Mijn dochter heeft wilde plannen.
Die bewaart ze voor het buitenland, zegt ze.
Niet omdat het gras groener zou zijn, wel omdat ze het soort gras zoekt dat knispert en in vlam schiet van verlangen.
Ze ziet zichzelf als een stip in de woestijn, waar zand haar eelt schuurt, haar voeten houwt tot het beeld waar ze al lang van droomt.
Ze lijkt al onderweg, hoog op de kamelen die haar moeiteloos vinden, alsof hun neus haar dromen ruikt. Zo hoog in het zadel proeft ze een andere atmosfeer: ze hapt de ijle lucht die haar bedwelmt met avontuur.
Nog voor ze vertrokken is, krijgt ze dorst.
Zo gaat dat met dromen: ze laten zich niet stillen met water. Al drinken de kamelen zelden, toch krijgt ze een slok verbeelding. Haar dorst is zo snel gelest dat de oase gerust nog even kan wachten.
Ze verlangt alweer naar het binnenland, nu het buitenland haar even binnenstebuiten keerde.
