Lezen

Het Lied Van De Zee

38 643 tekens, inclusief spaties   Het lied van de Zee   1.   Het water klotste zacht tegen de dijken aan. Het was redelijk kalm vanavond. Er was geen enkel schip meer te zien aan de horizon. Enkel de donkerblauwe zee en de bloedrode zonsondergang. Dit was hoe Mara, een doodgewoon 12-jarig meisje, het liefst haar tijd doorbracht: kijkend naar de zee. Maar toch vooral luisterend, want zij, dit heel gewone meisje, hoorde iets wat niemand anders horen kon. Als zij zich afsloot van alle drukte om haar heen, kon ze de zee horen. Niet alleen de golven die tegen de dijken beuken, of het frisse briesje dat vrolijk zijn deuntje fluit op het strand. Nee, dit was iets helemaal anders. De eerste keer dat Mara het gehoord had, had ze haar oren niet kunnen geloven. Het klonk alsof er duizenden stemmen zachtjes meedeinden op de golven. En het stopte nooit. Meestal was het vrolijk en zacht. Maar soms, op hele donkere en regenachtige dagen, was het gezang wat somberder. Toch liet de zee zich enkel voor haar horen. De mensen keken haar dus maar met vreemde blikken aan als ze met haar ogen dicht en met haar tenen in het zand woelend stond te genieten van de prachtige melodie. Soms fluisterde de zee haar zelfs een paar van haar kostbare geheimen toe, in ruil voor één van de hare. Dus, bij nader inzien was ze eigenlijk helemaal nog zo gewoontjes niet. Integendeel. In de ogen van de mensen was zij maar een beetje raar, want iedere avond stond ze daar, op het strand, gewoon te staan. Niemand wist wat ze daar deed. Maar daar trok zij zich niets van aan. Ze dachten van haar maar wat ze wilden. De zee was haar enige, en beste, vriend.   Mara zuchtte. Een zacht briesje waaide door haar lange bruine haren. Het begon langzaamaan te schemeren en ze bedacht dat ze nog op tijd thuis moest zijn. Met tegenzin slofte ze terug naar de kade. Ze ging zitten op het bankje waar haar fiets naast stond. Snel wreef ze het zand van tussen haar tenen en trok haar kousen en schoenen weer aan. Ze keek nog eens naar de zee en fluisterde zacht:   “Tot morgen…”   Toen sprong ze op haar fiets en ging op weg naar huis. Enkele koppig overgebleven zandkorreltjes schuurden nog steeds tussen haar tenen. Ze zoefde door de straten en eenmaal thuisgekomen viste ze haar sleutels uit haar broekzak. Met veel moeite kreeg ze het slot open.   “Ik ben thuis!” riep ze de gang in.   “Hé schat! Ik zit boven, ik kom zo!” klonk het bovenaan de trap.    Mama zal wel weer aan het werken zijn, dacht Mara en met een plof zette ze haar boekentas neer onder de kapstok. Ze pakte haar boeken bijeen en ging aan de keukentafel zitten om haar huiswerk te maken. Wiskunde… Jakkes. Het leek wel een eeuwigheid te duren voor ze die verdomde oefeningen af had gekregen. Ze hoorde gestommel op de trap en even later ging de deur in de woonkamer krakend open. Mama kwam met de laptop onder haar ene arm en een tas koffie in haar hand de keuken binnen. De laptop belandde op de keukentafel en de tas was binnen de kortste keren alweer leeg.   “Hoe was je dag?” vroeg mama, over Mara’s bol aaiend.   “Euh… Goed”, mompelde die, “en de jouwe?”   “Oh... Ook wel ok…” mama zette zich met een zucht neer op de stoel tegenover haar.   “Het boek komt goed op gang… Nu hopen dat dat zo zal blijven”, ze glimlachte flauwtjes en veranderde snel van onderwerp.   Mama wist wel dat Mara haar anders weer zou bekritiseren om haar ‘werk’. Ze had immers nog nooit een boek echt uitgebracht. De uitgevers zagen er gewoon niets in. Misschien lag het aan de stress… Doordat haar man hen enkele maanden geleden had verlaten, zaten ze al snel in de schulden, al deed ze nog zo hard haar best. Ze wist ook wel dat Mara haar de schuld gaf, en terecht ook… Ze hadden moeten verhuizen naar een klein huisje aan de kust, dat haar ouders normaal verhuurden aan vakantiegangers. Maar tot haar verbazing was Mara dolblij geweest. Ach, wat hield die toch van de zee! Iedere avond stond ze daar op het strand. Soms maakte ze zich er een beetje zorgen over, maar ze liet haar maar doen. Ze deed immers niets verkeerd.     2.   De zon scheen zachtjes door het raam naar binnen. Weer een nieuwe dag… Mara trok zichzelf met grote moeite haar bed uit en slofte naar de badkamer. Ze kleedde zich sloom aan en friste zich even op. Ah! Dat was beter! Ze liep snel de trap af en ging rechtstreeks naar de keuken.   “Goedemorgen!” zei ze vrolijk, toen ze zag dat haar mama in de keuken al koffie stond te maken.   “Wauw, jij bent goedgezind vandaag zeg!”   “We gaan met de klas op uitstap, weet je nog?” vroeg Mara, nog steeds met een brede glimlach op haar gezicht.   “Ach, ja… Dat was vandaag.”   Niet moeilijk dat ze zo blij was. Ze gingen met z’n allen in de voormiddag naar het zeemuseum en dan naar de garnalenvissers kijken. Dat vond ze waarschijnlijk echt te gek. Nu hoefde ze niet te wachten tot ‘s avonds om naar de zee te gaan. Mara grabbelde snel enkele sneetjes brood uit de zak en smeerde ze vol confituur. Eén ervan at ze nu al op en de rest ging de brooddoos in. Ze keek vlug op haar horloge. Was het al zo laat? Ze had waarschijnlijk door haar eerste wekker heen geslapen… Snel trok ze haar jas en schoenen aan en gaf haar mama een kus op de wang.   “Tot straks!”   “Tot straks, mijn kleine zeemeermin! Veel plezier!”   Mara stak haar duim op en zwaaide nog eens. Ze pakte haar fiets uit de schuur, en weg was ze.   °°°   Middag… Nu zouden ze eindelijk naar de zee vertrekken… Het zeemuseum was best leuk en zo, maar toch kon het niet op tegen alle schoonheid van de echte zee. Om eerlijk te zijn had ze zich zelfs een beetje verveeld hier… Behalve bij de roggen. Die waren fantastisch! Ze waren ongeveer zo groot als een frisbee - misschien iets groter - en zaten in een tank op heuphoogte. Er zat bovendien geen bovenkant op, dus als je wilde kon je hen gewoon aanraken. Al hing er aan de muur duidelijk een bord met de boodschap dat dat absoluut niet mocht. Alsof dat nodig was! Mara zou nooit durven om die beesten aan te raken! Sommigen waren wat heviger dan de anderen en draaiden constant in het rond, maar een iets kalmere volgde Mara het hele aquarium rond. Als ze haar hand boven hem uit stak deed hij zelfs een soort van koprol. Dat vond ze geweldig.   Wel een kwartier lang had ze bij de roggen gestaan. Ze waren zo mooi… Ze leken haast door het water te vliegen. Jammer genoeg had ze hen maar gezien toen het bijna tijd was, dus kon ze niet lang blijven. Nu verveelde ze zich nog erger dan eerder…   Uiteindelijk hadden ze nog een uur en een half de tijd voor de rondleiding met de garnalenvisser. Ze gingen met zijn allen naar een klein hutje op het strand. Daar borg de visser al zijn spullen op. De man zelf kwam er even later ook bij staan. Hij begon uitbundig te vertellen over zijn beroep:   “Wist je dat garnalen…”   De rest hoorde Mara al niet meer. Waarom zou zij nu ook maar iets geven om die stomme garnalen… In plaats van te luisteren naar hun gids, luisterde ze naar de zee. Ze was prachtig aan het zingen, net als altijd. Mara genoot er dan ook met volle teugen van. Maar toen merkte ze pas iets. Het gezang… Het had een soort van droevige ondertoon. Het was nochtans een prachtige dag vandaag. Bezorgd luisterde ze wat beter. Misschien had ze het verkeerd gehoord… Maar nee, daar was het weer! Een bijna wanhopig stemmetje tussen alle anderen. Vreemd, dacht Mara, dit is nog nooit gebeurd… Ze was zo in gedachten verzonken, dat ze niet doorhad dat alle ogen op haar gericht waren.   “Wat?“ vroeg ze onthutst.   De kinderen van haar klas barstten in lachen uit. Ze lagen allemaal in een deuk, behalve Niels, die alleen een beetje flauw grijnsde.   “Voor jou is het ‘wablieft?’ jongedame!” zei de juf streng. Ze had er in de klas nog zo op gehamerd dat ze moesten opletten tijdens de rondleiding!   “S… Sorry…” mompelde Mara.   Ze werd zo rood als een tomaat. De kinderen waren nog steeds aan het lachen maar werden al snel de mond gesnoerd door de juf. De rest van de tijd lette Mara terug heel aandachtig op, om te voorkomen dat dit weer zou gebeuren. Maar met haar ene oor bleef ze nog steeds luisteren naar de zee. Ze vroeg zich af wat er in godsnaam kon zijn dat het lied zo verstoorde.   °°°   Het begon al een beetje donker te worden. Mara zat op de veranda haar huiswerk te maken. Het was toch warm genoeg, waarom dan binnen zitten? Ze keek haar taak nog eens vlug na en stak ze toen in haar kaft.   De uitstap was best meegevallen vandaag, behalve dan dat ze door haar hele klas was uitgelachen... Na het uitje had ze ook besloten om niet meer te stoppen aan de kade. Ze wou het trieste lied dat de zee vandaag zong niet nog een keer horen. Ze dacht dus maar af te wachten tot morgen om te kijken of het was gebeterd.     3.   Het was niet bepaald verbeterd… Het was nog erger geworden. Mara was de volgende dag weer terug gegaan naar de zee, maar het lied was nu niet enkel verdrietig, nee, het klonk bijna wanhopig! Als een roep om hulp. Mara was uiterst bezorgd. Wat was er aan de hand met haar geliefde zee? Sindsdien was het ook alleen nog maar verergerd, vandaag zag het meisje er zelfs een beetje tegenop om naar het strand te gaan. Toch besloot ze om te gaan, hopend dat alles weer normaal zou zijn… Maar nee. Ze hoorde de zee al van heel ver nu, bijna schreeuwend. Het geluid deed haar angstig ineenkrimpen. Toen ze op het strand aankwam, zag ze dat zelfs de golven onrustig waren. Wat was er gaande dat zo erg was dat zelfs de zee er onrustig van werd? Ze trok haar sokken en haar schoenen uit en stapte het strand op. Naargelang ze dichter bij het water kwam, werd het lied steeds luider, en dus ook de roep  om hulp. Toen ze dicht genoeg was, stak ze puur instinctief haar hand in het koude water.   “HELP!” klonk het opeens, gigantisch luid, overal om haar heen.   Geschrokken trok Mara haar hand terug en viel met haar achterste in het natte zand. Wat was dat? Ze haalde zwaar adem. Haar oren suisden. Was dat de zee die zo had geschreeuwd? Onmogelijk! Heel behoedzaam stak ze haar hand weer in het water, zich schrap zettend voor wat misschien komen zou.   “Help mij!” klonk het weer, iets zachter weliswaar.   “Wie… Wie zegt daar iets?...”   “Ik ben de zee! Alstublieft! Help mij!”   Mara kon haar oren niet geloven… Kon ze nu ook al met de zee praten?   “Hoe kan ik jou dan wel helpen? Je bent een zee!” zei ze, nog steeds niet zeker van haar stuk.   “Alstublieft…” jammerde de stem zachtjes in haar hoofd.   “Oké, oké! Wat moet ik doen?”   “Kom dichterbij...”   Mara keek vertwijfeld om zich heen. Als de mensen haar nu zo zouden zien praten tegen… nou ja, niets, in hun ogen, zouden ze pas echt denken dat ze gek was! Even nog leek ze te twijfelen maar toen stond ze op en liep met kleine pasjes het zoute water in. Ze zat nu zo diep als ze maar durfde en keek om zich heen. Ze peddelde en kwam met haar kin nog net boven water. Moest er nu iets gebeuren? Een poosje bleef ze maar wat trappelen, wachtend. Net toen ze het wou opgeven en terug naar het strand zwemmen, voelde ze iets aan haar been… Het trok haar naar beneden! Ze spartelde hevig tegen, maar toen greep nog iets haar andere been. Met veel geweld werd ze onder water getrokken…     4.   Wanhopig spartelde Mara nog steeds in het rond. Ze zou niet veel langer haar adem kunnen inhouden! Krampachtig had ze haar ogen dichtgeknepen. Ze lachte even in zichzelf. Ironisch toch? Ze zou sterven in de zee waar ze heel haar leven al zo van had gehouden… Ze voelde dat haar voeten inmiddels al de bodem raakten. Ze was verloren… Opeens klonk een diepe, zuivere stem overal om haar heen.   “Ho, maar! Ik zal je heus niet pijn doen! Je kunt gewoon ademen hoor!”   Een kristalheldere lach golfde door het water. Wat bedoelde de stem? Zij, ademen onder water?! Ze stond bijna op knappen. Als ze nu niet snel kon ademen… Paarse vlekken dansten voor haar ogen. Ze kon het niet meer tegenhouden. Met grote teugen ademde ze de lucht binnen. Wacht eens even… Lucht! Ze kon dus wel ademen! Nu ze wat gekalmeerd was, kon ze zien dat er zich een gigantische luchtbel rond haar hoofd had gevormd. Verbaasd keek ze om zich heen. Ze zag het typische groenige water van de zee en de oppervlakte boven haar hoofd. En… een hele hoop afval op de bodem overal rondom haar. De zee was ziek…   “Aha... Al een beetje gekalmeerd?” vroeg de stem nu.   “Euh… Ja?...” zei Mara aarzelend.   Ze keek gefascineerd toe hoe kleine luchtbelletjes zich losmaakten van haar ‘bellenhelm’ en omhoog zweefden naar de oppervlakte. Dat gebeurde iedere keer als ze uitademde.   De zee schoot weer in de lach. Wat klonk dat mooi! Ze kon het niet laten om zelf ook mee te lachen en een wolk van belletjes zweefde omhoog. Toen ze beiden weer een beetje waren bijgekomen, begon de zee terug te praten.   “Fijn om je eens van dichtbij te zien, je staat altijd zo ver weg op het strand!”   “Tja, ik kan ook niet iedere dag met een nat pak thuiskomen…”   “Dat is dan ook weer waar”, grinnikte de zee.   “Ik heb eigenlijk ook een vraagje voor u…”, stamelde Mara.   “Waarom is uw lied de laatste tijd zo triest?”   “Daarom heb ik je naar hier gebracht, lieverd. Ik zit in de problemen.”   “Hoezo?”   “Wel… Een paar weken geleden kwam er een nieuw schip aan de kust en ik dacht dat het gewoon weer een van die vissersboten was… Maar nee... Het schip kwam midden in de nacht weer terug, echter deze keer had het iets bij. De kapitein heeft gewoon al zijn afval en vuiligheid gedumpt! Sindsdien komt hij om de paar dagen terug. Al mijn vissen en plantjes gaan dood! Ik ben ten einde raad… En aangezien jij de enige bent die mij kan horen…”   “Maar… Hoe kan ik nou helpen? Ik ben nog maar een meisje! Net 12 geworden vorige zomer!”   “Ik weet het… Ik vraag je alleen om het te proberen…’’   De stem van de zee klonk nu echt wanhopig, smekend bijna, en Mara kon het niet over haar hart krijgen om te weigeren. De zee had haar immers al heel haar leven lang naar haar wonderschone lied laten luisteren... Zij was er altijd voor haar geweest…   “Ik zal mijn uiterste best doen”, zei ze dus, dapperder dan ze zich eigenlijk voelde.   Hoe zou zij, gekke Mara die iedere avond naar de zee luisterde, ooit die boot kunnen tegenhouden? De zee zelf echter was heel gelukkig.   “Dankjewel! Ik beloof dat ik mijn mooiste lied voor je zal zingen als het je lukt! Veel succes Mara!”   Zonder verdere discussie voelde Mara de greep op haar benen wegvallen, en meteen ging ze de wolk van belletjes achterna, naar de oppervlakte. Toen ze boven kwam plofte de bel rond haar hoofd en ze zwom snel terug naar het strand. Uitgeput van het zwemmen sleepte ze zichzelf het zand op. Maar toen ze zich recht zette, merkte ze dat ze niet eens nat was. Ze schudde haar hoofd. Vreemd…         5.   De vragen bleven malen in Mara’s hoofd… Hoe kon het dat de zee kon praten? Hoe kon ze überhaupt droog zijn, na zo’n eind gezwommen te hebben? En waarom kon alleen zij de zee horen? Maar ook, hoe zou ze die boot stoppen? Op geen van die vragen wist zij het antwoord. Was ze gek aan het worden? Wat moest ze nu doen? Ze had echt geen flauw idee… Na een hele tijd te piekeren, besloot ze dat het beter was om er even niet aan te denken en er gewoon een nachtje over te slapen. Ze ademde eens diep in. Alles zou wel weer goed komen. Ze zou morgen weer naar school gaan en de zee zou weer zingen zoals ze altijd had gezongen. Het was allemaal gewoon een droom geweest… Toch?   Die nacht kon ze de slaap  niet vatten. Haar plan om niet over de vreemde gebeurtenissen van de afgelopen dag te denken, viel compleet in het water. Net zoals eerder vlogen de gedachten rond in haar hoofd. Ze stelde zich nu al voor hoe ze daar als een zombie in de klas zou zitten… Toch trok ze zich die ochtend weer met veel moeite haar bed uit. Het was woensdag, wat betekende dat het maar een halve dag was. Ze klaarde al een beetje op. Ze zou dus geen hele dag in die suffe klas moeten zitten.   °°°   Sneller dan ze had verwacht ging de laatste bel. En nog sneller zat ze op de fiets, op weg naar huis. Toen ze de straat door moest die het dichtste bij het strand lag merkte ze iets op. Het was stil. Te stil. De zee.... Nu zong ze al helemaal niet meer! Ze nam snel een afslag en bleef op de kade staan. De golven bewogen amper en het water leek meer teruggetrokken dan anders. Ook lag er meer afval op het strand dan normaal. Haar hart sloeg op hol… Was ze te laat gekomen? Die boot was vannacht vast weer langsgekomen… Haar zee… Hoe durfden die hufters haar te kwetsen! Ze werd woedend. Nu was het genoeg geweest! Ze zou hen laten boeten! Hoe ze het ging doen maakte haar niets uit, maar zo kon dit niet blijven doorgaan! Ze balde haar vuisten.   “Ik ga je helpen…” mompelde ze in de richting van de zee.       6.   Heel die verdere namiddag zat ze te broeden op een plan en na een tijdje was ze eindelijk op een idee gekomen. Aangezien afval storten in de zee toch illegaal is, moest zij eigenlijk niet veel doen. Ze moest enkel de sluikstorters betrappen en de politie bellen! Die zouden hen dan wel inrekenen. Maar achteraf gezien zou het misschien toch iets moeilijker kunnen worden… De boot kwam immers maar om de paar dagen en steeds ‘s nachts. Hoe ging ze ooit midden in de nacht het huis uit kunnen sluipen? Haar moeder zou het meteen doorhebben! Die zat namelijk iedere avond tot middernacht te werken aan dat verdomde boek… En als ze dan eindelijk klaar was voor die dag, kwam ze altijd nog eens door het kiertje tussen de deur kijken. Dan zuchtte ze altijd heel diep en slofte terug naar haar eigen kamer. Mama had veel te veel zorgen… Ze dacht waarschijnlijk zelfs dat zij haar de schuld gaf van alles. Papa die wegging, de verhuis… Mara wou dat ze haar kon helpen. Ze schudde haar hoofd even. Ze was aan het afdwalen. Hoe ging ze mama omzeilen zodat ze nog naar het strand kon ‘s avonds?     De hele avond had ze erover gedaan om haar plan tot in de puntjes uit te werken. Morgen zou ze het al in gang zetten. Er was geen tijd te verliezen. Ze ging haar mama vertellen dat ze bij Line ging slapen, en Line zou dat wel bevestigen. In ruil voor een paar weken geen huiswerk dan toch. Dat zou Mara dan in haar plaats doen. Zo kon ze ongemerkt ’s nachts naar het strand. Toch… Mara vond het verschrikkelijk om zo tegen haar moeder te liegen… Maar het was voor de zee, haar zee.   Ze sloot uitgeput haar ogen en viel bijna onmiddellijk in slaap.         7.   Vanavond zou Mara de eerste keer naar de duinen gaan om te proberen om die sluikstorters te betrappen… Puur door de zenuwen was ze die ochtend maar liefst een kwartier te vroeg klaar. Maar door diezelfde zenuwen wou ze ook niet blijven stilzitten. Ze stond op en grabbelde haar spullen bijeen. Ze had besloten om maar eens naar het strand te gaan, om een goede plek uit te zoeken om over de zee te waken. Ze had toch tijd over! Ze sprong de fiets op en ging op weg.   Toen ze daar aankwam was de zee muisstil… Mara kreeg het er benauwd van. Ze schudde het van zich af en speurde zorgvuldig de duinen en het strand af. Waar zou ze zich vannacht kunnen verstoppen? Aha! Daar! Een kleine verhoging in het gras! Dat was meer dan voldoende om zich achter te verstoppen. Ze zou afgeschermd zijn van de wind en ze had een goed zicht op de zee. Perfect! Maar nu was het echt wel tijd om naar school te vertrekken… Ze gooide snel haar boekentas weer over haar schouder en ging op weg.   School duurde net een eeuwigheid… Mara’s gedachten waren constant elders, piekerend over vanavond. Ze besloot om na school eerst naar huis te gaan. Zee of geen zee, zij moest nog steeds haar huiswerk maken. Plus, ze moest nog een paar spulletjes ophalen bij haar thuis...       8.   Na een paar minuutjes fietsen kwam ze thuis aan. Ze maakte eerst haar huiswerk, maar duwde al snel triomfantelijk de boeken van zich af. Ze zette zich recht en liep de bureaukamer binnen. Daar lag ongelofelijk veel rommel en meteen begon Mara enkele schuiven open te trekken. Nu hopen dat het niet in een van de verhuisdozen zit…, dacht ze. Maar na even zoeken vond ze het dan toch. Een kleine verrekijker. Die zou heel goed van pas komen straks. Verder nam ze nog een klein rugzakje met een zaklamp en wat eten mee. Snel deed ze haar dikke winterjas aan, het kon nu eenmaal heel koud worden aan zee, zeker ‘s nachts. Ze ging nog snel gedag zeggen tegen haar mama en vertrok.   Even later kwam ze op de kade aan. Het was nog redelijk vroeg maar toch begon het al stevig af te koelen. Ze zette haar fiets op slot naast een bankje en klom de duinen op. Toen ze het plekje terug had gevonden dat ze daarnet had uitgekozen, plofte ze zich neer. Ondertussen was het al bijna vijf uur. Haar maag gromde luid in protest. Ze had door al dat gedoe nog niet gegeten… Maar ze was voorbereid. Ze viste snel een goed dichtgeknoopt boterhammenzakje tevoorschijn. Niet ideaal als avondeten, maar ja… Ze had het er zeker voor over. Nadat ze haar boterhammetjes met kaas op had, grabbelde ze ook de verrekijker uit haar rugzak. Ze maakte het zich gemakkelijk, of toch zo goed als, en maakte zich klaar voor een wel heel lange nacht… ze moest immers wel wakker blijven natuurlijk, anders zou die boot haar misschien ontgaan. Toch verwachtte ze niet dat er veel ging gebeuren vannacht. De kans was namelijk heel klein dat het schip zich vandaag al zou vertonen. Haar geliefde zee had haar immers al verteld dat ze maar om de paar dagen van zich lieten zien. Maar, rond zeven uur ’s avonds zag ze iemand over het strand kuieren. Wat kwam die hier nog doen? Nieuwsgierig keek ze eens door haar verrekijker. Het was Niels! Ze herkende hem direct aan zijn korte, donkerblonde piekhaar dat alle kanten op stak. Niels was een beetje de buitenstaander van de klas. Plus, hij was ongeveer een halve kop kleiner dan haar… Waggelend liep hij verder over het strand, met een reusachtige camera… Blijkbaar lukte het niet zo goed om die op te zetten. Ze hoorde hem nog tot in de duinen vloeken. Ze besloot om eens een kijkje te gaan nemen.   “Hé, wat doe jij hier nog zo laat?” vroeg Mara dus toen ze dichterbij was gekomen.   Niels schrok zich een hoedje. Hij draaide zich bruusk om en hield zijn hand tegen zijn zwaar kloppende hart, dat zelfs nog harder begon te kloppen toen hij zag dat Mara daar voor hem stond.   “Wauw… Jij kunt een mens laten schrikken zeg… Ik ben gewoon een paar foto’s aan het trekken…”   “Oh… Waarom?” vroeg Mara nieuwsgierig.   “Gewoon… Omdat ik dat leuk vind, denk ik… Wat doe jij hier eigenlijk?” kaatste hij de bal terug. Hij hield tussen het praten in krampachtig zijn adem in van de zenuwen. Verpest het nu niet… Dacht hij in zichzelf.   “Euh… Niets! Ik, euhm…” wat nu gezegd, dacht Mara. Zou ze hem vertellen dat ze op wacht stond?   “Ik ben de zee aan het bewaken”, flapte ze er ineens uit. Ze beet op haar lip. Waarom zei ze dat nou?!   “Oh…” Niels trok een gezicht. Het leek wel of hij elk moment in lachen kon uitbarsten.   Mara maakte een flauw handgebaar en draaide zich om.   “Laat ook maar…” ze liep sloffend weg, terug naar haar schuilplaatsje. Niels kon zich wel voor zijn kop slaan. Hij had het weer gedaan…   “Wacht!” hoorde Mara opeens achter haar.   Wat nu weer? Ze draaide zich geërgerd om.   “Ik… Ik zal wel helpen met de wacht houden… Als je wilt?”   Mara keek hem een beetje raar aan. Meende hij dat nu? Toch, het zou veel gemakkelijker zijn met twee…   “Oké dan, als je belooft om me niet uit te lachen!”   “Beloofd!” zei Niels, met een brede grijns op zijn gezicht.   “Maar… Waarom bewaak je eigenlijk de zee?”   “Omdat er sluikstorters aan het werk zijn, en ik wil die stoppen”, zei Mara droogjes.   Niels knikte maar wat.   Samen liepen ze terug naar haar schuilplaats. Ze besloten om beurten de wacht te houden. Niels had dan weer voorgesteld om de eerste shift op hem te nemen. Zo kon hij onopgemerkt toekijken hoe Mara sliep. Haar bruine krullen lagen verspreid over het zand, en haar normaal zeegroene ogen waren vredig gesloten. Hij zuchtte diep.   “Slaapwel…” fluisterde hij haar zacht toe, al wist hij dat ze hem allang niet meer kon horen.       9.   Een hel… dat was de schooldag die volgde. Ze moesten gigantisch moeite doen om zelfs hun ogen nog maar open te houden, laat staan om ook maar een greintje aandacht te besteden aan de lessen… Al hadden ze met beurten gewerkt, nog steeds waren ze doodop. Hoe dan ook… Vandaag zou Mara terug naar het strand moeten, met of zonder Niels’s hulp. Hoe ze dat ging doen wist ze nog niet, want ze kon het excuus dat ze bij iemand ging slapen niet nog eens gebruiken… Maar ze kon ook niet het risico lopen om de sluikstorters te missen. Dan zou het haar nooit meer lukken om hen op heterdaad te betrappen…   Toen eindelijk de bel ging na het laatste lesuur was Mara al bijna in slaap gevallen. Ze schudde zich zo goed als ze kon een beetje wakker en strompelde de klas uit. Toen ze na wat een urenlange fietstocht leek dan toch thuiskwam, vond ze nog maar amper het slot op de voordeur. Na een poosje geraakte ze dan toch binnen. Ze schopte haar schoenen uit en hing haar jas over de kapstok, strompelde de living binnen en liet zich zonder verder nadenken neervallen in de zetel. Binnen luttele seconden was ze al in dromenland.   °°°   Suf opende Mara haar ogen weer. Hoe laat was het? Ze keek zuchtend naar de klok aan de muur. Zeven uur! Ze had wel minstens drie uur geslapen! Ze wreef geeuwend haar ogen uit.  Er stonden rode strepen in haar wangen van op het ruwe kussen te liggen. Ook golfde een zeurende pijn door haar hoofd. Dat dutje had haar echt geen goed gedaan… Ze was nog steeds verschrikkelijk moe, misschien zelfs nog meer dan eerder. Dat plan van haar zou nog moeilijker worden dan ze had gedacht… Toch moest ze vandaag weer naar het strand. Ze duwde zich recht van de zetel en woelde door haar haar, rekte zich eens uit en pakte toen haar spullen bijeen. Ze liep nog vlug de trap op naar haar kamer om daar een paar kussens onder het donsdeken te steken. Op de tippen van haar tenen liep ze weer naar beneden. Mama zat immers in de bureaukamer te werken en mocht haar niet horen. Ze wist niet of dat cliché met de kussens onder haar deken zou werken, maar ze hoopte vurig van wel. Voor de zekerheid schreef Mara ook nog een kattebelletje dat ze op de eettafel legde: “Sorry mama, ben vroeg gaan slapen. Slaapwel, XXX – Mara.” Snel stak ze ook nog enkele boterhammen in de rugzak als avondeten. Ze kon vertrekken.   °°°   Haar fiets stond al terug bij het bankje op de kade en sloom liep Mara naar haar uitkijkpostje in de duinen. Ze groef een klein putje in het zand, net groot genoeg om in te zitten, en zette haar rugzak naast zich neer. Ze at stilletjes haar boterhammen op en probeerde om niet te luisteren naar de oorverdovende stilte van de zee. Het maakte haar zo ontzettend verdrietig om haar zo te zien… Hoe konden mensen haar zoiets aandoen?! Ze zuchtte diep. Nog een vraag waarop ze het antwoord niet wist… Toen ze haar ‘avondeten’ op had, groef ze haar putje nog wat dieper zodat ze half neer lag. Als ze hier toch een hele nacht ging zitten, kon ze het zich beter een beter een beetje gemakkelijk maken, dacht ze. Ze leunde met een zucht achterover maar voelde zichzelf na een poosje al uitgeput wegzakken in het zand. Ze opende haar ogen weer, maar dat op zich al was een heel karwei. Ze deed haar jas uit en begon meteen te bibberen van de kou. Zo zou ze zeker niet in slaap vallen. Haar ogen vielen na een poosje toch weer terug dicht… Maar slapen deed ze niet.   “Vertrekken we bijna?” vroeg kleine Mara opgewonden aan haar mama.  Het was namelijk een heel spannende dag vandaag. Ze zou voor het eerst de zee te zien krijgen!  Al haar vriendjes zeiden dat hij gigantisch was!  Ze sprong opgewonden in het rond. “Kom mama!  We gaan naar de zee! “ jubelde ze enthousiast. Wat konden peutertjes toch blij zijn over zo’n kleine dingen, dacht haar mama dan weer vrolijk. Ze kneep even zachtjes in haar dochters wangetjes en tikte vrolijk met haar wijsvinger op haar neus.   “Nog even geduld lieve schat.  De zee loopt heus niet weg hoor!”   Haar mama gaf haar een klein kusje op het voorhoofd en liep toen weg. Ze pakte een grote rugzak en begon daar van alles in te steken. Handdoeken, speelgoed om mee in het zand te spelen… Alleen de zonnecrème ontbrak nog…   “Schat! “ riep ze naar de badkamer “wil je de zonnecrème eens meebrengen?”   “Tuurlijk! “ klonk het toen gedempt vanuit de badkamer. Even later kwam ook papa de living binnen. “Voilà!” zei hij vrolijk toen hij de tube aan mama gaf. Toen wendde  hij zich tot Mara. “En?  Is mijn kleine prinses blij dat we naar de zee gaan?” Mara knikte hevig op en neer. “Ja! Ja! Vertrekken we nu bijna? “ Papa grinnikte. “Als we klaar zijn met alles in te pakken, zoetje. Je wilt toch niet in je blootje rondlopen op het strand zeker?  Of rood als een kreeft terug thuis komen?” zei hij gespeeld serieus. Mara keek hem benauwd aan. “Nee… Ik wil geen kreeft zijn! Kreeften zijn eng!” Papa kneep speels in haar neus. “Dan zal je toch nog even moeten wachten tot mama klaar is met inpakken!” Toen mama, na wat een eeuwigheid leek voor Mara, dan toch eindelijk klaar was met de rugzak vol te proppen, laadden ze alles in in de auto. De koffer zat bomvol. Mara schaterlachte. “We gaan naar de zee!” Ze wist echter niet hoe lang ze zouden moeten rijden om daar te geraken… En dat was toch redelijk lang…   Na een uur of twee gereden te hebben was al het enthousiasme van Mara al lang weggeëbd. Maar toen ze haar mama hoorde zeggen dat ze er bijna waren, sprong ze haast uit haar stoel van opwinding. Eindelijk! Even later vonden ze dan ook een parkeerplaats vlakbij de duinen en begonnen de koffer leeg te halen. Trots liep Mara  met haar schepjes en potjes de trappen op naar de duinen. Haar mama riep haar nog bezorgd toe om voorzichtig te zijn op de trappen. Straks viel ze nog! Maar dat hoorde kleine Mara al niet meer. Ze had de zee in het oog gekregen. En haar vriendjes hadden niet gelogen toen ze zeiden dat hij gigantisch was… Hij was echt wel heel groot! Zover ze maar zien kon was er zee… Daar stond ze dan maar, naar het water te kijken, bovenaan de trappen. Ze was doodstil, bewoog niet. Wat was dat geluid? Was haar mama aan het zingen? Nee toch, dat deed ze alleen als het bedtijd was… Mara had altijd gedacht dat er niemand was die zo mooi kon zingen als haar mama. Maar toch… Dit gezang klonk nóg zuiverder en nóg mooier dan dat van haar… Van waar kwam het dan?   Mara wachtte ongeduldig af tot haar ouders de trappen op waren gekomen. Haar mama pakte haar op en zette haar op haar schouders. Nog steeds zei ze geen woord. Ze was aan het luisteren waar het liedje vandaan kwam… Ze begonnen af te dalen naar het strand, over de duinen en door het mulle zand. Mama keek een beetje verbaasd naar boven. Waarom was ze nu opeens zo stil? Ze had verwacht dat haar dochtertje, de wildebras die ze was, als een bezetene rond zou beginnen lopen! Maar Mara was nog steeds aan het luisteren… En toen drong het tot haar door! Ze trok zachtjes aan mama’s haar. Die keek weer verbaasd op. “Hoor eens mama! De zee zingt ook liedjes, net als jij!”     Dat was zo lang geleden… Toch was het haar meest gekoesterde herinnering. Zij en mama en papa, samen aan zee… Mara veegde vlug een traan van haar wang. Dat was de eerste keer dat ze de zee had horen zingen…   Ze voelde dat iemand van achter haar op haar schouder tikte.   “Huh? Wat?” snel draaide ze zich om.   Voor haar stond Niels met een brede grijns haar aan te kijken. Zijn grote bruine ogen keken haar ongeduldig aan. Ze was zo in gedachten verzonken geweest dat ze hem niet eens had horen aankomen…   “Kijk eens!” zei hij enthousiast. Hij stond haast te springen van enthousiasme. Hij haalde een groot ding vanachter zijn rug. Een drone? Wat moest hij daar nu weer mee? Mara fronste verbaasd.   “Ik heb hem van mijn broer gepikt.” Zei hij stoer. Hij begon meteen in detail te vertellen over het ding. Hij wist immers alles, maar dan ook echt alles over camera’s… En dat liet hij merken ook.   Toen hij na een poosje alle coole snufjes van de drone had opgesomd, en dus ook van diens camera, legde hij eindelijk uit waarom hij nou eigenlijk het ding had meegebracht.   “Ik heb hem meegenomen zodat we makkelijker de zee kunnen bewaken!”   Mara keek hem opnieuw verbaasd aan. Was hij echt helemaal tot aan het strand gekomen met dat ding om haar te helpen?   “Als dat mag natuurlijk…” voegde hij er nog snel bij.   “Tuurlijk!” zei Mara, nu moest ze toch geen hele nacht alleen doorbrengen!   °°°   Na ongeveer een halfuur de wacht te houden verbrak Niels aarzelend de stilte.   “Waarom wil je eigenlijk zo graag die sluikstorters te pakken krijgen?”   “Omdat… Ik van de zee hou. Ze mogen haar geen kwaad doen.” zei Mara behoedzaam.   “Maar… Waarom hou je zo veel van de zee?”   “Hoor jij het dan niet? Ze is veel te stil… Normaal zingt ze zo mooi, maar nu is ze stil…”   Niels keek haar verbaasd aan. Hij opende zijn mond en sloot hem weer.   “Hoezo?” vroeg hij uiteindelijk. “Kan de zee dan zingen?”   Mara had al snel door dat ze hier niet snel van onderuit zou komen, dus besloot ze om ineens gewoon heel haar verhaal op te biechten.   “Ja… Het is echt prachtig. Het klinkt een beetje als een koor…” mompelde ze.   Niels luisterde aandachtig.   “En jij hoort dat dan?” vroeg hij ongelovig.   Mara knikte een beetje verlegen.   “En ik niet? Jammer… Ik zou dat ook wel eens willen horen…”   Mara wist niet goed of hij haar nu geloofde of niet, alleszins liet hij toch niets merken. Niels zelf had ondertussen besloten dat als de zee zo belangrijk voor haar was, hij haar met plezier zou helpen om die sluikstorters te pakken te krijgen. Lied of geen lied.   Dus plofte hij zich naast Mara neer en liet de drone de lucht in. De uren tikten langzaam weg. Het was nu iets na negenen en Mara was ondertussen al in slaap gesukkeld. Maar dat duurde niet lang. Niels schudde bruusk aan haar arm toen hij in de verte een motor hoorde ronken. Toen ze suf één oog opende toonde hij haar het scherm van de drone. Een boot! Mara was meteen klaarwakker. Ook zagen ze een man van op het dek afvalzakken in zee gooien. Mara sprong op van blijdschap, maar liet zich snel weer vallen. Ze mochten haar niet zien! Ze zouden kunnen wegvluchten… Met trillende vingers toetste ze het nummer van de politie in terwijl Niels de drone terug liet komen.   “Wacht maar…” mompelde ze.   Eindelijk ging de telefoon over.   “Met de politie. Waarmee kan ik u helpen?” Vroeg een vriendelijke vrouwenstem.   Opgewonden deed ze haar verhaal. Nog even en dan zouden enkele agenten hier aankomen. Mara liet zich voldaan achterover zakken. Ze had het voor elkaar gekregen! Maar toen stormde opeens een meeuw recht op hen af. Die had namelijk de korstjes van Mara’s boterhammen in het vizier gekregen… Toen Mara het beest op haar af zag komen schreeuwde ze het uit. Ze sloeg wild om haar heen en rende de duinen af. Niet echt zo’n slim idee…   De man op het schip had haar gezien. Ze hoorde hem schreeuwen van op het dek en zag een kleine sloep het water ingaan. O, nee… Ze rende terug de duinen op, maar zoals iedereen weet is het niet bepaald makkelijk om in mul zand te rennen… Niels gebaarde haar zenuwachtig om sneller te lopen. Net op tijd slaagde ze erin om hun schuilplaats te bereiken. Snel liet ze zich in het zand vallen. De man die in de sloep had gezeten kwam nu het strand op gelopen. Ze volgde zijn blik en… zag haar rugzak vlak voor zijn neus in het zand liggen… Ze kon zichzelf wel voor het hoofd slaan. Hoe stom van haar! Ze had haar rugzak gewoon midden op het strand laten liggen! Die was vast naar beneden getuimeld toen zij met zoveel geweld naar beneden was gespurt… Zenuwachtig beet ze op haar nagels… Hij had inmiddels de rugzak al gezien en liep er wantrouwig naartoe. Tot haar ergernis had het ding ook nog een heel duidelijk spoor nagelaten naar hun schuilplaats… De man keek nu hun richting uit. Beiden Mara en Niels lieten zich snel op hun buik vallen. Mara hield haar adem in. Alsjeblief, kom niet kijken… Alsjeblief, kom niet kijken! Dacht ze wanhopig. Ach wat, hij kwam kijken… Met een stevige tred en een brede grijns kwam hij op hun schuilplaats af. Nog maar tien meter… Met een forse duw zette Mara zich af en begon te rennen. In mul zand. ‘s Nachts. Ze zag bijna niet waar haar voeten neerkwamen, maar ze rende zo snel ze kon. O jee... ze hoorde hem al dichterbij komen! Ook Niels koos het hazenpad en liep nu schuin achter haar. Het laatste stukje van de duin moesten ze op handen en knieën over. Ze wist dat erachter een stuk beton was, waarop ze makkelijker zouden kunnen rennen, maar de man dus ook… Ze waagde het om nog eens achterom te kijken. Hij was vlakbij! Ze duwde zich nog harder af op het zand, wat ervoor zorgde dat de man een hele hoop ervan in zijn gezicht kreeg. Hij proestte het uit en wreef grommend in zijn ogen. Ondertussen had Mara bijna de kade bereikt. Ze keek nog eens achterom en zag dat de man weer op haar afkwam. Nog sneller nu, met een woedende grimas op zijn gezicht. Ze duwde zich nog een laatste keer af en sprong de kade op. Nog steeds achteruit kijkend zette ze het op een rennen, maar botste al snel tegen iets op. Verbaasd keek ze weer voor zich uit. Er stond een lange man voor haar, die lachend op haar neer keek. Een agent! Ze was gered!   “Nou, nou, kalm aan maar!” zei hij lachend.   Mara lachte opgelucht terug. Ook Niels kwam even later de kade op, met de man op z’n hielen. De agent arresteerde hem en Mara stak treiterend haar tong naar hem uit. Hij gromde, maar was totaal machteloos. Even later keek ze ook toe hoe de rest van de bemanning van het schip werd ingerekend. Nu had ze het echt voor echt voor elkaar gekregen! De lange agent gaf haar glimlachend een klein schouderklopje.   “Goed gedaan meid.”     10.   Mara was dolblij. Het was haar gelukt! Haar mama was wel woedend geweest toen ze thuiskwam, ze had immers al snel doorgehad dat Mara er van tussenuit was geknepen. Ze was doodongerust geweest. Toch vergaf haar mama haar vrij snel. Ze was gewoon al blij dat haar dochter ongedeerd was.   Doordat Mara ervoor had gezorgd dat de sluikstorters waren opgepakt had de een of de andere organisatie haar en haar mama ook een beloning gegeven. Het was genoeg om wel een maand van te leven. Zo kon mama een beetje relaxen en aan haar boek verder werken. Ze kreeg het zelfs af binnen die maand en het werd meteen uitgegeven. Zo goed was het. Wat een beetje rust toch kan doen…   Nu stond Mara, samen met Niels op het strand. Alles was weer goed. De zee zong weer, en net zoals ze had beloofd, zong ze haar mooiste lied ooit. Mara kreeg er bijna tranen van in de ogen.   “Zingt ze weer?” vroeg Niels nieuwsgierig.   “Ja…” zei Mara, nog maar half fluisterend.   Nu ze hem wat beter had leren kennen, vond ze Niels eigenlijk best wel tof. Wie weet… Na een poosje schuifelde Niels ‘onopvallend’ naar haar toe en pakte zachtjes haar hand vast. Nou, voor die ene keer dan… Dacht Mara glimlachend.   Maar toen werd Niels opeens heel stil. Mara keek hem een beetje verbaasd van opzij aan. Dat was niet zijn gewoonte… Ze zag zijn ogen waterig worden. Was hij nou aan het wenen? Het was een mooie zonsondergang en al, maar daar moet je  toch niet voor beginnen huilen?... Maar nog voor Mara hem kon vragen wat er scheelde beantwoorde hij al haar vraag. Hij kneep wat harder in haar hand.   “Ik hoor het ook…”, fluisterde hij, “Ik hoor het lied van de zee…”

Tavaril Avari
111 0

Eerste tinderdate in een gezellig café II

- 'Is er leven na de dood?' - 'Best mogelijk. Echt weten doe ik dat niet. Ik leef namelijk nog.' - 'Je lijkt nochtans een beetje dood.' - 'Echt?' - 'Ja. Zo bleek en mager. En je hoofd is een schedel zonder huid of haar. En je draagt een zwarte mantel met zwarte kap. En je hebt een gigantische zeis in je hand.' - 'En jij bent een mooi meisje.' - 'Dank je. Ben je er zeker van dat je niet Pietje De Dood bent?' - 'Mevrouw, u beledigt me. Mijn profiel zei duidelijk 'Henri de Beauvoir'. En daar blijf ik bij.' - 'Maar je hebt zonet de arm van de ober aangeraakt om iets te bestellen en nu ligt die man hier dood op de grond.' - 'Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.' - 'Ken je God dan?' - 'Ja. Nee. Maakt niet uit. Je hebt mooie ogen.' - 'En jij lege oogkassen. Kijk... Henri... Ik weet niet of dit wel zal lukken... Ik voel me niet echt op mijn gemak bij je.' - 'Heb je me al ukelele horen spelen? Ik heb al prijzen gewonnen met mijn ukelelespel. De jury zei dat mijn ukelelespel angstige diertjes op hun gemak stelt.' - 'Ik weet het niet, Henri...'   Henri haalt toch zijn ukelele boven en speelt een deuntje.   - 'Henri! Verrukkelijk! Ik voel me zo op mijn gemak na je ukelelespel!' - 'Zei ik het niet?' - 'Kun je nog andere instrumenten bespelen?' - 'Nee. Ik heb me bekwaamd in één.' - 'Je stelt me teleur, Henri.' - 'Wat?' - 'Slechts één instrument? Je stelt me teleur, Henri. Ik had je nooit naar rechts mogen swipen.'   Twee uur later komt de politie het café binnen. Iedereen is dood, behalve een huilende, vastgebonden vrouw met op haar borst een briefje gespeld: 'Dit is mijn schuld.'   Nergens is er een ukelele te bespeuren.

Michaël Verest
44 0

Gemiste kansen

Dag L.,   Het is vandaag een week geleden. Dat is belachelijk weinig, maar als je 10.000 kilometers van elkaar verwijderd bent lijkt het langer geleden. Tijd en ruimte versterken elkaar. Ik heb er last mee. Last om terug te zijn. Last van de gemiste kansen. Last van mijn hoofd en dankzij jou ook last van mijn lijf. Het gevoel dat sowieso opsteekt na een reis van drie maanden en de terugkeer naar de realiteit wordt nu dus nog versterkt door mijn lijf en mijn hoofd die steeds opnieuw aan jouw aanraking denken. Je armen rond mijn schouders, je lippen op mijn rug. En de vraag wat er gebeurt was als we onze kans niet grandioos gemist hadden. Slechts een passionele kus of een misschien een gedeelde nacht op een verlaten strand? En wat daarna? Was je gewoon verdwenen in de nacht. Hadden we aarzelend een gesprek proberen voeren dat ons enkel zou doen beseffen hebben dat we eigenlijk niks met elkaar gemeen hadden behalve platte lust. Of hadden we gezwegen en gewoon genoten van een moment van samen zijn zonder verder na te denken. Had ik gehoopt dat we contact zouden houden en dat je een excuus zou worden om terug te keren. Of verzin ik er weer te veel bij en was het voor jou niet meer dan wat het uiteindelijk was: een scharrel op het einde van het seizoen zonder moeilijke vragen want je kwam de volgende dag toch niet terug. Ik heb er meer last mee dan zou mogen op basis van het kwartiertje dat we hoop en al gepraat hebben en de nog geen vijf minuten die we aan elkaars lijf hebben gezeten. Tijd en afstand versterken elkaar, maar lust en heimwee dus ook. V.  

Juffrouw Vee
0 0

Een reistas voor vier dagen.

Vier nachtjaponnen, een kamerjas, vijf onderbroeken, drie handdoeken, twee washandjes, een pakje papieren zakdoeken, een goed boek, de GSM idem dito oplader en als het lukt… de laptop. We vertrekken een dag vroeger om de file voor te zijn, de kamer en matras te keuren. Vriendelijk personeel, uitstekende hygiëne, een bekwame entertainer en privé-kiné. Spijtig dat ik het ontbijt moet missen, maar ben bij de eerste gelukkigen die door een bekwame toerrijder soepel naar de grot der wonderen word gereden. De helpgidsen staan me op te wachten Ze hebben de lichten in de grote zaal aangestoken. Het is er redelijk fris. Een rilling laat mijn schouders schudden. Een extra dekentje vergroot mijn comfort. Ik zie glimlachende gezichten, hoor vriendelijke woorden en een duidelijke uiteenzetting bereid me voor. De verwachtingen zijn hoog, gespannen. De performer, algemeen geprezen en bewonderd, zou me niet teleurstellen verzekerden andere uitverkorenen me. Als geroepen verschijnt mijn engelbewaarder. Hij is gekleed is een groenen katoenen broek, een witte labo jas en draagt een mondmaskertje. Hij klopt me geruststellend op mijn schouder.  ‘Ben je er klaar voor Fanny? We gaan een klein wonder verrichten en jij bent de gelukkige die ervoor in aanmerking komt.’  Ik glimlach zuur.  ‘Géén twee zonder drie, hé.’ Mijn engelbewaarder komt voor me staan en kijkt me meelevend aan.  ‘Spijtig genoeg hadden ze toen nog niet de kennis. Er werd vastgezet zonder rekening te houden met de andere wervels. De springgewrichten gaan er nu voor zorgen dat de gezonde wervels niet het slachtoffer worden van de aaneengegroeide wervels. Goede reis, we praten straks verder.’ Zijn stem drijft langzaam weg als ze het infuus vullen met een vloeistof en in mijn aders spuiten Het voelt aan als ijs. Mijn problemen en angsten verdwijnen als de narcose begint te werken. Een vraag blijft voorlopig nog onbeantwoord: ‘Zou ik na 2 rugoperaties, 25 jaar pijnlijden en een neuro-stimulator om de chronische pijn deels op te vangen kunnen hopen op een semi-normaal leven?’ Dat moet blijken. Maar het reisbureau heeft me tot op het heden nog niet teleurgesteld. ‘Goede reis, reis… reis…’      

Fanny Vercammen
0 1

Dilemma

Jeremy verbeet zijn tranen. Hij had net een blik op de achterbank van zijn auto geworpen en dat had hij beter niet gedaan. Hij slikte de brok in zijn keel weg en schraapte hem nog eens extra. In een poging om al was het maar voor een seconde te vergeten wat er op de achterbank lag, keek hij strak voor zich door de voorruit. Het lukte niet. Met gesloten ogen ademde hij gecontroleerd diep in en uit om moed te verzamelen om zich zo meteen weer om te draaien. Het was drie uur ’s nachts. De regen tikte zachtjes op het dak van de auto. Het interieur werd verlicht in die typische oranje gloed van een lantaarnpaal. Jeremy draaide zich om. Hij keek naar de baby die gewikkeld in een deken lag te slapen. Amper een week oud was het zich van geen kwaad in de wereld bewust, zo vredig sliep het. Hij bekeek het kleine wonder met vochtige ogen. Hij had het zo voorzichtig mogelijk vastgemaakt met de veiligheidsgordel, er goed op lettend het kleine mensje niet pijn te doen tijdens de rit. Het was het beste wat hij had kunnen bedenken daarstraks. Een autostoeltje of iets dergelijk had hij niet, waarom zou hij ook, hij had zelf geen kinderen. Jeremy sloeg zijn handen voor zijn mond om zijn beginnende snikken te smoren. Het besef dat hij over het lot van deze baby had beslist trof hem tot diep in een plek in zijn ziel waar hij het bestaan van vergeten was. En daar had hij zijn best voor gedaan. Hij zat nu al zo lang aan de heroïne dat hij niet meer wist wanneer hij ermee begonnen was, laat staan waarom zelfs, en zo wou hij het ook. Of beter gezegd: zo had hij het gewild. Tot vandaag. Tot enkele uren terug. Tot dat meisje met die baby zijn leven was binnengewandeld. Hij wreef zich in de ogen zoals mensen altijd doen als ze aan iets niet willen denken, alsof ze het eruit kunnen wrijven als ze maar hard genoeg hun best doen.   Op de passagiersstoel lag een lege enveloppe en een dichtgevouwen brief die Jeremy had geschreven. Hij nam hem vast. De brief was in vier geplooid. Eerst had hij dat in drie willen doen zoals hij bureaumensen altijd in perfect evenwijdige en even grote stukken zag doen maar hij wist niet hoe dat trucje moest. Hij staarde naar het papier in zijn hand  en werd zich gewaar van het bonzen van zijn hart en de chaos in zijn hoofd. Er schoot zoveel doorheen zijn gedachten dat hij niet wist waaraan eerst te denken. De ene overpeinzing onderdrukte de andere wat resulteerde in een dof gevoel alsof er niets te denken viel. Jeremy voelde zich onwel. Hij legde de brief weer naast zich neer en nam zijn hoofd even in zijn handen, rustte nadien zijn voorhoofd op het koude stuur. Dat voelde goed. Politiesirenes van een eind in de verte deden hem zich weer oprichten. Wezenloos keek hij naar zijn handen in zijn schoot. Hij pakte opnieuw de brief. Met een zucht opende hij die en las hem nog eens ook al kende hij hem al vanbuiten. Dat dit meisje Emma heette, familienaam onbekend. Dat ze nog niet ouder was dan een week en dat ze goed voor haar moesten zorgen. Hij wist dat ze dat gingen doen, het was hun job, hun roeping, maar toch had hij de nood gevoeld dat expliciet te vermelden. Hij keek in de achteruitkijkspiegel naar Emma. Ze sliep nog steeds even vredig, hoe was het mogelijk. Jeremy wou niet beginnen huilen, dat recht had hij niet, vond hij, om zelfmedelijden te voelen, dus richtte hij zijn aandacht weer op de brief. Vluchtig las hij over de zinnen waarin hij schreef dat de baby Emma heette, hoe jong ze was en de beste zorgen moest krijgen. Daarna las hij voor de zoveelste keer zijn verzoek om, ook al was deze baby achtergelaten in de vondelingenschuif, op zoek te gaan naar de familie van het kind. Haar moeder had haar immers niet te vondeling gelegd omdat ze haar niet wou of kon opvoeden, neen, híj, een compleet wildvreemde zonder enige band met moeder noch kind, had haar daar achtergelaten. De moeder van Emma noemde zichzelf Tasja, schreef hij, en dat hij geen idee had of dat een afkorting was van Natasja of ze zich gewoon zo liet noemen. Ze had gezegd dat de vader van Emma niet op de hoogte was van haar bestaan, dat ze niet eens wist wie de vader was. Jeremy las de regel waarop hij in zijn duidelijkste handschrift het adres had geschreven waar ze Tasja’s lichaam konden vinden. Hij pauzeerde bij het lezen van die passage. Zijn onderlip trilde. In gedachten ging hij terug naar de voorbije middag.   Hij had Tasja zo’n vijftien uur eerder op café leren kennen. Een kind van negentien met in haar armen een nog jonger kind van zichzelf, zo had hij haar in stilte beoordeeld. Het had hem een onbehaaglijk gevoel gegeven, een tienermoeder met haar pasgeboren baby in een café op een donderdagmiddag. Hun aanwezigheid had niet gepast. Jeremy wist niet meer hoe maar feit was dat op een gegeven moment hij en zijn vriend Rob aan de praat waren geraakt met Tasja. Ze had hen verteld dat ze dringend nood had aan een “fix” en nog voor hij het goed en wel had beseft, liepen ze met z’n drieën en haar baby naar het appartement van Jeremy en Rob om met z’n allen heroïne te spuiten. Onderweg had Jeremy meermaals sluikse blikken geworpen naar Tasja. Ze was jong en mooi. Een deel van hem wist dat hij haar moest wegsturen, dat dit niet kon en al zeker niet met Emma erbij, maar een ander deel van hem, het deel dat de bovenhand nam, hoopte op seks met Tasja, al was het maar uit dankbaarheid voor haar fix, en deed hem zijn mond houden.   Het volgende wat hij zich herinnerde was dat hij in de met bruin besmeurde badkuip van zijn appartement was wakker geworden. Aan de stijfheid van zijn nek en rug te voelen, had hij daar al een tijd gelegen eer hij weer bij zijn zinnen was gekomen. Een kijk op zijn horloge had hem geleerd dat het al middernacht was en hij was uit het bad geklauterd om de rest te gaan zoeken. Het had Jeremy niet verontrust dat hij geen enkele herinnering had aan de afgelopen uren, het hoorde bij zijn leven. Rob was nergens te bespeuren geweest maar Tasja lag te slapen op de bank in de living met naast haar een krijsende Emma. ‘Tasja,’ had hij haar naam gefluisterd. Maar ze was niet wakker geworden. Hij had het nog eens geprobeerd: ‘Tàsja!’ Tasja had zich niet verroert. Hij had proberen te bedenken of ze nu nog bleker was dan ze ’s middags al was geweest. Hij was bang geworden en had nog eens rondgekeken of Rob nergens te zien was maar zonder resultaat. Nadien kon hij zich nog voor de geest halen hoe hij haar had aangepord, zijn hand voor haar mond had gehouden in de hoop haar warme adem te voelen, zijn oor op haar borst had gelegd en haar pols had gevoeld. Het geblèr van Emma had ondertussen oorverdovend geklonken. Hoelang had ze al naast haar dode moeder liggen huilen?   Een langgerekte Engelse vloek ontsnapte Jeremy in de auto. Hij sloeg wild in het rond met gebalde vuisten op alles wat hij maar kon raken, daarbij meermaals de hoorn toeterend. Emma kreunde in haar slaap en haar gezichtje vervormde zich tot een diepe frons. Jeremy hield zich zo stil mogelijk met ingehouden adem om Emma de kans te geven weer af te glijden in haar diepe slaap. Dat gebeurde gelukkig vrij snel aan haar gezichtsuitdrukking te zien die weer één en al zorgeloosheid uitstraalde.      Hij ademde uit. Rob was dus met de noorderzon verdwenen. Het eerste instinct van Jeremy was geweest om hem te bellen maar Rob’s telefoon was meteen op voicemail gesprongen. Net als de tweede, derde en vierde keer dat Jeremy had gebeld. Een vijfde keer bellen had geen zin, snapte Jeremy, toen hij in de mot had gekregen dat alle spullen van Rob uit het appartement weg waren. Wat was er gebeurd? Had Rob Tasja iets aangedaan? Had hij avances op haar gemaakt waarop ze niet wou ingaan en had ze dat bekocht met haar leven? Of had ze zichzelf een overdosis toegediend? Waarom was Rob vertrokken? Het was dat moment geweest dat Jeremy beseft had dat hij niet eens wist of Rob wel degelijk Rob heette of zich gewoon zo liet noemen. Wat had hij ooit van Rob geweten voor die hem had achtergelaten met een dood meisje met een overdosis en een baby, buiten dat hij ook teveel van heroïne hield dan goed voor hem was?   Het was kwart na drie nu, zag Jeremy. Het was tijd om Emma in de vondelingenschuif te leggen, het had geen zin om nog langer te talmen. Hij zuchtte. Dit was de beste oplossing voor iedereen, wist hij. Hij zou Emma in de schuif leggen en de brief bij haar achterlaten. Daarna zou hij vijf minuten hebben om zich zo ver mogelijk uit de voeten te maken eer het stil alarm zou afgaan. Een vrijwilliger in het huis zou snel op het alarm afkomen om zich te ontfermen over Emma en de hulpdiensten verwittigen. Ze zou terechtkomen bij haar familie, haar grootouders misschien, de brief zou tekst en uitleg geven over wat er gebeurd was en waar ze Tasja konden vinden. Het zou niet uitmaken dat de politie natuurlijk meteen zou weten dat Rob en Jeremy op dat adres woonden want ook Jeremy zou spoorloos zijn tegen dan. Hij dacht aan zijn reistas en het kleine beetje contant geld die in de koffer van zijn auto lagen. Hij ging een nieuw leven beginnen, ver van hier. Ver van drugs. Jeremy kreunde. Hij kneep zijn ogen toe om niet overmand te worden door schuld. Straks mocht hij instorten, dacht hij, nu moest hij eerst voor Emma zorgen. Hij vermande zich.   Met zijn ogen scande hij de omgeving rond de auto om er zeker van te zijn dat er niemand anders was. De wereld sliep nog, althans toch in deze straat. Hij probeerde zich moed in te ademen door zijn borst vooruit te steken en tot zijn verbazing werkte dat nog enigszins ook. Hij was zover. Hij stak de brief in de enveloppe en likte die toe, negeerde de vieze smaak. Vastberaden stapte hij uit zijn auto en opende het portier achter zich om Emma voorzichtig in zijn armen te nemen. Hij frunnikte wat aan het dekentje waar ze in lag zodat het haar goed beschermde tegen de koude van de nacht. Zonder links of rechts te kijken rende hij de straat over, Emma dicht tegen zich aan drukkend. Hij opende de voordeur van het huis waarop de gevel een gouden bord hing waar het woord “vondelingenluik” in gegraveerd stond en kwam in een inkomhal terecht waar hij de lade zag waar Emma vijf minuten alleen zou zijn tot iemand zich om haar kwam bekommeren. Jeremy bleef even als bevroren staan toen hij de schuif zag. Hij hoorde zichzelf ademen. Moest hij dit wel doen? Had hij hier wel goed over nagedacht? Twijfel overspoelde hem. Hij schudde zijn hoofd krachtig om er zo de gedachten uit te krijgen om Emma niet alleen te laten en legde haar in het luik. Hij had nu welgeteld nog vijf minuten. Nam hij het puzzelstukje mee dat in de lade lag? Daar had hij nog niet over nagedacht. Dat puzzelstukje was normaliter voor de moeder om zo later haar band met het kind te kunnen bewijzen maar –Jeremy slikte- Emma had geen moeder meer. Had hij eigenlijk wel het recht om zelfs nog maar na te denken of hij dat stukje meenam? Hij, in zekere zin een medeplichtige aan de dood van haar moeder? Jeremy had nu nog maar vierenhalve minuut. Waarom zou hij het zelfs meenemen? Dacht hij werkelijk dat hij ooit Emma ging kunnen komen opzoeken en dat ze een leuke babbel gingen hebben over de nacht waarop hij haar in een schuif had achtergelaten omdat hij haar moeder zich een overdosis had laten toedienen? Vier minuten nog maar. Jeremy panikeerde. Hier had hij niet goed over nagedacht. Hij wou toch weten dat alles goed ging komen met Emma maar … Nee! Hij moest in zijn auto springen en wegscheuren! Dat moest hij doen. Waarom bleef hij daar staan? Waarom in godsnaam? Drie minuten. Hij bleef naar Emma kijken, hij ademde zwaar. Hij begon te huilen. ‘Emma, het spijt me zo, ik heb het niet zo bedoeld! Sorry, ach, sorry! Ik …’ Jeremy voelde zich onwel worden en kotste in de inkomhal. Hij steunde met zijn hand tegen de muur. Nog maar twee minuten. Emma begon te huilen van al het kabaal dat Jeremy maakte. Wat moest hij doen? Straks kwam die vrijwilliger al voor het stil alarm afging, op het lawaai af. Jeremy greep zich bij de haren: ‘nee, nee, néé!’   EPILOOG   Greta zat aan de keukentafel naar een foto uit een lang vervlogen verleden te kijken. Er stonden drie mensen op het plaatje: zij, haar man Pascal en hun dochter Tasja. Alle drie keken ze om het gelukkigst. Het was de elfde verjaardag van Tasja toen. Ze was zo blij geweest met haar cadeautjes. Greta stak de foto snel weer in haar portemonnee, ze kon er niet te lang naar kijken. Wie had toen kunnen vermoeden dat hun gezinnetje acht jaar later zo uiteen zou zijn gevallen? Wat had ze gedaan dat Tasja zo op het verkeerde spoor had gedreven? Of misschien lag het wel niet aan haar maar hoe had ze dan de signalen kunnen missen die Tasja ongetwijfeld had gegeven? Hoe had ze zo’n slechte moeder kunnen zijn? Greta veegde haar tranen af aan haar mouw. Ze nam haar telefoon en belde naar het nummer van Tasja. Weer voicemail. Zo was het al twee weken. Greta en haar man hadden Tasja een jaar niet gezien toen ze weer voor hun deur had gestaan, hoogzwanger. De laatste jaren had Tasja zich wel meermaals in nesten gewerkt maar dit had alles geslagen. Ze was duidelijk high geweest. Ondanks het warme weer had ze lange mouwen gedragen. Greta had haar dochter en kleinkind wel in huis willen nemen maar Pascal had het genoeg gevonden. Dat was nu twee weken geleden. Ze had nog wel dertig keer per dag gebeld de eerste week en evenveel sms’jes gestuurd maar Tasja had er geen gehoor meer aan gegeven. God wist waar zat ze nu. En in welke staat. En haar kleinkind, was het al geboren? Dat moest haast wel. Greta borg haar gsm op. Ze kon het niet helpen dat ze de ironie ervan inzag dat net zij vrijwilligster was bij Moeders voor Moeders. Twee keer per week verbleef ze in dit huis voor een periode van 24 uur. Haar taak was simpel: in de inkomhal van het huis was een vondelingenluik waar wanhopige moeders die om één of andere reden hun kind niet konden of wouden opvoeden, hun baby konden ten vondeling leggen zodat de organisatie ervoor zou zorgen dat het kind een goeie thuis kreeg. Als een moeder dat deed, had ze nog vijf minuten om afscheid te nemen van haar kind en dan ging een stil alarm af waar Greta op afkwam. Dan was het aan Greta om goed voor de baby te zorgen tot de hulpdiensten er waren. Ja, ze vond het ironisch, dat net zij die haar eigen dochter niet had kunnen redden en nu ook al een kleinkind kwijt was, toevertrouwd was met deze taak. Ze probeerde niet ook nog eens aan Pascal te denken. Pascal die de laatste tijd in plaats van over zijn stil verdriet omtrent hun dochter te spreken, zijn troost zocht in de alcohol. Dat ook nog.   Er was gestommel aan de voordeur. Greta spitste haar oren. Het waren vast weer flauwe grappenmakers die iets in de lade hadden gegooid. Ze was nu al zeven jaar vrijwilligster in dit huis en zo eens om de twee weken gebeurde dat. Ze was nog nooit op het stil alarm afgekomen om daadwerkelijk een kind te vinden. Lege bierflesjes en zo, ja. En toch zou ze zo meteen een kijkje gaan nemen want je wist maar nooit. Het alarm ging af.   Toen Greta naar de voorkant van het huis stapte om het luik te openen, vond ze een klein meisje in een dekentje gewikkeld. Ze huilde. Er lag een brief bij haar. Het puzzelstukje was meegenomen, zag Greta. Het was de eerste keer dat ze dit meemaakte maar ze liet zich door haar moederinstinct leiden. Ze probeerde het meisje te sussen door haar te wiegen in haar armen en zong er slaapliedjes voor die ze ooit voor haar eigen dochter had gezongen. Toen de baby in slaap was gevallen, legde Greta haar in het wiegje dat in het huis stond voor momenten als deze. Ze belde naar de andere vrijwilligers en het noodnummer. De brief leek haar uitdagend aan te kijken toen ze daar zat te wachten naast het wiegje. Ze scheurde de enveloppe open en las de brief.   Greta liet haar hand met de brief in langzaam zakken. Tasja zou nooit meer naar huis komen.

Michael J. Steeper
0 0

Het Grote Avontuur Van Paarse Roberta - Deel 2 D - Happy End

Er werd ietsjes zachter op de deur geklopt. Paarse Roberta droogde haar tranen en deed open. Voor haar stond een vrolijke Blauwe Robert."Dag meiske, ik zag je door het dorp rennen en dacht, ik moet dringend Paarse Roberta gaan bezoeken. En voila, hier ben ik!"Huilend viel Paarse Roberta in Blauwe Roberts armen. Hij troostte en suste haar totdat haar tranendal was opgedroogd. Ze snikte nog een beetje en was blij dat Blauwe Robert daar was. De sterke man leidde het droeve meisje naar een stoel waarop ze dankbaar neerplofte."Vertel me alles wat er gebeurd is. Ondertussen brouw ik een lekkere pot bazelnootjesthee."Paarse Roberta vertelde over haar grote avontuur met een even grote pot thee. Na haar derde kopje breide Paarse Roberta een einde aan haar verhaal."En dan kom ik thuis en vind dit briefje dat ik niet kan lezen."Blauwe Robert nam het briefje en draaide het in zijn kolenschoppen van handen om."In dit dorp was alleen je moeder in staat om te lezen en te schrijven. Gelukkig weet ik wat er in staat omdat je moeder het me heeft voorgelezen."Paarse Roberta was op slag dolgelukkig toen ze vernam dat haar familie veilig en wel in de Grote Stad leefden. Die avond ging Paarse Roberta vroeg naar bed om morgenvroeg, met het eerste licht, te kunnen vertrekken.Bij het eerste gekraai van de nieuwe dag stond Paarse Roberta op, trok haar kousen recht in haar knobbelschoenen en stapte, met de drie tovervoorwerpen en goed gemutst, naar buiten. Tot haar verbazing werd ze opgewacht door het hele dorp. Ze waren speciaal uitgerukt om haar uit te wuiven. Er vloeiden heel wat traantjes en alle mensen omstuwden Paarse Roberta met afscheidswensen. De moed zonk in haar knobbelschoenen terwijl ze moeizaam haar voeten richting Grote Stad dwong. Haar moed keerde terug naarmate haar dorp achter bomen en bergen verdween. Paarse Roberta was opgelaten, vrij en vrolijk. Ze genoot met volle teugen van deze reis die achter iedere bocht een nieuw en opwindend landschap tevoorschijn toverde.Na de zoveelste opwindende bocht, hield Paarse Roberta haar pas in. In de verte hoorde ze een licht geschrei en tuurde voorzichtig om de volgende kronkel. Ze schrok zich bijna een nieuw hoedje toen ze de vreemde edelman herkende."Arme vreemde man, wat zit jij droef te wezen? Gaat het niet zo goed?"Paarse Roberta begreep niet waarom, maar de edelman lachte door zijn droefheid heen."Ach lieve kind," snotterde de edelman. "In het dorp waar ik nu woon is de knuppelkoorts uitgebroken. Al eenendertig mensen zijn ziek. Ik ben nu op zoek naar knuppelfruit, het enigste middel dat deze vreselijke ziekte kan genezen."Paarse Roberta deed verschrikt een stap achteruit, maar de vreemde edelman stelde haar gerust."Ik heb de koorts al in mijn jeugd gehad, dus ik kan deze ziekte niet meer krijgen of doorgeven. Daardoor ben ik de geknipte persoon om hulp te zoeken."Er was iets anders aan deze kerel, maar Paarse Roberta wist niet wat..."Waarom huil je dan? Dat fruit groeit toch overal? Wat is het probleem?" Vuurde Paarse Roberta haar vragen af."Het is niet het juiste seizoen!" Jammerde de edelman."Tja," dacht Paarse Roberta bedroefd. "Het is nu eenmaal hoogzomer en dan draagt winterfruit geen vruchten."Terwijl ze de snikkende edelman probeerde te kalmeren, kreeg ze een lumineus idee. Verwoed begon Paarse Roberta in de Diepe Knapzak te rommelen totdat ze de harige schil van een knuppelvrucht voelde en die aan de verwonderde edelman gaf. De verwonderde man wreef zijn tranen droog en nam het cadeau dankbaar aan."Lieve kind, ik ben zo dankbaar als maar kan.""Och, het is niets hoor. Ik help waar ik kan. En eerlijk gezegd, dat is iets dat iedereen kan."Daarna toverde Paarse Roberta de ene vrucht na de andere uit haar Diepe Knapzak terwijl de vreemde edelman enkele manden vlocht. Al vrij snel hadden ze vier manden vol. De edelman was dolgelukkig en nam glimlachend afscheid van Paarse Roberta.Paarse Roberta reisde vrolijk verder totdat ze in een heel vreemd dorpje belandde. Ze kon het niet anders omschrijven als een modderdorp met modderhuizen, modderwegen en bewoond door moddermensen... Moddermensen die heel rumoerig met toortsen, mestvorken en vlegels aan het zwaaien waren. Onder al dat hels geschreeuw hoorde Paarse Roberta iemand mompelen over een koe met vijf poten en een ander had het over een haan die eieren kon leggen."Gelukkig zwaaien ze niet met zeisen rond." Mompelde Paarse Roberta. "Anders zouden ze hun hoofden verliezen."Toen ze het dorpsplein naderde, werd de mensenmodder dichter en woester. Paarse Roberta moest op de tippen van haar knobbelschoenen staan om te zien waar al die dorpelingen zo kwaad om waren. De hele gemeenschap stonden rond vijf oude vrouwtjes te drummen... neen... de vijf oude heksen!"Die mensen durven nogal, tegen weerloze oude mensen!" Brulde Paarse Roberta, maar ze raakte niet boven het oorverdovende rumoer van de modderboeren. Haar woede rees met iedere domme leus die rondom haar werd uitgekraamd. Paarse Roberta kon haar gevoelens niet langer in toom houden. Ze ontblootte haar Onoverwinnelijke Zwaard en onder luid, pijnlijk gekerm begon ze zich een pad door de modderboeren te hakken. Zonder al te veel schade aan te richten, raakte ze tot bij de vijf heksen die bibberend op een kluitje stonden. Vervaarlijk met haar zwaard zwierend, hield ze de dreigende moddermassa op een afstand. Een boom van een kerel stapte, gewapend met een immense vlegel, op het kleine nietige meisje af... Maar Paarse Roberta hield het hoofd koel en met een sierlijk houw van haar magische zwaard, viel de vlegel in drie stukken op de grond. Dit kunststukje legde de moddergemeenschap het zwijgen op. In die vreemde stilte ging alle aandacht naar Paarse Roberta die ze gebruikte om haar woede uit te schreeuwen."Zijn jullie helemaal gek geworden? Alleen idioten vallen arme oude dametjes lastig! Jullie moesten zich allen diep schamen!"De stilte die op deze tirade volgde werd kuchend verbroken toen iemand zijn hand opstak."Maar die ouwe lelijke wijven zijn overduidelijk slechte heksen die...""Stelletje idioten!" Schreeuwde Paarse Roberta terwijl ze dreigend haar zwaard op en neer zwiepte. Enkele modderboeren probeerden gillend weg te rennen, maar glibberden plat op hun gezicht door het modderige dorpsplein. Paarse Roberta bedaarde en begon met klare stem aan haar betoog."Omdat iemand oud is, wilt dat nog niet zeggen dat iemand lelijk is. Omdat iemand lelijk is, dan is die iemand niet automatisch een heks. En omdat iemand een heks is, betekend dat nog niet dat die persoon een slecht mens is."Rustig borg ze haar zwaard op. Tot haar opluchting keken vele dorpelingen beduusd naar de modder aan hun voeten waardoor ze letterlijk en figuurlijk een modderfiguur sloegen. Er speelde een flauwe glimlach op Paarse Roberta's lippen."En wat zeggen we dan?""Sorry." Mompelden enkele dorpelingen.Paarse Roberta moest de vraag een paar keer herhalen totdat alle dorpelingen luid en duidelijk hun excuses hadden aangeboden.Paarse Roberta keek heel tevreden toe hoe de samenscholing beschaamd uiteenviel. Waarschijnlijk gingen de modderboeren terug naar hun gewone bezigheden zoals modder scheppen, modder gooien of modder eten. Het kon haar weinig schelen, zolang de dorpelingen de oude mensjes maar met rust lieten.De heksen schuifelden dankbaar buigend weg. Paarse Roberta vond dat een beetje eigenaardig, totdat ze de angst in de ogen van de oude besjes zag. De heksen maakten het haar duidelijk dat ze zich niet op hun gemak voelde en wilden zo snel mogelijk het dorp uit. Paarse Roberta begreep dat en besloot om bij hen te blijven. Het bleek nodig, want hier en daar stond er een dorpeling klaar om iets onnozels te proberen. Maar zelfs bij de dappersten onder hen zonk de moed in hun schoenen als Paarse Roberta, haar hand nonchalant rustend op het gevest van haar zwaard, hen dreigend aankeek.De heksen bleven verrassend stil totdat ze het modderdorp achter zich hadden gelaten en de angst uit hun ogen verdween. Toen het tijd werd dat hun paden zich scheidden, wuifde Paarse Roberta de dankbare heksen vrolijk uit."Ik heb echt medelijden met die arme dorpelingen. Hoe kun je toch zo dom en onwetend blijven?"Paarse Roberta wist dat ze in haar eentje nooit een antwoord kon vinden, dus liet ze haar vraag voorlopig wat ze was.Paarse Roberta reisde onbekommerd verder totdat het Okerpad abrupt eindigde aan de oever van een brede rivier. In de verte schitterde de torens en daken van de Grote Stad en Paarse Roberta wist dat haar tocht er bijna opzat. Op zoek naar een manier om de rivier over te steken, ontdekte Paarse Roberta stroomopwaarts een huisje. Achter het huisje stak het tuigage van een schip in de lucht. Terwijl ze naderde zag ze hoe de veerman met drie monniken stond te praten. Alhoewel ruziën een beter woord was."Geen geld, geen overzet!" Schreeuwde de veerman."Maar wij zijn arme bedelmonniken die proberen terug te keren naar het moederklooster. Eens we daar zijn, kunnen we u het verschuldigde bedrag in drievoud overmaken.""Boter bij de vis." En met dit spreekwoord eindigde de veerman de discussie. Terneergeslagen begonnen de monniken te huilen. Nu herkende Paarse Roberta de drie mannen... Het waren de drie blinde monniken van haar vorige reis! Ze was emotioneel gepakt door al dat verdriet en besloot om de monniken te helpen. Terwijl ze uit het zicht van nieuwsgierige ogen verdween, nam ze het Machtige Toverhoutje ter hand. Snel en ongezien raapte ze enkele twijgjes op en veranderde die in goud.Met de flair van een adellijke dichter, stapte ze op de veerman af en sprak hem op arrogante toon aan."Hoeveel is het om overgezet te worden?""79 smikkels." Baste de veerman.Krampachtig haar gezicht in die arrogante plooi houdend, gooide Paarse Roberta een gouden twijgje voor de voeten van de veerman. Door de gouden glinstering verloor de veerman op slag zijn tong. Toen hij ontdekte dat het goud echt was, daalde zijn denkvermogen tot ver onder het vereiste minimum."Ik wil dat je je veerboot onmiddellijk klaar maakt voor vertrek. Ik heb dringende zaken in de stad."De veerman stotterde onverstaanbaar en Paarse Roberta dacht een "Ja Edele Dame" te horen."En voor die prijs reizen de drie blinde monniken met ons mee." Declameerde ze met autoritaire overtuiging.Er verscheen een denkrimpel tussen de wenkbrauwen van de veerman. Paarse Roberta herkende de gevaarlijke mix van twijfel, goudkoorts en bloeddorst in de ogen van de veerman. Ze wees naar het gouden twijgje met haar Onoverwinnelijke Zwaard."Voor die prijs koop ik je hele rimram op!"Zijn verguld brein herkende het vervaarlijke zwaard en de veerman concludeerde dat Paarse Roberta wel degelijk de eigenares van zijn hele jandoedel was. Zonder een woord te zeggen, wenkte hij iedereen om hem te volgen en werd kwaad toen de monniken bleven staan. Voordat hij begon te schelden, gleed zijn ogen over het Onoverwinnelijke Zwaard, kalmeerde en begeleidde de drie blinde monniken naar zijn veer.De monniken waren heel blij met het onverwachte geluk en dankten Paarse Roberta uitvoerig."Och, het is niks. Ik moet ook naar de Grote Stad en ben blij dat ik dat in goed gezelschap kan doen."De rest van de reis werd doorgebracht met het palaveren over de Grote Stad. Paarse Roberta zoog alle informatie op als een spons. Ze leerde de maniertjes en gebruiken van de poorters, de namen van de Stadmeesters, de tradities van de nachtwacht en de gebreken in sanitaire voorzieningen. Paarse Roberta was een gulzige leerlinge, maar besloot halverwege de lessen dat de stad haar maar moest aanvaarden zoals zij was en niet andersom.Aangekomen aan de stadspoort namen de drie blinde monniken afscheid van Paarse Roberta en droegen de poortwachters op om goed voor haar te zorgen. "Kunnen jullie mij helpen bij het vinden van mijn familie?" Vroeg Paarse Roberta aan de wachters.De soldaten salueerden en na een beetje speurwerk vonden ze een adres. Onder een erehaag brachten ze haar naar een overdadig versiert huis waar een komen en gaan van rijke heren het haar niet makkelijk maakte om tot aan de voordeur te geraken. Paarse Roberta baande zich een weg totdat ze plots haar hele familie zag staan. Moeder, Vader en alle broertjes en zusjes vielen Paarse Roberta huilend in de armen. Het weerzien was zo heftig dat de poetsvrouwen een hele week nodig hadden om de vele traantjes op te dweilen.Na de grote opkuis werd er een gigantisch feest gegeven. Iedereen was blij en gelukkig en niemand leed honger, dorst of kou. Na het feest lag Paarse Roberta alleen in haar veel te grote bed. Ze staarde naar het plafond en tuurde met haar geest de uitgestrekte sterrenhemel af. Ze keek naar de muren en daar doemde de vergezichten op die ze tijdens haar reizen had mogen aanschouwen. In haar dromerige blik lag het verlangen naar nieuwe horizonten en kon pas de slaap vatten nadat ze een besluit had genomen.De volgende ochtend, net voordat de stad ontwaakte, maakte Paarse Roberta zich klaar om te vertrekken. Ze deed verse reiskleren aan en wierp een kritische blik op de nieuwe schoenen die ze tijdens het feest had gedragen. Ze zette de glimmende muiltjes terug op hun plaats en snoerde vol plezier haar oude knobbelschoenen vast. Daarna nam ze haar drie magische voorwerpen en sloop stilletjes door het huis. Voordat ze vertrok, nam ze eerst uitgebreid afscheid van haar broers en zussen. Paarse Roberta legde hen uit dat ze moest reizen, dat de Grote Stad niets voor haar was. Tot slot beloofde ze dat ze hen zo vaak als mogelijk zou komen opzoeken.Met het ochtendgloren begon Paarse Roberta de stad te verlaten. Het deed een pijn om haar geliefde familie achter te laten, maar ze was er redelijk gerust in dat alles goed met hen zou gaan... ze waren veilig en zorgeloos. Paarse Roberta was al een eind van de stad vandaan toen ze zich omdraaide om alles goed in zich op te nemen. Ze zette haar grote hoed op die nu perfect paste en lachte. In haar hart maakte ze een ijzersterke belofte."Ik kom terug. Dat beloof ik."*Toen kwam er een rattenvanger met een lange fluit en blies dit verhaaltje uit.*

Wibboo Jozefs
22 1