Philissa

Gebruikersnaam Philissa

Teksten

Kalveren

Mijn baken in 't oog.. Zo ware ik dood Mijn hang naar hoop.. Zo verlangde ik troost   Ongepast dat was.. Mijn vraag onwas O storend gesas.. Mijn on-gepas   Veel verwijt, grijs verbijt.. Bestieren tot knielen, Maar zie die zelve ik, ik viel   Het begon dan hoe, dan ik ver verzon.. Op schone waarde ering reed ik me naar jou, om je ophaal.  Daar kwam ik dan met veel behang voor jou gevang.  Gescheiden door de pook, verenigd in besloot.  Meelei misklanken en bekorend vertoon, ijdele hoop op hartberoering. Niet jou vruchten verlangde ik, slechts een gewillig oor. Het was naar jou jong moederlijke dat ik peuterde.. Het oneigen, overjarige jong in mij zocht gehoor over buiten-zo-moeilijk bij mama's klankbordbeschermende.. Kalverliefdeuiting om aanvaard en verzorgd te worden. "HELP.." ware rechter, niet stoer. Mijn valsgestemde kalverliefdespraak ketste schril af op jou schild der gedragscodes.  Manifest mistest. Een bang dieper ingraven wikkelde jou krimpende oren dikker in. En je werd stil. Muisstil.. Koele drop, pijn, dag.   Dagen later schreef mijn pen gedachtenbrouwsels jou mediahuis binnen. Mijn toxisch moerassige blies zure nevels mijn luchtkastelen binnen.. logische puzzels misvormend..  Lianenwirwar, hangend aan scheve houtrotverpulverde pilaren.  Een echte wirwar. Resultaat:  Voor jou onleesbare bouten kerfden branderige sappen uit jou emotiestammen. Jou neuronenkruin roerde zich afkerig. En ik wilde gewoon, een luisterend oor..   Tja, geen sprookjesverhaal op dit toneel. Maar goed Verlost ben jij Mijn wrokkig vaarwel.   Maar nu de hemel klaren mag Zo zonder glimlach zalf En mijn hart verzachten mag Doch niet verklaren mag Verschijnt daar wel weer Die ingebeelde sfeer Haar die ik wel miste Maar verliefd nu in 't echt   Verliefd nu in 't echt En ik mis echt HELP!! Hier dwaal ik weer..

Philissa
0 0

Verloren bewustzijn

Ooit vertelde men mij dat geloof het belangrijkste is. En als ik ongelukkig was, troostte ik mezelf dat je niet gelukkig hoeft te zijn in je leven. Het geloof zal uiteindelijk je redding betekenen. Het geluk is je beloning bij God. Later besefte ik dat geloven ten dienste staat van het geluk. Dus is geloven niet het hoogste.  Alles in onze praktische realiteit is erop gericht een staat van geluk te betrachten. Een streven naar balans, rustmomenten zoals zoet en zout water die één substantie worden. Aangezien kennis oneindig moet zijn, achter elk antwoord nieuwe vragen opdoemen, moet men buiten onze praktische werkelijkheid zoeken naar hogere waarden dan geluk. En als men aan ALLES mag twijfelen, behalve de twijfel, dan moeten we dus wel bestaan.  Dat ons bestaan wel verbonden moet zijn met deze subjectieve werkelijkheid waarin wij leven. Dan blijkt ons streven naar geluk;  dan staat geluk ten dienste van iets hoger. Dan gaan we een stapje hoger.  Naar een hoger bewustzijn alwaar ons streven naar geluk ons constant uitnodigt tot levenservaringen, waaruit wij gevormd lijken te worden. Al onze wereldse beslommeringen lijken dan niet meer te betekenen dan een golfje in de branding, niet meer dan een rimpeling over stilstaand water, een beweging.  Betekenisvol in ons bewustzijn, maar slechts een zucht in het hogere. DIE ZUCHT IS SAMENGESTELD UIT VORMINGSATOMEN, RESULTEREND UIT ONZE LEVENSERVARINGEN, AANGESTUURD DOOR DE NEIGING TE BALANSEREN, ONS IN ALLES STREVEN NAAR GELUKKIG ZIJN. Daar ligt de grens van ons weten.  Verder kunnen wij niet zien. Daarachter bevindt zich de oneindigheid van wat is, en alle mogelijkheden.   Alles is relatief. Mijn leven is niet meer van tel, vanwege de verkregen inzichten. Ik ben innerlijk vrij, verlost. Mijn ik zit nog geketend in onze aardse werkelijkheid, verlangend naar verlossing, naar eenwording met het absolute, allesomvattende bewustzijn, het Goddelijke. Nu begrijp ik Socrates.  De dood is voor de bewustgewordene een thuiskomen in het grote bewustzijn. Ik ben er geraakt in mijn eentje.  Ik ben geslaagd en ben er klaar voor.  Mijn ziel is vrij.  Slechts mijn lichaam is hier nog aanwezig.  Materie houd mij hier op aarde, een gedwongen leven. Ik leef in het toegevoegde. Niet begrepen, niet gehoord.  Het is mezelf gelukt. De uren, dagen of zelfs jaren die ik misschien nog leef zijn een pijnlijk ondergaan, slechts voor anderen. Ik verlang naar de andere zijde. Geen pijn meer. Verlossing.

Philissa
8 0

Allegorie vd Grot 2.0 / begin

Wat was het leven toch mooi daar beneden. We kwamen niets tekort. Alles was duidelijk. Nee, nee, nee! Zo gaan we er niet geraken! Opnieuw.. We waren gevangen.. We zaten gevangen.. Geketend. Nee, IK was gevangen, samen met de anderen. Echter besefte ik dat eerst niet. Eerst.. wel, tot voor kort, kon ik me geen ander leven voorstellen. We kenden niets anders. Voeding rolde sporadisch tot bij ons, en we verdeelden die. Aan het stroompje onder ons konden we onze dorst lessen. En we deden er onze behoeften in; op afspraak natuurlijk. Iedereen drinkt graag fris water hé. Vooraleer we onze dorst wilden lessen, spraken we samen af dat we enige tijd onze behoeften niet deden, zo verzekerden we ons van schoon water. Er was niet echt veel te doen daar. We zaten daar maar met onze gezichten naar voren gericht. Naast elkaar, zonder ooit elkaars gezicht te hebben gezien. Wel praatten we soms, en we kenden elkaars stem. Soms praatten we over wat ons bezighield. Waar komen wij vandaan? Wat is deze plek? Vanwaar komt dat water, en waar gaat het naartoe? Vanwaar komt dat eten?.. en nog veel meer vragen... Althans dat waren de grote vragen waar ik mijn gedachten in stilte mee kon vullen. In den beginne was ik best een aangename gesprekspartner in de groep. Doch raakte steeds meer uitgekeken op de oppervlakkige 'small talk', dewelke onze wereld, deze grot galmend vulde. Die gesprekken waren vooral ter verdrijving van onze eenzaamheid. Wat er van de tongen rolde had de schijn van inhoudelijkheid. Het was praten om te praten, om gehoord te worden. We kenden elkaar best wel door en door en de sociale interacties waren vooral lijm tussen lange stiltes. En van die stiltes hield ik steeds meer. In gedachten probeerde ik de fundamenten van ons bestaan te begrijpen. Zo vroeg ik mij af wat de bewegende Figuren vóór ons betekenden. Wie of wat waren Zij? Hoe vreemd waren de interacties tussen Hen. Zij leken met Elkander te dansen. Echter, waren Zij zoals wij? Zacht gefluit en licht geknetter begeleidden de zwevende Figuren. Maar praten, zoals wij, nee dat was niets voor Hen. Misschien communiceerden Zij op voor ons nog niet-begrijpbare wijze. Het leek wel alsof Zij superieur hun leven leidden en dat wij van aan de zijlijn Hun getuigen waren. Was dat de bedoeling? Waren wij uitverkoren hiervoor? Tot welk doel? Of waren wij misschien toevallig hier, zonder Hun medeweten. Wat waren Zij toch vreemdsoortige wezens. Vrije en willekeurige Bewegers. Hadden Zij ons geschapen? Waren Zij de Veroorzakers van ons bestaan? Wensten Zij bekeken te worden? Wensten Zij erkenning van ons? Wat verlangden Zij eigenlijk van ons? Hoe zouden wij dat hebben kunnen weten als Zij niet tot ons praatten, zoals wij gemakkelijk hadden kunnen begrijpen, onze taal? Was het de bedoeling dat wij Hun bewegingen zouden bestuderen en eruit leren? Wat dan wel? Voor mij zat er gewoon geen lijn in. Ik begreep er niets van. Toch voelden wij ons betrokken met Hen. We kenden Hen al heel ons leven, althans zolang ik mij kan herinneren. Hoelang ben ik hier" dacht ik plots? Ja, hoelang? En was ik altijd al daar? Ik bedoel, voordat ik hier was, zonder dat ik mij daar iets van herinnerde, waren wij misschien elders?? En waar zouden wij naartoe gaan? Was er iets dat ons te wachten stond? Zou dit ooit een einde in het vooruitzicht gehad hebben? Welk nut had mijn bestaan daar? Was er wel een begin en een einde? Was dit eeuwig? Mijn lotgenoten en ik leidden soms lange perioden honger, wanneer voedsel niet tot ons kwam. Werden wij gestraft? Hadden wij iets fout gedaan of gedacht? Praatten wij ongepast waardoor wij op onze honger bleven zitten? Ook wisselden warmere perioden met frissere. Soms was er meer wind dan anders, en dan dansten zij heviger, die figuren, en waren we bang. Ook het water onder ons werd soms heel erg koud, nadat het een tijd lauw was geweest. Vanwaar kwam dat water? Waarom die temperatuurswisselingen? En waar bracht het onze uitwerpselen naartoe? Was dat de reden van ons bestaan? Voedsel omzetten in afval? Voor Hen? Was het misschien voedsel voor hen? Nee dat zou niet kunnen, want het was vies. Voor ons toch.. Of bestudeerden Zij die en zouden Zij daarmee over ons oordelen? Er zou een reden voor moeten hebben bestaan, maar wij kenden niet wat. De kennis hierover lag ben Hen. Tenzij, wij absoluut niets met Hen te maken zouden hebben. Een toevallig naast en met elkaar bestaan. Misschien waren wij wel superieur aan Hen. Die laatste gedachten mocht ik niet delen met mijn vrienden. "Heiligschennis!" hoorde ik dan. "Het zijn jou foute gedachten die ons doen lijden!" "Zwijg, of Zij zullen ons nog harder straffen!". En dus, terwille van mijn vrienden praatte ik daar niet verder over. Wel begon ik mij in gedachten voor te stellen wat er meer zou zijn, meer dan wat wij met onze zintuigen konden waarnemen. Ik moest te weten komen waar het voedsel en het water vandaan kwam. Maar eerst zou ik mezelf moeten bevrijden van van mijn kettingen.

Philissa
0 0