Lezen

Geluk van ander licht (slot van deel 2)

                                        Wat echt telt. Is wat de specht vertelt.       Een spleetje moet er zijn, tussen de deksels en de wanden. Voor wat lucht. Het licht, dat deert me minder want de nacht is zwart als zakken voor de as. En er zal niet gevochten worden deze nacht! Twankie Wankel is alleen. Geen wezens zullen hun deel komen opeisen, van de resten, van wat u en ik niet kopen wilden, omdat de keus zo groot was, breed was als de eindeloze geulen die men graaft voor slachtoffers van honger, armoede en uitputting.   De landen liggen er verlaten bij. De zon heeft al zijn tol geëist, het leven des te meer. Er ligt genoeg op deze bodem. Twankie Wankel wil en zal voor haar, voor Twinkeltje iets meenemen. Zij houdt van rauw, verslindt soms als het moet de vezels van een taaie dag die maar niet sterven wil.   Zo is geschiedt, zijn hart was klaar, het scheuren stond niet ingepland. Nu is zij dood en Twankie Wankie weet het nog niet. Beterschap is voor een zieke met verkoudheid. Liefde is helaas een kanker die niet helen zal, hij snijdt alvast een stukje hier, een plakje daar. Geen ster, geen sterveling, geen ooievaar met lege bek die het verwacht, dat zij zo snel, het duurt hooguit een dag of twee, vooral alle levensjeuk haar lijf verlaat, en zij, daar in een hoekje, op een deken zonder kleur, haar laatste blik te slapen legt.   Einde.       Ik had het beloofd aan Ignace, dat hij het lezen mocht, als het klaar was. Wachten is voor mist op heldere zon en ‘s anderendaags was ik er al weer, in frituur De Bosbrand. Alles stond op stelten. Alfred toch, al de rest niet, want hij is echt klein. Als een kabouterboom met twee te lange stammen die benen voorstelden, liep hij daar rond. Dat die spinnenwebben weg moesten, dat heldere ramen beter zicht geven op de baan, op die knappe deernen die -hij hoopte het- friet noch curryworsten vreesden.   “Die hoogste webben”, vroeg hij, “doe jij die, gij lummeltje van vijf voor twaalf?” Uit een hoek plukte ik een nachtje spinnenijver. Ik wierp de spin met kruis en al de straat op. Gelukkig is het voetpad er breed en ik zag hem komen in de verte, Ignace, hij wuifde.   Enthousiaster dan ik hem ooit gezien had, kwam hij het frietkot binnen, haalde een dubbelgevouwen B4 uit zijn zak van plastiek en zwaaide ermee door de lucht.   “Hier! De sleute!” zei hij. “Eindelijk zal ik precies weten hoe Twinkeltje stierf."         vierde en laatste pagina van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Bloemetjesfauteuils

Ik heb nooit helemaal geweten hoe het kwam dat mijn grootvader zijn tenen verloren was. Op de plaats waar zijn voet had moeten overgaan in vijf aparte delen, flapte de neus van de kous naar beneden zoals de mouwen van een te warm gestreken overhemd. Als hij stapte, schoven zijn schoenen ongemakkelijk heen en weer. Ik heb hem eens gezegd dat hij beter een kleine maat kocht.   Het is niet zo dat hij ermee geboren was. Dat gebeurt, dat de menselijke ontwikkeling soms lichaamsdelen vergeet, maar op foto’s van de gidsen zag ik hem op een omgevallen boom, een blonde jongen met een glimlach, een coltrui en een beige broek, en in elke sandaal een voet met vijf bemodderde tenen.   Als volwassene werkte hij in de mijn, dus ik geloof dat ik wel eens gedacht zal hebben dat er een rotsblok op zijn voet gevallen was. En dat zijn makkers hem dan in een schacht naar boven sleurden tot er licht kwam en ze teneergeslagen achter zijn rug gebaarden: hopeloos.   Nee, schudde mijn grootvader* op het voorstel van de kleinere schoen, dan zou hij kinderlaarzen moeten dragen. Zijn trots was hij nooit verloren. Ik paste mijn voeten naast de zijne om na te gaan hoe hard ze van grootte verschilden. Dat was de eerste keer dat ik besefte dat tenen een aanzienlijk deel van je voet innemen.   *Hij was daar heel goed in, in nee schudden. Hij deed het langzaam omdat de spieren van zijn nek moeilijk van de ene naar de andere kant rekten. Een nee-schudding kon daardoor soms twee minuten duren, en dan was het wel duidelijk dat hij niet akkoord was.   De tweede keer dat ik dat besefte, was in het vijfde leerjaar, toen ik van een springkasteel viel, vier voetwortelbeentjes brak en zes weken een loopgips kreeg.   Ik kan me niet herinneren dat mijn grootvaders gebrek aan tenen echt een onderwerp was. Het was er gewoon, zoals de bloemen op de fauteuils waarin we naar Te land, Ter zee en In de Lucht keken, of de stukken appelvlaai waar niemand ooit nog plaats voor had.   Ik heb de voeten van mijn grootvader nooit zonder kousen gezien. Als hij pantoffels nodig had om naar de badkamer te schuifelen, moest ik die met gesloten ogen aangeven. Het was een belofte dat ik de littekens mocht zien als ik twaalf werd, maar toen was hij al dood en ik heb lang spijt gevoeld dat ik nooit stiekem heb gekeken.

Kristien Spooren
0 0

In Schotland

Toen ik in de paasvakantie alleen op reis ging en aankwam in Schotland, wandelde ik door het grootste treinstation van Glasgow. Midden in de centrale hal stond een grote, houten balk met aan vier kanten dezelfde analoge klok. Als de secondenaald de twaalf raakte, versprong de lange wijzer een minuut, alsof het leven altijd op hetzelfde ritme wegtikt. Aan de voet liepen de mensen de tijd voorbij.   Veertig minuten van Glasgow lag Hamilton park. Ik zag er een eekhoorn, schapen, bruine runderen en een oude vrouw met blauwe oogschaduw die dansjes deed omdat ze nog nooit een toerist had ontmoet. Rond de middag klom ik in een eikenboom met dikke knoesten om rozijnenboterhammen te eten en er was niemand die zag hoe gelukkig ik was.   De volgende dag zat ik op de bus naar Loch Lomond, een meer dat geboren was tussen de vlaktes en de hooglanden waardoor niemand echt zeker wist waar het thuis hoorde. Ik had horen zeggen dat de avonden hier het mooist waren. Het water rimpelde op het oppervlak en weerspiegelde de zon die langzaam verdween, alsof ze in de verte werd ingeslikt.   Onderweg naar het meer passeerde de bus langs Levendale, een dorp dat zo hard heuvelde dat het leek of we in een achtbaan zaten. Onder de bibliotheek was een autoparking. Er stond een bord van de gemeente met een schuifbalk en twee vakjes, vrij en vol. Het was nog niet digitaal en ik vroeg me af of er dan iemand was die bij de laatste auto naar dat bord loopt om het balkje te verschuiven.   Op maandag haastte een man zich naar het werk. Hij droeg een zwart kostuum, een grijze stropdas, geklede schoenen en een hoed die aan de rechterkant een beetje deukte omdat hij tegen het raam in slaap gevallen was. Terwijl hij bedrukt door de straten beende, dronk hij geen koffie, maar caprisone met een rietje.   In Dundee dronk ik thee met een vrouw uit Japan. Op straat vond ik een stuk van zes centiemen. Dat hebben de Schotten ooit uitgevonden om kleine meisjes geluk te wensen. Je kreeg dan zo’n munt met het geboortejaar van je moeder op. Het is lang geleden dat ze mijn talisman werd.   De tweede week stapte ik het begin van de West Highland Way. Dat is een hele lange weg die start in Milngavie, een stadje dat op een sprookje lijkt omdat er nog lantaarnpalen zijn en de mensen zich schuifelend van de ene naar de andere plaats bewegen. Toen ik op de terugweg een stuk van de kaart wilde snijden, klom ik door een modderpoel over een hek met horizontale stangen. Het was stil in het landschap. Vanachter een heuvel naderde een kudde wilde hooglanders. Ze kwamen loeiend dichterbij, tot een van hen het geluid van mijn hartslag hoorde en we elkaar voorzichtig in de ogen keken. Er had nog nooit een koe aan mijn voeten gegrazen.   Op het einde van de reis hielp ik zwangere schapen bevallen. Een tweeling stierf, een lam lag weerloos op een heuveltop. Het was koud die nacht. De zon viel neer, de lucht kleurde marineblauw met witte sterren. In mijn armen klonk het oorverdovend gemis van een jong verstoten door haar moeder. Het rilde, bijna in morsecode, alsof het alleen maar kon zeggen: sommige dingen gaan niet goed. Zomaar, zonder dat je er iets uit kan leren.

Kristien Spooren
21 0

Geluk van ander licht (3)

                Stil papier houdt zich graag schuil. Liefst in de vorm van warm karton.       Dagen schoven voorbij als plateautjes aan de kassa bij een Lunch Garden, wolken met herinneringen aan een ijslamtaart en bakjes friet verkocht Alfred met mate. Het was rustig, daar in zijn frituur, ik kwam er graag en die Ignace Somers was zo gek nog niet. Op 28 december van het jaar 2016 liet ik hem zelfs mijn recentste A7-boekje lezen.   “Ik weet het niet”, merkte hij op, “...of het een goed idee is om de personages in je Zeebruggeverhaaltje namen te geven van echt bestaande wezens.” “Twinkeltje komt er nog niet in voor”, zei ik, “enkel een Twankie Wankel.” Ignace schudde het hoofd, beet zich op de lip en zei : “Het ligt zeer gevoelig. Twinkeltje was mij dierbaar, Twankie Wankel als een thuis voor eenzaamheid, een echte vriend.”   “Twankie Wankel? Die moordenaar?”, vroeg ik. “Antoine was zo schuldig aan de moord op Twinkeltje als Lee Harvey Oswald aan het doodschieten van JFK en James Owalds’ Prayer for the Dead zal ik nooit lezen, bidden evenmin, niet voor Twinkeltje, noch voor jou of Twankie, maar ik ben het zo zeker als de zonsopgang van morgen : Antoine doet geen vlieg kwaad.” “Deed”, corrigeerde ik hem. “...en mocht je het in je hoofd halen een romance, welke dan ook te verzinnen, weeg je woorden dan goed, want ik zal het lezen en niet mals zijn als je toon me niet bevalt”, zei Ignace nog.   Die dag heb ik niets meer bijgekrabbeld in mijn boekje, toch niet toen ik daar zat, bij Alfred en Ignace. Ik ben iets vroeger dan normaal vertrokken en was van plan, om thuis Liesbeth List wakker te schudden, op een eerlijke manier.     Onderweg kom ik Twinkeltje tegen. Ik vraag haar of ze niet dood is, en ze lacht : “Meisjes zoals ik, zoals Wilhelmina Lippens zijn er duizenden. Misschien met een andere naam, net zoals sterren met verschillende korstjes op een schaafwondje.” Haar stem klinkt lief en zacht, maar ze ziet er niet uit, in die tenu van grijze lucht en gescheurde najaarswolken. Ze draagt een gehavende broek, haar blik is ijzig, als vastberaden vorst die naar niemands pijpen dansen zal, die alle bekertjes met tranen, glazen met vergeten bier tot barsten dwingen wil.   “Heb je een plaatsje voor de nacht?”, zo vraag ik haar. “De nacht parkeert zich waar hij wil. Een jonge man moet weten wat hij vragen kan aan schaduwen met pijn en diepvriesoren.” Ze slaat een steegje in, ik loop rechtdoor, verder in de richting van een straatlantaarn die zoveel a’s nooit leggen kan al is het bord zo leeg als blanco letters.   Ik kom thuis, schik wat woorden voor een nieuwe liefde. Aan een einde denk ik niet. Dat laat oik ver aan mijn boekje, aan het zwart, de inktslakken, ze kruipen al, ik zie het niet, het glinsteren van weggekropen sporen. Ergens slaapt hij al, maar moeilijk, Twankie Wankel heeft zich al gehuld, in laagjes warm karton.       derde pagina van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (2)

Positief ingesteld als ik doorgaans ben bestelde ik ook vandaag weer een 7up met daarbij een kleintje met mayonaise. “Voilà zie”, zei Alfred toen mijn bestelling klaar was en hij gaf me er een gratis potje toversaus bij. “Of voor de kindjes”, voegde hij er aan toe. Ik zei dat ik geen kinderen had, alleen een moeder (ook een achtergelaten vader) en ik legde alvast mijn A7-boekje klaar op ‘mijn’ tafeltje. Al vier bezoekjes had ik inmiddels gebracht aan Ali’s friettempeltje en telkens had die ene stoel mij kunnen strikken.   “Vandaag een rijmpje voor vadertjesdag?” vroeg Ignace. “Liever niet”, zei ik, “ik tob over een verhaaltje met gesukkel in Zeebrugge, iets met containers, junk yards, schroothopen langs een kanaal, roestrode lucht en mauve wolken”       Twankie ben ik, loop maar wat te dolen en mijn loden voeten wegen zwaarder dan de poten van een havenkraan. Er is honger, lang niet meer naar liefde, heel gewoon wat restjes, ergens vinden, winkels hebben altijd achterpoortjes, weet je. Ben je blind, doofstom en ongevoelig, God wat scheelt het, ruiken kan ik, waar ik zoeken moet.   Brood van gisteren, het was eergisteren het brood van morgen en ik proef ervan. Ik scheur het open, pakje hesp, ontdaan van vet en botten, varkensvel. Het smaakt gelukkig, echt naar geen beleg van oorlogssteden, zelfs niet eens naar rottigheid en de kartonnen dozen liggen hier vanboven. Dat is fijn want niets, geen vet noch bruine saus, is uitgelopen uit een barst, de potjes zijn, ik zie het, één voor één nog ongedeerd.   Ik leef en dat, het blijft nog even zo, allicht ook weer tot morgen, goed is het, als de containers waterdicht zijn, deksels hebben, koude sterrenhemels buiten houden. Twankie Wankie hoeft geen deken met te witte vlekken, morgenvroeg moet ik er uit, dan komt hij weer, die vrachtwagen die alles moeiteloos verslindt alsof de nieuwe dag een reus is met een walvismaag.       Ik klapte mijn mini-boekje toe. De 7up was kouder dan dag. Het werd twaalf uur. Geen koekoek sprong tevoorschijn uit een rijk met messing raderen en buiten stond een glascontainer.   “Zijn ze daar nu weer!”, sprak Ignace. “Wie?” want Alfred wil het weten. “Die mannen van Standard”, zei de Ignace De Langeflap.   Ik keek nu ook door het raam van plexi. Ik zag het Poolse meisje, flessen werpen, lege potjes saus. “‘t Was voor bij de alfabetspaghetti”, lachte Ignace die het altijd beter weet en het was Alfred die zich weer liet gaan, een schunnigheid verzon : “Ik ziet het. Aan haar licht gewrongen stap. Dat ze ook vandaag weer kruiswoordraadsels uit haar kutje bloedt.”       pagina twee van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (1)

                           Er zijn geen gebeurtenissen. Niets dat loszit. Valt zomaar.       “Fake news!” zie Ignace luidop. Hij zat er weer, op zijn vaste plaats, aan het tafeltje, links van de koeltoog en het was Alfreds transistorradiootje dat nieuwe feiten was beginnen uitkramen. Een radiostem had het over die nieuwe teelt, over dat organisme, dat het midden hield tussen planten en dieren, dat ontwikkeld was door de firma Sanomonto, die het catalogeerde als een omniglotoïde.   Planten kon men het niet noemen, omdat ze zich konden verplaatsen en daarbij sloot men de groep van de kruipplanten volledig uit. Ook dieren kon men het niet noemen. De omniglotoïdes beschikten dan wel over een primitief spijsverteringsstelsel en (slechts) één zintuig, dat van de reuk, hun weefsels waren voor het grootste deel plantaardig. Van een echt ‘wezen’ kon men moeilijk spreken. Ze voedden zich via hun vele tentakels, die eruit zagen als langgerekte kleine tongen. Met die tentakels konden ze zich voor lange tijd vastzetten in de bodem en de minuscule uiteindes konden voedingsstoffen opnemen uit de bodem. Wortels waren dat niet want ze verslonden ook de aarde waarop ze groeiden, waardoor er rond het organisme soms kleine verzakkingen ontstonden. Ze hadden ook een soort van strontgaatje, waaruit de verwerkte grond kwam. Hun eenvoudige spijsverteringsstelsel werkte echter niet met zuren en ook niet met bacteriën. Het was een gif dat voor de afbraak zorgde. Zelf waren ze vanzelfsprekend bestand tegen dat venijn, maar helaas niet de andere levensvormen die zich rondom de omniglotoïdes bevonden. Vele insecten, strontvliegen en kevers hadden aanvankelijk niet door dat de uitwerpselen van de omniglotoïdes giftig waren en stierven in groten getale. Of dit echt een probleem was? Sanomonto vond van niet. Het vergemakkelijkte de teelt, er hoefde niet gespoten, noch gewied te worden en het volstond om de omniglotoïdes (die gecommercialiseerd werden onder de naam Omigot) te koken om het gif onschadelijk te maken voor de mens. Je stak een portie Omigot in een snelkookpot, je voegde er wat suiker aan toe, en klaar was kees. ‘Buiten het bereik van kinderen houden’, stond op de pakjes Omigot. Gezinnen met kinderen kochten voor de veiligheid voorgekookte of reeds bereide Omigit en chef koks hadden enkel lovende commentaren. Ze spraken van ‘de truffelkaviaar van de 21ste eeuw’.   In het radioprogramma werd de vraag gesteld of in gekookte Omigot daadwerkelijk geen enkel gif meer aanwezig was. Een knappe bol kwam aan het woord en verkondigde dat hij vele tests uitgevoerd had met de omniglotoïdes van Sanomonto. Alle resultaten waren positief, in de zin dat na het koken geen enkele substantie meer aangetroffen werd in het gewas dat ook maar enigszins toxisch zou kunnen zijn en een chef-kok wist te vertellen dat Sanomonto al aan een tweede variante werkte, een Omigot 2.0 die tijdens het koken duidelijker verkleurde. Hij zei dat de kleur-na-koken nog moest gekozen worden en dat een panel van sterrenchefs inspraak ging krijgen. De kleur van een ingrediënt was immers uiterst belangrijk bij de presentatie ervan.   “Een gerecht met omniglotoïde kan het best op een vijfkantig bord geserveerd worden”, zei de presentator, “gezien de moderniteit van Omigot”, hetgeen de chef-kok beaamde met de woorden :  “Ja, zo doen we dat het best.”   “En nu is het tijd voor een plaatje”, zei de afgelikte radiostem en er weerklonk een liedje over een donker straateinde.   “Geen onaardig nummertje van Percy Sledge was dit”, besloot de stem, terwijl Percy’s laatste woorden ‘They gonna find us love someday’ uitstierven. Het leek alsof ze gesmoord werden in die miezerregen. Kleine druppels twinkelden op de golfplaten van het frietkotdak.       eerste bladzijde van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Over reuzen en scheve muilweters (slot van deel 1)

                               Als een haan kraait is de echo zelden van een kip     Of hij opschoot mijn speurtocht? Dat leed geen twijfel. Er was nu tenminste een vermoeden over het moordwapen (een mes) en aan de schuld van Twankie Wankel kon nu met reden getwijfeld worden.   Ik had alles genoteerd en vroeg aan Alfred om af te rekenen. “Je hebt al betaald”, zei het kleine frietbaasje. Ik stak mijn minischriftje in mijn binnenzak en maakte aanstalten om te vertrekken. “En wat krabbelt ons baasje zo allemaal in zijn boekske?” vroeg Ignace, die mij blijkbaar toch niet helemaal vertrouwde. “Eeuhhh…” aarzelde ik eerst en zei dan, “sprookjes, kinderverhalen”. “Bedoel je verhalen voor kinderen of kinderverhalen?” wilde hij weten. “Verhalen voor kinderen. Van acht tot achtentachtig.” “Gij kwast!” lachte De Reus. “En wat heb je vandaag neergeluld?” “Een rijmpje voor moederdag”, zei ik waarna hij zijn smoel scheef trok. “Zal wel… moedertjesdag… dat is zeven maand geleden.” opperde De Reus terwijl zijn kop van neen schudde. “Ja,” en Alfred ging zich moeien in ons gesprek, “een rijmpje voor de mama...? Lees het dan eens voor!”  “Voor volgend jaar is het”, maakte ik ze wijs, nam het A7-boekje uit mijn binnenzak, bladerde tot ik iets vond en begon voor te lezen :   oh hoendertje hoendertje hoendertjelief onder jouw vleugels is het fijn   oh moedertje moedertje moedertjelief ik heb voor jou iets meegebracht   ik jouw ukkie pukkie ukkepuk heb voor jou met wat geluk   het zijn er tel maar mee een stuk of acht   zoem zoem zoemzoem zoem zoemzoemzoem   ik ben zo klein ik vlieg je rond de nek en oren moet je horen   zoen zoen zoenzoen zoen het zijn geen bijtjes maar vijf kusjes   allemaal van mij ik ben het jouw kapoen     Ze begonnen allebei te klappen, Ignace iets luider dan Alfred, want ‘De Reus’ heeft immers flappen van handen en Alfred, die eerlijke smeerlap van een cervelaverkoper, brouwde er nog een vervolg aan :   ai ai ajajai mijn hoertje hoertje hoertjelief   hoe men het dan ook draait of keert ik heb te veel gezopen straks laat-ie weer een boertje boertje boe-boe-boertje   wees niet bang het is mijn beste vriend een haan vol zaad en lucht die zo graag logeert in jouw geile kiekendief     Dat Alfred gewonnen had, verklaarde De Reus en hij stond recht, zei dat hij nog commissies moest gaan doen. Hij keek eerst door het plexiglas, dan op zijn horloge en zei : “Nog een geluk. Ik geraak er nog. Zelfs droog en wel. Welke Delhaize wacht vandaag op mij?”         vijfde en tevens de laatste pagina van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')  

Bernd Vanderbilt
1 0

Over reuzen en scheve muilweters (4)

           De mensheid is lomp als een walvis. De zee is gelukkig. Stukken zachter.     ...en het werd donker. Wolken schoven voorbij. De ene wachtte op de andere om een dichte deken te kunnen vormen boven een koude mensheid. Auto’s schoven ook aan want overal waren ze, niet alleen in het centrum van de welvaart, ook aan de randen stonden ze vaak bumper aan bumper.   “Maar ze stoppen verdorie niet aan mijn frietkot”, zei Alfred die naar zijn schap met voorgebakken frieten keek en toen kwam er een schoonheid binnen, met roodwitte kousen. Ze stond daar, zo ineens voor die koelbak. Haar benen leken wel twee vuurtorens die binnen de kortste keren om die ene rosse kutkuif gingen vechten.   “Wat zal het zijn voor de mannen van Standard?” zei Alfred, die nooit verstand zal hebben van vrouwelijk schoon. “Euhhh… twee vegeratische cervela’s”, was haar antwoord. Ali moest zich even in de sik krabben en sprak toen : “Die daar, en die hier ook. Die twee zijn vegetarisch. Anders nog iets?” “Nie, ty dupek… maar, za Boga, alsjeblieft niet in olie bakken waarin vleesbouletten zwommen!” “Mademoiselle de kuisvrouw uit Krakow is precies ook niet van de gemakkelijkste”, riep Ignace. “Ja,” zei ze kordaat, “ik ben dé kuisvrouw. Er is geen betere. Vraag het maar aan Magda.” “Magda wie?”, riep De Reus. “Aelvoet. De Meyer. De Block”, sprak ze krachtig en fier. “Je vergeet de helft”, zei Ignace. “In gans Europa is de vloer nu proper dank zij u. Zelfs bij Maggie McGee, Mammie Thatcher en bij Magda Goebbels!” “Ook bij Magdalena Lesniak!”, zei ze terwijl ze in mijn richting keek, 'Schrijf maar op... ty glupi kocur!'  leek ze te gaan zeggen.   Intussen was er iets ontstaan voor de frituur wat men pas echt een file noemen kan. Stapvoets verkeer van Walibi tot in het walhalla. Voituren, ottobuussen en kamions. Ook een Poolse vrachtwagen. De nummerplaat begon met 'GD' en Ignace vroeg aan dé kuisvrouw wat er op de zijkant van die kipper geschreven stond :   Ze vertaalde vlotjes : “Zeer hete dieetmest uit Gdansk”   “En gij nu”, zei Ignace tegen mij, “allez, meneer de anagramateur. Probeert een keer.” Ik antwoordde : “Gij zot, zelfs de IQ-Kwis was maar met twintig letters. Dit zijn er 25, neen, 26 letters. Dat zijn dan meer dan één triljoen mogelijke permutaties!”   Alfred schudde zich weerom kop en baard, zei tegen die Poolse Maggie McGee dat het niet ging lukken met die cervela’s, dat in elk van de drie kuipjes al iets met vlees had liggen pruttelen. “Geef me dan een red bull”, zei ze en ging weer buiten. Ze trok het blikje open en fladderde weg met de wind.   Intussen had Ignace -ging er geen eind aan komen?- weer een B5 uit zijn zak gehaald en had daarop met bruine stift geschreven :   Z E E R    H E T E    D I E E T M E S T    U I T    G D A N S K   “Allez”, zei hij nog een keer, “gij daar met uw blikske 7up. Zet het in de juiste volgorde.” “Ik pas.” antwoordde ik zonder een pokerface te trekken. Alfred legde iets groens in koelvitrine en Ignace begon ‘te goochelen met de letters’, laat ik het zo noemen.   “En op welke dag was het dat Wilhelmina haast van de stenen geschraapt moest worden?” vroeg De Reus, daarbij zijn hoofd wat omhoog knikkend. “Weet ik veel”, was mijn antwoord. “Een dinsdag, manneke!” verklaarde zijn luide stem en hij draaide zijn papier, zodat ik het onderaan op zijn met bruine letters bestrooide blad kon lezen :   E.T.    T H E E    E E R    K U T    Z I E T    M E S    D I N S D A G   “Zie je wel,” zei De Reus, “het was niet om thee te drinken dat die marsmannetjes verschenen in het winkeltje van Wilhelmina. Het was een zaak van eer en ze kwamen op een dinsdag, op 11 september 2012.” “Marsmannetjes?” betwistte Ali, “iedereen weet toch dat het Twankie Wankel was die haar ganse lijf om zeep hield die dag.” “Dat ben ik zo zeker nog niet!” sprak Ignace en hij dronk nog wat van zijn fanta.       pagina vier van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
1 0

De moeilijke bevalling

doktoor            Ja, Miriam ... 't is weer van dat!                         Mevrouw Debuck en haar man zijn zopas de spoedafdeling binnen-                         gekomen!                         En het moet natuurlijk weer tijdens mijn shift gebeuren, hé!!                         Elk jaar hebben ze mij liggen!                         Elk jaar!!!                         En iedere keer slaagt Dr. Schellekens erin,                         om nét dan met vakantie te gaan!                         Iedere keer!!!                         Als hij die natuurramp daar in Thailand heeft overleefd,                         ga ik hem toch eens goed zijn les spellen!                         Ik heb ook recht op een gezellige kerstavond!!!   Mr.Debuck        Ah, goedenavond, mijnheer doktoor.                         Zeg, hebt u dat gehoord van die tustami-toestanden in Thailand?                         Die doktoren ginder gaan daar meer werk hebben dan u, zunne!                         Maar allez, ik ben hier met mijn vrouw, en ik denk dat het niet lang                           meer gaat duren, want ze voelt al hevige krampen!   doktoor            Bon, en wat gaat het deze keer zijn ...   Mr.Debuck        Ze wil mij ook niks zeggen, mijnheer doktoor.                          Het moet een verrassing blijven! Ge kent ze, hé!   doktoor            Ge kiest wel uw momenten, zunne!                         Altijd op kerstavond, en altijd tijdens mijn dienst!! Chapeau!!!   Mr.Debuck        't Is omdat de natuur het zo wil hé, mijnheer doktoor!                          Enfin, al de andere zijn er goed uitgekomen,                          dus 't zal nu ook wel gaan, zekers?   Mevr.Debuck    Aaaaaaaaaaaah!   doktoor            Vlug, naar de bevallingszaal ermee!                         Seffens maakt ze dienen ouden dementen bok van kamer drie wakker,                         en dan zijn we gegarandeerd weer vertrokken voor een paar uur!!!   Mevr.Debuck    Schatje, ge moet meekomen!   Mr.Debuck        Mag ik, mijnheer doktoor?                         Ge weet dat ik alles graag op film zet, voor ons video-dagboek!   doktoor            Wat hebt ge de vorige drie keren gedaan?    Mr.Debuck        Euh ... ik ben meegegaan naar binnen.   doktoor            Awel, waarom vraagt ge 't dan nog?!                         Doe alsof dat ge thuis zijt,                         moeten we geen muziekske voor u draaien?   Mevr.Debuck    Kaëll!                         Schatje, dat nummer van Bart Kaëll!!!   Mr.Debuck        Ge hebt toevallig de Marie-Louise niet liggen, mijnheer doktoor?   doktoor            Zeg, we gaan dat hier wel een beetje vooruit laten gaan, hé!                         Ik zou vanavond toch veel liever een gevulde kalkoen gaan eten,                         in plaats van er hier één open te moeten snijden!   Mr.Debuck        Opensnijden?                         Oh nee, nee, nee, nee, nee!!!                         Mijn vrouw is Europees kampioene bodybuilding,                         dus er mogen zeker geen littekens overblijven!                         Het moet op de natuurlijke manier gebeuren!   Mevr.Debuck    Laat hem niet snijden hé, schatje!   doktoor            Allez, voor de vierde keer op rij Europees kampioene, dus. Proficiat!   Mr.Debuck        Ja, en volgend jaar neemt ze deel bij de venten!   doktoor            Awel, begin dan maar te persen hé, Mevrouw Debuck!   Mevr.Debuck    Aaaaaaaaaaaah!!   doktoor            Miriam, hou de emmer klaar, daar komen de eerste twee!                         ...                         Hebt ge ze opgevangen?                         ...                         Goed, daar zijn de volgende drie, pas op!   Mevr.Debuck    Aaaaaaaaaaaah!!!   doktoor            OK, nog ééntje, en dan is 't gedaan!   Mevr.Debuck    Aaaaaaaaaaaah!   doktoor            Eindelijk, ik kan naar huis!   Mr.Debuck        Hoeveel zijn het er?   doktoor            Twee meer dan vorig jaar, en voor de allerlaatste keer;                         de kerstcadeautjes moeten onder de kerstboom liggen!!  

Vince
0 0