Lezen

Als ik een kalf was…

Als ik een kalf was, dan zou het allemaal misschien veel beter gaan en waren mijn ervaringen met het openbaar vervoer veel aangenamer. Ik weet niet hoe het zit in andere landen met het openbaar vervoer, maar waarschijnlijk net als in België. In de steden is er wel overvloed aan bussen, treinen en trams en er wordt dankbaar gebruik van gemaakt. Maar in sommige landelijke gebieden, zeg maar de, door de vervoersmaatschappijen, onderontwikkelde gebieden is het huilen met de pet op. Terwijl het openbaar vervoer juist ervoor zou moeten zorgen dat iedereen zonder zorgen en stress op hun bestemming komt, is mijn reis op zijn zachtst gezegd een avontuurlijke rollercoaster vol met emotionele pieken en dalen. En laat ik u verzekeren de dalen zijn dieper dan de pieken hoog zijn.   Het begint bij dat uur vroeger dat ik moet opstaan om op tijd op mijn bestemming te geraken. De bus die door mijn dorp rijdt en me bijna rechtstreeks naar de stad brengt, doet er theoretisch iets meer dan een uur over en gaat voor driekwart over de zelfde route die ik normaal doe met de auto. De goede oude tijd van tickets kopen op de bus zelf is zo goed als voorbij. Omdat de busmaatschappij tijd en geld wil besparen, moet ik op voorhand ergens op de daarvoor voorziene verkooppunten mijn vervoersbewijs aanschaffen. In een klein dorpje zoals dat van mij is het niet simpel om zulk een verkooppunt te vinden. Anders gezegd; er is er gewoon geen. Ik kan wel nog steeds een busticket kopen bij de chauffeur, maar dan betaal ik een belachelijk hoge prijs en krijg ik niet bepaald de sympathie van de chauffeur mee. Dus heb ik maar twee overblijvende mogelijkheden, het ticket via sms-bericht dat de busmaatschappij jaren geleden introduceerde waarmee je via een simpel sms-berichtje op de bus kan, of het nieuwste broertje van het SMS-ticket, via een app op mijn telefoon. Hiermee kan ik nog goedkopere tickets aankopen. Deze zijn een uur geldig. En ik voel al nattigheid, want de totale duur, overstap en wachttijd meegerekend, duurt zeker langer dan de theoretische berekening van een uur van de maatschappij. Juist geteld achttien minuten langer. Ik moet dus voor die achttien minuten weer een ticket kopen van een uur. De berekende reistijd is natuurlijk pure theorie.   Na een wandeling van bijna een kilometer, sta ik dan eindelijk aan de bushalte. Vijf minuten voor de bus zou aankomen, neem ik mijn telefoon en start de app op. Een foutmelding verschijnt al onmiddellijk dat het apparaatje geen verbinding kan maken. Ik zie dat het icoontje dat informatie geeft over het netwerk er helemaal niet is. De eerste scheldwoorden vliegen al mompelend in het rond. Dan maar een iets duurder SMS-ticket bestellen. De mompelende scheldwoorden veranderden al snel in goed verstaanbare vervloekingen als ik merk dat er een probleem is met de fakturatie ervan. Mijn aankoop gaat niet door. Een tweede maal proberen geeft geen oplossing. Ik word stilaan wanhopig, ik heb geen enkele manier om een ticket te kopen. Geen aankooppunten, geen SMS-ticket, geen app-ticket en geen aankoop in de bus, want wie heeft er vandaag de dag nog cash geld bij zich. Alle betalingen doe ik tegenwoordig via kaarten en app’jes, als ik tenminste een netwerkverbinding heb. In de steden is dit hoogstwaarschijnlijk helemaal geen probleem, maar op het platteland is dit een heel ander verhaal.   Intussen staat de tijd niet stil en komt de bus ongetwijfeld dichter en dichter. Ik ga een eindje verder staan, z’n honderd meter van de bushalte en zie dat het netwerk-icoontje plots verschijnt. Op hoop van zegen probeer ik nogmaals het app’je. Met succes deze keer. Ik zucht van opluchting, juist op tijd want de bus komt eraan. Elf minuten te laat. Vanaf nu kan ik me laten rijden door al die hindernissen die me mateloos irriteren als ik met de wagen rijd, nu kan ik rustig genieten van het landschap. Nadat ik ben aangekomen in de stad moet ik een andere bus nemen, omdat mijn afspraak aan de andere kant van de stad is. Maar mijn eerste ticket van een uur is nu verlopen, dus tijd om het tweede te bestellen. Nu zou je denken dat de plaats waar ik sta, voor mij de grootste busterminal van het land, dat het netwerkbereik maximaal in orde was. Neen, hoor. Er is geen mogelijkheid om de app nog eens te proberen. Gelukkig zijn de eerdere facturatieproblemen in het voorbije uur plots verdwenen zodat ik nu wel een SMS-ticket kan bestellen. Het duurt veel te lang eer de goedkeuring voor mijn betaling binnenkomt en ik zie de bus die ik eigenlijk moet nemen, voor mijn neus vertrekken. Mijn medereizigers rondom mij horen mompelende scheldwoorden en glimlachen begrijpend. Dan maar de volgende bus, maar deze is een helse rit dwars door de stad waar de chauffeur ook nog eens een gezellige babbel doet van bijna tien minuten met haar collega die van de tegenovergestelde richting komt aangereden en zo het overige verkeer door de stad volledig blokkeert.   De rit terug naar huis is nog erger. Aan de busterminal, krijg ik amper vijf minuten om van perron één, door een wriemelende massa mensen en aanstormende bussen, naar perron vijftien te rennen. Dat is van de ene kant van de grootste busterminal van het land naar de andere. Maar gelukkig neemt de busmaatschappij hun tijdsschema niet zo nauw en sta ik, ruim op tijd en hijgend te wachten op een overvol perron. Mijn ergste nachtmerrie komt uit als de bus komt aangereden en iedereen op dat perron instapt. De bus was al snel overvol. Alle zitplaatsen worden al snel bezet en de middengang wordt volgepropt met bagage en mensen. Als ik en al die andere medereizigers, die in de bus zijn gepropt, kalveren waren geweest, dan werd deze vervoersmaatschappij zwaar beboet. Want op vervoer van dieren staan strenge regels. En dit voor het welzijn van de dieren. Niet voor mensen, blijkbaar. De hele rit terug is een evenwichtsoefening van hoog niveau. Al die rechtstaande mensen, die vooral bezig zijn met hun telefoon, moeten zich in elke bocht staande weten te houden. Aan elke halte waar de bus stopt, hoop ik dat er mensen uitstappen. Maar er stappen geen mensen uit. De nieuwelingen worden er gewoon bij ingepropt. Onderweg denk ik eraan om mijn SMS-ticket, dat weldra gaat verlopen, te verlengen. Maar ik weiger dit te doen. Ik betaal niet voor zulk een slechte service. Ik betaal niet voor een busreis van meer dan een uur die ik rechtstaand moet ondergaan. Deze situatie is levensgevaarlijk, zelfs levensbedreigend. Al die mensen die rechtstaand zonder gordel tegen negentig per uur over de snelweg denderen. Dit moet wel in strijd zijn met een of andere wet. En ik weiger pertinent te betalen voor iets dat illegaal is, want dan ben ik medeplichtig. Uiteindelijk komt er een einde aan mijn lijden en kan ik uitstappen, nadat ik me over al die bagage en langs al de mensen in de middengang een weg heb kunnen banen. Eén ding staat vast; Dit nooit meer. Dan nog liever zelf met de wagen. Geen gesakker met tickets, geen overvolle bussen en geen afhankelijkheid meer van gefrustreerde buschauffeurs. Dit is een belofte die ik mezelf maak, terwijl ik opgelucht en doodmoe de zetel in plof. Ach, was ik maar een kalf.

Gino Van Lommel
24 0

De trein...oh zo fijn!

Het is weer van dat… trein naar de luchthaven van Zaventem nu op spoor 2 in plaats van spoor 1. Al jaren kwam hij aan spoor 1 maar ook daar moest verandering in komen. Tot nu toe nog geen aankondiging van “de trein heeft zoveel minuten vertraging” dus ik sta recht want de sigarettenrook van de zittende man naast mij komt in mijn ogen terecht.    Ik maak me klaar om op het perron een goede plaats te vinden om meteen te kunnen opstappen en een zitplaats in de trein te hebben. Dan zie ik op het aankondigingsbord dat de trein toch 5 minuten vertraging heeft. Ik was beter blijven zitten op één van de weinige ongemakkelijke stoeltjes op het perron van Leuven want rechtstaan is niks voor mij. Daar krijg ik pijn van in mijn onderrug en dan kan ik niet fatsoenlijk meer stappen.   Ook al kondigen ze aan dat de trein vertraging heeft, dat wil dan nog niet zeggen dat dat werkelijk zo is. Hij komt toch op tijd aan. Ik heb niet de juiste plaats gekozen op het perron om meteen te kunnen opstappen. Alweer aanschuiven dus… zoals elke ochtend het geval is.    Ik zie dat er geen plaats is in 2de klasse maar wel in 1ste klasse. Ik volg mijn instinct en ga in 1ste klasse zitten. Oef, ik zit eindelijk neer en hoef niet recht te blijven staan, zoals de meesten doen. Ook al is de rit van Leuven naar de Luchthaven van Zaventem maar 13 minuten als alles goed gaat natuurlijk, stilstaan probeer ik dus zoveel mogelijk te vermijden. Ik zet me meteen in een hoekje in de hoop dat ik niet word gezien door de treincontroleur. Het is een vrouw dus ik kan haar niet verleiden met mijn charme. Ik blijf beter gewoon zitten … wel met een ei in mijn broek, geen zin om een boete te betalen.   Als ze komt, denk ik, dan zeg ik haar gewoon dat ik niet kan recht blijven staan en vermits de 2de klasse vol zit, is dat voor mij een goede reden, als men empathie heeft natuurlijk. “Stel dat ze moeilijk doet, dat ze aandringt dat ik naar de 2de klasse moet”, dan zou ik kunnen zeggen dat de NMBS er maar moet voor zorgen dat er meer wagons ter beschikking moeten worden gesteld voor de reizigers en dan vooral ’s ochtends, op de piekuren en tijdens de zomer want dan zit er het meeste volk op. Ik had dat waarschijnlijk niet gezegd… De treincontroleur kan daar toch niks aan doen.    Een brief schrijven naar de NMBS? Tja, als er veel mensen dat zouden doen, dan zou het misschien iets opbrengen maar ik alleen? Dat brengt niets op. Ik schrijf veel liever over interessante dingen, zaken waar ik ook iets van leer. Zoals hier, ik heb geleerd dat ik alleen maar kan proberen, dat je altijd een nee hebt maar dat je misschien een ja kunt krijgen, en dat geldt voor alles.    Dus proberen te schrijven, in de hoop dat er iedere dag iets “out of the box” gebeurd, en proberen op deze manier ook andere mensen iets bij te leren. Just try it, whatever it is you want to do en je zult wel zien: moest het niet lukken, dan heb je het toch geprobeerd en dat alleen maakt je al zoveel rijker.    Ik was opgelucht toen de trein aankwam in de luchthaven. Ik hoop dat ik zoiets niet meer moet meemaken. Als dit het geval zou zijn, dan zou ik precies hetzelfde doen: gaan zitten in eerste klasse. Misschien zou ik wel een klacht indienen bij de NMBS en hopen dat ze me een gratis ticket geven… in eerste klasse!

Inge Lanneau
0 0

De blik in haar ogen, dat is kunst

Ze kwam naast me staan en ik wou haar vragen ‘Wat vind jij van dit schilderij?’   Of beter: zes schilderijen. Ik was immers al minutenlang naar een reeks van zes hyperrealistische schilderijen van Robert Devriendt aan het staren, en zo kon ik nog uren doorgaan. De taferelen vormden een fascinerend kortverhaal voor mij, dat zich afspeelde op een broeierige, stoffige zomerdag, net zoals de dag dat ik besloot het Museum M te gaan bezoeken, eigenlijk. Een kortverhaal dat zo uit de pen van Raymond Carver had kunnen vloeien (lees zijn fantastische Gazebo), of van John Cheever (lees zijn fenomenale The swimmer).   Maar net toen ik de mysterieuze jongedame die naast me opdook wou vragen wat haar mening was, verdween ze. En dook ze weer op bij een volgend kunstwerk.   Tussen een majestueus wandtapijt van Jan van Leefdael en een majestueus drieluik van Michiel Coxie, prijkte een groen vlak. Jazeker: een volledig groengeverfd paneel van Marthe Wéry. Ik herinner me een bezoek aan het Groeningemuseum in Brugge, in het eerste jaar van mijn lerarenopleiding, waar de kunstwerken van eeuwenoud naar nagelnieuw geranschikt staan. Je begint dus bij de Vlaamse primitieven en eindigt bij een zwarte stip op een witte achtergrond. ‘Als je de route omgekeerd volgt,’ was ik toen zo stout om te zeggen, ‘dan bouwt het op.’ Niet helemaal waar, zo leerde het kasseidikke boek over kunst van Ernst Gombrich ons een jaar later: met de komst van het fototoestel werd het voor schilders minder belangrijk om de wereld zo realistisch mogelijk weer te geven, dus zochten ze andere manieren om hun creativiteit te tonen. Hier in het Museum M hangen die moderne meesters kriskras tussen de klassieke, en dagen de vragen op de muur je uit om de verschillen te zoeken, en de gelijkenissen. Als er dan geen jongedame naast je staat met wie je over de kunstwerken kan discussiëren, kan je tenminste nog antwoorden op die vragen. Want ook bij het groene vlak dook het ongrijpbare meisje maar een fractie van een seconde naast me op. Toen ik mijn mond wou openen, was ze alweer weggedarteld.   Haar audiogids, die we aan de inkom bij ons ticket hadden gekregen, was in het Engels, ving ik stiekem op toen ze heel even heel dichtbij kwam. Bij een schilderij waarop een vredige wandeling door het bos verstoord wordt door een luguber bengelend lichaam aan een galg in de verte, hoorde zij dus niet de beschrijving die een Vlaams kind ervan gaf, maar die van een op en top Engelse bengel. Dit luisterfragment was een geniale toevoeging, die herinneringen opriep aan een gelijkaardige rubriek uit Man Bijt Hond, het televisieprogramma dat mij door en door gevormd heeft. En alles wat herinneringen oproept aan Man Bijt Hond verdient een standbeeld.   Ik volgde de kunstnimf met haar wapperende zwarte jurk nog door de zalen met historische voorwerpen uit Leuven, met Christusbeelden en met een video over de expo van Dirk Braeckman, maar daar was ze plots volledig verdwenen. Nooit heb ik haar teruggezien. Maar die blik in haar ogen? Dát is kunst.     Bezoek aan het vernieuwde M – Museum Leuven op 22 juni 2017

Felix Sandon
201 1

François

Hij houdt zijn rechterschoen in de lucht en inspecteert hem grondig. Het glanzende zwarte leer steekt af tegen zijn knoestige, met ouderdomsvlekken bezaaide vuist. Aan de hiel is het leer ondertussen niet meer dan een dun lapje, maar François weigert zijn trots in te ruilen voor een nieuw paar. Hij heeft de schoenen veertig jaar geleden speciaal op maat laten maken, passend bij zijn huwelijkskostuum. Nu draagt hij ze alleen op zondag, wanneer zijn kleinzoon op bezoek komt. Hij staat op, draait zijn doosje schoensmeer dicht, wikkelt het in zijn vod en bergt het op in het metalen ladekastje. t er even door. Hij kent dit moment.e gekregen omdat ze de vloer van de gangen te glad vond, maar daar zwijgt hij over. Nog een half uur wachten. Zijn kamergenoot ligt op bed een leger bij elkaar te snurken. Al jaren vraagt François om oordoppen op maat voor ’s nachts, maar dat soort doppen kost veel geld en men kan dat niet voor iedere bewoner doen. Paula heeft wel een speciaal looprekje gekregen omdat ze de vloer van de gangen te glad vond, maar daar zwijgt hij over. François weet intussen dat het leven zo werkt. Vroeger, in het achtste regiment, sliep hij ook naast een ongelooflijke snurker. Zijn maten waren vaak bang dat de vijand hun schuilplaats op een mooie nacht zouden ontdekken, maar François niet. Hij wist dat een nachtelijke inval te voor de hand liggend zou geweest zijn. Niets in het leven komt zomaar wanneer je erop wacht. Zoals die oordoppen. François strijkt een laatste keer met de palm van zijn hand over de neus van zijn rechterschoen, neemt de plastieken schoenlepel uit de kast en wringt zijn voeten in de schoenen. Vandaag komt hij echt Hij doet iets met computers, dat is nu de toekomst naar het schijnt. Hij heeft een tijd in Amerika gezeten maar is daar verliefd geworden op een Vlaamse die er op vakantie was. Binnen een paar maanden krijgt François zijn eerste achterkleinkind. De vrouw van Jan heeft hij nog nooit gezien en hij weet niet of het een jongen of een meisje wordt. Half twee. Hij is een half uur te laat. Zijn schoenen knellen intussen zo hard dat zijn beide benen al tot aan de knie tintelen. Niet toegeven, geen zwakte laten zien. Bijna vijftig jaar geleden heeft dat motto zijn leven gered, toen hij zonder verpinken twaalf kilometer met een kogelgat in zijn dij naar de dichtstbijzijnde legerpost aflegde. Het was de dag voor de bevrijding geweest, ze hadden net gelukzalig van een kop echte chicorei zitten slurpen die ze hadden gekregen van een boer. François kwam er met een kogel in zijn dijbeen vanaf, en met een spatje hersenen van de snurkende kadet op de neus van zijn rechterschoen. Sindsdien poetst hij zijn schoenen dagelijks. François zucht, duwt zich uit zijn stoel en schuifelt naar het toilet aan het eind van de gang. Niet dat hij echt moet, maar het is het enige dat hij hier nog om handen heeft. Zijn schoenen maken een onaangenaam gekraak op de blinkende beige vinylvloer. Twee nachten geleden was François ’s nachts wakker geschoten en had hij plots begrepen dat het leven zinloos is. Dat hij gewoon zit te wachten tot het voorbij is. De tijd is een smerig ding. Eerst laat ie je jarenlang ploeteren om je uiteindelijk te laten zien dat je het helemaal bij het verkeerde einde hebt. Neem nu Marleen. Na de oorlog heeft hij zijn leven gegeven om haar liefde terug te vinden. Zijn Marleen. Zijn vrouw. Het mooiste meisje van het dorp. Terwijl hij in de loopgraven werd beschoten door de vijand, was zij een vrouw geworden. Zijn tijd was blijven stilstaan, de hare was dubbel zo snel vooruit gegaan. Ze kregen na de oorlog nog vijf kinderen samen, maar hij was haar vanbinnen kwijt. En hij zou haar nooit meer terugvinden, hoe erg hij ook zijn best deed. François hijst zich recht van de pot en probeert zo goed en zo kwaad mogelijk zijn billen af te vegen, terwijl hij met zijn rechterhand tegen de koude muurtegels recht boven de metalen handgreep leunt. Hij heeft gewoon op de koude pot gezeten, dus echt vegen hoeft hij eigenlijk niet. Hij doet het toch, om soepel te blijven. De verpleging heeft hem al zo vaak gezegd dat hij moet bellen als hij moet gaan, maar hij wil geen jonge handen aan zijn olifantenvel. Hij wil niet aangeraakt worden door jonge veulens wiens tijd even bevriest tijdens de shift van acht uur die ze hier in het oudmannekeshuis komen draaien. Zeker in Bloemenveld is ‘tijd’ een verwrongen begrip. De bewoners worden er stuk voor stuk door ingehaald. Laat hen maar lijsten opstellen van dingen die ze nog willen meemaken. Achterkleinkinderen die nog geboren moeten worden. Memoires die nog gepubliceerd moeten worden. François is slimmer dan dat. Hij weet dat niets in het leven komt zoals je het verwacht.

Annelies Leysen
0 0

Redenaarskunst in het salon

Weet u nog toen u bij mijn artikel genaamd dromenvanger ‘het openen van een onafhankelijke boekhandel’ zag verschijnen? Wel, ik heb het licht gezien. Eerder het lumineuze idee aangevat om de koe bij de horens te vatten en mijn idee scherp te stellen. Na alweer een paar illusies armer te zijn bij de zoektocht naar een aansluitende functie vermeerderd met het oneindige wachten op de uitkomst van de tergend trage selectieprocedures van wat hoegenaamd ‘wel eens de job van jouw leven zou kunnen zijn’, neem ik mijn verantwoordelijkheid op. Ik wens niet langer in mijn lot te berusten. Nee, ik ga de toekomst met opgeheven hoofd tegemoet: een concept in de broekzak en heel wat broedende ideeën in het achterhoofd. Ik behoor tot de generatie die in een vingerknip een concept de ondernemerswereld tracht binnen te loodsen. Steevast heb ik de neiging om mijn concept af te toetsen: terwijl je elke dag met verse bloemen en taarten dient uit te pakken, blijven boeken verder bloeien en weten mensen ze te smaken net zoals een citroentaartje.   Een onafhankelijke boekhandel – met nadruk op de term onafhankelijk – net zoals de doorsnee Confituur – boekhandel. Hetgeen me brengt tot ons bezoekje aan de eveneens onafhankelijke boekhandel Beatrijs te Oudenaarde. Eens we het boekenwalhalla betraden, voelde ik de onpersoonlijkheid naderen. Ik kreeg meteen de ingeving dat ik het helemaal anders zou aanpakken: in tegenstelling tot het volstouwen met boeken waar een kat haar jong niet meer kan terug vinden, zou ik me bij voorkeur beperken tot een grote sectie literatuur, een kleinere sectie thrillers, dan weer een grotere sectie filosofie en geschiedenis, … Het is vooral belangrijk dat je zelf de weg kunt wijzen. Dat jouw concept een inkijk biedt in jouw persoonlijkheid. Dat je de lezer kunt adviseren en indien gewenst, suggesties naar voren kunt brengen.   Fundamenteel aan een boekhandel is het voorzien van een leeshoek, waar mensen tot rust kunnen komen, zich even kunnen terug trekken in de wereld van een boek, ondertussen een koffietje slurpend  en/ of met vrienden van gedachten kunnen wisselen. Naast een leeshoek wil ik eveneens een schrijvershoek inrichten aangezien schrijven de ziel verruimt. De handeling draagt niet enkel een reflecterende waarde in zich maar ook een educatieve waarde. Het schrijfproces doet ons in eerste instantie nadenken over onderwerpen en laat ons vervolgens toe een opinie te creëren. De kracht die er van uitgaat, is hoe ironisch het moge klinken – onbeschrijfelijk. Het leidt je tot een wereld waar je kennis maakt met diepere regionen. Een verrijking voor de geest vindt plaats.   Mijn idealistisch beeld leidt tot het ontspruiten van een literatuur- en cultuurhuis waar lezers, schrijvers, kunstenaars, filosofen, kortom elke redenaar een plek moge vinden om niet uitsluitend het literaire maar ook het artistieke en het culturele te beleven. De creatie van een ontmoetingsplek waar de redenaarskunst ten volle tot zijn recht komt aan de zijde van een koffietje, aangevuld met heerlijke streekproducten. Zo’n plek zou ik alvast intens koesteren.   Mocht deze beschrijving nog geen belletje doen rinkelen, hier krijgt u de sleutel op een presenteerblaadje: het idee doet me wegdromen naar de salons van eind negentiende eeuw, begin twintigste eeuw waar kunstenaars, filosofen, schrijvers, redenaars, kortom verlichte geesten die de kunst van het leven trachtten te vatten, op gezette tijdstippen hun visies op tafel gooiden en elkaar trachtten te overreden met vele doorwinterde argumenten.   Ik ontwaak en lijk te beseffen dat de vervlogen tijden van de salons niet meer terug te vinden zijn. Ook niet in een moderne variant. Heimwee. ‘Hoe kun je heimwee hebben naar iets wat je nooit gekend hebt?’ zouden realisten me vragen. ‘Wel, zou ik hen prompt antwoorden, de overtuiging rust in de kracht van de beleving.   Net zoals diezelfde kracht van beleving me meevoert naar de uitwerking van dit concept. Hoezeer ik een literatuur- en cultuurhuis – in afgezwakte vorm een boekhandel – wens te realiseren, hoezeer ik het benauwd krijg van vervlogen tijden. Gevangen in deze tijdrekening maar overduidelijk een verschijning van de tijdsgeest van toen.

kimwatte
0 0

Gloed

Een opwelling van kunst en literatuur stuwt me dezer dagen voorwaarts. Terwijl mijn professionele bezigheden op een laag pitje vertoeven, kent mijn creatieve geest ongekende hoogtes. Er zijn dagen dat ik de prikkels voel stromen. Spontaan stroomt mijn gedachte naar de prachtige kunstwerken met roze gloed bij het bezichtigen van de tentoonstelling ‘Oer’. De roze gloed, waar te nemen op de werken van Leon De Smet (Roze Harmonie) en Rik Wouters (De roze laan), heeft me zo’n adembenemende indruk gegeven.   Al een maand voel ik dat deze roze gloed het onderwerp van een nieuw blogartikel zou worden. Alleen ik kon het niet vatten. Verscheidene pogingen hebben me uit mijn lood geslagen: wat schrijf je over deze roze gloed? Toch volharde ik om een ode aan de Latemse school te brengen. Ik was verbijsterd hoe zo’n deel van de schilderkunst jarenlang een zwarte vlek voor me kon blijven. Hoe komt het dat we steevast tijdens onze schooltijd de grote meesters uitgebreid inspecteren maar in het ongewisse blijven over een Vlaams geïnspireerd impressionisme? Ik denk aan het fantastische werk ‘Interieur’ van Leon De Smet of ‘De ijsvogels’ van Emile Claus. Nooit vergeet ik het avondlicht badend in een roze gloed, uiting gevend aan het illuminisme. Het boerse leven oogstrelend op doek gebracht. Jawel, Vlamingen zijn boeren. ‘Oh, wat leuk, ze hebben aan me gedacht!’Je zou haast het harde labeur van de stiel vergeten gezien de poëtische manier waarop het boerenleven in kaart wordt gebracht.   Daar tegenover, een meester waarvan het contrast niet groter kan zijn: het ijle vertolkt door Spilliaert. Onze gedachten dwalen maar het is niet zoals bij een kleurrijk werk of een veelzijdig werk waarbij onze ogen alle kanten uitrollen om zoveel mogelijk elementen te omvatten. Nee, hier dwalen ogen op zoek naar de dieperliggende betekenis. Die focus op de zwarte gloed in ‘De eenzaamheid’ waarbij de vrouw als een zwarte kraai wordt afgebeeld. Misschien symbolisch voor een slechte persoonlijkheid? Haar gezicht nors, eerder bedroefd. De pruillip en geknelde handen vormen opmerkelijke elementen: Zou deze vrouw zopas haar veto hebben gesteld?   We laten de duistere symboliek voor wat ze moge zijn en trekken naar Permeke. Ook hier kan met het schilderij ‘Het zwarte brood’ het contrast met de idyllische boerse taferelen niet groter zijn. Permeke geeft het ruwe weer van het landbouwleven, de vereenzelviging van de boer met zijn eenvoudig bestaan.   Geef me toch maar die kleurrijke gloed, als bij de taferelen van Rik Wouters. Ogen worden werkelijk aangezogen door de veelheid aan kleur. Verbouwereerd door de roze gloed als hierboven beschreven, valt ondanks de geweldige mengelmoes aan kleuren toch de harmonie en de ingetogenheid van zijn werk op. Binnenkort staat zijn retrospectieve op de agenda..

kimwatte
12 0

Oogkleppen

Als zombies lopen we mee met de massa, luisterend naar wie ons met mooie praatjes recht naar het slachthuis leidt. Mooi in de maat. Onze oogkleppen beperken onze visie. Onze koptelefoon speelt enkel propaganda. Hoewel onze handen niet gebonden zijn, wil niemand de koptelefoon afnemen en luisteren voor zichzelf. Geen mens die zijn oogkleppen vernietigt en naar boven kijkt. Terwijl ik meewandel met de gedachteloze zie ik hoop. Één persoon kijkt omhoog. Haar propaganda gaat uit. In plaats van haar schouders voorover gebogen te houden, staat ze rechtop. Klaar om haar vleugels te spreiden en vrij te zijn, maar al snel volgt de zeis. Het scheert rakelings boven de hoofden van de wandelaars. Ze zet het op een lopen. Tegen de richting in. Weg van het einde, mijn richting uit. Hoe dichter ze bij mij komt hoe dichter de dood bij haar komt.   Ze botst tegen me aan. Ik neem haar vast en duw haar hoofd naar beneden. De zeis mist haar. Zonder een woord te zeggen, neemt ze mijn hand vast en sleurt ze me mee. Eerst stribbel ik tegen, maar dan evenaar ik haar snelheid. We duwen iedereen van ons pad. Het einde van de massa is in zicht. We bereiken het. Mentaal en fysiek kapot puffen we uit. Dan zien we een klif. Naast elkaar gaan we samen met onze tenen net over de rand staan. We zien de échte wereld. Een oogverblindende plek met groens zo ver als onze ogen kunnen zien. Bergen die de hemel in reiken. Dieren die recht uit sprookjes lijken te komen. We kijken elkaar recht in de ogen en knikken. Dit is hoe de wereld kan zijn.   We verbreken de verbinding van de propaganda en schreeuwen de mensen onze kant op. Één voor één kijken ze op en draaien ze zich om. Het geluid is veranderd, maar de oogkleppen blijven. Al sprintend bewegen ze zich in groep naar de nieuwe wereld, maar in hun haast vertrappelen ze elke, laatste bloem. Ze stoppen en kijken naar ons. We beloofden ze vrijheid, maar die hebben ze niet. Ze jagen ons na.   Met tranen in de ogen beseffen we het. De massa voelde zich al vrij dus vergeten ze de oogkleppen. We laten de propaganda terug spelen en zoeken ons eigen geluk.

Sander Maertens
0 0

De onschuld zelve

Elk jaar werd één kind uitverkoren om een reis naar de zon te maken.  Vorig jaar was het Indaia’s buurmeisje.  Ze had het zo naar haar zin dat ze nog steeds niet terug was.  ‘Kom op Indaia, borstel je haren, ze moeten glanzen als goud.’  Mama legde een borstel op tafel.   ‘Mama, waarom heb je rode ogen?  Het lijkt alsof je gehuild hebt, is er iets?’   Mama kneep haar ogen toe.  ‘Nee, meisje, ik heb last van mijn hooikoorts, maak je maar geen zorgen.  Het wordt een fantastische dag.  Ik ga alvast de bloemen halen.’  Mama sloeg de deur toe voor Indaia nog iets kon zeggen.  Het was zo leuk de uitverkorene te zijn.  Indaia’s vriendinnetjes waren jaloers omdat zij nu zou weten wat de volwassenen tijdens de zonnewende deden.  Ze had een prachtige witte jurk mogen kiezen.  En nog belangrijker: ze kon gaan reizen en de wereld ontdekken!  Als ze helemaal uitgereisd was, zou ze terugkomen met honderden verhalen om aan haar vriendinnen te vertellen.   ‘Indaia, kom, het is tijd.  Zet de bloemenkrans op je hoofd en doe je witte jurk aan.  Mama frunnikte aan Indaia’s haar en bekeek haar vanop een afstandje.  ‘Je bent zo mooi, een echte fee.’   En weer had ze last van haar hooikoorts, haar ogen traanden en er liep snot uit haar neus.  Ze rende weg om een zakdoek te nemen. Samen liepen ze de voordeur uit, plechtig, zoals het moest.  Naar het feest.  Een grote stenen altaar was op het dorpsplein gezet.  Hier en daar zag Indaia mensen huilen: haar moeder en vader, de buurvrouw.  Ze beklom de treden naar het altaar, vol verwachting voor wat komen zou.  Iedereen hield zijn adem in.  Indaia, de onschuld zelve.

Joke Thiry
0 0