Gelijk de mol door zijn vertrouwde gangen doolt. Zoals de welpen in hun hol de oude raaf verslinden.
Het is precies een dag die om vier muren vraagt. Het is misschien een lijk dat liever in een kist vertoeft.
Op het dak ligt de zon. Alle warmte stierf deze nacht. Ze is verkoold. Zwarter dan mijn laatste hoop.
Isoleer mij dan. Dat zijn geen woorden van een dak, noch van een muur. Zo sprak een ziel die mensen vreest.
De mol stuurde een brief, waarin hij met bedeesde woorden naar een nieuwe maan verwees.
Kom je ook? Draag een grijs kostuum, zodat ik je herkennen kan.
Roep niet, want ik heb geen stem om stil te antwoorden.
Het is in deze isoleercel, Bernd, waar ik nu verblijf.
Houd vol. Laat je niet vangen.
Niet door twee mensenarmen.
Niet door de hoop.
Niet door die zieke geest van Sint-Amandus.
Groeten, Ignace
uit de reeks 'Waanhoop'