Lezen

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (6)

  Nog wat geduld. De boel zou zeker in orde komen en zeker als hij eenmaal met pensioen zou zijn. De aangesleurde paletten zouden ideaal brandhout zijn. De maîtresses zouden vanzelf afhaken wegens dreigende impotentie en andere doembeelden.   Met zicht op dit alles, op die gezuiverde toekomst, was het alvast niet nodig om de chauffageketel te laten repareren. Een extra kachel kwam er, met een glazen deurtje. Je kon vlammen zien flakkeren, wankelend geel met blauw-en-rode schijn; een poes die Poezie heette, lag braaf tussen retrievers op een strook tapijt.   Voor mijn plechtige communie een nieuwe fiets, een Locomotief en al veel eerder kreeg ik aangeleerd hoe ik op een zaagmachine van het merk Robland paletten kon verzagen. Hij heeft het nooit gezegd, maar het werd mijn taak. Hij had het druk: werk, en dan nog voor al die beesten zorgen, ‘s ochtends vroeg, ‘s avonds laat, in het donker, nog wat extra stro bijgooien in het kot.   De dieren sliepen na een tijdje op een dikke warme laag en het werd zomer. Roeien, ik wilde meer spieren, sterk worden, leerde lassen, reed rond. Het was een Massey Ferguson. Om die kleine tractor aan de gang te krijgen, spoot je best met die spuitbus, met Snelstart in het kanaal voor de luchttoevoer naar de injectoren.   Een vlam drong zich uit het gat, blauwe rook uit de uitlaat. Je gaf wat meer gas, met de hendel onder het stuur en er kon weer gewerkt worden. Paletten ordenen, met een kar naar het veld rechts van de vijver, wat groen, gras, rapen, maïs erin kieperen en naar het kot voeren. Geitenstaarten kwispelden en een vlinder durfde het aan om op de trillende achteruitkijkspiegel te landen.       Vlammengekwispel  deel 6 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
21 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (3)

  Over de weg in het kapbos, tussen eiken, zieke ratelberken en het fluthout van vlieren kwam hij opgereden tot bij het kot. Rond tienen was het, bij lichte nevel en ikzelf zat tussen de frambozenstruiken. Ze woekerden daar aardig in die zandgrond, op die oever.   De beestenwagen had een vuilwitte cabine en een groot achterberd werd neergelaten. Achterwaarts werd een knol uit het vehikel gedreven. Ik denk dat het beest de ganse weg met zijn kop naar beneden moet hebben gestaan om zijn oren en kop niet te stoten tegen het ijzeren dak.   Vier witte kousen, een nerveuze mond en de ogen van een hengst waren het die eerst in mijn richting keken en dan naar het kot, waar Loulou stond. Ze werd naar de plaats van de daad gebracht; ook moeder keek toe, door het keukenraam, met natte wangen.   Ajuin! Denk. Gerust. Later zou ik dromen. Dat ze niet ophield bij het einde van die wortel. Dat ze door bleef snijden, vingerschijfjes. Rood, het vermengde zich met het oranje van de schillen. Ook later, samen met wat resten brood dat sporen droeg van ketchup. Voor een grote pony of een kleine paard?   Ik weet het niet, wat de bedoeling geweest was en handen, dezelfde die daarnet nog het stuur vasthielden, tilden nu de paardenpenis op, brachten hem in onze Loulou. “Grappig gezicht,” zei mijn vader, eenmaal alles voorbij was en terwijl hij rond de middagstond puree in zijn bord schepte.   Aardappelen, dat waren het geweest. Geen ajuinen noch wortelen waren kleingesneden en "die hengst kon gewoon op zijn voorpoten steunen terwijl ze gedekt werd,” ging zijn enthousiaste mond verder.   “Moest dat?” Moeder sprak en ze vroeg of hij ook aan de geboorte van dat te grote veulen gedacht had. Mijn vader sneed door het vlees, vlak naast het bot van de varkenskotelet.       Little horse on the prairie deel 2 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
17 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (2)

  Aan mijn eerste levensjaar werden twee fotoalbums gewijd. Ze zijn genummerd B1 en B2. Op pagina drie van B3 word ik twee jaar. Een nieuwe, donkerrode plastiek tractor heeft daar één voorwiel met lichtblauwe pedalen en twee achterwielen.   Toen bewoonde het gezin nog een voor die tijd modern huis, niet ver van de Buffelbrug, op circa honderd meter van een berm. Noteer dat het eerste door mij uitgesproken woord “trein” was. Hij reed op die berm. Wat er zich achter die berm bevond heb ik nooit geweten. Ervoor, tussen het thuis en die ijzerweg lagen volkstuintjes.   Het zijn mijn eerste herinneringen, hoe ik van huis wegliep, verder en verder, over een pad, over grote betonklinkers met langs de ene kant stengels prei en de andere kant bonenstaken, om bij een tuinbouwerskotje halt te houden, na te denken, en dan toch maar terug te keren.   Daar, in dat moderne huis was ook een kelder, een donkere kelder, zagen foto’s het licht, al zijn de meeste kiekjes in album B3 kleurenfoto’s, sta ik er bruin en zomerblond op. De hoorns van Hamlet zijn nog kort. "Een angorabok" werd aan nieuwsgierigen uitgelegd, maar recent opzoekwerk wijst eerder op een landgeit uit Bornholm.   Zijn Deense prinsenkop werd later opgezet. We woonden toen al in het andere huis. Op die doening met drie hectare tuin had Hamlet op een verstrooide dag het loodje gelegd.   Hij werd opgehangen, zijn imposante kop. Als je die deur achter die driewieler binnengaat, dan kan je hem, zonder tijfel, nog steeds in de ogen kijken. Hij kijkt nooit terug.       De kleine prins deel 2 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
21 0

Vier vissen (verhaaltje voor het slapengaan)

Vier vissen zwommen ze waren op weg naar de Noordzee goede zwemmers waren het niet met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit   Bovendien had de Pladijs honger was de Kabeljauw moe verveelde de Pieterman zich en had de Zeebaars het koud   'Waarom zwemmen we niet achter elkaar' vroeg de Pieterman 'Zo naast elkaar vind ik maar saai'   'Goed idee' antwoordde de Kabeljauw 'Als we in elkaars staart happen kan ik wat rusten'   'Ik wil wel vooraan' zei de Zeebaars 'Dan krijg ik het warmer'   Vier vissen zwommen achter elkaar met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit   Maar de Zeebaars had het nu wel warmer de Pieterman meer plezier en de Kabeljauw kon wat uitrusten   Behalve de Pladijs die nog steeds honger had vond achter elkaar zwemmen maar niks 'Kon ik maar iets eten' zuchtte hij en keek omhoog   Aan het wateroppervlak vloog een vlieg voorbij hij had ze gezien en dacht 'die lust ik wel'   Met zijn bek open zwom hij ernaartoe en hapte in de lucht      hapte in het water            hij hapte          hapte          hapte             maar de vlieg was te snel ze vloog telkens weer        op            en                neer          op            en               neer   Al dat happen deed het water bewegen door de golven raakten de andere vissen achterop Ze moesten elkaars staarten lossen want goede zwemmers waren het niet   Vier vissen zwommen terug naast elkaar met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit en dankzij de vlieg waren ze nog steeds op weg naar de Noordzee

Sascha Beernaert
12 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (1)

  Aanvankelijk werd er niet eens gevloekt. Ik stond onder een onschuldige tuindouche. Op een andere foto drink ik cola met een rietje, aai ik een geit of zit een kuiken op het blad van een kinderstoel.   Jaren gingen voorbij, wezens kwamen langs, gisteren nog mensen om een aaibeest te bestellen, “liefst een reutje met een mooie kop” en tante zwom vorige zondag met Liesje, Loesje en drie kinderen in de vijver waarrond er brem en wilgen groeiden.   Ze graasden intussen, pikten wormen, zochten zaden, sliepen in hoekjes, tegen kantjes in een hok dat opgetrokken was uit hardhouten paletten, platen en asbestgolven op het dak waaronder een bok aan een ketting lag die zichzelf op de kop piste.   “Zolang hij vastligt, ben ik niet bang,” zegde moeder en vader had niet liever dat alles zich probeerde voort te planten. Voor de pony had hij nog geen oplossing gevonden.   Altijd leuk. Een veulentje op de kleine prairie. Heuveltjes lagen rond de vijver. Donkere aarde had men ooit afgegraven in een zoektocht naar rein zand en dat was er zowaar ook.   Een rustig wateroppervlak dreef daar, met eronder ondiep water, ontelbare kikkers, nog meer kikkervisjes in de late lente en een blauwe sproeimachine kwam wel eens haar tank reinigen.   Op die plaats, waar het ding zijn slang in de vijver legde, was alles dood. Geen kruid groeide er. Op die kale plek verried geen bloem de dader en ik was aan het graven.   In de aarde was het fris. In een heuvel zou een gang naar een ondergrondse verbergplaats leiden. “Zorg dat het niet instort,” zegde moeder terwijl ze de soep inschepte met volledige vingers.       Fingerspitzengefühl deel 1 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
23 0

TOEVAL

Wat was de lente ongewoon mild dit voorjaar. Dave neuriede zachtjes terwijl hij zorgvuldig een plekje avondzon op de stadsbank uitzocht. Van hieruit kon hij de bushalte in de gaten houden. Mooi meegnomen, dacht hij.   Zijn werkdag bij het Departement zat er op en nu volgde de uitdaging om de avonduren die zich voor hem uitstrekten zinvol in te vullen. Dave woonde op kamers in de studentenstad, hoewel hij al ver in de dertig was. Zijn huisgenoten, die hij ’s avonds slechts vluchtig in de gangen voorbij liep, vonden hem wellicht een wereldvreemde, enge man. Het liet hem onverschillig. Tenslotte zagen zij in hun bestaan slechts een fractie van het leven, hij daarentegen overzag het geheel.   Op de bank hield Dave zijn bruine tas strak tussen zijn knieën geklemd, hij haalde de restanten van zijn lunch uit zijn jaszak en begon langzaam de twee broodjes met kaas uit hun folie te wikkelen. De lauwe kaas rook muf, maar Dave at met smaak. Zijn metalen montuur bewoog opvallend mee met zijn kaken, terwijl hij bewust elke hap naar binnen kauwde. De straten en pleinen vulden zich intussen met flanerende mensen, vaak met een zalige glimlach om de lippen. Er hingen beloftes in de lucht. Hier en daar pikte Dave een flard van een gesprek op. ‘Dat meen je niet, echt?’ ‘Zullen we op het terras afspreken?’ ‘Een gin –tonic? Ja, dat zie ik wel zitten....’   Voor hem op de brede trappen zaten vier tienermeisjes, strak in jeans en met korte topjes aan. Ze droegen hun haar in een wrong in de nek. Ze leken wel inwisselbaar, zo sterk kopieerden ze elkaars gedrag en uiterlijk. In gedachten schepte hij ze alle vier met een reuzenhand op, schudde ze door elkaar als dobbelstenen en strooide ze dan opnieuw over het plein uit. Ze zouden dan elk een stukje van de ander hebben. De blonde op de benen van de zwarte, de zwarte met de borsten en het topje van de bruine krullenbol…Hij zou ook hun levens en liefdes kunnen inwisselen, omgooien, omruilen. Zorgen voor een tragische noot.   De laatste stukjes kaas en brood bleven aan zijn gehemelte plakken. Hij probeerde ze verwoed met zijn tong weg te halen, frommelde de folie in elkaar en kruiste de armen. Ja, het was ook voor hem een mooie dag geweest. Een vruchtbare ook voor het Departement. Zeven levens had hij vandaag met zijn momenten overhoop gehaald. Er zaten zelfs een vijftal geluksmomenten bij, de bazen waren kwistig geweest.   Op zijn twintigste was Dave begonnen op de sectie ‘Angstaanvallen’ en nu was hij na jaren inzet opgeklommen tot de afdeling ‘Cruciale, levensbepalende momenten’. Hij koos ze met zorg die momenten, hij had zich een reputatie opgebouwd.   Zijn collega’s maakten er zich snel vanaf met slordige verkeersongelukken, mailtjes of gsmgesprekken. Zo niet Dave. Hij orchestreerde zorgvuldig de cruciale dagen. Hij bestudeerde de profielen van de levens die hem door zijn werkgever werden bezorgd en zorgde voor een creatieve invulling, voor afwisseling. Voor verwarring ook. Profielen en momenten paste hij naadloos in elkaar.   Barensweeën liet hij bijvoorbeeld beginnen op het moment dat de toekomstige vader, met een passie voor vliegen, op zakenreis onbereikbaar boven in de lucht hing. Of hij orchestreerde een spontane treinstaking op het moment dat zijn profiel op weg was naar een doorslaggevend sollicitatie-interview bij de spoorwegmaatschappij. Of hij liet een anesthesist 1 minuutje het operatiekwartier verlaten om op zijn smartphone wedstrijdresultaten te raadplegen. 1 fatale minuut voor de professionele voetballer die binnen op de operatietafel lag.   Coherentie én variatie in de dramatiek dat was de sleutel tot zijn succes. Op het Departement herkenden ze intussen ‘de hand van de meester’. Dave grinnikte en wiebelde met zijn benen, een kleine frivoliteit die hij zichzelf die avond toe stond. Bijzonder tevreden was hij met de enscenering van zijn afsluiter voor vandaag: een 17-jarige overmoedige jongen uit het derde jaar Elektriciteit was een stilstaande treinwagon beklommen. Bij het rechtstaan had hij een geladen kabel geraakt. Zijn vrienden hadden de stunt met hun mobieltje vast gelegd. Ja, je kon wel zeggen dat hij zin voor detail had.   Dave stond op, mikte de plastic folie in de overvolle vuilnisbak en liep wijdbeens weg in de richting van de bushalte. De zon ging onder. De overstap naar de afdeling ‘Rampen en genociden’ lag voor hem open. Zijn moment.

Hilde Devoghel
0 0