Lezen

Tip

Twee sterren

“Niemand wil ons helpen,” zei de man in de rolstoel. “U bent onze laatste hoop.”   Wat leek hij jong om in een rolstoel te zitten. Hooguit vijfendertig. En ook de vrouw die bij hem was, had iets wat me van mijn stuk bracht, iets wat niet klopte. Misschien waren het haar glanzende, blonde haren, die niet bij haar grauwe huid en doffe ogen pasten, of was het iets wat ik in haar blik ontwaarde, iets wat ik niet kon thuisbrengen. Tussen hen in zat het meisje. Ze was erg jong, een kleutertje nog. Haar voetjes zweefden hoog boven de grond, maar ze wiebelde niet met haar benen. Wat je van een klein meisje op een hoge stoel toch zou verwachten. Ze zaten met zijn drieën in de voor het overige lege wachtkamer.   “We weten dat het een ongewoon verzoek is, maar we hebben er heel lang en goed over nagedacht,” zei de vrouw. Ze hield de hand van het meisje stevig in de hare geklemd.  “Ziet u, wij komen voor onze dochter. Het is haar eigen idee.” Ik keek geschrokken naar het muizenmeisje op die grote-mensenstoel. “Ze is niet bang,” voegde de man er snel aan toe. “Hoe oud is jullie dochter?” vroeg ik. “Vier en een half.”   Ik herinner me nog haarscherp de dag waarop ik mijn eerste tattoo zette, in het schuurtje achterin de tuin van mijn grootouders. Een naald, ontsmettingsalcohol, een pak watten, een doosje lucifers en een flesje Oost-Indische inkt, meer had ik niet nodig. Ik tatoeëerde een spinnetje op mijn linkerelleboog, dat later geïncorporeerd werd in de jungle-tekening die van mijn schouder tot mijn pols vloeit. Een tijger, paradijsvogels, een krijsende aap, lianen. Maar dat spinnetje zit nog steeds op zijn plaats.   “Het spijt me,” zei ik, “maar ik tatoeëer geen kinderen,” en liep naar de deur om die open te houden voor de man in de rolstoel. Buiten passeerden de auto´s over de grijze kinderkopjes. Er hing regen in de lucht.   De vrouw liet voorzichtig de hand van het meisje los en ging rechtstaan. “Wacht even voor u een beslissing neemt,” zei ze. “Laat ons het eerst uitleggen. Het enige wat ze wil, zijn twee sterren op haar arm. Twee kleine sterretjes, meer niet.” “Waarom wil jij twee sterren op je arm?” vroeg ik aan het meisje, maar het kind bleef kaarsrecht op haar stoel zitten en fixeerde haar blik op de poster van een zeemeermin die boven de balie hing.   De man verliet nu ook zijn plaats en draaide zijn rolstoel naar mij toe. Ik merkte nu pas dat hij daarvoor niet aan de wielen moest draaien, maar dat hij een elektrische rolstoel had, die hij via een klein staafje met twee vingers kon besturen.   “Ik ben drie jaar geleden met ALS gediagnosticeerd,” zei hij. “De laatste tijd gaat het snel bergaf. En mijn vrouw...” Hij keek haar aan als om toestemming te vragen. Ze knikte. “Bij mijn vrouw is onlangs kanker vastgesteld. Een zeer kwaadaardige.” Plots begreep ik wat er anders was aan die vrouw. Ze droeg een pruik. “We weten niet hoeveel tijd we nog hebben,” ging de man verder. “Maar wat ik wel weet is dat mijn dochter twee sterren op haar arm wil. Kunt u ons daar alstublieft bij helpen.” Die laatste woorden waren geformuleerd als een vraag, maar de diepe vermoeidheid in zijn stem liet zijn intonatie te snel zakken om ze nog als vraag te laten klinken.     Langzaam draaide ik mijn blik van de vader naar de moeder. En behalve het geheim van haar haren, begreep ik nu ook wat er in haar ogen verborgen lag. Het was verdriet. Maar ik had het niet herkend omdat het een soort verdriet was dat ik zelf nooit gekend had. Een duizend keer dieper soort verdriet.   Mijn God. Wat moet je met zo´n situatie.   Ik hurkte neer voor het meisje, en haalde diep adem terwijl ik een vraag probeerde te kiezen uit alle vragen die door mijn hoofd schoten. “Je beseft toch dat een tatoeage voor altijd is?” vroeg ik uiteindelijk.   Ze keek me strak aan met grijze wolvenogen. “Dat weet ik,” zei ze. “Daarom wil ik het juist.”      

Kathleen Verbiest
243 10

17 maart 1999

Het was een koude nacht. Ik hoorde de wind die de takken meesleurde en de klok die tikte. Mijn broertje lag in zijn bed bij het raam. Ik keek hoe hij langzaam in slaap viel.Net toen ik mijn ogen dicht wou doen hoorde ik iets. Het leek of dat iemand iets zei. Ik weet niet wat hij of zij of wat dan ook zei. Maar ik wou het weten.Even later hoorde ik het weer. En mijn broertje ook, want hij keek me bang aan en vroeg met een bange stem: "Wat was dat?" We hoorden het weer. Ik zag dat mijn broertje bang was dus ging ik bij hem liggen en hield hem stevig vast."Ik ben bang", zei hij."Ik ook"We hoorden het weer, alleen was het deze keer luider.Na een tijd hield het op. Ik ging terug in mijn eigen bed liggen, en viel terug in slaap. Plots hoorde ik mijn broertje gillen. Ik pakte snel de zaklamp op mijn nachtkastje en riep mijn broertjes naam, maar hij antwoordde niet.Ik scheen op zijn bed. zijn kussen en zijn deken was gevallen. Er lag alleen zijn teddybeer en een paar druppels bloed.Mijn hart bonkte bijna uit mijn lijf. Ik scheen met de zaklamp in het rond, maar ik zag niks. Ik zweette van top tot teen. Ik hoorde het weer maar luider en luider. Ik dacht aan mijn broertje, ik dacht aan mijn mama en papa, aan mijn oma die nu aan het snurken was. Ik dacht aan iedereen en alle leuke momenten. Ik hoorde het weer.Ik wachtte en wachtte maar er gebeurde niets. En net, net op het moment dat ik dacht dat het gedaan was voelde ik een vreselijke pijn in mijn rug, een pijn die ik nog nooit eerder had gevoeld. Ik kreeg het ijskoud. Alles werd donker. Ik voelde het bloed over mijn rug stromen. Ik viel op mijn knieën, en overal lag bloed. En toen, DUISTERNIS!

Fenne Wens
0 0

Appelflap

  Zo van die dagen. Druilerige regen. Stil verdriet in mijn hart. Mijn hoofd fluistert mijn hart bemoedigend toe: “Het is oké hoor, Hart van me. Natuurlijk doet dit pijn. Laat het maar pijn doen. Laat het me maar weten als je klaar bent om verder te gaan, dan neem ik je hand vast en wandelen we samen verder. Zal ik je helpen te schrijven? Te wenen op papier? Zal ik je een kopje thee zetten?”   Ik wil gewoon een beetje zijn. We gaan een eindje fietsen. Ondanks de regen. Om de regen. Ik wil voelen. Het verdriet als steken in mijn hart. Tranen branden in mijn zielenvijvers. Voélen. Voel ik echt pijn? Voel ik echt verdriet? Voel ik niet ook dankbaarheid? Dankbaarheid voor het moois dat ik heb mogen beleven, mogen voelen in elke vezel van mijn lijf? Geluk, zo intens dat het pijn doet? Liefde voor een man die nooit de mijne zal zijn en dat ook niet hoeft te zijn? Zo lang hij is, ben ik blij. Hij is te realistisch om zich te binden. Te wijs voor beloftes. Te nuchter voor Liefde. Te complex om met woorden of verstand te kunnen vatten. En hou ik echt zoveel van hem of ben ik gewoon verknocht aan het gevoel dat hij me geeft? Het gevoel dat ik lééf. Ik voel inspiratie borrelen in het diepste van mijn buik, in het diepste van mijn zijn.   We gaan een eindje fietsen. Ondanks de regen. Om de regen. En als beloning, een stop bij de bib voor nog wat inspirerende boeken. Over schrijven, over leven, over gebroken harten. En een stop bij de Panos voor een appelflap. Thuis een troostende kop thee met de zalig zoete appelflap en de zalvende muziek van Yndi Halda. De appelflap is veel te zoet. Héérlijk. Plakkerig. Vettig. Mijn tong maakt een sprongetje bij het gevoel van de dikke korrels suiker. De appeltjes maken hem net niet té zoet. Lekker. De smaak van troost. ’t Is allemaal zo erg nog niet.

Mandy
0 0

Stadsgids

Het begon aan de kathedraal Saint André in Bordeaux. Alle termen die mij even makkelijk afgingen als in- en uitademen leken meegenomen door het enige zuchtje wind dat ik die dag op mijn huid voelde. Ik keek naar de beelden, naar de sierlijke tierlantijnen op de gevel en de rijkversierde poort. En toen bleef mijn blik hangen op de groep die al de heel de dag drentelde achter de blauwe paraplu die ik boven mijn hoofd hield. Sommige keken verwachtingsvol. Hier en daar mocht de kathedraal de fiere achtergrond zijn van nog maar een selfie. Maar bovenal zag ik vragende ogen. In mijn hoofd startte een ware wedloop. Mijn gedachten spurtten van links naar rechts. Trokken lades en kasten open, op zoek naar alle kennis die ik ooit over deze kathedraal had weggeborgen. Of algemener over de bouwstijl of zelfs de tijdsperiode.   Ik vond niets. Geen woord, geen term kon ik me herinneren.    De vragende blikken in de groep kregen een geïrriteerd laagje. De hitte op het plein drukte zwaar op mijn schouders. Haastig duwde ik blauwe paraplu hoog de lucht in, draaide naar links en marcheerde weg van het plein. Irritatie golfde door de groep, maar ze haastten zich achter me aan. Ik leidde hen door kleine straatjes tot aan Place de la Bourse, waar de tourbus stond.  ‘Wacht hier’, mompelde ik. Zacht legde ik mijn paraplu op een bankje en stapte op de tourbus. ‘Naar de kust’, commandeerde ik de chauffeur.    Dus hier sta ik. Het water golft over mijn voeten. Er alleen maar zout en lucht. Wat golven en schuimkoppen. Net wat mijn hoofd nodig heeft, een eindeloze vlakte vol niets.  Heel even vraag ik me af hoe gaat met mijn groep, daar bij mijn blauwe paraplu op La Place de la Bourse, maar dan vliegt er een meeuw voorbij en is het weer stil in mijn hoofd.

KiM
0 0