Liesbeth Swolfs

Gebruikersnaam Liesbeth Swolfs

Teksten

Dubbel geboekt

'Je uitleendatum is verstreken, gelieve het werk daarom zo snel mogelijk in te leveren', had het mailtje van de bibliothecaris enkele dagen geleden obligatoir geklonken. Een mail die Lara, lener met een lange traditie van te laat komen (en niet enkel in de bibliotheek), bekend in de oren klonk. Ze voelde een natte vlek in het kruis van haar broek. De regen was gestopt, maar enkele druppels hadden haar zadel nog niet willen verlaten. Net zoals zij de personages uit haar laatste boek, Anna en Leonard, nog veel te veel vertellen had. Lara liet een notitie tussen de pagina's achter, zoals ze dat steeds bij verhalen deed die haar niet los wilden laten. Ze schreef een boodschap op een briefje waarvan ze hoopte dat die zou ontkomen aan het oog van de minutieuze bibliotheekmedewerker, ervan overtuigd een extra dimensie te geven aan de leeservaring van de volgende lener. 'Dit was zo'n dag dat boeken binnen konden komen', meende Oscar onderwijl onvermurwbaar hoopvol.    Lara duvelde het boek gedesillusioneerd met een halfzachte opdoffer het inleverluik in, waar het een val maakte die zulke prachtige woorden nooit zou mogen maken, en had de vertelling het liefst nog even bij zich willen houden. Later ging ze op zoek naar een overtreffende opvolger, nadat ze de bibliotheekdeur met een klap dicht had laten vallen. Bijna kreeg het verfrommelde voorhoofd van Oscar een weerbots, diens blik nog licht weemoedig van het verlies dat hij net geleden had. Zijn broer had zo'n halve week geleden zelfverzekerd, maar toch vermeend in dubio, beslist om blijmoedigere oorden op te zoeken, weg uit dit leven. Weg voorgoed, niet voor even. Dus had Oscar besloten voortaan op zoek te gaan naar verhalen met gracieuzere eindes, of op zijn minst herkenbare, in de hoop niet meegesleurd te worden in zijn eigen mistroostigheid. Hij liet zijn ogen over de ruggen glijden, titel na titel, tot hij buiten zijn gedachten om een zachtroze cover in handen nam en het briefje eruit trok dat erin verborgen zat. 'Van alle dingen des levens is spijt het enige dat werkelijk té laat kan komen.' Zijn wimpers knipperden vier maal heel kort na elkaar en hij voelde dat de dag goede bedoelingen met hem had.   Geestdriftig begon hij het boek te doorbladeren, sloeg tientallen pagina's tegelijk over, van voor naar achter en van achter naar voor. Tot hij weer even tot zijn zinnen kwam en zoals steeds achteraan begon te lezen, bij de laatste zin. Hij geloofde rigoureus op die laatste zinsnede van een verhaal, dat volgens hem hele waarheden in zich droeg. De epiloog overgeslagen kwam hij terecht op bladzijde 262: 'Want ik zag je ongelofelijk graag.', waarna zijn vingers gehaast door de pagina's raceten op weg naar de eerste zin, die dan weer het begin van de belofte inluidde. 'Het spijt me, want net wanneer jij met een zachte schok in slaap valt, schokt ook de trein zachtjes.'   Hij overdacht hoe hij naar deze precieze zinnen gezocht had en hoe hij ze niet had gevonden, alle dagen van deze onomwonden week. Hoe er zoveel woorden hadden moeten komen en nooit kwamen. Hoe zoveel uren zoveel reizigers morrend op het perron hadden gestaan, zich niet redelijk realiserend hoe minuten je verwoed in het vlees konden snijden wanneer je wachtte op antwoorden in plaats van op treinen. Dat treinen nooit op tijd zijn en zelden zacht, en dat ook hulp altijd te laat komt. De plof van een omvallende hardcover trekt Oscar uit zijn dwingende gedachtenstroom. Gniffelend kijkt Lara hem aan van achter het uitgestrekte boekenrek en spreken haar ogen hem meesterlijk moed in: 'Het wordt spectaculair. Beloofd.'

Liesbeth Swolfs
0 1

Vuurwerk

Ik hou niet van mannen in uniform. Niet van de politie, niet van militairen, niet van de brandweer. Te pedant en hooghartig. Te weinig vuur in hun stem en te veel rook in hun ogen. Dat is ook wat ik voelde toen drie brandweercombi’s lelijk tot stilstand kwamen voor de deur van mijn appartement, terwijl een van hen – mét jaren tachtig-snor en kaken warmrood als krieken op zware siroop – mijn bovenste beste bovenbuur vroeg waar de brand zich bevond. Het was immers hij, die in allerijl had gebeld.   Met een dankbaar kreetje omarmt de bovenbuur zijn redding die hier net de stoep op reed, want dadelijk zou het gebouw in de fik staan. Zijn veilige haven, zijn spullen, zijn overzicht. Poef. Weg. Het oorverdovende getuut van mijn rookalarm moet plots luider geklonken hebben dan de stemmen in zijn hoofd: je zou voor minder gaan panikeren. ‘Ik woon op het tweede, meneer, het alarm kwam van beneden.’   Als de intercomhoorn bijna van de muur dondert door het gebonk op de deur, draait mijn vriend het vuur van het gasfornuis uit. ‘Woedt er brand in uw woning, meneer?’, vraagt de snor hem manhaftig, zonder rekening te houden met het vraagteken in de zin of enige vriendelijkheid in zijn uitdrukking. De bovenbuur steekt zijn hoofd voorzichtig door het deurgat naar binnen, verbaasd dat hij niet instant door een verstikkende rookwolk in ademnood raakt, terwijl mijn vriend zo droog als een Ardeense worst antwoordt: ‘Nee hoor, ik ben gewoon gehaktballen aan het bakken.’   Nu moet één ding gezegd ter mildheid van de paniekzaaierij van onze bovenbuur en diens brandweermakkers: mijn vriend en ik leven onder het genot van een hoogsensitief rookalarm – ja, ook dát bestaat – dat bijna pal boven het fornuis hangt. Blancheren we boontjes: gaat het af. Koken we eieren: gaat het af. Grillen we groenten: gaat het af. De dampkap kijkt machteloos toe. Het genie dat het alarm daar ooit installeerde, mag bij mij thuis eens frietjes komen bakken.   Krijst het alweer, dan lijkt het een vrouw met een mean case of PMS, een baby met driftbuien, een muis op speed. Geen wonder dat de onrust in het hoofd van de bovenbuur onmetelijke proporties begon aan te nemen na herhaaldelijke blootstelling aan dit auditieve onding. Wij, daarentegen, lijden al jaren aan een lichte vorm van stockholmsyndroom en kijken amper nog op als het weer eens als een bezetene begint te janken.   En dat geldt dus ook voor de balletjes die mijn vriend zo graag en goed bereidt. Altijd vuurwerk in je mond, die dingen, want hij bakt ze met een bijzonder krokantje dat hen een unique selling proposition geeft waarvan hun Ikea-collega’s alleen maar kunnen dromen. De köttbullar op zo’n mistroostig plateautje uit een roezemoezig Ikea-restaurant, maar dan mét karakter. Hij legt de Zweedse marketingmachine zomaar het vuur aan de schenen. Alleen niet vergeten te checken of de oordopjes naast het peper-en-zoutvat klaarliggen.   ‘Heeft u anders nog wat ballen over?’, zegt de snor grijnzend. ‘Wij kunnen er wel wat gebruiken.’

Liesbeth Swolfs
0 0

Vol-au-vent

   <!-- x-tinymce/html --> 'Niet vertragen!', legt Marie zichzelf op als was ze de leider van haar lichaam. Haar benen hebben er lak aan, want ze trappen trager dan haar gedachten. Die slalommen roekeloos van links naar rechts, maken dan weer een sprongetje over een veel te hoge vluchtheuvel, maar weten nooit de rem te vinden. Uit alle macht zoekt ze naar adem terwijl haar fietshelm, die ze net schots en scheef op het hoofd had gegooid, definitief toegeeft aan de zwaartekracht. Hoe hard ze zich ook had voorgenomen goed zichtbaar te zijn - oranje hesje en gele polsbandjes incluis - zo ondraaglijk onzichtbaar voelt ze zich nu. Exact zoals vijf dagen geleden, toen ze hun kleerkast - en bijgevolg ook haar hart - halfleeg aantrof, de mannelijke helft eruit weggerukt. Exact zoals de daaropvolgende avonden, wanneer ze geen drie maar twee borden met vers gemaakte vol-au-vent vulde, nog steeds met zelf getrokken bouillon van kraakverse groenten en een biokip afkomstig uit een aan de rand van de stad gelegen pluimveeboerderij. Want voor haar gezin was alleen het beste goed genoeg, alleen klonk dat gezin nu als een fa in sol groot. Toen ze Clara die avond aan de muziekacademie afzette, had ze zich de uren die haar dag vredig zouden afsluiten, scherpzinnig geportretteerd met verbazingwekkend veel oog voor detail. Daar zag ze zichzelf zitten, weggezakt in de comfortabelste zetel van de woonkamer met een glaasje rood aan de lippen. Het klonk haar als muziek in de oren, en niet zoals die platte hits die ze tegenwoordig op de commerciële radio draaiden. Neenee, Marie's klanken zouden voortgebracht worden door melancholische Motown-platen, die het duet tussen haar en haar man in betere tijden hadden ingezet. Haar ogen fonkelden als het gelige lantaarnlicht dat ze in de schemeravond had gepasseerd, haar hart gloeide donkerrood aan. Zonder het zelf te beseffen bleef de glimlach die zich rond haar lippen had genesteld, heel even in rust. Tot het moment waarop Clara zei: 'Mama, de klarinet ligt nog op de keukentafel.' Veilig was ze altijd geweest. Gedisciplineerd, minutieus, perfectionistisch: eigenschappen die haar nu even zinloos leken als dat steeds leeg blijvende derde bord aan tafel. Telkens werd ze overmeesterd door toeval, tegenstrijdigheden en onbedachtzaamheden. Meer en meer leek haar geheugen gaten te vertonen, die de angst er ruwweg had in geboord. Haar zelden vervulde verlangen om genoeg te zijn, de zaken te laten lopen zoals zij dacht dat ze hoorden te lopen, was nu voorgoed verdwenen. 'Niet vertragen!' Ze geeft haar huissleutel een forse draai en gooit de voordeur weer open. 'Dag Marie, ik kom nog wat spullen ophalen.' Terwijl het parelende zweet op haar voorhoofd onbedwingbaar begint te dansen, zoekt ze naar zuurstof die hap na hap een trapje hoger lijkt te springen. De bas in zijn stem - haar ooit intens charmerend - knijpt haar keel nu verder dicht. Ze luistert er waakzaam naar, terwijl ze de weer teruggevonden klarinet in een stevige wurggreep houdt. De vingers van haar rechterhand knelt ze op de kleppen - als ze zou loslaten, zou ze vast in tranen uitbarsten, wist ze - terwijl ze met haar andere hand een van de blaasrietjes tot splinters verpulvert. Haar gevoelstoonaard transponeert langzaam van majeur naar mineur en brengt dramatisch duistere klanken voort. Marie kan echter maar één ding uitbrengen: 'Bordje vol-au-vent, misschien?'                

Liesbeth Swolfs
0 0

Een Vekeman bij de koffie

Een felle junizon ontzegt mij het zicht doorheen het treinraampje waardoor ik naar buiten kijk. Meter per meter krimpt de afstand tussen mij en de twintigste Grote Boekenverkoop van de Gentse bib, terwijl mijn verwachtingen genadeloos groeien. Totdat ze zo hoog zijn als de dikke gevels van de Leopoldkazerne waar ik dadelijk naar binnen zal stappen.   Angstzweet, dat moet het parelvormige vocht zijn dat het stukje voorhoofd onder mijn haarlijn heeft bezet. Een klein leger boekenzoekers bevolkt de nauwe, lange gang van de voormalige legerkazerne. En jawel, ze zijn onstuimig enthousiast en ontembaar ongeduldig. Ze bewaken een schijnbaar oneindige rij tafels, met daarop kartonnen dozen die boeken in zich dragen. Ik zie enkel mensenruggen, terwijl ik zó graag die van de boeken wil zien.   ‘Fictie’, dat lees ik in zwarte stiftletters op de deurstijl die ik binnenglip. Ademhaling! Ik weet: hier vind ik literair geluk, maar velen spelen verstoppertje. Tijd heb ik nodig, en ruimte om de bladzijden te besnuffelen. En dat is precies wat ik doe. Met een slakkengangetje, dat wel. Mijn handen kruipen doorheen de dozen, langs de covers, maar ik laat geen slijm achter. Ik beweeg nieuwsgierig van boekenhoek naar boekenhoek. Moderne tijdschriften en nostalgische encyclopedieën. Engels-, Frans- en Duitstalige romans. Nederlandstalige fictie.   Cd’s, dvd’s en luisterboeken laat ik links liggen. Dat moet wel, want ze zijn een rivier geworden onder een brug van mensen wiens handen tot op hun bodems graaien. Zij nemen hun taak serieus, gaan door tot hun veldslag gewonnen is. Zijn ze op zoek naar dat ene lied dat hun verloren liefde zal overtuigen weer bij hen te komen? Ik vraag het mij af.   Groter kon het verschil met de jeugdafdeling niet zijn. Vriendinnen die rustig boeken uitkiezen voor hun kinders, vaders die zélf dolgelukkig nostalgisch worden van dat ene exemplaar van Tijl Uilenspiegel en moeders die na een toegewijde zoektocht danig bevrijding vinden in een kwartiertje neerploffen in de speelhoek. In de lange gang lijkt de strijd inmiddels gestreden, er zijn kijkgaten ontstaan in de mensenmuur.   ‘Wat had u graag gedronken?’ Voor mij een eerlijke koffie met veel Vekeman. En stilte. De diehards zoeken lustig voort, maar in het knusse salon voor het kleine podium vormt zich een benieuwd publiek. Ik kwam tenslotte niet enkel voor boeken, ik kwam voor het literaire kruit van auteur/cowboy Christophe Vekeman. Zijn gedichten komen galopperend voorbij, bevlogen en ritmisch. Aartsmoeilijk is het, om hierbij de aandacht te laten verslappen. ‘We wachtten, we keken, we kenden geen spijt. We werden, we bleven, we zijn voor altijd.’ Hij schiet met scherp, maar vuurt humoristische en liefdevolle kogels af.   Uiteindelijk vond ik enkele mooie boeken, van jongelui als Paul Baeten Gronda en Vitalski, oude heerschappen als Gerard Walschap en koks die al lang niet meer in de keuken staan. Op de trein naar huis vormen mijn mondhoeken voorzichtig een glimlach. Zinnen zinderen na, terwijl mijn ogen de voorbij flitsende bomen in de schemering proberen vast te houden.

Liesbeth Swolfs
0 0