Kenny De Thaey

Gebruikersnaam Kenny De Thaey

Over Kenny De Thaey

Zomer 2011. Verhaal na verhaal in The Vintage Book of Contemporary American Short Stories slaat in als een meteoriet. Ik weet wat ik wil doen. Ik wil korte verhalen schrijven!

Teksten

Thuislevering

De fietser op het scherm leek hun huis maar niet te kunnen vinden. Hij reed er telkens voorbij in plaats van bij het icoontje te stoppen. Jayden had voorgesteld om de bezorger te bellen, maar dat vond zijn vader niet nodig. Zijn vader had niet geluisterd. Niet echt. Hij zat weer voor zich uit te staren. Jayden liep naar de keuken en nam de laatste rijstwafel uit de kast. Als hij nog meer honger kreeg, zouden zijn ingewanden zichzelf verteren.      Vroeger zou zijn vader boos geworden zijn als hij kruimels maakte. Maar sinds de scheiding werd hij niet meer boos. Dat vond Jayden fijn. Onlangs had hij in de tuin zijn oude pop verbrand. Het was geweldig om het smeulende gezicht te zien invallen, en om te weten dat zijn geheim – dat hij als kleuter met poppen speelde – nu veilig was. Achteraf gezien had hij het beter in het gras gedaan. Maar wat maakte het uit? Zijn vader was over de zwartgeblakerde terrastegel heen gestapt, alsof het hun poes Daisy was.      Een bericht verscheen op het scherm. De bezorger wou dat zijn vader naar buiten kwam.      Jayden legde de aangebeten rijstwafel op de armleuning en zei: ‘Ik ga wel!’      Buiten zag Jayden hun auto staan. Zijn vader had het aluminium zonnescherm achter de ruitenwissers gestoken. Niet tegen de zon – die had niet meer geschenen sinds augustus – maar tegen de schaamte. Waarschijnlijk wou hij niet voortdurend herinnerd worden aan het feit dat de hele straat wist wat er gebeurd was. Jayden ging in het midden van de straat staan en keek of hij het voorlicht van de brommer of de elektrische fiets zag. Het was donker, en de straatverlichting brandde al.      Zijn vader wou niet zeggen wie het had gedaan, maar Jayden was niet dom. Het was zijn moeder geweest, natuurlijk. Ze was kwaad op zijn vader omdat hij met die Brenda had aangepapt. En ze had sporen achtergelaten. Twee auto’s verder, in de goot, had Jayden een ingedeukte vijfliteremmer met spanringdeksel gevonden. Vloeibaar bitumen. Jaydens moeder was dakdekker, en Jayden had zulke emmers dikwijls in de voorkamer zien staan. Voordat zijn vader wakker werd, had Jayden de emmer in de Leie gegooid en met een zware tak ondergeduwd. De voorruit had hij met keukenpapier proberen schoon te wrijven, maar dat was niet gelukt, omdat het papier eraan was blijven plakken.      Toen Jayden een fel licht zag, ging hij aan de kant. De bezorger was niet met de brommer of de fiets gekomen, maar met een elektrische step.      ‘Je hebt je huisnummer niet opgegeven,’ zei hij.      ‘Is dat een Kaabo Wolf King?’      De bezorger zette de step op zijn standaard en opende zijn rugzak.       ‘Hoeveel heb je ervoor betaald?’ wou Jayden weten.      ‘Veel te veel.’      Jayden schudde met zijn hoofd. ‘Twee motoren, vijf uur laadtijd, hydraulische remmen, schokophanging.’      ‘Verfaillie?’      Jayden knikte en nam de tas van de bezorger aan. ‘Trekt dat ding echt zo snel op als een Lambo?’      ‘Ik weet niet,’ zei de bezorger. ‘Nog nooit met een Lambo gereden. Je ouwe thuis?’      ‘Hij hoeft niets,’ zei Jayden.      ‘Ik heb iets voor hem.’      ‘Ik zeg dat hij niets hoeft.’      De bezorger haalde een klein doorzichtig zakje uit zijn binnenzak en schudde ermee. ‘Gratis staaltjes!’      Toen de bezorger langs hem heen liep, in de richting van de openstaande voordeur, aarzelde Jayden geen seconde en trapte de step omver. Onmiddellijk maakte de bezorger rechtsomkeert en zette hem weer overeind.      ‘Mijn bar ends!’ zei hij, terwijl hij het stuur van dichtbij bekeek.      Jayden ging naar binnen. ‘Voor dat geld koop je twee scooters, debiel,’ zei hij, voordat hij de deur dichtgooide.      In de hal controleerde hij of alles erin zat: Haribo Dragibus, Lutti Candylace, Maltesers, Kellogg’s Coco Pops Loops, Dextro Energy, Napoleon Fruitmix, Mentos Gum Aqua Kiss, Fanta Orange Lemonade, Gourmet Gold Kattenvoeding, Aïki Noodles Chicken Flavour en Ben & Jerry’s Cookie Dough S’Wich Up.      ‘Waar zijn mijn M&M’s?’      Jayden rende naar buiten, maar de bezorger was al weg.      Zijn vader was ook weg, toen hij de woonkamer weer binnenkwam. Gaan slapen, waarschijnlijk. Jayden sloot de gsm aan op de lader en duwde de smeulende sigaret uit, die zijn vader in de asbak had achtergelaten.      Toen haalde hij de kaft van een van zijn schoolboeken en spreidde die uit op de tafel. In het midden legde hij de boodschappen, behalve de ontbijtgranen, de noedels, de frisdrank en het kattenvoer. Die waren voor hen. Hij wikkelde de kaft eromheen en plakte de uiteinden aan elkaar vast met plakband. Hij dacht niet dat zijn vader cadeaulint had, dus trok hij een veter uit een oude schoen en gebruikte die om een strik te maken.      Toen was het af.      Om niet aan kerst te hoeven denken, dacht Jayden aan Anita, de directrice van zijn school. Als je iets deed wat niet mocht, bijvoorbeeld de deur van de pannakooi vergrendelen met een paraplu, zodat de kleuters er niet meer uit konden, nam Anita je oorschelp vast en draaide eraan als aan een kauwgomballenautomaat. Uit de automaat kwam dan geen kauwgombal, maar een doodskreet. Jayden had ondervonden dat hij elke vervelende gedachte kon verdrijven door aan haar te denken. Elke vervelende gedachte, behalve die aan Anita zelf, natuurlijk. Wat hij toch als een groot gebrek beschouwde, aangezien ze dikwijls door zijn hoofd spookte.      Hij propte een paar handjes ontbijtgranen in zijn mond, keek in de spiegel of zijn haar goed zat en liep de deur uit.       De gelukkige was een meisje genaamd Tina. Tina woonde twee straten verderop in een rood huis met blauwe kozijnen. Voor de zomer had ze in een sociaal huurappartement in dezelfde wijk gewoond, nabij het park met de twee kasseistroken die aan de oude beluiken herinnerden. Jayden en zij hadden een gemeenschappelijke kennis: Dolfin, een dikke jongen met één arm, die een portefeuille uit je achterzak kon halen – en er weer in stoppen – zonder dat je het voelde. Totdat Dolfin, vanwege een ruzie tussen zijn moeder en de zorgleerkracht, naar een andere school moest, had hij bij Jayden in de klas gezeten. Tina was de kleindochter van de broer van Dolfin zijn opa.      De drie waren bevriend geraakt toen zoenende tieners hen uit het speelhuisje bij de glijbaan hadden verjaagd. Het was juli. Jayden en Dolfin waren dennenappels aan het rapen tussen de bomen ernaast, toen Tina kwam vragen wat er aan de hand was. Jason vond haar aanvankelijk maar niks. Ze had een hese stem en droeg paarse teenschoenen, die er niet alleen belachelijk uitzagen, maar ook geen bescherming boden tegen de glasscherven in het zand. Maar wat kon ze mikken! Na twee pogingen raakte ze de jongen in het speelhuisje pal op de lip. Verder zoenen kon hij wel vergeten. Hij sprong overeind en stootte zijn hoofd tegen het dak en gleed brullend de glijbaan af. Minutenlang hadden ze zich in de betonbuis moeten verstoppen, terwijl ze hun lach inhielden.      Haar vaders motor stond voor de deur, met de hoes eroverheen, en het licht in de fitnesskamer brandde. Jayden aarzelde. Die vent kneep je stuk als een chocolade-ei.       Toch duwde hij op de bel.       Een vrouw met strenge, wij uitstaande ogen verscheen in de deur. In plaats van te praten, kruiste ze haar armen. Plotseling wou Jayden dat haar vader had opengedaan.      ‘Ik wou haar M&M’s geven,’ zei hij, ‘maar de bezorger vergat ze.’      ‘Hij heeft haar brief op het internet gezet,’ zei de vrouw streng. ‘Weet je hoe vernederend dat is voor een meisje van haar leeftijd? Het vraagt moed om je gevoelens te uiten. Het zal jaren duren, voordat ze haar hart nog een keer voor iemand zal durven open te stellen.’      Jayden zag dat de vrouw werkelijk gaf om wat haar stiefdochter overkomen was. ‘Als je wilt, mevrouw,’ zei hij, ‘zal ik hem een lesje leren.’      De vrouw lachte haar vullingen bloot. ‘Nee, nee, nee,’ zei ze, ‘jij hebt al meer dan genoeg gedaan.’      Jayden wou zeggen dat hij niet degene was die Tina’s brief op het internet had gezet en dat ze hem dat dus niet kwalijk mocht nemen, maar hij was bang voor haar reactie en slikte hij zijn woorden in.      ‘Hoe gaat met haar?’ vroeg hij.      ‘Eerst haal jij die vreselijke grap met haar uit,’ zei de vrouw, ‘en dan gebeurt dit. Hoe denk je dat ze zich voelt?’      ‘Slecht.’      ‘Het was een retorische vraag!’ Ze monsterde zijn gezicht en zuchtte. ‘Dat is een vraag waarop je geen antwoord wil, omdat iedereen het antwoord toch al weet.’      ‘O,’ zei Jayden. ‘Sorry.’      De vrouw legde haar hand op haar voorhoofd. ‘Waar zat je met je gedachten, Jay? Ze had daar kunnen sterven!’      Tina had niet om hulp geroepen. Daarvoor was ze te bang geweest. Jayden had zijn oor tegen de stalen deur moeten houden om haar te kunnen horen, tegen de gele driehoek met de bliksemschicht erin. Ze fluisterde bijna, zo bang was ze. Niet omdat het er donker was – al moest ze geen hand voor haar ogen hebben gezien – maar vanwege de knetterende transfo’s om haar heen. Overal afblijven, riep hij haar toe. Overal afblijven, en dan komt alles goed. En toen was hij weggegaan, lachend.      Ze had haar gsm bij zich. Een half uur eerder had hij haar grappige snaps zien maken van duiven met ontbrekende tenen. Anders zou hij het toch nooit hebben gedaan?       ‘Is dit weer zo’n retrovraag?’      ‘Nee!’ zei de vrouw. ‘Waar zat je met je gedachten?’      Jayden keek naar het pakje in zijn handen. ‘Ik weet het niet.’      ‘Wist je hoe gevaarlijk het was?’      ‘Ja.’      ‘Waarom deed je het dan?’      Waarom had hij het gedaan? Het was gewoon gebeurd. Heen en weer lopend over een bankje, enkele meters van het transformatorhuisje, had Tina haar meesterplan aan hem uitgelegd. Blijkbaar had een meisje uit haar klas met het donkere haar op haar armen gelachen, en Tina zou het haar betaald zetten. Ze citeerde uit de brief die ze naar het liefje van het meisje had geschreven, en lachte vals. Een kwestie van tijd voordat hij toehapte, en dan hoefde ze alleen nog maar toe te kijken hoe het stelletje uiteenspatte. De manier waarop ze praatte – ze leek wel een schurk uit een Bond-film. Dit was Tina niet. Dit was iemand anders, iemand slecht. Misschien wou hij zijn vriendin terug? Misschien hij haar transformeren?      ‘Het was een slechte grap, mevrouw,’ zei Jayden. ‘Ik dacht niet goed na.’      ‘Dat kun je wel zeggen.’       Er viel een stilte.      Toen wees de vrouw naar het pakje. ‘Zie ik het goed? Staan daar passertjes op?’      Jayden keek omlaag. ‘Het is kaftpapier.’      ‘Hoe gaat het eigenlijk op school?’      ‘Saai,’ zei Jayden. ‘Naar het schijnt.’      ‘Naar het schijnt?’      Jayden haalde zijn schouders op.      Op de eerste verdieping ging een deur open. Jayden en de vrouw keken omhoog. Een ogenblik later dreunden zware voetstappen de trap af, en kuiten zo dik als hammen verschenen uit de schaduw van het trapgat. Een vlezige hand gleed langs de leuning. Tina’s vader, wiens tanktop losjes om zijn middel hing, leek onderweg naar een van de vertrekken op de benedenverdieping, maar bleef staan toen hij Jayden zag.      ‘Weet je wat,’ zei Jayden. ‘Ik geef het haar wel een andere keer.’      ‘Er komt geen andere keer,’ zei Tina’s vader.      De vrouw nam de hand van haar echtgenoot vast. ‘Jayden komt zijn excuses aanbieden.’      ‘Excuses niet aanvaard.’      ‘Poepie,’ begon de vrouw. ‘Die jongen …’      ‘Niks, Poepie,’ zei de man en maakte zijn hand los. ‘Tina is mijn dochter, en ik zeg dat er geen andere keer komt.’      ‘Glenn is mijn zoon,’ zei de vrouw. ‘Dat heeft je anders nog nooit tegengehouden om op hem te vitten.’      ‘Gaan we zo beginnen?’      ‘Jij bent begonnen.’      ‘Och, doe niet zo kinderachtig.’      ‘Kinderachtig?’ zei de vrouw. ‘Is het kinderachtig als een vrouw voor haar zoon opkomt?’      ‘Ik dacht dat dit over Tina ging?’   Toen Jayden thuiskwam, leek alles weer bij het oude. De kale kapstok in de hal, de deken half op de bank, de peuken in de glazen asbak, zijn dode opa’s knullige stadsgezicht op de schoorsteenmantel, de afstandsbediening van de televisie nog altijd zoek, de tapijten met hun donkere vlekken en rafelende randen – alles stond, lag of hing er nog precies bij zoals hij het een halfuur geleden had achtergelaten. Jayden beeldde zich hoe hij de kapstok uit de muur trok, de deken aan flarden knipte, de asbak op de salontafel uitstortte, een gat sloeg in zijn opa’s stadsgezicht, de televisie omvergooide en de tapijten vanonder de meubels rukte – om de boel eens op te schudden. Maar dat deed hij allemaal niet. Nee, hij ging op de vloer liggen en keek naar het plafond, terwijl hij snoep at uit het pakje dat hij onherstelbaar had opengescheurd.      Een uur of wat later ging de bel over. Ontwaakt uit een diepe slaap, veerde Jayden overeind en prevelde: ‘Brenda?’      Hij verbaasde hem dat hij haar naam uitsprak. Zou hij haar vergeven als ze nu voor de deur stond? Zou hij het kunnen? Zo niet, zou hij Tina dan nog kunnen vergeven?       Toen herinnerde hij zich het probleem met hun draadloze deurbel. Een inwoner van hun straat, vermoedde zijn vader, had een autosleutel die hetzelfde korte radiosignaal verzond, wat dat ook moge wezen. Telkens als hij zijn auto van of op slot deed, ging hun bel over. Dat kon makkelijk opgelost worden, beweerde zijn vader. Je veranderde de frequentie van de bel. Toch deed hij het nooit.       Jayden ging weer liggen, in het donker nu, en at de laatste snoepen uit het pakje, die, zo realiseerde hij zich, als je er zoveel kon eten als je wou, uiteindelijk teleurstelden.

Kenny De Thaey
0 1

SCHADEVERGOEDING

‘Ik loop wel even naar de Carrefour,’ zei Peter, alsof het de badkamer was.           ‘Zou je dat echt willen doen?’          ‘Natuurlijk,’ zei hij. ‘Waarom niet?’          ‘Omdat het leuker is om het niet te doen?’          ‘Ik zal Leo meepakken. Alles is leuker met Leo erbij.’          Lisa zette haar handen in haar zij. ‘Je zoon gebruiken om aandacht te krijgen van andere vrouwen? Niet netjes.’          ‘Ik heb Leo daar niet voor nodig.’          Lisa was wortelen aan het schillen. Een voor een hield ze ze boven een witte kom en ging met een dunschiller over het grillige oppervlak. Zo nu en dan bleef er een schil op de rug van haar hand plakken, die ze er met haar andere hand weer afpelde. De andere groenten – ui, knoflook, prei, selderij, tomaat – had ze al in kleine blokjes gesneden, en die lagen per kleur op een diep bord. Het geluid van haar koksmes tegen de eikenhouten snijplank was wat Peter aanvankelijk naar de keuken had gelokt.          Ze hadden het aan Pierre kunnen vragen. Sinds de allereerste dag dat Peter en Lisa hier woonden, had Pierre geen kans onbenut gelaten om hen te zeggen hoe blij hij wel niet was dat zij zijn nieuwe buren waren. Waarna hij een klaagzang afstak over de vorige huurder, die dj was en alle dagen exact tot tien uur achter zijn draaitafels had gestaan, speciaal om hem te treiteren. Maar zodra ze Leo hadden gekregen – nee, zodra Pierre wist dat Lisa zwanger was – was er niets meer van zijn geklaag, noch van zijn blijdschap overgebleven. En hun andere buren waren studenten. Van hen wilde je nog geen schoonmaakmiddel lenen, gesteld dat ze dat hadden.          Peter haalde Leo’s spullen voor buiten. Aankleden ging veel makkelijker nu hij kon zitten. Je moest wel bij hem blijven als je hem bijvoorbeeld op het aanrecht neerzette, zoals Peter altijd deed om zijn rug te sparen. Maar je hoefde hem tenminste niet meer op het verzorgingskussen te verrollen, en voor Leo was dat vast ook aangenamer. Het lastigste was zijn schoenen aantrekken. Gewoonlijk droeg Leo antislipschoenen. Die leken meer op sokken dan op schoenen en waren stroever om aan te trekken, hoewel de stof elastisch was. Een keer had Peter Leo’s voeten te hoog opgetild, waardoor het ventje achterover op zijn hoofd was gevallen. Zolang hij meteen begint te huilen, had de kraamverzorgende gezegd, is er niets ernstigs aan de hand. En dat was waar gebleken. Toch had hij het niet aan Lisa durven te zeggen. Sindsdien schoof hij Leo helemaal naar achteren, zodat hij met zijn rug tegen de vensterbank leunde. Als laatste zette hij zijn strikmutsje op en gaf hij hem een zoen op het voorhoofd, omdat hij er zo verschrikkelijk schattig uitzag – net een dikke waterpolospeler.          ‘Neem de kinderwagen,’ zei Lisa, terwijl ze de geschilde wortelen in stukken sneed.          ‘Het is maar tweehonderd meter,’ zei Peter. ‘In huis leg ik kilometers af met Leo op mijn arm.’          ‘In huis rijden geen auto’s.’          ‘Ik zal goed uitkijken als ik oversteek.’          Lisa zuchtte. ‘Doe wat je niet laten kunt.’          Peter negeerde haar laatste opmerking. Anders kwam er beslist ruzie van. De laatste tijd eindigde elke ruzie in dezelfde patstelling: hij was een flierefluiter die zich nergens iets van aan trok; zij een dramaqueen die van een mug een olifant maakte. Het probleem was dat het waar was. Alles gleed van hem af als water van een eend. Maar waarom zou hij dat willen veranderen? Wie was er ooit al beter geworden van piekeren? Lisa in ieder geval niet. En ze gaf het nog toe ook. Maar in plaats van ermee stoppen, nam ze hem kwalijk dat hij niet met haar meedeed. Op haar ergst had ze haar natte gezicht naar hem toegedraaid, als een wenende Madonna, en gepredikt: ‘Soms denk ik dat je dood bent vanbinnen.’ Dat leek natuurlijk zo naast iemand die te pathetisch was voor The Bold and the Beautiful.          Maar hij begreep het ook wel. Het was erg moeilijk geweest voor hen om zwanger te worden, en zoiets liet sporen na. Drie jaar hadden ze geprobeerd voordat ze medisch hulp hadden gezocht. Te lang, achteraf gezien. Maar ja, het was niet alsof ze zoiets al eerder hadden gedaan. En dan moest het eigenlijk nog beginnen: de inspuitingen (Lisa die haar buikvel tussen duim en wijsvinger nam om er een fijne naald in te drijven), de pick-up (Lisa’s follikels die door een dun slangetje werden leeggezogen), het afleveren van het spermastaal (de geluidloze porno die Peter daarbij moest helpen), de terugplaatsing (Lisa die met een volle blaas naar het ziekenhuis moest, zodat haar baarmoeder beter zichtbaar was op echo), de teleurstelling als de zwangerschapstest negatief was (en de daardoor gestegen verwachting dat het de volgende keer wel zou lukken) – en dat zes keer na elkaar, totdat de fertiliteitsarts zelf de handdoek in de ring gooide.          Kon je daarna het ouderschap nog wel onbevangen tegemoet treden?          Je hoorde wel eens zulke verhalen. Zodra ze ophielden met proberen, was het prijs. De een schreef het toe aan stress, de ander aan louter toeval. Wat het ook was, Lisa was zwanger. En dat was het enige wat telde. Althans voor Peter. Voor hem waren hun problemen voorgoed voorbij. Voor Lisa daarentegen begon een lang verwerkingsproces.          Peter deed zijn jas en schoenen aan, en wikkelde de sjaal, die Lisa voor hem had gebreid, om zijn nek. Het was een wollen sjaal met beige, gele en auberginekleurige strepen. Hij prikte niet, en de kleuren pasten goed bij zijn blonde haar. Maar hij zag er zo bohemien mee uit, en dat stoorde hem. Lisa had het in zijn blik gelezen, toen hij hem uit de verpakking haalde. Verrassend genoeg maakte dat hem op een moment als dit des te geschikter.          Hij pakte het dikke waterpolospelertje uit de wipstoel naast de keukentafel en gaf Lisa een eskimokus. ‘Maak je geen zorgen,’ zei hij en grijnsde. ‘Maak soep.’   * * *   Zodra hij de deur achter zich dichttrok, was Peter Lisa’s opmerking alweer vergeten. Buiten lag een wereld vol verrassingen die altijd een gevoel van verwachting in hem opriep. Zich bewust van dat gevoel hoopte hij dat Leo het later ook zou mogen ervaren. Het was overal, voor wie het wilde zien. Hij glimlachte en stak de straat over en liep langs het pad bij de rivier, waar je het hele jaar door – zelfs nu – kajakkers en suppers hoorde peddelen. Boven op een van de lantaarnpalen, die ‘s nacht het kronkelige pad verlichtten, zat een jonge kokmeeuw met nog wat bruin tussen haar witte veren. Het dier zag er niet al te best uit: mager en wankel op zijn dunne poten. Maar hij haalde het wel, dacht Peter. De dagen lengden, het weer was zacht en de eerste krokussen waren al ontloken. Toen hij bij de meidoorn aankwam, keek Peter waar hij liep, want daar was het pad het meest oneffen. Pas toen hij het bord zag, helemaal aan het eind, waarop de heraanleg van het pad werd aangekondigd, besefte hij dat het eigenlijk allang had moeten gebeuren.          Daar, op die plek, kijkend naar de letters op het aanplakbiljet, realiseerde Peter zich dat hij niet wist welke bouillon Lisa precies nodig had. Rund-, varkens-, kippen-, vis-, schaaldier- of groentebouillon? Voor hem maakte het niets uit. Voor Lisa eigenlijk ook niet, al besefte ze dat zelf niet. Peter had ooit witloofsoep gemaakt met visbouillon, en Lisa had niets gemerkt. Een flinke scheut room en wat gruyère erbij, en de vissmaak was zo goed als verdwenen. Maar aangezien Lisa degene was die nu de soep maakte, werd het soort bouillon ineens van levensbelang. Dus besloot hij haar maar even te bellen.          Alleen, hij had zijn telefoon niet bij zich. Die lag thuis in de woonkamer aan de oplader. Hij kon teruggaan – hij was nog maar halverwege – maar dan zou Lisa doorhebben dat hij zijn telefoon was vergeten, en dat betekende gezeur. Als hij haar alles liet bepalen, mocht hij niet zonder naar de wc.          Daarom besloot hij verschillende soorten bouillon te kopen, onder het mom dat het altijd handig was om in huis te hebben. Bovendien bleef bouillon jarenlang goed – of dat dacht hij toch. En tegen de tijd dat Lisa zou vragen waarom hij haar niet gebeld had, zou hij zijn telefoon allang weer in zijn broekzak hebben.          Tevreden liep Peter verder over de voetgangersbrug, die uitkwam bij de achterkant van de supermarkt, waar stinkende containers stonden en vrachtwagens af en aan reden om te voldoen aan de onophoudelijke vraag van de omwonende klanten.          ‘We zijn er,’ zei Peter tegen Leo, die kennelijk tegen de vrouw brabbelde, die een eindje achter hen aan had gelopen. De vrouw haalde hen in zodra ze door de schuifdeuren waren gelopen en glimlachte vertederd naar Peter.          ‘Je moest je schamen,’ zei hij, toen de vrouw weg was. ‘Ze had je oma kunnen zijn!’          Peter hield van deze Carrefour. Hij was niet zo netjes als de Carrefour waar hij vroeger met zijn moeder boodschappen deed. De tegels waren gebarsten, de reclameposters vergeeld, en hier en daar knipperde een tl-buis. Hij bevond zich dan ook, in tegenstelling tot die van zijn ouders, in de stad. Hier kon je onbeschaamd een sneetje brood in je mond stoppen voordat je had afgerekend. Hier keek niemand raar op als je een mango bij de ontbijtgranen achterliet omdat je je op het laatste moment bedacht. Als je dat buiten de stad deed, werd je niet zozeer door het personeel – al was dat niet uitgesloten – als wel door de andere klanten op het matje geroepen. Orde moest er zijn. Ja. Maar wanorde ook. En dat besefte die rijkelui niet. Als Alexander Fleming zijn petrischaal niet was vergeten af te dekken, had hij penicilline niet ontdekt. Iemand anders had het dan wel wat later ontdekt, akkoord. Maar hoeveel overlijdens hadden er niet voorkomen kunnen worden?          In de rayon sauzen en oliën zette hij Leo op de grond en liet hem kruipen. Leo schoot uit de startblokken als een opwindspeelgoedje. Peter ging voor de bouillonblokjes staan en bekeek de opties. Welk merk moest hij kiezen? Knorr, Liebig, Maggi, Carrefour? Of moest hij enkel rekening houden met de prijs? Hij zette een stap naar achteren en keek naar de gele, groene en bruine kleuren, terwijl met zijn hand zijn haar ging.          ‘Daar mag je niet komen, hoor!’ zei Peter.          Een paar meter verderop was een lege plek in het onderste schap, en Leo probeerde erin te klauteren. Hij was al halverwege, en zijn korte beentjes staken eruit, met de schoenzolen naar boven. Peter zou hem ongehinderd laten exploreren, ware het niet dat er zowel links als rechts van de lege plek glazen flessen stonden, gevuld met olie.          Toen hij zich bukte om Leo op te pakken, zag Peter een jonge vrouw de rayon inkijken.          Ze was niet veel ouder dan hij, had lang bruin krullend haar en woeste ogen die zich van de wereld leken af te keren. Haar kleren waren heel gewoon. Peter dacht zelfs dat Lisa dezelfde trui had: een rode, oversized trui van H&M. Toch leken ze niet bij elkaar te passen. Het had niets met slechte smaak te maken – afzonderlijk waren al haar kleren prima – maar alles met een vreemd soort willekeur die, om een of andere reden, Peters haren recht overeind deed staan.           De jonge vrouw wierp nog een blik op Leo, alsof ze iets overweging nam, en verdween.          Zocht waarschijnlijk een winkelmedewerker, dacht Peter. Vandaar de teleurstelling in haar ogen toen ze hem had aangekeken.          Hij pakte Leo op, nam een paar doosjes bouillon van het schap, stopte die in zijn jaszak en liep naar de kassa’s vooraan in de winkel.          In de rij kreeg Leo het te kwaad en begon te huilen. Peter had geen idee waarom. Het was nog geen tijd voor zijn dutje, noch voor zijn flesje, en hij had nog maar net een schone luier om – voor de zekerheid stopte Peter zijn neus in Leo’s broek: billenzalf. Misschien verveelde Leo zich? Peter verveelde zich. Die rij schoot maar niet op, en intussen was het binnen te warm voor een jas – waarom hielden ze daar geen rekening mee?          ‘Zullen we van Dulle Griet spelen?’ vroeg hij aan Leo, die nog niet helemaal overtuigd leek. ‘Zullen we het kanon nog een keertje afvuren?’          Terwijl hij Leo, die meteen ophield met huilen, een paar keer de lucht in lanceerde en weer opving, hoorde Peter twee oudere vrouwen tegen elkaar mompelen dat het onverantwoord van hem was. Hij negeerde hen. Het zou inderdaad onverantwoord zijn als zij het deden; ze waren er te oud voor. Zo oud, blijkbaar, dat ze zich niet meer herinnerde ooit jong te zijn geweest.          Het kwam uit de winkel.          Iedereen hield op met praten en keek elkaar aan. Zelfs de caissières stopten met scannen. Alleen de muziek, waarvan Peter zich tot dan toe niet bewust was geweest, speelde door. Sommige caissières stonden op om te kijken wat er aan de hand was, hoewel je, van waar ze stonden, niet veel meer kon zien dan nerveuze lichamen die chaotisch heen en weer renden tussen de metershoge rekken. Een winkelmedewerker, die het impulsrek bij een van de kassa’s aan het aanvullen was, deed iets op slot met een sleutel en zette het op een drafje in de richting van het gebrul.          Om dit geluid te kunnen produceren, moest je wel in een uitzonderlijke toestand verkeren. Het had de verontrustende intensiteit van chimpansees wier leider het leven liet onder de neerkomende vuisten van een rivaliserende troep.           Dit was doodernstig.          Enkele mannen maakten zich los uit de rijen. Peter wist dat hij het beter niet moest doen, maar hij kon de verleiding niet weerstaan. Hij kon best een kijkje nemen, vond hij, én op veilige afstand blijven. Het ging tenslotte om een dame in nood, niet om pistoolschoten. Trouwens, hoe moest hij de situatie correct inschatten als hij niet wist in wat voor situatie hij zich bevond?          Het was de jonge vrouw met de rode, oversized trui. Ze zat op haar knieën in het middenpad en sloeg wild met haar armen om zich heen. Tranen sprongen uit haar ogen, speeksel droop uit haar opengesperde mond. Zo te zien was niet gewond.          De winkelmedewerker, die daarnet op een drafje hiernaartoe was gelopen, zat naast haar op de grond en probeerde haar te kalmeren. ‘Waar hebt u …’ zei ze. ‘Mevrouw, waar hebt u voor het laatst … Mevrouw, probeert u toch kalm te worden! Het is erg belangrijk! Mevrouw …’          Toen zag Peter het winkelwagentje staan. Er zat een beetje van alles in: groente, fruit, brood, beleg, ontbijtgranen, melk, frisdrank, wc-papier en wattenstaafjes. Maar ook verschillende potjes babyvoeding, vochtige doekjes en een pak luiers. Later zou Peter zich vooral de handtas van Louis Vuitton herinneren, en de bijbehorende gedachte dat de jonge vrouw zich die, tenzij ze nep was, helemaal niet kon veroorloven.          Maar wat zijn aandacht werkelijk trok, was de Maxi-Cosi, dwars over het winkelwagentje, zonder baby erin.          Een andere winkelmedewerker, een jobstudent waarschijnlijk, want hij zag er tamelijk jong uit en droeg een ander uniform, kwam bij zijn collega staan en vroeg wat er aan de hand was.          ‘Ga Pol halen!’ zei de winkelmedewerkster.           ‘Wie is Pol?’          ‘De bewakingsagent,’ zei de winkelmedewerkster, zonder zich te ergeren. Daar scheen ze geen tijd voor te hebben. ‘Zeg tegen Pol dat hij alles onmiddellijk afsluit. Niemand mag er nog in of uit!’          De jobstudent zette het op een lopen.           ‘Als hij niet bij de ingang staat, zit hij in zijn kantoor!’ riep ze hem na. ‘Recht tegenover de kantine!’          Zodra hij hoorde dat ze de winkel gingen afsluiten, besloot Peter zich uit de voeten te maken. Dit zou weleens lang kunnen duren. Misschien raakt hij hier nog op tijd buiten. Met of zonder bouillon. Verkochten ze bouillonblokjes bij de kruidenier?          Toen hij de rayon met tijdschriften uitliep, die uitgaf op de kassa’s, werd hem plotseling de weg versperd door een sportieve man met een grijze stoppelbaard. ‘Ik er een gevonden!’ schreeuwde hij.          Peter keek achter zich. Toen hij weer voor zich keek, hadden drie andere mannen zich bij de man met de grijze stoppelbaard gevoegd.          ‘Wat heb je gevonden?’ stamelde Peter, zich nog niet ten volle realiserend waarbij hij betrokken was geraakt.          ‘Een verdachte.’          ‘Een verdachte?’ herhaalde Peter. ‘Verdacht waarvan?’ Hij wist het al, maar hij moest het horen om het te geloven.          De mannen keken elkaar aan. ‘Daar trappen wij niet, klootzak,’ zei de kleinste van de vier ten slotte.          Peters buik kromp ineen. Hij pakte Leo beter vast en drukte hem tegen zich aan.          ‘We weten nog niet zeker of het wel de juiste baby is,’ kwam de man met de grijze stoppelbaard tussenbeide.          ‘Zie jij hier soms een andere baby?’ zei de kleine man.           ‘Nee, maar –’          ‘Awel, dan,’ zei de kleine man. ‘We hebben je te pakken, kerel.’ Hij zette enkele stappen naar voren en stak zijn armen uit. ‘Geef die baby dus maar hier.’          Peter moest Leo iets te hard tegen zich aan hebben gedrukt, want hij begon weer te huilen. Peter verslapte zijn grip, wendde zich af van de armen van de kleine man en zei: ‘Ik steek je achterlijke ogen uit. Ik zweer het je, kerel.’          De man met het stoppelbaardje trok de kleine man aan zijn schouder achteruit. ‘Niemand neemt je baby af.’          De kleine man sloeg de hand van zijn schouder en keek kwaad naar de man met de grijze stoppelbaard.          ‘Als het echt jouw baby is,’ zei de man met de stoppelbaard, terwijl hij de kleine man negeerde, ‘dan vind je het vast niet erg om eventjes met ons mee te gaan. Gewoon om zeker te zijn. De winkel is toch afgesloten. Als jouw baby gestolen was, zou je vast willen dat we even grondig te werk gingen. Nietwaar?’          Hij zou naar de jonge vrouw toegaan, zij zou in een oogopslag zien dat het niet haar kind was dat hij in zijn armen hield, en de mannen, die hem nu flankeerden als lijfwachten, zouden hem weer laten gaan. Peter wilde haar de teleurstelling besparen, maar hij had geen keuze. De mannen lieten hem geen andere. Dat was voor hun rekening; zijn geweten was zuiver.          ‘Poppemieke! Poppemieke! Poppemieke!’ snikte de jonge vrouw met schorre stem, terwijl ze op Peter toesnelde.          ‘Houd die zottin van me weg!’ schreeuwde Peter, terwijl hij achteruitdeinsde. ‘Houd ze weg!’          De jonge vrouw glipte langs de man met de grijze stoppelbaard, maar die wist haar op het nippertje tegen te houden. Hij pakte haar bij de kraag en rukte haar weg van Peter en Leo, die bij het ontwijken tegen de man achter hen aanliepen. Vervolgens bracht de jonge vrouw haar mond naar de hand van de man met de grijze stoppelbaard, waardoor hij het uitschreeuwde van de pijn. Daarop schoot de kleine man de man met de grijze stoppelbaard te hulp. Maar net toen de kleine man de jonge vrouw wilde vastgrijpen, kwam ze weer overeind en stootte hem daarbij tegen het hoofd. De kleine man greep naar zijn neus, struikelde achterwaarts en kwam op zijn billen terecht. Hij moest iets nats hebben gevoeld, want hij keek naar de palm van zijn hand, die rood zag van het bloed.          Uiteindelijk vereiste het vijf mensen om de jonge vrouw, die haar eigen kracht niet kende, in bedwang te houden.          Toen ze beloofd had om kalm te blijven, stond iedereen elkaar hijgend aan te kijken.          Enkele omstanders werden kwaad.           ‘Geef haar terug!’ riep iemand.          ‘Ja,’ zei nog iemand. ‘Geef haar terug!’          ‘Het is een jongen!’ zei Peter, met meer overtuiging dan ooit tevoren. ‘Het is een jongen, en zijn naam is Leo.’          Bij het horen van zijn naam begon Leo onbedaarlijke te huilen, alsof hij dacht dat zijn vader hem berispte.          ‘Bewijs het!’          Peter had het gevoel dat hij in een draaikolk verdween.          ‘Bewijs het!’          ‘Zijn jullie compleet gek geworden?’ hoorde hij zichzelf zeggen. ‘Mijn zoon zijn … spel aan jullie tonen? Mooi niet!’          Toen zag Peter de oma die bij het binnenkomen vertederd naar hem had geglimlacht. ‘Jij!’ zei hij. ‘Jij zag ons binnenkomen! Jij herkent ons! Je zag ons samen binnenkomen! Je glimlachte!’          Iedereen keek nu naar de oma, die rood aanliep. ‘Ik … Ik ben slecht in het herkennen van gezicht. Het spijt me.’          ‘Maar je herinnert je toch dat je een jongeman met een baby de winkel zag binnenlopen?’          Ze keek naar de grond.          ‘Godverdomme,’ zei Peter.          Toen werd het stil. De geladen stilte van een rechtbank, vlak voor het vonnis, wanneer de rechter de zaal binnenkomt en iedereen gaat staan als teken van respect. Het was een van de winkelmedewerkers die de stilte als eerste doorbrak, door zich hardop af te vragen waar de politie bleef, waarop de bewakingsagent, die de politie blijkbaar al had verwittigd, op zijn horloge keek en zei dat ze ieder moment konden arriveren. Dit korte gesprek, dat slechts uit een vraag en een antwoord bestond, uit een verzuchting en een poging om die verzuchting tegemoet te komen, zorgde er uiteindelijk voor dat de jonge vrouw onder de druk bezweek. Plotseling zette ze het op een lopen. De achtervolging werd ingezet, maar ze wist te ontkomen, en even later konden ze haar niet meer vinden.          De bewakingsagent werd gebeld. Samen met de manager haastte hij zich naar de ingang om de politie binnen te laten.          Het viel Peter op hoe traag de agenten kwamen aangelopen. Werd hen dit aangeleerd? Ren niet. Het veroorzaakt onrust en schaadt je gezag. Voor Peter werkte het. Hij voelde opluchting terwijl hij ernaar keek.          Ze vroegen om zijn identiteitskaart en namen de hare uit de Louis-Vuitton-handtas in het winkelwagentje. Vervolgens praatte de ene agent met Peter, terwijl de andere, die een eindje verderop liep, buiten gehoorsafstand, hen allebei natrok. Ten slotte zochten ze, opnieuw samen met de manager, de hele winkel af, voortdurend roepend dat ze haar geen kwaad zouden doen, maar enkel even met haar wilden praten. Om meer overtuigingskracht te hebben, gebruikten ze haar voornaam, die Shana bleek te zijn. Ze vonden haar onder in een rek in de speelgoedafdeling, waar ze deed alsof ze sliep.   * * *   Diezelfde dag nog werd Peter gebeld door een reporter van Het Laatste Nieuws, die er een artikel over wilde schrijven. Een mislukte kidnapping noemde hij het. Hij zei blij te zijn dat het goed was afgelopen. Zowel voor Peter als voor zijn lezers, die dat eigenlijk veel liever lazen. Om de vier à vijf zinnen moest de man de toon van zijn stem weer omlaag brengen, alsof hij zich telkens van zijn eigen opwinding bewust werd en ze vervolgens weer onderdrukte. Hij vroeg naar een foto van Leo, maar die wilde Peter hem niet geven. Hij plaatste nooit foto’s van Leo op sociale media. Waarom zou hij er dan een aan een reporter geven? De man liet een geforceerd lachje horen. Een paar uur later begreep Peter de betekenis van dat lachje, toen iemand hem het artikel doorstuurde. Direct na Leo’s geboorte had Peter één foto op Instagram gedeeld. Erop lag Leo ingebakerd in zijn ledikant als een ontpoppende vlinder. Precies die had de reporter gebruikt. Hoewel hij had gevraagd of hij foto's van Instagram mocht gebruiken, was Peter die ene foto van Leo vergeten.          ‘Misschien moet ik mijn ouders maar eens bellen,’ zei Peter tegen Lisa.          ‘Heb je dat nog niet gedaan?’ Vanaf dat moment nam Lisa de rol van woordvoerster op zich. De stroom mensen die wilden horen wat er gebeurd was, droogde niet op maar zwol juist aan, en Peter had er steeds minder zin in om erover te praten. Doorgaans richtten mensen zich tot hem, dus gaf hij altijd de eerste aanzet, waarna Lisa, die het al gauw beter kon navertellen dan hij, het van hem overnam.          Zodra ze wist dat alle ogen op haar gericht waren, boog ze naar voren over de tafel, alsof ze een geheim ging vertellen, en stak van wal.          Peter merkte een verandering bij haar op. Ze kreeg een glazige blik in haar ogen, haar schouders ontspanden, en ze frunnikte niet aan haar armbandjes, wat ze normaal wel deed als ze moest spreken voor meer dan één persoon.          Daarnaast waren er delen die ze overdreef. Zoals de soep. Als je haar mocht geloven, maakte ze iedere week soep, terwijl Peter de keren dat hij zich herinnerde op één hand kon tellen.           Ook haar ongerustheid dikte ze aan. Bij elke vertelling werd ze een beetje ongeruster, totdat ze welhaast in een staat van blinde paniek verkeerde. In werkelijkheid lag ze te slapen. Althans, dat vermoedde Peter. Ze veerde overeind toen hij, terug van de supermarkt, de woonkamer was binnengekomen. Hij herinnerde zich hoe het gele kussen waarop ze had gelegen zich langzaam weer volzoog met lucht.          Lisa noemde de kidnapster van haar zoon ‘die arme vrouw’ en viel zichzelf voortdurend in de rede om bij het onfortuinlijke lot van dat mens stil te staan. Ze was tenslotte een moeder, zei ze. Net zoals zij. Alsof het voor een vader minder erg was om zijn kind te verliezen.          Een keer, toen ze op het punt van de confrontatie was aanbeland, raakte ze zelfs een beetje van streek. Ze schraapte haar keel en schudde haar hoofd.           ‘Ik begrijp niet,’ zei ze, ‘hoe Peter kon aanzien dat die arme vrouw door vijf mensen in bedwang werd gehouden.’          Peter wilde haar een klap geven. ‘Die arme vrouw’ was gek. Ze hadden haar al veel eerder moeten opsluiten. Dat had de politieagent zelf aan hem toegegeven. Kennelijk was ze niet aan haar proefstuk toe; de vorige keer hadden ze haar moeten laten gaan wegens een gebrek aan bewijzen. Aan de andere kant hield Lisa hem uit de wind, dus liet hij het er maar bij.             Lisa rondde het verhaal af, waar ze het was begonnen: bij de soep. Peter stormde het huis binnen en stotterde wat er gebeurd was, nog voordat hij zijn jas en schoenen had uitgedaan. Onthutst door wat ze hoorde, nam Lisa Leo van hem over, trok zijn jasje uit en zette hem in zijn box. Toen ze Peter, die maar bleef ratelen, een knuffel gaf, voelde ze iets in zijn jaszak zitten: de bouillonblokjes. In alle commotie was hij vergeten te betalen. Ook de agent, onder wiens begeleiding Peter door de beveiligingspoortjes was gelopen, had de uitstekende doosjes niet opgemerkt. Hier moest iedereen altijd lachen. Het was een luchtige noot om op te eindigen, met name omdat Peter en Lisa dan begonnen te kibbelen over wat er met de bouillonblokjes moest gebeuren. Peter wilde ze alsnog gaan betalen, maar Lisa niet. Lisa wilde ze houden. Voor haar was het een vorm van schadevergoeding. Het was het minste, vond ze, wat Carrefour voor hen kon doen, na alles wat ze hadden moeten doorstaan.

Kenny De Thaey
0 0

EEN GEWAARSCHUWD MENS

Toen Rikkie mij vroeg om samen een drankautomaat te plunderen, wist ik dat hij de ware was.  Het was vrijdagavond, en ik zat aan een tafel bij het raam in het café waar we hadden afgesproken, toen ik iemand zag gebaren dat ik snel naar buiten moest komen. Ik herkende Rikkie niet. Ik had hem nog nooit in het echt gezien en op zijn foto’s droeg hij nooit een boerenpet. Sterker nog, als ik had geweten dat hij een boerenpet droeg, was ik nooit met hem op date gegaan.  Ik maakte een verrekijker van mijn handen en hield hem tegen het raam. Niemand anders had zulke oren, zonder één keer in de ring te hebben gestaan. Ik wees naar mijn volle glas bier, waarop Rikkie zijn portefeuille uit zijn achterzak haalde en erop tikte als een goochelaar. Met één arm in mijn jas liep ik naar buiten. ‘Kom mee,’ zei hij. ‘Ik wil je iets laten zien.’ Rikkie was een van mijn zesjes. Om het lot een rol te laten spelen op Tinder, sloot ik iedere zesde foto mijn ogen en swipte naar rechts. Soms waren zesjes knap, soms spuuglelijk. Maar om wekenlang mee te chatten waren ze net zo vervelend als al de rest. Behalve Rikkie. Rikkie was niet als eerste met mij beginnen te chatten, en daarom had ik besloten met hem op date te gaan. Ik hield van zijn onderkoelde reactie. Alsof hem iets gratis werd aangeboden wat hij eigenlijk niet nodig had. Waarom ook niet? ‘Wil je niet weten wat het is?’ vroeg hij. Hij liep zo snel dat ik moest rennen om hem bij te houden. ‘Nieuwsgierigheid is de remedie tegen verveling.’ Hij stopte en keek me onderzoekend aan. Het haar in mijn nek kwam overeind. Een van de voortekenen. Maar ik negeerde het. ‘We gaan bijklussen vanavond,’ zei hij ten slotte. ‘Die date doen we wel een andere keer over.’ Ik schudde met mijn hoofd. ‘Hij is precies goed zo.' We liepen verder en Rikkie praatte over mensen die hij kende en dingen die hij had meegemaakt, en zo nu en dan, als het onderwerp het toeliet, las ik tussen de regels dat hij me slim vond, of dat hij dacht dat ik zo door hem gezien wilde worden. Hij praatte veel, maar niet op de luide, domme manier van iemand die dronken was, en maakte weinig zinnen af, alsof hij meteen spijt kreeg van elke gedachte waaraan hij begon. Toen, na een wandeling van vijf minuten, trok hij me een donker steegje in. Het stonk er naar pis en afval en keukenlucht van goedkope restaurants. Het soort steegje waar vrouwen in films werden verkracht. Ik keek achterom. Niemand hier op dit uur. Zelfs geen keukenhulpje dat na een drukke service namaaksigaretten stond te roken. Halverwege, bij een grauwe gevel waarvan de onderkant enkele meters terugsprong, hield Rikkie halt. Zijn blik zocht naar bevestiging. Ik keek rond, maar ik zag niets wat de moeite waard was om te laten zien. Er zat een verroeste poort in de terugsprong, en ernaast tegen de muur stond een stoffige drankautomaat. Ik kon me niet voorstellen dat er achter die poort iets waardevols werd bewaard. En wat de automaat betrof, het was een oud model. Dat zag ik aan het paneel. Bovendien brandde de verlichting niet, en dus dacht ik, net als iedereen die erlangs liep, dat het ding buiten werking was. ‘Telkens als ik er een zie,’ zei Rikkie, ‘druk ik op de muntretourknop. Een oude gewoonte. We hadden niet veel geld thuis. Maar let nu goed op.’ Rikkie liep naar de automaat en drukte op de knop. Het geluid van iets zwaars dat in een holte naar beneden tuimelde. Hij bukte zich en grijnsde me toe, voordat hij zijn hand door het luik stak en een blikje Coca-Cola tevoorschijn haalde. ‘Alsjeblieft,’ zei hij. ‘Voor daarnet.’ Ik hield het blikje ondersteboven. Het was niet over datum. ‘En hij doet dat iedere keer?’ vroeg ik. Rikkie knikte. ‘Hoeveel denk je dat erin kunnen?’ ‘Geen idee,’ zei ik. ‘Doe een gok.’ ‘Honderd.’ ‘Tweehonderd tot vijfhonderd,’ zei hij. ‘Afhankelijk van het model.’ Rikkie had geen auto, en aangezien hij degene was die de automaat had gevonden en we afspraken om de buit gelijk te verdelen, leek het me fair dat we mijn wagen gebruikten. Maar eerst gingen we terug naar het café om mijn fiets te halen. Daarna liepen we, ik met mijn fiets aan de hand, in de richting van mijn appartement. Toen we bij het gebouw aankwamen, vroeg ik Rikkie om beneden te wachten, wat hij niet erg vond.  In de lift zei de stem in mijn hoofd: ‘Je kunt nog stoppen. Het is nog niet te laat.’ Maar toen ik door het raam in mijn appartement naar beneden keek en Rikkies boerenpet zag, deed ze er het zwijgen toe. Ik liep naar mijn slaapkamer en kleedde me uit. In de plaats van de rode jurk trok ik een zwarte jumpsuit aan. Dat leek me gepaster bij de gelegenheid. Enerzijds wilde ik dat Rikkie zag dat ik het serieus meende. Anderszijds was ik bang dat hij me zou uitlachen. Ik bekeek mezelf in de spiegel en stiftte mijn lippen. Toen ik op de benedenverdieping uit de lift stapte, was Rikkie al in de hal. Hij stond voor de glazen deur te wachten tot ik opendeed. Ik beeldde me in dat de hal een gevangeniscel was en dat hij me smeekte om hem vrij te laten. Ik moest me door mijn verbeelding hebben laten meeslepen, want ik leek uit een droom te ontwaken, toen hij mijn naam riep en met zijn vinger op het glas tikte. Samen liepen we de wenteltrap naar de ondergrondse garage af. Toen hij mijn bestelwagen zag, die in het enige vak stond waarboven geen armatuur hing, verstijfde hij. ‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Waarom hangen er belletjes aan?’ ‘O,’ zei ik, bijna vergeten hoe zonderling andere mensen mijn wagen vonden. ‘Ik kocht hem vijf jaar geleden van een man die in de nesten zat en snel geld nodig had. Tweeduizend euro. Op voorwaarde dat hij hem op elk moment van mij mocht terugkopen. Wat hij nooit deed. Ik heb de bestickering er proberen af te halen, maar dat is niet zo goed gelukt, zoals je kunt zien. Ik zweer het je, het gaat snel vervelen, dat gebons op je deur telkens als je ergens stilstaat. Maar ik gebruik hem vooral als camper, stop mijn bagage in de vriezers. Het is verbazend hoeveel erin past.’ Rikkie maakte aanstalten om weg te gaan. ‘Waar ga je naartoe?’ vroeg ik. ‘Weg.’ Ik liep achter hem aan en pakte zijn arm beet. ‘Waarom?’ ‘Waarom?’ zei hij. ‘Het is een ijscowagen. Je kunt net zo goed je identiteitskaart achterlaten op de plaats delict.’ Ik liet zijn arm los. ‘Je doet net of we een moord gaan plegen.’ ‘En jij doet net of we een asbak gaan stelen.’ ‘Het zijn maar een paar blikjes,’ zei ik. ‘En het is niet eens jouw wagen. Als ze ons betrappen, zeg dan dat je me niet kent, dat we op date zijn. Je hoeft niet eens te liegen.’ Rikkie bewoog zijn getuite lippen heen en weer. Toen liep hij naar het portier en stapte in. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij, zodra ik achter het stuur ging zitten. ‘Dit is een date.’ Ik startte mijn wagen en reed de ondergrondse garage uit, een beetje geïrriteerd door het feit dat hij de belletjes had opgemerkt, maar niet mijn jumpsuit. Toen hij zijn pet op het dashboard legde, zag ik dat hij kalend was. Daar zat ik niet mee. Zijn hoofd had een mooie vorm. Ik dacht erover hem een compliment te geven, over de vorm van zijn hoofd, maar ik was bang dat het een gevoelig onderwerp was. Waarvoor droeg hij die anders? Toen we bij het steegje aankwamen, aarzelde ik om het in te rijden. ‘Wat is er?’ vroeg Rikkie. ‘De schuifdeur,’ zei ik. ‘Ik begrijp het niet.’ ‘Hij zit aan de verkeerd kant.’ Rikkie tuurde het steegje in. Toen zei hij: ‘Dan rijden we er toch gewoon aan de andere kant in?’ Een luide motor haalde ons in. Ik wachtte tot hij weg was. ‘Te nauw,’ zei ik. ‘Als er een tegenligger opdoemt, mogen we achteruit terug. Vijfhonderd meter, oog in oog, voorruit tegen voorruit. Nee, ik heb een beter idee.’ Ik deed mijn richtingaanwijzer aan en sloeg linksaf het steegje in, de rijrichting volgend. Ik reed traag, hield mijn spiegels nauwlettend in het oog en negeerde Rikkie telkens als hij voorstelde om uit te stappen. Als ik hulp nodig had, zou ik het wel vragen. Toen ik in het donker de automaat ontwaarde, trok ik mijn handrem omhoog en deed mijn raam omlaag. De motor liet ik draaien. Daarna klauterde ik de laadruimte in, pakte een handdoek van het schap en gooide hem in Rikkies schoot. ‘Iemand haalt de blikjes eruit,’ zei ik. ‘En iemand blijft in de wagen om ze aan te nemen en in de vriezers te stoppen. Ik stel voor dat ik in de wagen blijf, aangezien ik de chauffeur ben.’ ‘Waar dient de handdoek voor?’ vroeg Rikkie. Zijn vraag verbaasde me. ‘Om het geluid te dempen.’ Zeven seconden deden we erover om op de retourknop te drukken, het blikje uit de automaat te trekken, drie stappen te zetten, het blikje door te geven, en het in de vriezer te leggen. Op die manier zouden we al snel een uur zoet zijn. Nadat ik nog een blikje in de vriezer had gelegd, zocht ik naar een krat zodat Rikkie niet voortdurend heen en weer hoefde te lopen. Onder de bestuurdersstoel vond ik een ingeklapte plooibox van Collect&Go. ‘Hier,’ zei ik, toen hij weer aan mijn raam verscheen. ‘Dat gaat sneller.’ Rikkie klapte de box uit, zette hem voor de automaat neer en begon hem te vullen. Maar in plaats van dat hij de blikjes op hun zij legde, zette hij ze recht, hoewel hij er zo veel minder in zou krijgen. Ik besloot er niets van te zeggen. Ik wilde niet bazig overkomen.  Maar wat zou hij straks doen terwijl ik de box leegde? Ik schudde met mijn hoofd. We hadden hier niet goed over nagedacht. Niet goed genoeg. Maar de volgende keer zou het vlotter gaan. Snelle voetstappen. Terwijl ik ons werk stond te evalueren, zag ik Rikkie door de voorruit wegrennen. Hoewel ik meteen zag dat hij het was, duurde het enkele seconden voordat ik het echt geloofde.  Ik keek door de achterruit. Een struise politieagent beende in de richting van mijn ijscowagen, pratend in de portofoon hoog aan zijn borst. Achter hem, in de smalle strook van de overstaande gevels, piepte de stompe neus van een patrouillewagen. ‘Fuck.’ Wat moest ik doen? Als ik wegreed, leek ik verdacht. Als ik niet wegreed, werd ik het misschien.  Ik kon niet kiezen. Ik ging achter het stuur zitten en deed mijn gordel om. Kon hij me daarvoor tenminste al geen bekeuring geven.  Tien meter. Negen. De dispatcher zei iets over een steekpartij. Ik moest iets doen. Ik griste mijn smartphone uit het vakje in het dashboard en belde het laatst gebelde nummer terug. Voicemail. ‘Rikkie,’ zei ik. ‘Ik ben het, Lilly.’ En weerstond de verleiding om in mijn achteruitkijkspiegel te kijken. ‘Ik bel gewoon om te zeggen dat ik het leuk vond vanavond. Hopelijk vond jij dat ook? Ik denk dat je het leuk vond. Maar vond je het ook zo leuk dat je nog een keer wilt afspreken? Je was plots weg. Zoiets hoor je aan het eind van een date te zeggen, Rikkie, of je dat wilt. Je mag een meisje niet in het ongewisse laten. Daar …' Toen verscheen de agent aan mijn open raam, met zijn rug naar de automaat en de handdoek en de voor de helft gevulde plooibox. Ik deed of ik schrok. Beleefd sneed de agent met zijn vinger zijn keel door. ‘Ik moet ophangen,’ zei ik. ‘Bel me terug, oké? Bye.’ 'Juffrouwtje,' begon de agent. ‘Ik vind het helemaal top dat u uw voertuig aan de kant zet om te bellen. Maar u blokkeert de doorgang. Er kan zelfs geen fietser meer langs.’ Hij wierp een blik opzij. Ik stak mijn hoofd door het raam. Achter me stond inderdaad een fietser. Waar kwam die ineens vandaan? ‘Het spijt me,’ zei ik tegen de agent en trok mijn hoofd weer naar binnen. ‘Ik had mevrouw niet gezien. Anders was ik meteen doorgereden.’ Hoelang stond ze daar al? En waarom had ze niets tegen de agent gezegd? ‘Voor één keer zal ik het door de vingers zien,’ zei hij. ‘Maar denk eraan, een gewaarschuwd mens telt voor twee.’ ‘Dank u, meneer de agent. Dank u.’ De struise man keerde zich om en liep terug naar zijn patrouillewagen, zonder iets te hebben opgemerkt.  Toen ik mijn motor wilde starten, hoorde ik een snerpend geluid. Hij draaide nog. Ik pakte mijn stuur vast, ademde in en uit. Vervolgens ontgrendelde ik mijn handrem en reed weg, met de fietser in mijn kielzog, en in haar hoofd, mogelijk, het geheim van onze misdrijf. Ik weet niet wat me bezielde, maar ik ging terug en maakte de klus af. Het had zomaar gekund dat de agent nog eens langs het steegje was gereden en mij daar weer had zien stilstaan. De smoes van het telefoontje zou niet meer hebben gewerkt. Maar dat deed hij niet. De volgende dag zat ik op de grond in mijn appartement en telde de blikjes, die boven me uit torende als stalagmieten in een grot. Honderdachtennegentig. Meer dan ik in mijn eentje kon opdrinken. Minder dan Rikkie had gehoopt. Zou hij me ervan verdenken een deel achter te houden? Ik stuurde hem een appje. Ik repte niet over wat we hadden gedaan. Dat zou onprofessioneel zijn. Ik schreef alleen dat ik zijn pet had - ze lag nog steeds op het dashboard, waar hij ze had achtergelaten - en dat ik ze hem, al hield ik er eigenlijk niet van, op onze eerstvolgende date zou teruggeven.✦  

Kenny De Thaey
3 0

EXAMEN

Het was waar wat zijn vader tegen hem had gezegd, dat het binnenkort mei was en dat hij nog steeds dezelfde stomme liedjes speelde als in september. Josse was al blij dat hij ‘liedjes’ zei, en niet ‘gepingel’. Intussen was het mei en had Josse enkele inspanningen gedaan, maar veel hadden die niet opgeleverd. De eerste vier maten kwamen er vlot uit. Daarna was het behelpen. Maar juf Marleen zou hem er wel doorlaten. Ze had gezegd dat hij talent had. Op de bus gaapte een meisje Josse aan. Ze zat omgekeerd op haar stoel met haar kin op de rugleuning. Haar moeder, die naast haar zat, was bang dat ze op haar tong zou bijten als de bus over een hobbel reed. Toch bleef het meisje kijken. Ze dacht waarschijnlijk dat hij Rodrigo van Rodrigo y Gabriela was. Of iemand anders als ze die niet kende. Dat vond Josse nou zo leuk aan een gitaar op je rug. Zolang de hoes dicht bleef, wist niemand of je er ook wat van kon. En de meesten gaven je het voordeel van de twijfel. Terwijl er toch meer slechte dan goede gitaristen rondliepen. Toen hij via de poort naar binnen wilde, bleek die op slot te zijn. Een pijl op een blad wees naar rechts. 'De deur is open,' zei een voorbijlopende man in overall. Alsof Josse die niet had kunnen vinden zonder zijn hulp. Binnen in het oude gebouw hingen nog meer pijlen. Josse volgde die waar juf Marleen op stond. Na een poosje wist hij niet meer of de uitgang zich voor of achter, boven of onder zich bevond. Te veel trappen, op en neer. Te veel bochten, naar links en naar rechts. Maar om straks de uitgang terug te vinden, hoefde hij alleen maar de pijlen in de omgekeerde richting te volgen. Waarom zat juf Marleen trouwens niet in haar normale lokaal? De laatste pijl was geen pijl, maar een woord, namelijk examen. De leerling vóór hem moest net naar binnen zijn gegaan, want Josse hoorde doffe, beleefdheden uitwisselende stemmen. Hij haalde zijn gitaar van zijn rug en ging op een van de stoelen zitten tegenover de deur. Juf Marleen klonk een beetje geirriteerd, vond hij, boog al haar zinnen naar beneden af. Tja, het moest verschrikkelijk zijn voor iemand als zij om de hele dag naar knoeiers te moeten luisteren, en het niet te mogen laten merken. De mannenstem - Tristan? - gaf korte gehoorzame reacties. Voorzichtig boog Josse naar voren en las de namen op het schema onder het blad met examen. Zijn naam was als enige doorgehaald en opnieuw geschreven. Hij had nochtans geen moeilijke naam. Er stond iemand op die Guilherme heette en dat had juf Marleen meteen goed geschreven. Josse dacht dat het de Portugees was, die volgens hem te goed speelde om les te volgen. Hij speelde fado. Twee noten maar, zei hij altijd met een zwaar accent. Fa en do. Om te begrijpen wat er toen gebeurde, hoefde Josse niets te kunnen horen. Voetsteun open, bladmuziek op pupiter, gitaar uit zak - altijd hetzelfde. Een gewone les eigenlijk. Behalve dan dat je er een cijfer voor kreeg. Een belangrijk cijfer. Een héél belangrijk cijfer. Een cijfer dat bepaalde of je slaagde. Maar er werd altijd rekening gehouden met het volledige schooljaar. Met de evolutie die je had doorgemaakt. Toch? Toen werd het stil. De eerste noten weerklonken. Josse herkende het stuk niet. Hoewel het hetzelfde moest zijn. Toen begreep hij dat het kwam doordat Tristan het op een bijzondere manier speelde. Maar het was wel degelijk hetzelfde. Tegelijk volgde hij slaafs de partituren en week er radicaal van af. Josse vond het prachtig, en na enkele maten kon hij zich al niet meer voorstellen dat je het op een andere manier zou spelen, alsof zijn verbeelding door die van Tristan met stomheid was geslagen. Nog even koesterde hij de hoop dat Tristans vingers moe zouden worden en steeds klunziger zouden beginnen te spelen, als marathonlopers tijdens de laatste meters. Maar, zo moest Josse toegeven, naarmate het stuk vorderde, speelde hij zelfs beter dan aan het begin. En toen kwam de finale. Met de fis. Met het barré-akkoord. Met de positieverandering, die Josse telkens in moeilijkheden bracht. Zijn hart bonsde in zijn keel. Tristan ging het klaarspelen! Tristan was bezig met het klaar te spelen! Tristan speelde het klaar! Terwijl de laatste noten van het stuk langzaam wegstierven, merkte Josse dat hij van opwinding was gaan staan en liet zich neervallen in zijn stoel. Dit zou hij nooit kunnen. Hoe vaak hij ook zou oefenen. En gitaar was Trinstans tweede instrument! Zijn eerste was piano. Piano! Die moest je met twee handen tegelijk bespelen. Twee handen en twee voeten als je de pedalen meetelde. Ineens was de irritatie in juf Marleens stem weg. Toen hij handgeklap meende te horen, hield Josse het niet meer uit. Hij stond op, pakte zijn gitaar en beende weg. Aanvankelijk voelde hij zich opgelucht. Hij kon dit zomaar doen. Hij kon weglopen van een examen en niemand kwam vanachter een krant tevoorschijn om hem te arresteren. Hij was vrij! Hij had niet durven omkijken en was even bang geweest een andere leerling tegen het lijf te lopen, die hem natuurlijk zou vragen hoe zijn examen was geweest. Maar zodra hij een straat was afgeslagen, gleed alle spanning van hem af. Bijna alle spanning. Het was nog niet te laat. Hij kon nog terugkeren. Maar zijn benen gehoorzaamden niet. Ze brachten hem steeds verder weg van de muziekschool, steeds dieper de stad in, waar het leven al vollop op gang was. Onwillekeurig kocht hij een ijsje in een kraam en ging het opeten in de zon op een kade. Een toeristenbootje voer langs. Twee meerkoeten trapten naar elkaar in het water. Hij keek naar de toren achter zich. Zeven over tien. Als hij nu niet meteen vertrok, zou juf Marleen hem een onvoldoende geven. Dat had ze duidelijk gemaakt in haar mail. Wie meer dan tien minuten te laat komt, zonder vooraf te verwittigen, mag niet deelnemen aan het examen. En ook nog: Om deel te mogen nemen aan het herexamen in augustus, moet de leerling tijdig een geldig ziektebriefje kunnen voorleggen. Josse draaide zijn ijsje rond in zijn hand en likte de druipers op. Tot de volgende bus doolde hij maar wat rond. Hij ging een paar winkels binnen en keek naar het waar, zo nu en dan interesse veinzend als er een verkoopster naar hem toe kwam. Zogenaamd onopvallend. Zag hij er soms uit als een dief? Hij zat op een bankje, liep rond, zat nog wat op een bankje. Toen hij in een openbaar toilet een man met een saxofoonzak op zijn rug passeerde, sloeg hij de ogen neer en keek naar de grond. Met het wisselgeld dat hij van zijn moeder had mogen houden kocht hij een cola in een brasserie. Terwijl hij naar de mensen buiten op het terras keek, zag hij in de verte een magere jongen met zwarte krullen lopen. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. Toen de jongen breed glimlachend zijn hand naar hem opstak, wist hij het zeker. Het was Tristan. Vlug legde hij zijn gitaar op de grond, schoof ze onder de bank waar hij op zat en verzekerde zich ervan dat de riemen niet uitstaken. 'Kwam jij niet na mij?' vroeg Tristan, toen hij de brasserie binnenkwam. Hij zette zijn gitaar tegen de muur en nam plaats aan het tafeltje bij het raam. 'Waar is je gitaar?' 'Ik ben gestopt,' zei Josse. 'Gestopt?' 'Met les.' Tristan keek verbaasd uit zijn ogen. 'Wat vinden je ouders daarvan?' Josse haalde ze schouders op. 'Zo oneerlijk!' stootte Tristan uit. 'Als ik zou stoppen met gitaarles, als ik zelfs nog maar over stoppen zou beginnen, zouden mijn ouders mij vermoorden. Eerst mijn vader, dan mijn moeder. Stoppen? Geen optie bij de Wittoucks.' Tristans ouders waren allebei klassieke muzikanten. Toen vroeg hij: ‘Maar waarom ben je hier dan?’ De vraag overviel Josse. Maar voor hij iets kon bedenken, begon Tristan al over iets anders. 'Ik heb juf Marleen afgedroogd,' zei hij. 'Gewoon wat neo gespeeld en het mens at letterlijk uit mijn hand. Mijn vader heeft gelijk over haar. Ze is een uitstekende lerares voor kinderen. Ik denk dat ik haar ga ditchen. Wil jij nog iets te drinken?' Josse bleef in de brasserie tot Tristan weg was, waardoor hij zijn bus miste. De volgende kwam pas vijfentwintig minuten later, zonder meisje erop. In tegenstelling tot wat hij had gevreesd merkte niemand zijn laattijdige terugkomst op. In zijn kamer pakte hij zijn gitaar uit de zak, ging ermee op de rand van zijn bed zitten en speelde zo hard als hij kon, hopend dat ze daardoor beneden de televisie niet meer zouden horen.✦     Foto: Andrea Riondino  

Kenny De Thaey
5 0

Opleiding

Bachelor orthopedagogie, Copywriting, SchrijversAcademie

Publicaties

Bloemlezingen

Mijn tweede stem, Om Gent gedicht

Tijdschriften

De Geus, Poëziekrant, Leeswolf

Podia

Kunstenfestival Watou, Nacht van de Poëzie, Poëzienacht

Prijzen

Winnaar Poëziewedstrijd Hogent, Finalist BK Poetry Slam, laureaat Masterclass Copywriting