Lezen

BLIJVEN STOFZUIGEN

Solange neemt de hoorn van de telefoon. ‘Siam is al dood.’ De door een doek gedempte stem benadrukt de ‘al’. Toen Solange daarnet in het tuinhuis kwam, hing de poes opgeknoopt aan de houten dwarsbalk, gewurgd met de groengele elektriciteitsdraad. De stank was onverdraaglijk. Sinds Solange gestopt is met roken, ruikt alles overdreven. ‘Siam liep me voor de voeten, Solange. Ik raad je ten stelligste aan om dat niet te doen. Begrijp je mij?’ ‘Ja, meneer,’ zegt de dienstmeid snel. ‘Ga jij doen wat ik je zeg?’ ‘Ja, meneer,’ zegt Solange zonder haperen. ‘Neem dan je stofzuiger, pak het verlengsnoer en steek de stekker in het stopcontact in de hall en zuig het tapijt van de trap schoon, van onder tot boven, trede per trede. Als je iets hoort, reageer je niet. Jij doet je werk. Jij stofzuigt de hele trap. En oh wee, wanneer er nog ergens een poezenhaartje ligt.’ ‘Ja, meneer.’ Solanges hart bonkt in haar keel wanneer ze de hoorn neerlegt. Wat moet ze doen? Telefoneer je de politie voor een dode poes? Bovendien durft ze het niet. Misschien houdt hij haar in de gaten. Trillend haalt ze de stofzuiger uit de gangkast, ze knoopt de draden stevig aan elkaar, steekt de stekker van het apparaat in het verlengsnoer en die stekker in het stopcontact. Terwijl de stofzuigerslede nog op de begane grond staat, zuigt ze het vuil van de eerste vier, vijf treden. Dan licht ze de slede op en sleurt de stofzuiger hoger de trap op. Met de stang gaat ze verder aan de slag, ze maakt de volgende treden schoon. Ze bukt naar de slede, richt de stang op de volgende treden, bukt opnieuw en trekt aan het snoer. Elk ros poezenhaartje maar ook alle zwarte lange haren van mevrouw zuigt Solange op. Zelden is de trappenmat zo schoon gezogen. Ze heeft het warm in haar nieuwe roze schort. Toch durft ze haar taak niet te onderbreken. Neen, zij doet voort. Zij stofzuigt trede per trede. Elke keer weer een stap omhoog, steunend op de stang. Meneer en mevrouw wonen in een heel modern huis, een paar jaar geleden gebouwd op een smal perceel aan de ringweg van de stad. Beneden bestaat het gebouw uit corstenstaal, de rest van de gevel is bijna uitsluitend glas. Al die ramen lapt ze altijd in het zicht van de straat. Daar staat ze nu te stofzuigen, zichtbaar voor alle autobestuurders. Het licht springt op groen, de auto’s vertrekken. Tot het rood wordt, de auto’s stoppen en de bestuurders omhoog kijken en haar zien. Zelf loert ze nu niet naar buiten, ze schaamt zich voor de vuile ramen. Die stonden vandaag op haar programma. Na de eerste trap zuigt ze ook het smalle overloopje tot aan de volgende trap. Ze komt langs de badkamer. Vorige week toen mevrouw voor haar werk op reis was, lag daar in het spiegelkastje de positieve zwangerschapstest. Het waren Solanges zaken niet, maar omdat mevrouw jarenlang zoveel moeite had gedaan om zwanger te geraken, was ze blij dat het eindelijk gelukt was. Zelf is zij daar nooit toe gekomen. Solange heeft in haar jeugd nooit een man ontmoet die haar moeder goed genoeg vond. Om nog hoger de trap op te gaan moet ze aan het snoer trekken, bukken naar de slede, richten met de stang, snokken aan het snoer. Minuten gaan zo voorbij, de minuten rijgen zich tot een half uur, tot een uur. De voorbije maanden heeft ze soms gevreesd voor het huwelijk van meneer en mevrouw. Telkens wanneer mevrouw op zakenreis was, was er meer afwas. Het kostte haar veel moeite de lipstick van de glazen te wrijven. Maar was mevrouw opnieuw thuis dan kregen de planten water en Siam voldoende te eten. De onbehaaglijkheid drukt zwaar door op Solanges schouders, maar ze doet verder. Bij elk poezenhaartje op het traptapijt ziet ze opnieuw hoe Siam in het tuinhuis hing, zo weerloos aan die draad. Zelf houdt ze niet van katten, ze verliezen overal hun haren, ze braken haarballen, ze moeten overgeven als ze weer vergif hebben gegeten. Ze is niet het type dat zich in een zetel nestelt met een poes op de schoot, integendeel. Als mevrouw thuis was, bleef Siam in haar kantoortje. Maar als mevrouw op zakenreis was, volgde Siam Solange op haar stappen, ze miauwde klagend en smeekte om strelingen en af en toe een hapje. Zelfs nadat ze een keer per ongeluk opzij stapte en daarbij op de poezenpoot trapte waardoor de kat met een schreeuw opzij sprong, bleef de poes haar achtervolgen. Ze wachtte haar zelfs op wanneer ze de sleutel in het slot stak en drie keer moest draaien. Tegen dan stond Siam op haar achterste poten te drentelen. Een poes is aanhankelijk. Solange heeft het daar niet voor. Ze haalt haar schouders op. Ieder zijn ding. En met een stevige snok aan het snoer neemt ze de volgende bocht van de betonnen trap. Al bij al heeft ze het getroffen met dit soort mensen. Ze maken weinig vuil, ze hebben weinig eisen, ze willen dat alles bij het oude blijft. Behalve nu dan. Nu is er iets raars aan de hand. Waarom moest ze zo zorgvuldig de trap zuigen? Waarom mocht ze niet achterom kijken? Anderzijds heeft ze dit stuk van het trappentapijt de voorbije maanden verwaarloosd. Ze strijkt enkele keren extra over elke vierkante centimeter. Trede per trede. Zorgvuldig tot in de voegen. Af en toe strekt ze zich om de haren van het zuigborsteltje te plukken. Maar algauw bukt ze zich opnieuw en stofzuigt verder. Bukken, richten, snokken, bukken, richten, snokken. Elk haartje, elk pluisje stof verdwijnt in de slang, in de slede. Solange heeft een minnaar. Zo durft ze pastoor Walter sinds kort te noemen, hij is haar minnaar. Het is goed dat hij elke maand komt en dat hij nadat hij gulzig haar eten heeft gegeten bijna achteloos bij haar in bed kruipt. Ze is ontroerd als ze samen de liefde bedrijven. Van een pastoor had ze minder ervaring verwacht. Bukken, richten, snokken, bukken, richten, snokken. Een lastig haartje, drie keer beweegt ze de stang heen en weer, de mond zuigt pas alles op als ze de zuigkracht van de stofzuiger verhoogt. Daarna draait ze die kracht weer lager, op 600 eenheden. In dit huis houden ze ervan zo min mogelijk energie te verbruiken. Zo. Nog een flinke snok aan het snoer want ze gaat opnieuw een serie traptreden hoger.   Pas wanneer ze de zolderdeur bereikt, hoort ze beneden stemmen. Op het ‘Wie is daarboven?,’ draait Solange zich voor het eerst om. Vier agenten met het pistool in de aanslag, stormen op haar af. In het zicht van de hele straat slaan de agenten Solange in de boeien en trekken haar de trap af. Ze hebben zelfs hun voeten niet geveegd, op de trap lachen de brokjes modder haar uit. Helemaal beneden aan de trap ligt mevrouw, gewurgd door het stofzuigersnoer. Meneer staat te wenen, zijn blik verwijtend op Solange gericht. Net alsof hij het niet was die haar belde om de trap te stofzuigen.  

Marlies
0 0

Een verhaal van troost

Auteur: Hadewijch Van Hove   Een verhaal van troost Geert schiet wakker. Hij kijkt naast zich. Inge ligt rustig te slapen. Een droomloze slaap. Het doosje pillen op haar nachtkastje doet zijn werk. De dokter had hem ook een voorschrift gegeven. “Om de eerste maanden door te komen.” Geert heeft ervoor bedankt. De pijn, het verdriet, de wanhoop, de leegte, de twijfel… Laat maar komen. Als ik er toch door moet, dan maar liever meteen.  “Ik kan het niet,” had Inge gezegd. “Als ik het verdriet toelaat, dan val ik uit elkaar. En Sofie is er ook nog. We moeten zo veel mogelijk doen alsof er niets gebeurd is. Voor Sofietje.” Geert had ermee ingestemd. Voor Sofietje. Maar hij was al lang niet meer zo zeker van zijn stuk. Het doen alsof maakte het niet gemakkelijker. Integendeel, hij had vooral het gevoel dat ze elkaar kwijt raakten. Eerst Thomas, en nu ook Inge en Sofie. Geert gaat rechtop zitten. Hij legt zijn hand op haar slapende schouder, op zoek naar warmte. Hij wil haar zo graag troosten. En getroost worden. Samen door deze moeilijke tijd.  Ze merkt niets. Geert stapt uit bed en kijkt nog een keer achterom. Geen reactie. Langzaam loopt hij naar de kamer op het einde van de gang. ‘Thomas’ staat op de deur, in grote kleurrijke letters. Eigenlijk staat er ‘Thowas’ en de S staat omgekeerd. Maar wat was hij fier vorig jaar toen hij zelf zijn naam kon schrijven. Geerts hand omknelt de deurklink. Zijn knokels worden wit. Hij is hier niet meer geweest sinds… Wat hoopt hij te vinden? Iets van warmte. Hij sluit zijn ogen en zacht doet hij de deur open. Het licht van de straatlantarens schijnt binnen door de open gordijnen. Net genoeg licht om de kamer in zich op te nemen. Geert kijkt voorzichtig. Alles staat nog zoals het hoort. De draak van lego, de stapel versleten strips, de verjaardagskroon met zes kaarsjes erop en de pantoffeltjes keurig naast het bed. Het is wel een beetje té opgeruimd om echt te zijn. Hij gaat op het bed zitten en streelt zacht over de lakens. Thomas’ lievelingslakens. Op het hoofdkussen, als een koning op zijn troon, zit Aap. Zijn versleten ogen lachen Geert toe. Hij neemt Aap op en drukt zijn gezicht ertegen. Hij ruikt. Herinnering. Maar de geur van Thomas wordt vager. Op een dag is hij weg. Maar nu nog niet. Aaps dunne armpje streelt over zijn wang. Het is een heel dun armpje van een heel klein aapje. Maar meer is er niet. Gestommel op de gang. Lichte voetjes komen Geerts kant op. De deur gaat een kiertje open en Sofie glipt de kamer binnen. “Dag papa, kom jij hier ook slapen?” fluistert ze. Zonder verder iets te zeggen schuift ze de lakens open en kruipt in Thomas’ bed. Alsof ze het wel vaker deed. “Mag ik straks Aap ook even?” Verbluft kijkt Geert naar zijn dochtertje. Hij geeft Aap door. Sofie drukt onmiddellijk haar gezichtje ertegen. “Weet je, papa, ik slaap graag met Aap. Thomas is daar nog.” Sofie kijkt bezorgd. Ze gaat terug rechtzitten en trekt een ernstig gezicht. “Gaat Thomas ooit helemaal weg?” Haar vragende ogen kijken Geert indringend aan. “Wat denk je zelf?” speelt Geert op veilig. Sofie kijkt naar Aap, dan naar Geert. Ze kruipt bij hem op schoot en trekt haar wijste gezicht. “Ik denk dat hij nooit helemaal weg gaat. Hij wordt alleen dunner. Nu kan ik hem nog zien als ik mijn ogen toe doe. Kan jij broer nog zien?” Geert knikt. Antwoorden lukt even niet. “Het wordt wel moeilijker,” gaat Sofie verder. “Jullie praten zo weinig over hem en ik durf het niet te vragen. Ik wil niet dat jullie wenen. Maar ik kan Thomas bijna niet meer horen. Alleen als hij hard lacht, lukt ik het nog.” Warme herinneringen spelen door Geerts hoofd. Als een scheutje badolie verspreiden ze zich en doen heel de kamer lekker ruiken. De lang verloren warmte doet deugd. “Ik hoor hem ook nog lachen.” Sofie brengt haar hoofd dicht bij dat van hem. “Zal ik je een geheimpje vertellen?” Haar ogen blinken. Ze houdt van geheimen. “Als ik hier slaap, dan is Thomas terug bij mij. Dan kriebelt bij weer aan mijn buik en hoor ik hem lachen. Ik slaap hier graag. Kom jij hier ook slapen? Ik vind het goed hoor. Dan doen we om de beurt.” Geert vindt geen woorden. Hij neemt Sofie zachtjes vast en knuffelt haar. Als een klein diertje verdwijnt ze bijna in zijn lange armen. Dan schrikt ze recht. “Maar niet aan mama zeggen. Ze wil niet dat we hier slapen.” “Weet mama dat je hier af en toe slaapt?” vraagt Geert. “De vorige keer was ik nog aan het slapen toen mama binnen kwam. Ze riep heel luid ‘Thomas, Thomas’ en toen ze zag dat ik het was, werd ze heel boos. Ze zei dat het Thomas’ kamer was en dat ik het nooit meer mocht doen. Ik wil gewoon bij hem zijn. Dat is toch niet stout?” Geert ziet tranen over haar wangen lopen. Hij voelt zijn ogen prikken. Hij verstopt zijn gezicht in haar krullen, op zoek naar woorden. “Ik denk dat mama niet zo boos was. Ze was alleen geschrokken. Ze dacht even dat het Thomas was die terug in zijn bedje lag.” Sofie kijkt verbaasd. “Thomas is toch dood, die kan hier niet meer zijn.” Geert schrikt van zoveel nuchterheid. Als Sofie de waarheid onder ogen kan zien, dan zal hij er zijn voor haar. Vanaf nu geen komedie meer. Hij raapt zijn moed bij elkaar. Je kan het verdriet niet doden. Het is het verdriet dat doodt. De enige weg is erdoor. “Sofie, vanaf nu mag je alles over broer vragen wat je wil. Het is niet erg als mama en ik wenen. Wie weent, kan getroost worden. En mama heeft nog veel troost nodig. Maar dat is voor morgen. Nu is het bedtijd.” “Oké. En mag ik deze nacht hier slapen?” Geert knikt. “Ik zal mama waarschuwen.” Sofie slaat haar armpjes rond papa’s nek. Het zijn dunne armpjes. Maar meer is niet nodig.

Hadewijch
24 0

Iets beklemmends Bang in 't bos.

Iets beklemmends BANG IN ‘ BOS.   Ons huisje ligt in het bos. Tegen Jan en alleman pretendeer ik niet bang te zijn. Mijn man en ik hebben de anonieme brieven waarin men ons bedreigde, indien we door zouden gaan met het werk voor de Braziliaanse kinderen, men ons huisje in brand zouden steken, nooit ‘au serieus’ genomen.      Ben ik even blij een dag alleen te zijn. Kan ik eindelijk eens de dingen doen die mijn partner nutteloos vind zoals de tegeltjes in de badkamer reinigen, een stuk behangpapier achter het toilet plakken en teksten fantaseren om in te tokkelen op de laptop. Wat een luxe, een hele dag! Later op de avond, zal ik na een lekker heet bad en nadat ik me heb verwend met crèmes en zalfjes, vroeg in mijn bed kruipen en dat boek ter hand nemen dat al dagen op de theetafel ligt te huilen om gelezen te worden.      Schrijven, vooruit dan maar. Klinkt het niet dan botst het. Er zal wel een mentor te vinden zijn die mijn teksten verbetert. Die voor mij een uitgever vindt, mijn kortverhalen en ander geschrijf uitgeeft!      Het boek is spannend! Ik lees en blijf lezen. Plots voel ik iets beklemmends, net alsof ik een limiet heb overschreden. Is het de tijd die verglijdt? Het vioolconcerto van Mendelsohn is al lang uitgespeeld. Het is stil en…toch niet stil. De vensters zijn zwarte gaten omdat ik de gordijnen heb vergeten dicht te schuiven. De living is enkele met een leeslamp verlicht. Ergens buiten brandt er een ander licht.      Met knikkende knieën sta ik op en doe handelingen die me gerust zouden moeten stellen, bijvoorbeeld een schemerlampje aanknippen. Ik druk mijn hoofd tegen het vliegengaas, De donkerte slaagt in mij maar ik ontwaar niets anders dan zwarte schaduwen van bomen en takken. Ik sluit het onwaarschijnlijke buiten door de gordijnen dicht te doen. Ik zet een nieuwe CD op,  mijn handen trillen. Ik verman mij.      Zet de waterketel op. Lekker warme chocoladekoffie. Dat zal me goed doen of toch liever thee met citroen. Ik vul de warmwaterkruik met het overblijvende hete water. Heeft iemand ooit tegen me gezegd dat hij je beste partnet is.      De buitendeur vliegt open. Mijn hart bonkt. Ik ga er naartoe en sluit hem. Hoe heb ik  dat kunnen vergeten? Ik vlei me neer op de divan, drink van de thee en neem het boek. Duizenden geluiden komen op me af. Ik herken ze als de geluiden van het bos maar hoor ik geschuifel in de living? De poezen natuurlijk. Domme gans. Er is niets te vrezen. De wekker tikt, luid en waarschuwend. Toch val ik ervan in een halfslaap.      Plots zit ik met een schok rechtop. Een hardere tik heeft me opgeschrokken. Natuurlijk afkomstig van de elektriciteitsmeter. De lucht in de kamer lijkt dik. Ik kan amper ademen. Ik besluit wat te eten. Ik breng de moed op om naar de keuken te gaan. Mijn twee katten kijken me vanaf de zitting van een keukenstoel verwonderd aan. Ik geef ze een kattensnoepje. Smeer een boterham en terwijl ik eet kijk ik of alles veilig is. Bang? Ik die altijd beweer enkel bang te moeten zijn wanneer er echt gevaar IS. Ik maak aanstalten om eindelijk in het warme nest te kruipen wanneer ik door een spleetje van een gordijn een zwak schijnsel zie.    Moedig schuif ik ze opzij. Er brandt licht in de schuur. Daar ben ik vandaag niet geweest. Mijn partner? Die is voor de schemering al weg. Ik heb geen hond zoals de meeste bosbewoners.      Zal ik naar de buren telefoneren, maar wat een mal figuur zal ik slaan indien het vals alarm is.  Ik trek een warme sjaal over mijn schouders, neem de zaklantaarn en loop, links en rechts speurend, het 20 meter lange pad af, zwaai met een ruk de deur open. Niemand, maar inderdaad het licht brandt. Ik druk de schakelaar uit, nu pas wordt het écht donker. Ik ren terug naar het huis en let erop dat ik de deur goed sluit. Oef!      De zwarte kater geeft me kopjes. Dom vrouwtje, zeg ik tegen hem. Nu is het gedaan met die flauwe kul. Ik ga kordaat naar de badkamer en was mijn handen. Ik kijk in de spiegel en staar in een bleek vrouwengelaat, dat van mij maar…. en het is alsof een koude hand zich om mijn nek vouwt….. er straalt licht uit de caravan! Dat kan helemaal niet. De staanwagen is voor de kinderen. Ze kunnen er naar hartelust in spelen en vriendjes mogen er blijven logeren. We hebben het ding wat verder in het bos gezet . Ik val op de sofa en merk dat ik beef. Zou ik durven naar de caravan te gaan? Toch niet pluis, eerst licht in de schuur en daarna in de caravan. Ik tracht me te kalmeren. Mijn verbeelding slaat weer op hol. Ik denk, God nog aan toe, wie zou mij naar het leven staan. Wie denkt aan geld of juwelen in deze kleine bungalow. Verkrachten? Vijanden? Voor zover ik weet heb ik er geen. Om de Braziliaanse kinderen? Wel als slechten willen toeslaan, steken ze gewoonweg het huis in de brand.      Dapper sla ik weer de sjaal rond mijn nachtjapon, en ga deze keer gewapende met de basebalbat, de deur uit. Het is ‘hartstikke' donker. Waarom heb ik in Godsnaam het licht van de pergola niet aangeknipt? De natuur komt me ter hulp. Plots schuiven de wolken opzij en gluurt de maan. In de caravan brandt inderdaad licht. Ik floep het uit en stap op mijn gemak naar het huisje. Niets kan mij nog deren, niets kan mij overkomen, tot uit het struikgewas een gedaante zich losmaakte. Ik beef niet meer. Hij komt op me toe. In zijn omhoog gerichte hand zie ik metaal glinsteren. Koel en vastberaden laat ik de baseballknuppel op zijn hoofd terecht komen. Hij wankelt.  Nogmaals sla ik, nu op de schouder. Het mes vliegt knettert ergens neer. En dan herinnerde ik me wat mijn man me leerde. Ik sla de bad tussen zijn benen. Dan hol ik naar huis, barricadeer de deur, draai de hulp en politiediensten. Mijn knieën begeven.     Altijd nachtmerries door deze belevenis. Bijvoorbeeld: Iets na negen brandt er licht in het schuurtje…De deur van het schuurtje staat open en een vreemdkleurig licht schijnt naar buiten. Niet gelig zoals het licht van het peertje dat daar hangt. ‘Het is niks, het is gewoon een licht’, zeg ik bij mezelf… Dit is waar de droom stopt. In een andere ga ik naar buiten. De schuurdeur is dicht, maar de caravan staat open! De lucht s zwoel, ik word warm en voel mij bespied… en vlucht weg. Een ander scenario. Ik zie mezelf voor het venster staan en kijk verbouwereerd naar het licht in het schuurtje. Dan sta ik in het donkere schuurtje en kijk naar het licht buiten. Het licht glijdt naar de caravan en ik ga het achterna… , ga naar binnen en strek mij uit op het gastenbed… het is te warm in de caravan… ik trek mijn nachtjapon uit… Iemand fluistert mijn naam. De kater springt op het bed. Wat is die kater zwaar. Het bed rolt en kraakt en piept. De caravan is voor de kinderen om in te spelen… Ik krijg mijn ogen niet open. Ik heb angst van mijn dromen…   Rhea van der vloet.  

Rhea van der Vloet
0 0

Mijn Houten poot!

Mijn houten poot.   Verbouwereerd zit ik in mijn eigen uitwerpselen. Misselijke trek ik een stuk wit glanzend porselein uit mijn kont. Bloed mengt zich met de smurrie. Hoe geraak ik uit de gebroken toiletpot? Mijn stijf been zit geklemd tegen de deur. Ik tracht me op te trekken door met mijn handen tegen de muren te duwen. Een bruin lekkend spoor getuigen van de poging. Er zit niets anders op dan om hulp te roepen.      Stilte! Het stinkt hier als een veld dat juist gebeerd is. Terwijl ik met ingehouden adem wacht, bedenk ik hoe het mogelijk is dat in dit walgelijk ouderwets huis, zo eng klote wc’tje is. Ik hoor ze komen, mijn verloofde, de notaris en zijn prachtige vrouw.           Ik ben 17 en heb voor de eerste keer een lief! Ze is zo lelijk als de nacht, maar ik ben er tevreden mee. Door mijn handicap heb ik niet veel keus. Voor de deur van ons huis staan nu eenmaal geen toekomstige schoonheidskoninginnen in de rij. Mijn ouders zijn opgetogen. De dochter van de notaris, notabene!! Ik kan het niet beter treffen.        Hoe dikwijls heb ik met afgunst door het venster gekeken naar de jongens die voetbalde op het pleintje, naar de koppeltjes, hand in hand wandelend door onze straat. Zelfs naar de ouderlingen op de donkergroen geschilderde banken tussen de heesters. Sinds mijn derde jaar zit ik gevangen in beugels, kinderverlamming.    Om mijn verdriet en frustraties te overwinnen leer ik pianospelen. Niet onverdienstelijk zegt de muziekleraar. Mijn ouders zijn verrukt over de prijzen die ik in de wacht sleep. Ook studeer ik dat de stukken er af vliegen. Waarschijnlijk is het daarom dat ik bij de ouders van Delphine een wit blaadje krijg. Meisjes? Nee, geen enkele heb ik kunnen versieren en uit medelijden hoeft het echt niet. De dokters hebben beslist mijn knie vast te zetten. Op die manier kan ik me alleen redden. Geen rolstoel of hulp van derden nodig. Mijn linker­been is niet evenre­dig met het rechter. Dat wordt verholpen door een speciale schoen met een dikke zool.           Verleden maand werd in het gemeentehuis Delphine en ik samen op het op het podium gevraagd. Zij kreeg een onderschei­ding voor het kweken van een speciale soort bloem, een zwarte lelie, geloof ik. Ik won de prijs voor het beste opstel, uitge­schreven door het gemeentebestuur, waarvan de opgelegde titel was: 'Hoe groen is onze stad'. Op de receptie daarna kwamen we 'nader tot elkaar'.    We maakten een eerste afspraak. Samen naar de bioscoop. Ik hield heel de tijd dat de voorstelling duurde stevig haar hand vast, bang dat ze zou weglopen. In de pauze trakteerde ik haar op ijspra­li­nes. Choco­lavlek­ken op mijn nieuwe broek. Na afloop gingen we in Het Lekkerbek­je, op de hoek van de Zomerstraat en de Groen­straat, een ijsje eten. Een volgende keer kregen we van haar ouders kaartjes voor een toneelvoorstelling. Het was zomer en zwoel en al donker toen we buiten kwamen. We gingen, weer in hetzelfde Lekkerbekje, een frisdrankje consumeren. In een dol­drieste overmoedige stemming trakteerde haar op enkele kersenje­ne­vertjes en mezelf op verschillende biertjes.   Was het de alcohol dat ons naar ons hoofd steeg, of was het dat geheime onbekende verlangen, de nieuws­gierigheid van het ontdekken van de andere sekse?    We sloegen de richting in van het openge­stelde buiten van baron D’Isquière, waar we onder de licht­groene slierten van de overkoe­pelende treur­wilg de eerste schuchte­re kussen wisselden. Dit beviel ons zo erg dat we niet konden ophouden en ik mijn handen niet thuis kon houden, zodat ik haar in een tame­lijk verfomfaaide toestand thuis afleverde. Delphine ‘s ouders waren daardoor geschrokken. Ze namen het zekere voor het onzekere en drongen aan op een officiële verloving. Mijn moeder en vader vonden het nogal overhaast maar verder hadden ze er niets op tegen. De volgende zondag zou ik officieel in het chique notarishuis op de thee geïnviteerd worden.              Ik heb mijn haar gewassen en mijn beste pak aan. Mijn vader heeft mijn das geknoopt en mijn moeder een wit geborduurd pochet­je in mijn borstzak gestoken. Met een dure ruiker bloemen voor mevrouw  en een half pond pralines voor haar dochter, bel ik aan. Delphine doet de voordeur open en geeft me onverhoeds een natte tongzoen. In de tussendeur staat de heer notaris en gebiedt me om in het salon te komen. Bedremmeld en hoogrood ga ik op het puntje van de mij toegewezen fauteuil zitten. De salon is duur gemeubeld met gebeeldhouwde voleiken meubelen. Dure Perzische vloerkleden liggen op het glad geboende parket. Door de roodpluchen gordijnen dringt amper licht naar binnen. Tegenover mij zit op een lange bruinleren sofa de familie Tittel­boom. Papa groot en corpu­lent, een dure sigaar in de mond en met een zelfge­noegzame uitdrukking op zijn gezicht. Hij leunt, zijn rechterbeen over het linker geslagen zwaar achter­over. Naast hem zijn blonde vrouw in een jurk van chiffon, het haar in een wrong opge­stoken. Ze ziet er sierlijk en elegant uit, zelfs een tikje wulps. Naast haar zit de houterige dochter, beide benen zedig tegen elkaar gedrukt, het donkergrijs rokje ver over de knieën.      Notaris Tittel­boom biedt me een dikke Havana aan. Ik durf niet weige­ren. ‘Wat zijn de plannen?’ ‘Plannen?’ vraag ik onnozel. ‘Wat denk je zoal van de toekomst. Wat wil je doen in het leven?’ ‘Ik studeer economie, mijnheer Tittelboom.’ ‘Zeg maar Jean-Marie. Dus accountant of zo iets.’ ‘Ja, mijnheer Tittel..Jean-Marie.’ ‘Zelfstandig?’ ‘Dat weet ik nog niet. Ik zal eerst stage moeten lopen.’ ‘Hmm’ bromt mijnheer Tittel­boom. ‘Misschien studeer ik verder voor advo­caat.’ zeg ik en wanneer ik zijn verwachtingvolle blik ontmoet, voegde ik er aan toe:’Of voor nota­ris.’ ‘Dat is interessant, zo wil ik het horen.’ ‘Moet u suiker in de thee?’ komt mevrouw poeslief. ‘Ja, dank u.’ ‘En melk?’ ‘Een wolkje, graag.’   Ze reikt me het porseleinen kopje aan. Het rinkelt vervaarlijk. Ik glimlach, Delphine glimlacht, iedereen glimlacht. Delphine prutst het lint van het pralinedoosje en biedt ons elk één een praline aan. Een volgt een lange stilte. Ik glimlach nog maar eens, welke door alle drie wordt beantwoord. ‘Neem een koekje’ zegt mijn verloofde, terwijl ze het zilveren schaaltje voorhoudt. Ik neem er een. Ze zijn lekker maar ik durf geen tweede nemen, trouwens niemand biedt er nog eentje aan. De doos met pralines is intussen in het dressoir gestopt. Omdat ik met mezelf geen blijf weet, trek ik aan de sigaar. Met moeite onder­drukt ik de opkomende benauwdheid en de drang om te hoesten en hoop dat ze de tranen in mijn ogen niet zien. ‘Ik hoor dat je niet onverdienstelijk piano speelt’ zegt de nota­ris. ‘Ceciel,’ hij wijst naar zijn knappe vrouw,’ is een virtuoze.’ Ik heb me al een tijd zitten afvragen hoe het mogelijk is dat deze mooie vrouw zo'n lelijke dochter heeft kunnen voortbren­gen. ‘Kun je 'Pour remercier la pluie’ spelen?’ ‘Van Debussy’ antwoord ik, met mijn kennis prijkend. ‘Ja zeker.’ ‘Maman, dan kunnen jullie dit stukje in quatre main spelen.’ Mevrouw kijkt me vragend aan. ‘Ik weet het niet’, hakkelde ik. ‘Vooruit’ zegt de dictator en voor ik het weet zit ik naast mevrouw Tittelboom voor de zwarte piano, waarop twee zilveren kandelaars tronen. Ze slaat de pianoklep op, haalt het fluwelen kleed van de toetsen en bladert in enkele partituren, zet er een op de staander en kijkt me verwachtingsvol aan. In het begin gaat het wat stroef, maar naar gelang we verder spelen gaat het vlot. Nu en dan raken onze handen elkaar. Plots voelde ik een chifonne knie tegen de mijne. Ik sla een verkeerde toets aan. ‘Opnieuw,’ commandeerde de notaris. Delphine staart sip voor zich uit. We brengen het muziekstuk tot een goed einde. Vader en dochter klappen in de handen. Nogal ieltjes in de duffe kamer. Ik ga terug op mijn plaatsje zitten. Mevrouw brengt briljant nog enkele werkjes van Mozart.              Plotse krampen in de buik, mijn darmen seinen alarm. Een vette scheet ontglipt, gelukkig, geluidloos, onaangenaam ruikend, mijn gezicht staat op onschuld. Weer een kramp. Ik besef dat ik hoogdringend naar het toilet moet. Deze keer ontsnapt er een die klinkt als een klok. Ik schuif over de zetel heen en weer om de familie Tittel­boom te sugge­reren dat het aan het leer van de leren zetel ligt.       Bij de volgende knaller verontschuldig ik me en vraag naar het privaat. Het toilet bevindt zich in de gang juist naast de salon. Er zijn wc's waar men een biblio­theek kan installeren, men heeft er ook waarvan de deur zich pal voor de neus sluit. Met alle geweld van de wereld krijg ik deze deur niet dicht. Mijn stijf been zit in de weg. Diarree! Het pruttelt en borrelt. Omdat het stinkt als de pest, rek ik me zo ver als ik kan voorover en krijg de deur alsdan nog toe. Ik strek met veel gewring en gekronkeld mijn hand naar de toiletrol die erg onhandig te ver naar achter is geplaatst, en daar zit ik nu.           Wanneer ik er terug een beetje presentabel uitzie, besluit ik de gegeven omstandigheden in acht genomen, het huis uit te sluipen, de badkamer als een slagveld achter me latend. Maar mijn wandelstok staat nog in de salon! Daar zat een totaal verslagen familie. Om van de schrik en ontsteltenis te bekomen, wordt er toch een fles wijn geopend. Ik uit me in allerlei verontschuldigingen, maar hoe meer ik zeg, hoe drukkender de sfeer wordt.  Ik ben nog steeds niet om aan te zien, vraag diplomatisch of ik mijn ouders kan verwittigen om me op te halen. Men brengt de telefoon daar waar ik zit. Ze vertrouwen het zaakje niet meer. Ik moet even wachten. Moei­zaam komt er een gesprek op gang. ‘ Hallo’, hoor ik. Nog natrillend van de zenuwen, kiep, ik de rode wijn in mijn oor.   Rhea van der Vloet  

Rhea van der Vloet
19 0

BSO-leerling en trots

Er is niets mis mee om ergens niet goed in te zijn. Wel is er iets mis mee om iemand te beoordelen omdat hij iets minder goed kan dan jijzelf, terwijl hij andere dingen hoogstwaarschijnlijk beter kan. Het mag dan een cliché zijn, maar iedereen heeft zijn of haar eigen talent. Een talent dat veel kan inhouden. Een talent dat broodnodig kan blijken te zijn in onze huidige maatschappij en in de onzekere toekomst die voor ons ligt.   Toen ik in mijn derde middelbaar moest overschakelen naar BSO omdat ik de vakken wiskunde en fysica maar niet wist onder de knie te krijgen, schaamde ik mij. Nu schaam ik mij omdat ik mij toen durfde te schamen. Dat ik dezelfde gedachten en vooroordelen koesterde die zovelen bewust of onbewust voor meer praktische opleidingen koesteren. ‘Afzakken’ noemt men het, een woord met een bijzonder negatieve ondertoon. Mijn ouders gingen steevast in tegen deze benaming. Je ‘verandert van richting’, je ‘daalt’ toch niet af?   Mijn jaren in het beroeps-onderwijs bleken achteraf de beste jaren uit mijn middelbare schoolcarrière te zijn geweest. Ik kon doen waar ik me goed bij voelde en me uitleven. Ik had een leuke, gemotiveerde klasgroep. Zo nu en dan kregen we vervelende opmerkingen zoals die ene keer toen een docent tijdens onze theorie-rijles zei dat BSO-studenten gemakkelijker buisden omdat zij ‘minder hard werkten’ of toen een leeftijdsgenoot mij op vakantie gebood de koffie te gaan zetten ‘want daar studeer jij toch voor?’. Leerlingen uit het ASO kregen dan weer de opmerking ‘seuten’ te zijn. Er was met andere woorden een wisselwerking aan straffe beledigingen waaraan docenten duchtig meededen.   Ik heb nooit spijt gehad dat ik van studierichting ben veranderd. De vervelende opmerkingen hebben mij gemotiveerd om verder te studeren, ik begin dit jaar aan mijn master. Weliswaar in de culturele sector, die momenteel jammer genoeg stevig onder vuur ligt. Maar niet iedereen kan grove, denigrerende uitspraken omzetten naar iets positiefs. Mijn hart brak toen een jongen nadat ik hem over mijn studierichting had verteld, antwoordde dat hij ‘gewoon werkte’. Iets als ‘gewoon werken’ bestaat in mijn ogen niet. Chapeau dat je werkt! Geweldig dat je elke morgen opstaat om ervoor te zorgen dat ons land draaiende blijft. In tijden van crisis, wie hebben we meer nodig dan bakkers, verpleegsters/verplegers, slagers en werkmannen/werkvrouwen die ons van beschutte woningen voorzien? Hoe zouden onze steden eruit zien zonder gemeentewerkers, smerig allicht.   We hebben iedereen nodig, niemand is minderwaardig. Poetsvrouw/poetsman, architect, schilder of ingenieur, tout! BUSO, TSO, ASO, BSO of starten met werken op je 16de, zolang je maar doet waar je je goed bij voelt. Onderwijs en werken horen geen competities te zijn, het gaat niet om ‘de beste’ zijn. Laten we voor een keer onze vooroordelen overboord gooien en trots zijn op de ander en (!) op onszelf.

Ruth Govaerts
48 1

Hondenhaar

  “In godsnaam Malva,” zei Connie, “hoe vaak heb ik je gevraagd niet onderwater te zwemmen.” Malva draaide geërgerd met haar ogen. Ze kon het niet laten. Wanneer ze onderwater zwom voelde ze zich vrij, verlost van de dagelijkse sleur, in haar eigen wereld. “Weet je wel wat voor viezigheid in zwembaden ronddwaalt,” vervolgde Connie, “urine, afgebladerde nagellak en sperma.” Malva trok een zuur gezicht. Er viel een stilte. “Jij zwemt toch ook,” zei ze toen. “Ja,” zei Connie, “maar boven water, dat is heel anders.” “Hoezo anders?” vroeg Malva. “Wanneer je onderwater zwemt kunnen vunzigheden zich via je neus naar binnen werken,” antwoordde Connie. Malva keek naar haar voeten. Dikke druppels rolden langzaam naar beneden. “Jij zegt het,” zuchtte ze. Ze draaide zich om in haar ligstoel en sloot haar ogen. “Laat me nu maar gewoon Connie.” Even dacht ze dat Connie het hierbij zou laten. “Denk maar niet dat ik compassie zal hebben wanneer je een of andere enge infectie blijkt te hebben,” zei ze. Geen antwoord.   Rondom hen gilden, spetterden en kirden kinderen. Ouders keken verveeld naar hun kroost. Dikke, harige, rode buiken daalden op en neer. Goudbruine borsten werden geniepig gadegeslagen vanaf de uithoeken van het buitenzwembad dat toebehoorde aan een vakantiepark. Plots waren in de verte geweerschoten te horen. Verschrikt draaide Malva zich om. “Verrekt mormel,” klonk over het terrein, “kom hier dat ik je te grazen neem, kom hier dat ik me van je ontdoe!” Een man liep achter een hond en loste om de paar seconden een schot. Kwijlend met zijn tong uit zijn mond spurtte de hond richting het zwembad. “Duik dan, muidhond,” gromde de man. Met een plons sprong het dier het water in. Een laatste schot klonk. Het zwembad kleurde rood. “Urine, afgebladerde nagellak, sperma, hondenhaar en bloed,” zei Connie.(Tekst geschreven om een boekenpakket te winnen - alle nominaties van de fintro literatuurprijs zijn verwerkt in dit kortverhaal)

Ruth Govaerts
30 1

Natuurtalent

Laat je niet misleiden. Talent komt niet vanzelf.   De natuurlijke variant insinueert het tegendeel. Trendsettende goeroe's in modebladen verwijzen graag naar dat natuurtalent in ieder van ons, daar voor het grijpen, als je maar genoeg investeert in therapeuten en mindfullnes workshops om het te ontdekken. Ik laat me niet misleiden door die new age zorgmaatschappij en al zeker niet door de borderlinemaatschappij. Zo noemt Dirk De Wachter het fenomeen. Nee, ik laat me niet misleiden. Daarom verkondig ik sinds eind maart aan iedereen die te dichtbij komt dat ik een natuurtalent ben, met groene vingers op de koop toe. Eind maart, de prille start van het zaaiseizoen.   Wat eraan vooraf ging is de echte oorsprong van elk natuurtalent: een ontdekkingsreis in het tuincentrum van Aarschot.  Aarschot, vroeger berucht als onderdeel van de marginale driehoek, sinds 2013 de slimste gemeente. 2013, het jaar dat Michiel Devlieger besloot het talent van Erik Van Looy droog af te koken. Natuurtalent valt niet te vergelijken. Het tuincentrum van Aarschot dus. Zoals ik al zei: een talent moet ergens beginnen.   Efficiënte winkelaar die ik ben, stoof ik de deur binnen recht op mijn doel af. Hoewel de automatische draaideuren daar duidelijk niet op voorzien zijn, en de winkelinrichting al evenmin. Maar goed, ik snelwandelde dus rechtstreeks naar de afdeling goedkope zaaizakjes. Ik ben iemand die weet wat ze wil. Mogelijks nog een talent: weten wie je bent en wat je wil.   Mijn eindbestemming werd aan weerszijden afgebakend door muren met een overvloed aan budgetvriendelijke doorbloeiers die, vanuit zorgvuldig opgezette rijtjes, naar mij lonkten. Zoveel keuze. Maar ik wist me te bedwingen, of toch een beetje. Want ik wist wat ik moest en zou hebben. Mijn moeders grote trots. Haar eeuwige ijsbreker, sterker dan het weer. Bijna verheven tot erfgoed van de familie. Stinkers.  Stinkers, belangrijke elementen voor het bloemenrijk die het natuurlijk talent bezitten om insecten te verjagen, enkel en alleen met hun geur. Stinkers, vaak voorkomend in oude van dagen hun tuin in de vorm van een aangelegd perkje.   Zo verwend als ik ooit was, zal ik nu kost wat kost mijn moeders verkankerde lot voortzetten in de vorm van een perkje. Gekoesterde herinneringen voor het wezenkindje dat achterbleef, enkel en alleen. Een aangelegd perkje, want een mens zou voor minder het leven zijn natuurlijke gang niet meer durven laten gaan.  Nu, ik heb er geen problemen mee om die taak op mij te nemen, om als jongste van vier een lelijk perkje te zaaien, om haar dichtbij te houden. Ik ben goed opgevoed. Telt dat ook als talent? Mijn enige probleem op dat moment was dat ik het stinkende goedje van mijn begeerte niet zag staan. Geen zakje met de naam “stinkers”. Misschien noemt het anders in mooie bloementaal. Veel te veel zakjes. Net lange rijen infusen die geduldig wachten op hun lot om geïnjecteerd te worden.    Het vergde wat mijmeren en dralen vooraleer ik de moed verzameld had om me te mengen in het boeiende gesprek van twee verkopers die stonden te niksen aan de klantenbalie.  ‘Excuseer voor het storen. Ik ben op zoek naar stinkers.’ ‘Wat zegt ge, Madammeke?’ ‘Stinkers. Zo noemt men dat in de volksmond. Het zijn bloemen. Geel met rood of oranje. Typisch in de perkjes van grootmoeders hun voortuin.’ ‘Stinkers!’ Bulderlach.  ‘Ja stinkers.’ Droge kuch.  ‘Afrikaantjes dat zijn stinkers!’ Opnieuw een bulderlach om zichzelf.  Misschien was Aarschot toch niet de beste uitvalsbasis om mijn ontluikend talent te voeden.    Ik ben uiteindelijk thuisgekomen met drie verschillende soorten stinkers: kleine Afrikaantjes, grote Afrikaantjes en Sterafrikaantjes. En zonnebloemen. En twee hangplanten. En zaden van radijsjes, bonen, courgettes, ajuinen, veldsla, tuinkers en pompoenen. En aardappelen. En nog wat mooie bloemen voor binnen. En potgrond. En gras.    De natuur en winkelketens gaan niet goed samen. En nog minder met mijn bankrekening. Gelukkig had ik ecocheques. Dat heeft elk natuurtalent nodig: een investering in de vorm van 250 euro startkapitaal aan ecocheques. En zelfgeoogste ingrediënten voor een paleodieet en wat yogareizen en therapie om dat talent te voeden.   Laat je niet misleiden, talent komt heus niet vanzelf.

Jessica
3 1

Ooit heb ik iets goeds gedaan

“Clowns verbergen een groot verdriet”, zei hij, toen ik hem vertelde dat zijn humor, niettemin wel een beetje flauw, de dingen lichter toonde. Voor complimenten was hij op zijn hoede. Ik weet het niet. Voor mij zit een man die ik niet nader definiëren kan en ik vraag mij niet langer af of dit wel nodig is. Analyseren tot ik er blauw van word, onze zinnen opnieuw en opnieuw afspelen in mijn hoofd, woord voor woord met klank, intonatie en aanblik, neen, dat is zelfs voor mij geen keuze meer. “Je kan dus nog altijd zo dramatisch zijn”, zegt een dierbare vriend meewarig als ik hem een parafrasering geef van mijn gevoelens voor de onbereikbare man. Potsierlijk moet het zijn als je aan het tafeltje naast ons mijn emotioneel gebrabbel moet aanhoren .“Ik heb het je toch al eerder gezegd? Karma. Dat is het. Je karma. Bad karma is haunting you”, voegt hij er zingend treiterend aan toe.  “Maar ik ben toch een goed mens?” Zuster Gemma moest het horen.  “Vroeger niet. ” Een lange stilte volgt. Net dit heb ik niet nodig. Ik kan mijn imperfecties beschrijven al ware ik de monnik, de voorziener van miniaturen, zo precies, de tijd van geen belang. Helaas, zij volgen mij overal. Zij zijn een aapje op mijn schouder met bovendien een rinkelende oorbel aan zijn voet. Altijd daar, gedoemd niet te vergeten. “I’ll be back”, zeg ik dramatisch. Ik duikel uit het restaurant, struikel over mijn voeten, zoals het past bij deze scène. Ik zie in mijn rug mijn vriend het hoofd meewarig schudden.  Een plan heb ik niet. Wat verlang ik ernaar mijn neus eens diep te kunnen snuiten in een stoffen zakdoek. Al wie ik ooit heb pijn gedaan, liggen nu als struikrovers te wachten in de bosjes op mijn weg, dus ik moet van wanten weten. Als ik straks een snerpende pijn voel aan mijn strottenhoofd moet ik bovendien op zoek naar mijn voodoopop: ongetwijfeld een miezerig wit poppetje met pluizige haarplukjes en dubbele kin. Hoe gelukkig ben ik later die avond als ik mijn garagepoort naar beneden zie schuiven en ik ongeschonden de dag doorkwam. De volgende morgen piept de zon door de gordijnen en ik zie dit als een nieuwe kans. Op weg dus naar de fietsenmaker. Mijn fiets is krom, vol spinnenwebben, de banden plat. Ik laat hem vrolijk achter. “Het kan wel tien dagen duren”, zegt de fietsenman, “je bent geen vaste klant.” “Dat is niet erg”, lach ik de man opgewekt toe. Hij kijkt verbaasd. Dat had hij niet verwacht. “Je moet mij toch begrijpen, de fiets komt niet van ons”, herhaalt hij alsof ik het niet begrepen heb. “Dat is toch maar normaal?, zeg ik, “onmiddellijke service, dat verdien ik niet.” Ik wuif nog uitgelaten en vertrek dan weer te voet. Op weg naar huis priemt de zon in mijn rug. De straten van het dorp zijn leeg. Hier en daar zie ik mensen voorzichtig piepen naar de straat van achter het huis naar die voetganger op dat middaguur. Ik roep “jep” en “hey” naar alles wat beweegt. Zo ben ik snel weer thuis. Een hele morgen was ik al Maria uit de Sound of Music. De lieftalligheid droop van mijn bezwete T-shirt en ik verdien een frisse pint. Een middag in de supermarkt. Drie vloeken willen mij ontsnappen als een auto mij coupeert en ik nog net mijn karretje en mezelf kan redden. Ik geef geen kik en schrijd als een vorstin de winkel in, boodschappenlijstje in krullende letters op een net blaadje volledig horizontaal geklemd op het voorziene plekje van het karretje. Nu vooral gezicht niet laten zakken. De karretjes staan overal in de nauwe gangen. Geen mensenzee die openbreekt als ik voorbij wil gaan. Een koppel staat te twijfelen aan de wijn en blokkeert al gelijk de vlotte stroom. Rosé of wit blijkt de issue van hun relatie te zijn. Ik wacht geduldig aan de rechterkant tussen de flessen rode wijn. Voorlopig is er nog geen winnaar. De rij wordt langer achter mij. Er wordt getoeterd in de file en het koppel verlaat de gang zonder rosé of wit. Een slaak van opluchting zou nu gepast zijn of misschien wat ergernis, maar ik lach begrijpend naar het twijfelende koppel. Dat wordt een hele rit discussie. Wat zou ik graag wat flessen rood in hun karretje zetten, stiekem en ongemerkt, en dan gniffelend hun snerpende dialoog aanschouwen voor de ogen van een verveelde kassierster. Gelukkig bedenk ik mij nog net op tijd en ik hergroepeer mijn alles-innemende en begripvolle grondpatroon. “Veel plezier vanavond!”, glimlach ik spontaan naar het gezinnetje met wel tien soorten nootjes en chips argeloos gestapeld in hun karretje. “De melk staat in gang vier”, zeg ik als de schooljuf op een maandagmorgen aan het twijfelende dametje. Zij probeert haar gekrabbel te ontcijferen maar ik heb het al lang gezien. “Zet de verwarming aan!”, roep ik doorheen de koelafdeling. Een grap met een baard en absoluut niet grappig. Mijn levensreis naar mijn goede karma is in het eerste station en alles gaat naar wens. “Het leven is in deining en wij dobberen gewoon maar rond”, zegt een man die uit het niets aan mijn auto verschijnt met een karretje vol waspoeder van het huismerk. Zijn helblauwe, doorschijnende ogen staren naar een punt ver weg van mij. Hij herhaalt de zin, steeds opnieuw, zonder intonatie en zonder communicatiedoel. “A mind wants to forget but a heart will always remember”, antwoord ik in een stilte op de parking tussen gillende kinderen, haastige moeders en vaders, krassende wieltjes op de hobbelige asfalt. De man reageert niet en blijft staan aan zijn karretje dicht bij het mijne. Ik zeg het steeds luider “A mind wants to forget but a heart will always remember”. De klep van de koffer staat open en mijn gevuld karretje leunt tegen mijn arm. De man verdwijnt, een afscheid was er niet. A mind wants to forget but a heart will always remember…Wat doet die zin toch in mijn hoofd? De hele weg naar huis laat het mij niet los. Een week later zit ik weer tegenover mijn dierbare vriend. “Ik zat er wel wat mee”, zegt hij, “ik heb de hele week aan jou moeten denken.” “Als er weer een lijst gaat volgen met al mijn fouten, dan ben ik hier weg,” verdedig ik mijzelf met bange hoge toon. “Het was een grap, verontschuldigt hij zich, maar ik besefte al gauw dat jij de hele week hierover zou piekeren.“ “Vond je mij vroeger echt zo slecht?”, vraag ik nu opgelucht. “Je was niet slecht, maar je maakte een aantal, voor mij toen onbegrijpelijke keuzes”, verklaart hij zich eindelijk nader. Na al die jaren. Nooit eerder hebben wij hierover gepraat. “Ik begrijp nu wel waarom je deed wat je deed en ik neem je niets kwalijk”, vervolledigt hij en ik voel de opluchting doorheen mijn hele lichaam. “Waarom koos je niet voor mij?”, durf ik na al die jaren vragen. “Besef je hoe verlaten ik mij voelde?” Net dat ene ogenschijnlijk banale feit is de kern geweest van al mijn acties en het heeft mijn leven moeizaam vorm gegeven, met pijn, dat voornamelijk, maar gelukkig met nimmer stoppende, ongedurige levensdrang en altijd met een randje geïdealiseerde zekerheid over hoe goed het had kunnen zijn. “Ik weet het niet”, schokschoudert hij. “Mijn hele leven lang ben ik op zoek naar uitvergrote emoties die mijn leven doen stormen. Wij hadden het even, maar het was niet goed genoeg.” “Daarmee kan ik leven”, geef ik vastberaden toe, na onze tijd samen als in een versneld screenshot te zien passeren. “Dat is ook de reden waarom wij hier na al die tijd zo samen kunnen zitten”, zegt hij na een noodzakelijke stilte. “Wij hadden het altijd goed met mekaar voor. Wij wisten dat het fout zat ook al spraken wij het niet uit, maar wij konden geen oplossing verzinnen en dat is niemands fout. Hiermee moeten wij nu beiden leven.” De rest van de avond doet ons deugd. Het gaat over koetjes en kalfjes. “Maar waarom toch doet die zin: A mind wants to forget but a heart will always remember. mij zoveel?” Waarom raakt het die ongenezen plek in mijn hart?”, vraag ik opeens, zonder overgang en zonder enige terughoudendheid. “Ach, je hoorde het, half slapend, in een Amerikaanse televisiefilm, je weet wel, die kleffe films waar altijd alles goed komt en die zin is gewoon blijven hangen”. Ik kan niet loslaten, toen niet en nu niet. “Ik zal dit moment en deze avond nooit vergeten”, zeg ik en ik wijs naar mijn hart. “Vul mijn glas en doe mij lachen, “ zegt hij.

Anne-Marie De Clercq
0 0