Lezen

Pisbakken

Voor de Noord-Nederlandse vrienden:  dit stukje gaat over urinoirs.   Al de heisa rond het al of niet staand urineren doet mij denken aan deze merkwaardige voorvallen.   Op de Gentse Feesten ergens in de jaren 70/80, kwam iemand op het lumineus idee om het wildplassen tegen te gaan door de bouw van een grote citroenpers.  Het ding kreeg ook een naam: de 'pistron'.   Aan een centraal roterend gedeelte hingen hokjes met pisbakken.  Om de paar minuten begon het gevaarte te draaien en werden de bakken gespoeld met citroengeurwater. Degenen die dan net aan hun kleine boodschap begonnen waren moesten mee stappend verder plassen.   Zeer onlangs dacht ik op de E40 een kermisattractie voorbij te rijden.  Tot mijn grote verbazing was het de ‘pistron' , hij bestaat dus nog na al die jaren! Hoe ze het ding gaan ‘moderniseren’ om er zittend te kunnen plassen is mij een raadsel.   In lagere scholen heeft men al geruime tijd bedacht om pisbakken op verschillende hoogtes te plaatsen zodat de kleintjes niet op hun tippen moeten staan en de groten niet door de knieën hoeven te gaan.    Ook weer in Gent had men daar reeds een goedkopere versie voor bedacht, met name in het sanitair van een bekend studentencafé.  Daar hing een gewone regenpijp tegen de muur die links hoog en rechts laag hing zodanig dat iedereen aan zijn trekken kwam.  Pikant detail:  aan de rechtermuur aan het uiteinde van de regenpijp hing een spiegel!   Steeds in de zeventiger jaren kwamen de elektronisch gestuurde spoelbakken op de markt. Zelf maakte ik er voor het eerst kennis mee in een nieuwbakken tankstation langs de autoweg.  Na mij vruchteloos te hebben afgevraagd waar de drukknop zat voor de spoelbeurt, zette ik geërgerd een stap achteruit.   Plots zag ik op het schermpje boven de pisbak een groen lichtje aanflitsen en begon het water mijn plas weg te spoelen.  Bij het handenwassen bleek  het kraantje warempel vanzelf te lopen van zodra men er de handen onder plaatste .  Aan de toiletdame zei ik bij het betalen dat ik er niet zo van hield om gefotografeerd te worden tijdens het urineren en vroeg of ik dan de foto kon krijgen.

Vic de Bourg
121 1

GRENADINE

Anna was beïnvloedbaar, impulsief en gedroeg zich buitengewoon volgzaam terwijl Martha van nature de leiding nam. Martha schiep er een zonderling genoegen in haar zus te manipuleren en voortdurend af te tasten hoe ver ze kon gaan. Dan fluisterde ze Anna allerlei kattenkwaad in, zich er goed van bewust dat deze haar listige plannetjes gewillig tot uitvoering zou brengen en ze verkneukelde zich omdat ze wist dat de stakkerd dan op haar kop zou krijgen. Ze hield zielsveel van haar tweelingzus, maar het idee dat ze Anna als geen ander kon domineren was haar even lief. De scènes, als rechtstreekse gevolgen van het kneedbare karakter van Anna, bezorgden haar een bevredigende sensatie. Zoals die avond toen ze hun vader hadden aangetroffen op de zetel, in een diepe slaap verzonken, en hoe Martha Anna toen had bevolen om diens haar te knippen. Martha had er even aan getwijfeld of Anna dit zou durven. Anna nam echter gezwind hun moeders keukenschaar, stapte op haar vader af en sneed met veel drift en overgave een aantal plukken haar weg. Eerst werd de slapende man helemaal niets van het gefrunnik gewaar en toen hij uiteindelijk wakker schrok was het te laat. Het resultaat was afschuwelijk. Of die keer toen ze buiten speelden en met behulp van een hoopje aarde en een teiltje water modderballen maakten, een bedenksel van Martha. Ze had aan Anna verteld dat mensen uit voorbijrijdende wagens het wel grappig zouden vinden om zo’n bal tegen hun ramen gegooid te krijgen. Anna had geen ogenblik geaarzeld en de eerste auto die voorbij reed kreeg een grote modderbal tegen het zijraam gekegeld. De statige wagen hield abrupt halt en een grote, gezette heer in een stijlvol tweedelig maatpak stapte briesend uit. Furieus en met grote passen beende hij naar de haag waar de meisjes achter weggedoken zaten, glurend door minuscule openingen tussen de takken. Met hevig bonzend hart zetten Martha en Anna het plots op een lopen. De man bleef nog even staan stampvoeten en maakte toen ziedend van woede en luid vloekend rechtsomkeer naar zijn besmeurde wagen.   In de zomer waarin Martha en Anna acht jaar werden, planden hun ouders een dagje uit naar zee. De meisjes waren door het dolle heen, dergelijke uitstapjes waren in het gezin een zeldzaam gegeven. Vroeg in de voormiddag hadden ze hun plekje uitgezocht op het strand, een hoekje bij de duinen dat hun vader zorgvuldig afbakende met het windzeil. Hun moeder schikte de strandzetels en –lakens, haalde emmertjes, schopjes en vormpjes tevoorschijn en wenkte de meisjes voor een stevige boterham en een koel grenadinedrankje uit de thermos. Ze had erg uitgekeken naar dit dagje zon en strand en was in haar nopjes. Na een emotioneel slopende periode, waarin ze haar beide ouders op relatief korte tijd had verloren, was ze hard toe aan wat rust en ontspanning. Martha en Anna hadden het al gauw naar hun zin op het strand. Energiek en luid taterend bouwden ze een burcht van zand met een gracht eromheen, die voortdurend van vers zeewater moest worden voorzien. Zoals gewoonlijk nam Martha het voortouw en ze gebood haar zus om emmer voor emmer te gaan vullen. Gedwee en ijverig deed Anna wat haar werd opgedragen. Frequent holden ze naar het plekje bij hun ouders en slorpten gretig van hun favoriete grenadinedrankje. Hun moeder had zich intussen met een meeslepende roman in de strandzetel genesteld en keek geregeld blijmoedig in de richting van haar dochtertjes. Hun vader had het gevecht met een wapperende krant al gauw gestaakt en besloot een uiltje te knappen. Na een half uurtje had Martha schoon genoeg van de burcht, ze kreeg de duinen in de gaten en keek gefascineerd naar het helmgras. Een perfecte plaats om je te verstoppen, vond ze en verwoed begon ze tegen de hoge duin aan te klimmen. Zo mak als een schaap ging Anna haar achterna. Een euforisch gevoel overviel hen toen ze eenmaal boven stonden, wat een fraai zicht hadden ze hier over de zee, het strand en de menigte badgasten! Het wit met groen gestreepte windzeil bij het plekje waar hun ouders zaten zag er ineens belachelijk klein uit. Plots viel Martha’s blik op een grote, felrode strandschop. Ze keek snel om zich heen maar er was niemand in de buurt aan wie deze gloednieuw ogende schop zou kunnen toebehoren en haar ogen begonnen te fonkelen. “Hé, Anna!” Nieuwsgierig snelde Anna dichterbij. “Moet je hier zien, een grote schop! Ligt hier zomaar voor ons.” “Een grote schop”, papegaaide Anna. “Maar niet van ons, Martha. Een ander kind is deze vast vergeten en komt er zo weer om.” Met een onderzoekende uitdrukking op het gelaat sjokte Martha door het zand en merkte even verder een tamelijk diepe kuil op, het anonieme kind was hier al naarstig aan het graven gegaan. Martha, een mysterieuze glimlach om de lippen, gluurde even schichtig om zich heen en met een haast duivelse blik keek ze toen in de richting van haar zus. Ze verheugde zich al op wat volgen zou. “Anna?”, fluisterde ze poeslief. “Weet je nog toen oma en opa doodgingen?” Vragend keek Anna haar zus aan. “J… ja… Martha… Ik ben er alle dagen nog een beetje verdrietig om”, zei ze zacht. “En weet je nog, op dat kerkhof, Anna? Waar oma en opa toen heen gingen, in hun kist?” Als betoverd tuurde Martha van haar zus naar de kuil. “In… in… de aarde…”, stamelde Anna. “Helemaal naar beneden in de put.” Anna staarde dromerig voor zich uit. Martha’s vingers omklemden stevig de steel van de schop. “Zou je wel eens willen weten hoe het voelt, Anna, hoe oma en opa zich toen voelden?” Haar ogen stonden duister en Anna gaapte haar zus niet begrijpend aan. Martha zuchtte diep, haar zus snapte ook nooit iets. “Wil je wel eens begrafenisje spelen, Anna? Eens voelen hoe het is om begraven te zijn, in de aarde te zitten? Of je dan nog wat hoort? Of hoe het voelt als er mensen over je graf heen lopen?” Verwachtingsvol bestudeerde ze Anna, hopend dat haar snode plan zou lukken. “Jij mag eerst, Anna. Jij mag eerst in de put, beloofd. Dan graaf ik je terug op en dan ben ik aan de beurt!” Anna liet zich meestal graag overhalen als haar zus met één of ander onstuimig spelletje kwam aanzetten, maar begrafenisje spelen, dat was toch wel erg avontuurlijk. “Maar Martha, zal ik dan nog kunnen ademen, zal ik mijn ogen nog kunnen openen?”, vroeg ze met een trillend stemmetje. “Tuurlijk, Anna. Heel even je adem inhouden, tien tellen! En dan haal ik al het zand er snel af”,  zei Martha op erg overtuigende wijze. “En daarna mag jij het laatste teugje grenadine!” Dit klonk aannemelijk en Anna stemde, tot groot jolijt van Martha, in. Ze volgde vol vertrouwen de instructies van haar zus op, ging gewillig in de kuil liggen en wachtte geboeid af. De eigenaar van de schop had echt al aardig gegraven, vanuit de kuil kon Martha enkel de blauwe hemel zien en aan de linkerkant een petieterig stukje van het lange helmgras. Hoe wondermooi, dacht ze, jammer dat oma en opa zoiets niet konden zien want ze lagen in een kist en werden begraven op een somber kerkhof. “Daar gaan we dan!”, kondigde Martha glunderend aan. Vastberaden pakte ze de schop, schepte een hoopje zand op en gooide dit over de voeten van Anna heen. Anna vond dit wel geinig, keer op keer zag ze het zand op zich af komen. Het opgegooide zand contrasteerde zo magnifiek met de helderblauwe lucht, vond ze. Ze schaterlachte telkens ze een lading over zich heen kreeg want het kriebelde een beetje en Martha grinnikte met haar mee. Martha concentreerde zich eerst op de voeten en benen van Anna, schep voor schep werden ze bedekt met zand. De meisjes vonden dit buitengewoon komisch, want op een gegeven moment leek het of Anna helemaal geen benen meer had. Eerst de benen goed begraven, maande Martha zichzelf aan, ze ging er volledig in op. Ze wou absoluut vermijden dat Anna het op een lopen zou  zetten, dit spelletje was per slot van rekening veel te vermakelijk. Anna vond het wel zwaar beginnen wegen, al dat zand op haar benen. Vervolgens ging Martha naarstig van start met het bedekken van Anna’s buik, handen en armen. Anna kreeg een merkwaardig gevoel, het leek wel alsof ze vast zat in een blok beton en Martha groef onverstoorbaar en pijlsnel door. Nu bleven enkel een deel van Anna’s bovenlichaam, haar schouders en haar hoofd onbedekt. Martha commandeerde Anna nu om roerloos te blijven liggen want nu kwam het lastigste deel. Ze verplichtte Anna om de ogen te sluiten, haar mond dicht te houden en zo lang mogelijk de adem in te houden van zodra ze zand voelde op haar gezicht. Anna kreeg het wat benauwd maar deed wat Martha vroeg, ze stelde zichzelf gerust dat het spelletje zo voorbij zou zijn en bovendien, ze kon geen kant meer uit…   Inmiddels opende op het strand de moeder van de tweeling geeuwend de ogen en bemerkte even verderop de verlaten burcht en het strandspeelgoed, de meisjes waren echter nergens te bespeuren. Geschrokken wekte ze haar echtgenoot en verwenste zichzelf, hoe stom en onverantwoord om beiden zomaar in te dommelen! Hij stelde haar gerust, de meisjes waren vast niet ver, misschien eventjes gaan pootjebaden en hij ging poolshoogte nemen aan het water. Zij bleef ontdaan zoeken op het strand, tuurde overal in het rond en schreeuwde herhaaldelijk hun namen uit. Met iedere minuut die verstreek nam haar gevoel van vertwijfeling en onmacht toe.   Martha ging aan de slag voor het finale en meest delicate stukje. Het uitputtende graafwerk liet zich voelen in haar korte, tengere armen maar ze zette verbeten door. Zand over de schouders van Anna en een stukje van haar wangen, kin en mond. Zand over haar neus, ogen en haren. Nog meer zand, kriebelend jeukend zand in haar oren. Nu en dan probeerde Anna haar ogen te openen, wat haar ongelooflijk veel moeite kostte en met als resultaat een pijnlijk schurend gevoel. Anna trachtte haar hoofd te draaien in een poging het zand uit haar ogen te schudden maar dit lukte niet, haar hoofd was al half ingegraven. Anna kreeg het nu uiterst beklemd en wou Martha dringend een halt toeroepen, ze vond dit helemaal niet fijn meer. Met alle kracht die ze in haar kleine magere lijfje had probeerde ze dit duidelijk te maken aan Martha. Verwoede pogingen om haar benen te bevrijden of haar armen op te steken kenden echter geen succes. Het zand was te zwaar, haar ledematen waren eronder bedolven en Anna stond doodsangsten uit. Het zand hoopte zich intussen ook op in haar neusgaten waardoor ademen steeds moeizamer ging. In een alles overheersend gevoel van wanhoop stootte Anna de meest akelige klanken uit, klanken die leken op neuriën of op de ‘zeg eens a’ met een spateltje in de mond in het dokterskabinet, alleen klonken ze gruwelijk en onheilspellend. Haar mond zat al onder het zand, bij iedere poging om te schreeuwen schoof er meer zand in haar keel en de kermende klank die ze nog kon uitstoten klonk futloos en had geen enkel effect op Martha. Anna kon niet geloven dat Martha niet van ophouden wist en helemaal niet scheen te beseffen dat ze in gevaar was. Maniakaal ging Martha door en na een klein poosje was er van Anna niets meer te zien. Zelfvoldaan aanschouwde Martha haar werk. Zo, dacht ze, begrafenisje gelukt. Even richtte ze zich naar de plek waar het hoofd van Anna zich bevond, concentreerde zich diep en luisterde gespannen. Heel vaag kon ze een dof, gedempt en klagend geluid onderscheiden. Martha vond dat, zolang haar zus kabaal kon maken, ze best nog wel een momentje kon wachten met het ontgraven. Ze moest er eerst maar eventjes het zwijgen toe doen. Fier en met een triomfantelijk gevoel bekeek ze het resultaat van het vele zwoegen. Dit was haar verdienste, vond ze, nog heel even genieten nu. Het geluid was intussen gestopt.   De ouders van de meisjes waren in alle staten. Ze hadden ontredderd talloze badgasten aangesproken, overstuur het strand op en neer gerend, gehuild en gebruld om Anna en Martha maar hun stem ging verloren in de wind. Ten slotte hadden ze radeloos een strandredder aangeklampt, die opperde dat de meisjes mogelijk de duinen waren ingegaan. De vader van de tweeling holde, foeterend en brullend, de duinen in en zette zijn zoektocht gejaagd verder. Ineens meende hij de lange zwarte lokken van één van de meisjes te ontwaren en klauterde puffend en hijgend tegen de duinen op. “Martha, eindelijk. Daar ben jij!” Martha schrok op uit de gelukzalige extase waarin het zo hemels toeven was en keek haar vader misprijzend aan, ze hield er niet van om gestoord te worden. “Wel, Martha, we hebben jullie overal gezocht. Zomaar verdwijnen! Waar is Anna?” Martha gaf geen reactie en keek afwezig voor zich uit. “Martha, waar is Anna? Geef antwoord alsjeblief!” Martha keek op, haar blik stond vurig en ijskoud tegelijk. Ze wees naar de plek waar Anna begraven lag. “Die is nog met ons spel bezig. Begrafenisje.”   Martha zou zich alles wat toen volgde later slechts in een waas herinneren. Er ontstond paniek en chaos, mensen snelden te hulp en trommelden in allerijl de hulpdiensten op. En haar vader, die in rode zwembroek en met rood verbrande rug, als een bezetene aan het graven ging op de plaats die Martha aanwees terwijl haar moeder maar uitzinnig bleef gillen dat ze voorzichtig moesten graven om Anna niet te kwetsen. Martha sloeg het tafereel gade, blik op oneindig en zich hullend in een ijzige stilte.   Het hoofd en bovenlichaam van Anna werden blootgelegd en al snel werd duidelijk dat het te laat was. Gestikt onder een hoop zand, begraven door haar zus. Martha aanschouwde deze dramatiek in het zand eigenaardig berustend, met een raadselachtig kille grijns op het gezicht. Martha was verschrikkelijk trots op haar zus. Nu had ze wel een verkoelend glaasje grenadine verdiend…                                                                                          

Cindy Van de Velde
0 0

De bonnetjes van Rudi

Het enige wat je op dit schrijversforum kan doen als je iemand van antwoord wil dienen is zelf een stukje schrijven en een titel bedenken die de aangeschreven schrijver hopelijk opvalt. Zo heb ik ooit een Ierse hooligan die van ‘ons’ platform misbruik wou maken het zwijgen kunnen opleggen, weliswaar met medewerking van de initiatiefnemers. Maar ik ging het over de bonnetjes hebben van Rudi, een columnschrijver die deze week terecht een tip verdiende.  Naast de inhoud van zijn teksten apprecieer ik ook dat Rudi weet wat hij wil.  Dat is columns schrijven, het genre dat hij steevast verkiest. Ook al zijn de verhalen meestal kort,  soms flitsig.  Ook al heeft het proza een grote autobiografische inslag of zou het als scenario kunnen dienen.  Ook al hebben de teksten iets jeugdigs of kunnen ze op een podium worden voorgelezen of zijn ze soms poëtisch.  Neen.  Rudi laat zich niet, zoals vele Azertyfactorcollega’s, verleiden om onder zijn teksten een mengelmoes van genres te vermelden. Column, punt uit. Maar ging ik het niet over zijn bonnetjes hebben? Er is goed nieuws, Rudi.  Een bekende supermarktketen reikt sinds de oprichting van zijn biowinkels kaarten uit die meteen alle promoties bevatten.  Ook al krijg je nog bonnetjes in je brievenbus, je mag ze meteen weggooien en hoeft ze niet mee te nemen naar de winkel.  Het is allemaal gedigitaliseerd. En er is nog meer! Dezelfde keten, die ook nog buurtwinkels, benzinestations en zoveel meer uitbaat, heeft onlangs de enige en unieke aankoopkaart ingevoerd die in al haar vestigingen geldig zal zijn, bonnetjes incluis. Wat ik vooral niet wil is hiermee enige reclame maken voor de bewuste supermarktketen want  het werd hoog tijd dat zij een halt toeriepen aan de grootscheepse volksverlakkerij met hun eeuwige bonnetjes.  Studies hadden namelijk uitgewezen dat de Belg zijn bonnetjes wou, basta. Hoe dikwijls heb ik aan de kassa’s gemerkt hoe, vooral oudere mensen, een bonnetje onverrichterzake inleverden omdat zij de hele kleine tekst niet hadden gelezen (of niet konden lezen), die meldde dat  je pas recht had op de reductie bij afname van een minimumhoeveelheid. Zelf heb ik ook altijd willens nillens bonnetjes uitgesneden en verzilverd en om mij te troosten vertelde ik aan wie het horen wilde dat ik er de helft van mijn woonst had mee kunnen financieren. Ik heb opgelucht adem gehaald toen ik mijn “all-in” kaart kreeg van dat ene bedrijf.  Binnenkort zullen de andere ketens zonder twijfel volgen, temeer daar ik nu het frauduleuze karakter van de bonnetjes onder de aandacht heb gebracht. Met deze column wil ik er bij de ‘bazen’ van Azertyfactor (nogmaals) op aandringen om via het forum ook een gelegenheid tot communicatie tussen schrijvers aan te bieden.   

Vic de Bourg
21 2

Allemaal bonnetjes

“Bon”, zeggen ze in het Frans, als iets “goed” is. Onze Nederlandstalige variant van het woord is niet zo goed. Wat meer is, ik kan het woord “bon” of “bonnetje” nog amper horen. Ik ga u dadelijk zeggen waarom, maar eerst dit. Zonder overdrijven mag ik zeggen dat ik de nieuwe technologie echt omarm. Het leven kan er alleen maar beter en eenvoudiger op worden, niet? Dat je bijvoorbeeld nooit meer de weg moet vragen, omdat die extra mevrouw in de auto het allemaal perfect weet. En de telefoon die we altijd bij ons hebben is echt slim. Toch is er één plek waar het blijft zoals het was. Dat is de supermarkt. Nee, wacht, ik weet wat u denkt. Ik herinner me het ook nog, toen de caissières alle bedragen moesten ingeven. Of ze moesten die zelfs uit het hoofd kennen. De barcode en de scanner maken het gemakkelijker. Zelfs van thuis uit boodschappen doen is mogelijk. We doen er vrolijk aan mee. Niet alleen een maaltijd, maar de hele mikmak. Ze leveren het thuis netjes af. Maar soms kan het niet anders, dan moet je er fysiek naartoe. Een mens moet immers eten. Ik moet toegeven, het is niet mijn favoriete bezigheid. Het eten wel, maar naar de supermarkt gaan niet. Zeker omwille van -nu zijn we er- de ‘bonnetjes’. Die zijn nog altijd zoals vroeger.   Ja, ik weet het, je krijgt dan iets gratis, of korting, dus klagen mag je eigenlijk niet. Maar je moet die spullen dan nog vinden. Net als de overige spullen in de supermarkt. Daar moet toch iets op te vinden zijn? Een mevrouw of meneer, net zoals in de auto, die me helpt om het allemaal te vinden. “De volgende rek Rudi, aan je linkerzijde. Nog drie stappen en je bent er.” Nu moeten we de medewerkers altijd lastigvallen. Ik zie trouwens veel mensen met bonnetjes verdwaald rondlopen in de winkel. We zeggen ondertussen al goedendag tegen elkaar, de bonnetjesmensen. Net zoals motorrijders en buschauffeurs doen. Het schept een band.   Nee, och, thuis zeggen ze dat ik als een brompot van de supermarkt terugkom. Mijn excuses daarvoor. Ook moet ik de mensen van de supermarkt nog bedanken, omdat ze me altijd vriendelijk de weg wijzen. Maar mag ik de uitbaters toch vragen om te blijven innoveren met nieuwe technologie? Als de app met een supermarkt-gps of met gepersonaliseerde automatische digitale bonnetjes niet lukt, dan misschien toch een afzonderlijk bonnetjesloket in de winkel?   Zo, ik moest het even van me afschrijven. Maar bon, ik ben het kwijt.

Rudi Lavreysen
32 1

Het kleinste kamertje

Het blijft één van de gekste zaken die we ooit tegenkwamen. Het speelde zich af tijdens een lang weekend in Amsterdam. We waren met vrienden al de hele dag op pad en op het Museumplein besloten we een drankgelegenheid binnen te gaan. Voor een koffie en een dringend bezoek aan het kleinste kamertje, dat zich beneden bevond. Daar zagen we iets dat onze mond letterlijk deed openvallen. De deuren van de toiletten waren transparant. Echt waar, je kon er zo doorheen kijken. In Amsterdam kom je natuurlijk wat tegen, maar dit. Gezien de hoogdringendheid besloten we het toch maar even te testen. Bij het binnengaan zorgde een sensor of een mechanisme ervoor dat je aan de buitenzijde niet langer door de deur kon kijken. Iets met een folie of zo. Maar aan de binnenkant zie je dat niet. Ik heb echt nog nooit zo snel, hoe zal ik zeggen, het nodige gedaan. Het koud zweet brak me uit, toen ik daar zat. Voor alle zekerheid heb ik nog even gezwaaid naar een man die zijn handen stond te wassen, maar gelukkig zag hij me niet. Terug boven gekomen, hadden we bij ons gezelschap natuurlijk wat te vertellen.   Eenmaal buiten, nog altijd wat nagniffelend, moesten we de stadskaart bovenhalen om onze volgende bestemming te zoeken. Een man passeerde op de fiets en sprak ons aan: “Can I help you?”, vroeg hij. Ik antwoordde meteen “Yes, we are looking for…”. Maar toen zag ik het maffe daarvan in. “Wij spreken ook Nederlands”, vervolgde iemand uit ons gezelschap. “We komen uit België”. “Ooh, sorry”, zei de man. “Met al die toeristen zijn we hier gewoon om altijd Engels te spreken. Je ziet het aan de buitenkant natuurlijk niet altijd”. Op de één of andere manier konden we de slappe lach maar net onderdrukken

Rudi Lavreysen
25 1

We gaan fietsen

“De zon schijnt er is geen reden / met rotweer en harde wind / we gaan fietsen met het kind”, zongen we altijd. Fout natuurlijk, want Boudewijn De Groot had het niet over ‘we’, maar over ‘te’. Maar we vonden het beter klinken. Bij het minste mooi weer trokken we er samen op uit. Op de hoes van die plaat zie je Boudewijn ook fietsen met zijn kind. Met net zo’n fietsstoeltje op de buis zoals vele vaders die hebben. Of gehad hebben. Het is dan ook met bijna niets te vergelijken. Samen ga je de wereld ontdekken, de kleine zit van voor, op de belangrijkste plaats, maar toch bepaal je zelf waar je samen naartoe gaat. Je zit nog even aan het stuur. Misschien is dat een beetje te filosofisch, maar toch. Bovendien gebeurde het regelmatig dat ze in slaap vielen, vooraan op de fiets. Zo gerust waren ze. We hadden dan ook altijd een handdoek bij om op het stuur te leggen.   Toen ze zelf al konden fietsen, maar het nog niet veilig was om dat alleen te doen, fietsten we regelmatig samen van school naar huis. Achter elkaar, want in die straat kon je niet naast elkaar fietsen. Ze vertelden dan honderduit over de kleine avonturen die ze beleefd hadden op school. Maar op die kasseiweg en met de auto’s die voorbij reden, verstond ik meestal niet wat ze vertelden. Ook al riep ik telkens ‘Wacht even, ik versta je niet”, toch bleven ze dat telkens doen. Waarschijnlijk omdat die verhalen dringend verteld moesten worden. Ik denk trouwens dat ze het met opzet deden, zodat ze die verhalen thuis opnieuw konden vertellen. Ondertussen zijn die kasseinen weg en ook het fietsstoeltje staat niet meer op mijn fiets. Maar ik moet het nog ergens hebben liggen. Dat wel.

Rudi Lavreysen
27 1

Nostalgwii

01 De avond van 21 januari was een avond van ongeïnspireerd schrijfwerk en lege koppen koffie. Het was een avond waarop hij Josh Holmes de woorden dwong om op het papier te verschijnen, alleen maar om te beseffen dat het niet zou werken. Maar de avond van 21 januari werd later ook een avond van nostalgie en het herbeleven van zijn jeugd. Toen Josh zijn geforceerde schrijfwerk opzij had geschoven (en een paar pennen en een notitieboek op de grond vielen), opende hij zijn laptop en besloot een pauze te nemen. Hij had er genoeg van om de stress van mislukt schrijfwerk op zich te voelen drukken, dus besloot hij de druk te verminderen door tot rust te komen. Dat deed hij doormiddel van YouTube kijken. Hij was van plan om maar één, wellicht twee video’s te kijken, maar al snel was het al een halfuur later en naderde Josh het einde van video nummer tien. Hij was zijn schrijfwerk totaal vergeten en had ook niet meer zin om te schrijven. Het was op het moment dat Josh zijn laptop wilde dichtdoen om toch nog een paar woorden op papier te krijgen, dat hij een video van Super Mario Galaxy 2 in zijn suggesties zag verschijnen. Het was de soundtrack van de game. Toen hij dat vrolijke, Nintendo-achtige logo zag, bewoog hij zijn cursor er automatisch naartoe en klikte. Toen de muziek aansprong, voelde hij een krachtig, nostalgisch gevoel hem in het hart raken; een dart dat precies in de bullseye belandde. Hij luisterde deze ene soundtrack opnieuw en opnieuw. Hoewel een groot deel van zijn stress al verdwenen was door de vorige tien YouTube-video’s, voelde het alsof alle stress-vlekken werden weggespoeld door de nostalgische klanken van deze soundtrack. Hij neuriede mee met de muziek en merkte dat hij nog precies wist hoe het ging, zelfs na al die jaren. Hij zette het volume hoger. Herinneringen van vroeger speelden af in zijn hoofd; de dag waarop hij Super Mario Galaxy 2 van zijn ouders kreeg op dezelfde dag dat het was uitgekomen, die zaterdagavond dat hij tot twaalf uur ’s nachts speelde, hoe hij Power Star na Power Star binnenhaalde. Een moment zonder zorgen. Hij deed zijn koptelefoon af en rende de trap op naar zolder, terwijl hij: ‘Hij heb ‘m nog, hij heb ‘m nog,’ en: ‘Waar is ‘ie, waar is ie,’ opdreunde als een spreuk. Hij rommelde door de tientallen afgeplakte, kartonnen dozen, bijna wanhopig zoekend naar zijn oude Nintendo Wii. Ben je niet te oud voor je Wii? hoorde hij een jeugdherinnering echoën. Het was de stem van zijn vader. Je bent twaalf, tijd om volwassen te worden. Een zwarte vlaag trok voorbij zijn ogen. Verkoop ‘m anders aan je oom. Hij heeft een zoontje van zes. Hij weet zeker dat je oom er goed geld zou voor betalen. Ondanks dat hij toentertijd spaarde voor een nieuwe PlayStation 4 en inderdaad dacht aan het verkopen van zijn Wii, had hij het nooit daadwerkelijk gedaan. En op een avond als deze, waarin hij overspoeld werd door herinneringen, was hij zijn verleden-Josh dankbaar dat hij het nooit had verkocht. Als hij zijn Wii zou hebben verkocht, zou hij zijn herinneringen hebben verkocht. Na twee uur zoeken vond hij zijn Wii dan eindelijk. Hij bracht de console naar beneden en ging weer terug om de bedrading, Wii Remote en Nunchuck te halen. Daarna ging hij aan de slag met het verbinden van zijn Wii met zijn tv.   02 Toen hij met alles klaar was (in totaal kostte hem het slechts een kwartier werk), werd hij overspoeld met blijdschap. Hij deed het nog perfect, hetzelfde gold voor de Wii Remote en Nunchuck. Hij had enkel nog niet Super Mario Galaxy gevonden, maar dat kon wachten. Hij bekeek het hoofdmenu, staarde naar de kanaaliconen. Hij opende het Mii Creation Channel, luisterde naar die iconische, simpele Nintendomuziek om het vervolgens tien minuten later weer te sluiten. Terug in het hoofdmenu zag hij het pictogram van het Messageboard (een lichtgrijze brief), met eronder een 1. Nieuwsgierig drukte hij erop. Het Messageboard opende en hij zag een witte brief knipperen. Het had het icoontje van zijn Mii erop staan. Dit had hij nog nooit eerder gezien. Hij opende het bericht en las wat er stond.   Gooi deze Wii weg! Verkoop het niet, geef het niet weg, gooi het weg. Naar een plek waar niemand het kan vinden, naar een plek waar ik het niet meer kan terugvinden! Er zit te veel van mij in hem, speel geen spel   Had hij dat geschreven? Een bericht van verleden-Josh naar oudere heden-Josh? Maar wat moest het betekenen? Het was onduidelijk maar tegelijk ook weer wel. Gooi deze Wii weg! was niet moeilijk te begrijpen, maar omdat hij het bericht waarschijnlijk jaren geleden had geschreven, wist hij niet meer wat de betekenis erachter was. Pas later had hij gewild dat hij naar zichzelf had geluisterd.   03 Het kostte hem zeker nog een uur, maar hij slaagde erin de doos te vinden dat tot aan de rand was gevuld met allerlei Wii-games. Hij haalde ze er allemaal uit, want hij zocht Super Mario Galaxy 2, geen enkel ander spel. Tuurlijk, die kon hij altijd nog spelen, maar nu wilde hij terugkeren naar dit meesterwerk. Tijdens het zoeken had hij de soundtrack op de achtergrond spelen. Uiteindelijk vond hij het spel en hij overstroomde van opgewondenheid. Hij ging zo snel mogelijk weer terug naar de woonkamer en deed de disk in de Wii. Het spel begon en hij werd begroet door de opening-theme. ‘Yes, eindelijk!’ riep hij uit, maar zijn blijheid mocht niet lang duren. Op het moment dat hij de A –en B-knop tegelijk indrukte, bevroor het beeld en stopte de vrolijke muziek abrupt. Met halfopen mond keek hij naar het opgelichte logo, voordat de Wii ongelofelijk hard begon te blazen. De kleuren verdwenen ineens; het beeld werd zwart. ‘Godver- nee,’ jammerde hij teleurgesteld. Hij smeet de Wii Remote tegen de grond. Maar de Wii was niet uitgeschakeld. Het lampje naast de Power-knop brandde nog steeds groen. Ineens sprongen alle lampen in zijn huis uit, waardoor het leek alsof hij werd bedekt door een duister laken. Het enige licht dat nog brandde, was het groene lampje van de Wii, dat alsmaar feller en feller werd. Luid geruis steeg op in de kamer. De flauwe geur van angstzweet drong zijn neus binnen. Het groene licht vulde nu zijn gehele woonkamer. ‘Wat gebeurd er?!’ riep hij uit. Hij tastte met zijn hand in zijn broekzak, zoekend naar zijn telefoon, maar die was er ineens niet meer. ‘Wat?’ siste hij. Het groene licht vernauwde en focuste op zijn bank. Het meubel leek in een groene spotlight te staan. Hij zag dat zijn bank in het licht geen bank meer was, maar een bed. Een kinderbed, om precies te zijn. Het bed dat hij had als kind. ‘Wat is dit?’ zei hij, kijkend naar de Wii, maar natuurlijk zou het apparaat niet antwoorden. Zijn ogen werden automatisch teruggetrokken naar de vertoning in het licht. Hij kwam dichterbij en zag verleden-Josh in bed liggen, bedekt met zijn Mario-dekens. Maar hij sliep niet. Hij was klaarwakker. Het groene licht werd breder. Het onthulde de rest van zijn kinderslaapkamer. Nu pas zag hij dat de ogen van verleden-Josh strak op de deur gefixeerd waren. Hij bespeurde iets van angst in de glans van zijn ogen. Toen ging zijn slaapkamerdeur open. Geluidloos. Maar tegelijkertijd opende ook de deur van zijn woonkamer. ‘Wat- hallo? Is daar iemand…? Jake? Jake?’ zei hij, opkijkend naar de geopende woonkamerdeur. Hij probeerde de lichten aan te doen, maar alles bleef uit. ‘Jake, ben je daar? Zeg alsjeblieft iets?’ Geen antwoord. ‘Zie- zie je deze krankzinnigheid, Jake? Gast, zeg alsjeblieft dat jij het ook ziet…’ Stilte. ‘Ben je niet te oud voor je Wii?’ hoorde hij de stem van zijn vader achter mij zeggen. Hij draaide zich om. Als een holografische echo uit het verleden, stond zijn vader in de slaapkamer van verleden-Josh. Hij was… anders dan hij mij herinnerde. Magerder en somberder dan in zijn hoofd, maar er was iets in zijn ogen dat mij niet aanstond. Verleden-Josh keek zijn vader met een brandende haat aan. Waarom? Voor zover hij me kan herinneren, konden zijn vader en hij het altijd goed met elkaar vinden. Altijd. Voordat mama ons verliet. Een donkere herinnering kroop terug uit zijn achterhoofd. Ja, dat klopt. Mam verliet zijn vader voor een andere man. De scheiding was allesbehalve makkelijk. Voor hem, voornamelijk. Verleden-Josh zei niets tegen zijn vader. ‘Je bent twaalf,’ zei zijn vader, op de rand van huilen. ‘Tijd om volwassen te worden.’ Hij naderde verleden-Josh en haalde de dekens van mij af terwijl hij zijn broek ontknoopte. Zijn hart schokte in zijn borstkast en hij wendde zijn blik af van de holografische vertoning. Hij was niet bang, hij was geschokt. Geschokt dat hij dat was vergeten. Hij weet niet meer wanneer hij begon met huilen. Alleen dat zijn gehuil bijna synchroon liep als het gehuil van verleden-Josh. Hij hoorde zijn vaders stem, zijn gekreun door zijn kinderlijke gejammer. ‘Zet het uit, zet het uit!’ riep hij, opnieuw opdreunend als een spreuk. Het groene licht werd feller en zette zijn woonkamer opnieuw in groen licht. Dat was toen hij de magere gestalte in de hoek zag staan. ‘Ben je niet te oud voor je Wii?’ vroeg de gestalte. Hij hield zijn adem in. ‘Het is tijd dat je volwassen wordt.’ De gestalte stapte uit de hoek en kwam met brede stappen op mij af. Hij stapte in het licht en hij zag het verwrongen gezicht van zijn vader. Zijn ogen waren zowat gigantisch; de rode adertjes erin opgezwollen als wurgslangen waardoor het oogwit bijna onzichtbaar was; uitpuilende, melkwitte pupillen staarden mij doordringend aan. Met een sinistere grijns ontblootte hij zijn gele tanden. Zijn losse, witte t-shirt was bevlekt met vers, helderrood bloed en zijn handen waren donkerrood. Het licht begon gewelddadig te knipperen, waardoor het leek alsof alles werd gefotografeerd met een groene flits. Toen het gezicht van zijn vader op nog geen meter afstand van zijn gezicht was, en hij in een onmenselijke beweging naar mij toe boog, veranderde het licht naar rood. Als scherven werd zijn vader uit elkaar geblazen. De verloren scherven van zijn jeugd waren weg. Ontsnapt. Toen Josh wakker werd, zat hij in de foetushouding in de hoek van zijn woonkamer, ver weg van de Wii. Het lampje brandde niet meer en alle lampen stonden nog aan. Was het allemaal een droom geweest? Josh ging weer staan en liet zijn ogen op de Wii rusten. Nu pas begreep hij wat verleden-Josh hem wilde vertellen in dat bericht op het Messageboard. ‘Er zit te veel van mij in hem,’ herhaalde Josh. ‘Te veel van mij.’ Josh bleef deze woorden herhalen terwijl hij de stekker en andere bedrading uit de Wii trok en het apparaat weer terugdeed in de kartonnen doos, samen met de andere verborgen scherven van zijn herinneringen.

Aaron de Bruijn
0 0

Poëziewedstrijd Stad Oostende

De inschrijvingen voor de 10de poëziewedstrijd zijn van start gegaan! Creatievelingen met een vlotte pen, een spraakmakende woordenschat en een portie lef kunnen zich van hun beste kant laten zien met een zelfgeschreven gedicht.   Wie graag zijn meest intense gevoelens, diepste gedachten of een tussendoor-verhaaltje wil neerschrijven, kan zich uiten in een zelfgeschreven gedicht. Laat de woorden vloeien, je klavier rammelen of je pen spetteren en neem deel aan de tiende editie van de poëziewedstrijd. Tot 1 oktober 2017 kan iedereen één of twee ongepubliceerde Nederlandstalige gedichten -met een maximale lengte van een A4-pagina- inzenden bij de dienst Cultuur. Krijg met jouw gedicht een plaatsje op onze hall of fame en maak kans op enige roem. Bovendien ontvangt de laureaat 3.000 euro, de tweede prijs bedraagt 1.500 euro en de derde prijs telt 750 euro. De jury bestaat uit Frank Decerf, Hester Knibbe, Koen Stassijns, Lies Van Gasse, Ivo van Strijtem, Geert Van Istendael en Koen Vergeer. De voorzitter van de jury is Ivo van Strijtem. De schepen van Cultuur is ere-voorzitter. Martine Meire, directeur-cultuurbeleidscoördinator, is secretaris van de jury. Blaas deze kenners van hun sokken en verbaas hen met jouw eigen stukje poëzie. De Proclamatie vindt plaats in januari 2018. Het reglement is te verkrijgen bij de dienst Cultuur of je kan het hieronder in pdf downloaden. Gedichten kunnen conform het reglement verzonden worden per e-mail naar poeziewedstrijd@oostende.be of per post naar Poëziewedstrijd, dienst Cultuur Oostende, Stadhuis, Vindictivelaan 1, 8400 Oostende. Meer info bij de dienst Cultuur, T 059 56 20 16, poeziewedstrijd@oostende.be Een organisatie van de dienst Cultuur in samenwerking met Bibliotheek Kris Lambert.

Poëziewedstrijd Stad Oostende
126 0

Poëziewedstrijd Stad Oostende

De inschrijvingen voor de 10de poëziewedstrijd zijn van start gegaan! Creatievelingen met een vlotte pen, een spraakmakende woordenschat en een portie lef kunnen zich van hun beste kant laten zien met een zelfgeschreven gedicht.   Wie graag zijn meest intense gevoelens, diepste gedachten of een tussendoor-verhaaltje wil neerschrijven, kan zich uiten in een zelfgeschreven gedicht. Laat de woorden vloeien, je klavier rammelen of je pen spetteren en neem deel aan de tiende editie van de poëziewedstrijd. Tot 1 oktober 2017 kan iedereen één of twee ongepubliceerde Nederlandstalige gedichten -met een maximale lengte van een A4-pagina- inzenden bij de dienst Cultuur. Krijg met jouw gedicht een plaatsje op onze hall of fame en maak kans op enige roem. Bovendien ontvangt de laureaat 3.000 euro, de tweede prijs bedraagt 1.500 euro en de derde prijs telt 750 euro. De jury bestaat uit Frank Decerf, Hester Knibbe, Koen Stassijns, Lies Van Gasse, Ivo van Strijtem, Geert Van Istendael en Koen Vergeer. De voorzitter van de jury is Ivo van Strijtem. De schepen van Cultuur is ere-voorzitter. Martine Meire, directeur-cultuurbeleidscoördinator, is secretaris van de jury. Blaas deze kenners van hun sokken en verbaas hen met jouw eigen stukje poëzie. De Proclamatie vindt plaats in januari 2018. Het reglement is te verkrijgen bij de dienst Cultuur of je kan het hieronder in pdf downloaden. Gedichten kunnen conform het reglement verzonden worden per e-mail naar poeziewedstrijd@oostende.be of per post naar Poëziewedstrijd, dienst Cultuur Oostende, Stadhuis, Vindictivelaan 1, 8400 Oostende. Meer info bij de dienst Cultuur, T 059 56 20 16, poeziewedstrijd@oostende.be Een organisatie van de dienst Cultuur in samenwerking met Bibliotheek Kris Lambert.

Poëziewedstrijd Stad Oostende
21 0

Poëziewedstrijd Stad Oostende

De inschrijvingen voor de 10de poëziewedstrijd zijn van start gegaan! Creatievelingen met een vlotte pen, een spraakmakende woordenschat en een portie lef kunnen zich van hun beste kant laten zien met een zelfgeschreven gedicht.   Wie graag zijn meest intense gevoelens, diepste gedachten of een tussendoor-verhaaltje wil neerschrijven, kan zich uiten in een zelfgeschreven gedicht. Laat de woorden vloeien, je klavier rammelen of je pen spetteren en neem deel aan de tiende editie van de poëziewedstrijd. Tot 1 oktober 2017 kan iedereen één of twee ongepubliceerde Nederlandstalige gedichten -met een maximale lengte van een A4-pagina- inzenden bij de dienst Cultuur. Krijg met jouw gedicht een plaatsje op onze hall of fame en maak kans op enige roem. Bovendien ontvangt de laureaat 3.000 euro, de tweede prijs bedraagt 1.500 euro en de derde prijs telt 750 euro. De jury bestaat uit Frank Decerf, Hester Knibbe, Koen Stassijns, Lies Van Gasse, Ivo van Strijtem, Geert Van Istendael en Koen Vergeer. De voorzitter van de jury is Ivo van Strijtem. De schepen van Cultuur is ere-voorzitter. Martine Meire, directeur-cultuurbeleidscoördinator, is secretaris van de jury. Blaas deze kenners van hun sokken en verbaas hen met jouw eigen stukje poëzie. De Proclamatie vindt plaats in januari 2018. Het reglement is te verkrijgen bij de dienst Cultuur of je kan het hieronder in pdf downloaden. Gedichten kunnen conform het reglement verzonden worden per e-mail naar poeziewedstrijd@oostende.be of per post naar Poëziewedstrijd, dienst Cultuur Oostende, Stadhuis, Vindictivelaan 1, 8400 Oostende. Meer info bij de dienst Cultuur, T 059 56 20 16, poeziewedstrijd@oostende.be Een organisatie van de dienst Cultuur in samenwerking met Bibliotheek Kris Lambert.

Poëziewedstrijd Stad Oostende
0 0

Broeders voor Congo, voor Virunga

Niet het geritsel en geruis om hen heen, niet het gekrijs en gebrul in de verte, niet de geluiden van het woud die ze kennen, waarmee ze zijn opgegroeid, maken hen bang, maar het bloed, het spoor van rode druppels dat ze al urenlang volgen. Loïc, twaalf, loopt voorop en Ray, elf, maar een kop groter dan Loïc, breder van hoofd tot enkels en een of twee, nee, drie tinten bleker, loopt achter hem aan. ‘Van wie is al dat bloed? Hoe kan het dat er zo veel is?’ Loïc houdt halt en wijst naar de stroperige vegen die aan de bladeren van de bromelia’s plakken. ‘Veel meer dan wij uit onze vingers kregen, toen,’ zegt Ray. Toen is twee jaar geleden, op de dag dat ze bloedbroeders werden. Loïc had als eerste zijn vinger in het luciferdoosje vol termieten gestopt en Ray had zich over het venstertje gebogen dat ze uit het deksel hadden geknipt en waarop ze een stukje plastiek hadden gelijmd. ‘Bijten ze al?’ had hij gevraagd. Loïc had met zijn hoofd geschud, zonder naar zijn vinger in het doosje te kijken. ‘Waarom heb je er zoveel gevangen?’ klaagde hij, ‘eentje was toch genoeg?’ ‘Termieten zijn net als vaders, sommigen bijten, anderen niet,’ had Ray gegrijnsd. Loïc en hij hadden pech met hun vaders, ze waren van de bijtende soort. Allebei. Ze beten naar hun kinderen, omdat ze in de weg liepen, omdat ze te veel aten, omdat ze bestonden. ‘De mijne wil weg om geld te gaan verdienen bij de mannen van de oliewinning,’ zei Ray. ‘En die van jou wil vast dat je vlees meebrengt voor de kookpot. Stropersvlees!’ Hij lachte grimmig en toen had Loïc gegild en een dikke druppel bloed was opgeweld uit zijn vinger. Ray had Loïcs pols vastgegrepen en zijn vinger voorzichtig uit het doosje getrokken. Daarna had hij zijn eigen vinger erin gestopt, had gewacht tot hij werd gebeten en toen hadden ze hun bebloede vingers tegen elkaar gedrukt. Lange tijd. ‘Broeders voor altijd, broeders voor Congo, voor Virunga,’ had Ray gefluisterd, had Loïc hem nagefluisterd. De middagzon valt in gouden vlekjes op de bladeren van de bomen en de planten, maar Ray en Loïc letten er niet op. Zij volgen het spoor, als jachthonden op zoek naar een trofee. ‘Dwalen we niet te ver van het kamp af?’ vraagt Loïc bezorgd nadat ze weer een hele poos in stilte hebben doorgelopen, door stekelige struiken, over rottende boomstammen, dwars door het woud. Ray blijft staan en haalt het kompas uit zijn zak. Het kompas is een geschenk van de piloot van Virunga, het is hun talisman. Het bracht de piloot geluk toen hij neerstortte met zijn vliegtuig, in de bomen, vlak bij de plek waar Ray en Loïc een kamp van droge palmbladeren hadden gebouwd. Het kompas zal hen redden en hen veilig terug naar huis brengen. ‘We lopen naar het noorden,’ constateert Ray. ‘Dat is een goeie richting, want daar ligt de zee.’ ‘De zee is een grote plas water met golven,’ zegt Loïc. ‘Op de golven kun je varen met een boot, want golven zijn water dat heen en weer beweegt, als de boomtoppen in het woud wanneer ze wiegen in de wind, van links naar rechts, van hoog naar laag, meneer, mevrouw!’ Loïc buigt als een knipmes en slaat Ray op de schouders en ze lachen de spanning uit hun lijf. ‘Kom,’ zegt Ray. Hij stopt het kompas in zijn zak en begint weer te lopen, zet er stevig de pas in. Tot hij abrupt halt houdt zodat Loïc tegen hem op botst. ‘Daar,’ wijst Ray. Door de tunnel van groen ziet Loïc de open plek. En in het zonlicht dat als het licht van een lantaarn op de bosvloer valt, zit een donkere schaduw. Op stille voeten sluipen Ray en Loïc dichterbij en het is Loïc die het als eerste begrijpt. ‘Een moeder en een baby,’ zegt hij en er klinken tranen in zijn stem, die hij wegslikt, dapper, want zo wil hij zijn, zo wil hij worden. Om zeker te weten dat er niemand anders in de buurt is, wachten ze minutenlang in de schaduwen van de bosrand tot Ray het niet meer uithoudt en in het zonlicht stapt, naar de dieren toe. Chimpansees. Een dode moeder en een baby die zich aan haar moeders lichaam vastklampt en begint te krijsen zodra ze de jongens ziet. ‘Stil maar,’ sust Loïc en hij steekt zijn hand naar haar uit. ‘Kom,’ zegt hij, ‘kom maar bij mij, toe.’ Hij praat en praat tot de baby ophoudt met krijsen en aarzelend haar armpjes naar hem uitstrekt. In de stilte klinkt alleen het gesnuf van de jongens en de zachte keelgeluidjes van de baby wanneer ze zich aan Loïc vastklampt alsof ze hem nooit meer los zal laten. ‘Ik neem de moeder,’ zegt Ray, want hij is de sterkste en de grootste. ‘Het bloed kwam van de kapwonde in haar buik,’ wijst hij. ‘Het is een wonder dat ze aan de stropers is ontsnapt. Zoveel bloed.’ ‘We kunnen haar ook achterlaten,’ oppert Loïc, ‘ze is zwaar en het kamp van de rangers is ver van hier.’ Nee, schudt Ray vastberaden. De rangers moeten haar zien, ze moeten weten wie ze is. Hij hijst het dode dier op zijn rug. ‘De terugweg is altijd minder lang,’ zegt hij en hij begint te lopen. ‘Later worden Ray en ik rangers,’ zegt Loïc tegen de baby en ook hij begint te lopen. De baby slaat haar ogen naar hem op en kijkt hem aan alsof ze hem begrijpt. ‘Maar eerst brengen we je naar huis. Alles komt goed,' belooft Loïc. De baby legt haar hoofdje in haar nek en lacht haar puntige tandjes bloot.

Ines Nijs
0 0