Lezen

HEMELEN

Als ik ’s avonds niet onmiddellijk de slaap kan pakken, lig ik zo soms in mijn bed allerlei dingen te bedenken. Leven wij inderdaad boven onze stand, als we straks weer als twee zigeuners met onze caravan door Europa gaan trekken? Leven wij boven onze stand als we elke winter naar het warme Tenerife trekken, zodat wij tijdens deze periode geen gepeperde rekening voor Belgisch gas- en elektriciteitsverbruik moeten betalen. We minimaliseren tegelijkertijd onze Vlaamse waterconsumptie door te douchen op Spaanse bodem. Wij eten en drinken daar aan de helft van de Vlaamse café- en restaurantprijzen en komen lekker vol apothekersloze vitamientjes terug. Soms gaan mijn overpeinzingen verder dan dat. Ik las gisteren in de regionale krant dat twee Edegemenaars beweren dat Edegem tijdens Wereldoorlog I van bombardementen gespaard bleef, omdat wij hier toch een Onze-Lieve-Vrouw van Lourdesgrotje hebben. Alle randgemeentes hebben kerken en kapelletjes afgeladen vol met Jezus- en Mariabeelden, maar die werden wel gebombardeerd. Welke kronkel moet je bezitten om zulke theorieën heden ten dage nog in de krant te laten verschijnen.   Hoe zien de gelovigen het hiernamaals en is er daarboven voor alle biddende medemensen één hemel? Kan het dat er maar één moslimhemel zou zijn waar de zelfmoordterroristen samen met hun islamitische,uit elkaar geblazen en geslachte offers (woordspeling!), gelijktijdig aankomen? Het lijkt me nogal onwaarschijnlijk dat de zielen van de ontplofte en vermoorde moslims in volledige harmonie met hun terreurzaaiers door één poort zouden kunnen. Heeft hun God dan misschien voor drie afzonderlijke halalhemels gezorgd? De eerste poort is vermoedelijk gereserveerd voor de martelaren die dan onbekommerd  ogenblikkelijk aan het ontmaagden kunnen slaan. De tweede poort is dan voorbehouden voor de echte brave mannelijke islamieten en ergens ver weg is er een achterpoortje voor de hoofddoekvrouwtjes. Ja alles lekker van elkaar gescheiden. Als je op aarde niet gezamenlijk mag bidden of zwemmen, dan veronderstel ik dat je er ook niet tezamen mag zweven, niet waar? En in de Joodse hemel, is daar nog plaats genoeg? Het zal na wereldoorlog II wel hevig drummen geweest zijn daarboven. Hun God zag al het onrecht dat hun aangedaan werd lijdzaam aan, zonder in te grijpen. Zou jij je doodadresje dan nog tot in der eeuwigheid in zijn residentie willen onderbrengen? Wapperen hun pijpenkrullen niet uit en vliegen hun plastiek zakken over hun hoeden, hun hoofddeksels en hun pruikjes niet af als ze ten hemel opstijgen? Zijn er een paar bevoorrechten die hun plaatsje daarboven al via briefjes in de Klaagmuur gereserveerd hebben? Dan vind ik persoonlijk de Boeddha hemel veel esthetischer, sorteren per soort, recycleren en terugsturen. Reincarneer nog maar een paar keer en als je ten langen leste van de allerlaagste kaste omhoog geklommen bent en eindelijk alles goed doet, dan misschien mag je er wel in. Zo kan die hemel nog onbezoedeld eeuwen meegaan. Nu nog die christelijke hemel, hoe zit dat daar? Mogen daar alle soorten christenen samen de dood vieren? Mogen zelfdoders, moordenaars en pedofiele pastoors en priesters samen met hun slachtoffers op dezelfde wolk rondscharrelen? Worden de protestanten en de evangelisten er angstvallig weggehouden van die andere geïndoctrineerde Lourdesgangers die Maria en al die andere heiligen er nog bijslepen? Is er een speciale verdieping voor gelovige homo’s, Scientology sekteleden of de getuigen van Jehova?  Is er ergens in een donker afgelegen steegje een restafval- hemeltje voor al diegenen die voor het Jezus- tijdperk  geleefd hebben. Wat gebeurde er met al die Neanderthalers, Egyptenaren, Hunnen, Grieken en Romeinen die dus niet in dit sprookje konden geloven? Ik vermoed dat de christelijke God er een eigen verborgen agenda op nahoudt. Heeft hij een afzonderlijk hoekje in de hemel waar alle creatieve zangers, ongeacht hun religie en soms liederlijk leven opgevangen worden? Het is tenslotte al van 1971 geleden dat hij de musical Jesus Christ Superstar op ons losliet. Misschien dat James Last een nieuw concept op poten aan het zetten is. Zou John Lennon daarboven nog welkom geweest zijn nadat hij, met zijn ‘Imagin’, het bestaan van religies en een hemel in vraag stelde? Mogen overdosis gedrogeerden zoals Michael Jackson en het zelfmoordnachtegaaltje Whitney Houston nog meezingen in zijn volgende hemelse compositieschepping? Heeft hij aan Demis Roussos, David Bowie en Thé Lau niet genoeg om als achtergrondkoor te zingen of laat hij nog snel wat halleluja- Afrikanen naar de eeuwige jachtvelden opstijgen?  Oefent La Esterella “Oh Lieve Vrouwetoren” als hoofdaria of wacht de vader nog op de komst van kabbala Madonna. Met zo’n naam verdien je minstens paradijselijke hitparaderoem in het nirwana.  Zitten de Voice of Europe, Eddy Wally en Zjef Van Uytsel nu op hun wolk te stampvoeten. Opeens zien ze de hoofdrol in de volgende goddelijke musical aan hun neus voorbij gaan, nu de Heer totaal onverwacht, de ‘Purple Rain’ Prince, voortijdig naar het walhalla riep als nieuwe zingende hoofdrolspeler .    Sim, zachtjes wegdoezelend                Edegem, 23 april 2016

Sim
0 0

de BK

Ik ben de kat van de buren die elke dag op je terras zit te wachten tot je de glazen deur opent. Ik ben die zwarte met dat kilootje te veel en die witte poten alsof ik in een pot verf heb gestaan. Ik ben het beest dat afgelopen zomer je verse vlees redde van een sissende barbeque en maar al te graag het gespreksonderwerp wordt tijdens je lunch. Ken je me nog? Vandaag is het een prachtige dag om je te komen begroeten. Nadat ik eerst uitgebreid heb gezonnebaad en gerust, verlaat ik mijn huis op zoek naar avontuur. Mijn poten torsen de natte brokken die ik voorgeschoteld kreeg waardoor ik met moeite door mijn kattenluik geraak. Een anekdote die mijn baas, ter ergernis van zijn collega’s, graag rondbazuint op de sociale media, foto’s incluis. Ik ben een BK, een bekende kat, tijger van het internet. Hoe meer likes, hoe beestiger mijn baas me vindt. Vind ik leuk. Met mijn kop omhoog schat ik de sprong in op de muur die uitkijkt op je tuin. Nadat ik eerst een merel de schrik van zijn leven heb bezorgd, wip ik op mijn troon. Deze BK is heerser der hoven, bewaker der bossen. Daar sta ik als een zwarte panter met witte sokken je gras te inspecteren. Het is zoveel groener dan bij ons. Hoe komt dat? Mijn moeder had gelijk. Op tijd en stond kan sproeien wonderen doen.   Mijn moeder leerde mij om zelfzeker in het leven te staan. Ook zij kon hevig uithalen als het haar niet zinde. Het is belangrijk dat je laat zien wie er de baas is, des te meer kans heb je op een goede thuis, wist zij. Je moet je mens te allen tijde beschermen tegen het kwaad, als een waakhond die tegelijkertijd ook lief kan zijn. Maak goede vrienden, wees voor het donker thuis en vergeet niet dat urenlang rusten op tijd en stond belangrijk is. Mijn moeder wist hoe de wereld in elkaar zat. Tot ze door een dronken chauffeur werd gegrepen toen ze niet voor het donker thuis was. Haar wijsheid nam ze mee in haar graf waardoor mijn zussen en ik onze wonden zelf moesten likken. Niet lang daarna nam een mens in een witte camionette ons mee naar een plek waar we voedsel kregen dat we nog nooit geproefd hadden en werd ik geplaatst bij een alleenstaande man. En mijn vader? Die heb ik nooit gekend. Die is gaan lopen en niemand weet waar naartoe. Ik vermoed dat ik van hem die witte poten gekregen heb want mijn moeder, dat was een zwarte.   Met vinnige passen balanceer ik op de muur die ons scheidt, als was het een strak gespannen koord. Ik spring je terras op en wacht. Tijd om me te vergeten geef ik je niet. Ik ben de kater die je dagelijks een gratis concert geeft tot je de deur van de veranda opent. Dan spreid ik mijn bek en wauwel ik een lied dat me te binnen schiet. Als jij dan in het glas verschijnt met het hoofd een beetje schuin, laat ik je mijn achterste zien. Dan spring ik weer mijn eigen tuin in en doe ik alsof het me niet meer interesseert. Maar mens, ik kan je verzekeren: het doet me wel degelijk iets. Ik vind je poeslief. Alleen is het niet de bedoeling dat ik daar zo eerlijk over ben.   Mensen kunnen goed liegen. Dat ondervind ik nog elke dag. Soms doen ze alsof er iets lekkers in hun zakken zit en gooien het denkbeeldig weg. Dan ren ik als een kip zonder kop achter een gelogen snack aan. Vaak stel ik dan mijn eigen reukorgaan in twijfel. Begrijp je hoeveel stress dat bij mij teweegbrengt? Telkens te moeten denken dat ik ziek ben, dat ik weer naar die oude dierenarts met zijn zwarte bril en zijn grijze snor moet. Hoe meer mensen liegen, hoe meer ze gebeten worden. Want hoe kan je ze nog vertrouwen als ze zo vaak doen alsof? Ik kan enigszins begrijpen dat niet iedereen een vast inkomen heeft en niet in staat is voor ons te zorgen. Maar wat is nu één koekje? Vandaag blijf ik zitten met mijn staart rond mij gekruld. Er brandt geen licht in je huis. Waar ben je? Een mus vliegt rakelings langs mij voorbij en gaat op onze muur zitten. Die heeft lef. Aanvalspositie. Met mijn lijf dicht tegen de grond gedrukt, snorharen naar voren, ben ik klaar voor een feestmaal. Dat wordt een zomer om nooit te vergeten. Nog één stap verwijderd van de grote sprong, laat ik mijn achterste wiebelen en ben ik net te laat. De mus vliegt het vogelnest in dat al enkele maanden scheef in je tuin hangt. Wacht! Waf! Waf! Daar verschijnt hij blaffend in het glas. Een bulldog van formaat met platte smoel, norse blik en dat kilootje te veel. Met langgerekte wangen die rond zijn bek lebberen alsof ze zich overleveren aan de zwaartekracht. Zijn poten torsen de massa brokken die hij voorgeschoteld kreeg. Wij hebben zoveel gemeen. Mijn speelkameraad, de kolonel.   De kolonel woonde hier al voor ik bij mijn mens werd geplaatst. Ik zag hem dagelijks voorbijkomen aan de leiband, wat ik triest vond. Honden hebben nooit vrij spel, dacht ik dan. Ze worden aan het lijntje gehouden omdat ze waarschijnlijk niet slim genoeg zijn. Ze zouden gaan lopen en hun weg naar huis niet meer terugvinden. Ze zouden niet voor zichzelf kunnen zorgen als ze door de stad dwalen. Als de kolonel op stap ging, keek hij me altijd recht in de ogen. Dan begroette ik hem door met mijn voorpoten tegen het raam te tikken. Terwijl zijn mens telkens naar binnen gluurde, blafte hij één keer en verdween de straat uit. Ik wist meteen dat de kolonel en ik een band smeedden voor het leven. Dat ik het was die hem weer thuis zou brengen, mocht hij ooit verloren lopen. Die dog zou mijn dagelijkse drijfveer worden. Goede vrienden maken, had mijn moeder gezegd, is van levensbelang.   De kolonel duwt zijn platte smoel tegen het gesloten glas waardoor natte strepen zijn zicht naar buiten doen verwateren. Ik tik met mijn voorste poten tegen het raam zoals ik dat altijd doe. ‘Waar is je mens’, miauw ik naar hem waarop hij blaft dat jij naar je werk bent. Nerveus zie ik hem rondjes draaien in de woonkamer. Hij moet zeker plassen, denk ik. ‘Heb je echt geen gat’, smeek ik hem. Hij kijkt me dwaas aan alsof hij me niet gehoord heeft doorheen het glas. ‘Een gat’, probeer ik nog eens terwijl ik met mijn staart je terras veeg. De kolonel blaft een keer en loopt dan als een dikke pony de woonkamer in. Enkele seconden later verschijnt hij weer met een versleten touw tussen zijn tanden. Zijn speeksel druipt op de grond als een lekkende kraan. Ik begin te ijsberen aan de andere kant van het glas. Misschien is hij doof geworden en moet hij binnenkort naar die oude dierenarts met zijn zwarte bril en zijn grijze snor. Daar moeten we het binnenkort toch eens over hebben. De kolonel laat het touw uit zijn bek vallen terwijl zijn staart, of zeg maar zijn stomp, heen en weer gaat. ‘We spreken af’, miauw ik, ‘dat je hard genoeg roept als je mens thuis is.’ De kolonel begint wild te blaffen waardoor ik vermoed dat hij het begrepen heeft. Ik knipoog naar hem, laat mijn staart trillen en keer licht teleurgesteld huiswaarts.   Mens, ik moet bekennen dat ik je al die tijd misbruikt heb. Dat ik gelogen heb zoals mensen dat doen. Het is niet voor jou of het extra eten dat ik dagelijks op je terras zit te wachten. Het is de kolonel waarmee ik de sociale media wil veroveren. Hij is het waarmee ik de roem en de BK-status wil delen. Jij bent voor mij alleen maar een deuropener geweest. Het is je eigen schuld, mens. Leer van je fouten en geef ons het goede voorbeeld. Als wij de kinderen zijn die je nooit kon krijgen, dan is een goede opvoeding topprioriteit. Wie naast de kolonel slaapt, krijgt natuurlijk de streken van zijn baas over. Ik heb zo gelogen over de reden van mijn dagelijks bezoek, mijn passie en mijn vriendelijkheid. Je brokken zijn trouwens niet te vreten.   Ik wurm me door mijn kattenluik naar binnen. Eerst mijn kop, dan een poot waardoor ik al een beetje klem kom te zitten. Ik probeer het anders. Eerst een poot, dan mijn kop en dan de rest. Mijn mens staat al klaar met zijn iPhone en komt iets te dicht in mijn buurt voor een close-up. Moet hij niet werken? Flash, daar sta ik zeker op met mijn ogen dicht. Een filter over mijn pose, een poot wat bijsnijden en de wereld in. Buiten onze overlevingsdrang is dat het enige wat mensen en dieren gemeenschappelijk hebben. Het feit dat we graag gezien willen worden. Dat iedereen ons leuk moet vinden. Dat iedereen jaloers moet zijn op wat we bereikt hebben. Vandaag ben ik daar net iets minder enthousiast over. De kolonel krioelt in mijn kop. Ik miauw naar mijn mens die denkt dat ik honger heb. Er wordt een denkbeeldige snack in de keuken gegooid maar deze keer laat ik me niet vangen. Lopen is voor losers. Ik trippel naar mijn kussen dat voor de zoveelste keer op een andere plek ligt. Hoe vaak moet ik die man nog duidelijk maken dat ik een vaste plek wil. Daar, naast die plant die dringend water nodig heeft en waar ik vogels kan spotten. Niet daar, naast de zetel waar ik niks kan zien. Het verbaast me niet dat hij niet aan een lief geraakt. Stel je voor dat hij zijn eigen bed telkens zou verhuizen. Op dat moment hoor ik een enorme klap, de kolonel roept, sneller dan verwacht. Alsof ik een prik krijg van de oude dierenarts met zijn zwarte bril en zijn grijze snor vlieg ik nooit gezien door mijn luik. De kolonel loopt in zijn tuin, zijn geblaf is nu heel dichtbij. Ik wip de muur op en zie hem nog net op dat versleten touw van daarnet springen. Z’n korte poten zijn net dikke sigaren. Als je er genoeg aan trekt worden ze nog kleiner. Hij kijkt naar mij en blaft zijn wangen los. ‘Lang leve de halve werkdagen’, mompel ik. Hij schudt zijn kop en rolt zich in het gras terwijl ik met mijn witte sokken van de muur spring. ‘Wat heb je?’ wauwel ik hem toe. Pas dan zie ik het. Het glas van de veranda ligt in gruzelementen.   Als een bergbeklimmer zonder harnas en met zijn iPhone in de hand komt mijn vrijgezel de muur opgekropen. Dit is een uitzonderlijke kans. Ik zeg hem dat ik een foto wil met de kolonel, dat een raam kapot kan gaan maar deze vriendschap niet, dat de zon net goed staat voor de ultieme foto, dat scherven geluk brengen en dat ze misschien wel een vrouwmens voor hem in petto hebben, dat de kolonel gelukkig niet gewond is en dat hem zeker geen schuld treft voor het kapotte raam, dat we allebei honger hebben en dat het huis van de buren dringend nood had aan verluchting. Maar het heeft geen zin. Mijn mens heeft alleen maar oog voor de scherven om ons heen en wil weten wat er gebeurd is. Hij zal er zelf wel iets op verzinnen, de leugenaar. Hij richt de iPhone naar de grote ster in het raam. Flash. Het is nu of nooit. Met mijn kilootje te veel spring ik op de kolonel. Hij laat zich gewillig vallen want hij weet wat er te gebeuren staat. Om de aandacht op te eisen die we verdienen voeren we de kunstjes uit die we al zo vaak besproken hebben. Als twee modellen die precies weten wat er van hen verwacht wordt. We hebben drie voltreffers. De pose waarbij ik triomfantelijk op de kolonel sta als een koorddanser, die met mijn voorpoten op zijn dikke buik alsof ik hem net gevloerd heb in de derde ronde en de laatste maar vermoedelijk de populairste: de pose waarbij ik de wangen van de kolonel met mijn voorpoten naar boven duw alsof hij de wereld toelacht. Die zal zeker scoren en het aantal likes aanzienlijk verhogen. Dit kan het begin zijn van een sociaal leven en van betere brokken. Mens, kijk dan toch. Kijk dan. Wij zijn als echte koekjes die je in het gras gooit. Eerst onvindbaar maar als je goed zoekt, een plezier om ons tegen te komen. Kijk dan toch.

Pascale Wouters
0 0

J van Jef

(uit “verhalen van A tot Z”)   DE JEFKES   Verhalen uit lang vervlogen tijden worden door de jaren heen aangedikt met allerlei fantastische maar onbestaande uitvindsels.   Dit verhaal is echt, het enig mogelijke gebrek is dat een of ander persoon is vergeten of een foute naam werd toebedeeld; dat horen we dan ten gepaste tijd wel van hen die het ook hebben meegemaakt.   In ons kroostrijk gezin van weleer kwamen veel leveranciers van allerlei goederen en diensten nog aan huis. Als kinderen kenden wij haast nooit de familienamen maar dat deed er ook niet toe, voor dit verhaal is trouwens alleen de voornaam belangrijk.   Tegenwoordig zijn Daan, Thomas, Bram, Milan, Liam en Lucas populaire jongensnamen maar er was een tijd dat Joseph, Jozef of in verkorte versie “Jef” de kroon spande.   Om te beginnen was er Jef, de bakker. In een reuzengrote rieten mand bracht hij dagelijks het dagelijks brood dat hij bij afwezigheid op de vensterbank achterliet.   Vader die werkte op de “charbonnage” had recht op een aantal gratis kilos kolen per jaar. Dat zwarte goud werd met paard en kar gebracht door Jef, de kolenboer.   Bankrekeningen, bestendige opdrachten, domiciliëringen waren er nog niet.  De mutualiteiten bestonden gelukkig al wel en lokten, toen reeds, massaal werkzoekenden uit het buitenland naar ons landje met zijn felbegeerde sociale zekerheid.  Lidmaatschappen werden via kassiers geregeld die aan huis kwamen om de verschuldigde premies op te strijken maar evengoed om de sommen terug te betalen waarop leden recht hadden. De man van de ziekenkas, u raadt het, heette Jef.   Hoeveel literflessen melk er werden geleverd is niet meer precies geweten.  Wel dat het volle melk was, want dat stond er ook in het Frans op. Als “klein mannen” (verzamelnaam waaronder ook de meisjes ressorteerden) spraken we het uit als “LA IET EN TIER”. De naam van onze melkboer, wat dacht u, was Jef, of was het Frans, een zoon van Jef ?   Zoals in het gezin van Pamel of op het schilderij van Van Gogh werden er te onzent ook in grote getale aardappelen gegeten. Dat leverde na een week een berg schillen op. Wij hadden toen reeds een soort compostput in de tuin, maar de aardappelschillen werden bewaard. Elke zaterdag kwam op de fiets, een man, Jef genaamd, de schillen ophalen als voer voor zijn varkens.    Moeder spande jarenlang de kroon in de vrouwenbeweging van het dorp en was een hardnekkige verdedigster en fervente aanhangster van haar broer politicus. Toen ze bij de lokale verkiezingen van de echtgenote van Jef-van-de-schillen vernam dat haar man deze keer wel eens voor een andere partij zou stemmen, wees ze haar terstond terecht. Haar Jef was niet meer welkom en onze schillen belandden voortaan op de mesthoop.  Is dat geen vorm van racisme ? vroegen wij ons af.   Wij hadden de vraag aan de nieuwe kapelaan kunnen stellen. Tijdens een zoekspel in het dorp werden wij in groepjes verdeeld  en was een van de opdrachten dat wij zijn leeftijd moesten raden. De man moet in de dertig geweest zijn. Een van groepjes had 85 ingevuld. In het parochieblad stond zijn naam voluit. Hij heette Jef, maar in die tijd was het nog niet gebruikelijk om de voornamen van geestelijken te bezigen.     Langs vaders kant stammen wij af van een biersteker. In de albums met familiefoto’s prijken onze voorouders naast paard en kar, volgeladen met biertonnen.  Was het een traditie die stamde uit de glorietijden van de “marchands de bière” ? - thuis werd er bij de maaltijden, ook door de kinderen, een licht bruin tafelbier gedronken. De houten bierbakken en af en toe een plastieken bak limonade werden aan huis gebracht door Jef, de bierbrouwer.   Er moet hier of daar ook wel een Lowie of Gustaaf bestaan hebben tussen de leveranciers maar die werden minder op handen gedragen en totaal genegeerd.  Zoals in het kinderliedje over de oma’s klonk het “Jeffen aan de top”.   Omdat er nog geen waterleiding of riolering in onze straat lag waren er waterputten en pompen met respectievelijk drinkwater en regenwater. Wat tegenwoordig een septische put heet noemde men toen simpelweg een beerput. Soms ledigde vader zelf de put met een beerschep. Het goedje kwam dan op de planten en het grasperkje achter het huis terecht als bemesting. De vensters in de buurt bleven op die dagen angstvallig gesloten en wij werden een tijdje door de omwonenden vies bekeken, tot hun beerput aan de beurt was. Heel af en toe kwamen twee mannen de put volledig ledigen met alweer paard en kar, waarop dan een enorme beerton was gemonteerd.  Ik denk nog te weten dat de ene naar de andere riep “Jef, staat de kraan dicht!?”   Vader was een manusje-van-alles die alle problemen kon oplossen. Slechts zelden deed hij beroep op een andere handige Harry om een of andere klus te klaren. Toch is er ooit een dakdekker langs geweest. In mijn herinnering, of was het in een droom, liet die toen een reclamefoldertje achter waarop stond “Jef dekt alles, vooral daken”.   Grootvader langs moeders kant heette Jef of wat dacht u? Geen van zijn zonen, de van communiefeesten en kaartavonden bekende zatte nonkels, hadden zijn naam meegekregen.  De langverwachte riolering en waterleiding werd aangesloten door een broer van mijn moeder, die - via de politieker in de familie - werk had gevonden bij de gemeente. Dus was het voor één keer geen Jef die de graafwerken uitvoerde.   Door hun kinderzege waren onze ouders verplicht een aantal regels te doen respecteren in huis. Zo was de “voorplaats” enkel bij grote gelegenheden toegankelijk. Twee pagadders hadden bij het verstoppertjesspel toch de plaats betreden en braken tot overmaat van ramp de mooiste en duurste vaas, een trouwcadeau. Hopelijk werd de Val Saint Lambert nadien naar waarde geschat toen Jef-van-de-verzekeringen langskwam.   Als groot fan van onze nationale trots Jacques Brel, betaamt het hier een van zijn meest beklijvende liedjes te vernoemen over zijn beste kameraad Jef.   Nu we in de muziek zijn aanbeland wil natuurlijk niemand dit nog geloven.  In ons dorp waren twee muziekkorpsen, de ene werd in 1851 opgericht met de welluidende naam “Echo de la Jeune Campine”. De plaatselijke heemkundige kring zal bevestigen dat 53 jaar later, in 1904 Fanfare St. Jozef volgde, die in de volksmond “De Jefkes” werd genoemd.   Taraa, taraa, roffel, roffel, klets boem !    

Vic de Bourg
13 0

Gent begeleidt vijftigste bedrijf het energieplan uitvoeren

Ontdek in een interview met Barbara Govaert waarom ze jouw bedrijf ook wil begeleiden. Barbara, wat biedt Stad Gent aan en waarom? Energie en klimaat blijven een hot topic, ook in een stad als Gent. Ik weet dat veel bedrijven, zowel in de binnenstad als de haven, al inspanningen leveren voor het klimaat. Toch kunnen de meeste bedrijven veel meer rendabel energie besparen. Ook produceren van eigen hernieuwbare energie wordt steeds interessanter. Om bedrijven wegwijs te maken in deze complexe materie, stelde Stad Gent professionele energiecoaches aan. De energiecoach stelt een energieplan voor op maat. Het bedrijf kiest de maatregelen en voert ze uit. Zo een traject duurt een jaar en tijdens deze periode kan het bedrijf terecht bij de energiecoach. Dit klinkt duur. Wat betaalt het bedrijf? Een volledige begeleiding is minstens 4.000 euro waard en Stad Gent betaalt 90% van de kost. Hoewel dit veel lijkt, besef ik dat met een hoger budget het resultaat nog beter kan. Welk type bedrijven en waarop besparen ze? We begeleiden bedrijven in 10 verschillende sectoren. VDK Bank, Bayer, DFDS Logistics, het ICC zijn enkele bekende namen. Welke maatregelen staan in een energieplan? Te veel om op te noemen, maar beter verlichten, isoleren en slim aansturen van processen komen vaak terug. Is er nog plaats en komt elk bedrijf in aanmerking? Ja, ik wil nog een zestigtal bedrijven overtuigen om in te stappen. Nu begeleiden we vooral grotere verbruikers vanaf 100.000kWh elektriciteit, maar in dit najaar hebben we een vergelijkaanbod voor elk bedrijf in Gent. Wens je ook deel te nemen? Bel me op op het nr.... of stuur een bericht naar .... Nog niet overtuigd? Lees dan getuigenissen van overtuigende bedrijven (link website toevoegen).

Barbara Govaert
0 0

Brief aan ouders

                                                                                                               26 april 2016   Burgemeester JL Lecocq Diegemstraat 37 1930 Zaventem       Dhr en mevr. Almaci Vlieghavenlaan 45 1930 Zaventem      Betreft: informatie Nederlands leren voor nieuwe inwoners in Zaventem.     Beste familie Almaci,   van harte welkom in de gemeente Zaventem. Met deze brief willen we u informatie aanbieden over de gemeente Zaventem.   Iedereen is welkom in de gemeentescholen van Zaventem. De directeur en leerkrachten kunnen uw zoon en u verder helpen bij vragen of problemen in verband met de schoolloopbaan van uw zoon.  Zaventem ligt in het Vlaams Gewest. Dit wil zeggen dat uw kind onderwijs zal volgen in het Nederlands.   In Zaventem wordt Nederlands gesproken. Het centrum voor basiseducatie 'De Springplank' organiseert samen met de gemeente Zaventem cursussen Nederlands voor volwassenen. De lessen worden aangeboden voor beginners en gevorderden. De taal kunnen spreken is belangrijk voor u en uw familie in onze gemeente. Kom gerust langs in het gemeentehuis en wij helpen u graag verder met meer informatie.   Naast verschillende onderwijscentra is Zaventem ook rijk aan veel verenigingen. Een vereniging is een groep mensen die eenzelfde doel hebben. Bijvoorbeeld: sporten (sportvereniging), concerten of theater bezoeken (cultuurvereniging), e.d. Ook in deze groepen wordt Nederlands gesproken.  Ontdek alle verenigingen op de site van de gemeente Zaventem (www.zaventem.be/) of vraag naar meer informatie aan het infoloket op het gemeentehuis.   Indien u nog vragen hebt in verband met uw verblijf of cursus Nederlands leren, aarzel dan niet om informatie te vragen aan de infobalie van het gemeentehuis. De medewerkers helpen u graag verder.     Veel succes en nogmaals van harte welkom in onze gemeente Zaventem.   Met vriendelijke groet uw burgemeester Dhr. Lecocq        

Casier Jessica
0 0

3 2 1 start, pak je toekomst aan!

Jana, lang glanzend bruin haar, jong, klein en donkere ronde ogen die kijken alsof ze iemand kunnen neer schieten. Gesloten houding en zeer korte antwoorden op eender welk type vragen. Dit is een schets van mijn eerste kennismaking met Jana. Één van mijn cliënten bij vzw Argos te Ieper. Een jonge assertieve dame op zoek naar een eerste werkervaring.   Na het kennismakingsgesprek startte Jana met workshops volgen. Ik geef de workshops. Het doel van de workshops is beter voorbereid zijn op een sollicitatiegesprek. Jana begon de zoektocht naar haar persoonlijke kwaliteiten. Wat haar motivatie is om te gaan werken en hoe ze zichzelf kan onderscheiden van andere kandidaat sollicitanten bij een werkgever. Na 2 weken volgde er opnieuw een individueel gesprek.   Een individueel gesprek bestaat uit een korte evaluatie en bevraging naar gedane sollicitaties van de afgelopen 2 weken. Uit dit gesprek kon ik concluderen dat Jana niet zelfzeker is en ze leert bij tijdens de workshops. Jana zei dat ze de volledige reeks workshops (4 weken) wil volgen. De houding van Jana was met 180 graden gedraaid. Ze stond open voor feedback en ze toonde een geïnteresseerde houding (luisteren, knikken en spontaan vragen stellen). Jana had 1 sollicitatiegesprek gedaan de afgelopen 2 weken. Ze heeft problemen met de vraagstelling tijdens een sollicitatiegesprek. Na doorvragen bleek dat Jana een aantal typerende vragen bij een sollicitatiegesprek niet begrijpt. Ze heeft ook schrik voor de eerste werkdag. Ze is bang om een verkeerde indruk na te laten. Jana weet niet hoe ze een positie kan verwerven in een nieuwe groep mensen. Terwijl ze me deze informatie vertelde, zag ik haar handen trillen, haar ogen keken me anders aan en ze begon te zweten. Gevonden! Faalangst in het kwadraat. Na een goed bemoedigend gesprek zag ik haar met enige geruststelling vertrekken uit mijn bureau.   4 dagen later. Jana belde me op. Dit was de dag voor de laatste workshop uit de reeks. Ze klonk enthousiast. Ze had net 2 uren gewerkt in de keuken van het hospitaal te Ieper. Jawel, dit is haar droomjob. Ze werkte goed tijdens die 2 uren en ze mag de week erop starten met een contract van bepaalde duur. Uit dit telefoongesprek merkte ik op dat ze veel bevestiging vroeg. Ik nodigde haar uit voor de laatste workshop en een kort gesprek voor de start van haar eerste werkervaring.   Ondertussen zijn we vrijdag, geen sprake van meteen te starten met de workshop. Jana wachtte me op in gang en kon haar enthousiasme niet verstoppen. Fonkelende ogen en een glimlach van hier tot in Tokio. Fantastisch om zo mijn vrijdagmiddag te starten. Na de workshop gaf iedereen haar moed en een dame uit de groep zei: '3 2 1 start , pak je toekomst aan!'   Ik kan niet wachten tot maandagavond. Mijn mailbox zal een berichtje rijker zijn. Laat ons hopen dat het een mail met positief nieuws zal zijn.      

Casier Jessica
0 0

Prijs De Maakbare Mens voor Petra De Sutter: Een beetje maakbaar, heel veel mens

Op 24 april reikten we voor de 3e x de Prijs de Maakbare Mens uit in De Zebrastraat (Gent). Het is na vandaag duidelijk dat de koepel van onze vertrouwde Nedkahn-zaal alle weersomstandigheden aankan en altijd een feestelijke sfeer garandeert.  Een 80 - tal aanwezigen kwam onze laureate in de bloemetjes zetten.   De prijs gaat naar Petra De sutter om meer dan 1 reden. Niet alleen is ze een groot onderzoeker, een toegewijde arts en een bevlogen politica. Ze plaatst ook onderwerpen als fertiliteit, stamcelonderzoek en transgender op de publieke en politieke agenda. Zij legt al jaren de nadruk op ethische en maatschappelijke vragen bij vooruitgang van medische technologie. Dat maakt dat zij volgens De Maakbare Mens een geschikte laureate is.   Jacinta De roeck sprak het laudatio uit. Zij kon als politieke collega en vriendin van Petra een licht werpen op haar rijkgevulde carrière.   Petra De Sutter ontving van dichteres Maud Vanhauwaert een maakbaar gedicht. Dat mag je letterlijk nemen. De constructie met verwisselbare bordjes laat toe om hetzelfde gedicht op 1024 verschillende manieren te lezen. Een taalwonderlijk geheel, dus.   Tijdens haar dankwoord liet Petra weten heel blij te zijn met de prijs De Maakbare Mens omdat het zo toepasselijk is op haarzelf. “Natuurlijk draag ik verschillende thema’s van De Maakbare Mens een warm hart toe, ik werk er elke dag mee. Maar er is meer, ik heb mijn leven vandaag aan de medische technologie te danken. Eigenlijk ben ik zelf een beetje een maakbare mens. Daarom is het fantastisch om deze prijs te krijgen.”   Daar konden we alleen maar op klinken, dus klonken we erop. We wensen Petra veel succes bij het bordjes omdraaien en het lezen van 1024 gedichten. Proficiat, Petra! 

ElineMie
0 0

een dag uit het leven van een dichter zonder muze

De klokken van de kerktoren verder op de heuvel slaan vier keer. Ik draai me nog een keer om en zucht. Gelaten knip ik het lampje boven mijn hoofd aan, waarom weet ik niet precies. Misschien dat, als ik naar het plafond, de gordijntjes, de spullen in mijn kamer kan kijken, ik dan wat afleiding krijg van het lawaai in mijn hoofd. Het is alsof er een feestje gaande is in mijn kop waarop ik niet ben uitgenodigd maar dat me desondanks wakker houdt. Muziek die vraagt om vertaald te worden op papier. De opzwepende tonen lonken me om de slapeloosheid om te zetten in creativiteit. Woorden. Halfzinnen. Een gedicht. Ik overweeg een kijkje te nemen op het feest en mijn notitieblok erbij te pakken. Maar ik merk dat ik geen zin heb om het toe te laten, wetend dat ik ervan zal genieten en dan van geen ophouden weet. Kreunend hijs ik me recht en uit bed, richting wc. Terwijl ik langs de glazen achterdeur loop zie ik het schijnsel van de maan op de terrasstoelen in de tuin. Ik twijfel een seconde, maar grijp dan vastberaden de deurknop en stap op blote voeten de tuin in. De geur van oranjebloesem is overweldigend, de tuin ligt bezaaid met afgevallen witte blaadjes, wat de aanschijn ervan een sprookjesachtig waas verleent. Bleke blaadjes bedekken de bodem met bedeesde betovering… In de verte beukt de branding. Ik zuig de nachtlucht in die al een vleugje ochtend lijkt te bevatten. Minutenlang sta ik in het midden van de tuin, zonder mijn blik specifiek op iets te richten, zonder een wezenlijk scherpe gedachte. Ik zou ook gewoon op kunnen blijven en aan de dag beginnen, bedenk ik me. Hier wachten op het verkleuren van de lucht. Waarnemen hoe de geluiden schijnbaar ongemerkt veranderen. De nieuwe dag groeten. Ik moet er om lachen, want eigenlijk heb ik nog niet eens afscheid genomen van de vorige dag. Ik heb gisteren en morgen nog niet van elkaar gescheiden met ook maar een druppel slaap. Dat dan toch maar eerst even doen. Ik schuifel terug naar binnen, veeg nonchalant mijn voeten aan het tapijt en kruip weer onder de dekens.   Met een schok schiet ik wakker, een luid gebrom doet het plafond en de wanden trillen. Vroem vroem vrooeeemmmm. De zware motor van de buurman. Waarom hij dat ding steeds vijf minuten lang stationair laat draaien en daarbij regelmatig vol gas geeft is me een raadsel. Ik draai me om naar de wekker, zie dat het nauwelijks twintig over negen is en vloek luid. ‘Het is godverdomme zondag!’ In een impuls spring ik uit bed en ren de deur uit richting buren. Maar ik heb geen schoenen aangetrokken en het pad is modderig. Ik twijfel of ik er toch door zou lopen, maar dan moet ik zo meteen mijn voeten wassen voor ik weer in bed kan. Zucht. Nog terwijl ik met mezelf sta te overleggen zie ik de buurman zijn oprit afrijden op de motor. Hij ziet me niet staan en is al de hoek om voor ik kan zwaaien. Ik foeter in mezelf en heb plots zin om ergens tegen te schoppen. Tegen beter weten in ga ik naar binnen en kruip weer onder de dekens. Gauw genoeg moet ik echter plassen en voel ik mijn maag knorrend om aandacht roepen. Ik ga plassen, trek een trui aan over mijn slaapkledij, wrijf mezelf in de ogen en ga de keuken in. Koffiezet aan, radio aan. Dit wordt weer een geweldige dag.   Ik voel me niet in staat om iets productiefs te doen, laat staan om rechtop te zitten. Gewapend met een volle koffiekan en een dvd leg ik me languit op de bank. Ergens ver weg op de achtergrond hoor ik de overblijfselen van het feestje in mijn hoofd en overweeg nogmaals om er een kijkje te gaan nemen, maar ik voel me totaal leeg, een vod. Geen heldere gedachten of zin in creatieve bezigheden. Zelfs de witte blaadjes in de tuin komen me nu idioot over. Grrr. TV aan, dvd in de lader, play. Mentale slaap in de vorm van hollywood trash. Laat me allemaal met rust. Halverwege de film gaat de telefoon. Schoorvoetend sta ik op van de bank en zoek het kleinood tussen de rommel op de keukentafel. Frank. Ik laat de telefoon overgaan en wacht tot het geluid ophoudt. Ik neem de telefoon mee tot aan de bank zodat ik de volgende keer niet hoef op te staan. Alleen hoop ik van harte dat er niemand meer belt. En zeker Frank niet. Ik weet niet wat ik van hem moet denken en nog minder van wat er tussen ons is gebeurd. Nu is zeker niet het moment om daar over na te denken. Een korte biep geeft aan dat er een bericht is ingesproken op de voicemail. Ik negeer het en druk weer op play. Na de film zit ik nog een half uur naar het zwarte scherm te staren zonder me te bewegen. Ik weet dat ik in actie zou moeten schieten, Lonneke komt straks en ik kan me zo niet aan haar vertonen. Lonneke mag dan mijn beste vriendin zijn, ze is ook zo’n meid die er altijd irritant goed uitziet, zodat ik er zelf als een lelijke slons tegen afsteek. Ik zou er haar bijna om gaan haten. Ze komt straks mijn camera ophalen, ik hoop dat ze niet te lang blijft, haar vrolijkheid zou kunnen verslensen onder de hoge druk van mijn depressie. Of erger nog, ze zou mij er mee kunnen aansteken.   Lonneke waait als gewoonlijk met vrolijke zwier mijn huis binnen, geeft me een zoen en een warme knuffel. ‘Gaat het wel met je?’, vraagt ze met een diepe frons. ‘Hm-hm. Hoezo?’, antwoord ik ontwijkend. Ik wil niet alweer het negatieve element zijn en zeggen dat ik me kut voel. Maar ik zou beter moeten weten, Lonneke kijkt dwars door me heen. ‘Het gaat niet, ik zie het aan je. Is er iets gebeurd?’ ‘Ach Lon, ik heb gewoon slecht geslapen, dat is alles.’ ‘Tja, romantische avontuurtjes brengen slapeloze nachten met zich mee, hè’, voegt ze er met een ondeugende knipoog aan toe. éHeel grappig. Nee, ik heb alléén in bed geslapen vannacht. Nuja, in bed gelégen. Frank zie ik vanmiddag weer, er is een feestje bij Rob.’ ‘Rob, dat is die van daar op de hoek, toch? Is het zijn verjaardag ofzo?’ ‘Nee hij gaat een paar weken weg. Typisch hem, elke reden is goed genoeg voor nog een feestje.’ ‘Om hoe laat moet je daar zijn?’ ‘Euh, om vier uur geloof ik. Hoezo?’ ‘O, tja, ik had gehoopt dat je me nog even zou willen helpen met die fotoshoot. En ik zou je computer ook nog even willen gebruiken daarna. De mijne doet weer raar.’ ‘Natuurlijk, schat, geen probleem. Zeg maar wat ik moet doen’, zeg ik vrolijk, dankbaar om de aangeboden afleiding. Ik had me al afgevraagd hoe ik de dag weer zou doorkomen en waar ik de energie zou halen voor dat feestje. Na een paar flinke teugen Lonneke voel ik meteen weer de mogelijkheden van de dag door mijn aderen stromen.   Ze wil dat ik poseer voor haar foto’s maar ik hou de camera stevig in mijn handen geklemd. Ik ben dan misschien uit mijn slaapkleren geraakt – Lonneke is hoog bezoek voor de slonzen van deze wereld – maar voel me toch nog te verkreukeld om model te staan voor wat dan ook. Maar ook als fotograaf valt het me niet makkelijk, Lonneke is heel precies in wat ze wil en hangt het moeilijke model uit. Ik bijt op mijn tong, beseffend dat het niet haar buitensporige eisen zijn die me doen tandenknarsen, wel het slaapgebrek en het komende weerzien met Frank. Ik zet door en probeer me middels een portie gemaakte vrolijkheid ook werkelijk een beetje op te monteren. Wanneer ik de volgeschoten memory card in de computer schuif merk ik dat het zijn effect heeft. Ik voel een acute aandrang tot dronkenschap en lichtzinnigheid. Het is inmiddels drie uur en ik stel Lonneke voor een aperitief met me te drinken. Ze weigert en zegt dat ze nog veel werk heeft met het organiseren van de beelden. Ik haal mijn schouders op, neem een fles witte wijn uit de koelkast en zoek de opener in de la. Net op dat moment biept de telefoon. Een bericht van Frank. Of ik zijn voicemail heb gehoord. Of hij alvast zal langs komen voor een aperitiefje? Ik lieg dat ik nog werk heb met Lonneke, ik zie hem wel bij Rob om vier uur. Ik voel me nog niet klaar om mijn gevoelens onder ogen te zien. Onder invloed van een laagje alcohol gaat het vast beter. Lonneke zit te werken, ik drink en rook aan een fiks tempo. Voor een keer kan ik me niet laten afleiden door digitale impulsen, gezien Lonneke nu de computer, mijn bron van verslaving, bezigt. Ik observeer haar en laat mijn gedachten de vrije loop. Ze is zo geconcentreerd dat ze mijn gestaar niet opmerkt en ook mijn hersenen niet hoort kraken. Ik daarentegen wel, de muziek wordt weer luider, flarden feestgedruis wakkeren een onderdrukte tinteling in mijn wezen aan. Ik denk terug aan de Bleke Blaadjes en laat mijn geest vrij rond dwarrelen langs beelden en rijmwoorden. Ik schrijf niks op omdat ik voel dat het maar losse flarden zijn, ik zeil om de essentie heen. Wanneer een beeld van Frank voor me opdoemt weet ik dat ik de kern daarin moet zoeken. Maar ik wil het niet en duw het visioen van me af. Mijn gedachten laten dat echter niet zomaar gebeuren en gaan de strijd aan. Maar waarom dan niet? Waarom deze mooie romance niet als inspiratie laten dienen? Omdat het geen romance is. Het is alleen seks tussen twee eenzame volwassenen. Ach kom op, het is echt wel meer dan dat. Nee. En zelfs als het dat was, er is geen plaats voor in mijn leven. En al zeker niet in het zijne. Volgende maand gaat hij terug naar zijn vrouw en kinderen in Duitsland. Waarvan hij al tijden vervreemd is, dat weet je best. Maar hij blijft niet hier, het is maar tijdelijk. So what? Wil dat zeggen dat je niet oprecht mag genieten? Dat het in zichzelf niet waardevol kan zijn? Hm. Ik besef dat ik iets van mezelf vrij moet laten, ergens een deur op een kier moet zetten om dat genieten toe te laten. Ik weet dat het kan, maar ik weet ook wat er gebeurt als die deur steeds verder en verder gaat openstaan en alles zomaar binnen en buiten laat en de stroom van mijn wezen en het zijne daardoor op volle kracht laat vloeien. Niet denken aan morgen, je leeft toch alleen vandaag? Tja. Dat cliché is een waarheid als een koe, maar ook een zware last die ons altijd weer verplicht tot lichtheid. Hoe kan je verbinding aangaan en ze daarna weer zonder problemen doorsnijden? Ik begrijp dat het mogelijk is, maar het lijkt zo’n verspilde energie. Eerst vastmaken, dan weer doorknippen. Beter gewoon alles zo laten. Toch?   ‘Waar zit jij in ’s hemelsnaam met je gedachten?’, zegt Lonneke met een schalkse lach om haar mond. Ik ontwaak uit mijn gemijmer en zie dat ik het glas wijn in mid-lucht vasthoud en met mijn andere hand een sigaret boven de asbak laat zweven. Versteend in de tijd. Ik glimlach schaapachtig naar Lonneke maar antwoord niet. ‘Hoe laat is het eigenlijk?’ ‘Vijf over vier.’ ‘Shit, ik had er al moeten zijn.’ Een golf stress spoelt door mijn lichaam. Ik wil me nog even voor de spiegel opkalefateren, ik moet nog een fles wijn uitzoeken, ik moet mijn gedachten nog op een rijtje krijgen. Weten wat ik tegen Frank zal zeggen, hoe ik op hem zal reageren. Zucht. Ik besluit dat het kalf al verdronken is, helderheid van actie of gedachten zal er vandaag niet meer zijn. Dan de chaos maar omarmen en rustig nog een glaasje wijn drinken. Lonneke nipt mee van mijn glas, ze is even naast me op de bank komen zitten. ‘Niet teveel denken hè jij.’ Ze raadt alweer mijn inwendige kronkel. ‘Die Frank lijkt me een leuke kerel, sexy ook. Geniet er nu gewoon van. Je hebt het verdiend hoor.’ Ik kijk haar aan, geef haar een zoen als antwoord en lach haar breed toe. Ze heeft gelijk, natuurlijk heeft ze gelijk. Oké. Hop. Ik pak de eerste fles wijn die ik vind in de kast, trek mijn jas en mijn schoenen aan en vertrek richting Rob, met nog een knipoog naar Lonneke. ‘Niet te hard werken hoor! En als je weg gaat laat je de deur maar los.’   Het feest bij Rob blijkt een redelijk ingetogen vroegdiner te zijn. En ik die inmiddels zin heb in een portie uitbundigheid. Dan maar drinken en stiekem naar Frank kijken. We hebben elkaar begroet met een nette zoen op de wang, omdat niemand in het gezelschap van onze scharrel weet en we dat zo willen houden. Het zorgt voor een zekere spanning, die me aangenamer smaakt dan ik had verwacht. We gaan regelmatig samen een sigaret roken buiten en geven elkaar dan stiekem een zoen. Alsof we pubers zijn. Tussen het zoenen en de nicotinehalen door, probeert Frank met me te praten. Op zijn eigen, afstandelijke manier weliswaar. In halfzinnen. Zelf doe ik er, geheel tegen mijn natuur in, het zwijgen toe. ‘Ik heb je heel graag, weet je… als ik twintig jaar jonger zou zijn… Ik bedoel maar, ik vind je echt… Ik heb het echt fijn met jou…’ Ik ben dankbaar dat hij blijkbaar geen reactie verwacht, ik observeer hem in stilte. Hoe hij rondjes loopt terwijl hij praat. Hoe hij nooit naar me kijkt, alsof mijn aanwezigheid niet relevant is voor zijn boodschap. En dan zoent hij me weer en gaat naar binnen.   Ik had tijdens het aperitief een jointje gedraaid dat ik in mijn pakje sigaretten had gestopt. In plaats van uitbundigheid verlang ik ondertussen naar de gevreesde lichtheid. Het totale loslaten en deinen op de golven van de dag. De wijn helpt, maar ik ben ongeduldig en steek het jointje op. Verlangend neem ik diepe halen die ik wegspoel met grote slokken van de heerlijk frisse wijn. Rob komt het terras op en zegt dat het tijd is voor dessert. Hij snuift de geur van marihuana op en trekt een wenkbrauw omhoog, alsof hij wil zeggen ‘Jij? Dat had ik niet van je gedacht.’ Ik laat het dessert van kersentaart voor wat het is en bedien mezelf rijkelijk met meer wijn. De avond lijkt zich in slow motion voor mijn ogen verder te ontrollen. Alsof ik er geen deel aan heb, maar toch beter dan de andere aanwezigen begrijp wat er zich allemaal afspeelt onder het gelach en het geklets. Wat de werkelijke beweegredenen en onzekerheden zijn van eenieder. Rob die, smakelijk lachend om een idiote grap van Frank, vork na vork van de kersentaart naar binnen schuift. Een volle mond bij wijze van antwoord op nietszeggend gezwets. Eeuwig de gezellige gastheer, die Rob. Wat zou hij zonder de achtergrondmuziek van zijn lallende vrienden moeten? Eenzame cholesterolkaters beleven, keer op keer. Mijn scherpheid van geest registreert de plots overdreven dronkenschap van Frank. Hij heeft een monoloog aangevat die maar weinig samenhang lijkt te hebben, maar waar hij zelf schijnbaar veel voldoening uit haalt. Ik zie de meewarige blikken van de toehoorders, het brave geknik terwijl ze hun gedachten stiekem andere oorden laten opdwalen. Die van hun eigen sores. Ik zit als versteend het tafereel gade te slaan, niemand lijkt zich te storen aan mijn observaties. Ik geniet van het onzichtbaar zijn en speur gezicht na gezicht af. Wanneer mijn blik op Frank valt kan ik een scheut medelijden niet onderdrukken.  Zelfs ik luister niet naar zijn verhalen. Ik heb ze dan ook al duizend maal gehoord. Dat is nu eenmaal wat Frank doet. Verhalen vertellen over zichzelf, over vroeger, over wat dan ook. Altijd met de blik op een plek ver achter je. Alsof hij het hier en nu wil bezweren en nog even op een afstand houden. Ik besluit hem even met de neus op het huidige moment te drukken en sta abrupt op met de mededeling dat ik huiswaarts ga. Zondagavond, morgen weer vroeg op. Een platitude die nergens op slaat, ik hoef namelijk nergens voor op te staan en dat weten de aanwezigen ook. Maar ze gaan zo op hun eigen denkwerelden dat ze het graag voor waar aannemen. Frank lijkt uit zijn trance op te schrikken en vergeet meteen de draad van zijn verhaal. Een beetje stuntelig komt hij recht uit zijn stoel en zegt: ‘Dan ga ik ook maar. Het was gezellig Rob, dank voor het eten!’ Ondanks de algehele dronkenschap vrees ik toch een beetje dat het iedereen meteen duidelijk is dat hij met mij mee naar huis gaat. Maar mijn geest schommelt net zo snel weer de andere kant op – leuk neveneffect van de drugs – en ik denk ‘Ach wat doet het ertoe’. Ik voel een plotse aandrang om Frank weer in het hier en nu te krijgen middels een flinke portie mijzelf, naakt. De fantasie speelt zich echter enkel in mijn hoofd af en we lopen in stilte naar mijn huis. Frank komt binnen alsof hij thuis is en zijgt neer op de bank. Ik ga onmiddellijk de slaapkamer in en kleed me volledig uit. Ik roep naar hem: ‘Ik ben naakt, ik kruip onder de dekens!’ Hij komt de slaapkamer in en stapt op het bed toe. Hij streelt mijn gezicht, drukt een zoen op mijn lippen en zegt: ‘Ik ga naar huis, dat is vast beter.’ Ik wil hem vastgrijpen en hem toeschreeuwen dat hij moet blijven, dat ik ontzettend naar hem verlang. Maar ik zeg niks en laat hem gaan. Ik voel dat ik hem eindelijk wil toelaten, de deur gaat op een kier. Of hij blijft of niet doet op zich niet ter zake. Er komt tocht door de kier en binnenkort zal ik willen weten wat er aan de andere kant van die deur zit. Dat hij nu gaat voelt haast als een overwinning. Ik kan hem laten gaan omdat ik nu weet wat hij al langer weet: hij komt weer terug en klopt zich desnoods suf op mijn deur. Wat zal hij verrast zijn te merken dat die al open staan, de volgende keer als hij komt. De volgende keer… De gedachten tollen en galmen in mijn kop. Maar die is stoned en dus hoogst onbetrouwbaar. Waar dacht ik net aan? Hm. Ik geeuw en herinner me dat ik een flinke portie slaap in te halen heb. Ik draai me om naar de wekker en zie dat het nauwelijks tien uur is. Heerlijk, een extra lange nacht.   De komende uren zweef ik in een roes maar slaap niet echt. Om half twee is de roes uitgewerkt en ben ik klaarwakker. Het duurt even voor ik de geluiden op de achtergrond herken als het nog steeds lopende feestje in mijn kop. Ik klauter uit bed, rook een sigaret op de bank en pak mijn computer bij de hand. Niks notitieblok, niks aanmodderen. Het echte werk. Dansen tot ik erbij neerval.  

LL Rigby
0 0

er was eens een man

Er was eens een man. En er was een vrouw. De rest is geschiedenis, zou men denken. Maar uiteraard niet, lieve lezer. In deze tijden van egoïsme en angst is niets van dat alles nog vanzelfsprekend. Misschien moet ik opnieuw beginnen. Er was eens een man. Die had een vader. Die vader leed aan een ernstige ziekte genaamd melancholie. Alles was hem zwaar – of licht, al naargelang men het wil bekijken – en het was hem enkel mogelijk te leven met deze ziekte als hij bij tijd en stond zijn glaasje sterk kon achterovergooien. Het maakte alles zoals dat heet ‘draaglijk’. Voor hem weliswaar, niet voor zijn vrouw of zoons. Die konden zijn dronken vrolijkheid maar matig verdragen en hadden liever dat hij bij de dokter een remedie ging halen voor zijn ziekte.  Ze begrepen niet wat de ziekte inhield maar vertrouwden zoals elk rechtschapen mens op de wetenschap, die op alles een antwoord heeft. Wat ze niet wisten was dat wanneer vader enkele dagen trachtte het glaasje te laten staan, dat hij zich dan bij wijlen langer dan een half uur op de badkamer moest terugtrekken – toch langer dan een gemiddeld toiletbezoek dat vereiste – en wel om zijn ziel uit te huilen. Van blijdschap of hartverlammend verdriet. Verdriet om wat kon hij nooit zeggen, al zou iemand het hem gevraagd hebben. Verdriet om het leven, om alles wat hij om zich heen zag, om de mensen die elkaar toelachten hoewel ze daar eigenlijk geen zin in hadden. Deze man had meerdere zoons ter wereld gebracht, gebeurtenissen waarbij hij zichzelf toeliet openlijk te huilen, van blijdschap weliswaar. De zonen groeiden op tot verantwoordelijke, volwassen mannen. De jongste was echter, hoewel ook volwassen en verantwoordelijk, erg in zichzelf gekeerd. Hij sloot zich af voor mensen en hun gesprekken, beantwoordde vragen met een moeizaam gegrom. Hij bracht zijn vrije tijd door met lezen, muziek spelen en schaken. Vrienden had hij niet, dus schaakte hij online. De lezer vraagt zich inmiddels af in welke zin deze jongeman van bijna 28 een verantwoordelijk en volwassen mens kon zijn. Nu, hij had gestudeerd. Hij had een respectabele baan. Zijn collega’s mochten hem zelfs, maar vooral omdat hij een harde werker was, niet omwille van zijn sociale kwaliteiten. Hij huurde een appartement, betaalde zijn rekeningen, hield zijn zaken op orde en zijn huis schoon. Hij was verantwoordelijk. Dat hij volwassen was zullen we misschien in het midden laten, omdat dat nu eenmaal een dubieuze kwaliteit is. Wie van ons is volwassen? Wanneer is een man volwassener dan een ander? Daar valt uitvoerig over te debatteren, en vermoedelijk weet niemand het feitelijke antwoord. Misschien moet het woord ook maar worden geschrapt uit het woordenboek, ik heb het al te lichtzinnig gebruikt in de eerste regels en neem me voor om dat niet meer te doen. Op een dag zit onze man te schaken met een online ‘kennis’, die hem via de chat interface vraagt om een keer samen te gaan schaken, in ‘real life’, om zo te zeggen. Onze man schrikt en antwoordt vooreerst niet. Tot hij na twee glaasjes sterk – van vader geleerd – bedenkt dat er niets te verliezen is, en dat hij eigenlijk ook wel eens zijn antieke schaakbord uit de kast wil halen. Hij trekt zijn stoute schoenen aan en gaat twee dagen later naar de plaats van afspraak. Te zelfbewust om meteen een glas sterk te bestellen vraagt hij een bier en drinkt het in één teug leeg. Hij bestelt er nog één en ziet een jonge kerel de bar binnenstappen. Het blijkt zijn schaakafspraak te zijn. Ze gaan zitten en onze man haalt zijn schaakbord tevoorschijn. Zonder al te veel onzinnige sociale interactie zetten ze zich aan het spel. En zo loopt het dat onze man wekelijks op café zit, menig biertjes tot zich neemt en af en toe wint, maar meestal verliest van zijn schaakpartner. Op een avond, na een uitzonderlijke overwinning, voelt hij zich krachtig en groot, en bestelt een fles sterk voor hun beiden. De ander nipt een beetje, niet gewend aan het zware spul. Ze praten over muziek, beiden zijn liefhebbers en spelen soms een riedeltje op respectievelijk de saxofoon en de gitaar. Ze besluiten een volgende keer op het appartement van de ander af te spreken om samen muziek te spelen. Wanneer de fles halverwege is begint onze man helemaal los te komen, hij ziet het leven zowaar rooskleurig en kijkt nieuwsgierig om zich heen naar de drukte in de bar. Hij kijkt naar de mannen en de vrouwen die om elkaar heen dansen, speurt hun gezichten af, bekijkt hun subtiele lichaamsgebaren. Hij grinnikt bij zichzelf. Hij is blij dat hij er allemaal geen deel aan heeft, maar voelt zich toch warm te midden van hun gespartel. Een week later stapt hij, gewapend met zijn gitaar en een fles sterk, op het huis van de ander af. Wanneer hij de woonkamer betreedt versteent hij ter plekke wanneer hij twee jongedames op de bank ziet zitten. Zijn vriend pakt hem vrolijk bij de schouder en trekt hem mee de woonkamer door, naar een kamertje achterin waar hij een hele muziekinstallatie heeft staan. Op zijn gemak gesteld plugt onze man zijn gitaar in en ze spelen samen twee uur lang alsof ze nooit iets anders gedaan hebben. Tussendoor leegt hij zijn fles sterk. Wanneer ze hun muzieksessie beëindigen en weer de woonkamer binnengaan laat hij zijn vrolijkheid niet dempen door de aanwezigheid van de vrouwen. Ze spreken hem aan en vuren vragen op hem af, de meeste beantwoordt hij met een verzinsel. De vrouwen merken zijn leugens blijkbaar niet op, waardoor hij telkens vrijpostiger wordt. Zijn vriend lacht hartelijk en klopt hem op de schouder. Jij bent er me eentje, kerel! Hahaha. Hij komt op dreef en zegt de grofste dingen, niemand neemt er aanstoot aan, ze lijken hem er alleen aardiger om te vinden. Er vloeien nog vele biertjes en de avond verloopt in uiterste hilariteit, hij is de ster van het gezelschap. De dag nadien bezint hij zich thuis over de avond en geeft zichzelf in gedachten schouderklopjes. Hij kon nooit goed met mensen omgaan, vond dat ze een heleboel onzin verkochten. Maar blijkbaar kan hijzelf nog grotere onzin verkopen en vindt iedereen het bovendien geweldig! Het doet hem moed vatten om de wereld in te gaan. Hij drinkt zich een paar glaasjes ter inspiratie en gaat op pad. Het eerste café dat hij tegenkomt stapt hij binnen. Het gejoel van de massa overweldigt hem – het is zaterdagavond – maar hij baant zich een weg naar de bar, vastbesloten om ook vanavond zijn nieuwe techniek op mensen toe te passen. Hij bestelt een biertje en spreekt de man naast hem aan, een dronken grijsaard die zich duidelijk al een tijd niet meer gewassen heeft. Vind jij douchen ook zo’n gedoe? Ik anders wel! Allemaal vrouwenonzin! zegt onze man terwijl hij de ouwe op de schouder klopt en luid begint te lachen. De ouwe deinst terug maar laat zich binnen een paar tellen meevoeren op de lach van de ander. Onze man heeft zichzelf heruitgevonden. Weken, maanden vol drank en gelach volgen. Hij maakt ‘vrienden’ op de gekste plekken. En waar niet gelachen kan worden, kan altijd worden geschaakt of muziek gemaakt. En in ieder geval gedronken. De drank en de wereld van onzinnige leugens voeren hem mee op een roes van avontuur en uitbundigheid. En dan was er een vrouw. Zoals altijd, in ieder verhaal, moet er, wanneer er een man is, ook een vrouw zijn. Dat is de wet van de literatuur, maar ook van het leven. Deze vrouw is niet de mooiste, niet de meest charmante, maar ze is anders dan de andere vrouwen. Ze lacht niet met zijn grappen. Ze wil de waarheid weten. Hij vertelt haar dat hij een baan heeft, vrienden, een mooi leven. Ze is tijdelijk tevreden gesteld. Ze vertelt hem in alle ernst over zichzelf, hij hoort het geboeid aan. Ze is zo open, en daardoor zo kwetsbaar dat het hem fascineert. De meeste mensen zijn zelden werkelijk eerlijk. Ze stelt voor om een keer samen iets te gaan eten. Onze man stemt in, ondanks zichzelf. Hij hunkert niet naar nabijheid, verlangt niet open en kwetsbaar te zijn. En hij voelt aan dat dit soort vrouw met minder geen genoegen zal nemen.  Maar ze maakt iets in hem wakker. Iets wat hem herinnert aan…  aan vroeger, aan onbezorgde jeugdige lentedagen. Toen hij nog een onhandige puistige slungel was en niemand hem dat kwalijk nam. Toen hij zich nog thuis voelde in de wereld. Hij heeft ooit één vriendinnetje gehad, tijdens zijn studententijd. Die was overigens verlopen zonder een donderslag. Het was een saaie maar bevredigende tijd geweest. Hij mocht boeken lezen en werd er voor beloond met mooie cijfers. Zijn vriendinnetje ontmoette hij tijdens een college. Beter gezegd, hij keek een keer geheel toevallig haar richting uit, terwijl zij net haar hoofd naar hem toedraaide. Om één of andere reden had zij dat heel bijzonder gevonden, ze kwam hem na het college achterna gelopen en vroeg hem om samen koffie te drinken. Ze stelde hem geen enkele vraag en daar was hij dankbaar om. Ze praatte aan één stuk door over het boek dat ze aan het lezen was. Het kon hem wel vermaken, in tussentijd keek hij onbeschaamd naar haar gezichtsuitdrukkingen als keek hij televisie. Toen het beeld uit de tv plots op hem toe dook om hem een zoen op de lippen te drukken was hij nog teveel in trance om geschokt te zijn. Bovendien was het een bijzondere sensatie, een stel lippen op de zijne. En zo was de rest van hun verhouding verlopen. Zij praatte, zoende hem, verwende hem. En hij keek toe en liet het gebeuren. Seks hadden ze veel en uitvoerig. Hij deed wat zijn gevoel hem ingaf en blijkbaar viel dat in de smaak. Hij vond vrijen heerlijk, net als muziek spelen. De vingers over snaren laten glijden of over borsten. Het eigen genot zoeken zonder schroom. Zonder woorden. Na een half jaar moet ze plots in de gaten hebben gekregen dat hij al die tijd nauwelijks een woord met haar had gesproken, en als een hysterische begon ze hem uit te vragen. Hij klapte dicht en de zoenen hielden op. Maya heet ze. Deze nieuwe vrouw die hem verwart.  Die hem verplicht tot spreken over zichzelf, iets waar hij een bloedhekel aan heeft. Toch kan hij zich niet van haar afkeren. Hij gooit nog regelmatig onwaarheden en grapjes in zijn verhalen, die ze met een opgetrokken wenkbrauw aanhoort. Ze weet dat het leugens zijn, en in zekere zin voelt het op die manier alsof hij haar de waarheid vertelt. De waarheid ligt in het ongezegde, en in de reden waarom ze elkaar blijven opzoeken. Ze schijnt geen gevoelens voor hem te koesteren, maar zoekt desondanks zijn gezelschap zo vaak ze kan. Ze is nieuw in de stad en is blij iemand te kennen, ook al is dat een onberekenbare leugenachtige dronkaard. Op een avond ontmoeten ze elkaar toevallig op de stoep voor het café waar onze man reeds vele uren heeft gesleten. Hij nodigt haar uit voor een drankje en het worden er veel. Om onduidelijke reden heeft ook zij die avond behoefte aan lichtzinnigheid. Ze laat zich meedrijven op het gelach en de obsceniteiten van het gezelschap. Want ze zijn niet alleen, onze man verzamelt in een handomdraai een boel bekenden om zich heen, een doordeweekse avond verandert in een uitgelaten feest. Maya bevindt zich in een wereld waar ze vanuit haar nuchtere zelf op neerkijkt, maar eigenlijk vooral niet begrijpt. Nu ze zich erin onderdompelt, ziet ze plots wat een mooie kleuren de tropische vissen om haar heen hebben. Ze baadt zich gewillig en vol overgave. Een week lang ziet of hoort onze man haar niet. Tot zijn verjaardagsfeest. Ze komt laat, moest zogezegd nog bij andere vrienden langs. Tegen de tijd dat ze arriveert is onze man reeds op een muzikale, met alcohol doordrenkte high en geeft enkele wilde gitaarsolo’s ten beste aan het verzamelde gezelschap van bekenden. Enkelen doen met hem mee en zetten een ronde improvisaties in, met ter plekke bedachte teksten die  bijdragen tot de algehele hilariteit. Maya aanschouwt de scène en weet zich er rationeel van te distantiëren, maar iets in haar onderbuik protesteert en doet haar anders kijken naar de halvegare die zijn gitaar staat te verkrachten. Ze herkent het gevoel vaag en laat het gedwee toe, maar blijft zitten in de hoek van de kamer. Ze neemt nog een slok wijn. En nog één. Ze neemt ondanks zichzelf een trek van een joint die haar wordt aangereikt door iemand die ze nooit eerder zag. Ze lacht en drinkt nog meer wijn. Van onder haar wimpers kijkt ze steeds weer naar onze man, die haar aanwezigheid alweer lijkt te zijn vergeten. Het feest gaat onverwijld verder, mensen komen en gaan. Tot ergens halverwege de ochtend , wanneer nog slechts drie over zijn, onze man, zijn schaakmaat en Maya. De schaakmaat trekt zich terug in de logeerkamer, Maya ligt in een roes met de ogen dicht op de bank. Onze man tokkelt een eenvoudige melodie op de gitaar. Hij denkt dat Maya slaapt en schrikt wanneer ze overeind komt en hem bij de kraag van zijn hemd naar zich toetrekt. Ze zoenen zich een ongeluk op de bank en maken het af in de slaapkamer. Maya is onder de indruk, ook al kan ze niet meer helder denken. Onze man is meer dan ze had durven denken. Ze valt in slaap en denkt vaag Ach, morgen… In de ochtend is alles licht, de zon wurmt zich binnen door alle spleten en kieren, vrolijkheid moet en zal er zijn. Maya glimlacht breed maar vreest het einde van de roes en vertrekt na een vluchtige zoen. Door omstandigheden zien ze elkaar een paar lange weken niet. Bij beiden is het verlangen gewekt naar meer – ondanks zichzelf. Beiden bevragen zichzelf en begrijpen niet. Willen liever anders, en ook weer niet. Iets in het fysieke contact tussen de twee was waarheid. Was dat wat woorden nooit zullen kunnen zeggen. Ze sturen elkaar berichten waaruit hun beider terughoudendheid, maar ook hun verlangen duidelijk blijkt. Gesterkt door de onzekerheid van de ander durven ze hun gevoelens de vrije loop laten. Bij het weerzien is er geen twijfel en stappen ze resoluut op elkaar toe om die ene kus, dat ene gevoel te mogen ontvangen, voelen, drinken. Toch houden ze zich de rest van de avond betrekkelijk gedeisd. Ze zitten bij haar thuis op de bank en praten, lachen, drinken. Waar de gesprekken over gaan zullen ze zich later allebei niet herinneren, omdat ze aan elkaar geregen worden door zoenen en hartstochtelijke omhelzingen, die ze telkens weer beëindigen, als was het iets wat ze nog even willen opsparen. De pot vol zoete honing niet in één teug leegdrinken. Toch belanden ze samen in bed, maar door al het uitstel is er iets verschoven, het hoogtepunt hebben ze al achter zich gelaten. Ze proberen met overgave te vrijen maar voelen zich allebei uitgeput en niet bij machte om lang door te gaan. Het is een lichaamsdans van een tweeëenheid, terwijl dat niet is wat ze bij elkaar zoeken. Er is eenheid, ergens tussen hun, ergens in de regionen tussen de zoenen en het gelach. De tijd die komt zoeken ze elkaar vaak op, en zoeken ze middels afstoten en aantrekken naar dat ene middelpunt, dat hier en daar om de hoek komt kijken maar zich toch telkens weer verschuilt. Het is uitputtend en beiden graven in hun ziel op zoek naar begrijpen. Zij in de vorm van woorden, hij van muziek. Zij denkt het antwoord gevonden te hebben en besluit met hem te praten. Het is te vlug, ze kennen elkaar niet voldoende, als het zo moet zijn dan gebeurt het vast nog. Hij zegt niks en kruipt, zonder tegenspraak, weer in zijn schulp. Hij gaat verder waar hij was gebleven vóór Maya. Hij leest, drinkt, speelt muziek en schaak. Op een dag komt hij thuis van een drinkavond en vindt een brief op zijn voordeur geplakt.  Van Maya, om te zeggen dat haar verlangen zo groot is dat ze toch bij hem wil zijn, ook al wil ze het eigenlijk met haar verstand niet en is het vast geen goed idee. Onze man zucht diep en kruipt onder de wol. Teveel woorden. De volgende ochtend wandelt hij naar haar huis, onderweg zichzelf afvragend waarom eigenlijk. Die woorden verstoren zijn evenwicht, hij wil ze niet in zijn kop horen nagalmen en raakt met elke stap meer geïrriteerd. Tegen de tijd dat hij bij haar deur is aangekomen weet hij werkelijk niet meer wat hij daar doet. Ze opent de deur zonder dat hij heeft aangebeld, alsof ze voelde dat hij daar stond. Hey! zegt ze vrolijk, maar haar gezicht vertrekt al gauw in een vraagteken. Ze durft geen stap te zetten. Hij wil haar omhelzen en doet dat ook. Hij omhelst haar uit onmacht, uit verwarring, uit angst om een woord te moeten uiten. En hup, daar is het weer. Dat moment, dat gevoel. De omhelzing mondt uit in een passionele kus die urenlang lijkt te duren. Ze weten beiden niets te zeggen, weten niet waar te kijken. Ze staan een tijd in stilte maar beginnen algauw weer te zoenen, want dat is alles wat nog zin heeft. De dagen die volgen hebben ze het beiden druk met vanalles, maar ze slagen erin elkaar tussendoor op te zoeken voor korte of lange zoenen. Aan het eind van de vierde dag hebben ze eindelijk allebei een avond vrij, en hoewel onze man tegen dan vreselijk bedronken is, slagen ze er toch in om een passionele nacht te delen. De hartstocht, het verlangen is zo groot dat het hun overstijgt. Hun lichamen gaan tekeer en laten geen ruimte voor zoenen. Zo blijven ze dus nog steeds op een afstand van het grote gevoel. Ze besluiten het te negeren en zich over te geven aan de fysieke bevrediging. De ochtend na deze nacht is onze man verwarder dan ooit. Er waren geen woorden en toch is hij geïrriteerd, ongemakkelijk. Deze vrouw doet hem verlangen naar dingen die hem mateloos beangstigen. Hij voelt zich teleurgesteld over de nacht hoewel die wild was en zonder woorden. Het was op een perverse manier bevredigend, maar. Maar wat weet hij niet. Hij kronkelt in zichzelf en bedenkt manieren om haar die dag uit de weg te kunnen gaan. De nacht schijnt op haar het omgekeerde effect gehad te hebben, ze straalt en lacht haar breedste lach naar hem. Hij draait zich om en gaat wandelen. Ze komt hem nagelopen en drukt hem een zoen op de lippen, die hij louter fysiek beantwoordt. Ze voelt het en fronst, maar voor ze iets kan zeggen is hij weg. Hij drinkt en drinkt en drinkt. Hij lacht en lult met een nieuwe ‘vriend’, waarmee hij over muziek praat tot ze er beiden bij neervallen. Ze vallen ook letterlijk neer, ergens tussen de ochtendschemer en het kraaien van de haan. Wanneer onze man ontwaakt aan de kant van de weg is hij alleen. Hij haalt zijn schouders op en wandelt naar huis. Waar Maya op hem wacht. Hij wordt boos op haar om iets onbenulligs, haar ogen worden groot en ze opent  haar mond om iets te zeggen maar doet het niet. Ze blijft zitten op zijn bank terwijl hij in bed kruipt. Ver ver weg hoort hij haar snikken, hij valt in slaap en slaapt de heerlijkste slaap die hij in tijden sliep. De volgende ochtend staat hij op, zet koffie, tokkelt op zijn gitaar en speelt online schaak. De dag verloopt zonder een rimpeling. Tegen de avond proost hij met zichzelf om een geslaagde dag en drinkt een halve fles sterk om de waarheid op een afstand te houden. De waarheid laat zich niet meer zien. Maya ook niet.

LL Rigby
0 0

de bus

De 26 was laat vandaag. Twintig minuten van het ene been op het andere. En wanneer de bus uiteindelijk arriveerde zat ze propvol, typisch. Na enig gewurm vond ik een plekje dat me voldoende stabiliteit bood, in de hoek tegenover de middendeur. Daar hield ik me rustig terwijl de andere mensen duwden en vochten om elke centimeter. Ik was gelukkig op mijn microruimte, tussen twee oudjes die uit hun mond stonken en die bij elk heen en weer geschuifel steen en been klaagden. Ik dankte de goden dat ik niet meteen een stoel had gevonden, de elementaire beleefdheid zou me immers algauw gedwongen hebben mijn zitje af te staan, waardoor ik alleen maar zou achterblijven met het verscheurende verlangen naar het reeds ervaren genot van het zitten. Enkele haltes van geharrewar later vormden we uiteindelijk een clubje van vier daar in de hoek tegenover de middendeur. We hielden stand als de rechtmatige eigenaars van het verworven terrein: twee jongemannen, een tienermeisje en ik. We keken naar elkaar met ogen van erkenning en respect en steeds naar de anderen met een meewarige maar zelfvoldane blik. We genoten in stilte van onze superieure positie en waren niet zinnens onze privileges af te staan aan het eerste het beste oudje. (overigens was dat niet nodig want de anderen schenen niet in de gaten te hebben hoe comfortabel we daar wel stonden) Mijn stilzwijgende observaties leidden me plots naar de rugzak van het meisje en ik zag dat de rits van het voorste zakje half open stond (je weet wel dat zakje waar je gemakkelijk je sleutels en portefeuille in kwijt kan maar dat doe je niet want iedereen weet dat je op die manier bestolen wordt). Ik twijfelde enkele ogenblikken of ik haar zou aanspreken – want ik spreek niet gemakkelijk een vreemde aan op de bus –, toch gaf ik haar uiteindelijk een zachte tik op de linkerschouder en zei “Zal ik je rits sluiten? Ze staat open” (Je moet weten dat het haar volstrekt onmogelijk was zelf haar rugzak te sluiten.) Eerst bekeek ze me met een wantrouwige en uit haar lood geslagen blik – typerend voor mensen die plots door een volslagen vreemde worden aangesproken – maar dan zei ze “Ja, ja, dank u… doe maar…” Ik sloot dus de rits en alles werd weer zoals het was: geduw en getrek, gezucht en wanhopige blikken rondom, wij de rust zelve, ieder aan zijn paal geschraagd. Na een aantal minuten draaide het meisje zich met alle macht om, de paniek was op haar gezicht af te lezen. “Mijn portefeuille… mijn portefeuille zit daar in!” Ze wrong zich in een bocht en liet met veel moeite haar rugzak van haar schouder zakken en opende de rits. Van waar ik stond viel er geen portefeuille zien. Van waar zij stond blijkbaar ook niet. “Neeeeeeeeee…. !!!” klonk haar gesmoorde kreet, uitzinnig. Naïef als ik ben, zei ik haar “Rustig, het is vast niets, hij is er waarschijnlijk gewoon uitgevallen.” Maar in plaats van naar de grond te kijken, bleef ze mij stomweg aangapen en ging vervolgens verder “Nee, nee... ze hebben me bestolen… hier, nu net… het is op de bus gebeurd!” Ze was zeker van haar stuk en ze had ongetwijfeld gelijk, maar ik bleef aandringen dat ze de grond zou afzoeken voor het geval dat. Er gingen seconden voorbij, ogenblikken van totale verbijstering in ons clubje van vier. In realiteit waren we slechts met drie beginnen te praten (het typische gesprek van “ach wat jammer”, “hoe erg voor je”, “ik vond het al vreemd dat je ritssluiting openstond, vandaar…” enzoverder.) De vierde stond daar maar, zonder een woord te zeggen. In het begin stond ik er helemaal niet bij stil, hij was waarschijnlijk verlegen en niet in de gewoonte in het openbaar gesprekken aan te knopen – net als ikzelf, uiteindelijk. Maar ergens halverwege de woorden en de blikken die we met z’n drieën uitwisselden, overviel me een vreemd gevoel dat me eens te meer bewust maakte van de aanwezigheid van de vierde. Zonder echt naar hem te kijken zag ik hem toch vanuit mijn ooghoek, hij bewoog niet. Misschien was het meisje wel diegene die zich nog het minst van hem bewust was; op een bepaald moment stond haar blik op oneindig, alsof ze al bezig was het probleem verder op te lossen, daarbij elke gedachte over het hoe en waarom achter zich latend. Dan nam ze opeens haar telefoon uit haar zak, ze twijfelde duidelijk of ze nu niet of wel zou bellen, misschien naar haar moeder, mogelijk naar degene waarmee ze had afgesproken aan het einde van het bustraject. Ze besloot niet te bellen, nam haar rugzak stevig onder de arm en begon zich een weg naar voren te worstelen, richting buschauffeur. Ik kon moeilijk raden wat ze die precies te vertellen had, omdat ik ten zeerste twijfelde aan de invloed die de buschauffeur op het gebeurde zou kunnen hebben. Toch zag ik haar een lang gesprek met hem voeren, en van zodra hij het voertuig stilhield aan de volgende halte sprong het meisje van de bus. En zo bleven we met drie achter in onze comfortabele hoek tegenover de middendeur, die ons plots lang niet meer zo comfortabel toescheen, en we dachten aan het gebeurde en voelden mee met het meisje. We waren ook dankbaar dat het deze keer ons niet was overkomen. Ik zeg ‘we’ omdat ik eigenlijk niet wilde twijfelen aan de vierde, die nu zo plots de derde was geworden. Ik wilde mijn blik niet langs zijn broekszakken laten glijden, niet langs zijn te uitdrukkingsloos gezicht. Ik wilde niet denken aan wat ongetwijfeld de tweede aan het denken was. Maar ik deed het wel. Ik bedacht dat het op zijn minst vreemd was dat hij de enige was die geen woord had gesproken. Ik bedacht dat zijn hand precies ter hoogte van die ritssluiting was geweest gedurende de hele tijd dat we daar met ons vier quasi onbeweeglijk hadden gestaan (quasi). Ik dacht ook aan de tijd vóór we daar met vier waren beland, toen het meisje nog in de gang tussen het volk stond gedrukt, maar ik bedacht dat de mensen rondom haar toen allemaal oudjes waren geweest, afgezien van een Boliviaanse vrouw die druk bezig was met haar dochtertje. Ik dacht aan waarom ik niet kon zeggen tegen de derde “laat eens zien wat er in je zakken zit, voor het geval dat…” Ik kon me niet van de twijfel bevrijden, uit pure elementaire beleefdheid, uit respect voor de vrijheid van het individu. Ik bedacht hoe vreemd het was dat iedereen onschuldig is zolang zijn schuld niet bewezen wordt. Er was immers een gemakkelijke manier om na te gaan of hij schuldig was of niet, hij zou de portefeuille nog bij zich hebben, zonder twijfel. Maar als zijn zakken leeg bleken te zijn, wat dan? En toen bewoog hij zich. Hij verliet ons clubje, drukte op de bel, en enkele seconden later zagen we hem uitstappen. Ongetwíjfeld had hij dezelfde zure smaak in de mond als wij, ongetwíjfeld dacht hij na over hoe zoiets kon gebeuren in nauwelijks een ogenblik en zonder dat we het hadden gemerkt. Maar misschien, heel misschien, was hij uitgestapt met een immens gevoel van overwinning, een glimlach van oor tot oor. Een inwendige glimlach in dat geval, want toen ik hem nakeek zag ik zijn immer uitdrukkingsloze gezicht in de verte verdwijnen. Achter ons stopte nog een 26 – leeg.  

LL Rigby
0 0

M van Muur

(uit “verhalen van A tot  Z”)   “Ich hab noch eine Koffer in Berlin”   1966 – de Berlijnse Muur staat er inmiddels vijf jaar. Bij toeval kan ik als enige Vlaming mee met een bus vol Duitsers en Oostkantonners voor een tiendaagse reis.   Eerst gaat het naar Paderborn waar gedurende een viertal dagen een korte trip naar Berlijn wordt voorbereid. Ons wordt in de kleinste details verteld hoe de situatie is in Oost-Duitsland en in Oost- en West-Berlijn.   Dan volgt de trip naar Berlijn met een halfvol busje voor een dertigtal personen. Alle leeftijden zijn vertegenwoordigd. Zelf behoor ik tot de jongste groep. De oudste deelnemer is de koster van Sankt Vith.   Bij de grens zien wij voor het eerst VOPO’s , de Oost-Duitse Volkspolizei in donkergrijze pakken. Hier en daar lopen mannen maar ook vrouwen in kaki uniformen met felrode kraaghoeken en kentekens en met de kenmerkende hoge kepies, het zijn Russische militairen.  We moeten de bus verlaten. Net voor ons wordt een lichtblauwe VW kever volledig ontmanteld – zetels worden uit de auto verwijderd. In houten barakken moeten wij wachten tot onze bus gecontroleerd is.    Het gaat onverwacht vlot en we mogen terug instappen. Net als ik wil buitengaan duikt een kaki uniform op aan de andere zijde van de halfglazen deur. Ik houd de deur open. Een bloedmooie Russin met rode haren doorprikt mijn starende blik met haar staalblauwe ogen en sist met een Stalinaccent  “Ich kann auch selbst Türen öffnen !”. Ik bedenk me net op tijd om de deur weer dicht te smakken.   De toon is gezet, wij verlaten het vrije Westen. Net voor wij vertrekken zie ik hoe de roodharige beauty met een peilstift de inhoud checkt van de benzinetank van de VW kever.    Zodra wij Oost-Duitsland binnenrijden wordt alles grauwer en grimmiger. Honderden kilometers lang zijn enkel velden te bespeuren met hier en daar landbouwers die opkijken als onze bus voorbij rijdt.  De jongste deelnemers zijn sterk onder de indruk en wuiven naar de droeve mensen. Die durven amper terugwuiven. Waarschijnlijk nog sterker onder de indruk dan wij, leggen de oudere deelnemers  ons uit dat we beter niet wuiven. Wij brengen die mensen in gevaar, overal schuilen immers verraders, de eerste tekenen van de angst die wij de volgende dagen zullen ontwaren en ervaren.   Plots barst uit het grauwe donker een lichtbol : West Berlijn ! Wij slaken een zucht van opluchting. Via de superdrukke Kurfürstendamm met zijn duizenden reclamespots bereiken wij Hotel Denmark. Vanuit onze kamer zien we de Gedächnisskirche. "Was wird Morgen geschehen?"    Door de dag bezoeken wij de muur, zien wij plaatsen waar jonge soldaten naar het Westen vluchtten, waar burgers werden neergeknald op weg naar de verloren vrijheid. Beelden, foto’s  van mensen die uit ramen springen en het niet overleven, worden voor altijd in ons geheugen geprent.   ’s Avonds ondergaan wij de westerse wereldstad . Het "i – punkt" : boven op een ranke wolkenkrabber draait het helverlichte Mercedes logo als het puntje op de i. Tot waar in het Oosten ziet men deze witte ster, symbool voor kapitalisme, welvaart en vertier?   In de Berliner Kind’l Keller proeven wij het typische Weissbier.  Wij willen de spanningen van de reis en de schrikbeelden wegspoelen met  “Trank und Gesang”.  De “Witzen” volgen elkaar op. Er wordt gelachen en gebruld.  De sitarspeler lost alle verzoekjes in en begeleid mij zowaar als op algemeen verzoek “der Flame” een liedje uit zijn “Heimat” moet zingen.  Inspiratieloos zet ik het deuntje “Daar bij die molen” in, niet erg Vlaams maar we zongen het thuis graag.   Snel wordt  “Da bei der Mühle”  mijn eenmalige Duitse schlagersucces in de inmiddels volgelopen bierkelder. Tot tien maal toe wordt het refrein herhaald en dan zie ik ze zitten.   Aan een tafeltje weent een Berlijnse blondine. Ze is nog niet oud maar het leed van de vijf afgelopen jaren heeft haar getekend. Ze laat haar tranen de vrije loop. Het is jaren geleden dat hier nog zo uitbundig gezongen en gelachen werd.  Als de dolle avond besloten wordt met het “So ein Tag so wunderschön wie Heute”, houdt niemand in de kelder het nog droog, niet in het glas, niet in het oog.   Met een klein hartje slapen wij in na de ervaringen van vanavond en voor wat ons morgen te wachten staat, dan gaan we naar Oost-Berlijn.   Check-point Charlie, Amerikaanse doorgangspost van West naar Oost.  We worden in groepjes van drie ingedeeld.  Met mij gaan twee leeftijdsgenoten mee, Dieter en Wolfgang. “Mit siebsehn hat mann noch Traüme – dann wachsen noch alle Bâume..“ hoorden we nog net zingen op de „Rundfunk Berlin“.  We zijn nu al achttien, zouden ons nog dromen wachten ?  Dit lijkt alleszins meer op een nachtmerrie.   “Geldwechseln !” – Ik durf aan mijn Duitse kameraden niet zeggen dat ik aan hun landgenoten-officieren uit de documentaires over de oorlog moet denken.  Alvorens we Oost-Berlijn binnen mogen moet een equivalent van minimum vijf Duitse Oostmarken  aangekocht worden. In ruil worden West-Duitse Marken en Amerikaanse dollars  gretig aanvaard.  Deze “Ostmarken” horen ter plaatse uitgegeven te worden.  Niet gespendeerd geld moet bij terugkomst in geldkisten gedeponeerd worden….ik moet aan offerblokken denken !   Achtung, sie verlassen jetzt West-Berlin. Blinkende Mercedessen, BMW ‘s en Amerikaanse sleeën ruimen de plaats voor kleine grauwe wagentjes.  De Trabantjes zullen veel later collectors items worden maar nu zorgen zij voor stinkende grauwe straten. De meest befaamde onder de bekende boulevards in oude films over Berlijn “Unter den Linden” is vervallen en haast verlaten. De Dom is nog steeds overweldigend van buiten, maar een puinhoop binnenin. Waar men vroeger op het plein voor de Dom duizenden personen zag is het nu een grote kale vlakte. De eens zo machtige Brandenburger Tor is omgeven met prikkeldraad.   Het is koud – aan ons lijf en in ons hart. We vluchten een “Konditorei “ binnen.  Hier is het stampvol. Etablissementen als deze kan je nu op één hand tellen, daar waar op dezelfde plek in het vroegere Berlijn het uitgangsleven gonsde en bruiste.   We bestellen eten en drank.  Het kost haast niets.  Hoe gaan we ooit afraken van onze vijf Ostmarken?  Mocht het gesmaakt hebben zouden we nog wat gegeten hebben, maar helaas.  Dan er nog maar eentje drinken en vooral hier en daar uitkijken of wij een Oostduitse autochtoon met een drankje kunnen plezieren. Achterdocht !  Hier en daar aanvaarden doffe ogen ons aanbod, rondglurend of niemand hen gade slaat.   Terug buiten in de koude Oostenwind rijden we nog wat rond met de bus, niet omdat de woonblokken bezienswaardig zijn, maar gewoon om ons geld op te krijgen. Ons bezoek aan dit stadsdeel weegt aldoor zwaarder op het gemoed en al snel wordt besloten terug te keren naar het Westen. We ontdekken dat dit ook met de U-bahn kan. Een ticketje is weer net te goedkoop om eindelijk de laatste Marken en Pfenningen kwijt te raken. Dan nog eerst een schnaps, ook weer goedkoop  zowel wat de prijs als de kwaliteit betreft.   Licht beschonken bedenk ik dat wij de laatste centen in onze broekzak kunnen stoppen en aan de doorgang naar het Westen onze lege portemonnees tonen.  En zo geschiedt het. Omdat wij niet precies kunnen uitmaken op welk ogenblik wij met de metro in het Westen toekomen denken wij naïef dat het instappen Oost en het uitstappen West zal zijn. Als wij na het uitstappen in ons jeugdig enthousiasme met enig kabaal de metrogangen doorlopen, staan wij plots oog in oog met een donkergrijze Vopo.  “Haben Sie noch Ostmarken ?”  We staan aan de grond genageld maar onze achttienjarige overmoed haalt het van de angst en na een even kordaat  “Nein”  en het tonen van de lege geldbeugels mogen we weer Westwaarts.  De Vopo is net als wij piepjong, amper twintig  – dringt hij daarom niet aan?  Zijn wapen over zijn schouder is nochtans authentiek en de restjes kleingeld in mijn broekzak gloeien !   Van de groep met dertig en veertigers hoorden wij later dat ze hun geldoverschot  aan voorbijgangers hadden geschonken. Dat risico durfden de ouderen niet lopen, zij hadden het in een vuilbak gegooid.   Om terug enig evenwicht in onze gemoederen te krijgen bezoeken we de dag nadien bruisend West-Berlijn : Charlottenburg, de Rundfunk die door de akoestiek een wereldbefaamde studio bezit, de dure shoppinggalerijen : het Westen pompt miljarden in deze door een betonnen muur omringde enclave. ’s Avonds krijgen we een bioscoopticket. De zaal zit propvol. Wij zitten op de eerste rij en kijken naar het in Europa allereerste gebogen cinemascope scherm met stereogeluid.  Als er in de film een trein links van het scherm  naar rechts rijdt duiken wij verschrikt weg.  Het is of het ding over ons heen rolt.  We moeten ook telkens onze hoofden draaien en wat achterover leunen in onze luxezetels als er rechts iemand opduikt die wat zegt tegen iemand die links op het scherm staat.   Deze decadente Westkant van de stad is vele tientallen keren duurder dan de Oostzijde. Met de gesmokkelde Oostmarken kom ik hier nergens en de Westmarken raken langzaam op. Gelukkig komt een vriend Oost-kantonner mij ter hulp.  Hij werd enkele jaren voordien priester gewijd en moet volgens het boekje elke dag een mis opdragen. Daarvoor heeft hij in een nabijgelegen nonnenklooster een kapel gevonden. Ook de nonnetjes delen blijkbaar in de miljardenstroom uit het Westen, want voor elke dienst krijgt hij een ruime vergoeding toebedeeld. Op mijn beurt mag ik delen in de rechtmatig verkregen zilverlingen. Oef !   Potsdamer Platz: hier wordt een korte ceremonie gepland bij een gedenkteken voor alle slachtoffers van extreem rechts geweld, lees nazislachtoffers. Er worden teksten voorgedragen. Ook ik heb een tekst gekregen en met mijn eigen woorden aangevuld. In mijn hoogste Duits lees ik in een doodse stilte rondom mij een tekst die aangeeft hoe velen in mijn land hebben geleden onder het naziregime. Ik ben net na de oorlog geboren maar ken de verhalen ondermeer van vader die naar Duitsland gedeporteerd werd maar god zij dank terugkeerde.   Heel even krijg ik een akelig gevoel bij het kijken naar de oudsten uit de groep. Zij waren twintigers in de oorlog. Hoe fout zijn zij geweest?  Dan merk ik hoe Ferdy Hammerschmidt, der Küster von Sankt Vith, een traan wegpinkt. Ik besef dat deze man, ooit inwoner van het grote Duitsland  nu Oostkantonner in het kleine België is.  Veel meer dan de “Walonen und Flamen” is hij fier om Belg te zijn. Hij is heel erg aangedaan dat ik als jonge Vlaming, als Belg op deze historische plek een dankwoord wilde uitspreken. Net als toen, voel ik vandaag dezelfde krop in de keel.   Hoe het nadien verder verliep, hoe wij terugkwamen, “wie wir uns verabschiedet haben”, weet ik niet meer.   Maar eens moet ik er mijn koffer met herinneringen gaan ophalen……….want  “Ich hab noch eine Koffer in Berlin” . Telkens ik  Hildegard Knef of die andere Duitse diva Marlène Dietrich (https://www.youtube.com/watch?v=Lp-eQqo__Ks) dit lied hoor zingen schiet mijn gemoed  vol.  “Ich muss bald wieder hin”.  

Vic de Bourg
0 1

herschrijven zinnen p24-P37

P24 : Inzien dat de naamwoordstijl en nominalizeringen vermeden moet worden draagt bij tot meer leesbare teksten.  OF Het vermijden van N en N , draagt bij tot meer leesbare teksten.   P28 : Het is voor elke gemeente een uitdaging een multicultureel diversiteitsbeleid uit te werken.  Hoe bereik je de mensen die behoren tot ethisch-culturele minderheden?  Hoe zorgen we ervoor dat zij meer inspraak krijgen en meer betrokken worden?  Hoe spreken we hen direct aan?     P30 synoniemen geven:  Anticiperen : voorkomen Attitude : gedrag Capabel : geschikt Complex : ingewikkeld Concept : begrip Continu : voortdurend Discrepantie : verschil Effectief : werkelijk Evident : ontegensprekelijk, (over)duidelijk, vanzelfsprekend Frequent : vaak, dikwijls Impressie : indruk, gevoel, idee Innoveren : vernieuwen Integraal : geheel Intentie : bedoeling Mutatie : wijziging, verandering Participeren : deelnemen, bijdragen Prioriteit : voorrang, voorkeur Regio : Gebied, domein Restrictie : beperking Sporadisch : af en toe Substantieel : hoofdzakelijk, essentieel, fundamenteel  Urgent :  dringend, accuut, spoedeisend Vigeren : geklede, opgaan, van kracht zijn Boeken : bestellen Het daartoe bestemde formulier : het bijgevoegde ...   P33 : Het provinciaal integratiecentrum draagt bij aan de emancipatie van etnisch-culturele minderheden.  Dit is een van haar belangrijke opdrachten.     P34 :  1) We nemen deel aan de raden ven beheer van Centra voor Basiseducatie  en van Centra voor Volwassenenonderwijs zodat er een specifiek aanbod naar etnisch-culturele minderheden wordt uitgewerkt.     2) De wandelaar die interesse heeft in het Hageland kan de arragementen uit de folder bestellen via het bijgevoegde aanvraagformulier    3) Michiel probeert elke dag een uurtje te werken hoewel hij een hekel heeft aan huiswerk.  Hij is zijn nieuwe beroepsschool (aan de andere kant van Leuven) nog niet gewend.     P35 : 1) Tijdens een speciale bijeenkomst in het provinciegebouw Leuven is het beleidsplan van PRIC gepresenteerd aan de coördinatoren van aantal lokale steunpunten.   2) dubbele ontkenning verlijden :  -  ?? - Het bestuur voelt er momenteel niets voor - Ik ontken zelf niet dat we niet onschuldig zijn          --> Ik durf te zeggen dat we af en toe schuldig zijn -  ?? - Je krijgt toestemming wanneer je je aanvraag tijdig, schriftelijk en volgens de richtlijnen doet   P37 :  1) Om vooroordelen weg te werken is meer nodig dan enkel contact met andere bevolkingsgroepen  2) De zorgverstrekker bepaalt welke zorgverstrekking dringend medische hulp is. 3) Wanneer de thuissituatie van de client verbetert, kan de begeleiding worden stopgezet // OF// wordt de begeleiding stopgezet.  DIt maakt deel uit van het verzelfstandigingsproces.          

Inezz
0 0

W van (lustige) Weduwe

(uit “verhalen van A tot Z”) “Dag menneke, de tuiltjes staan klaar” Onze grootouders noemden wij Bomma en Bompa. Bompa was te vroeg weduwnaar geworden.  Zo vroeg,  dat ik mijn Bomma nooit gekend heb, ik was amper twee. Maar zij had een zus, die op haar beurt vroeg weduwe was geworden. Mijn Bomma kende ik dus alleen van horen zeggen.  Ze moet een schat geweest zijn als ik de familiefoto’s zie of de verhalen hoor die over haar de ronde doen. Haar zus had veel kleinkinderen die hun grootmoeder Moeke noemde, maar wij noemden haar Peet.  Dat kwam omdat ze de meter was van mijn vader. Waar het woord Peet vandaan komt kan worden opgezocht maar laten wij het hier bij Peettante houden. Vermits ik mijn Bomma nooit gekend had werd ik des te meer aangetrokken door haar zus.  Mijn aller vroegste herinnering aan haar gaat terug naar mijn vijfde levensjaar. Mijn oudste broer, die al op zijn zeventiende naar het leger trok en weinig thuis was, nam mij op een zonnige namiddag mee op de fiets. Wat een feest! Het was een herenfiets met een kinderzadeltje op  de horizontale stang van de fiets.  Ik zat dus vooraan en genoot van het zomerbriesje in mijn haren en van elk grassprietje,  bloempje of boom langs de weg.  Voor mij duurde het een  gelukzalige eeuwigheid, maar amper twee dorpen verder kwamen wij bij onze bestemming. Aan de rand van het dorp lag een hoevetje waarvan een deel bestond uit een snoepwinkeltje dat uitgebaat werd door niemand minder dan Peet.  Haar huisje deed mij denken aan het peperkoekenhuisje uit het sprookje, maar Peet was voorwaar niet de heks.  Aan alles voelde men haar peperkoekenhart.  Ze was in de wolken met ons bezoek en straalde als ze ons iets te drinken kon aanbieden.  Ik mocht ook zo maar een zakje met snoepjes vullen en moest er vooral ook voor mijn zusjes en broertjes meenemen. Meer dan zestig jaar nadien vraag ik mij af of ik ooit nog iemand heb ontmoet met een zachtere en lievere oogopslag dan de hare. Een tiental jaren later kwam Peet in ons dorp wonen.  Dan leerde ik een ander facet van haar kennen. Ze bezat namelijk een grote collectie  chique jurken uit haar jeugdjaren en ontwierp nog zelf grote hoeden met pluimen. Ieder jaar maakte ze grote sier, wanneer ze,  fantastisch uitgedost, als lustige weduwe  samen met een vriendin opstapte in de plaatselijke carnavalstoet. Als puber ontmoette ik haar sporadisch op straat of in de winkel bij mijn Bompa, haar schoonbroer. Telkens weer, viel mij de zo spontane hartelijkheid op waarmee ze mij begroette.  Op mijn achttiende ontmoette ik haar voor het laatst.  Ter gelegenheid van een familiegebeurtenis werd een podiumvoorstelling georganiseerd in het dorp.  Met een groep meisjes en jongens hadden wij op het laatste nippertje besloten een stukje op te voeren als verrasing.  Het zou een korte choreografie worden, gebaseerd op  muziek van de negende symfonie van Beethoven.  Dit naar analogie met  Maurice Béjart, die toen met zijn ballet van de XXe eeuw  furore maakte in Brussel.  Voor de slotscène zochten wij tien kleurrijke bloementuilen die in het publiek zouden gegooid worden.  Maar wij zaten in geldnood en vooral in tijdnood.  Toen dacht ik aan haar.  Ik spong op de fiets en na de warme verwelkoming, het heerlijke kopje koffie met het nog heerlijker koekje, deed ik mijn uitleg.  Natuurlijk was ze bereid mij te helpen en neen, dat moest niets kosten, ik moest haar alleen het crêpepapier bezorgen  waarvan ze de tuilen zou maken. De rest had ze in huis. “Dag menneke, de tuiltjes staan klaar”.  Twee dagen later haalde ik de doos met de kunstwerkjes af, omhelsde haar innig en verdronk voor de laatste keer in de liefste ogen van de wereld.  Dag Peet, dag schat.  

Vic de Bourg
12 1