Dauwverdriet

28 aug 2026 · 27 keer gelezen · 0 keer geliket

Elke nacht schuif ik langzaam mijn koele, zijden laken over jou heen, mijn ongenaakbare wijnrank. Midden op de heuvelflank vond jij je plaats, knoestig en diepgeworteld. Je bladeren zijn net iets zwaarder geworden door je vele zomers, je takken met rijpe vruchten vormen een complex doolhof. Zo teder als ik kan betast ik je ruwe bast, zoek ik je diepste groeven en bedek ik je met mijn glanzende vloeibare wezen. Ik ben er weer, fluister ik, in jouw eeuwige komen en gaan. Ik balsem je stroefheid, en tegelijkertijd omhul ik jouw fluwelen trossen met mijn adem. 

In de eeuw dat jij vastberaden op de heuvel wortelde, mijn prachtige rank, heb ik nog nooit mijn belofte verbroken. Elke nacht glijd ik weer dichter bij jou. Jij kent mijn seizoenen: mijn speelse parelende druppels op je bladeren in de lente, mijn zware neveltranen die zich als een wintermantel over je takken spreiden zodra de weemoed van de herfst door de late zomerwarmte bloedt. Voor jou laat ik mijn druppels zacht volgroeien, mijn welvingen gevuld met een zoete melancholie. Ik vlei me tegen je harde huid, hopend op een moment dat je me eronder trekt, diep in je trage warme aderen en in je solide kern. 

Je gouden bladeren kleden zich al voor de komende koude. Met mijn aanraking wil ik ze dragen, verwarmen, maar ik ben slechts vluchtig water op zoek naar vrijheid. Soms haat ik mijn vergankelijkheid. Op die momenten wil ik in je doordringen, me in je sappen laten sijpelen. Ach, vang me in de schil van je vruchten, en laten we ons bedwelmen door de roes die straks wijn zal zijn.  

De dag breekt in zacht rood over de heuvelflank. Straks verdwijn ik weer in het ijle, in het onzichtbare, kloppende hart van een kraakvers etmaal. Mijn vloeibare lichaam spant zich nog een laatste keer rond je lijf en dan laat ik je los. Het is tijd om te verdwijnen. Het ondraaglijke begint. Aan het verdampen kan ik wennen, maar niet aan de gedachte dat mijn overgave alweer niets veranderde. Mijn geweven welvingen lossen op in het niets, in het ongrijpbare diffuse licht. Ik stijg op met de gedachte dat ik het morgen opnieuw zal doen. En overmorgen. Telkens opnieuw. Het is bijna te zwaar om te dragen, die scherpe honger die nooit stilt. 

Terwijl ik oplos, blijf je staan. Je zal blijven wat je bent: geworteld en onverstoorbaar, alsof mijn eeuwige komen en gaan je nooit heeft beroerd. Er rest me enkel nog het etherische. Ik zal weer verdwijnen met niets meer dan het verlangen naar jou, die ik zo goed ken maar nooit werkelijk heb kunnen bereiken.


Geïnspireerd door het nummer ‘Dew on the vine’ van Bear’s Den

 

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

28 aug 2026 · 27 keer gelezen · 0 keer geliket