Lezen

Dear dagboek

17 november 2016 - De voorbije week was er onder mijn vrienden op Facebook enige opschudding ontstaan over een bericht dat zijn oorsprong vond op de website onzetaal.nl. Het volgende staat er in grote letters te lezen:   Nederlanders spreken (nog steeds) zeer goed Engels Uit het jaarlijkse onderzoek van onderwijsorganisatie Education First* blijkt opnieuw dat Nederlanders zeer goed Engels spreken.   Het stukje leidde tot zowel vermakelijke als enigszins zure reacties. Vooral de Walen moesten het ontgelden als de oorzaak van het magere resultaat van team Belgium (15de). Dit mag echter geen afbreuk doen aan de kunde van onze noorderburen. Hoe moeiteloos zij omspringen met het gebruik van Engelse woorden in alledaagse conversaties, mag met name blijken uit deze korte uit mijn dagboek ontleende passage. Van het steenkolen Engels is überhaupt geen sprake.   30 april 2013 - Het is de week van de inhuldiging van Willem-Alexander als koning der Nederlanden. Een Nederlandse hoogleraar aan een business school (in het Engels uitgesproken) en zijn vrouw zijn onze gasten. Hij vertelt dat hij op rust is gesteld en zich heeft toegelegd op fietsen. Niet zomaar recreatief peddelen, maar écht koersen. Criteriums rijden. De sprint aantrekken in de bochten en wat dies meer zij. Daarvoor heeft hij een fiets met een erg stijf frame (op z’n Engels uitspreken) tussen de benen. Niet die speciale versie waarvan er maar enkele 100 gemaakt zijn door BMC en ooit werd ontworpen door de beroemde Hincapie. Nee, een nog betere! Zijn eega is bescheidener, zij durft zelfs rechtsomkeert maken wanneer de fietstocht met meneer uit de hand dreigt te lopen. Ze lijkt ons thans over een meer dan behoorlijke conditie te beschikken. Ze schrijft cases (u heeft het ondertussen door) en geeft les aan dezelfde school als haar man. Ze waren na deze week bij ons erg relaxed (jawel) en hadden het zeer naar hun zin gehad ondanks de regenbuien aan het begin van de week.   Einde citaat.   Ik vond het vooral heerlijk hoe dit onbeduidend stukje uit mijn dagboek onverwacht een nieuwe context kreeg. Dit is waarom ik zo van schrijven hou. And no, I didn’t found it out!     * Onderzoek werd uitgevoerd door organisatie die taalcursussen verkoopt!

Ivan Seymus
0 0

Stalen hart

Ik weet dat jij de sleutel bent van mijn ongesloten tralies. Maar je bent ook mijn buur van de duistere gangen. De uitspraak was al lang gemaakt, voor we samen vast zaten. Toen we onze handen tussen de tralies hielden. Hoop in onze handen aan elkaar doorgaven. Voor het eerst voelde ik warmte door al dat staal. Maar we werden gek tussen die vier muren. De waan dat de muren in elkaar schoven, onze handen elkaar niet meer bereikten. Nu de tralies in een stalen muur is verandert... Is de stilte nog killer dan de koude die ik uitblaas in de wind. Ik mis je, en ik weet dat jij me ook mist. We weten maar al te goed dat de deur openen geen moeite vraagt. Ik ben het wachten moe, ik vat kou zonder jou. Je kreeg alle kansen maar je keek liever naar een wit blad. Ik begrijp niet dat we zoveel excuses maken over één oordeel. Nu er zoveel tijd voorbij is gegaan, weet ik niet of je nog naast me zit. Ik ben je aan het opgeven, nu de winter is aangekomen. Twee verkeerde handen houden me vast, dat had jij kunnen zijn. Het zijn vooral in de eenzame avonden dat ik naar je me mijmer. Maar die tijd vul ik op nu, het is genoeg geweest. Vanavond schreeuw ik tegen die vervloekte muren. In de hoop dat je me voor het eerst eens kan horen huilen, want ik wordt ook gemarteld door die stilte. We kunnen zo gelukkig zijn samen, maar we zijn geboren voor het ongelukt. Verslaafd aan de pijnstillers. Binnen een paar maanden gaan we weer voor elkaar staan. Ik vraag me af of we de tijd samen zullen nemen, Of vrijwillig onze cel weer binnengaan.  

Lisa T.
0 0

14.12.2016

Weet ge wat ge eens moet doen? Ge moet eens, als ge vanavond laat gaat slapen, en als ge in uw bed ligt, plat op uw rug in die donkere kamer – dan moet ge eens denken aan de zee. Die grote plas vol water, ergens ginder buiten in het donker. Ziet ge ze voor u, die zee? ’t Is een mooie zee, zo eentje om naartoe op vakantie te gaan. ’t Is, laat ons zeggen, de Middellandse Zee. Van ergens in de lucht kijkt ge neer op de Middellandse Zee. Een enorme watermassa. Een zwarte, glanzende plas, zo ver als ge kunt kijken. De kusten kunt ge niet zien. Veel kunt ge sowieso niet zien, want ’t is een donkere nacht en de maan is maar half. Maar goed, zoals ik zei: alleen maar water. En kom nu eens langzaam naar beneden. Laat u voorzichtig zakken... Rustig... Zijt ge daar? Ge zit nu in een bootje. Een houten sloep. Met vooraan en achteraan een dwarse plank om op te zitten. Met twee roeispanen en een kleine benzinemotor. Een kleine boot. Laat ons zeggen: voor een man of tien, twaalf max. Ziet ge dat bootje? Zit ge d’r in? Het drijft langzaam voort. Heel langzaam. (Tja, ik wou dat het anders was, maar de benzine is al een tijdje op. En de roeispanen zijt ge kwijtgespeeld. Eerst de ene. Dan, vanmorgen in een te grote golf, de andere.) Uw bootje drijft langzaam voort. Weet ge waarom ge hier zit? Ge zit hier omdat ge moet. Ge hadt geen keuze. Ge hebt alles achtergelaten en ge weet in feite bij god niet naar waar ge nu op weg zijt. Het is allemaal veel te ingewikkeld om op één-twee-drie uit te leggen, maar geloof mij, ge hadt geen keuze. Het was dat of doodgaan. Ge vraagt u af hoe diep de zee is. En wat ge gaat doen als ge erin valt. Ge vraagt u ook af hoe ver het nog is, want zo ver als ge kunt kijken, ziet ge alleen maar dat zwarte, koude water. Nergens een vuurtoren of ander licht dat op een kustlijn wijst. Het is misschien een magere troost, maar ge zit hier niet alleen. Bij lange niet. Ge zit hier met minstens vijfendertig, veertig man. In een bootje voor tien. Een mens voelt zich altijd een beetje sterker als hij zijn miserie met anderen kan delen, toch? Al blijft het natuurlijk miserie. Ge zijt bang. En ’t bootje begint alweer serieus te schommelen. Ge zit op de rand en er is niet veel om u aan vast te houden. Voelt ge het bootje schommelen? Voelt ge het? En gij die dacht van rustig te gaan slapen... Eigenlijk is dat geen ding om mee op volle zee te gaan. Veel te gevaarlijk. Ge moet zot zijn om zoiets te doen. Of ge moet zijn zoals gij en al die anderen hier met u: zonder keuze. Gelukkig weet ge dat er een eind aan komt. Enfin, als het bootje niet zinkt en zo, maar aan zulke dingen probeert ge niet te denken. Ge weet dat er een eind aan komt, want ge hebt op een kaart de vorm van de zee gezien, en als ge altijd rechtdoor blijft varen, dan komt ge vanzelf aan de overkant uit. Waar dat precies gaat zijn, weet ge niet. Zo een bootje vaart natuurlijk nooit helemaal rechtdoor. Maar ergens aan de overkant, daar kunt ge redelijk zeker van zijn. Ergens waar ge nog kunt leven. Ergens waar ge weer veilig aan land kunt gaan. En ge hoopt dat daar iemand zal zijn die u een beetje kan helpen. Maar dat zal wel, zeker? Ja, toch? En stel nu… Stel nu dat daar niemand is die u kan helpen … Dan kunt ge het altijd nog anders proberen… Stel nu dat daar niemand is die kan helpen, dan moet ge eens, als ge dan toch gaat slapen, vanavond laat, en als ge dan toch in uw bed ligt, plat op uw rug in die donkere kamer – dan moet ge u eens voorstellen dat gij zelf zo iemand zijt die kan helpen. Zo iemand die misschien op de kade heeft staan wachten, omdat hij heeft gehoord dat er een bootje op komst is. In elk geval, iemand die kan helpen. Voor ge 't weet bekijkt ge de dingen van de overkant. Serieus. Ge moet dat eens doen.  

Lode Demetter
0 0