dan mij, kolonel?’ Ik schraapte mijn droge keel. ‘Ik zou in elk geval geen strijdmakker doodschieten.’ ‘Dat dacht ik voor de gebeurtenissen in Louisville ook. Toen ik nog niet op de proef was gesteld door omstandigheden waar ik geen vat op had.’ ‘Sta mij toe de zaken anders te zien. Het beeld dat ik van jou had gekregen door de verhalen die over je werden verteld, is door dit gesprek niet afgezwakt. Ik denk dat het voor ons beiden beter is als ik morgen een aanvraag tot overplaatsing indien.’ ‘Ik zal ze niet goedkeuren. Je blijft onder mijn bevel.’ ‘Waarom? Wat heb je aan een ondergeschikte die jouw deugdzaamheid in vraag stelt?’ ‘Laat ons zeggen dat ik nieuwsgierig ben. Nieuwsgierig naar wat er zal overblijven van de jonge deugdzame dwaas die je bent als we door Georgia zijn heen getrokken.’ ‘Jonge dwaas? Ik was de beste van mijn jaar op West Point!’ ‘En de beste ooit op het vlak van ballistiek, dat weet ik. Ook daarom wil ik je in mijn divisie houden. Maar je bent ook een idioot. Omdat je niet inziet voor welke gruwelijke opdracht we hier staan. Ik ken Sherman. Hij is de beste commandant die we hebben en hij zal ons naar de overwinning leiden, maar de triomf zal duur bevochten worden. Misschien overleven we dit en wordt ons achteraf een onderscheiding opgespeld. Worden we als helden onthaald en geprezen als mannen van eer. Maar onze zielen zullen voor altijd besmeurd zijn met het bloed van de onschuldigen die door onze hand zijn gedood. Mannen en ja, ook vrouwen die Bull Nelson in deugdzaamheid ver overtreffen. Dus bespaar me je gezeur over plicht en rechtschapenheid.’ Mijn ergernis sloeg om in woede. Voor wie hield deze man zich dat hij meende mij op deze manier de les te moeten lezen? Alsof ik nog een groentje was aan de academie. Ik wilde hem van antwoord dienen, maar mijn greep op de situatie verslapte. Mijn slapen bonsden, mijn keel brandde. De geur van mijn eigen zweet drong mijn neusgaten binnen. Enkel de ogen van Davis en het boek in zijn hand zag ik nog helder voor me. De rest danste om me heen. En nog was zijn vernederend betoog niet ten einde. ‘Je vindt jezelf heel wat, nietwaar kolonel? Eén en al plichtsbewustzijn, vaderlandsliefde en voornaamheid. Maar Sherman, die rosse duivel, zal ons meevoeren naar de hel. Er zullen momenten zijn dat je wenste dat die hoer van een moeder van je jou nooit ter wereld had gebracht.’ De Colt had al die tijd in mijn holster gezeten. Ik was er mij amper van bewust, tot dat moment. Ik trok het wapen zonder er bij na te denken. Tegelijk veerden we overeind. Ik weet niet meer hoe lang we daar precies stonden. Ik met de revolver op hem gericht, hij met de bijbel voor zijn hart, erop vertrouwend dat het Woord Gods zou volstaan om het fatale schot af te weren. We zijn nu vijftig jaar verder en nog steeds gaat er geen dag voorbij zonder dat ik mij de vraag stel: wat als ik de trekker had overgehaald? Wat als ik niet bevend mijn arm had laten zakken terwijl hij mij onverstoorbaar bleef aankijken? Ik weet het niet. Ik weet wel nog wat ik toen zei. ‘Doe mij toch maar die bourbon.’         Noot van de auteur: De moord van Jefferson Columbus Davis op William “Bull” Nelson is historisch. De verteller in dit verhaal en zijn dialoog met Davis zijn fictief.

Bert
0 0

Dan was het zomer

En dan vertrek je op vakantie. Pas op, het is meer dan 10 jaar geleden. De mannen waren nog klein mannen. Dan heb je eindelijk beslist welke korte en lange broek en welke schoenen je meeneemt, naast degene die je aan hebt want die moet je ook meetellen, en dan zwijg ik nog over de spullen van de mannen die mee op de achterbank moeten. Elk hun koffertje. Het ene koffertje was oranje met Winnie de Poeh op. Toch gek dat je sommige zaken niet vergeet. Dan vertrek je voor een rit van bijna 1000 kilometer. Met de wagen die toch al wat jaren had. “We wagen het er op”, zeiden we als grap, dat weet ik ook nog.   Niet lang nadat je Brussel gepasseerd bent, verdwijnt Studio Brussel van de radio. En dan moet je ook door Parijs. “Op de Périphirique”, hadden ze me gezegd, “wil het wel eens druk zijn”. Tja, het was inderdaad met geen enkele ringweg te vergelijken. Dan is die van Brussel een gewestweg. Dan ben je daar eindelijk door en dan rij je fout. Op die honderd kilometer zal het wellicht ook niet steken. We waren al blij dat Parijs achter ons lag. Later zouden we daar nog wel eens naartoe rijden. Gewoon, naar de lichtstad. Nu lachen we daar een beetje mee. “Weet je nog, toen we hier voor eerst door moesten?”   Dan kom je op de plaats van bestemming en dan verschijn je even in het leven van de mensen ter plaatse. En dan begint de dag met de vraag: “Wat zullen we straks eten?” En dan bezoek je marktjes en doe je eigenlijk niet veel en dan heb je het wel goed. Met dat boek aan het water, maar toch moet er ook wat animatie zijn voor de mannen. En dan denk je stiekem toch ook al aan die terugtocht, waar je een beetje tegenop ziet. Opnieuw 1000 kilometer. Opnieuw die Périphirique. Ondertussen kan je het al foutloos schrijven.   De tijd vliegt, zeker op vakantie, en dan ben je ondertussen opnieuw door Parijs en dan zie je “Bruxelles” terug op een bord verschijnen. Nog eens 350 kilometer en dan kan je Studio Brussel ontvangen. “Dat is toch altijd een beetje thuiskomen”, zeiden we altijd. Maar dan hoor je één van de klein mannen op de achterbank zeggen. “En wanneer gaan we nu naar de zee?” Tja, dan zou je toch. Niet?

Rudi Lavreysen
20 0