Lezen

Op straat geboren - Kortverhaal door de ogen van aan hun lot overgelaten zwerfpoezen

We zijn niet uniek .. We zijn niet speciaal .. We zijn vuil .. We hebben vlooien .. We zijn ziek .. We hoorden niet geboren te worden .. We werden gered en we werden geliefd ..   Mijn leven begon op straat. Of op een kerkhof .. of in een garage .. Maar dikwijls op straat .. net zoals de rest van mijn soort.   Ik herinner mij nog de dag dat ik geboren werd. Het was koud. Ik voelde een gure wind door onze nest waaien. Ik rilde. Mama legde zich over ons maar ook zij had het koud. Ze likte ons schoon en gaf ons melk te drinken. We zagen scheel van de honger maar veel had mama ons niet te bieden. Ze was klein, mager en voelde zich ziek. Zo jong als ze zelf was heeft ze ons op de wereld gebracht.  Ook kon zij ons amper ruiken of zien. Haar oogjes kleefden toe van de etter en haar neusje zat volledig verstopt. Maar ze deed haar uiterste best om ons een beter leven te geven dan dat ze zelf kon bieden.   Zoveel dagen na onze geboorte was het er nog steeds niet beter op geworden.   Ik had mijn jongste zusje al even niet meer gehoord. De dag dat mijn oogjes open gingen zou ik haar voor het eerst ontmoeten, samen met mijn andere zus. Ik zou zien hoe groot zij waren, hoe mijn mama eruit zag, hoe de wereld in elkaar zat en hoe we samen zouden spelen en leren om een grote poes te worden. Ik keek er wel naar uit! De dag kwam .. ik kon al een beetje meer zien. Mijn jongste zusje lag naast mij, ze bewoog niet. Ik dacht dat ze nog een beetje moe was toen mama haar wakker maakte en daar niet slaagde. Ze miauwde en duwde met haar kopje tegen mijn zusje haar buik. Ze leek mij gewoon in een heel diepe slaap.   Achteraf kwam ik er achter dat ze gestorven was. Ze zou te ziek en te zwak zijn geweest om te overleven. Het was nu enkel nog maar mijn grote zus en ik, samen met mama.   Intussen konden mijn grote zus en ik al een beetje beter zien. De wereld zag er maar sober en triest uit. Het was donker buiten en er lag een dik pak sneeuw. Maar wij wisten van niet beter dan er binnen in de huizen een betere wereld bestond. Daar zou er warmte zijn en voldoende lekker en gezond eten. Hier buiten kenden we enkel maar de kou en we aten als we het konden vinden. In de winter hebben we niet veel. Vogels trokken naar het zuiden en veel dieren hielden een winterslaap. Dus waar moesten wij ons eten vandaan halen als het niet in de vuilbakken lag? Mama liet ons vaak achter in onze kartonnen doos terwijl ze een beetje verder op het plein haar leven riskeerde voor een paar restjes. Soms kwam ze mankend terug en had ze pijn. Ze werd gestampt en geslagen omdat ze vuilzakken open had gekrabd. Ze was nergens meer welkom. Niet zo lang geleden werd ze zelf als kitten achtergelaten. Haar mama was per ongeluk zwanger geraakt, net zoals haar oma en die haar mama. Mama’s baasje had hen gewoon hier in het park gedumpt. Ze waren het beu om altijd maar voor die vuile katten te zorgen. Oma werd aangereden door een auto en stierf. Mama is zwanger geraakt door een andere zwerfpoes en toen werden wij geboren. Ik weet nog goed hoe ik verlangde naar wat warmte en een lekkere maaltijd die mijn maagje zou vullen.   We hebben het zo een paar weken volgehouden. ’s Nachts kropen we lekker warm onder mama’s buik en op een ochtend toen we wakker werden was mama gestorven. Die nacht was de laatste nacht dat we nog melk hadden gedronken. Onze uitgeputte moeder heeft haar leven gegeven om ons te voeden en ons warm te houden. Ik mis haar maar ik kan het mij amper herinneren, het is zo lang geleden. We hebben gehuild en gehuild, mama kwam niet terug. ’s Anderendaags werd haar lijkje opgeruimd door de gemeente terwijl wij twee jonge weesjes werden achtergelaten. De mannen met oranje pakken zagen ons en hoe eenzaam en hongerig wij ook waren, ze zagen ons niet staan, laat staan dat zij ons zouden helpen. We waren het zelfde lot beschoren als de rest van onze familie. En wellicht zoveel andere families hier op straat. Er zat niets anders op dan ons zwerversbestaan voort te zetten. We konden enkel maar dromen van een liefdevol leven tussen vier muren, een potje eten en een oh zo knus mandje. Alle dagen gingen we bedelen bij de mensen die ons voorbij liepen maar we kregen niets behalve viezigheid naar onze kop geslingerd. En wanneer we weg renden waren wij voor hen ook echt weg. Als we maar niet in het zicht leefden. En wat dan nog, niemand zou ons lijden zien. Alle avonden kropen we tussen de struiken om te gaan slapen.   Als het regende werden we wel nat maar het was beter dan niets. De wind blies door de struiken en tegen de ochtend waren we nat en verkouden. Voordien was het echter niet veel beter. De doos waar we vroeger in sliepen was allang geen doos meer maar een stuk nat, vuil, beschimmeld stuk karton.   We hadden honger en aan onze uitgemergelde lijfjes kon je zien dat we in geen weken meer deftig eten hadden gekregen. We zochten en zwierven hele straten af maar nergens leken we geluk te vinden. Ik voelde mij eigenlijk niet zo goed meer en mijn zus leek ook ziek te worden. We moesten heel de tijd niezen en ook onze ogen dropen van de etter. We wilden graag geholpen worden naar een beter leven maar mensen klaagden… ‘’Stinkende zwerfkatten halen vuilzakken leeg’’ werd er verteld. De gemeente kampte met een probleem dat moest opgelost worden … En wij waren duidelijk het probleem dat iedereen in de gemeente zo graag wilde oplossen. Wij hoopten dag per dag dat er verandering in ging komen. Wij poezen geloven niet in mirakels maar toch ging er een dag zijn dat we door onze zieke snotneusjes eten konden ruiken. En die dag was vandaag. Ik en mijn zus kropen langzaam verder in de richting die onze neusjes ons aangaven. We inhaleerden de geur van kip en zalm zo diep we konden en zette zo onze tred verder. Geen van ons beide vermoedde wat voor leed er ons nog te wachten kon staan na dat potje voer maar daar lagen we toch niet van wakker. Aarzelend kropen we dichterbij en deden ons te goed aan de smakelijke korrels. Eindelijk een deftig maaltje sinds onze geboorte. We zaten geen minuut te eten tot plots een luide klap weerklonk. We schrokken ons te pletter. Ik draaide me op en het viel me op dat we plots niet meer weg konden. Overal waar we keken was metaal te zien. Het harde, koude staal sloot ons op en we konden geen kant meer uit, het was gedaan met onze vrijheid. Het positieve zagen wij er niet van in, we waren opgesloten en het was koud. We miauwden zo luid en zo lang tot iemand ons wou helpen maar we zagen niemand. De ijskoude wind drong onze kooi binnen en nergens konden wij schuilen. Hoewel we alle twee huilden en miauwden om hulp leek het niemand iets te kunnen schelen. Iedereen wandelde voorbij en niemand keek om. Enkele uren later, nog net voor de avond viel hoorden we voetstappen onze richting uitgaan. Iemand tilde onze kooi op en sprak ons iets toe. Ik was doodsbang en mijn zus .. die was te moe en te suf van de koude. Zij keek alleen maar toe. Een motor startte en de man die ons droeg zette ons neer in de koffer van zijn auto. Dit was echt eng, nog nooit voelde ik mij zo bang. Het luide gebrom van de motor en het voorbij razende verkeer .. We hadden een goede reden om in de struiken te gaan wonen. Daar was het rustig.   Maar koud en er was amper voedsel.   Niet veel later werden we weer met kooi en al verzet maar deze keer leek het wel leuker te worden. Ik voelde de warmte op mijn koude pels slaan. Het deed ons zoveel deugd. Maar de wereld rond ons is nog enger geworden dan voordien. We waren zo vertrouwd met de struiken en het plein, maar dit .. Iedereen praat tegen ons en wij weten niet waarover ze het hebben. Wat zijn die mensen van plan met ons?  Anders ziet niemand ons staan of doen ze ons pijn. Maar deze mensen niet. Deze mensen zijn anders. Al die vreemde geluiden en het koude staal rondom ons maakte ons doodsbang. Ik wilde uit de kooi en hoe hard ik met mijn pootjes er tegen duwde .. het leek maar niet te lukken. Even dachten we dat we echt wel gedoemd waren. Ons kleine zusje was al gestorven, dan mijn mama en nu zijn wij aan de beurt.   Het was al donker buiten toen iemand de kooi leek open te doen. Mijn zus werd bij haar nekvel gegrepen en weggebracht. Ik miauwde, ik wilde mijn zus terug en ik wilde weg. Maar om eerlijk te zijn verstijfde ik van de schrik. Toen ik mijn zus niet meer hoorde had ik pas echt bang. Wat is er met haar gebeurd? Ik hoorde terug voetstappen en een stem. Weer greep iemand mijn nekvel vast. Ik spartelde tegen, blies en krabde. Het leek te helpen want ik werd terug neergezet.  En daar was mijn zus ook. We zaten in een andere kooi nu. Deze leek wel leuker te zijn. Er stond eten klaar en een potje met proper water. Mijn zus was al gulzig aan het schrokken en ik .. ik twijfelde. De vorige keer we ons tegoed deden aan al het lekkers werden we gevangen en opgesloten. Ik had wel dorst eigenlijk. Vol twijfel zette ik mijn stapjes naar het potje en proefde van het frisse water. Hier zat geen vreemde smaak aan. Het water dat wij gewoon waren is vaak regenwater dat al een tijdje op de straat ligt. Vaak vol vuiligheid en olie van de auto’s. Het duurde niet lang of ons buikje was rond gegeten en om eerlijk te zijn, het heeft ons wel gesmaakt. Heel de pot hebben we tot op de bodem opgepeuzeld. De mensen spraken ons aan maar het deed ons niets. Intussen zaten we al weer in een hoek van de kooi te blazen naar iedereen die naar ons keek. Ik herinner mij die dagen heel veel angst. Ik had continu het gevoel dat we elk moment weer werden pijn gedaan. Het enige wat anders was; was dat wij aandacht kregen als we miauwden. Mijn zus had zich in een knus dekentje gerold en ik wilde haar graag vergezellen. Het voelde nog zacht en warm aan, toch iets anders dan de struiken die we gewoon waren. Plus, het is hier droog. Een paar uur later werden we wakker, het licht ging aan en een vrouw benaderde ons.  Ze stak haar hand in de kooi om ons te aaien. Ik moest er niet te veel van weten, wat zou ik nu weer naar mijn hoofd geslingerd krijgen? Ik besloot mij maar te verdedigen, de vorige keer werkte het toch. Ik haalde met mijn klauwen uit naar haar hand en raak! De vrouw sloot de kooi en ging weg nadat ze ons eten had gegeven.   Nadat ik mij voldaan had besloot ik toch op verkenning te gaan. Op mijn weg kwam ik een bak tegen met vreemd zand. Het voelde zacht aan mijn pootjes en ik kon er heerlijk in graven. Zou het oké zijn als ik hier mijn plasje in maakte? Misschien een grote boodschap ook want ik moet toch wel dringend. Nadat ik geweest was besloot ik het mooi te begraven, het moet tenslotte toch netjes zijn?   Dezelfde hand kwam weer in de kooi. Mijn zus kroop er naar toe. Ik dacht nog ‘’wat doet  ze nu?! Blijf hier!’’ Er gebeurde niets. De vrouw zei niets en ook haar hand deed niets. Toch vreemd. Mensen kon ik niet vertrouwen. Mijn zus had er toch duidelijk minder moeite mee. Ze ging eens ruiken wat het was. Het bleek oké te zijn maar toch .. nee, mensen kan ik niet vertrouwen. Een dag later kreeg ik gelijk. Een man tilde mij uit mijn kooi en gaf mij een spuitje. Hij deed het voor mijn eigen bestwil beweerde hij. Maar hij deed mij pijn en opnieuw werd mijn vermoeden bevestigd dat mensen je gewoon altijd pijn willen doen. Mijn zus kreeg hetzelfde spuitje en ook voor haar gezondheid zou het goed zijn. Later bleek die man de dierenarts te zijn die ons er bovenop moet helpen. Hij zei ons dat we ziek waren en eerst moesten genezen voor er sprake is van een nieuwe thuis.   Dagen gingen voorbij en het was echt leuk om alle dagen lekker voer te krijgen, ons plasje te mogen doen in vers kattenzand en te tukken in een warm dekentje. Maar die mensen .. nee, het bleef eng en juist omdat we zoveel hadden meegemaakt lag het zo moeilijk om alles een kans te geven. Voor mij tenminste, mijn zusje deed goed haar best maar als de dierenarts kwam geloofde ook zij weer dat mensen kwaad konden doen. Maar ook die keer bedoelde de man het goed, hij hielp ons van onze jeuk af, het was gedaan met de vlooien. Daar was ik toch wel gelukkig om, mijn huid lag open van de krabletsels. Enkele weken later kwam er wel wat meer vooruitzicht in onze toekomst. We waren genezen en van onze vlooien verlost. De dame die al zo lang voor ons zorgde zocht een goede thuis voor ons. Intussen konden wij mensen beetje per beetje vertrouwen en ook speelgoed werd geïntroduceerd. We mochten voor het eerst uit onze kooi op verkenning. Het liep niet van een leien dakje.  Opnieuw ging er een wereld voor ons open, nog groter dan de vorige. Maar met wat aanmoediging lukte het wel. Nog duurde het enkele dagen dat we op die grote kattenpaal durfden. Mijn gekke zus was zoals gewoonlijk de eerste om alles uit te proberen. Ze toonde mij voor hoe ik mijn nagels kon scherpen en mijn klimkunsten kon oefenen. Uren hebben wij gespeeld ermee.   Soms kwam er bezoek en soms keken ze naar ons. We kregen complimenten dat we er wel lief uitzagen. Dat was het dan ook. We zagen er lief uit. Maar niet pluizig en niet meer klein. We hadden geen zielige oogjes meer en we waren bijna mooie katten geworden. Mensen wilden ons niet in huis halen omdat we niet meer zo schattig zijn. Al maakte het voor ons weinig uit, we zaten goed daar. Maar we moesten vlug plaats maken want er kwamen opnieuw kleine poesjes binnen. Ze zouden hetzelfde meegemaakt hebben als wij. Deze meisjes vonden wel meteen een thuis, ze waren sociaal en speels. Hun kopjes hingen vol met pluisjes en hadden een dikke zachte staart. Terwijl wij toekeken hoe zij geknuffeld werden haalde iemand een mand boven. Ze mochten mee naar hun nieuwe thuis. Wij bleven achter... We zouden nooit een goede thuis vinden waar we voor altijd mochten blijven. Tenzij wij hier bleven maar dat was nooit de bedoeling geweest. Deze mevrouw had haar huis ingericht tot een thuis, een thuis voor poezen zoals wij. En om elke poes een kans te geven moest er hier wel plaats zijn ook.   De lente kwam er aan en wij waren al mooi uitgegroeid tot flinke pubers met een grote neiging tot kattenkwaad. De mensen om ons heen hebben we uiteindelijk kunnen vertrouwen. De dierenarts was nog steeds onze vriend niet maar hij deed niet veel kwaad. Een kleine prik of een pilletje en ook werden we gesteriliseerd zodat we zelf geen nakomelingen op de wereld konden zetten. Nadat we een chip geplaatst kregen waren we er ook weer vanaf voor een tijdje.   De dag kwam dat er nog eens bezoek was voor een adoptie. Weer zou het zijn voor een klein schattig poesje … En wij bleven achter..   We herinneren ons nog de dag dat wij werden geadopteerd. Het was niet veel later na het laatste bezoek. Het deed pijn om ons vertrouwde huis achter te laten en zeker toen we zagen hoe de vrouw die ons redde van een eenzame dood huilde toen ze ons zag vertrekken. Ik mis haar soms. En zij ons ook denk ik. We moeten regelmatig op de foto om te laten zien aan onze redder in nood hoe wij het nu stellen in onze nieuwe thuis en hoe gelukkig wij hier zijn.   Maar eind goed al goed, Ons verhaal heeft een happy end, een grote kattenpaal, vers kattenzand en lekker eten voor de rest van onze dagen hier op aarde.   Wij waren weesjes Wij waren zwerfpoezen Wij waren aan ons lot over gelaten Wij zijn Mia en Gio   Dit is ons verhaal

Peursum Doreen
31 0

De woonconsulent aan het werk

Heb jij ook vragen over premies? Kan je er niet meer aan uit? Kom je wel of niet in aanmerking voor de premie? Er zijn zoveel vragen dat op elke arm van een kandelaar wel tien vragen passen. Een woonconsulent bekijkt elke kandelaar apart. De kandelaar kan één, twee of wel vijf armen met vragen hebben. Vragen over premies, huren, leegstand, renoveren? De antwoorden worden arm per arm door je woonconsulent beantwoord.   Tim Houben is één van de woonconsulenten binnen het intergemeentelijk woonproject ‘Wonen tussen Dijle en Velp’. Hij werkt ondertussen al tien jaar in de sociale sector, waarvan bijna vijf jaar voor dit project. Advies geven aan de inwoners van Haacht: dat is wat Tim wil doen. Tim: “Op mijn 18de ben ik verhuisd naar Leuven om te gaan studeren. Ik schreef mij in op de Sociale Hogeschool in Heverlee en volgde de richting Maatschappelijk Werk. Ik was klaar om het werkveld te ontdekken. Ik zag probleemsituaties  tussen partners, verwaarlozing van kinderen,… Deze situaties werden plots werkelijkheid.”   Je informeert en adviseert burgers. Kan iedereen dan zomaar langskomen? “Alle burgers uit de gemeenten die deel uitmaken van het intergemeentelijk woonproject kunnen met allerhande vragen bij mij terecht. Zolang de vragen maar met wonen te maken heeft. Daarnaast zijn ook gemeente- en OCMW-personeel welkom om alle vragen rond wonen aan mij te stellen. Dit kan gaan over energiebesparing, (ver)huren, (ver)bouwen en de premies die daarvoor mogelijk zijn, woningaanpassing en levenslang zelfstandig thuis blijven wonen,… .”   In de pers worden er vaak wijzigingen aangekondigd op vlak van wonen. Waar kunnen inwoners de juiste actuele informatie terugvinden? “Inwoners kunnen altijd langskomen tijden een spreekuur. De spreekuren gaan door in het gemeentehuis of bij de sociale dienst van het OCMW.. Bepaalde gemeenten kiezen voor een alternatieve locatie, zoals het gemeenschapscentrum. Als de mensen wegens omstandigheden niet kunnen langskomen, ga ik op huisbezoek. Zelf sta ik de inwoners ook via telefoon of per e-mail te woord. Informatie opsturen met de post doe ik dagelijks.”     “Elke vraag is anders. Iedere persoon en iedere vraag is uniek.”     Wat is jouw grootste uitdaging aan deze functie als woonconsulent? “Elke dag ziet er anders uit. Iedere persoon en iedere vraag is uniek. Naast de informatieverstrekking is er ook ruimte voor het organiseren van infosessies. Ik school mij wekelijks bij zodat de inwoners correct geïnformeerd worden. Een uitgebreid takenpakket is verzekerd!”   Je vertelde dat je deel uitmaakt van het woonproject Wonen tussen Dijle en Velp. Welke collega’s maken nog deel uit van dit team? “Naast mezelf is er nog één woonconsulente waarmee ik nauw samenwerk. We wisselen onze spreekuren wekelijks af en hebben dagelijks overleg. Is er iets wat op de lever ligt? Dan bespreken we dit. Succesverhalen delen we regelmatig met elkaar. Onze technisch adviseur geeft raad over woningkwaliteit. Zij controleert de woningen en geeft haar advies over schadegevallen of gebreken. Verder is er één leegstandsconsulente actief die de leegstand van onze zes gemeenten inventariseert. Onze beleidsmedewerker zorgt ervoor dat er gecommuniceerd wordt tussen de gemeenten, de Vlaamse Overheid en de Provincie Vlaams Brabant. Daarnaast is hij coördinator van het team.”   Hoe ziet de toekomst eruit? “Op 31 maart 2017 loopt de huidige pojectperiode af. De beleidsmedewerker is druk in de weer geweest om onze verlenging in orde te brengen. Na het opstellen van een groot dossier hebben we goed nieuws gekregen: ons project wordt verlengd tot eind 2019! Dit wil zeggen dat iedereen de komende jaren nog steeds welkom is met alle vragen over wonen.”    

erikavanhelmont
0 0

De onderschatte risico's van thuiswerk

België: het land van melk en honing. In dit land kan je vanuit je luie zetel werken en toch geld verdienen. Thuiswerk wordt dan ook steeds populairder. Het kent nog veel andere voordelen. Zo vermijdt je ’s ochtends de ellenlange lange files en kan je tijdens je middagpauze al aan die eindeloze stapel strijk beginnen. Toch loert er vaak een vergeten risico om de hoek. De werkpost op de bedrijfslocatie is doorgaans voorzien van instelbare apparatuur om de ergonomie te verhogen. Dit ontbreekt wel eens op een thuiswerkplek. Waarvoor moeten we opletten en wat zijn nu eigenlijk de verplichtingen van je baas bij thuiswerk? De tijd tikt Een nieuwsgierig musje gluurt door de keukengordijntjes. Het is 8 uur in de ochtend en je zit nog rustig te ontbijten in je pyjama. De laptop staat mee op de keukentafel. Vandaag werk je van thuis uit. Zonder je zorgen te maken, begin je je dagelijkse mails te lezen. Tussendoor doe je wat telefoontjes. Ook de tsunami aan administratieformulieren is weggewerkt. Voor je het weet, is het half 1. Tijd voor de middagpauze. Al die tijd heb je gewerkt aan de keukentafel en zat je op je houten keukenstoel. Is dat dan een probleem? Toch wel. Mensen die dit regelmatig doen, hebben een verhoogd risico op gezondheidsklachten. Terug naar de bron In 2005 werd er een CAO ondertekend dat zegt dat een werknemer wekelijks maximaal drie dagen mag thuiswerken. De thuiswerker geniet ook dezelfde rechten als vergelijkbare werknemers die op de bedrijfslocatie werken. Je thuiswerkplek moet in principe in orde zijn met de wetgeving rond beeldschermwerk. Volgens deze wetgeving is het aan je baas om de gepaste apparatuur te voorzien zoals een computer of laptop, een bureautafel, internet, etc. Het inrichten van een ergonomische werkplek kost zo’n €2000 tot €3500. Wanneer de werknemer hier zelf voor zorgt, kan hij een onkostenvergoeding krijgen.   Opgepast! In de praktijk stelt je baas zelden meubilair ter beschikking dat aan de normen voldoet om thuis te werken. Zelfs wanneer hij of zij dit wel doet, kiest de vastgeroeste thuiswerker nog al te vaak voor het werken aan de keukentafel of in de knusse zetel. Werken aan je keukentafel is wel gezellig, maar allesbehalve ergonomisch. Wanneer je dit vaak doet, ben je een vogel voor de kat. Mogelijke gevolgen hiervan zijn onder andere muisarmen, ontstoken schouders en nekklachten.   Als preventieadviseur en werkgever is het belangrijk om aandacht aan de thuiswerkplek te schenken. Zo kan je gezondheidsklachten bij je personeel voorkomen. Het inruilen van de keukentafel en de houten stoel voor een degelijke bureau en bureaustoel zal leiden tot een productievere thuiswerker. Wat op zijn beurt het bedrijf alleen maar ten goede komt.       Een handige tip!              Stel een checklist op en vraag aan de werknemers om deze te gebruiken om hun thuiswerkplek te beoordelen. Op die manier kan je nagaan of de werkplek voldoet aan de ergonomische eisen. Je kan eventueel ook vragen om een foto van de werkplek te maken.

Sara Bossers
0 0

Joshua

Rapper dan hij dacht dat zijn benen lopen konden, rende Joshua over de vlakte, achternagezeten door een kleine poema wier poten amper geluid voortbrachten. Hij dacht er niet over na hoe hij of dat dier daar waren gekomen op die vreemde plaats ergens in de omgeving van de Grand Canyon. Tijdens het lopen flitste er maar één gedachte door zijn hoofd: “Als ik hier ooit wegkom verwen ik mezelf een hele avond met bier en bifiworsten.” Een zalige gedachte, zeker als je weet dat de jongeman daar al enkele dagen moest zien te overleven op zijn eigen urine.Terwijl hij zijn urine aan het uitzweten was bleef hij zijn ene voor zijn andere en zijn andere voor zijn ene been plaatsen. Zo rap na elkaar dat het vanuit de verte bijna leek op een wiel. Een beetje zoals The Road Runner van Loony Tunes.Na een kat-en-muisspel van enkele uren met een koddige, kleine poema die hoogstwaarschijnlijk niet zo’n koddige bedoelingen had met Joshua’s mensenvlees, leek het erop dat hij het beest te slim af was geweest. Zijn hersenen lieten zijn benen stoppen, hij liet zich vallen en rustte even uit waarop hij zijn uitgeputte lichaam versleepte naar de dichtstbijzijnde rots, op zoek naar schaduw.Gedurende de tijd dat hij daar in de zalige schaduw genoot van de rust, verdween de overdosis aan adrenaline langzaam uit zijn aderen. Mijmerend dacht hij terug aan vroegere tijden. Tijden waarop hij veilig was geweest. Niet alleen voor poema’s, ook voor de melancholische gedachten die de menselijke geest kunnen teisteren. Het waren die melancholische gevoelens die hem naar het zuidwesten van de Verenigde Staten hadden gedreven. Op de vlucht voor verantwoordelijkheid, hoge verwachtingen, de allesoverheersende heimwee naar wat geweest is en misschien ook een beetje voor zichzelf.  Thuis had hij zijn ouders, volbloed broer en halfbroer achtergelaten. Tot op de dag van vandaag weet geen van hen waar hun geliefde zoon en broer naartoe is. Het zoeken hebben ze opgegeven, de hoop dat ze hem ooit nog zullen terugzien brokkelt elke dag langzaam af. Joshua dacht tijdens zijn zwerftocht nog regelmatig aan zijn vroegere leven, maar de gezichten en de stemmen van zijn bloedverwanten herinnert hij zich niet meer.Na het uitstapje in zijn hoofd besloot Josh terug verder te gaan. Zijn bloed en spieren duwden zijn fel vermagerde lichaam met wat moeite omhoog,  zijn benen droegen hem vervolgens verder. Het ene been voor het andere, het andere voor het ene. Zo liep Joshua recht in de stralende, warme armen van onze moederster.

Lore
0 0

“Behandel een ander zoals ge zelf behandeld wilt worden”

“Behandel een ander zoals ge zelf behandeld wilt worden”   Zorgen voor: de passie van thuisverpleegster Martine (47). Ze doet er alles aan om mensen thuis te laten zijn in hun eigen huis. Ondanks hun afhankelijkheid. Logisch? Niet in de zorg. Zo blijkt.   Peggy De Laet   Alléz, doe eens voort Woensdagavond, 20:15 uur . Gebonk op de deur. Sinterklaas, flitst het door mijn hoofd. “De thuisverpleegster” klinkt het. “Om u in ’t bed te leggen.”. Met tegenzin laat ik haar binnen. “Beetje vroeg” laat ik me ontvallen.” De enige reactie die ik krijg: “Ge moogt uw tanden uitdoen. Dat poetst gemakkelijker”. Eentje met humor? Oh, nee. Ze meent het. Ongeduldig kijkt ze me aan: “Alléz, doe eens voort, ge zijt niet mijn enige patiënt”. Ik probeer duidelijk te maken dat ik nog veel te jong ben voor een paar losse tanden en een kunstgebit. Morgenavond kruip ik wel met kleren aan in bed. Dan kan ik kiezen wanneer ik ga slapen. Nog wel even bedenken hoe ik mijn schoenen uit ga krijgen.   De volgende morgen. Een andere verpleegster, eenzelfde scenario: de deurbel galmt. Te luid. De eerste fase van mijn ochtendhumeur is ingezet. “Goeie morgen” schettert het in mijn oren. Tegelijk knipt het licht aan. 5 minuten later op het toilet: “Zijt ge nog niet gereed?” Het douchen valt mee. Het afdrogen heel wat minder. Ik vraag of ze nog eens onder mijn oksels wil wrijven met de handdoek. Ik voel me daar nog klam. ”Dat kan niet. Daar ben ik al geweest” snauwt ze. Ik informeer naar wat ze het leukste vindt aan haar job. “Het contact met de mensen. Ik zou geen andere job willen.“ Mensen hun neus af bijten. Zonder veel weerwerk. Het doet haar blijkbaar deugd. Mij niet.   Ik besluit een ander verpleegteam te contacteren. Eén aangeraden door een kennis. Of ze me vroeg kunnen verzorgen? “06:00 uur?” stelt de ietwat norse verantwoordelijke, Martine, voor. Ik ben geen vroege vogel. Maar liever voor dag en dauw gewassen en gestreken, dan kans te hebben in mijn pyjama naar het werk te moeten. Ja, jong, zorgbehoevend en werkend. Het bestaat. “Waar is uw badkamer? Medicatie? Kleerkast? Dat maakt het morgen wat gemakkelijker. Voor ons allebei.”   Tijd: een kostbaar iets Zo nors ze is tijdens onze kennismaking, zo vriendelijk is ze tijdens mijn verzorging. Martine. ’s Morgens tikt ze net hard genoeg op mijn slaapkamerraam om er wakker van te worden. Met mijn afstandsbediening laat ik haar binnen. Het licht gaat aan. Op de gang. Niet in mijn kamer. “Zo schijnt het licht niet recht in uw ogen, terwijl ik u uit bed help” zegt ze. Op naar het toilet. “Doe gerust. Ik zet intussen uw pillen klaar. Zal ik uw warm waterkruik al vullen? Nog iets?” Wat yoghurt in een kommetje zou handig zijn. Je mag het op de tafel zetten. Mijn huishoudhulp komt pas om 8:00 uur. Dan zit ik niet op mijn honger. “Ok. Kunt ge beschrijven wat ge aan wilt? Dan leg ik dat ook klaar.” Eindelijk niet meer kakken op commando. De opluchting alleen al zorgt voor beweging richting toiletpot. Me douchen, afdrogen, aankleden. Martine en haar team doen het allemaal even behoedzaam. ’s Avonds het tegenovergestelde ritueel. Zo tussen 21:00 uur en 21:30 uur. Zij geven me tijd. Eén van de mooiste cadeaus die een mens kan krijgen. Vandaag, 7 jaar later, verloopt mijn verzorging nog altijd zo. Althans met Martine. Haar oorspronkelijke team is niet meer. Een nieuw vast trio vormen lukt niet. Aansluiten bij een pool van een 30-tal verpleegkundigen brengt daar weinig verandering in. Zo’n pool zou vervanging garanderen bij ziekte, verlof of vrije dag. Ja, zou. Collega-verpleegkundigen vinden de ochtenden van Martine te druk. De avonden te laat. “Gordijnen open en dichtdoen? In de living en de keuken: daar dienen wij niet voor.” Een reactie die Martine regelmatig hoort.   “ ’s Morgens ben ik bij mijn eerste patiënt om 6:00 uur. Om 11u30 sluit ik mijn ochtendronde af.” Kunnen je kinderen zo vroeg terecht in de kinderopvang? “Mijn jongste is intussen een zelfstandige tiener die goed haar plan trekt.”   Zorgbehoevenden zijn geen kleuters “Ik start ’s avonds om 18:45 uur en zie alleen maar voordelen. Zo heb ik tijd om samen met mijn kinderen te eten. Eventueel te helpen met huiswerk. Ik ben er op de momenten dat ze wel eens iets kwijt willen over hun dag.” Veel collega’s willen hun kinderen zelf in bed stoppen. “Eens in bed, slapen ze” zegt Martine. Zij kiest bewust voor de conversatie aan tafel. Vertrekt Martine op ronde, dan past haar moeder op de kinderen. Tot de jongste 13 is. Vanaf dan zorgen de meisjes voor elkaar. Met hun vader in de buurt.   “Mensen die zorg nodig hebben, zijn geen kleuters. Of kluizenaars. Het is niet omdat ge hulp nodig hebt om uw pyjama aan te doen dat ge die om 19u al aan moet hebben. Ze kunnen verdorie hun hond nog niet meer uitlaten. Niet naar een feestje.” Martine windt zich op. “Ja, ik sta met mijn opvatting dikwijls alleen. Ik vraag me dan even dikwijls af: Wat zoudt gij ervan vinden als ze u vanaf morgen iedere dag om 20:00 uur in uw bed steken?   Mijn collega’s hebben geluk dat ik graag en veel werk. Zoveel bijspringen hoeft dus niet: ik werk 3 op 4 weekends. 4 ochtenden en 3 avonden in de week. Wilt ge als zelfstandige uw boterham verdienen? Dan moet ge uren kloppen. In eender welke sector. Ik heb 3 dochters. Mijn oudste is pas afgestudeerd. Mijn 2de is bijna klaar. Hun studies. Hun kot. Een auto om op stage en werk te geraken. Een spaarcentje voor elk…”   En dan is er koffie Een drukke agenda. “Elke job heeft voor- en nadelen. In het ziekenhuis werkt ge vroege, late, nacht. Is dat beter?” Tijdens haar verpleegstages ondervindt Martine er vooral nijd onder collega’s. En weinig tijd voor patiënten. Haren of voeten wassen? Nagels knippen? Zij doe dat. Terwijl collega’s aan een 2de kop koffie met koekje beginnen. Ze wordt erop aangesproken: “Haren, nagels, voeten: da’s voor thuis. Veel te veel aan ons hoofd hier.” “Aan de koffie, ja” foetert een verontwaardigde Martine.   Over koffie gesproken: ’s avonds vult Martine de koffiezet en haalt ze brood uit de vriezer. Bij een 90-jarige in een rolstoel. ’s Morgens, terwijl het oudje op het toilet zit, laat Martine de koffie doorlopen en smeert ze boterhammen. Zo heeft mevrouw ontbijt. “Ik weet dat het mijn werk niet is. Zonder mijn hulp moet ze naar een rusthuis. Dat wil ik haar niet aandoen.”   Je werkt veel en lange dagen. Hoe hou je dat vol? “Stilzitten en ik: dat gaat niet samen. Ik heb niet veel slaap nodig. 5 uurtjes per nacht is genoeg. Tenminste, als ik 1 ochtend en 2 avonden in de week vrij kan hebben. En 1 weekend op 4. Voor een speciale gelegenheid, een familiefeest of oudercontact, probeer ik te wisselen met een collega.   Op dit moment ligt dat alweer moeilijker want degene die mijn vrije momenten nu invult, stopt met thuisverpleging. Ik ga haar missen. Ze doet haar werk graag en goed. Dat merk ik bij de mensen. Vermoeidheid doet haar stoppen. Spijtig.” Het is niet iedereen gegeven om door te gaan zoals Martine. Na 23 uur te bed. Om 5 uur er terug uit. Dagen na elkaar. Net een Duracell konijn. Martine lacht.   De verantwoordelijke van de verpleegsterpool mag dus nog eens op zoek naar een nieuwe partner voor Martine. De hoeveelste? “Ik ben de tel kwijt. Samen met mijn patiënten. Keer op keer aanpassen en gewoon worden. Elke nieuwe collega gaat met mij op ronde. Elke eerste avond en ochtend.” Martine verzorgt, zegt en toont letterlijk alles wat ze doet. De nieuwe ontvangt die informatie ook uitgeschreven. Martine laat niks aan het toeval over. “Dat is ’t minste wat ik kan doen” zegt ze. Stel u maar eens voor dat er morgen een wildvreemde aan uw bed staat. Voor wie ge uw broek nog maar eens moet laten zakken. Wennen doet het nooit.”   Zorgen met hart & ziel. Altijd & overal Thuis zijn en blijven. Mensen hierin ondersteunen geeft Martine voldoening. "Hopelijk deelt mijn volgende collega mijn idee en energie. ’t Is de enige manier om voor lange tijd samen te werken.”   Als je dan toch eens vrij bent, hoe vul je die tijd dan in? Met het huishouden? Een hobby? “Met organisatietalent komt ge een heel eind. Ik poets een halve dag per week. Wassen doe ik op nachttarief. Voor ik op ronde vertrek, zet ik de droogkast aan. Op zondag, tussen twee schiften door, kook ik verse maaltijden. Die vries ik in. Ben ik op zaterdag vrij en spelen mijn kinderen een volleybalwedstrijd? Dan ga ik supporteren. Heeft mijn oudste 25 knutseldingen voor te bereiden voor haar kleuterklas? We doen het samen. Het is gezellig en gaat sneller vooruit.   En een vakantie? “Zegt me niks. Elke schoolvakantie ga ik met mijn dochters een dagje winkelen. En iets eten. Daar geniet ik van. Of van een avondje in de zetel. Met een goei glas wijn. Zijn mijn kinderen monitor op volleybalkamp, dan ben ik kookmoeder. Wanneer mijn jongste afstudeert, is er misschien een kleine op komst bij mijn oudste. Dan ga ik minder werken. Om voor mijn kleinkind te zorgen. Als dat nodig is.”   Wat als ze ooit zelf zorg nodig heeft? “Ze gaan een moeilijke klant aan mij hebben. Of ik moet gelijkgestemden treffen. Mensen die mijn visie op zorg(verlening) delen. Help het me hopen.”

pedl
0 0

The killing of logical thinking

In the silent night, red flames of  torches were visible from a distance. Out there, in the middle of lonely fields, a crowd had gathered. They stood next to each other, row after row, in a disciplined way.   The torches lightened up the outer faces but not those standing in the middle. There were animals of all different species coming together. In front of them, in a yellow robe, an owl stood. As the wind crawled through his clothes, he spread out his wings to silence the whispering among his followers. The air became filled with his thunderous words. “My fellow outside dwellers, we stand here today united in face of a common danger.” Eyebrows tilted upwards, his chest stretched out. The owl knew how to speak in front of a crowd.   “We have to meet in the dark, because our enemies eyes are everywhere. They come from the south, year after year they come”, the owl said while pointing towards the sky behind his audience. “Those animals have come to steal our homes, our seeds and our lives.” The crowd became louder “Don’t let them take our seeds!” a small mouse yelled. “Hush now my friends! We all know who I’m talking about of course. It are those filthy sparrows, small birds but always with enormous troops.” “Kill them all! Kill them all!” the crowd started to yell.   “But this year my friends, we’ll have a little surprise for them! We have managed to devise a plan that will set in motion the extermination of those lazy flying rats!”, the owl exclaimed. “Hey, nothing wrong with being a rat”, a faceless creature yelled from the middle of the crowd. “Ssshhhtt!”, his fellow followers said. “Just saying you know”, the creature defended himself.   “We will use the humans!” The Owl spread out his wings yet again, his eyes opened up wide. “Oooooh, the humaaaans”, the crowd whispered. “Yes, those killing machines will become our weapon… Do you want to hear the plan?”, he asked his followers. “Yes, Yes, tell us the plan!” “The humans have shiny vehicles they drive around with. They wash them every week, making sure no dust remains on it. We will attack those treasures, meaning we will defecate on them. But… there is more.” The Owl looked into the faces in front of him. “We will make sure they are only small shits, so the humans think it comes from the sparrows.” Raising his head, the Owl was still proud of  producing this plan.   The crowd was silent, and the leader knew now was the time to get them. “You”, he pointed to a small rat in a purple robe. “You, what do you think of the plan?” The rat had two shiny little teeth, and a long tail coming from under his robe. He clapped his little paws together and said “Yes, I like the plan…” “He likes the plan!”, the Owl yelled with a smirk. “… But I don’t see why we need to kill them all. I mean, is there no other way?” The Owl stopped smirking, and turned his head sideways. “Of course there is no other way. They are the enemy my friend, we need to get rid of them.” “Oh yes, they are quite a nuisance, but they are also very pretty to look at”, the rat said. “What… No no, they are not pretty to look at, they are the enemy of our entire society!” The Owl couldn’t believe his ears. “Now just wait, when I’m out in the fields and they are flying over me, those sparrows are actually nice, they never steal from me.” “They steal when you don’t see it! How many seeds have gone missing from our fields this year? That’s not because we take too much, but because the sparrows eat it all!” The crowd yelled “yes yes, they steal it all!”   “But we still have enough, don’t we? I mean, nobody of us is starving or dying”. The rat couldn’t help himself, logic had struck his little brain. “No, not yet you mean”, the owl pointed upward with his long feather. “Because we have learned to defend ourselves. We have learned to hide the food that belongs to US, AND NOT TO THOSE DAMNED IMMIGRANTS”. His followers threw their fists in the air, exclaiming “DEATH TO THE IMMIGRANTS!!” “Now, that’s another thing that strikes me as weird. We call them immigrants, but they come back every year. So are they truly immigrants?” The Owl stood baffled. “Of course they are immigrants. They’re even worse. The American squirrels were once immigrants as well, but they adapted and learned our values of hard work. The sparrows simply come when our food is in abundance, they eat it all and then when the cold swarms over the land, they leave for better weather!” The rat thought about it. His tongue sweeping over his two teeth, and his tailing waving gently behind him.   “So there is the solution”, he said. “Solution to what?”. The Owl was getting irritated, how could this rat possible think to have solved such a problem? “To all our suffering of course. It’s true, when the snow comes the sparrows leave, and we are left with cold feet and hard nuts. But what if we act like them? What if we simply migrate south as well? Maybe the sparrows aren’t the problem, but the solution.” The rat smiled, he had found a way out of the killing!   The Owl, however, watched his opponent with hatred as if the last sparrow in the world was standing in front of him. He clinched his wing, and pointed his right feather to the insurgent. “Kill him. Kill all the rats! They are spies of the enemy!”, he commanded.

Simon Sileghem
7 0

The killing of logical thinking

In the silent night, red flames of  torches were visible from a distance. Out there, in the middle of lonely fields, a crowd had gathered. They stood next to each other, row after row, in a disciplined way. The torches lightened up the outer faces but not those standing in the middle. There were animals of all different species coming together. In front of them, in a yellow robe, an owl stood. As the wind crawled through his clothes, he spread out his wings to silence the whispering among his followers. The air became filled with his thunderous words. “My fellow outside dwellers, we stand here today united in face of a common danger.” Eyebrows tilted upwards, his chest stretched out. The owl knew how to speak in front of a crowd. “We have to meet in the dark, because our enemies eyes are everywhere. They come from the south, year after year they come”, the owl said while pointing towards the sky behind his audience. “Those animals have come to steal our homes, our seeds and our lives.” The crowd became louder “Don’t let them take our seeds!” a small mouse yelled. “Hush now my friends! We all know who I’m talking about of course. It are those filthy sparrows, small birds but always with enormous troops.” “Kill them all! Kill them all!” the crowd started to yell. “But this year my friends, we’ll have a little surprise for them! We have managed to devise a plan that will set in motion the extermination of those lazy flying rats!”, the owl exclaimed. “Hey, nothing wrong with being a rat”, a faceless creature yelled from the middle of the crowd. “Ssshhhtt!”, his fellow followers said. “Just saying you know”, the creature defended himself. “We will use the humans!” The Owl spread out his wings yet again, his eyes opened up wide. “Oooooh, the humaaaans”, the crowd whispered. “Yes, those killing machines will become our weapon… Do you want to hear the plan?”, he asked his followers. “Yes, Yes, tell us the plan!” “The humans have shiny vehicles they drive around with. They wash them every week, making sure no dust remains on it. We will attack those treasures, meaning we will defecate on them. But… there is more.” The Owl looked into the faces in front of him. “We will make sure they are only small shits, so the humans think it comes from the sparrows.” Raising his head, the Owl was still proud of  producing this plan. The crowd was silent, and the leader knew now was the time to get them. “You”, he pointed to a small rat in a purple robe. “You, what do you think of the plan?” The rat had two shiny little teeth, and a long tail coming from under his robe. He clapped his little paws together and said “Yes, I like the plan…” “He likes the plan!”, the Owl yelled with a smirk. “… But I don’t see why we need to kill them all. I mean, is there no other way?” The Owl stopped smirking, and turned his head sideways. “Of course there is no other way. They are the enemy my friend, we need to get rid of them.” “Oh yes, they are quite a nuisance, but they are also very pretty to look at”, the rat said. “What… No no, they are not pretty to look at, they are the enemy of our entire society!” The Owl couldn’t believe his ears. “Now just wait, when I’m out in the fields and they are flying over me, those sparrows are actually nice, they never steal from me.” “They steal when you don’t see it! How many seeds have gone missing from our fields this year? That’s not because we take too much, but because the sparrows eat it all!” The crowd yelled “yes yes, they steal it all!” “But we still have enough, don’t we? I mean, nobody of us is starving or dying”. The rat couldn’t help himself, logic had struck his little brain. “No, not yet you mean”, the owl pointed upward with his long feather. “Because we have learned to defend ourselves. We have learned to hide the food that belongs to US, AND NOT TO THOSE DAMNED IMMIGRANTS”. His followers threw their fists in the air, exclaiming “DEATH TO THE IMMIGRANTS!!” “Now, that’s another thing that strikes me as weird. We call them immigrants, but they come back every year. So are they truly immigrants?” The Owl stood baffled. “Of course they are immigrants. They’re even worse. The American squirrels were once immigrants as well, but they adapted and learned our values of hard work. The sparrows simply come when our food is in abundance, they eat it all and then when the cold swarms over the land, they leave for better weather!” The rat thought about it. His tongue sweeping over his two teeth, and his tailing waving gently behind him. “So there is the solution”, he said. “Solution to what?”. The Owl was getting irritated, how could this rat possible think to have solved such a problem? “To all our suffering of course. It’s true, when the snow comes the sparrows leave, and we are left with cold feet and hard nuts. But what if we act like them? What if we simply migrate south as well? Maybe the sparrows aren’t the problem, but the solution.” The rat smiled, he had found a way out of the killing! The Owl, however, watched his opponent with hatred as if the last sparrow in the world was standing in front of him. He clinched his wing, and pointed his right feather to the insurgent. “Kill him. Kill all the rats! They are spies of the enemy!”, he commanded.

Simon Sileghem
0 0

Initiatie wervend schrijven en professionele post voor social media uitwerken

Creatieve schrijfopdrachten van A tot Z – Lieve Lauryssen   Doelgroep Studenten hoger onderwijs Bedrijfseconomische richtingen gewend om informatieve teksten te schrijven   Doelstelling Workshop initiatie wervend schrijven ter voorbereiding van opdracht ‘Professioneel posten op social media kanalen’   Wat vooraf ging : 10 kenmerken van wervende taal met voorbeelden uit advertenties.   Opdracht 1 : Afbeelding Oreo’s  Associeer bij deze afbeelding van Oreo-koekjes: 2 werkwoorden (doen) 2 bijvoeglijke naamwoorden (hoe) 2 zelfstandige naamwoorden (wat) Dissocieer nu bij elk woord van stap 1 en verdubbel zo je aantal woorden per categorie. Combineer minstens 2 woorden in een aantrekkelijke kopregel voor een advertentie en stuur deze in via https://padlet.com/lieve_lauryssen/ Feedback door docent op basis van door studenten ingezonden kopregels die verschijnen via projector op virtueel ‘prikbord’. Combineer minstens 2 andere woorden en formuleer een nieuwe kopregel voor een advertentie bij deze Oreo’s.               Opdracht 2 : schrijfoefening Gouden Carolus Associeer opnieuw 2 werkwoorden, 3 bijvoeglijke naamwoorden en 2 zelfstandige naamwoorden bij deze afbeelding van het bier Gouden Carolus. Geef je woordenlijst door aan een medestudent en verdubbel het aantal woorden per categorie door verder te associëren op de gegeven woorden. Geef het blad terug aan de eigenaar mét je aanvullingen toegevoegd. Combineer minstens 2 woorden in een aantrekkelijke kopregel voor een advertentie en stuur deze in via https://padlet.com/lieve_lauryssen/ Feedback door docent op basis van door studenten ingezonden kopregels die verschijnen via projector op virtueel ‘prikbord’ Opdracht 3 : schrijfoefening advertentietekst Schrijf een tekstblok van minimum 3 zinnen in een commerciële of wervende stijl over OREO’s en gebruik minstens 4 woorden uit de associatie- en dissociatieoefening  hetzij van jezelf, hetzij van een medestudent.   Opdracht 4 :  Creëer een post voor een social media kanaal Na alle input communiceren met je doelgroep via social mediakanalen en de workshop ‘wervend schrijven’ ga je een post creëren voor een social media kanaal naar keuze. Thema : je opleiding op Thomas More als student Marketing, Logistiek, Internationaal Ondernemen of Office Management. Doelgroep : medestudenten uit je eigen opleiding Doel : delen van ervaringen, vragen, events, … Zorg voor afbeelding én tekst, gebruik een wervende schrijfstijl en speel in op je doelgroep. Toon je post aan je docent via je social mediakanaal naar keuze of toon een prototype via tablet of laptop.

Lieve Lauryssen
0 0

Wat zeg je?

Wat zeg je? Sorry ik heb u niet goed verstaan, kan je dat even herhalen? Wablief? Mensen vinden dat ik stil ben, dat mijn letters klankloos zijn. Ze zeggen dat ze mij niet verstaan, dat mijn woorden hen niet bereiken. Watte? Wat heb je gezegd? Daar is het weer, een vraag om verduidelijking. Een verzoek om luider te praten, om mijn mond wijd open te zetten en mijn klank te laten weergalmen. Een verzoek om mijn stilte te laten vallen en hen te vergezellen in een symfonie van gebrul en getier, Want mijn stilte is een gat in hun geluid en dit proberen ze tevergeefs te sluiten. Ze kijken mij aan met verwarde blikken, opgetrokken schouders, en open handpalmen. Enkel en alleen maar om hun onbegrip voor mijn woorden te laten blijken. Zo blijft het doorgaan, het constant terugkeren van hun vragen. Vragen die vragen voor een herhaling van mijn vraag dat eigenlijk geen vraag was maar een zin dat nooit is toegekomen. Vragen die mij met elke vraagteken dieper en dieper terugduwen naar een afschuwelijke plek. Een plek, waar ik machteloos moet toekijken hoe mijn woorden zich voortbewegen, in kleine groepen hun koppen bij elkaar steken en zinnen trachten te vormen. Maar ieder probeersel loopt drastisch af want de woorden zijn niet meer dan gedrochten. Woorden die op niets slaan, woorden die er maar voor de helft staan, woorden die uit elkaar vallen. Het is een treurig tafereel die ik moet aanschouwen, want ik kan ze niet helpen. Ik ben gebonden aan de grond, mijn lippen gezegeld door de schaamte, mijn tong gedroogd door de twijfel. Ik ben gebonden aan de grond! Terwijl zij zich voortbewegen naar mijn mondholte. Ik zie ze lopen, Ik voel ze lopen, in mijn mond en op mijn tong, Met hun scherpe ‘k’s en hun gladde ‘s’ en, allemaal mooi naast elkaar, Geduldig aan het wachten op de samensmelting die van hen een geheel zal maken, Een prachtig geheel, een antwoord op de vragen. Maar ze blijven wachten want met elke ‘Wablief’ wordt het moeilijker om de woorden te zien, Met elke ‘Wat zeg je’ wordt het moeilijker om de letters te combineren, Met elke vraag wordt het moeilijker om een antwoord te formuleren. Dus blijven ze daar maar staan, met hun puntige ‘i’s en hun bolle ‘o’s, Wachtend op de versmelting die van hen een geheel zal maken.

Brice
1 0

Kort verhaal

Ze draait zich op haar zij, knipt het licht aan en kijkt naar de fluo cijfers op haar wekker. Haar benen laat ze van de bedrand glijden, ze zet zich recht en wrijft met de rug van haar hand over haar oog. Ze duwt zich recht en wandelt met een licht hoofd richting badkamer. De lichtschakelaar vindt ze zonder zoeken. Ze kijkt zichzelf een tijd lang aan in de spiegel. Geen verandering, denkt ze en zet zich op het toilet. De radio speelt vriendelijke muziek en dat vindt ze goed. Bij het drukken op de doorspoelknop, merkt ze de verkleuring van het waterreservoir op: beige geworden; dat redelijk afsteek tegen de spierwitte porseleinen toiletpot. Ik woon hier al veel te lang, zegt ze luidop, monotoon. Zestien jaar. Van 2000. Het was winter. Nu is het terug winter. Exact 16 jaar.   Het raampje van haar coupé staat open. Het metalen lawaai van de slepende wielen snijdt door de warme vochtige lucht. Ze heeft een boek op haar schoot gelegd, maar leest niet. Ze kijkt naar een man, in de weerspiegeling van het raam. Hij zit wat voorovergebogen, houdt zijn boek met twee handen vast. Af en toe drukt hij zijn bril terug op de juiste plaats. Zijn hoofd trekt lichtjes naar achter telkens wanneer hij zijn neus ophaalt. Ze zoekt het pakje papier zakdoekjes in haar jaszak, neemt er een uit en snuit haar neus. De man haalt opnieuw zijn neus op.   “Ja mam, alles ok. En met jou? Ben je die nu weer kwijt?! Je hoeveelste paar is dat nu al? Inderdaad, je zesde. Nooit wil je naar me luisteren. Hoe dikwijls heb ik je al gezegd dat je dat koordje moet gebruiken, zodat je je bril om je nek kan hangen! Ja, ik weet het mam, dat is enkel voor grootmoeders en dat ben je niet. Nee. Dat ben je niet. Luister mam, ik heb nog veel te doen vanavond. We zien elkaar morgen. Dan neem ik je mee naar de opticien. Ondertussen gebruik je dat oude paar maar, dan kan je nog wat…oh ja, een kapot glas. Nou ja, we zien morgen wel verder. Vraag anders aan Monique of ze geen reserve bril heeft liggen. Tot mo…”   Het water kookt. Ze laat de harde spaghettislierten er voorzichtig in glijden. De timer zet ze op 7 minuten, negeert de richtlijn die op het pakje staat: 5 minuten. Ondertussen roert ze in de pot met tomatensaus. De glazen bokaal waar de saus in zat, werpt ze in de vuilbak. Ze neemt een diep bord en zet het op het aanrecht. Ze doorbladert het magazine dat ze in haar brievenbus vond bij het thuiskomen. Er staan praktische tips in over hoe je je huis ‘gastvriendelijk’ kan of moet inrichten. Ze kijkt op de timer. Nog even. De rubriek ‘citytripping’ behandelt ‘Paris, la ville, l’amour’. Ze slaat de bladzijde ongeïnteresseerd om. De bel van de timer rinkelt. Ze opent de koudewaterkraan, neemt de pot van het vuur en leegt hem in het vergiet. Ze laat nog wat koud water over de spaghetti lopen.   “Elke morgen sta ik belachelijk lang voor de spiegel te zoeken naar iets wat er niet is. Nooit. En toch verander je, word je ouder. Je merkt het pas op wanneer je foto’s naast elkaar legt.” Ze neemt een slokje van haar glas witte wijn en zet het voorzichtig terug naast het potje met borrelnootjes. “Je ziet de tijd pas waneer hij allang voorbij is. Ik keek vroeger naar de handen van mijn groetmoeder en moest elke keer opnieuw denken aan verdroogde aarde, zoals je soms ziet in een of andere documentaire over de droogte in Afrika. Verdroogde aarde en olifanten vel. Van toen al houd ik mezelf in het oog.”   Ze schuift de gordijnen dicht, trekt haar kleren uit en glijdt onder de koude dekens. Ze blijft even stilliggen, draait dan haar hoofd naar haar wekker: 23h17. Ze twijfelt of ze nog wat zou lezen, besluit om het niet te doen, grijpt vervolgens naar de lichtschakelaar en knipt het licht uit.

Stefan Heulot
0 0

Hop 'till you drop

‘Jobhoppen’: vele trekken er hun neus voor op, maar ik heb het tot mijn specialiteit verheven. Toegegeven, het ‘hoppen’ gaat als dertiger niet meer zo gezwind als toen ik een twintiger was. Ik neem mij ook steeds vaker voor dat dit écht de laatste keer is geweest dat ik van betrekking ben veranderd.Desalniettemin, heb ik door de jaren heen wel wat tips vergaard over hoe je je eerste dag op nieuw werk het beste overleeft. Bij deze dus, mijn handleiding tot succesvol starten op je job. STAP1: Voorbereiding is allesOntbijten is belangrijk, maar vraagt tijd. Je ontbijtmok, de koffie en het brood zet je dus de avond van tevoren klaar op het aanrecht. Zo verlies je ‘s ochtends geen minuut van je kostbare tijd.Ook je outfit kies je best de avond voordien. Niemand wil te laat komen, maar ook niemand wil een foute indruk maken op dag één door een complete mismatch aan te trekken. Er zou zo maar eens een Jani in je team kunnen zitten. STAP2: Op tijd in bedHet spreekt voor zich dat je goed uitgeslapen op het appel dient te verschijnen. Wallen onder je ogen of een ochtendhumeur zijn uit den boze. Neem je lievelingsprogramma dat net dat tikje te laat begint op en kruip op tijd in je nest. STAP3: Vertrek op tijdStressen onderweg naar je eerste werkdag leidt enkel tot migraine. Vertrek op tijd, zodat je je onderweg niet hoeft te ergeren aan elk rood licht of elke trein die vertraging heeft. STAP4: Muziek doet wonderenEr is geen betere remedie tegen beginners stress dan het meekwelen met populaire meezingers. Gooi al je gène dus overboord en zing schaamteloos mee met Clouseau of Milk Inc. Ben je meer van het ruige type dan kunnen Metallica of Dr. Dre ook soelaas bieden. STAP5: Trek je goede humeur aanFake it ‘till you make it. Ook al ben je met totaal het verkeerde been uit bed gestapt, op jouw eerste werkdag ben jij het zonnetje in huis. Speel even de beste versie van jezelf en lach die tanden bloot. Een vriendelijke blik en een ‘goedemorgen’ doen wonderen.  STAP6: Praten helptTrek je mond open en praat met je collega’s. Zo leer je snel de do’s en don’t binnen een bedrijf. Je medewerkers zullen je ook aangenaam en toegankelijk vinden, wat de werksfeer enkel ten goede kan komen. STAP7: Sla de lunch nooit overEerste werkdagen kunnen erg druk zijn, maar sla nooit je lunchbreak over. Ga mee eten met je collega’s en kruip niet met je boterhammen alleen in een hoekje.In het begin zal je nog niet veel kunnen inbrengen in de tafelgesprekken. Je zal misschien sommige oud-collega’s missen en er kan zelfs een gevoel van eenzaamheid de kop opsteken. Vergeet echter nooit dat dit een fase is. Voor je het weet, praat je mee over weekendplannen en het koffiemachine dat alweer stuk is. STAP8: Blijf jezelfAkkoord: de eerste dagen moet je jezelf soms wat forceren tot vriendelijk gedrag, maar het heeft ook geen zin om je grenzen met de voeten te treden omdat je nieuw bent. Uiteindelijk zal je op lange termijn toch in stresssituaties belanden, waar je ware aard naar boven komt. Blijf dus steeds trouw aan jezelf en wat je gevoel je ingeeft. STAP9: Op tijd naar huisHet menselijk brein kan maar een bepaald aantal informatie verwerken op één dag. Het heeft dus geen enkel nut tot laat ‘s avond nog verder te werken in de hoop dat je de dag nadien al geheel weet waar de klepel hangt in je nieuwe werkomgeving. Ga op tijd naar huis, ontspan en begin dag twee met een fris hoofd.STAP10: Verwacht niet te veelWanneer je je bij thuiskomst de eerste avond een beetje down voelt, dan is dat te begrijpen. Ook het gevoel dat je je nieuwe job nooit zal kunnen en dat je alle namen van je collega’s alweer bent vergeten, is volstrekt normaal. Je bent gewoon moe. Laat het los, want het zal nog een paar weken duren eer je in het nieuwe ritme zit. Eens je weer helemaal mee bent, zal je zoals van ouds weer niet meer te stoppen zijn.

Ans DB
0 0

De 48 Inch Huismus

Zijn ellebogen rusten op de tafel terwijl hij zijn handen in elkaar vouwt. Ik kijk hem onderzoekend aan. Bruine haren en groene ogen. De persoonsbeschrijving die ik via mijn vriendin heb gekregen, klopt wel.Hij is niet meteen mijn type, maar echt een absolute no go is hij ook niet. Beetje gewoontjes misschien. Duf hemd en bruine broek, maar ik heb mezelf voorgenomen om positief te blijven en niet meteen iedere man aan wie ik word voorgesteld met mijn kieskeurige karakter neer te sabelen. Ik ben er al 33, het moet nu wel eens gaan gebeuren, dat tegenkomen van die ware. Daarover moet ik nu ook weer niet te moeilijk gaan doen.‘Ik ben zo wel een beetje wat je noemt een huismus.’ Hij kijkt me aan, bijna alsof hij er trots op is.God neen hé, denk ik, een huismus. Ik glimlach beleefd en drink van mijn drankje.Hij gniffelt zenuwachtig en gaat met zijn hand door zijn vormeloze coupe haar.‘Zo zo, ik las toch dat je zaalvoetbal speelde? Ga je dan nooit eens op stap met je ploegmaten?’ probeer ik.‘Soms tijdens het seizoen, maar dat is nu voorbij dus ligt dat even stil’.‘Dat ligt even stil,’ herhaal ik traag. Deze 38-jarige single man heeft een stilliggend sociaal leven. Vreemd doch intrigerend. Ik drink nog eens van mijn glas frisdrank. ‘Wat doe je dan buiten het seizoen op pakweg een zaterdagavond?’‘Ik hou heel erg veel van film kijken’, zegt hij enthousiast.Eureka, denk ik, een raakvlak en stel hem meteen de vraag die ik altijd aan mijn cinefiele medemens stel: ‘Welke recente film moet ik zeker nog in de bioscoop gaan bekijken?’‘Forrest Gump vind ik wel goed’, antwoordt hij met een uitgestreken gezicht.‘Forrest Gump?’ Ik frons mijn wenkbrauwen.Hij knikt vol overtuiging.‘Die is toch bezwaarlijk recent te noemen,’ zeg ik voorzichtig. ‘Of heb ik een iets gemist en is die film om de één of andere reden weer te bekijken in de bioscoop?’Hij kijkt me betrapt aan. ‘En jij werkt in de media ofzo?’ vraagt hij snel.‘Eh ja’, stamel ik verbaasd door zijn abrupte switch van gespreksonderwerp. ‘Ik verzorg de beeldafwerking van series en films. Het plannen en coördineren van de technische kant van de zaak.’Hij glundert gefascineerd. ‘Ik heb een Samsung 48 inch. 4K, 50 hertz, 11, 4 cm dik. Het ding kan wel geen 3D weergeven. Ik zou liever een 55inch hebben, maar ik weet niet goed of de kleuren daarbij nu effectief beter tot hun recht zouden komen. Wat denk jij als expert?’Ik kuch zenuwachtig en er valt een korte stilte. Tussen de beeldafwerking van tv-series en de mogelijkheden van tv-toestellen ligt er ook voor mij nog een hele wereld aan onbekende techniciteiten. Met een serieuze blik ga ik met mijn vinger langs de rand van mijn glas. ‘Dat denk ik niet,’ zeg ik dan. ‘In België zijn de tv stations nog niet in staat om uit te zenden in die resolutie.’ Ik kijk hem snel aan om te kijken of hij doorheeft dat ik de boel bij elkaar bluf.Hij lijkt mijn uitleg te slikken en knikt instemmend. ‘Goed dat ik daar mijn geld niet aan heb uitgegeven dan.’‘Inderdaad, gelukkig maar’, zeg ik ongemerkt opgelucht. ‘Wil je me even excuseren, ik moet even naar het toilet.’ In de wc steek ik mijn polsen onder koud water en staar naar mezelf in de spiegel: dit is echt de stroefste date die ik ooit onderging. Mocht het kunnen, ik zou stante pede langs het wc-raampje willen ontsnappen. Helaas is er in dit etablissement geen raampje in de wc-ruimtes. Het lot staat vandaag helaas niet aan mijn kant. Ik adem diep in en uit en keer terug naar ons tafeltje.‘Dus geen 3D op jouw televisie?’ glimlach ik gespeeld geïnteresseerd. Nog een uurtje, neem ik mezelf voor, en dan veins ik een dinerafspraak met vriendinnen.Gelukkig schijnt de zon vandaag.

Ans DB
1 0