SCHADEVERGOEDING
‘Ik loop wel even naar de Carrefour,’ zei Peter, alsof het de badkamer was.
‘Zou je dat echt willen doen?’
‘Natuurlijk,’ zei hij. ‘Waarom niet?’
‘Omdat het leuker is om het niet te doen?’
‘Ik zal Leo meepakken. Alles is leuker met Leo erbij.’
Lisa zette haar handen in haar zij. ‘Je zoon gebruiken om aandacht te krijgen van andere vrouwen? Niet netjes.’
‘Ik heb Leo daar niet voor nodig.’
Lisa was wortelen aan het schillen. Een voor een hield ze ze boven een witte kom en ging met een dunschiller over het grillige oppervlak. Zo nu en dan bleef er een schil op de rug van haar hand plakken, die ze er met haar andere hand weer afpelde. De andere groenten – ui, knoflook, prei, selderij, tomaat – had ze al in kleine blokjes gesneden, en die lagen per kleur op een diep bord. Het geluid van haar koksmes tegen de eikenhouten snijplank was wat Peter aanvankelijk naar de keuken had gelokt.
Ze hadden het aan Pierre kunnen vragen. Sinds de allereerste dag dat Peter en Lisa hier woonden, had Pierre geen kans onbenut gelaten om hen te zeggen hoe blij hij wel niet was dat zij zijn nieuwe buren waren. Waarna hij een klaagzang afstak over de vorige huurder, die dj was en alle dagen exact tot tien uur achter zijn draaitafels had gestaan, speciaal om hem te treiteren. Maar zodra ze Leo hadden gekregen – nee, zodra Pierre wist dat Lisa zwanger was – was er niets meer van zijn geklaag, noch van zijn blijdschap overgebleven. En hun andere buren waren studenten. Van hen wilde je nog geen schoonmaakmiddel lenen, gesteld dat ze dat hadden.
Peter haalde Leo’s spullen voor buiten. Aankleden ging veel makkelijker nu hij kon zitten. Je moest wel bij hem blijven als je hem bijvoorbeeld op het aanrecht neerzette, zoals Peter altijd deed om zijn rug te sparen. Maar je hoefde hem tenminste niet meer op het verzorgingskussen te verrollen, en voor Leo was dat vast ook aangenamer. Het lastigste was zijn schoenen aantrekken. Gewoonlijk droeg Leo antislipschoenen. Die leken meer op sokken dan op schoenen en waren stroever om aan te trekken, hoewel de stof elastisch was. Een keer had Peter Leo’s voeten te hoog opgetild, waardoor het ventje achterover op zijn hoofd was gevallen. Zolang hij meteen begint te huilen, had de kraamverzorgende gezegd, is er niets ernstigs aan de hand. En dat was waar gebleken. Toch had hij het niet aan Lisa durven te zeggen. Sindsdien schoof hij Leo helemaal naar achteren, zodat hij met zijn rug tegen de vensterbank leunde. Als laatste zette hij zijn strikmutsje op en gaf hij hem een zoen op het voorhoofd, omdat hij er zo verschrikkelijk schattig uitzag – net een dikke waterpolospeler.
‘Neem de kinderwagen,’ zei Lisa, terwijl ze de geschilde wortelen in stukken sneed.
‘Het is maar tweehonderd meter,’ zei Peter. ‘In huis leg ik kilometers af met Leo op mijn arm.’
‘In huis rijden geen auto’s.’
‘Ik zal goed uitkijken als ik oversteek.’
Lisa zuchtte. ‘Doe wat je niet laten kunt.’
Peter negeerde haar laatste opmerking. Anders kwam er beslist ruzie van. De laatste tijd eindigde elke ruzie in dezelfde patstelling: hij was een flierefluiter die zich nergens iets van aan trok; zij een dramaqueen die van een mug een olifant maakte. Het probleem was dat het waar was. Alles gleed van hem af als water van een eend. Maar waarom zou hij dat willen veranderen? Wie was er ooit al beter geworden van piekeren? Lisa in ieder geval niet. En ze gaf het nog toe ook. Maar in plaats van ermee stoppen, nam ze hem kwalijk dat hij niet met haar meedeed. Op haar ergst had ze haar natte gezicht naar hem toegedraaid, als een wenende Madonna, en gepredikt: ‘Soms denk ik dat je dood bent vanbinnen.’ Dat leek natuurlijk zo naast iemand die te pathetisch was voor The Bold and the Beautiful.
Maar hij begreep het ook wel. Het was erg moeilijk geweest voor hen om zwanger te worden, en zoiets liet sporen na. Drie jaar hadden ze geprobeerd voordat ze medisch hulp hadden gezocht. Te lang, achteraf gezien. Maar ja, het was niet alsof ze zoiets al eerder hadden gedaan. En dan moest het eigenlijk nog beginnen: de inspuitingen (Lisa die haar buikvel tussen duim en wijsvinger nam om er een fijne naald in te drijven), de pick-up (Lisa’s follikels die door een dun slangetje werden leeggezogen), het afleveren van het spermastaal (de geluidloze porno die Peter daarbij moest helpen), de terugplaatsing (Lisa die met een volle blaas naar het ziekenhuis moest, zodat haar baarmoeder beter zichtbaar was op echo), de teleurstelling als de zwangerschapstest negatief was (en de daardoor gestegen verwachting dat het de volgende keer wel zou lukken) – en dat zes keer na elkaar, totdat de fertiliteitsarts zelf de handdoek in de ring gooide.
Kon je daarna het ouderschap nog wel onbevangen tegemoet treden?
Je hoorde wel eens zulke verhalen. Zodra ze ophielden met proberen, was het prijs. De een schreef het toe aan stress, de ander aan louter toeval. Wat het ook was, Lisa was zwanger. En dat was het enige wat telde. Althans voor Peter. Voor hem waren hun problemen voorgoed voorbij. Voor Lisa daarentegen begon een lang verwerkingsproces.
Peter deed zijn jas en schoenen aan, en wikkelde de sjaal, die Lisa voor hem had gebreid, om zijn nek. Het was een wollen sjaal met beige, gele en auberginekleurige strepen. Hij prikte niet, en de kleuren pasten goed bij zijn blonde haar. Maar hij zag er zo bohemien mee uit, en dat stoorde hem. Lisa had het in zijn blik gelezen, toen hij hem uit de verpakking haalde. Verrassend genoeg maakte dat hem op een moment als dit des te geschikter.
Hij pakte het dikke waterpolospelertje uit de wipstoel naast de keukentafel en gaf Lisa een eskimokus. ‘Maak je geen zorgen,’ zei hij en grijnsde. ‘Maak soep.’
* * *
Zodra hij de deur achter zich dichttrok, was Peter Lisa’s opmerking alweer vergeten. Buiten lag een wereld vol verrassingen die altijd een gevoel van verwachting in hem opriep. Zich bewust van dat gevoel hoopte hij dat Leo het later ook zou mogen ervaren. Het was overal, voor wie het wilde zien. Hij glimlachte en stak de straat over en liep langs het pad bij de rivier, waar je het hele jaar door – zelfs nu – kajakkers en suppers hoorde peddelen. Boven op een van de lantaarnpalen, die ‘s nacht het kronkelige pad verlichtten, zat een jonge kokmeeuw met nog wat bruin tussen haar witte veren. Het dier zag er niet al te best uit: mager en wankel op zijn dunne poten. Maar hij haalde het wel, dacht Peter. De dagen lengden, het weer was zacht en de eerste krokussen waren al ontloken. Toen hij bij de meidoorn aankwam, keek Peter waar hij liep, want daar was het pad het meest oneffen. Pas toen hij het bord zag, helemaal aan het eind, waarop de heraanleg van het pad werd aangekondigd, besefte hij dat het eigenlijk allang had moeten gebeuren.
Daar, op die plek, kijkend naar de letters op het aanplakbiljet, realiseerde Peter zich dat hij niet wist welke bouillon Lisa precies nodig had. Rund-, varkens-, kippen-, vis-, schaaldier- of groentebouillon? Voor hem maakte het niets uit. Voor Lisa eigenlijk ook niet, al besefte ze dat zelf niet. Peter had ooit witloofsoep gemaakt met visbouillon, en Lisa had niets gemerkt. Een flinke scheut room en wat gruyère erbij, en de vissmaak was zo goed als verdwenen. Maar aangezien Lisa degene was die nu de soep maakte, werd het soort bouillon ineens van levensbelang. Dus besloot hij haar maar even te bellen.
Alleen, hij had zijn telefoon niet bij zich. Die lag thuis in de woonkamer aan de oplader. Hij kon teruggaan – hij was nog maar halverwege – maar dan zou Lisa doorhebben dat hij zijn telefoon was vergeten, en dat betekende gezeur. Als hij haar alles liet bepalen, mocht hij niet zonder naar de wc.
Daarom besloot hij verschillende soorten bouillon te kopen, onder het mom dat het altijd handig was om in huis te hebben. Bovendien bleef bouillon jarenlang goed – of dat dacht hij toch. En tegen de tijd dat Lisa zou vragen waarom hij haar niet gebeld had, zou hij zijn telefoon allang weer in zijn broekzak hebben.
Tevreden liep Peter verder over de voetgangersbrug, die uitkwam bij de achterkant van de supermarkt, waar stinkende containers stonden en vrachtwagens af en aan reden om te voldoen aan de onophoudelijke vraag van de omwonende klanten.
‘We zijn er,’ zei Peter tegen Leo, die kennelijk tegen de vrouw brabbelde, die een eindje achter hen aan had gelopen. De vrouw haalde hen in zodra ze door de schuifdeuren waren gelopen en glimlachte vertederd naar Peter.
‘Je moest je schamen,’ zei hij, toen de vrouw weg was. ‘Ze had je oma kunnen zijn!’
Peter hield van deze Carrefour. Hij was niet zo netjes als de Carrefour waar hij vroeger met zijn moeder boodschappen deed. De tegels waren gebarsten, de reclameposters vergeeld, en hier en daar knipperde een tl-buis. Hij bevond zich dan ook, in tegenstelling tot die van zijn ouders, in de stad. Hier kon je onbeschaamd een sneetje brood in je mond stoppen voordat je had afgerekend. Hier keek niemand raar op als je een mango bij de ontbijtgranen achterliet omdat je je op het laatste moment bedacht. Als je dat buiten de stad deed, werd je niet zozeer door het personeel – al was dat niet uitgesloten – als wel door de andere klanten op het matje geroepen. Orde moest er zijn. Ja. Maar wanorde ook. En dat besefte die rijkelui niet. Als Alexander Fleming zijn petrischaal niet was vergeten af te dekken, had hij penicilline niet ontdekt. Iemand anders had het dan wel wat later ontdekt, akkoord. Maar hoeveel overlijdens hadden er niet voorkomen kunnen worden?
In de rayon sauzen en oliën zette hij Leo op de grond en liet hem kruipen. Leo schoot uit de startblokken als een opwindspeelgoedje. Peter ging voor de bouillonblokjes staan en bekeek de opties. Welk merk moest hij kiezen? Knorr, Liebig, Maggi, Carrefour? Of moest hij enkel rekening houden met de prijs? Hij zette een stap naar achteren en keek naar de gele, groene en bruine kleuren, terwijl met zijn hand zijn haar ging.
‘Daar mag je niet komen, hoor!’ zei Peter.
Een paar meter verderop was een lege plek in het onderste schap, en Leo probeerde erin te klauteren. Hij was al halverwege, en zijn korte beentjes staken eruit, met de schoenzolen naar boven. Peter zou hem ongehinderd laten exploreren, ware het niet dat er zowel links als rechts van de lege plek glazen flessen stonden, gevuld met olie.
Toen hij zich bukte om Leo op te pakken, zag Peter een jonge vrouw de rayon inkijken.
Ze was niet veel ouder dan hij, had lang bruin krullend haar en woeste ogen die zich van de wereld leken af te keren. Haar kleren waren heel gewoon. Peter dacht zelfs dat Lisa dezelfde trui had: een rode, oversized trui van H&M. Toch leken ze niet bij elkaar te passen. Het had niets met slechte smaak te maken – afzonderlijk waren al haar kleren prima – maar alles met een vreemd soort willekeur die, om een of andere reden, Peters haren recht overeind deed staan.
De jonge vrouw wierp nog een blik op Leo, alsof ze iets overweging nam, en verdween.
Zocht waarschijnlijk een winkelmedewerker, dacht Peter. Vandaar de teleurstelling in haar ogen toen ze hem had aangekeken.
Hij pakte Leo op, nam een paar doosjes bouillon van het schap, stopte die in zijn jaszak en liep naar de kassa’s vooraan in de winkel.
In de rij kreeg Leo het te kwaad en begon te huilen. Peter had geen idee waarom. Het was nog geen tijd voor zijn dutje, noch voor zijn flesje, en hij had nog maar net een schone luier om – voor de zekerheid stopte Peter zijn neus in Leo’s broek: billenzalf. Misschien verveelde Leo zich? Peter verveelde zich. Die rij schoot maar niet op, en intussen was het binnen te warm voor een jas – waarom hielden ze daar geen rekening mee?
‘Zullen we van Dulle Griet spelen?’ vroeg hij aan Leo, die nog niet helemaal overtuigd leek. ‘Zullen we het kanon nog een keertje afvuren?’
Terwijl hij Leo, die meteen ophield met huilen, een paar keer de lucht in lanceerde en weer opving, hoorde Peter twee oudere vrouwen tegen elkaar mompelen dat het onverantwoord van hem was. Hij negeerde hen. Het zou inderdaad onverantwoord zijn als zij het deden; ze waren er te oud voor. Zo oud, blijkbaar, dat ze zich niet meer herinnerde ooit jong te zijn geweest.
Het kwam uit de winkel.
Iedereen hield op met praten en keek elkaar aan. Zelfs de caissières stopten met scannen. Alleen de muziek, waarvan Peter zich tot dan toe niet bewust was geweest, speelde door. Sommige caissières stonden op om te kijken wat er aan de hand was, hoewel je, van waar ze stonden, niet veel meer kon zien dan nerveuze lichamen die chaotisch heen en weer renden tussen de metershoge rekken. Een winkelmedewerker, die het impulsrek bij een van de kassa’s aan het aanvullen was, deed iets op slot met een sleutel en zette het op een drafje in de richting van het gebrul.
Om dit geluid te kunnen produceren, moest je wel in een uitzonderlijke toestand verkeren. Het had de verontrustende intensiteit van chimpansees wier leider het leven liet onder de neerkomende vuisten van een rivaliserende troep.
Dit was doodernstig.
Enkele mannen maakten zich los uit de rijen. Peter wist dat hij het beter niet moest doen, maar hij kon de verleiding niet weerstaan. Hij kon best een kijkje nemen, vond hij, én op veilige afstand blijven. Het ging tenslotte om een dame in nood, niet om pistoolschoten. Trouwens, hoe moest hij de situatie correct inschatten als hij niet wist in wat voor situatie hij zich bevond?
Het was de jonge vrouw met de rode, oversized trui. Ze zat op haar knieën in het middenpad en sloeg wild met haar armen om zich heen. Tranen sprongen uit haar ogen, speeksel droop uit haar opengesperde mond. Zo te zien was niet gewond.
De winkelmedewerker, die daarnet op een drafje hiernaartoe was gelopen, zat naast haar op de grond en probeerde haar te kalmeren. ‘Waar hebt u …’ zei ze. ‘Mevrouw, waar hebt u voor het laatst … Mevrouw, probeert u toch kalm te worden! Het is erg belangrijk! Mevrouw …’
Toen zag Peter het winkelwagentje staan. Er zat een beetje van alles in: groente, fruit, brood, beleg, ontbijtgranen, melk, frisdrank, wc-papier en wattenstaafjes. Maar ook verschillende potjes babyvoeding, vochtige doekjes en een pak luiers. Later zou Peter zich vooral de handtas van Louis Vuitton herinneren, en de bijbehorende gedachte dat de jonge vrouw zich die, tenzij ze nep was, helemaal niet kon veroorloven.
Maar wat zijn aandacht werkelijk trok, was de Maxi-Cosi, dwars over het winkelwagentje, zonder baby erin.
Een andere winkelmedewerker, een jobstudent waarschijnlijk, want hij zag er tamelijk jong uit en droeg een ander uniform, kwam bij zijn collega staan en vroeg wat er aan de hand was.
‘Ga Pol halen!’ zei de winkelmedewerkster.
‘Wie is Pol?’
‘De bewakingsagent,’ zei de winkelmedewerkster, zonder zich te ergeren. Daar scheen ze geen tijd voor te hebben. ‘Zeg tegen Pol dat hij alles onmiddellijk afsluit. Niemand mag er nog in of uit!’
De jobstudent zette het op een lopen.
‘Als hij niet bij de ingang staat, zit hij in zijn kantoor!’ riep ze hem na. ‘Recht tegenover de kantine!’
Zodra hij hoorde dat ze de winkel gingen afsluiten, besloot Peter zich uit de voeten te maken. Dit zou weleens lang kunnen duren. Misschien raakt hij hier nog op tijd buiten. Met of zonder bouillon. Verkochten ze bouillonblokjes bij de kruidenier?
Toen hij de rayon met tijdschriften uitliep, die uitgaf op de kassa’s, werd hem plotseling de weg versperd door een sportieve man met een grijze stoppelbaard. ‘Ik er een gevonden!’ schreeuwde hij.
Peter keek achter zich. Toen hij weer voor zich keek, hadden drie andere mannen zich bij de man met de grijze stoppelbaard gevoegd.
‘Wat heb je gevonden?’ stamelde Peter, zich nog niet ten volle realiserend waarbij hij betrokken was geraakt.
‘Een verdachte.’
‘Een verdachte?’ herhaalde Peter. ‘Verdacht waarvan?’ Hij wist het al, maar hij moest het horen om het te geloven.
De mannen keken elkaar aan. ‘Daar trappen wij niet, klootzak,’ zei de kleinste van de vier ten slotte.
Peters buik kromp ineen. Hij pakte Leo beter vast en drukte hem tegen zich aan.
‘We weten nog niet zeker of het wel de juiste baby is,’ kwam de man met de grijze stoppelbaard tussenbeide.
‘Zie jij hier soms een andere baby?’ zei de kleine man.
‘Nee, maar –’
‘Awel, dan,’ zei de kleine man. ‘We hebben je te pakken, kerel.’ Hij zette enkele stappen naar voren en stak zijn armen uit. ‘Geef die baby dus maar hier.’
Peter moest Leo iets te hard tegen zich aan hebben gedrukt, want hij begon weer te huilen. Peter verslapte zijn grip, wendde zich af van de armen van de kleine man en zei: ‘Ik steek je achterlijke ogen uit. Ik zweer het je, kerel.’
De man met het stoppelbaardje trok de kleine man aan zijn schouder achteruit. ‘Niemand neemt je baby af.’
De kleine man sloeg de hand van zijn schouder en keek kwaad naar de man met de grijze stoppelbaard.
‘Als het echt jouw baby is,’ zei de man met de stoppelbaard, terwijl hij de kleine man negeerde, ‘dan vind je het vast niet erg om eventjes met ons mee te gaan. Gewoon om zeker te zijn. De winkel is toch afgesloten. Als jouw baby gestolen was, zou je vast willen dat we even grondig te werk gingen. Nietwaar?’
Hij zou naar de jonge vrouw toegaan, zij zou in een oogopslag zien dat het niet haar kind was dat hij in zijn armen hield, en de mannen, die hem nu flankeerden als lijfwachten, zouden hem weer laten gaan. Peter wilde haar de teleurstelling besparen, maar hij had geen keuze. De mannen lieten hem geen andere. Dat was voor hun rekening; zijn geweten was zuiver.
‘Poppemieke! Poppemieke! Poppemieke!’ snikte de jonge vrouw met schorre stem, terwijl ze op Peter toesnelde.
‘Houd die zottin van me weg!’ schreeuwde Peter, terwijl hij achteruitdeinsde. ‘Houd ze weg!’
De jonge vrouw glipte langs de man met de grijze stoppelbaard, maar die wist haar op het nippertje tegen te houden. Hij pakte haar bij de kraag en rukte haar weg van Peter en Leo, die bij het ontwijken tegen de man achter hen aanliepen. Vervolgens bracht de jonge vrouw haar mond naar de hand van de man met de grijze stoppelbaard, waardoor hij het uitschreeuwde van de pijn. Daarop schoot de kleine man de man met de grijze stoppelbaard te hulp. Maar net toen de kleine man de jonge vrouw wilde vastgrijpen, kwam ze weer overeind en stootte hem daarbij tegen het hoofd. De kleine man greep naar zijn neus, struikelde achterwaarts en kwam op zijn billen terecht. Hij moest iets nats hebben gevoeld, want hij keek naar de palm van zijn hand, die rood zag van het bloed.
Uiteindelijk vereiste het vijf mensen om de jonge vrouw, die haar eigen kracht niet kende, in bedwang te houden.
Toen ze beloofd had om kalm te blijven, stond iedereen elkaar hijgend aan te kijken.
Enkele omstanders werden kwaad.
‘Geef haar terug!’ riep iemand.
‘Ja,’ zei nog iemand. ‘Geef haar terug!’
‘Het is een jongen!’ zei Peter, met meer overtuiging dan ooit tevoren. ‘Het is een jongen, en zijn naam is Leo.’
Bij het horen van zijn naam begon Leo onbedaarlijke te huilen, alsof hij dacht dat zijn vader hem berispte.
‘Bewijs het!’
Peter had het gevoel dat hij in een draaikolk verdween.
‘Bewijs het!’
‘Zijn jullie compleet gek geworden?’ hoorde hij zichzelf zeggen. ‘Mijn zoon zijn … spel aan jullie tonen? Mooi niet!’
Toen zag Peter de oma die bij het binnenkomen vertederd naar hem had geglimlacht. ‘Jij!’ zei hij. ‘Jij zag ons binnenkomen! Jij herkent ons! Je zag ons samen binnenkomen! Je glimlachte!’
Iedereen keek nu naar de oma, die rood aanliep. ‘Ik … Ik ben slecht in het herkennen van gezicht. Het spijt me.’
‘Maar je herinnert je toch dat je een jongeman met een baby de winkel zag binnenlopen?’
Ze keek naar de grond.
‘Godverdomme,’ zei Peter.
Toen werd het stil. De geladen stilte van een rechtbank, vlak voor het vonnis, wanneer de rechter de zaal binnenkomt en iedereen gaat staan als teken van respect. Het was een van de winkelmedewerkers die de stilte als eerste doorbrak, door zich hardop af te vragen waar de politie bleef, waarop de bewakingsagent, die de politie blijkbaar al had verwittigd, op zijn horloge keek en zei dat ze ieder moment konden arriveren. Dit korte gesprek, dat slechts uit een vraag en een antwoord bestond, uit een verzuchting en een poging om die verzuchting tegemoet te komen, zorgde er uiteindelijk voor dat de jonge vrouw onder de druk bezweek. Plotseling zette ze het op een lopen. De achtervolging werd ingezet, maar ze wist te ontkomen, en even later konden ze haar niet meer vinden.
De bewakingsagent werd gebeld. Samen met de manager haastte hij zich naar de ingang om de politie binnen te laten.
Het viel Peter op hoe traag de agenten kwamen aangelopen. Werd hen dit aangeleerd? Ren niet. Het veroorzaakt onrust en schaadt je gezag. Voor Peter werkte het. Hij voelde opluchting terwijl hij ernaar keek.
Ze vroegen om zijn identiteitskaart en namen de hare uit de Louis-Vuitton-handtas in het winkelwagentje. Vervolgens praatte de ene agent met Peter, terwijl de andere, die een eindje verderop liep, buiten gehoorsafstand, hen allebei natrok. Ten slotte zochten ze, opnieuw samen met de manager, de hele winkel af, voortdurend roepend dat ze haar geen kwaad zouden doen, maar enkel even met haar wilden praten. Om meer overtuigingskracht te hebben, gebruikten ze haar voornaam, die Shana bleek te zijn. Ze vonden haar onder in een rek in de speelgoedafdeling, waar ze deed alsof ze sliep.
* * *
Diezelfde dag nog werd Peter gebeld door een reporter van Het Laatste Nieuws, die er een artikel over wilde schrijven. Een mislukte kidnapping noemde hij het. Hij zei blij te zijn dat het goed was afgelopen. Zowel voor Peter als voor zijn lezers, die dat eigenlijk veel liever lazen. Om de vier à vijf zinnen moest de man de toon van zijn stem weer omlaag brengen, alsof hij zich telkens van zijn eigen opwinding bewust werd en ze vervolgens weer onderdrukte. Hij vroeg naar een foto van Leo, maar die wilde Peter hem niet geven. Hij plaatste nooit foto’s van Leo op sociale media. Waarom zou hij er dan een aan een reporter geven? De man liet een geforceerd lachje horen. Een paar uur later begreep Peter de betekenis van dat lachje, toen iemand hem het artikel doorstuurde. Direct na Leo’s geboorte had Peter één foto op Instagram gedeeld. Erop lag Leo ingebakerd in zijn ledikant als een ontpoppende vlinder. Precies die had de reporter gebruikt. Hoewel hij had gevraagd of hij foto's van Instagram mocht gebruiken, was Peter die ene foto van Leo vergeten.
‘Misschien moet ik mijn ouders maar eens bellen,’ zei Peter tegen Lisa.
‘Heb je dat nog niet gedaan?’
Vanaf dat moment nam Lisa de rol van woordvoerster op zich. De stroom mensen die wilden horen wat er gebeurd was, droogde niet op maar zwol juist aan, en Peter had er steeds minder zin in om erover te praten. Doorgaans richtten mensen zich tot hem, dus gaf hij altijd de eerste aanzet, waarna Lisa, die het al gauw beter kon navertellen dan hij, het van hem overnam.
Zodra ze wist dat alle ogen op haar gericht waren, boog ze naar voren over de tafel, alsof ze een geheim ging vertellen, en stak van wal.
Peter merkte een verandering bij haar op. Ze kreeg een glazige blik in haar ogen, haar schouders ontspanden, en ze frunnikte niet aan haar armbandjes, wat ze normaal wel deed als ze moest spreken voor meer dan één persoon.
Daarnaast waren er delen die ze overdreef. Zoals de soep. Als je haar mocht geloven, maakte ze iedere week soep, terwijl Peter de keren dat hij zich herinnerde op één hand kon tellen.
Ook haar ongerustheid dikte ze aan. Bij elke vertelling werd ze een beetje ongeruster, totdat ze welhaast in een staat van blinde paniek verkeerde. In werkelijkheid lag ze te slapen. Althans, dat vermoedde Peter. Ze veerde overeind toen hij, terug van de supermarkt, de woonkamer was binnengekomen. Hij herinnerde zich hoe het gele kussen waarop ze had gelegen zich langzaam weer volzoog met lucht.
Lisa noemde de kidnapster van haar zoon ‘die arme vrouw’ en viel zichzelf voortdurend in de rede om bij het onfortuinlijke lot van dat mens stil te staan. Ze was tenslotte een moeder, zei ze. Net zoals zij. Alsof het voor een vader minder erg was om zijn kind te verliezen.
Een keer, toen ze op het punt van de confrontatie was aanbeland, raakte ze zelfs een beetje van streek. Ze schraapte haar keel en schudde haar hoofd.
‘Ik begrijp niet,’ zei ze, ‘hoe Peter kon aanzien dat die arme vrouw door vijf mensen in bedwang werd gehouden.’
Peter wilde haar een klap geven. ‘Die arme vrouw’ was gek. Ze hadden haar al veel eerder moeten opsluiten. Dat had de politieagent zelf aan hem toegegeven. Kennelijk was ze niet aan haar proefstuk toe; de vorige keer hadden ze haar moeten laten gaan wegens een gebrek aan bewijzen. Aan de andere kant hield Lisa hem uit de wind, dus liet hij het er maar bij.
Lisa rondde het verhaal af, waar ze het was begonnen: bij de soep. Peter stormde het huis binnen en stotterde wat er gebeurd was, nog voordat hij zijn jas en schoenen had uitgedaan. Onthutst door wat ze hoorde, nam Lisa Leo van hem over, trok zijn jasje uit en zette hem in zijn box. Toen ze Peter, die maar bleef ratelen, een knuffel gaf, voelde ze iets in zijn jaszak zitten: de bouillonblokjes. In alle commotie was hij vergeten te betalen. Ook de agent, onder wiens begeleiding Peter door de beveiligingspoortjes was gelopen, had de uitstekende doosjes niet opgemerkt. Hier moest iedereen altijd lachen. Het was een luchtige noot om op te eindigen, met name omdat Peter en Lisa dan begonnen te kibbelen over wat er met de bouillonblokjes moest gebeuren. Peter wilde ze alsnog gaan betalen, maar Lisa niet. Lisa wilde ze houden. Voor haar was het een vorm van schadevergoeding. Het was het minste, vond ze, wat Carrefour voor hen kon doen, na alles wat ze hadden moeten doorstaan.